Terug naar de uitspraak

Rechtbank Amsterdam 10-12-2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10322

Datum publicatie02-02-2026
ZaaknummerC/13/749150 / FA RK 24-2409
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen. Alimentatie. Familievermogensrecht. Titel 8 Huwelijksvoorwaarden. Titel 7 Wettelijke gemeenschap van goederen. Afd. 7.1 Algemene Bepalingen. De uitsluitingsclausule
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Echtscheiding en nevenvoorzieningen. Partijen zijn in de huwelijkse voorwaarden een gemeenschap van goederen overeengekomen. De door de man onder uitsluitingsclausule ontvangen erfenis valt niet in de gemeenschap.

Volledige uitspraak


RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken

zaaknummer / rekestnummer: C/13/749150 / FA RK 24-2409 (MO/SV) en C/13/773862 / FA RK 25-6025 (MO/SV)

Beschikking d.d. 10 december 2025 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. N.E. Reijnen, gevestigd te Hoorn,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M.S. Gerson, gevestigd te Amsterdam.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de Raad.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 10 april 2024;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoek;

- het verweerschrift op het aanvullend verzoek;

- het aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 17 november 2025;

- het F9-formulier met producties van 18 november 2025 van de zijde van de vrouw;

- de brief met producties van 20 november 2025 van de zijde van de man;

- het F9-formulier met producties van 22 november 2025 van de zijde van de vrouw;

- de op 26 november 2025 op voorhand ingezonden pleitaantekeningen van de zijde van de vrouw;

- de op 26 november 2025 overgelegde productie van de zijde van de vrouw.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2025.

Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat en de heer [naam 1] namens de Raad.

1.3.

Na de mondelinge behandeling zijn de volgende stukken ingekomen:

  • het e-mailbericht van de zijde van de vrouw van 2 december 2025;

  • het e-mailbericht van de zijde van de man van 2 december 2025.

1.4.

De minderjarige [minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

2De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 28 augustus 2013 te Amsterdam. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

Het minderjarige kind van partijen is [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (hierna te noemen [minderjarige] ).

2.3.

Voorafgaand aan hun huwelijk zijn partijen huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Tijdens het huwelijk hebben partijen hun huwelijkse voorwaarden op 29 januari 2015 gewijzigd. Zij zijn – voor zover in dezen van belang – het volgende overeengekomen:

Artikel 1 Wettelijke gemeenschap van goederen

Tussen de echtgenoten bestaat de wettelijke gemeenschap van goederen.

2.4.

De man heeft in 2000 de onroerende zaak [adres] (hierna: de onroerende zaak) verkregen uit de erfenis van zijn overleden moeder. In het testament van zijn moeder van 5 mei 1998 is – voor zover in dezen van belang – het volgende opgenomen:

Ten vijfde

Ik bepaal dat al hetgeen mijn genoemde zoon als erfgenaam uit mijn nalatenschap verkrijgt door hem wordt verkregen bij wege van een erfstelling fideï-commis de residuo (…)

Op dit fideï-commis de residuo is het navolgende van toepassing:

(…)

f. de rechten van de bezwaarde erfgenaam zullen niet vallen in enige gemeenschap van goederen, die mocht bestaan in een huwelijk of een geregistreerd partnerschap, noch kunnen worden betrokken bij de verrekening van enig deelgenootschap, die mocht deel uitmaken van huwelijksvoorwaarden, partnerschapsvoorwaarden of een samenlevingscontract;

2.5.

Partijen hebben op 11 maart 2015 een overeenkomst van hypothecaire geldlening gesloten met de ING Bank N.V.. Een deel van de onroerende zaak, namelijk het gedeelte waarin partijen woonachtig waren, is in onderpand gegeven. In de hypotheekakte is – voor zover in dezen van belang – het volgende opgenomen:

ONDERPAND

Het woonhuis met ondergrond, plaats en verder toebehoren, staande en liggende te [adres] , kadastraal bekend gemeente Amsterdam, [sectie+nummer] , groot vierenvijftig centiaren,

in deze akte tezamen met de in de Algemene Voorwaarden ING Hypotheken omschreven roerende zaken te noemen “het Onderpand”.

Eigendomsverkrijging en bezwaring onderpand

Het onderpand is door de heer [de man] , hypotheekgever sub 1.a. genoemd verkregen door vererving krachtens testament op vijf mei negentienhonderd achtennegentig verleden voor mr. E.O. Faber, notaris te Amsterdam, waarvan aantekening is gemaakt ten kantore van de Dienst van het kadaster en de Openbare Registers destijds te Amsterdam op éénendertig januari tweeduizend in het register Hypotheken 4 in deel 16382 nummer 37 van een afschrift van een verklaring van erfrecht opgemaakt door genoemde notaris mr. E.P. Faber op achtentwintig januari tweeduizend.

Mitsdien is de heer [de man] , voornoemd, bevoegd en gerechtigd te beschikken over gemeld registergoed.

(…)

2.6.

Scheiding

2.6.1.

Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.6.2.

Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv) .

2.6.3.

Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. De vrouw heeft gesteld dat zij van de man geen reactie heeft ontvangen op haar voorstellen tot het maken van afspraken in het kader van het opstellen van een ouderschapsplan. Uit de stukken blijkt de rechtbank ook voldoende dat partijen niet in staat zijn gezamenlijk tot het opstellen van een ouderschapsplan te komen. Nu de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.

2.6.4.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.7.

Verblijfplaats

2.7.1.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man zich niet meer verzet tegen de bepaling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw. Mede nu dit in het belang van [minderjarige] wordt geacht te zijn, zal de rechtbank daarom het verzoek van de vrouw toewijzen onder gelijktijdige afwijzing van het verzoek van de man.

2.8.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.8.1.

De man heeft verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen, terwijl de vrouw heeft verzocht de beslissing over de zorgregeling aan te houden in afwachting van nadere hulpverlening, dan wel partijen door te verwijzen naar het omgangshuis ten behoeve van het opbouwen van contact tussen [minderjarige] en de man.

2.8.2.

De rechtbank overweegt dat er op dit moment geen tot nauwelijks contact is tussen de man en [minderjarige] . Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat beide partijen het belangrijk vinden dat het contact wordt hersteld. Zoals namens de Raad naar voren is gebracht is het belangrijk dat [minderjarige] zich een beeld kan vormen van zijn afkomst van beide ouders om zich tot een evenwichtig persoon te ontwikkelen in zijn puberteit. Zolang de echtscheiding en de afwikkeling daarvan meespeelt is het lastig voor [minderjarige] om onbelast met beide ouders te hebben. Het is van belang dat er rust komt voor [minderjarige] en ruimte tussen de ouders zodat er dan ook ruimte komt voor [minderjarige] .

