De vader voert in het beroepschrift, aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - het volgende aan.
De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat er geen sprake is van een ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader verwijst ter onderbouwing van zijn eerste grief naar hetgeen in de tussenbeschikking van 28 april 2020 is overwogen wat betreft de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Volgens de vader volgt niet uit de bestreden beschikking dat er sprake is van een wijziging van de situatie. Er was en is immers geen contact tussen de vader en de kinderen. Ook was en is er een zeer negatief vader beeld bij de kinderen. Het enkele feit dat de gesprekken tussen de ouders niet het gewenste resultaat hebben gehad, kan de conclusie niet rechtvaardigen dat thans geen sprake meer zou zijn van een ernstige ontwikkelingsbedreiging.
De vader benadrukt verder dat de in het verleden ingezette intensieve vormen van hulpverlening door De Viersprong en Vraagkracht nooit zijn opgestart, en dat hetzelfde geldt voor de door Centrum voor Jeugd en Gezin voorgestelde hulpverlening.
Dat er sprake is van ouderonthechting bij beide kinderen volgt uit het onderzoek van praktijk [praktijk] . Uit het raadsrapport van 23 december 2019 volgt voorts dat er bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sprake is van oudervervreemding jegens de vader. Dat het traject bij [praktijk] uiteindelijk niet tot stand is gekomen, maakt dat de conclusie van de raad dat intensieve hulpverlening is verleend niet klopt.
Verder wijst de vader erop dat de GI geen actie meer heeft ondernomen na de tussenbeschikking van de rechtbank van 28 april 2020. De beschuldigingen aan het adres van vader worden door [minderjarige 1] herhaald. Uit onderzoek van de raad is echter niet gebleken dat deze op waarheid berusten. De GI geeft slechts aan dat het goed gaat met de kinderen. Onduidelijk is waar de GI dit op baseert.
Van de kant van de moeder wordt gesteld dat er contact mogelijk moet zijn, zij stimuleert dit echter op geen enkele manier.
De vader wijst erop dat de rechtbank niet in overstemming met de uitspraak van de HR van 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91 heeft beslist. Ook verwijst de vader naar de uitspraak van Rechtbank Midden Nederland van 19 maart 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:1065 waar in een vergelijkbare situatie door de rechtbank wordt geoordeeld dat er sprake is van een doorlopende kindermishandeling die zeer schadelijk is voor de kinderen, ook al lijken de kinderen op school en daarbuiten goed te functioneren.
De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling heeft afgewezen. Door gebrek aan communicatie tussen de moeder, de GI en de hulpverlener is het noodzakelijke hulptraject voor partijen en de kinderen afgeketst. De rechtbank heeft in dat kader, net als de raad, derhalve ten onrechte overwogen dat de inzet van intensieve vormen van hulpverlening heeft plaatsgevonden.
Praktijk [praktijk] heeft geadviseerd dat met professionele hulp een ouderschapsplan zou moeten worden opgesteld dat aan een aantal condities zou moeten voldoen. [praktijk] zou de professionele begeleider zijn om de adviezen uit te voeren zoals vermeld in onder meer de overeenkomst welke door beide partijen is ondertekend.
Het niet door laten gaan van het hulptraject betekent dat de kans op herstel van contact tussen de vader en de kinderen en een normaal vaderbeeld tot nihil is gereduceerd. Door het einde van de ondertoezichtstelling is er geen enkel toezicht meer op de ontwikkeling van de kinderen en geen zicht op de voortzetting van het systeem van ouderverstoting.
De vader meent dat het onderzoek van een deskundige mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van de kinderen zich hiertegen niet verzet.
Het betreft hier bovendien een contra expertise die geen hernieuwd onderzoek van de kinderen nodig maakt. Het onderzoek is immers al gedaan door de praktijk [praktijk] en in oktober 2019 is overeengekomen dat het traject eerst met de ouders zou worden gevolgd.
In dat verband voert de vader aan dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot benoeming van een deskundige op grond van artikel 810a lid 2 Rv heeft afgewezen.
De vader is ten einde raad en vreest het contact met de kinderen definitief te verliezen