Terug naar de uitspraak

Rechtbank Amsterdam 11-09-2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9253

Datum publicatie21-09-2026
ZaaknummerC/13/770004 FA RK 25-4028
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen. Zorgregeling / omgang / informatie. Geen omgang (een van) ouders. Overig. Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Verzoek zorgregeling; huiselijk geweld met kenmerken intieme terreur. EHRM Ubeda e.a. v. Italië. Positieve verplichting uit hoofde van artikelen 3 en 8 EVRM tot bescherming tegen huiselijk geweld in het familierecht. Verplichting autoriteiten tot onderzoek, analyse van risico’s en preventieve maatregelen. Verplichting tot expliciete toetsing geloofwaardigheid en grondslag aantijgingen huiselijk geweld in familierechtelijke procedure.

Volledige uitspraak


RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/13/770004 / FA RK 25-4028

Datum uitspraak: 11 september 2026

Beschikking over een echtscheiding met nevenvoorzieningen

in de zaak van

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonend op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. A. El Aqde uit Amsterdam,

en

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonend in [woonplaats] ,

advocaat mr. M.H. Schmidt uit Amsterdam,

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Midden-Nederland,

locatie Utrecht,
hierna te noemen: de Raad.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft onder andere kennis genomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift van de moeder, ontvangen op 25 mei 2025;

- het verweerschrift van de vader, ingekomen op 8 juli 2025;

- het rapport van de Raad, ingekomen op 11 maart 2026;

- het F9-formulier van de vader, betreffende de mail van OKT en Rodante, ingekomen op 17 juni 2026;

- het F9-formulier van de vader, betreffende een nader bericht van de Blijf Groep over de begeleide omgang, ingekomen op 19 juni 2026.

1.2.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026, verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door een tolk Arabisch, met haar advocaat;

- de vader met zijn advocaat;

- [naam 1] namens de Raad.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op 15 april 2022 in [plaats 1] (Marokko).

2.2.

Uit het huwelijk van partijen is de volgende nog minderjarige dochter geboren:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] .

2.3.

Partijen hebben het gezamenlijk gezag over [minderjarige] .

2.4.

Partijen hebben beiden de Marokkaanse nationaliteit.

2.5.

Sinds [datum] 2024 verblijft de moeder met [minderjarige] in een opvanglocatie van de Blijf Groep.

2.6.

Bij vonnis in kort geding van 4 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter onder andere het volgende bepaald:

“6.1. bepaalt dat voorlopig, totdat in het kader van het Uniform Hulpaanbod

door JGZ een instantie is aangewezen die de begeleide omgang gaat faciliteren,

Blijf Groep (met behulp van IHub) contactmomenten tot stand blijft brengen op de

wijze zoals ze tot nu toe heeft gedaan, met als uitgangspunt dat deze – voor zover

mogelijk eenmaal per week plaatsvinden,
(…)

6.5.

verzoekt JGZ in het kader van het Uniform Hulpaanbod een hulpverlener in

te schakelen met als doel hulp in te zetten gericht op begeleiding bij (de opbouw

van) het contact tussen de vader en [minderjarige] en verzoekt de hulpverlenende nstantie

een rapportage over het verloop en de uitkomst van de hulpverlening in te brengen

in de bij deze rechtbank lopende echtscheidingsprocedure (C/13/770004 / FA RK

25-4028) en naar de Raad voor de Kinderbescherming te [plaats 2] te sturen,

6.6.

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te [plaats 2] in het kader

van de door de moeder aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure

(C/13/770004/FA RK 25-4028) advies uit te brengen over de vraag welk

zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is.”

3Het verzoek en het verweer met zelfstandig tegenverzoek

Het verzoek van de moeder

3.1.

De moeder verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;

b. te bepalen dat het ouderschapsplan zal worden gehecht aan en deel zal uitmaken van de beschikking;

c. te bepalen dat de [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder zal hebben.

Het verweer en zelfstandig verzoek van de vader

3.2.

De vader verweert zich niet tegen de verzoeken van de moeder en geeft aan dat deze kunnen worden toegewezen.

3.2.1.

Bij zelfstandig tegenverzoek verzoekt de vader om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. onder toewijzing van de verzoeken van de moeder de echtscheiding uit te spreken;

b. te bepalen dat de volgende zorgregeling wordt vastgesteld: een co-ouderschapsregeling, althans een zorgregeling van ieder weekend van vrijdagmiddag 13:00 uur tot zondagmiddag 19:00 uur alsmede de helft van de vakanties- en feestdagen, althans een zorgregeling die de rechtbank vermeent te behoren;

c. te bepalen dat het huurrecht van de echtelijke woning op het adres [adres] aan de vader wordt toegekend zodat hij alleen huurder zal zijn van deze woning.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4De standpunten van partijen

De moeder

4.1.

De advocaat van de moeder heeft namens haar, in reactie op het zelfstandige verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader, tijdens de mondelinge behandeling het volgende gesteld. De vraag is of omgang tussen de vader en [minderjarige] überhaupt wel mogelijk is, in het licht van de veiligheidsrisico’s bij de vader. Een aanvullende rapportage door de Raad is om die reden geïndiceerd. Op dit moment is complex dat de omgang stilligt. De financiering van de begeleiding door de voordien ingeschakelde zorgverlener Rodante staat niet vast en vader heeft ook klachten ingediend bij Rodante. Hij had geen vertrouwen in de omgangsbegeleider. De moeder wil dat de begeleide omgang weer wordt opgestart bij Rodante, zodat er meer zicht komt op de situatie en die informatie kan worden betrokken bij het aanvullend onderzoek door de Raad. De moeder wijst er op dat de behandelgeschiedenis van de vader onbekend is en dat hij psychisch kwetsbaar is. De vader oogt onvoldoende stabiel om de omgang stabiel en veilig vorm te geven.

4.2.

De moeder zelf heeft daaraan tijdens de mondelinge behandeling toegevoegd dat de vader zei dat hij twijfels had of [minderjarige] van hem is. De vader heeft heel veel dingen tegen [minderjarige] over de moeder gezegd die je niet kan zeggen tegen een klein meisje. De moeder is bang dat de vader haar dochter iets aandoet.

De vader

4.3.

Namens de vader is in zijn zelfstandige verzoek tot vaststelling van een zorgregeling ter onderbouwing daarvan gesteld dat hij altijd een betrokken vader is geweest en volwaardig betrokken wil blijven, ook na de echtscheiding.

4.4.

De advocaat van de vader heeft tijdens de mondeling behandeling namens hem gesteld dat het contact tussen de vader en [minderjarige] beperkt is, dat er zicht moet komen op wat er aan de hand is en hoe het contact kan worden uitgebreid. Omdat er heel veel is misgegaan, heeft de vader weinig contact met zijn dochter. Het gaat steeds mis en er vallen gaten. Rodante is gestopt. Onduidelijkheid is gecreëerd doordat de verschillende hulpverleners naar elkaar wijzen. Partijen worden aan hun lot overgelaten. De vader wil nog steeds meewerken aan de begeleide omgang. Er is geen duidelijk perspectief. De vader is na een jaar begeleide omgang wel klaar voor onbegeleide omgang.

4.5.