Tijdens de mondelinge behandeling is verder gebleken dat partijen het erover eens zijn dat er hulpverlening voor hen nodig is. Na de mondelinge behandeling hebben partijen de rechtbank bericht dat zij zijn overeengekomen dat zij na doorverwijzing van de huisarts het traject Ouderschap Blijft bij iHub zullen starten. In dat licht bezien ziet de rechtbank nu geen ruimte voor het bepalen van een zorgregeling. De verzoeken worden daarom afgewezen. Partijen zullen in samenwerking met de hulpverlening toe moeten werken naar contactherstel tussen de man en [minderjarige] .

2.9.

Kinderbijdrage

2.9.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 902,- per maand vast te stellen met ingang van 27 maart 2024, dan wel 9 april 2024, dan wel 27 juni 2024 dan wel de datum van indiening van het aanvullend verzoek.

Zij heeft aangevoerd dat zij behoefte heeft aan dit bedrag om in de kosten van [minderjarige] te voorzien en dat de man dit kan betalen.

2.9.2.

De man heeft verweer gevoerd. Hij vindt de gestelde behoefte te hoog en betwist ook de draagkracht te hebben de verzochte bijdrage te kunnen betalen. Daarnaast is de man van mening dat de bijdrage niet eerder in kan gaan dan de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, zoals volgens hem ook gebruikelijk is. De man betaalt namelijk nog allerlei lasten voor de vrouw en [minderjarige] .

2.9.3.

De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 654,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van deze beschikking. Dit betekent dat zij een deel van het verzoek van de vrouw afwijst.

2.9.4.

De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

Ingangsdatum

2.9.5.

Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.

2.9.6.

De wet geeft de rechtbank grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting of wijziging van de alimentatie. Bij een eerste vaststelling liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit grote gevolgen voor de ouders kan hebben.

2.9.7.

Mede nu de man onweersproken heeft gesteld dat hij tot op heden nog allerlei lasten voor de vrouw en [minderjarige] betaalt, is de rechtbank van oordeel dat de door de man te betalen kinderalimentatie niet eerder verschuldigd is dan de datum van deze beschikking. Vanaf dat moment zal de vrouw dan alle verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige] dienen te betalen.

De behoefte van [minderjarige]

2.9.8.

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige] vast op een bedrag van € 937,- per maand. De rechtbank heeft dat als volgt berekend.

2.9.9.

De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Hierbij zal de rechtbank uitgaan van de inkomens van de ouders in 2023, nu partijen het daarover eens zijn.

2.9.10.

Voor het inkomen van de man in 2023 gaat de rechtbank uit van de privéonttrekkingen van € 72.235,- zoals deze uit de aangifte inkomstenbelasting 2023 blijken. De rechtbank overweegt daartoe dat dit de gelden zijn waar partijen in 2023 van hebben geleefd. De rechtbank gaat voorbij aan de stellingen van de vrouw dat de man een bruto inkomen had van minimaal € 90.000,-. De man heeft dit betwist en de vrouw heeft dit niet met stukken onderbouwd. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man bedroeg dan in 2023 € 4.309,- per maand.

2.9.11.

Voor het inkomen van de vrouw in 2023 gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf over 2023 waarop een inkomen van € 36.024,- bruto per jaar is vermeld. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw bedroeg dan in 2023 € 2.081,- per maand.

2.9.12.

Uit het hiervoor vermelde volgt dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van de ouders in 2023 € 6.388,- per maand bedroeg.

2.9.13.

Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan [minderjarige] werd uitgegeven en wat dus de behoefte van [minderjarige] is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. De tabellen liepen in 2023 op tot een maximaal netto gezinsinkomen van € 6.000,- per maand. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat niet van een gemaximeerd inkomen moet worden uitgegaan maar dat de behoefte moet worden berekend aan de hand van het werkelijke netto gezinsinkomen. De man heeft dat weersproken, omdat er geen sprake is van bijzondere kosten van [minderjarige] die niet door het tabelbedrag wordt gedekt. De rechtbank overweegt dat de vrouw niet met stukken heeft onderbouwd op grond waarvan het bedrag dat uit de tabel volgt niet kostendekkend zou zijn voor de kosten van [minderjarige] . Daarnaast is er ook geen sprake van dat het netto gezinsinkomen van partijen dusdanig hoger lag dan het maximum bedrag zoals dit uit de tabellen volgt dat daar niet van kan worden uitgegaan.

2.9.14.

Uit de tabel eigen aandeel kosten van kinderen volgt dat ouders bij een maximum netto besteedbaar gezinsinkomen van € 6.000,- € 870,- per maand uitgaven voor [minderjarige] in 2023, Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2025 € 984,- per maand.

De draagkracht van de ouders

2.9.15.

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van het kind voorzien.

2.9.16.

De rechtbank hanteert de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige] .

2.9.17.

Daarvoor maakt de rechtbank bij een netto besteedbaar inkomen dat hoger is dan

€ 2.125,- per maand in 2025 gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’.

In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een vast bedrag aan lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310,- per maand.

Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)].

De draagkracht van de man

2.9.18.

De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 1.226,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

2.9.19.

Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023 en 2024, gelet op de omstandigheid dat de jaarcijfers over 2025 nog niet beschikbaar zijn en 2022 een zeer afwijkend resultaat liet zien in verband met de Covid19 pandemie. In 2023 had de man een winst uit onderneming van € 72.235,- en uit de voorlopige cijfers over 2024 blijkt een winst uit onderneming van € 75.882,-. Bij gebrek aan definitieve cijfers en omdat dit bedrag de rechtbank niet onredelijk voorkomt zal de rechtbank hier noodgedwongen vanuit gaan.

Net als bij de bepaling van de behoefte gaat de rechtbank ook ten aanzien van de draagkracht van de man voorbij aan de stellingen van de vrouw dat de man zwarte inkomsten zou hebben alsmede inkomsten uit schilderwerkzaamheden. De vrouw heeft deze stellingen tegenover de betwisting door de man niet nader onderbouwd. In tegenstelling tot de bepaling van de behoefte gaat de rechtbank ten aanzien van de draagkracht van de man niet uit van een gemiddelde van de onttrekkingen. Uit de jaarcijfers blijkt namelijk dat partijen op te grote voet hebben geleefd. Er werd meer uit de onderneming onttrokken dan er binnenkwam. Van de man kan niet worden verlangd dat hij hiermee doorgaat. Dit zou immers de continuïteit van de onderneming in gevaar kunnen brengen.

