Terug naar de uitspraak

Rechtbank Amsterdam 03-05-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:4839

Datum publicatie29-06-2026
Zaaknummer720511
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht. Verdeling. Pensioen. Pensioenverevening. Titel 7 Wettelijke gemeenschap van goederen. Afd. 7.1 Algemene Bepalingen. Gemeenschapsschulden art. 1:96. Titel 6 Rechten/verplichtingen echtgenoten. Huishoudkosten art. 1:84
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Verdeling ontbonden huwelijsgemeenschap. Twee appartementen waarvan een verhuurd. Spoorboekje voor verdeling. Verevening pensioenrechten.Vergoedingsrecht uit faillissement van vrouw.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

zaaknummer / rolnummer: C/13/720511 / HA ZA 22-560

Vonnis van 3 mei 2023

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Duitsland,

eisende partij,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.L. Neuteboom-van Asselt,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.J. Ouderdorp.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 juli 2022, met producties,

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties,

- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,

- het tussenvonnis van 16 november 2022, waarbij een bijeenkomst van partijen is bepaald,

  • akte houdende wijziging van eis in reconventie tevens overleggen producties,

  • de akte indienen aanvullende stukken tevens wijziging / vermeerdering eis (in conventie),

  • de akte houdende aanvulling conclusie van antwoord in conventie tevens wijziging van eis in reconventie,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 maart 2023.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man het deel van zijn vordering dat ziet op de schuld aan mevrouw [naam 1] van € 18.000,- ingetrokken, waarmee die schuld voor rekening van de man blijft/komt. Ook zijn partijen het tijdens de mondelinge behandeling eens geworden over het positieve saldo wat resteerde na het faillissement en dat dit bedrag van € 186.554,49 aan de vrouw toekomt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

Op 24 december 1999 heeft de vrouw een bedrag van fl. 338.408,- onder uitsluitingsclausule van haar moeder geschonken gekregen.

2.2.

Op 29 december 2000 heeft de vrouw een woning aan de [adres 1] van haar moeder gekocht voor een bedrag van fl. 960.000,-.

2.3.

Op 26 februari 2002 heeft de vrouw een woning aan de [adres 2] gekocht voor een bedrag van € 558.149,66.

2.4.

Op 16 december 2002 heeft de vrouw de woning aan de [adres 1] verkocht voor een bedrag van € 980.000,-.

2.5.

In de akte van verdeling tussen de vrouw en haar toenmalig geregistreerd partner [naam 2] van 19 september 2003 is vermeld dat de verkoopsom van de [adres 1] in de verdeling wordt betrokken én dat de vrouw een rekeningcourantkrediet heeft bij de ABN Amrobank van € 733.125,-.

2.6.

Op 25 januari 2010 heeft de vrouw de blote eigendom van de woning met ondergrond aan de [adres 2] verkocht voor een bedrag van € 295.000,-, onder voorbehoud van recht van erfpacht en recht van opstal.

2.7.

Partijen zijn op 1 september 2012 te Amsterdam met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

2.8.

Op 19 mei 2015 is de eenmanszaak van de vrouw en daarmee ook de vrouw in privé in staat van faillissement verklaard.

2.9.

In 2016 is de moeder van de vrouw overleden. De vrouw heeft een bedrag van € 318.249,52 onder uitsluitingsclausule geërfd. Dit bedrag is door de curator in de boedel gestort.

2.10.

Op 27 juli 2016 is de man een lening (Wunschkredit) bij de Commerzbank aangegaan voor een bedrag van € 17.000,-.

2.11.

Het faillissement van de vrouw en haar eenmanszaak is opgeheven op 21 november 2017 door neerlegging van de slotuitdelingslijst. De gemeenschappelijke schulden uit het faillissement bedroegen € 193.269,44 en de baten uit het faillissement bedroegen € 373.785,55. Aan de vrouw is daarom bij opheffing van het faillissement een bedrag van € 186.554,49 uitgekeerd.

2.12.

Namens de man is op 31 januari 2017 bij de rechtbank Amsterdam een echtscheidingsverzoek ingediend. De rechtbank heeft bij beschikking van 4 oktober 2017 de echtscheiding van partijen uitgesproken. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld in de echtscheidingszaak. Het Hof heeft de echtscheidingsbeschikking in stand gelaten, deze is op 11 februari 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam .

2.13.

De man is eigenaar van een appartement aan de [adres 3] . Per september 2017 wordt dit appartement verhuurd. Vanaf september 2017 tot en met juni 2018 voor een bedrag van € 1.500,- per maand en vanaf juli 2018 tot heden voor € 750,- per maand, inclusief gas, water en licht.

2.14.

De man heeft de lasten voor het appartement aan de [adres 3] gedragen tot en met heden. Deze lasten bedragen meer dan de huurinkomsten.

2.15.

Bij e-mail van 28 juni 2022 heeft de heer [naam 3] onder meer het volgende aan de gevolmachtigde van de vrouw geschreven:

“Ik ben de buurman van mw. [gedaagde] . Mw [gedaagde] klopte in juli 2016 voor het eerst bij ons aan met het verzoek om financiële hulp. (…) Vanaf dat moment heb ik haar geholpen met aanzienlijke bedragen. Er vallen twee periodes te onderscheiden: 2016-2017 en 2021.

(…)

De tweede periode waarin ik mw [gedaagde] heb geholpen was 2021. Een overzicht hiervan is in bijlage 2.”

2.16.

Uit bijlage 2 van de e-mail van [naam 3] “voorgeschoten aan [gedaagde] vanaf maart 2021” volgt dat [naam 3] in 2021 een bedrag van € 20.661,- aan de vrouw heeft geleend. Op 28 juni 2022 stond er nog een totaalbedrag van € 26.811,- open.