De vader zelf heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat hij onbegeleide omgang wil. Het is structureel misgegaan met de begeleiders van Rodante en hij heeft er daarom geen vertrouwen meer in. De vader zal niet meer meewerken aan door Rodante begeleide omgang, de redenen daarvoor staan benoemd in zijn schriftelijke klacht. JGZ heeft na de aanmelding bij Rodante het dossier gesloten. Het OKT, de buren en Veilig Thuis kunnen geraadpleegd worden om de situatie te beoordelen, maar dat is nooit gebeurd. De Blijfgroep en de politie zijn ook niet geraadpleegd. De familie van de vader is ook niet geraadpleegd. De vader heeft nooit gezegd dat [minderjarige] niet van hem is. De meldingen uit het dossier van Veilig Thuis betroffen allemaal meldingen wanneer de vader niet eens thuis was. Die meldingen waren gewoon om het ‘victimrapport’ van de moeder te spekken. Veiligheid was nooit een issue. De vader is al anderhalf jaar zijn dochter kwijt. Nadat de vader een klacht had ingediend bij bij Rodante kwamen er andere rapportages over zijn psychische kwetsbaarheid. Dat kwam door de klachtprocedure. iHub was juist heel positief over de vader.

5Het rapport van de Raad

5.1.

De Raad heeft de rechtbank in het rapport geadviseerd om de beslissing op het verzoek van de vader aan te houden voor de duur van 9 maanden in afwachting van het verloop van de hulpverlening en daarbij de omgang vorm te laten geven onder regie van Rodante, zoals nader omschreven. De zittingsvertegenwoordiger heeft de rechtbank geadviseerd om de Raad aanvullend te laten rapporteren, nu op basis van het huidige rapport nog teveel onduidelijkheden bestaan. De rechtbank zal opdracht geven tot dergelijk aanvullend onderzoek, maar tegelijkertijd op basis van het huidige onderzoek al tot tussentijdse conclusies komen. Ter onderbouwing daarvan het raadsrapport hierna uitgebreider dan gebruikelijk worden weergegeven.

Analyse door de Raad van de informatie die bekend is bij het begin van het onderzoek.

5.2.

De Raad heeft, voor zover hier van belang, de volgende informatie bij de beoordeling betrokken:

April 2024 tot en met november 2024

Er zijn bij Veilig Thuis (VT) zeven meldingen gedaan over de situatie hij vader en moeder thuis. Moeder beschuldigd vader van controle, vernedering, verkrachting en mishandeling. Moeder is op dat moment zwanger. Er zijn verschillende meldingen gedaan, door politie, (anonieme) buurtbewoners en tante (mz), van huiselijk geweld. Moeder vertelde aan VT dat ze 23 april 2024 is verkracht maar dat er verder geen actie is ondernomen door Veilig Thuis en ook door hun geen hulp is ingezet. Ook was vader verschillende keren dronken volgens moeder en was moeder bang dat hij haar zou vermoorden. Er wordt ook gesproken over

middelengebruik maar dat wordt nergens concreet gemaakt en ontkend door vader en moeder. Er was steeds geschreeuw en gebonk in huis, maar ook in het trappenhuis. Er zijn meldingen van blauwe plekken en rode strepen maar dat zou volgens vader en moeder door de oven en een koekenpan komen. De politie maakt zich zorgen over het ongeboren kind, omdat moeder hoogzwanger is en volgens registraties blijkt dat er vaak ruzie/danwel huiselijk geweld in de woning plaatsvindt. Volgens de observatie van de politie was vader

onrustig, bezitterig en jaloers als ze moeder alleen wilden spreken. Veilig Thuis is ingeschakeld. Er zijn met moeder veiligheidsafspraken gemaakt. Moeder zou ook nadenken over het doen van aangifte. Moeder is in mei op advies van de politie een maand naar Marokko gegaan om uit te rusten van alle stress. Familie (vz en mz) is nauw betrokken.

23 april 2024

Melding van de zus van moeder bij de politie, welke is doorgezet naar Veilig Thuis. De zus van moeder hoorde tijdens een telefoongesprek de woorden "Ik ga dood "en schakelde direct de hulpdiensten in. De politie trof moeder in een gesloten, beschermende houding aan. Zij was fysiek aangedaan, met blauwe plekken en strepen op haar armen. In aanwezigheid van een verloskundige verklaarde zij dat zij meermalen was verkracht door vader, die haar naar eigen zeggen controleerde op vreemdgaan door haar lichaam te inspecteren. De vader

werd ter plaatse aangehouden. Dit incident markeerde een omslagpunt in de dreiging en leidde tot intensivering van de hulpverlening.

3 Juli 2024

De verloskundige doet een zorgmelding bij Veilig Thuis. De verloskundige meldde

dat moeder - toen 34 weken zanger - nog steeds in angst verkeerde. Ondanks eerdere interventies was geen structurele hulpverlening opgestart. Moeder gaf aan dat de dreiging van controle, intimidatie en vernedering voortduurde. Zij voelde zich in de steek gelaten door instanties en durfde zich nauwelijks te uiten.

30 juli 2024

Anonieme melding bij de politie, welke is doorgezet naar Veilig Thuis. Na nieuwe geluiden van geschreeuw, bonken en huilen uit de woning werd wederom de politie ingeschakeld. De vader bleek onder invloed van alcohol. De moeder verklaarde bang te zijn, ook al was er die avond geen fysieke mishandeling. Gelet op de eerdere meldingen, het alcoholgebruik van de vader en de angst van moeder werd opnieuw melding gedaan bij Veilig Thuis.

8 augustus 2024

Rapportage Veilig Thuis: VT bracht een huisbezoek bij oma (vz). Moeder is daar

om tot rust te komen. Tijdens een huisbezoek bagatelliseert moeder in een gesprek de ernst van de problemen die er speelden. Moeder zei: 'in elke relatie is er wel eens wat'. Oma (vz) was bij dat gesprek aanwezig. VT heeft Homestart ingeschakeld, de Blijfgroep en JGZ zijn ook betrokken om ouders beter te leren communiceren en te ondersteunen bij het wantrouwen van vader. Na een intake bij de Blijfgroep gaven ouders aan dat ze geen hulp meer nodig hadden.

De huisarts is ook gesproken door VT. Vader wilde een SOA (seksueel overdraagbare aandoening) test voor moeder en een test op genitale wratten. De huisarts heeft bevestigd dat moeder die niet heeft. Verder had moeder nekklachten, slecht zicht en hoofdpijn. De huisarts had verder niet heel veel informatie behalve dat er ook sprake is van schulden waar moeder niets over zegt te weten.

[geboortedag] 2024

[minderjarige] wordt geboren in [plaats 2] . (…)

1 november 2024

Politiemelding. Moeder had 112 gebeld en was erg bang voor de bedreigingen van

vader en gaf aan dat ze door vader was geslagen. De politie trof moeder overstuur aan met de baby in huis. Vader beschuldigde moeder van drugsgebruik (cocaïne), trachtte haar telefoon af te pakken en escaleerde de situatie verbaal. Moeder gaf aan: 'Als hij klaar is met de baby, dan ben ik aan de beurt." De politie greep in en gelastte dat vader tijdelijk de woning verliet. De situatie werd als ernstig beoordeeld. De melding is overgedragen naar VT.

15 november 2024

Melding van moeder bij de politie. Moeder meldde dat zij opnieuw verbaal werd mishandeld, haar sleutels waren afgepakt en zij de woning niet kon verlaten. De vader weigerde contact met de politie of hulpverleners. Hij gebruikte structureel alcohol, aldus de moeder. De moeder voelde zich volledig overgeleverd aan zijn controle en vreesde voor haar veiligheid.

24 november 2024

Moeder doet een melding bij de politie. De moeder verklaarde dat zij door de vader met de dood werd bedreigd en vreesde voor seksueel misbruik. De politie trof haar hyperventilerend, huilend en ernstig emotioneel ontregeld aan. De baby raakte overstuur. De politie besloot haar en het kind per direct over te brengen naar een crisisopvang. Agenten bevestigden dat sprake was van structurele huiselijke onveiligheid.