Het netto besteedbaar inkomen van de man is aldus € 4.373,- per maand.

Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2025 behoort daarbij een draagkracht van € 1.226,- per maand.

De draagkracht van de vrouw

2.9.20.

De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 490,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

2.9.21.

Voor het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van salarisspecificaties over de maanden oktober en november 2025. De rechtbank overweegt daarbij dat tijdens de mondelinge behandeling is besproken uit te gaan van de jaaropgave 2024. Echter, deze is niet door de vrouw overgelegd. Uit de salarisspecificaties volgt dat de vrouw een bruto WIA uitkering heeft van € 3.196,- exclusief 8% vakantietoeslag per maand.

Verder wordt rekening gehouden met een kindgebonden budget waar de vrouw na de scheiding recht op heeft. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 2,872,- per maand.

Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule hoort daarbij een draagkracht van € 490,-

De verdeling van de kosten

2.9.22.

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen.

Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

2.9.23.

De ouders hebben samen een draagkracht van € 1.716,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige] te betalen, want die zijn € 985,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van (1126 /1716 x 985 =) € 703,- per maand moet dragen en de vrouw een deel van (490/ 1716 x 985=) € 281,- per maand.

De zorgkorting

2.9.24.

De man heeft gesteld dat er met een zorgkorting van 15% rekening moet worden gehouden, terwijl de vrouw van mening is dat met een zorgkorting van 5% gerekend moet worden. De rechtbank overweegt dat er op dit moment geen vastomlijnde zorgregeling is tussen de man en [minderjarige] . De bedoeling is wel dat partijen daar met behulp van de in te schakelen hulpverlening naartoe gaan werken. De rechtbank houdt daarom rekening met een zorgkorting van 5%. Dit betreft een bedrag van € 49,- zodat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] moet betalen van € 654,- per maand. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot dit bedrag toe.

2.10.

Partnerbijdrage

2.10.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 1.900,- per maand vast te stellen. Zij stelt behoefte te hebben aan deze bijdrage en dat de man in staat kan worden geacht deze te betalen.

2.10.2.

De man heeft zowel de behoefte van de vrouw als zijn draagkracht betwist.

2.10.3.

De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 556,- per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van inschrijving van deze beschikking. Dit betekent dat zij een deel van het verzoek van de vrouw afwijst.

2.10.4.

De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

Behoefte van de vrouw

2.10.5.

De rechtbank stelt de aanvullende behoefte van de vrouw vast op € 1.128,- netto per maand, bruto € 2.216,- per maand. Zij heeft dat als volgt berekend.

2.10.6.

De rechtbank gaat voor de berekening van de behoefte van de vrouw uit van dezelfde inkomensgegevens uit 2023 als zij heeft gebruikt voor de berekening van de behoefte van [minderjarige] . De rechtbank houdt verder rekening met de kosten die partijen voor [minderjarige] maakten. Uit de berekening volgt dan dat de behoefte van de vrouw op basis van de zogenoemde Hofnorm € 3.311,- per maand bedroeg in 2023. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte € 3.526,-.

2.10.7.

De vrouw heeft een eigen bruto inkomen van € 3.196,- per maand exclusief 8% vakantietoeslag. Dit betekent dat zij met haar eigen inkomen niet geheel in haar eigen behoefte kan voorzien. Haar aanvullende behoefte bedraagt € 2.226,- per maand, zo volgt uit de berekening.

Draagkracht van de man

2.10.8.

Voor het inkomen van de man verwijst de rechtbank naar wat zij heeft overwogen onder rechtsoverweging 2.7.19. Naast het voldoen van een bijdrage in de kosten voor [minderjarige] van € 703,- heeft de man nog een draagkracht van € 348,- netto per maand. Gebruteerd is dat € 556,- per maand.

2.11.

Voortgezet gebruik woning

2.11.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat in geval van verkoop van de echtelijke woning zij tot zeven dagen voor levering van de echtelijke woning aan de koper, met uitsluiting van de man, het gebruik van de echtelijke woning mag voortzetten, dan wel dat zij, als de woning niet wordt verkocht, met uitsluiting van de man, het gebruik van de echtelijke woning, gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking mag voortzetten.

2.11.2.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man zich niet verzet tegen het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

2.11.3.

De rechtbank overweegt dat de woning niet naar aanleiding van deze beschikking verkocht zal worden, waarover hierna meer. Nu daarnaast het voortgezet gebruik op grond van de wet maar voor maximaal zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking kan worden toegekend en de man zich daar niet tegen verzet, zal de rechtbank aldus bepalen onder afwijzing van het meer of anders verzochte.

2.12.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.12.1.

Partijen zijn in de gewijzigde huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat zij in de wettelijke gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Gelet op de datum waarop zij dit zijn overeengekomen betekent dit dat zij in de algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

Partijen hebben allebei een verzoek tot verdeling van de gemeenschap gedaan.

2.12.2.

Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is de gemeenschap op 10 april 2024 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).

2.12.3.

De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling.

2.12.4.

Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:

- de eenmanszaak [bedrijf] ;

- het tuinhuis op Tuinpark [naam tuinpark] ;

- de bankrekening Rabo Directrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. de man;

- de bankrekening Rabo Directrekening [rekeningnummer 2] t.n.v. de man;

- de bankrekening ING [rekeningnummer 3] t.n.v. de vrouw;

- de bankrekening ING Oranje Spaarrekening [rekeningnummer 4] t.n.v. de vrouw;

- de inboedel;

- de hypothecaire geldlening bij de ING Bank met nummer [nummer] .

De vrouw stelt voorts dat tevens de onroerende zaak [adres] tot de gemeenschap behoort hetgeen de man betwist.

De man stelt dat de belastingaanslagen IB over 2023 en 2024 tot de gemeenschap van goederen behoren hetgeen de vrouw betwist. De vrouw is volgens de man daarnaast gehouden de helft van de aanslag IB over 2025 te dragen hetgeen eveneens door de vrouw wordt betwist.

Onroerende zaak [adres]

2.12.5.

Tussen partijen is in geschil of deze onroerende zaak tot de overeengekomen gemeenschap van goederen behoort. De woning is afkomstig uit de erfenis van de moeder van de man.

2.12.6.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de woning tot de huwelijksgemeenschap is gaan behoren. Partijen hebben met het oog daarop juist in 2015 de huwelijkse voorwaarden gewijzigd. De bedoeling was dat de vrouw mede-eigenaar zou worden van de onroerende zaak. Volgens de vrouw blijkt van deze bedoeling uit het door haar overgelegde e-mailbericht aan de notaris van 17 januari 2015. De onroerende zaak was ook het enige vermogensbestanddeel met enige waarde en ook daaruit blijkt dat de wijziging van de huwelijkse voorwaarden van doen had met het eigendom van de onroerende zaak, aldus de vrouw.