2.17.

Op 15 maart 2022 heeft de vrouw een hypotheek van € 337.500,- gevestigd op de het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning aan de [adres 2] .

3Het geschil

in conventie

3.1.

De man vordert – samengevat – en na wijziging van eis bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de tussen partijen ontbonden gemeenschap van goederen te verdelen, aldus dat aan de vrouw wordt toegescheiden de volgende vermogensbestanddelen:

- de woning [adres 2] ;

- de inboedelgoederen in die woning;

- de inboedelgoederen in het appartement aan de [adres 3] ;

- sieraden en roerende goederen van de vrouw;

- bankrekeningen op naam van de vrouw;

en aan de man:

- het appartement aan de [adres 3] , en de aan de hypotheek gekoppelde Spaar-optie-hypotheek polis bij Reaal;

- het appartement in Duitsland met de inboedelgoederen;

- sieraden en roerende goederen van de man;

- de bankrekeningen op naam van de man ( [rekeningnummer 1] & [rekeningnummer 2] ); en

voorwaardelijk voor de situatie dat de vrouw de woning aan de [adres 2] niet binnen 3 maanden na het wijzen van het vonnis in deze procedure van de gemeenschap heeft overgenomen en toegedeeld heeft gekregen — de man te machtigen deze woning ex art. 3:174 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te gelde te maken, waarbij de verkoopopbrengst van de woning tussen partijen bij helfte dient te worden gedeeld en de vrouw te veroordelen daaraan mee te werken op straffe van een dwangsom;

II. te verklaren voor recht dat de man draagplichtig is voor de navolgende schulden, onder vrijwaring van de vrouw en onder verrekening van de helft van deze schuld met de vrouw:

- de hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO Bank ad € 400.000,-

- de roodstand op zijn ING Bankrekening [rekeningnummer 3] ad € 1.029,29;

- de roodstand op zijn rekening bij de Commerzbank ad € 9.037,67;

- de schuld aan de Commerzbank Finanz Wunschkredit ad € 20.631,24,

III. te verklaren voor recht dat de vrouw draagplichtig is voor de navolgende schulden, onder vrijwaring van de man en onder verrekening van de helft van deze schuld met de man:

- de schuld aan mevrouw [naam 4] van € 15.000,-;

- de schuld aan [naam 3] van € 14.168,64; en

IV. de vrouw ter zake haar overbedeling ten aanzien van de verdeling van de gemeenschap van goederen en de draagplicht voor de schulden per peildatum te veroordelen om binnen 14 dagen na datum van het te wijzen vonnis aan de man te betalen het bedrag van € 507.712,04 + PM te vermeerderen met de wettelijke rente over het aan de man verschuldigde bedrag vanaf de 14e dag nadat de beschikking is afgegeven tot aan de dag waarop betaling geheel heeft plaatsgevonden; en

V. de vrouw te veroordelen in de proceskosten;de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van de door haar ontvangen huurpenningen gedurende de periode vanaf september 2017, althans met ingang van een datum die de rechtbank redelijk acht t/m het moment dat het appartement aan de [adres 3] aan de man is geleverd, tot en met maart 2023 een totaal bedrag van € 57.750,- + P.M., vermeerderd met de wettelijke rente;

VI. de vrouw te veroordelen om mee te werken aan de levering van het appartement aan de [adres 3] aan de man, bij gebreke waarvan uitspraak op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal treden van een akte of een gedeelte daarvan.

3.2.

De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitzondering van hetgeen door de man is gevorderd ten aanzien van de verdeling van de waarde van de gemeenschappelijke woning van partijen aan de [adres 3] .

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

De vrouw vordert – samengevat – en na wijziging van eis bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • de verdeling van de door de man opgebouwde pensioenrechten in die zin dat aan de vrouw de helft van de opgebouwde pensioenrechten tijdens huwelijk wordt toegescheiden en dat de vrouw voor dit bedrag een vordering op de man dan wel de pensioenverzekeraar heeft;

  • veroordeling van de man tot betaling van een bedrag van € 68.866,71;

  • veroordeling van de man tot terugbetaling van een bedrag van € 20.000,-.

3.5.

De man voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Het geschil van partijen ziet op de afwikkeling van de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

in conventie

Verdeling

4.2.

Beide partijen verzoeken de rechtbank de wijze van verdeling van de tussen hen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen.

4.3.

Niet gesteld of anderszins is de rechtbank gebleken dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 1:93 en 1:94 BW, zoals deze golden tot 1 januari 2018, bestaat tussen partijen dus een wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Op grond van artikel 1:100 BW is het uitgangspunt dat de gemeenschap van goederen bij helfte tussen partijen wordt verdeeld.

Peildatum

4.4.

Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b van het BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 31 januari 2017.

4.5.

Voor de waardering van de vermogensbestanddelen van de ontbonden huwelijksgemeenschap geldt echter – voor zover partijen niet anders zijn overeenkomen of uit de redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit – de datum van de feitelijke verdeling als peildatum, behoudens ten aanzien van banksaldi.

Samenstelling ontbonden gemeenschap

4.6.

Partijen hebben gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen en schulden in de ontbonden gemeenschap vallen:

  • de sieraden en persoonlijke spullen van de man;

  • de sieraden en persoonlijke spullen van de vrouw;

  • de woning aan de [adres 2] ;

  • het appartement aan de [adres 3] ;

  • de inboedel van de woning aan de [adres 2] ;

  • de inboedel van het appartement aan de [adres 3] ;

  • de inboedel van de huurwoning van de man in Duitsland;

  • het positief saldo uit het faillissement van de eenmanszaak van de vrouw;

  • de banksaldi t.n.v. de man;

  • de banksaldi t.n.v. de vrouw;

  • de spaar-optie-hypotheekpolis bij Reaal;

  • de hypothecaire geldlening bij de ABN Amro bank;

  • het Commerz Finanz Wunschkredit;

  • de lening van [naam 4] ;

  • de lening van [naam 3] ;

  • de opgebouwde pensioenrechten van de man.