25 november 2024

Politiemelding en ingrijpen door de politie bij ouders thuis. Moeder was erg overstuur en kon niet meer stoppen met huilen en hyperventileren. Vader zou gedreigd hebben om haar te vermoorden. Vader kwam onder invloed van alcohol thuis volgens moeder en de politie rook ook alcohol. In de politiemelding staat dat er meerdere meldingen van vader zijn over het rijden onder invloed en er waren al meerdere politiemeldingen geweest van mishandeling van moeder maar ook van meerdere vrouwen in het verleden, waarop de politie besloten heeft moeder mee te nemen naar politiebureau [locatie] en vandaar naar een Blijfhuis in [plaats 3] . Vader bleef in de woning.

29 november 2024

Moeder verblijft met [minderjarige] in de opvang van Blijfgroep in [plaats 4] . Sinds 25 januari 2025 in de vorm van Begeleid Wonen. Zij krijgt onder andere hulp bij het tot stand brengen van een veilige scheiding en veilig ouderschap en bij traumaverwerking.

1 mei 2025

Moeder doet aangifte bij de politie vanwege verkrachting door vader in de periode van 1 april 2024 tot 24 november 2024. Echter er is verder geen hulp in gezet.

Informatie van de vader

5.3.

De Raad heeft de vader als informant geraadpleegd. De vader heeft de Raad bij email van 6 januari 2026 het volgende laten weten:

"Ik had nog wel zorgen over moeder als opvoeder. Ik had moeders meerdere keren betrapt op het gebruik van drugs de eerste keer was ze 5 maanden zwanger van ons kind.

Ik had het zelfs bij haar gevonden.

Ik wil niet dat het wordt gezien als moddergooien of beschuldigingen.

Ik wil gewoon de Raad openheid geven hierover en mijn bezorgdheid ook tonen

voor ons kind [minderjarige] .

Had het destijds de politie gemeld en vorig jaar heb ik heb ik zowel Veilig Thuis

als JGZ mijn bezorgdheid hierover gedeeld.”

5.4.

In het gesprek met de raadsonderzoekers heeft de vader, voor zover hier van belang, het volgende naar voren gebracht. Vader was er achter gekomen dat moeder 6 maanden voor ze naar vader in Nederland kwam een relatie met iemand in Marokko had. Ondanks dat vader van de buitenechtelijke relatie wist heeft vader het huwelijk niet afgeblazen. Vader heeft moeder er toen mee geconfronteerd. In Marokko mocht ze niet alleen naar een andere stad maar ging wel alleen en kwam steeds later thuis. Moeder had dure lingerie en parfum, maar moeder beschikte niet over voldoende financiële middelen en vader had deze immers ook niet betaald. Vier dagen voor het naar Nederland gaan van moeder heeft moeder afscheid genomen van die relatie en volgens vader heeft die man haar bruut verkracht en beschadigd, moeder kwam bloedend uit haar vagina aan in Nederland, ook had moeder blauwe plekken en haar nek verrekt. Vader heeft het bloeden niet gezien maar wist wel van zijn moeder dat er maandverband gekocht moest worden. Maar dat is een aanname van vader, vader denkt dat moeder in een seksuele midlife crisis zat.

5.4.1.

Ten aanzien van de zorgen van de politie en Veilig Thuis met betrekking tot huiselijk geweld geeft vader aan dat dat niet is voorgevallen. Vader betwist dat er sprake is geweest van huiselijk geweld, hij heeft moeder nooit geslagen. Moeder belde de politie als vader heel de avond weg was geweest. Vader ging, om de lieve vrede te bewaren, vaak weg. Vader sprak dan af met vrienden en dronk dan af en toe een biertje. Vader gebruikt niet overmatig alcohol en is dan ook nog nooit dronken geweest. Ook drugs wordt niet gebruikt door vader. Vader had, wanneer hij weg was geweest, heel de avond gemiste oproepen en berichten moeder, in de trant van: 'waar blijf je', 'wanneer kom je thuis'. Vader betwist ook dat hij moeder heeft bedreigd met de dood. Vader heeft het vermoeden dat moeder overspelig was, er was geen intimiteit meer sinds de zwangerschap en voor de zwangerschap ook weinig. De intimiteit die er was, kwam vanuit twee kanten, maar moeder was vaak de initiator en vader wilde haar pleasen en kwam haar dan maar tegemoet. Veelal vanuit de huwelijkse plicht. Vader weet niet of het kind van hem is en overweegt een DNA test. Stel dat hij niet de biologische vader zou zijn, dan blijft [minderjarige] nog zijn dochter.

5.4.2.

In reactie op de aangifte van verkrachting op 1 mei 2025, stelt vader dat niet bekend is wie dan verkracht zou hebben. Vader zou graag willen weten of dat het tegen vader is. Voordat moeder vertrok naar Marokko was moeder veel weg en niet bereikbaar voor vader. Vader was bezorgd en belde iedereen op. Vier uur later komt ze thuis met blauwe plekken met duimafdrukken op haar borst. Moeder wilde niet zeggen waar ze was en begon te huilen. Moeder zei toen: 'jij wilt toch niet me naar bed'. Twee dagen later had moeder Nederlandse les en kwam toen veel later thuis met make-up op haar gezicht, iets wat ze anders nooit deed. Op de vragen van vader begon moeder te schelden. Het ging niet goed met haar wanneer ze boos was, er dreigde bij moeder een gevaar van flauwvallen. De verloskundige kwam langs voor controle. Vader zag dat er bloed en sperma in de doucheput was en ook in haar slipje. Vader had het vaker gezien in de slipjes van moeder. Moeder moest vervolgens naar het ziekenhuis, omdat ze niet kon lopen en zitten en het bleek dat ze een urineweginfectie had. Er is geen soa-test afgenomen bij moeder.

5.4.3.

Vader is later naar de huisarts gegaan, omdat hij, nadat ze weer een keer intimiteit waren geweest, klachten kreeg. Vader heeft een soa-test gedaan maar daar is niets uitgekomen qua seksuele overdraagbare aandoening, maar het bleek wel een infectie te zijn, vader kreeg hier een antibioticakuur voor. Vader geeft aan dat hij nog steeds klachten heeft en dat hij nog steeds vaak naar het toilet moet. Vader was zelf niet seksueel actief buiten zijn huwelijk en volgens vader heeft hij moeder nooit geslagen of met haar gevochten. Vader gebruikt met vrienden wel eens alcohol. Geconfronteerd met het feit dat de politie stelt dat zij vader wel onder invloed van drank hebben aangetroffen, betwist hij dat hij ooit dronken was. Vader denkt dat moeder in een slachtofferrol zit, omdat ze dan haar verblijfstatus zou kunnen krijgen.

5.4.4.

Vader heeft wel zorgen over moeder als opvoeder. Vader heeft moeder meerdere

keren betrapt op het gebruik van drugs (cocaïne), de eerste keer was ze 5 maanden zwanger van [minderjarige] . Vader heeft het zelfs bij haar gevonden. Vader wil echter niet dat het wordt gezien als moddergooien of beschuldigingen, maar het is een oprechte zorg van vader.

Informatie van de moeder

5.5.