Partijen zijn ook in 2015 samen een hypothecaire geldlening aangegaan ten behoeve van verbouwingen aan de onroerende zaak hetgeen de vrouw nooit gedaan zou hebben als zij niet mede-eigenaar zou zijn geweest van de onroerende zaak.

Verder voert de vrouw aan dat partijen zich naar derden toe ook hebben gedragen alsof de onroerende zaak van hen gezamenlijk was, omdat zij hebben verteld in gemeenschap van goederen te zijn gehuwd.

Voor zover de onroerende zaak niet in de gemeenschap is gevallen heeft de vrouw gesteld dat alsnog moet worden bewerkstelligd wat partijen voor ogen hadden. De man zal in dat geval, aldus de vrouw, moeten meewerken aan de overdracht van de helft van het eigendom van de onroerende zaak aan de vrouw. Er ontstaat dan een eenvoudige gemeenschap die verdeeld kan worden. Volgens de vrouw hoeft de overdracht feitelijk niet bewerkstelligd te worden, omdat zij enkel aanspraak maakt op de helft van de overwaarde.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat een beroep van de man op de uitsluitingsclausule in het testament van zijn moeder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ook onaanvaardbaar is. Zij zou niet de huur van haar huurwoning hebben opgezegd als zij niet mede-eigenaar van de onroerende zaak zou zijn geworden. Zonder haar aandeel in de overwaarde van de onroerende zaak wordt het voor haar heel lastig een woning te vinden.

Indien de rechtbank het standpunt van de vrouw niet volgt, dient, zo heeft de vrouw gesteld, de hypothecaire geldlening, als een privégoed van de man te worden aangemerkt. De gemeenschap heeft dan een vergoedingsrecht op de man. De man moet dan in verband met de waardestijging van de onroerende zaak € 69.058,84 aan de vrouw betalen, uitgaande van een aflossing door de vrouw van € 36.878,66 en een waardestijging van de onroerende zaak van 90%.

2.12.7.

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de onroerende zaak niet tot de overeengekomen gemeenschap van goederen. De man is in 2000, derhalve voordat partijen in het huwelijk traden, eigenaar geworden van de woning nadat zijn moeder hem deze had nagelaten. In haar testament had zijn moeder bepaald dat de onroerende zaak niet in een gemeenschap zal vallen. Dat de huwelijkse voorwaarden later zijn opgesteld maakt dat niet anders. Een onder uitsluitingsclausule verkregen onroerende zaak blijft gewoon privévermogen op grond van artikel 1:94, lid 1 BW, aldus de man.

De man heeft betwist dat het de bedoeling van partijen was dat de vrouw mede-eigenaar van de woning zou worden. Dit is nooit de bedoeling geweest. Dat de vrouw contact heeft gezocht met de (opvolgend) notaris maakt dat ook niet anders. De vrouw erkent hiermee volgens hem juist dat de onroerende zaak niet in de gemeenschap is gevallen. Ook uit de door de vrouw overgelegde hypotheekakte blijkt dat de onroerende zaak privéeigendom is van de man.

Op de woning rusten drie hypothecaire geldleningen:

  • Een aflossingsvrij deel ad 18.151,-;

  • Een aflossingsvrij deel ad 16.199,-;

  • Een lineair deel ad 91.839,66.

De aflossingsvrije delen rustten al op de onroerende zaak toen de man de woning verkreeg. Het lineaire deel hebben partijen samen afgesloten voor een verbouwing van de badkamer, het souterrain, groot onderhoud aan het pand, buitenwerk, dubbel glas en wat andere aanpassingen waarna de hypothecaire leningen op een polis zijn gezet, waarvoor partijen ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn. De bank verlangde op dat moment van partijen dat de vrouw mede hoofdelijk aansprakelijk zou zijn voor de aflossing van de hypotheekschuld(en) omdat de vrouw op dat moment als enige een inkomen uit dienstverband genoot. De man is bereid uit een morele verplichting de hypothecaire schulden voor zijn rekening te nemen, ook de laatste die niet gebruikt is voor verbouwing maar waarvan het geld op de rekening van de vrouw is gestort en door haar is gebruikt.

De man betwist dat het de bedoeling is geweest de onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom te laten zijn. Partijen hebben ook niet een deel van de onroerende zaak bij de notaris aan de vrouw geleverd. De vrouw heeft een juridische opleiding gehad en had moeten weten dat overdracht alleen kan plaatsvinden via een transportakte en inschrijving in het kadaster.

Er is ook geen sprake van een schenking. Als dat zo was, had dit bij de belastingdienst moeten worden gemeld.

Het beroep op de redelijkheid en billijkheid kan ook niet slagen, aldus de man. Ook niet dat de vrouw anders haar huurwoning had aangehouden. Zij ging samenwonen met de man en daarom heeft zij haar huurcontract opgezegd. Op grond van haar huurcontract moest zij zelf in de onroerende zaak wonen. Dat partijen hebben gezegd tegen derden dat zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd kan zijn maar partijen waren ook in gemeenschap gehuwd. Dit betekent niet dat de onroerende zaak gemeenschappelijk is geworden.

De man heeft ook betwist dat de vrouw met privégeld op de hypothecaire geldlening heeft afgelost.

2.12.8.

De rechtbank overweegt dat artikel 1:94, lid 2 onder a (Oud) BW luidt: De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle goederen der echtgenoten, bij aanvang van de gemeenschap aanwezig of nadien, zolang de gemeenschap niet is ontbonden, verkregen, met uitzondering van:

a. goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen.

Nu vast staat dat de moeder van de man een uitsluitingsclausule in haar testament had opgenomen, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de onroerend zaak niet tot de in de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden overeengekomen gemeenschap van goederen is gaan behoren. Dat partijen de huwelijkse voorwaarden later zijn overeengekomen maakt dat niet anders, omdat de wil van de erflater prevaleert (vergelijk Hoge Raad 21 november 1980, NJ 1981, 193).