Sierraden en persoonlijke spullen

4.7.

Partijen zijn het erover eens – nu de vrouw dit niet betwist heeft – dat de sieraden en persoonlijke spullen van partijen aan diegene waarvan deze zijn zullen worden toebedeeld, zonder verrekening van de waarde met de ander.

Woning [adres 2]

4.8.

De man stelt dat de woning aan de [adres 2] in de ontbonden gemeenschap van partijen valt. Per 1 januari 2021 was de WOZ waarde van die woning € 1.047.000,-. De man gaat ervan uit dat in deze waarde al rekening is gehouden met het feit dat de vrouw niet meer het blote eigendom van de woning met ondergrond heeft. Hij stelt dat de waarde van de woning in het economisch verkeer op het moment van verdeling leidend is. Deze waarde moet door een onafhankelijke makelaar worden vastgesteld. De kosten die verbonden zijn aan die taxatie dient door partijen bij helfte te worden gedeeld. De woning moet aan de vrouw toegedeeld worden tegen de waarde in het economisch verkeer per datum verdeling onder verrekening van de helft van de overwaarde met de man.

4.9.

De vrouw betwist dat de woning aan de [adres 2] in de ontbonden gemeenschap van partijen valt. Zij voert daartoe aan dat de woning is verkregen met geld dat een vrucht is van een schenking die zij onder uitsluitingsclausule van haar moeder heeft verkregen. De vrouw heeft eind 2000 een woning aan de [adres 1] van haar moeder gekocht met geld wat zij van haar moeder heeft geleend. De vrouw meent dat deze woning aan de [adres 1] een vrucht van een schenking van haar moeder is. De vrouw voert aan dat de woning aan de [adres 2] mogelijk ook deels gefinancierd is met de schenking van de moeder en met de lening van de moeder aan de vrouw, alsmede uit voorfinanciering middels een lening bij de ABN AMRO Bank. De opbrengst na verkoop van de woning aan de [adres 1] is gebruikt om de leningen af te lossen, waardoor de woning aan de [adres 2] onbelast was.

4.10.

De rechtbank stelt vast dat het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning aan de [adres 2] in de ontbonden gemeenschap van partijen valt, gelet op het volgende. De moeder van de vrouw heeft op 24 december 1994 een bedrag van fl. 900.000,- aan de vrouw geschonken. Op 29 december 2000 heeft de vrouw de woning aan de [adres 1] van haar moeder gekocht voor een bedrag van fl. 960.000,-. Dit bedrag heeft zij in zijn geheel van haar moeder geleend. Op 26 februari 2002 heeft de vrouw de woning aan de [adres 2] gekocht voor een bedrag van € 558.000,-. De woning aan de [adres 1] heeft de vrouw op 16 december 2002 verkocht voor een bedrag van € 980.000,-. Uit de akte van verdeling tussen de vrouw en haar toenmalig geregistreerd partner blijkt dat zowel de verkoopsom van € 980.000 in de verdeling viel als ook het rekeningcourantkrediet van de vrouw van € 733.125,00 bij de ABN Amrobank. Daaruit wordt geconcludeerd dat de woning aan de [adres 2] niet is gefinancierd met de opbrengst uit de verkoop van de woning aan de [adres 1] , maar met een financiering van de ABN Amrobank. Daarbij geldt dat de woning aan de [adres 1] nog niet was verkocht toen de vrouw de woning aan de [adres 2] kocht. De woning aan de [adres 2] is dus geen vrucht van de onder uitsluiting gekregen schenking van de moeder van de vrouw.

4.11.

De hypotheek die de vrouw op 15 maart 2022 op de woning aan de [adres 2] heeft gevestigd voor een bedrag van € 337.500,-, valt buiten de ontbonden gemeenschap van partijen, aangezien het huwelijk van partijen op die datum al ontbonden was.

4.12.

Het voorgaande betekent dat (alleen)het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning aan de [adres 2] in de gemeenschap valt en dus verdeeld moet worden tussen partijen. Nu ter zitting is gebleken dat de vrouw het recht op erfpacht en het recht op opstal op de woning wenst te verkopen, zal de rechtbank hiertoe in het dictum het zogenoemde “spoorboekje” opnemen. In het door de rechtbank opgenomen spoorboekje ligt besloten dat ieder van partijen zijn/haar medewerking dient te verlenen aan de verkoop van de woning en dat de verkoopsom na aftrek van de kosten, maar niet van de hypotheek bij helfte tussen partijen moet worden gedeeld.

Appartement [adres 3]

4.13.

Partijen zijn het erover eens dat het appartement aan de [adres 3] tot de ontbonden gemeenschap van partijen behoort. Het appartement wordt thans verhuurd aan een derde voor een bedrag van € 750,- inclusief gas, water en licht. Partijen hebben geprobeerd om de huurder uit het appartement te krijgen, maar dat is niet gelukt.

4.14.

De man stelt dat voor de berekening van de waarde van het appartement moet worden uitgegaan van de waarde van het appartement in onverhuurde staat, omdat de vrouw per 1 september 2017 het appartement verhuurt, zonder dat de man hier toestemming voor heeft gegeven. Die huurder betaalt op dit moment € 750,- per maand aan huur, inclusief gas, water en licht. De waarde in het economisch verkeer moet worden vastgesteld door een onafhankelijke makelaar.

4.15.