De moeder heeft tijdens een gesprek met de raadsonderzoeker, voor zover hier van belang, het volgende naar voren gebracht. Vanaf het begin van het huwelijk ging het al niet goed met ouders. Vader beschuldigde moeder van vreemdgaan, maar moeder ontkent dit ten stelligste. Moeder heeft in Marokko geen relatie gehad en moeder is ook niet mishandeld in

Marokko. Nadat moeder zwanger bleek te zijn ging het steeds slechter tussen ouders. Er

was veel onenigheid tussen ouders. Van vader mocht moeder niet weg. Moeder heeft drie maanden bij haar schoonmoeder verbleven omdat het bij vader niet ging. Vader bleef moeder maar verwijten maken dat ze andere mannen zou zien, wat volgens moeder echt niet waar is. Moeder heeft naast vader geen andere bedpartners gehad. Dat vader aangeeft dat haar ondergoed weg was, kwam omdat vader haar ondergoed mee nam en het moeder vervolgens verwijt. Moeder wordt ook verweten dat ze middelen gebruikt, ook dit is volgens moeder niet waar. Vader gebruikt middelen en drinkt alcohol. Vader heeft moeder nooit

geslagen of pijn gedaan, maar heeft moeder mentaal mishandeld door moeder op te sluiten. Moeder maakt zich zorgen om vader, vader heeft hulp nodig, vader is psychisch niet in orde. Het gedrag wat vader laat zien, is hetzelfde gedrag als opa (vz), die deed net als vader een had ook psychische problemen. Moeder vermoedt dat vader zelf andere partners heeft en het moeder steeds blijft verwijten.

5.6.

Moeder heeft vader nooit gebeld wanneer vader van huis was. Vader was overdag

meestal aan het slapen en in de avond en de nacht vaak weg. Vader beval moeder om haar niet te bellen wanneer hij van huis was. Vader zette de Wifi of de telefoon uit zodat moeder geen contact kon hebben met vader. Vader pakte ook wel de telefoon af. Moeder had dan uren geen telefoon terwijl vader weg was. Wanneer vader thuis kwam was vader dronken. Vader ging altijd weg met vrienden. Vader trok dan zijn kleding uit en moeder moest zich maar overgeven aan de handelingen van vader. Moeder heeft het steeds ondergaan. De lopende aangifte van moeder over een vermeende verkrachting is tegen vader. Vader kwam net als zo vaak thuis van een poos weg van huis te zijn en was weer dronken. Vader betastte moeder van onderen en wilde niet stoppen toen moeder dat aangaf. Vader is, terwijl moeder aangaf het niet te willen, tegen de wil van moeder in met de vingers bij moeder naar binnen gegaan. Moeder had nadat vader dat gedaan had bloedverlies omdat hij aan de binnenkant wat kapot had gemaakt. Moeder was toen zwanger van [minderjarige] . Toen moeder bij de

verloskundige kwam was daar niets meer van te zien. Moeder heeft wel contact gehad met de dokter maar de sporen waren toen al weg omdat moeder was gaan douchen. Moeder heeft van dit voorval aangifte gedaan bij de politie en van het huislijk geweld, maar bewijzen heeft moeder niet. Moeder ging op seksueel gebied mee in hetgeen vader wilde omdat ze geen ruzie wilde. Moeder weet niet hoe het met de aangifte staat.

5.7.

In mei 2024 is moeder naar oma (mz) in Marokko vertrokken. Moeder had het

zwaar met vader en wilde even naar haar moeder. Moeder betwist dat ze naar Marokko is vertrokken omdat ze een andere partner zou hebben. Moeder heeft toen ze terugkwam, onder druk van vader, een soa test moeten gaan doen. Moeder ontkent dat er sprake is van een andere relatie of andere seksuele contacten. Vader bleek echter wel wat te hebben en heeft een antibiotica gekregen. Moeder maakt zich zorgen over deze gedachtes van vader.

Vader blijft moeder maar beschuldigen. Vader heeft ook aangegeven dat moeder coke zou hebben gebruikt, moeder betwist ook dit. Moeder heeft nog nooit drugs gebruikt.

5.8.

In het contact met [minderjarige] geeft moeder aan dat vader nog nooit wat heeft gedaan voor [minderjarige] . Vader heeft nog nooit iets gekocht. Wanneer hij wat meeneemt komt het van de familie af. Vader zelf doet dat niet. Vader klaagt wel steeds dat hij haar zo weinig ziet, maar vader zegt zelf de afspraken af of brengt haar eerder terug. Wanneer [minderjarige] bij haar vader is geweest komt ze huilend terug. Moeder vindt het goed dat vader [minderjarige] ziet maar dat wel onder begeleiding. Moeder vindt het belangrijk dat er regelmaat komt in het contact tussen vader en [minderjarige] . Nu is dat er niet. Moeder wil die regelmaat graag voor [minderjarige] .

5.9.

Over de veiligheid van vader en [minderjarige] maakt moeder zich zorgen omdat ze heeft gezien dat vader [minderjarige] in bad deed terwijl hij dronken was. Voor moeder is dat een zorg en bevestigt voor haar dat het belangrijk is dat er begeleiding komt voor de omgang. Een op een contact tussen vader en [minderjarige] vindt moeder gevaarlijk, niet alleen om de beschikbaarheid van vader fysiek en mentaal door vader maar ook hetgeen vader over moeder gaat aangeven. Vader heeft al eens aangegeven dat wanneer [minderjarige] had gespuugd op moeder na de fles, dat moeder sperma op haar shirt zou hebben. Vader blijft rare gedachtes hebben tegen en over moeder.

Informatie van iHub (voorheen Altra)

5.10.

De Raad heeft ten aanzien van het verloop van de begeleide omgang informatie ingewonnen bij ouderbegeleider vanuit iHub (voorheen Altra), die sinds een jaar betrokken is bij het gezin. De begeleiding is gericht op moeder en [minderjarige] , maar bij aanvang van het traject is er ook een korte periode begeleide omgang ingezet voor het contact tussen vader en [minderjarige] omdat de verwijzing voor begeleide omgang lang op zich liet wachten. De ouderbegeleider heeft in dat contact een mooie band gezien tussen vader en [minderjarige] (deze was er in het begin niet, [minderjarige] huilde veel in het begin). Vader weet goed aan te sluiten bij hetgeen [minderjarige] nodig heeft, aldus de ouderbegeleider. Vader gaf [minderjarige] de ruimte om te wennen aan vader, vader had haar toen al een tijdje niet gezien, wat zorgde voor meer ruimte bij [minderjarige] om vader toe te laten. De interactie was mooi om te zien, vader kon [minderjarige] leeftijdsadequaat te volgen en bij haar aansluiten.


Informatie van Rodante

5.11.

Ten aanzien van het verloop van het contact tussen de vader en [minderjarige] heeft de Raad ook informatie ingewonnen bij Rodante, de zorgverlener die was belast met de begeleiding van de omgang tussen de vader en [minderjarige] . Deze informatie is vervat in een email en luidt als volgt:

“Tijdens de omgangsbegeleiding is waargenomen dat vader moeite ervaart in de omgang met [minderjarige] . Er is sprake van beperkt affectief gedrag richting [minderjarige] en beperkte opvoedkundige vaardigheden. De interactie tussen vader en [minderjarige] oogt weinig afgestemd op de ontwikkelingsfase en behoeften van [minderjarige] . Zo is meerdere malen geobserveerd dat vader gedurende de omgang voornamelijk filmt en beperkt actief contact aangaat. Wanneer er interactie plaatsvindt, sluit deze niet altijd aan bij de behoeften van [minderjarige] , bijvoorbeeld door het gebruik van babypraat zonder stimulans van taalontwikkeling, ondanks eerder aangereikte handvatten vanuit de begeleiding.

Daarnaast is waargenomen dat vader tijdens de omgang regelmatig uitspraken doet richting [minderjarige] waarin de moeder wordt betrokken. Dit betreft onder andere opmerkingen als: "Dat heb je van je moeder geleerd" en "Je lijkt op je moeder". Ook is geobserveerd dat vader bij het gebruik van een rietje door [minderjarige] , een vergelijking maakt met roken en daarbij aangeeft dat dit gedrag door de moeder zou zijn aangeleerd. In deze interacties wordt de moeder herhaaldelijk benoemd op een negatieve wijze in het contact tussen vader [minderjarige] .