De vrouw heeft aangevoerd dat partijen de afspraak hebben gemaakt dat de man de onverdeelde helft van de onroerende zaak aan haar zou leveren en dat nu alsnog uitvoering kan worden gegeven aan deze afspraak. De man heeft dit weersproken. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw tegenover de betwisting door de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat van een dergelijke afspraak sprake is geweest. Dit blijkt in ieder geval niet uit de overgelegde stukken. Uit de door de vrouw overgelegde stukken, zoals bijvoorbeeld de hypotheekakte van 11 maart 2025 blijkt eerder het tegendeel. Dat de vrouw de notaris hierover eenzijdig heeft gemaild, is ook geen bewijs van deze afspraak nu de man de afspraak heeft betwist en uit niets blijkt dat de man de notaris eensluidend heeft bericht.

Een beroep op de uitsluitingsclausule is naar het oordeel van de rechtbank ook niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, omdat zoals hiervoor overwogen de wil van de erflater prevaleert. Dit betekent dat de onroerende zaak privéeigendom is gebleven van de man.

2.12.9.

De vraag die de rechtbank dan moet beantwoorden is of de gemeenschap een vergoedingsrecht heeft op het privévermogen van de man, zoals door de vrouw -naar de rechtbank begrijpt- is gesteld en door de man is betwist. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Vast staat in ieder geval dat een groot deel van de door partijen gezamenlijk afgesloten hypothecaire geldlening niet is besteed aan het privévermogen van de man. De aanschaf van het tuinhuis en de verbouwingen daarvan zijn immers betaald van deze lening. Daarnaast hebben partijen goed geleefd van het vrijgekomen geld. Er is ook een en ander van het vrijgekomen bedrag aan de woning besteed, maar er is niet voldoende onderbouwd gesteld hoe zich dat zou moeten verhouden tot een vergoedingsrecht en op welke wijze de beleggingsleer vervolgens zou moeten worden toegepast. Nu een groot deel van de gelden afkomstig van deze hypothecaire geldlening juist niet aan de woning is besteed, kan niet sec uitgegaan worden van de op de hypothecaire geldlening gedane aflossingen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de verzoeken van de vrouw ten aanzien van de woning af zal wijzen. Hetgeen de vrouw ter zake verder naar voren heeft gebracht behoeft daarom geen verdere bespreking.

De eenmanszaak [bedrijf]

2.12.10.

De man exploiteert op de bovenste verdiepingen van de aan hem toebehorende onroerende zaak een Bed & Breakfast in de vorm van een eenmanszaak genaamd [bedrijf] . Tussen partijen is niet in geschil dat de eenmanszaak tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort. Wel is tussen partijen in geschil tegen welke waarde de eenmanszaak in de verdeling moet worden betrokken.

2.12.11.

Volgens de man is er sprake van een negatieve waarde van € 4.704,-. Het pand waarin de eenmanszaak wordt geëxploiteerd dient niet in de waardebepaling te worden betrokken, omdat hij het pand onder uitsluitingsclausule heeft verkregen. Volgens de man is er ook geen sprake van goodwill die een waarde vertegenwoordigt. De vergunning van de gemeente is verstrekt aan de man persoonlijk in combinatie met het pand. Deze vergunning kan niet worden doorverkocht. De vergunning loopt daarnaast in de komende jaren af en het is maar de vraag of de man opnieuw een vergunning zal worden verleend, omdat de gemeente Amsterdam het toerisme in de stad wil beperken. De toekomst van de eenmanszaak is volgens de man dan ook onzeker. Covid heeft aangetoond dat een crisis de hele sector plat kan leggen. Volgens de man dienen de activa van de eenmanszaak aan hem te worden toegedeeld en zal hij dan de passiva voor zijn rekening nemen zonder dat hij aan de vrouw enige vergoeding verschuldigd is.

2.12.12.

De vrouw betwist dat de eenmanszaak een negatieve waarde heeft. Als het zakelijke deel van de onroerende zaak met de onderneming verkocht wordt levert dat een aanzienlijk bedrag op. Daarnaast is er sprake van goodwill en worden er aanzienlijke winsten gemaakt. De B&B heeft regelmatig een Superhost status en heeft alleen maar 5* beoordelingen.

De vrouw verzoekt verder te bepalen dat de man draagplichtig is voor de schulden van de eenmanszaak. De vrouw gaat uit van een minimale waarde van € 200.000,- en kan instemmen met toedeling aan de man van de activa en passiva van de eenmanszaak aan de man als hij haar € 100.000,- vergoedt. Als de man daar niet mee in kan stemmen dan dient de man ontbrekende financiële gegevens in het geding te brengen en zal een onafhankelijke accountant moeten worden benoemd.

2.12.13.

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor overwogen valt de onroerende zaak buiten de tussen partijen overeengekomen gemeenschap van goederen. Het deel van de onroerende zaak waarin de eenmanszaak wordt geëxploiteerd dient daarom dan ook niet bij de waardering van de eenmanszaak te worden betrokken. Dit heeft tot gevolg dat als uitgegaan wordt van de door de man overgelegde balans, die door de vrouw overigens wordt betwist, dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een negatieve waarde van de onderneming. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen de rechtbank verzocht hen enige termijn te gunnen om alsnog tot overeenstemming te komen. Zij hebben nadien de rechtbank bericht dat dit niet is gelukt maar dat zij wel hebben afgesproken dat hun boekhouder [naam 2] van Londen & Holland de onderneming bindend zal taxeren. Partijen zijn het alleen niet eens over de te hanteren waarderingsmethode.

De vrouw geeft de voorkeur aan de DCF-methode en stelt zich op het standpunt dat daarbij de definitieve jaarcijfers 2023, 2024 en het concept 2025 dienen te worden betrokken. De kosten van de waardering dienen bij helfte dienen te worden gedragen.

De man betwist dat de DCF methode moet worden toegepast omdat het een eenmanszaak betreft en geen sprake is van zakelijke goodwill of overige relevante activa. Ook is volgens de man onjuist dat de jaarcijfers 2023, 2024 en 2025 bij de taxatie moeten worden betrokken. De taxatiekosten dienen bij helfte te worden gedragen, met dien verstande dat de vrouw de kosten moet dragen die verband houden met haar eigen contactmomenten, nu gebleken is dat zowel de vrouw als haar advocaat veelvuldig contact hebben opgenomen met de boekhouder, aldus de man.

2.12.14.