De vrouw voert aan dat zij het appartement aan de [adres 3] wil overnemen, door de man uit te kopen. Als wordt geoordeeld dat de woning aan de [adres 2] tot de ontbonden gemeenschap van partijen behoort, verzoekt de vrouw om een termijn na verkoop van de woning aan de [adres 2] om het appartement over te nemen, tegen de economische waarde.

De vrouw voert daarnaast aan dat de man toestemming heeft gegeven voor het verhuren van het appartement. En dat, voor zover het niet vast komt te staan dat de man toestemming heeft gegeven voor de verhuur, hij op grond van artikel 1:88 en 1:89 BW een beroep op de vernietigingsgrond van de huurovereenkomst had kunnen doen. Om die reden moet volgens de vrouw – als het haar niet lukt om het appartement over te nemen – bij verkoop van het appartement worden uitgegaan van de volledige taxatiewaarde in onverhuurde staat.

4.16.

De rechtbank oordeelt als volgt. Vaststaat dat het appartement thans niet rendabel wordt verhuurd. Nu niet alleen de man, maar ook de vrouw aanvoert dat bij de verdeling uitgegaan moet worden van de volledige taxatiewaarde in onverhuurde staat, zal ook de rechtbank hiervan uitgaan. De man moet de vrouw een termijn geven van drie maanden om het appartement over te nemen, door hem uit te kopen tegen de waarde die de woning heeft in onverhuurde staat. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet wenselijk om de vrouw een termijn van langer dan drie maanden – ter overname van het appartement – te gunnen gelet op de financiële situatie met de huurder en de vaste lasten die de man elke maand betaalt. Als eerst gewacht moet worden op de verkoop van de woning aan de [adres 2] en de vrouw dan nog een extra termijn moet worden gegund, zal het aanzienlijk langer duren en zal de man onnodig lang kosten blijven maken.

4.17.

Gelet op het voorgaande zal de wijze van verdeling worden gelast als na te melden, waarbij partijen het appartement drie maanden na dit vonnis – als de vrouw het appartement niet tegen de waarde in onverhuurde staat kan overnemen – te koop zullen aanbieden. De rechtbank zal bepalen dat het appartement na voornoemde termijn, zal moeten worden verkocht als na te melden. Ook hier geldt dat in het door de rechtbank opgenomen spoorboekje ligt besloten dat een ieder van partijen zijn/haar medewerking dient te verlenen aan de verkoop van het appartement.

Voor zover de man stelt dat hij bij verkoop aan een derde benadeeld is vanwege de waardevermindering van het appartement in verband met verhuur, stelt de rechtbank vast dat de man hierover geen concrete vordering heeft ingediend, zodat hierop niet wordt beslist.

Inboedel

4.18.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man laten weten dat hij ermee instemt dat de inboedel de woning aan de [adres 2] en de inboedel van het appartement aan de [adres 3] aan de vrouw toekomt nu de vrouw deze graag wil hebben.

4.19.

De rechtbank stelt vast dat de inboedel van de woning aan de [adres 2] en de inboedel van het appartement aan de [adres 3] aan de vrouw toekomen en dus niet worden betrokken in de verdeling. De inboedel van de huurwoning van de man in Duitsland zal aan hem toekomen en wordt ook niet betrokken in de verdeling.

Bankrekeningen

4.20.

De man stelt dat de saldi van de bankrekeningen van partijen op de peildatum bij helfte verdeeld moeten worden. De man had op peildatum 31 januari 2017 een bankrekening bij de ING Bank ( [rekeningnummer 3] ), waarop het saldo per peildatum € - 1.029,29 bedroeg en een bankrekening bij de Commerzbank ( [rekeningnummer 2] ), waarop het saldo per peildatum € - 9.037,67 bedroeg. Volgens de man zijn partijen beiden draagplichtig voor deze schulden. De man stelt dat het voor hem onbekend is welke bankrekeningen en met welke saldi de vrouw had op de peildatum. Hij weet dat zij twee rekeningen in gebruik had ( [rekeningnummer 4] en [rekeningnummer 5] ).

4.21.

De vrouw betwist dat de saldi van de bankrekeningen van partijen in de ontbonden gemeenschap vallen. Zij voert aan dat beide partijen hun eigen rekeningen hadden en dat zij niet gezamenlijk zijn op grond van de redelijkheid en billijkheid.

4.22.

De rechtbank oordeelt dat de bankrekeningen van partijen in de ontbonden gemeenschap vallen. Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd en niet gebleken is dat partijen daarvan zijn afgeweken ten aanzien van de bankrekeningen. Zelfs als partijen beiden alleen de rekeningen op hun eigen naam gebruikten – zoals aangevoerd door de vrouw – leidt dit niet tot een ander oordeel, omdat er sprake was van een algehele gemeenschap. Ook niet op grond van de redelijkheid en billijkheid, omdat partijen zelf gekozen hebben voor een gemeenschap van goederen en geen afwijkende afspraken hebben gemaakt ten aanzien van de bankrekeningen. Dit betekent dat de saldi van alle bankrekeningen van partijen op de peildatum (31 januari 2017) bij helfte moeten worden gedeeld, dan wel ieder voor de helft draagplichtig is voor een eventueel negatief saldo. De rechtbank verstaat dat partijen voor deze verdeling elkaar inzicht verschaffen in de saldi van de bankrekeningen die zij hadden op de peildatum.

Leningen

4.23.

De man stelt dat partijen beiden voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden die zij op de peildatum hadden. Volgens de man zijn dat de schulden aan mevrouw [naam 4] , ter hoogte van € 15.000,-, de schuld aan [naam 3] van € 14.168,68 en de schuld aan de Commerzbank ten bedrage van € 20.631,24.