Evenzo is waargenomen dat vader tijdens omgangsmomenten ook richting de begeleiding negatief spreekt over de moeder, terwijl [minderjarige] hierbij aanwezig is. Vader is hier meerdere malen op aangesproken en verzocht de focus te houden op de interactie met [minderjarige] . Tevens is hem uitgelegd dat negatieve uitlatingen over de moeder in aanwezigheid van [minderjarige] , onwenselijk zijn, omdat dit voor een (jong) kind verwarrend kan zijn en de beleving van veiligheid en rust tijdens de omgang kan beïnvloeden.

Vader toont gedrag waarbij hij herhaaldelijk de omgangsregeling en de daarbij behorende uren benoemt. Hij verwijst meer dan regelmatig naar zijn recht op 26 uur omgang en geeft aan meer tijd met zijn dochter te willen doorbrengen. Daarbij is het vader die herhaaldelijk contact opneemt met de organisatie wat als dwingend wordt ervaren. Wanneer hem vervolgens de mogelijkheid wordt geboden om hierover in gesprek te gaan, wordt geobserveerd dat vader dit contact niet voortzet of uit contact gaat. Vader geeft aan graag activiteiten met [minderjarige] te willen ondernemen, waaronder uitstapjes. Tegelijkertijd wordt tijdens de omgang gezien dat vader beperkt initiatief toont in het plannen of uitvoeren van activiteiten. Gedurende de gehele begeleidingsperiode is voornamelijk door vader gekozen voor wandelen. Tijdens deze momenten laat vader zien, niet te weten welke route hij moet nemen. Ook moet hij geholpen worden voor het bijhouden van de tijd van de omgang om tijdig terug te zijn.

Daarnaast is tijdens contactmomenten geobserveerd dat vader niet altijd een adequate inschatting maakt van wat in het moment passend en verantwoord is voor [minderjarige] . Zo is waargenomen dat vader met [minderjarige] naar buiten wil gaan terwijl zij ziek is en het buiten koud is. Dit duidt op beperkte inschatting van gezondheids- en weersomstandigheden in relatie tot de zorgbehoefte van een jong kind. Andere geboden mogelijkheden voor activiteiten worden niet benut. Vader geeft aan dat het ontbreken van eigen vervoer hierbij een belemmering vormt. Ondanks dat deze mogelijkheid met vader is besproken, wordt gemerkt dat hij geen gebruikmaakt van het openbaar vervoer dat direct beschikbaar is bij de locatie van de Blijfgroep.

Er zijn signalen die vragen oproepen over de praktische uitvoerbaarheid en veiligheid van de omgang. Vader beschikt niet over eigen vervoer en oogt tijdens sommige contactmomenten onrustig. Zo is waargenomen dat hij regelmatig plotseling de weg overstak op een plaats waar geen oversteekvoorziening aanwezig is. Na het hierop aanspreken is dit gedrag niet opnieuw geobserveerd.

Tweemaal is door zowel begeleiding als receptie gesignaleerd dat vader mogelijk onder invloed was tijdens een omgang en eenmaal telefonisch wat zich onlangs heeft afgespeeld. Vader ontkent dit. Desondanks is er hierover een gesprek plaatsgevonden, mede in combinatie met andere zorgen. Met vader zijn duidelijke afspraken gemaakt om zich na de omgang niet op te houden in de directe omgeving van de Blijfgroep. Ondanks deze afspraken is waargenomen dat vader zich hier na de omgang toch heeft bevonden. Ook hierover is een gesprek gevoerd, aangezien dit eerder expliciet is besproken en afgesproken.

In de afgelopen periode is gebleken dat vader geen structurele financiële bijdrage heeft geleverd ten behoeve van [minderjarige] . Uitsluitend eenmaal is kleding aangeschaft (door familie tijdens een bezoek) en driemaal speelgoed. Verdere bijdragen zijn niet gedaan.

In de afgelopen periode is tevens sprake geweest van herhaaldelijk te laat komen

bij omgangsmomenten. Vader is op 15 juli, 25 juli en 11 augustus te laat verschenen.

Daarnaast hebben meerdere afmeldingen plaatsgevonden, te weten op 08 september, 29 september, 29 januari, 7 januari en 4 februari. Deze afmeldingen en verlate aankomsten hebben invloed op de voorspelbaarheid en continuïteit van de omgangsmomenten.

Verder wordt waargenomen dat vader met regelmaat eerder gemaakte afspraken niet paraat heeft of ontkent dat deze zijn gemaakt. Wanneer afspraken worden teruggekoppeld, geeft vader aan hiervan niet op de hoogte te zijn. Als voorbeeld kan worden genoemd dat er na een evaluatieperiode een uitbreiding van de omgang is afgesproken, waarop vader twee weken voorafgaand inhoudelijk per e- mail heeft gereageerd. Op een later moment geeft vader echter aan niet op de hoogte te zijn van deze afspraak. Dit roept vragen op over de mate waarin afspraken worden vastgehouden en nagekomen.

De heer [naam 2] heeft in augustus de zaak overgenomen van een vrouwelijke collega. Deze overdracht vond plaats vanwege grensoverschrijdend gedrag richting de vrouwelijke collega en het herhaaldelijk niet respecteren van communicatieafspraken, waaronder het op ongepaste tijdstippen ('s nachts) contact zoeken ondanks meerdere verzoeken vanuit de organisatie en medewerkers, dit niet te doen. Daarnaast ervaarde de collega "splitsend gedrag", waarbij vader medewerkers of instanties tegenover elkaar leek te plaatsen. Ook werd een c controlerende en sturende houding waargenomen in de communicatie. Gedurende de begeleiding is sprake van wisselende stemmingen en een gespannen indruk bij vader. Er zijn vermoedens van psychische kwetsbaarheid.

Het is momenteel onbekend of vader in behandeling is (geweest) bij de GGZ. Verdere diagnostiek en inzicht in eventuele behandelgeschiedenis wordt wenselijk geacht. Het totaalbeeld dat uit de observaties naar voren komt, is dat vader momenteel onvoldoende stabiel oogt om de omgang zelfstandig, veilig en in het belang van [minderjarige] vorm te geven.


Beantwoording van de onderzoekvragen en conclusie

5.12.

De Raad komt, voor zover hier van belang, tot de volgende beantwoording van de onderzoeksvragen.

5.13.

De Raad maakte zich bij aanvang van het onderzoek zorgen om de ontwikkeling

en de veiligheid van [minderjarige] bij ouders. [minderjarige] heeft gedurende de zwangerschap al veel spanningen tussen ouders meegemaakt. Er is hulpverlening betrokken geraakt bij ouders, maar dat heeft niet geleid tot constructieve verbetering van de situatie tussen ouders en het veilig kunnen opgroeien van [minderjarige] . Na de geboorte is moeder vrij snel vertrokken met [minderjarige] omdat zij het voor haar en [minderjarige] niet veilig achtte. De Raad heeft het ouders kwalijk genomen dat zij [minderjarige] , die op dat moment gezien haar jonge leeftijd zo kwetsbaar was, in onveiligheid hebben gebracht. Het weggaan van moeder van moeder bij vader

wat noodzakelijk was gezien de situatie (huiselijk geweld) maar heeft een grote impact gehad op de hele jonge, kwetsbare en afhankelijke [minderjarige] . Er is echter wel enige verbetering. Nu ouders geen contact hebben met elkaar is het een stuk rustiger. Moeder heeft nog wel veel spanning over contact met vader, maar dat heeft tijd en mogelijk behandeling nodig. De spanningen tussen ouders zijn weg, nu hebben alleen ouders los van elkaar nog spanningen, daar is oog voor en wordt aan gewerkt. De Raad ziet na afsluiting van het onderzoek dat beide ouders het beste voor hebben met [minderjarige] . Er wordt een liefdevolle moeder gezien in de interactie met [minderjarige] , datzelfde wordt gezien tussen vader en [minderjarige] . Het is belangrijk dat beide ouders samen (blijven) werken met de hulpverlening en zich (blijven) inzetten om vorm te geven aan het gezamenlijke ouderschap.