De rechtbank is van oordeel dat de waarde van de eenmanszaak aan de hand van de (balans georiënteerde) intrinsieke waardebepaling moet worden vastgesteld, waarbij bij de onroerende zaak niet betrokken dient te worden in de waardering omdat dat een privégoed is van de man. De waarde die hieruit volgt zal zo nodig aangevuld moeten worden met de zakelijke goodwill mocht daar sprake van zijn. De jaarrekening over 2024 en voor zover mogelijk over 2025 zal definitief moeten worden vastgesteld. De waardering zal echter plaats dienen te vinden tegen de waarde op het moment van de waardering. De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de man dat tegen 9 april 2024 gewaardeerd moet worden, omdat de waardering plaats dient te vinden tegen de waarde op het moment van de feitelijke verdeling dan wel een datum daar zo dicht mogelijk bij gelegen. De rechtbank zal bepalen dat de activa van de eenmanszaak aan de man worden toegedeeld en dat de man de passiva (schulden) als eigen schulden zal dienen te dragen. Indien de onderneming een overall positieve waarde (activa minus schulden) heeft zal de man de helft van de waarde aan de vrouw dienen te vergoeden. Indien er sprake is van een overall negatieve waarde zal er geen verrekening plaatsvinden. Uitsluitend de kosten van de waardebepaling van de onderneming dienen partijen bij helfte te verdelen. De rechtbank zal de wijze van verdeling gelasten zoals opgenomen in het dictum.

Tuinhuis

2.12.15.

Tot de huwelijksgemeenschap behoort een tuinhuis dat op naam staat van de vrouw. Het tuinhuis is aangekocht en verbouwd met gelden afkomstig van de in 2015 door partijen afgesloten hypothecaire geldlening maar dient niet als onderpand voor de aflossing van de hypothecaire geldlening. Tijdens de mondelinge behandeling is de mogelijkheid besproken het tuinhuis onverdeeld te laten, omdat geen van partijen in staat is de andere partij uit te kopen en partijen wel belang hebben bij het behoud van het tuinhuis gezien het feit dat de man daar nu verblijft. Partijen hebben de rechtbank na de mondelinge behandeling als volgt bericht.

2.12.16.

De vrouw wenst het tuinhuis niet langer toegedeeld te krijgen en heeft gesteld dat het tuinhuis, nu de man haar niet uit kan kopen verkocht dient te worden. Volgens de vrouw kan het tuinhuis enkel verkocht worden via het reglement van de Bond van Volkstuinders in Amsterdam.

De man heeft gesteld dat hij het tuinhuis toegedeeld wenst te krijgen, omdat hij daar nu ook verblijft en zal moeten verblijven zolang de vrouw het gebruiksrecht heeft van zijn woning. De waardeverrekening kan volgens de man plaatsvinden nadat de wijze van verdeling van alle vermogensbestanddelen is bepaald en het tuinhuis op zijn naam is gesteld.

2.12.17.

De rechtbank zal de wijze van verdeling gelasten zoals opgenomen in het dictum, waarbij de man een termijn wordt gegund het tuinhuis toegedeeld te krijgen.

Inboedel

2.12.18.

De vrouw heeft een inboedellijst overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat aan de vrouw zal worden toegedeeld de inboedelgoederen die vermeld staan op de door de vrouw als productie 26 ingebrachte lijst en dat de overige goederen aan de man worden toegedeeld zonder verrekening. De rechtbank zal daarom bepalen dat aan de vrouw worden toegedeeld de goederen vermeld op de aan deze beschikking gehechte inboedellijst en dat de overige inboedelgoederen aan de man worden toegedeeld.

Bankrekeningen

2.12.19.

Niet in geschil is dat het saldo op de bankrekeningen op naam van de vrouw aan de vrouw kan worden toegedeeld en het saldo op de bankrekeningen van de man aan de man. Wel is in geschil of de saldi met elkaar dienen te worden verrekend. De man heeft gesteld dat de saldi per de peildatum verdeeld dienen te worden, waarbij hij heeft gesteld dat voor zover op de bankrekening van de vrouw nog gelden afkomstig van de door partijen in 2015 afgesloten hypothecaire geldlening aanwezig zijn deze hem toekomen, omdat hij deze schuld voor zijn rekening zal nemen. De vrouw heeft verzocht enkel de saldi toe te delen zonder verdeling daarvan.

2.12.20.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is niet bekend met de banksaldi per peildatum nu deze niet door partijen zijn overgelegd. Wel is de rechtbank van oordeel dat de banksaldi per peildatum van 10 april 2024 verdeeld dienen te worden. De rechtbank zal aldus bepalen. Voor zover er nog gelden van de afgesloten hypothecaire geldlening aanwezig zijn, zijn deze verdisconteerd in de banksaldi en worden aldus verdeeld. De rechtbank wijst daarom af het verzoek van de man dat deze gelden alleen hem toekomen, temeer daar het gemeenschapsgelden betreft. De hypotheek stond immers op beider naam.

Hypothecaire geldlening

2.12.21.

Vast staat dat partijen in 2015 gezamenlijk een hypothecaire geldlening hebben afgesloten met als onderpand een privéeigendom van de man. Het uitgangspunt is dat ieder van partijen in beginsel voor de helft draagplichtig is voor schulden die tot de gemeenschap behoren. De rechtbank is van oordeel dat in afwijking van voornoemd uitgangspunt in het onderhavige geval de man in de onderlinge verhouding tussen partijen draagplichtig is voor deze schuld, nu deze gekoppeld is aan privévermogen van de man. Op de man rust de inspanningsverplichting om de vrouw op de kortst mogelijke termijn te doen laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.

2.13.

Belastingvorderingen

2.13.1.

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw gehouden is de helft van de belastingvorderingen te voldoen dan wel deze voor de helft te dragen. De man stelt dat hij over 2023 een aanslag heeft ontvangen van € 17.660,- en over 2024 een aanslag van € 19.394,-. De aanslag over 2025 zal nog moeten worden vastgesteld. De man heeft gesteld nimmer voorlopige aanslagen te hebben betaald en dat de vrouw gehouden is de helft van de schulden te dragen.

2.13.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Volgens de vrouw is het verzoek onvoldoende specifiek en kan dit daarom niet worden toegewezen. Daarnaast dateert het echtscheidingsverzoek van 9 april 2024. De schulden die daarna zijn ontstaan vallen niet in de gemeenschap. Verder heeft de vrouw aangevoerd dat de schulden die betrekking hebben op de eenmanszaak onderdeel zijn van de waardering daarvan en niet nog eens afzonderlijk kunnen worden verrekend. Ook wordt door de vrouw betwist dat de man de aanslagen heeft voldaan.

2.13.3.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover de belastingaanslagen betrekking hebben op de huwelijkse periode tot aan 10 april 2024, zijnde de datum van ontbinding van het huwelijk, zijn beide partijen ieder voor de helft draagplichtig voor deze schulden. De rechtbank ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen aanleiding af te wijken van dit uitgangspunt.

2.14.

Overleggen stukken 843a Rv

2.14.1.