De schuld aan [gedaagde] en [naam 3] zijn door vrouw tijdens het huwelijk aangegaan. De man stelt hier nooit stukken van te hebben gezien. Hij meent dat de vrouw deze schulden voor haar rekening moet nemen onder vrijwaring van de man, doch onder verrekening van de helft van de hoogte van deze schulden met de man.

De man stelt daarnaast dat hij een regresvordering op de vrouw heeft voor de helft van de schuld bij de Commerzbank per peildatum.

4.24.

De vrouw betwist dat de leningen die zij is aangegaan bij [naam 4] en [naam 3] slechts voor haar rekening komen. Deze leningen vallen in de ontbonden gemeenschap van partijen. De vrouw betwist daarnaast dat zij toestemming heeft gegeven voor de lening die de man heeft afgesloten tijdens het huwelijk bij de Commerzbank. Zij voert aan dat er geen noodzaak bestond om die lening aan te gaan voor de gemeenschap. Daarnaast is die lening aangegaan op 15 september 2016, vlak voordat partijen uit elkaar gingen.

4.25.

Ten aanzien van de leningen bij [naam 4] en [naam 3] oordeelt de rechtbank dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor die leningen per peildatum. Hiervoor geldt immers dat partijen geen – van de gemeenschap van goederen – afwijkende afspraken hebben gemaakt.

4.26.

De rechtbank oordeelt ten aanzien van de lening bij de Commerzbank als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man uitgelegd dat hij deze lening is aangegaan ten tijde van het faillissement van de eenmanszaak van de vrouw. Partijen hadden destijds moeite om de vaste lasten, met name voor de woningen die partijen hadden, te voldoen. De man heeft aangevoerd dat hij de lening heeft gebruikt om in die vaste lasten te voorzien. De rechtbank acht deze uitleg geloofwaardig en ook begrijpelijk. Omdat het krediet is aangevraagd op 27 juli 2016, en niet op 15 september 2016, is er geen sprake van een lichtvaardig aangegane schuld door de man binnen zes maanden voor het verzoek tot echtscheiding, ingevolge artikel 1:164 BW. De lening komt daarom ten laste van de ontbonden gemeenschap.

4.27.

Als uitgangspunt bij het voorgaande geldt dat, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW, de gemeenschap, wat haar lasten betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten omvat. De rechtbank zal derhalve bepalen dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de schulden die op de peildatum in de gemeenschap aanwezig zijn. Voor zover één van partijen meer dan de helft heeft afgelost op deze schulden heeft hij/zij in beginsel regres op de ander.

Hypothecaire geldlening ABN AMRO Bank en Spaar-optie-hypotheekpolis Reaal

4.28.

De man stelt dat hij voor de aanschaf van het appartement aan de [adres 3] een hypothecaire lening bij de ABN AMRO Bank is aangegaan. De hoogte daarvan bedroeg op de peildatum € 400.000,-. De hoogte van deze hypotheek is niet veranderd, omdat de man een volledig aflossingsvrije hypotheek heeft. Aan de hypotheek is een Spaar-optie-hypotheek polis bij Reaal gekoppeld. De afkoopwaarde van de spaarpolis schat de man op de peildatum op € 40.000,- . Vanaf dat moment heeft de man deze premies voor zijn rekening genomen. De vrouw heeft hier nimmer aan mee betaald. Daarom moet de afkoopwaarde van deze spaarpolis op 31 januari 2017 worden meegenomen in de verdeling van de ontbonden gemeenschap van partijen.

4.29.

De vrouw voert aan dat zij totdat partijen uit elkaar gingen heeft bijgedragen in de hypotheeklasten van de woning. De vrouw betwist dat van de afkoopwaarde van de spaarpolis per 31 januari 2017 moet worden uitgegaan. Zij voert daartoe aan dat de man wil profiteren van de waarde van het appartement in het economisch verkeer op dit moment en dat daarom moet worden aangesloten bij de afkoopwaarde van de hypotheek per heden. De man kan daarop volgens de vrouw hoogstens de door hem betaalde premiekosten vanaf 31 januari 2017 in mindering brengen.

4.30.

Ten aanzien van de hypotheek van het appartement aan de [adres 3] geldt dat deze in de ontbonden gemeenschap van partijen valt. Dit betekent dat beide partijen draagplichtig zijn voor de hypotheekschuld per peildatum. De rechtbank volgt verder ten aanzien van de waarde van de spaar-optie-hypotheekpolis de vrouw niet. Voor deze polis geldt dat wat betreft de waarde zal worden aangesloten bij de peildatum en dat de bedragen die daarna door de man zijn voldaan en de waardestijging van de polis aan de man toekomen. Dit betekent dat op het moment dat de woning wordt overgenomen door de vrouw, dan wel wordt verkocht aan een derde de polis moet worden opgeheven en op voorgenoemde wijze de waarde moet worden verdeeld.

Huurpenningen appartement [adres 3]

4.31.