5.14.

De Raad stelt vast dat moeder een veilige plek heeft en hulpverlening voor zowel de opvoeding als voor haar zelf. Moeder laat daarin mooie, maar kleine stappen zien en neemt

adviezen van de hulpverlening aan. Moeder zou graag willen dat er in de toekomst

een samenwerking is met vader, maar daar is voor nu nog geen ruime voor bij

moeder.

5.15.

Vader daarentegen heeft geen individuele hulpverlening. Vader wil graag meer

contact met [minderjarige] maar door de betrokken hulpverlening in het kader van begeleide omgang wordt gezien dat vader niet betrouwbaar is in het nakomen van afspraken. Wel ziet de hulpverlening dat er een fijn contact is tussen vader en [minderjarige] tijdens de omgangmomenten, waarbij hij goed bij haar aan weet te sluiten. Het is echter belangrijk voor [minderjarige] dat zij kan rekenen op betrouwbare opvoeders die afspraken nakomen. [minderjarige] is nu nog klein en zal zelf niet kunnen aangeven dat ze op haar vader wacht. Voor [minderjarige] is het belangrijk voor de hechting met haar vader dat vader er is wanneer er contactmomenten

zijn en daarin een betrouwbare opvoeder is. De Raad ziet dat beide ouders veel hebben meegemaakt en beide een andere visie hebben over hetgeen er is voorgevallen. De Raad gunt het [minderjarige] dat ze contact kan hebben met haar beide ouders en ouders dat ze verder kunnen met ondersteuning van de ingezette hulpverlening. Hierbij is het belangrijk dat ouders het belang van [minderjarige] centraal blijven stellen. Gezien de stappen die ouders gezet hebben en [minderjarige] niet meer (structureel) in onveiligheid verkeert, heeft de Raad op dit moment dan ook geen ernstige zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] . De zorgen die er zijn, liggen in de interactie tussen ouders en het contact tussen vader en [minderjarige] .

5.16.

De Raad is van mening dat passende is hulpverlening ingezet, zoals Rodante

en iHub. Naast de al ingezette hulpverlening is de Raad van mening dat intensieve

opvoedondersteuning ingezet dient te worden bij beide ouders en niet alleen bij moeder, gericht op hun opvoedershandelen en hun pedagogische vaardigheden. De Raad vindt het belangrijk dat de hulpverleners samen werken. Ouders staan open voor begeleiding en hulpverlening. Onder begeleiding van Rodante en de duidelijke doelen kan gekeken worden naar een uitbreiding van het contact tussen vader en [minderjarige] . Hierbij dient vader betrouwbaar te zijn in het nakomen van de contact momenten en na te denken over de invulling van de momenten. De zorgen die de Raad heeft kunnen door ouders en hupverlening in het vrijwillig kader worden weggenomen worden opgepakt. De Raad vindt het belangrijk dat JGZ betrokken raakt en regie gaat voeren op de ingezette hulpverlening waar beide ouders mee instemmen en voor open staan. Rodante heeft aangegeven regie te kunnen voeren op het contact tussen vader en [minderjarige] en kan middels een opbouw de omgang uitbreiden, mits wordt voldaan aan de afspraken welke zijn gemaakt door Rodante en er duidelijkheid is over de opvoedvaardigheden van vader.

5.17.

De Raad is van mening dat vader aan zet is. De Raad vindt het belangrijk dat vader zich eerst gaat houden aan de gemaakte afspraken in de huidige contactregeling en zich begeleidbaar opstelt alvorens een uitbreiding volgt. Vader moet eerst laten zien aan [minderjarige] , moeder en de hulpverlening dat hij voorspelbaarheid kan geven voordat er een definitieve zorgregeling wordt vastgesteld. Vader heeft eerst begeleiding nodig van Rodante waarbij vader betrouwbaarheid laat zien in het aangaan van afspraken. Daarnaast zou het wenselijk zijn als iHub bij vader gaat aansluiten om zo meer zicht te krijgen op het opvoedershandelen van vader.

5.18.

Rodante zal daarnaast samen met ouders in gesprek moeten gaan om met ouders

te gaan werken aan partners in ouderschap in het belang van [minderjarige] . Moeder volgt therapie en trauma behandeling om de ingrijpende gebeurtenissen te kunnen verwerken. Zodat moeder meer draagkracht ervaart in de opvoeding van [minderjarige] en minder spanningen ervaart wanneer er contact is over [minderjarige] met haar vader. Het is van belang dat er hulpverlening betrokken wordt en blijft. Om regie te kunnen houden op de inzet van hulpverlening en de monitoring en voortgang te kunnen volgen is het belangrijk dat JGZ [plaats 4] de regie voert en behoudt. Rodante begeleidt het contact met [minderjarige] en vader. iHub is bij moeder betrokken en zo ook 's Heeren Loo voor het verwerken van de trauma's van moeder.

5.19.

De Raad vindt het belangrijk dat vader wordt ondersteund (door Rodante) in het

voorbereiden van contact met [minderjarige] . In afstemming tussen de Blijfgroep, Rodante en iHub en onder regie van Jeugd en Gezin (JGZ) kan er gekeken worden wat [minderjarige] nodig heeft in de mogelijk contactmomenten met vader en welk tempo [minderjarige] aan kan. Voor nu is het vader die moet laten zien dat hij afspraken kan nakomen en betrouwbaar is naar [minderjarige] . Vader zal zich leerbaar op moeten stellen en tips en adviezen moeten aannemen alvorens de omgang kan worden uitgebreid naar een dagdeel of meer. Ouders kunnen gezamenlijk afspraken gaan maken over belangrijke zaken die [minderjarige] aangaan en een ouderschapsplan opstellen.

5.20.

Er zijn grote zorgen over het gedrag van vader, gezien alles wat er is gebeurd in

de relatie en het feit dat het vader niet lukt om zich aan gemaakte afspraken te houden zoals Rodante, omgangsbegeleiding, aangeeft. Een feit blijft dat vader, de vader blijft van [minderjarige] en dat hij een belangrijke rol in haar leven zal blijven spelen. De Raad vindt het in het belang van [minderjarige] dat er contact blijft tussen vader en [minderjarige] . Op het moment dat er geen enkele vorm van contact is tussen hen, zullen vader en [minderjarige] steeds verder verwijderd van elkaar raken. Ondanks hetgeen [minderjarige] heeft meegemaakt in de thuissituatie met ouders mist ze hem en geniet ze van het contact wanneer dat er is. Ook moeder erkent het belang van

contact.

5.21.

Er is nu nog niet structureel contact omdat omgangsmomenten niet worden nagekomen en vader zich moeizaam laat sturen en begeleiden door de betrokken hulpverlening. Hierom acht de Raad het niet in het belang van [minderjarige] dat vader, mede gezien haar jonge leeftijd, onbegeleid contact heeft met haar. Ook vanuit Rodante wordt aangegeven dat er meer zicht moet komen op de pedagogische vaardigheden van vader en de leerbaarheid van vader. Daarnaast moet vader laten zien dat hij in het contact met [minderjarige] betrouwbaar is en niet onder invloed is van alcohol of andere middelen, zoals is waargenomen door Rodante. Gezien de kwetsbaarheid van [minderjarige] vindt de RvdK dat de contacten begeleid dienen te worden, zodat er voorspelbaarheid geboden kan worden en het

contact in een veilige setting kan zijn. Wanneer vader hierin positieve stappen

laat zien kan Rodante de duur en frequentie gaan uitbreiden waarbij [minderjarige] haar

belangen leidend zullen zijn. Het is belangrijk dat [minderjarige] niet opnieuw teleurgesteld wordt door vader door het niet nakomen van afspraken. Daarom is het belangrijk dat vader eerst laat zien dat hij zich kan conformeren aan de afspraken en vader begeleiding en psycho-

educatie van Rodante krijgt zodat hij inziet wat [minderjarige] nodig heeft.