De rechtbank wijst af het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot het overleggen van stukken, omdat de man reeds aan dat verzoek heeft voldaan en de vrouw hier daarom geen belang meer bij heeft.

3De beslissing

De rechtbank:

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/749150 / FA RK 24-2409:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Amsterdam op 28 augustus 2013;

3.2.

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;

3.3.

bepaalt dat de man € 654,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van heden, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.4.

bepaalt dat de man € 556,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.5.

bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;

3.6.

verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de kinderbijdrage, de partnerbijdrage en het voortgezet gebruik uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/773862 / FA RK 25-6025:

3.8.

gelast de navolgende wijze van verdeling van de eenmanszaak [bedrijf] :

- de activa van de eenmanszaak worden toegedeeld aan de man en de man dient de schulden van de eenmanszaak als eigen schulden te voldoen;

- partijen geven binnen veertien dagen na deze beschikking aan de heer [naam 2] van Londen & Van Holland de opdracht om de jaarrekening over 2024 en voor zover mogelijk ook de jaarrekening over 2025 vast te stellen en aan de hand van de intrinsieke waardebepaling, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele zakelijke goodwill, de waarde van de eenmanszaak per datum waardering bindend vast te stellen zonder de waarde van het onroerend goed in de waardering te betrekken;

- indien slechts een van de partijen binnen deze termijn een opdracht aan de deskundige heeft verstrekt, dan is deze na het verstrijken van de termijn bevoegd om als vertegenwoordiger van de andere partij de opdracht aan de deskundige te verstrekken;

- uitsluitend de kosten van de waardering van de eenmanszaak dienen door ieder van partijen bij helfte te worden gedragen;

- de man dient bij een overall positieve waarde (activa minus schulden) van de onderneming de helft van de vastgestelde waarde binnen één maand na de schriftelijke vaststelling van de waarde door de heer [naam 2] van Londen & Van Holland aan de vrouw te voldoen;

3.9.

gelast de navolgende wijze van verdeling van het tuinhuis:

- de vrouw dient binnen twee weken na afgifte van deze beschikking opdracht te geven aan de Bond van Volkstuinders in Amsterdam om het tuinhuis te laten taxeren;

- ieder van partijen draagt de helft van de kosten van de taxatie;

- de man krijgt gedurende drie maanden nadat het taxatierapport is opgemaakt de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij het tuinhuis kan overnemen tegen de taxatiewaarde ervan;

- indien binnen of na verloop van deze periode blijkt dat de man het tuinhuis niet kan overnemen dan wel deze niet is geleverd aan de man, dient het tuinhuis te worden verkocht en geleverd aan een derde;

- de verkoop zal geschieden conform het reglement van Bond van Volkstuinders in Amsterdam en ieder van partijen komt de helft van de verkoopopbrengst toe;

3.10.

gelast als wijze van verdeling van de bankrekeningen dat de bankrekeningen Rabo Directrekening [rekeningnummer 1] en Rabo Directrekening [rekeningnummer 2] worden toegedeeld aan de man en de bankrekeningen ING [rekeningnummer 3] en ING Oranje Spaarrekening [rekeningnummer 4] worden toegedeeld aan de vrouw, onder de verplichting de helft van het saldo op 10 april 2024 aan de andere partij te vergoeden, waarbij partijen binnen twee weken na heden elkaar een bankafschrift met het saldo op 10 april 2024 dienen te doen toekomen;

3.11.

deelt de inboedelgoederen vermeld op de aan deze beschikking gehechte lijst toe aan de vrouw en de overige inboedelgoederen toe aan de man;

3.12.

bepaalt dat de man hypothecaire geldlening bij de ING onder hypotheeknummer [nummer] als eigen schuld dient te voldoen;

3.13.

bepaalt dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor de belastingaanslagen voor zover die betrekking hebben op de periode tot aan 9 april 2024;

3.14.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.15.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Overmars, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.J. van der Veen op 10 december 2025.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.

Partij

Alimentatieplichtige

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

behoefte

Tarieven

2023-2

Datum uitdraai

03-12-2025

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Winst uit onderneming (65-75)

65

Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)

72.368

Bij: bedrag dat meer dan de beschikbare (fiscale) winst kan worden / wordt onttrokken

133

70

Winst uit onderneming

72.368

Ondernemersaftrek

71/ 72

Zelfstandigenaftrek

-

5.030

- Zelfstandigenaftrek

5.030

MKB Winstvrijstelling

-

9.427

75

Belastbare winst uit onderneming

57.911

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

57.911

- Schijf 1a, 36,93% (19,03%) over € 0 t/m € 37.149 (€ 38.703)

13.719

- Schijf 1b, 36,93% over € 37.150 (€ 38.704) t/m € 73.031

7.667

95

Inkomensheffing box 1

21.386

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

72.368

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

21.386

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

3.713

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

17.673

Inkomen na aftrek inkomensheffing

54.695

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

922

jaar

Arbeidskorting

2.791

jaar

117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

Winst uit onderneming

57.911

Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

57.911

Maximum bijdrage loon

66.956

Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd

66.956

Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

57.911

Percentage Zvw

%

5,43

Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

3.145

Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

-

3.145

Bij: bedrag dat meer dan de beschikbare (fiscale) winst kan worden / wordt onttrokken

133

120

Besteedbaar inkomen

51.683

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

51.683

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

4.307

Partij

Alimentatiegerechtigde

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

behoefte

Tarieven

2023-2

Datum uitdraai

03-12-2025

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

43

Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten

36.024

Bruto inkomsten

36.024

Premies (51-59)

Pensioenpremie

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

36.024

59

Inkomsten

36.024

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

36.024

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

36.024

- Schijf 1a, 36,93% (19,03%) over € 0 t/m € 37.149 (€ 38.703)

13.303

95

Inkomensheffing box 1

13.303

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

36.024

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

13.303

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

2.256

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

11.047

Inkomen na aftrek inkomensheffing

24.977

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

2.256

jaar

120

Besteedbaar inkomen

24.977

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

24.977

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

2.081

NBGI voor scheiding

Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding

NBI voor scheiding Alimentatieplichtige

4.307

NBI voor scheiding Alimentatiegerechtigde

2.081

Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding

6.388

Eigen aandeel kosten kinderen

Eigen aandeel kosten kinderen

Ouders hebben in gezinsverband geleefd

ja

NBGI voor scheiding

6.388

Tabel aantal kinderen

1

Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel

870

#

Indexeren

ja

Startjaar

2023

Eindjaar

2025

Eigen aandeel ouders geïndexeerd

984

Behoefte obv 60% norm

Netto Behoefte

Netto gezinsinkomen

6.388

Af: kosten van de kinderen

-

870

Saldo

5.518

Netto behoefte obv 60%

3.311

Netto behoefte

3.311

#

Indexeren

ja

Startjaar

2024

Eindjaar

2025

Netto behoefte geïndexeerd

3.526

Partij

Alimentatieplichtige

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

Draagkracht

Tarieven

2025-2

Datum uitdraai

03-12-2025

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Winst uit onderneming (65-75)