De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw de huurinkomsten die zij ontvangt voor de verhuur van het appartement aan de [adres 3] aan hem moet vergoeden. Het appartement is vanaf september 2017 tot en met juni 2018 voor € 1.500,- per maand verhuurd en vanaf juli 2018 tot heden voor € 750,- per maand. Dit gaat in totaal om een bedrag van € 57.750,- aan huurpenningen (voor de periode september 2017 tot en met maart 2023), inclusief gas, water en licht. De man heeft al die tijd de lasten voor het appartement gedragen, zijnde € 1.731,31 per maand. Het appartement aan de [adres 3] behoort tot de ontbonden gemeenschap van partijen. Op grond van artikel 7:226 BW is het huurrecht verknocht aan de mede-eigendom van het verhuurde. Het gerechtshof Amsterdam heeft in 2013 geoordeeld dat er bij gemeenschappelijke eigendom van een woning die verhuurd wordt, sprake is van een eenvoudige gemeenschap, als bedoeld in artikel 3:166 BW. 1 Uit dit arrest valt volgens de man af te leiden dat bij gemeenschappelijke eigendom er slechts geldige rechtshanddelingen ten aanzien van de verhuurde woning kunnen worden verricht als tussen de eigenaren onderlinge overeenstemming bestaat over een bepaalde kwestie. Hij stelt dat, nu hij alle lasten voor het appartement draagt sinds 31 januari 2017, het niet redelijk is dat de vrouw per september 2017 de huurpenningen ontvangt. Er wordt op dit moment geen winst gemaakt op het verhuren van het appartement. De vrouw heeft deze onrendabele huurafspraken gemaakt, ondanks protest van de man. De man stelt daarom dat op grond van de artikelen 3:184 en 3:185 BW de door de vrouw ontvangen huurpenningen aan hem toegescheiden moeten worden, te vermeerderen met de wettelijke rente. De man merkt daarbij op dat, omdat partijen deelgenoten zijn, de vrouw eigenlijk ook zou moeten bijdragen in de lasten van het appartement, maar dat hij dit nu niet zal vorderen.

4.32.

De vrouw betwist dat de man geen toestemming heeft verleend voor het verhuren van het appartement aan de [adres 3] . Zij voert daarnaast aan dat als de man het niet eens was met het verhuren van het appartement hij op grond van artikel 1:88 BW een beroep op de vernietigingsgrond kunnen doen. De vrouw voert verder aan dat de door haar geïnde huurpenningen gezien zouden kunnen worden als een soort onderhoud, dus partneralimentatie.

4.33.

De rechtbank zal de vordering van de man die ziet op het toescheiden van de huurpenningen aan hem vanaf september 2017 toewijzen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende naar voren gebracht dat de man akkoord ging met de verhuur tegen deze prijs van het appartement aan de [adres 3] . Hoewel de man – als aangevoerd door de vrouw – op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW de huurovereenkomst had kunnen vernietigen indien hij niet akkoord ging met de verhuur maar dit heeft nagelaten, betekent dat nog niet dat hij geen recht meer heeft op het delen in de opbrengsten van de verhuur van het appartement. Voor wat betreft het appartement aan de [adres 3] is een eenvoudige gemeenschap tussen partijen ontstaan na 31 januari 2017. Dit zou betekenen dat partijen de inkomsten en lasten bij helfte zouden moeten delen. De man heeft zijn vordering echter niet op die manier ingestoken. Hij vordert slechts de huurinkomsten, geen verdeling van de lasten, maar heeft deze lasten wel voldaan en deze lasten bedragen meer dan het dubbele van de huurinkomsten. Voor zover de vrouw meent dat sprake is van een andere afspraak tussen partijen met betrekking tot de opbrengsten en de lasten, is de rechtbank van oordeel dat zij dit onvoldoende naar voren heeft gebracht. De rechtbank zal de vordering van de man toewijzen, tot en met april is dat een bedrag van € 58.500,- en voor de toekomstige maanden bepalen dat de vrouw de volledige huurinkomsten aan de man moet voldoen. De gevorderde wettelijke rente over € 58.500,- zal als onweersproken worden toegewezen op de wijze als in de beslissing vermeld.

in reconventie

Pensioenrechten man

4.34.

De vrouw stelt dat de door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten voor verdeling in aanmerking komen.

4.35.

De man voert aan dat hij tijdens het huwelijk uitsluitend heeft gewerkt voor de ABN AMRO Bank in Duitsland. Zijn aanvullende pensioen is ondergebracht in het Duitse pensioenfonds BVV. Het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het Nederlands recht. De Wet verevening pensioenrechten bij echtscheiding (WVPS) is van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen. Op grond van artikel 1 lid 8 WVPS is deze wet ook van toepassing op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling. De man voert aan dat zijn ouderdomspensioen opgebouwd bij het in Duitsland gevestigde BVV niet is aan te merken als een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 lid 4 tot en met 6 van de WVPS.

De man voert verder aan dat op grond van artikel 1 lid 8 WVPS de echtgenoot die recht op verevening heeft, geen recht op uitbetaling van een deel van het pensioen jegens het buitenlands uitvoeringsorgaan verkrijgt, maar slechts een recht op uitbetaling jegens de andere echtgenoot. Omdat de vrouw enkel verdeling van de door de man opgebouwde pensioenrechten vordert, moet zij daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Voor het geval de vrouw zou hebben bedoeld dat er tot verevening van de pensioenrechten zou moeten worden overgegaan, stelt de man dat hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. De vrouw kan haar vordering daarom pas gelend maken als de man zijn pensioen ontvangt.

4.36.

De rechtbank begrijpt de vordering van de vrouw aldus dat zij vordert dat er tot verevening van de pensioenrechten over moet worden gegaan. De rechtbank oordeelt dat de vrouw op grond van artikel 2 lid 1 WVPS recht heeft op pensioenverevening ter zake van de door de man tijdens huwelijk opgebouwde pensioenrechten (zoals bedoeld in artikel 1 lid 4, 5 en 6 van die wet). Uit lid 2 van deze bepaling volgt dat voor de vrouw een recht ontstaat jegens het uitvoeringsorgaan op uitbetaling van de haar toekomende pensioentermijnen, mits binnen twee jaar na scheiding daarvan mededeling is gedaan aan het uitvoeringsorgaan. Uit artikel 2 lid 6 WVPS volgt dat, indien deze mededeling niet binnen de in lid 2 bedoelde termijn van twee jaar heeft plaatsgevonden, voor de vrouw een recht ontstaat jegens de man op uitbetaling van de haar toekomende pensioentermijnen.