5.22.

Naast de mogelijke risico's die [minderjarige] loopt, zal het onbegeleid laten plaatsvinden

van de omgang begrijpelijkerwijs forse spanningen bij moeder teweegbrengen. De spanningen die het oplevert bij moeder, door [minderjarige] die nog voor veel van moeder afhankelijk is, die zal [minderjarige] voelen en zijn weerslag op haar hebben. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . Wanneer er meer zicht is op de problematiek van vader en tot er wat meer rust is bij moeder en vertrouwen in vader, mede een reden is dat het contact begeleid dient plaats te vinden. Er kan op dit moment niet van moeder verwacht worden dat zij dit zelfstandig kan ondersteunen gezien haar spanningen, hetgeen zijn weerslag op [minderjarige] zal

hebben. De omgang zal in eerste instantie door een professionele organisatie (Rodante)

begeleid dienen te worden. Het netwerk van moeder en vader bieden daar geen mogelijkheid voor. De RvdK is daarom van mening dat de volgende contactregeling in het belang van [minderjarige] is, waarbij het tempo van [minderjarige] wordt gevolgd en de regie bij Rodante ligt:

- Vader heeft wekelijks contact voor de duur van 2,5 uur, zoals reeds is afgesproken, met [minderjarige] en komt deze na. Wanneer vader deze contactmomenten trouw nakomt kan er worden uitgebreid naar een dagdeel, waarin vader het eten van [minderjarige] organiseert.

- Vader maakt van te voren een planning en neemt deze door met Rodante waarbij vader de tips en adviezen aanneemt en daar mee aan de slag. Mocht vader de contactmomenten niet nakomen of zich niet aan de gemaakte afspraken houden zal Rodante de frequentie en duur gaan korten, in het belang van [minderjarige] .

5.23.

Het is belangrijk dat er wordt gestart met het nakomen van de twee en half uur durende wekelijkse contact momenten. Vader dient deze trouw na te komen en kan alleen afzeggen wanneer vader ziek is en/of is opgenomen in het ziekenhuis. Vader zal moeten laten zien dat het belang van contact met [minderjarige] prevaleert boven andere afspraken. Vader laat het nu vaak geheel of gedeeltelijk afweten waardoor [minderjarige] geen contact heeft met haar vader. Vader kan advies of ondersteuning vragen aan Rodante als hij hulp nodig heeft bij plannen en organiseren van de afspraken. Het is nodig dat er tegelijk met vader een traject van ouderbegeleiding wordt gestart, waarin hij psycho-educatie krijgt geboden en hij kan laten zien afspraakgetrouw te kunnen zijn.

6De beoordeling

6.1.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

6.1.1.

De Nederlandse rechter is bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de voorliggende verzoeken.

6.2.

De echtscheiding, de hoofdverblijfplaats en het huurrecht

6.2.1.

De rechtbank overweegt dat een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. Hierin staan afspraken die partijen over hun kind hebben gemaakt. Partijen hebben geen ouderschapsplan ingediend. De rechtbank is van oordeel dat partijen toch ontvankelijk zijn in hun verzoek tot echtscheiding ondanks dat een ouderschapsplan ontbreekt. Dat wil zeggen dat de rechtbank het verzoek tot echtscheiding in behandeling neemt, omdat van partijen onder de huidige omstandigheden niet kan worden verwacht dat zij dit alsnog samen doen.

6.2.2.

De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding en de nevenvoorzieningen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en het huurrecht van de woning toewijzen zoals verzocht, omdat de verzoeken over en weer door partijen niet zijn betwist. Dit betekent dat de rechtbank de echtscheiding tussen partijen zal uitspreken, omdat partijen vinden dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht en zij niet langer samen als echtgenoten verder kunnen. De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] wordt bij de moeder bepaald en het huurrecht van de woning zal aan de vader toekomen.

6.3.

De zorgregeling

6.3.1.

Ten aanzien van het verzoek van de vader tot het vaststellen van een zorgregeling overweegt de rechtbank als volgt.

Juridisch kader

6.3.2.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van het IVRK vormen de belangen van het kind bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de eerste overweging.

6.3.3.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van het Verdrag van Istanbul nemen de partijen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor de kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.

6.3.4.

Op grond van artikel 31, tweede lid, van het Verdrag van Istanbul nemen de partijen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de uitvoering van een omgangsregeling of de voogdij niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen.

6.3.5.

In geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen geschillen hieromtrent op grond van artikel 253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

6.3.6.

Op grond van artikel 253a lid 2 onder a van het Burgerlijke Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, die kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.

6.3.7.

Uit de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vloeien positieve verplichtingen voor de verdragsstaten voort tot bescherming tegen (herhaling van) huiselijk geweld. In jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) zijn deze verplichtingen neergelegd in een aantal algemene uitgangspunten. Zo zijn de autoriteiten van de verdragsstaten verplicht effectief onderzoek te verrichten naar alle aantijgingen van huiselijk geweld. Dit onderzoek dient, ter waarborging van de effectiviteit daarvan, onmiddellijk en gedegen plaats te vinden. Er dient een onafhankelijke, proactieve en alomvattende risico-inschatting plaats te vinden. Wanneer risico’s worden geïdentificeerd dienen preventieve maatregelen te worden getroffen, die passend en proportioneel zijn. In het recente arrest van het EHRM in de zaak van Ubeda e.a. v. Italië van 2 juli 2026 is benadrukt dat de verplichting tot bescherming tegen huiselijk geweld niet alleen geldt binnen het strafrechtelijk kader, maar ook in familierechtelijke procedures, waar het de vaststelling van ouderlijke vaardigheden en de bescherming van het belang van het kind betreft. Mede gelet op artikel 31 van het Verdrag van Istanbul is in deze procedures noodzakelijk dat aantijgingen van huiselijk geweld expliciet worden getoetst, op geloofwaardigheid en grondslag, en op de verenigbaarheid van het handelen in kwestie met ouderlijk gezag en omgangsregelingen, aldus het EHRM.

Huiselijk geweld en aanwijzingen intieme terreur

6.3.8.

Om tot een goede beoordeling van deze zaak te komen, dient de rechtbank in lijn met het hiervoor genoemde juridisch kader de aantijgingen van de moeder over huiselijk geweld door de vader te beoordelen. Die beoordeling zal plaatsvinden op basis van de stellingen van partijen, de betwisting daarvan over en weer, de door partijen aan hun stellingen en betwisting gegeven onderbouwing, en het onderzoek van de Raad. De vader en de moeder nemen daarover uiteenlopende stellingen in, zoals hiervoor weergegeven. Van belang is dat de feiten zoals de moeder die stelt, zeer duidelijke kenmerken van huiselijk geweld met een patroon van intieme terreur door de vader vertonen. De rechtbank wijst daarbij op de door haar genoemde verergering van het geweld tijdens de zwangerschap, de concrete isolatie en controle van de moeder door de vader, het opzetten van het kind tegen de moeder door kwaadspreken over de moeder tijdens de omgang, en de ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van de moeder die – uitgaande van de stellingen van de moeder – een omkering van het daderschap vormen. De stellingen van de vader komen erop neer dat de moeder tijdens het huwelijk overspelig en promiscue was, slachtoffer is geworden van verkrachting door een andere man, drugs gebruikt en aanwezig heeft gehad in het bijzijn van [minderjarige] , en leugenachtig verklaart over de vader ten opzichte van instanties ten behoeve van het verkrijgen van een verblijfsvergunning.