65

Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)

74.058

70

Winst uit onderneming

74.058

Ondernemersaftrek

71/ 72

Zelfstandigenaftrek

-

2.470

- Zelfstandigenaftrek

2.470

MKB Winstvrijstelling

-

9.092

75

Belastbare winst uit onderneming

62.496

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

62.496

- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)

13.769

- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817

9.016

95

Inkomensheffing box 1

22.785

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

74.058

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

22.785

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

4.490

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

18.295

Inkomen na aftrek inkomensheffing

55.763

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

908

jaar

Arbeidskorting

3.582

jaar

117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

Winst uit onderneming

62.496

Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

62.496

Maximum bijdrage loon

75.864

Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd

75.864

Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd

62.496

Percentage Zvw

%

5,26

Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

3.287

Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

-

3.287

120

Besteedbaar inkomen

52.476

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

52.476

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

4.373

120b

Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)

52.476

120b

Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)

4.373

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

4.373

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.310

123a

Woonbudget

1.312

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

2.622

136a

Draagkrachtruimte

1.751

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

1.226

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

1.226

Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie

Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie

120b

Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie

4.373

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122b

Kosten van levensonderhoud

1.310

123b

Woonbudget

1.312

135b

Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie

2.622

136b

Draagkrachtruimte

1.751

Draagkracht tbv partneralimentatie

136b

Draagkrachtruimte

1.751

137b

Draagkrachtpercentage

%

60

Draagkracht tbv partneralimentatie

1.051

140

Beschikbaar

1.051

Partneralimentatie (141-144)

141

Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)

-

703

Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie

-

0

Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)

-

703

142

Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen

0

Berekende ruimte voor partneralimentatie

348

143

Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel

348

144

Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)

556

Specificaties voor post: 144

Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 4.176 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:

62.496

jaar

In de schijf van 37,48% valt € 4.176, € 4.176 x ( 100 / (100 - 37,48)) =

6.679

jaar

In de schijf van 35,82% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,82)) =

0

jaar

Het resultaat van de brutering is per jaar

6.679

jaar

Of per maand

556

maand

Partij

Alimentatiegerechtigde

Zaak

Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde

Berekening

Draagkracht

Tarieven

2025-2

Datum uitdraai

03-12-2025

Box 1 Inkomen uit werk en woning

Loon (41-50)

43

Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten

41.420

Bruto inkomsten

41.420

Notitie: 43
WIA uitkering in 2025 3195,95 pm
Per jaar 38351 ex vakantiegeld. Inclusief vakantiegeld 8% 41420 per jaar

Premies (51-59)

Pensioenpremie

54

Loon voor de premies werknemersverzekeringen

41.420

59

Inkomsten

41.420

Belastbaar loon (61-64)

64

Belastbaar loon

41.420

Heffing box 1 (94-95)

94

Belastbaar inkomen uit werk en woning

41.420

- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)

13.769

- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817

1.116

95

Inkomensheffing box 1

14.885

Besteedbaar inkomen (113-120)

113

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

41.420

114

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

14.885

115/116

Heffingskorting en standaard heffingskorting

-

2.244

117

Verschuldigde inkomensheffing

-

12.641

Inkomen na aftrek inkomensheffing

28.779

Specificaties voor post: 115/116

Algemene Heffingskorting

2.244

jaar

Bij: Kindgebonden budget

5.679

120

Besteedbaar inkomen

34.458

120a

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

34.458

120a

Netto besteedbaar inkomen (per maand)

2.872

120b

Af: correctie kindgebonden budget

-

5.679

Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)

28.779

120b

Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)

2.398

Draagkracht tbv kinderalimentatie

Draagkracht tbv kinderalimentatie

120a

Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie

2.872

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122a

Kosten van levensonderhoud

1.310

123a

Woonbudget

862

135a

Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie

2.172

136a

Draagkrachtruimte

700

137a

Draagkrachtpercentage

%

70

Beschikbaar

490

140a

Draagkracht tbv kinderalimentatie

490

Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie

Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie

120b

Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie

2.398

Draagkracht wordt berekend op basis van

Formule

122b

Kosten van levensonderhoud

1.310

123b

Woonbudget

719

135b

Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie

2.029

136b

Draagkrachtruimte

369

Draagkracht tbv partneralimentatie

136b

Draagkrachtruimte

369

137b

Draagkrachtpercentage

%

60

Draagkracht tbv partneralimentatie

221

140

Beschikbaar

221

Partneralimentatie (141-144)

141

Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)

-

281

Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie

-

0

Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)

-

281

142

Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen

0

Berekende ruimte voor partneralimentatie

-60

143

Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel

0

144

Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)

0

Specificaties voor post: 144

Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 0 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:

41.420

jaar

Het resultaat van de brutering is per jaar

0

jaar

Of per maand

0

maand

Bruto aanvullende behoefte

Netto Behoefte

Netto behoefte

3.526

Berekening Bruto aanvullende Behoefte

Netto behoefte aan inkomen

3.526

Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit)

2.398

Post 141 Bijdrage in de kosten van de kinderen

281

Af: Post 119a kindgebonden budget

-

473

Restant:

-192

Kosten kinderen uit eigen inkomen

0

Zelf beschikbaar netto inkomen

-

2.398

Netto aanvullende behoefte

1.128

Bruto aanvullende behoefte

2.216

Specificatie Berekening Bruto aanvullende Behoefte

zonder PA

met PA

59

Inkomsten / verdiencapaciteit

41.420

41.420

78*

Te ontvangen bruto partneralimentatie

26.592

113*

Inkomen voor aftrek inkomensheffing

41.420

68.017

95*

Inkomensheffing box 1

14.885

24.854

114*

Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3

14.885

24.854

115*

Heffingskortingen

-

2.244

-

558

(met een algemene heffingskorting van)

2.244

558

117*

Verschuldigde inkomensheffing

12.641

24.296

Inkomen na aftrek inkomstenheffing

28.779

43.721

#

Af: Bijdrage kosten kinderen uit eigen inkomen

-

-

0

120b*

Netto besteedbaar inkomen (per jaar)

28.779

42.322

(per maand)

2.398

3.527

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733