Vaststaat dat de in artikel 2 lid 2 WVPS bedoelde melding – waardoor voor de vrouw een recht op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan zou zijn ontstaan – niet tijdig heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat op grond van artikel 2 lid 6 WVPS de vrouw vanaf het verstrijken van de termijn van twee jaar (dus vanaf 11 februari 2022) in beginsel een recht op uitbetaling heeft jegens de man van een deel van elk van de in de toekomst nog door het pensioenfonds BVV aan de man uit te betalen pensioentermijnen.

Vergoedingsrecht faillissement

4.37.

De vrouw stelt dat ter voldoening van het faillissement een bedrag van € 318.249,52, dat zij heeft geërfd onder uitsluiting van haar moeder, is aangewend. De vrouw stelt dat zij hierdoor een vergoedingsrecht heeft op de man.

4.38.

De man betwist dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft. Hij voert daartoe aan dat het faillissement van de vrouw alleen uit privéschulden van haar bestond. Voor zover het gemeenschapsschulden waren voert de man aan dat de vrouw op grond van artikel 1:84 BW gehouden was om privé, dus uit de erfenis, bij te dragen in die gemeenschapsschulden. Er hoeft daarom niet verrekend te worden.

4.39.

De rechtbank stelt vast dat de het faillissement van de eenmanszaak van de vrouw bestond uit gemeenschapsschulden. Niet gebleken is dat partijen andere afspraken hebben gemaakt waardoor hier de gemeenschap van goederen niet zou gelden. Anders dan de man aanvoert heeft de vrouw daarom een vergoedingsrecht op de man. De vrouw heeft immers een onder uitsluitingsclausule verkregen erfenis van haar moeder aangewend voor het voldoen van een (gemeenschaps)schuld uit het faillissement. De hoogte van de door de vrouw ontvangen erfenis bedroeg € 318.249,52, de gemeenschappelijke schulden uit het faillissement bedroegen € 193.269,44 en de baten uit het faillissement bedroegen € 373.785,55, dat was inclusief de nalatenschap. Het voorgaande betekent dat in de fictieve situatie, zonder de aangewende nalatenschap, een bedrag van (€ 373.785,55 – € 318.249,52 =) € 55.536,03 zou resteren aan baten. Als dit bedrag van de schulden uit het faillissement zou worden afgetrokken, had een schuld van € 137.733,41 geresteerd. In deze fictieve situatie had dat bedrag (aan schulden) voor rekening van beide partijen gekomen. Omdat dit bedrag in werkelijkheid is voldaan uit de onder uitsluitingsclausule verkregen nalatenschap, heeft de vrouw een vergoedingsrecht op de man voor de helft van dat bedrag, zijnde € 68.866,71.

4.40.

De vordering van de vrouw die ziet op een vergoeding van het bedrag van € 68.866,71 zal daarom worden toegewezen.

Lening of schenking € 20.000,-

4.41.

De vrouw stelt dat zij de man op 29 januari 2018 een bedrag van € 20.000,- heeft geleend. Op dat moment was het echtscheidingsverzoek al ingediend. Zij voert aan dat ze dit bedrag aan de man heeft geleend om de schuld aan de Commerzbank af te lossen. Ze heeft daarbij de voorwaarde gesteld dat de man het echtscheidingsverzoek zou intrekken en dat partijen in onderling overleg tot overeenstemming over de echtscheiding en de verdeling zouden komen. De man heeft niet aan deze voorwaarde voldaan, hij is volgens de vrouw zijn verplichting uit overeenkomst niet nagekomen. Subsidiair stelt de vrouw dat sprake is van een onverschuldigde betaling.

4.42.

De man betwist dat sprake was van een lening. Hij voert aan dat de vrouw dat bedrag aan hem heeft geschonken.

4.43.

Nu de bewijslast van de vermeende lening bij de vrouw ligt, de man het bestaan van de vermeende lening betwist en de vrouw niet verder heeft onderbouwd dat sprake was van een lening, zal de rechtbank de vordering van de vrouw die ziet op terugbetaling van de door haar gestelde lening afwijzen. Ook is geen sprake van een onverschuldigde betaling, nu partijen stellen dat er een rechtsgrond was voor de betaling (schenking respectievelijk lening).

Proceskosten

4.44.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

stelt de verdeling van de tussen partijen ontbonden gemeenschap als volgt vast:

- aan de man wordt toebedeeld:

  • zijn sieraden en persoonlijke spullen;

  • de inboedel van zijn appartement in Duitsland;

  • de bankrekening(en) die op zijn naam staan, onder de verplichting om de helft van het saldo op de peildatum 31 januari 2017 aan de vrouw te voldoen. Indien er sprake is van een negatief saldo per 31 januari 2017 dient de vrouw de helft van dit negatieve saldo voor haar rekening te nemen;

- aan de vrouw wordt toebedeeld:

  • haar sieraden en persoonlijke spullen;

  • de inboedel van de woning aan de [adres 2] ;

  • de inboedel van het appartement aan de [adres 3] ;

  • de bankrekening(en) die op haar naam staan, onder de verplichting om de helft van het saldo op de peildatum 31 januari 2017 aan de man te voldoen. Indien er sprake is van een negatief saldo per 31 januari 2017 dient de man de helft van dit negatieve saldo voor zijn rekening te nemen;

5.2.

bepaalt dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor de volgende schulden per peildatum:

  • de schuld aan de Commerzbank Finanz Wunschkredit;

  • de schuld bij mevrouw [naam 4] ;

  • de schuld bij de heer [naam 3] ;

5.3.

gelast de wijze van verdeling van het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning aan de [adres 2] als volgt:

- bepaalt dat partijen binnen vier weken na heden gezamenlijk een taxateur de opdracht geven tot het taxeren van het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning de [adres 2] tegen de actuele waarde in het economisch verkeer, waarbij partijen binnen tien dagen na de taxatie elkaar schriftelijk berichten of zij akkoord gaan met de getaxeerde waarde;

- bepaalt dat, indien zij niet binnen vier weken na heden gezamenlijk een taxateur opdracht hebben gegeven tot het taxeren van het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning, de man drie mogelijke taxateurs kiest en de vrouw uit die drie taxateurs één kiest en namens de man bevoegd is tot het verstrekken van de opdracht aan die taxateur;

- bepaalt dat de kosten van de taxatie door beide partijen gedragen worden, ieder voor de helft;

- bepaalt dat de verkoop van het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning geschiedt binnen vier weken na de taxatie door middel van een opdracht aan de makelaar die de hiervoor genoemde bindende taxatie heeft verricht. Ieder van partijen is gehouden deze makelaar daartoe opdracht te geven;

- bepaalt dat partijen binnen vier weken na de taxatie gezamenlijk een makelaar opdracht te geven tot verkoop van het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning gelegen aan de [adres 2] tegen een door partijen overeen te komen verkoopprijs;

- bepaalt dat, indien zij niet binnen vier weken na taxatie gezamenlijk een makelaar opdracht hebben gegeven tot de verkoop, ieder van hen afzonderlijk bevoegd is tot het verstrekken van een opdracht aan NVM-makelaar Woe Van Os, [adres 4] tot verkoop van het recht van erfpacht en het recht van opstal op de appartementsrechten gelegen aan de [adres 2] ;

- bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening er in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt;

- bepaalt dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkooprijs, partijen aan de makelaar kunnen verzoeken om de verkoopprijs bindend vast te stellen;

- bepaalt dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun mede werking te verlenen aan het notariële transport van het recht van erfpacht en het recht van opstal op de woning aan de koper;

- bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;

- bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen;

- bepaalt dat de hypothecaire geldlening bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit het deel dat de vrouw ontvangt aan verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning;

5.4.

gelast de wijze van verdeling van het appartement aan de [adres 3] als volgt:

- bepaalt dat partijen binnen vier weken na heden gezamenlijk een taxateur de opdracht geven tot het taxeren van het appartement aan de [adres 3] tegen de waarde in onverhuurde staat in het economisch verkeer, waarbij partijen binnen tien dagen na de taxatie elkaar schriftelijk berichten of zij akkoord gaan met de getaxeerde waarde;

- bepaalt dat, indien zij niet binnen vier weken na heden gezamenlijk een taxateur opdracht hebben gegeven tot het taxeren van het appartement, de man drie mogelijke taxateurs kiest en de vrouw uit die drie taxateurs één kiest en namens de man bevoegd is tot het verstrekken van de opdracht aan die taxateur;

- bepaalt dat de kosten van de taxatie door beide partijen gedragen worden, ieder voor de helft;

Voor het geval de vrouw binnen drie maanden na taxatie het appartement wenst over te nemen door de man uit te kopen tegen de waarde van het appartement in onverhuurde staat en de man ontslaat uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheek:

  • deelt toe aan de vrouw het appartement aan de [adres 3] , onder de verplichting om binnen twee maanden:

  • de op het appartement rustende hypothecaire leningen geheel voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen en de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire leningen;

  • de helft van de overwaarde (deze bestaande uit de taxatiewaarde in onverhuurde staat na aftrek van de hypothecaire leningen op het moment van de notariële overdracht aan de vrouw) aan de man te vergoeden;

- bepaalt dat de kosten van het notariële transport van het appartement voor rekening van partijen ieder voor de helft komen;

Voor het geval toedeling aan de vrouw van het appartement onder ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet binnen de termijn kan worden gerealiseerd:

- bepaalt dat partijen na de hiervoor genoemde termijn van drie maanden gezamenlijk een makelaar opdracht dienen te geven tot verkoop van het appartement tegen een door partijen overeen te komen verkoopprijs;

- bepaalt dat, indien zij niet binnen vier weken na heden gezamenlijk een makelaar opdracht hebben gegeven tot verkoop van de woning, de man drie mogelijke makelaars kiest en de vrouw uit die drie makelaars één kiest en namens de man bevoegd is tot het verstrekken van de opdracht aan die makelaar;

- bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar een door hem/haar vast te stellen bindende marktconforme vraagprijs bepaalt;

- bepaalt dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkooprijs, ieder der partijen aan de makelaar kan verzoeken om de verkoopprijs bindend vast te stellen;

- bepaalt dat als de verkoopprijs bindend is vastgesteld beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan derden;

- bepaalt dat de hypothecaire geldleningen bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van het appartement;

- bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld, dan wel dat ieder van partijen de helft van de restschuld zal dragen en betalen;

- bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;

- bepaalt dat de spaar-optie-hypotheekpolis wordt opgeheven en dat de waarde per peildatum tussen partijen wordt gedeeld en dat de overige waarde volledig aan de man toekomt;

5.5.

bepaalt dat deze uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte tot levering van de man,

5.6.

veroordeelt de man in het kader van het vergoedingsrecht faillissement tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 68.866,71;

5.7.

veroordeelt de vrouw in het kader van de door haar ontvangen huurpenningen tot betaling aan de man van een bedrag van € 58.500,-, berekend tot en met april 2023, te vermeerderen met € 750,- per maand, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over € 58.500,- vanaf veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.8.

verklaart voor recht dat tijdens het huwelijk opgebouwde rechten op ouderdomspensioen van de man worden verevend conform het bepaalde in de WVPS;

5.9.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.10.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, rechter, bijgestaan door mr. K.E. Luijckx, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2023.

1

ECLI:NL:GHAMS:2013:3840.

×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733