6.3.9.

De rechtbank stelt vast dat uit het Raadsrapport blijkt dat het relaas van de moeder over het huiselijk geweld door vader bevestiging vindt in waarnemingen van Veilig Thuis, de politie, de buren, familieleden van de moeder, de verloskundige, de huisarts en de omgangsbegeleider van Rodante. Om te beginnen is door meerdere van deze professionele betrokkenen bij de moeder bij herhaling fysiek letsel, angst, emotionele ontregeling en hyperventilatie waargenomen. De buren hebben meermalen gehuil, gebonk en geschreeuw gehoord. Hoewel de vader ontkent (overmatig) alcohol te drinken, hebben politie en Rodante meermalen waargenomen dat de vader kennelijk onder invloed was, en uit de systemen van de politie komt naar voren dat de vader eerder bij hen in beeld is geweest wegens rijden onder invloed en mishandeling van andere vrouwen. De politie heeft waargenomen dat de vader in hun aanwezigheid verbaal ‘escaleerde’ en de telefoon van de moeder afpakte. De huisarts heeft bevestigd dat de moeder van de vader een soa-test diende te ondergaan, die negatief was. Rodante heeft waargenomen dat vader ondanks duidelijke andersluidende afspraken na de omgang in de omgeving van de Blijfgroep bleef hangen. Dat de moeder tevens op momenten, onder andere in aanwezigheid van oma vaderszijde, de ernst van het geweld heeft gebagatelliseerd, doet niet af aan de geloofwaardigheid van haar relaas. Dergelijke uitlatingen kunnen immers evenzeer het gevolg zijn van de gebleken angst voor de vader.

6.3.10.

Hier staat tegenover dat voor de stellingen van de vader in het dossier geen steun te vinden is en dat deze op onderdelen door het onderzoek zijn ontkracht. Zo stelt de vader bij de Raad dat de moeder geen soa test heeft ondergaan, terwijl door de huisarts is bevestigd dat deze test op verzoek van de vader wel heeft plaatsgevonden en negatief was. Ook stelt de vader dat hij nooit heeft gezegd dat hij twijfelt of [minderjarige] wel zijn dochter is, terwijl uit het rapport van de Raad blijkt dat hij dit wel heeft verklaard en nadenkt over een DNA-test.

6.3.11.

De rechtbank concludeert dat de stellingen van de moeder over het huiselijk geweld gegrond en geloofwaardig zijn, en dat bij de verdere beoordeling daarom tot uitgangspunt dient te worden genomen dat sprake is geweest van een ernstige vorm van huiselijk geweld met kenmerken van intieme terreur door de vader.

Mogelijkheden voor een zorgregeling

6.3.12.

Gelet op het hiervoor genoemde juridisch kader, zal de rechtbank vervolgens moeten beoordelen of de verzochte zorgregeling verenigbaar is met het huiselijk geweld en de bescherming van het belang van [minderjarige] . Bij die beoordeling zijn in de kern twee aspecten van belang. Het eerste betreft de gevolgen die het gepleegde huiselijk geweld in het verleden op [minderjarige] heeft gehad, op haar ontwikkeling en haar relatie met de vader. Het tweede betreft het risico op herhaling van het huiselijk geweld in de toekomst.

6.3.13.

De rechtbank constateert dat in het raadsrapport geen nadrukkelijke beoordeling van de hiervoor genoemde punten heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de mogelijkheden van een zorgregeling richt het rapport zich in de kern op andere – op zichzelf niet onbelangrijke – zorgen, zoals de spanningen die de moeder ervaart ten aanzien van de vader, de opvoedvaardigheden en de leerbaarheid van de vader, eventueel middelengebruik van de vader en zijn vermogen om afspraken na te komen en zodoende betrouwbaar te zijn voor [minderjarige] . Een expliciete toetsing van de geloofwaardigheid en de grondslag van het door de moeder gestelde huiselijk geweld, zoals vereist op grond van het hiervoor genoemde juridische kader, heeft echter niet plaatsgevonden. Evenmin wordt in het raadsrapport ingegaan op de gevolgen van het structurele huiselijk geweld op [minderjarige] , op haar ontwikkeling en haar relatie met de vader – niet aan de hand van algemene actuele wetenschappelijke inzichten terzake, en ook niet op basis van concreet geobserveerd gedrag van [minderjarige] . Opvallend daarbij is dat de moeder als informant niet nadrukkelijk is bevraagd naar wat zij bij [minderjarige] heeft waargenomen. Bovendien valt op dat de Raad uitsluitend positieve interactie tussen de vader en [minderjarige] benoemt, terwijl die positieve interactie niet blijkt uit de door Rodante gegeven informatie, integendeel. Dit klemt temeer nu Rodante de instantie is die het overgrote deel van de begeleiding van de omgang tussen de vader en [minderjarige] heeft uitgevoerd.

6.3.14.

Het raadsadvies bevat verder geen inschatting van het risico van herhaling van het door de vader gepleegde huiselijk geweld jegens [minderjarige] in de toekomst en de interventies die bij de vader nodig en mogelijk zijn om dit risico te beperken – wederom: niet aan de hand van algemene actuele wetenschappelijke inzichten terzake, en ook niet op basis van een gedegen onderzoek naar de oorzaken voor het gepleegde huiselijk geweld die in de persoon van de vader zijn gelegen. Dit is temeer van belang nu uit de informatie van de politie blijkt dat de vader al eerder in beeld is geweest vanwege geweld tegen vrouwen, de vader het huiselijk geweld integraal ontkent en geen hulpverlening ontvangt. Het dossier vormt bovendien grond voor serieuze zorgen over zijn psychische gesteldheid. Het relaas van de moeder schetst immers een beeld van paranoïde en irreële gedachten bij de vader over haar promiscuïteit, en ook Rodante uit vermoedens over psychische kwetsbaarheid in verband met waargenomen grensoverschrijdend gedrag ten opzichte van een vrouwelijke medewerker, splitsend en controlerend gedrag, stemmingswisselingen en spanning. Eventuele behandelgeschiedenis van de vader lijkt niet te zijn onderzocht, en evenmin zijn eerdere politiecontacten terzake mishandeling of de aangifte van de moeder terzake verkrachting betrokken. Ook de negatieve wijze waarop de vader volgens waarnemingen van de moeder en Rodante spreekt over de moeder tegen [minderjarige] , baart zorgen.

6.3.15.

Gelet op al het voorgaande kan de rechtbank op dit moment geen gedegen inschatting maken van de mogelijkheden van een zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader. De rechtbank zal de Raad dan ook vragen aanvullend te rapporteren, zoals ook gesuggereerd door de raadsvertegenwoordiger tijdens de mondelinge behandeling, teneinde de nog ontbrekende informatie te verkrijgen. De Raad zal daartoe worden verzocht de onder de beslissing opgenomen vragen te beantwoorden en het onderzoek te verrichten dat daarvoor noodzakelijk is.

6.3.16.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of hangende het onderzoek een tijdelijke zorgregeling kan worden vastgesteld. In dat verband overweegt de rechtbank dat de moeder te kennen heeft gegeven achter begeleide omgang te staan en dit in het belang van [minderjarige] te achten, maar daarvoor tegelijkertijd bang te zijn. Vastgesteld moet worden dat de door de Raad geadviseerde door Rodante begeleide omgang niet mogelijk is, nu de vader te kennen heeft gegeven niet meer met Rodante te willen samenwerken. Gelet op het ontbreken van zicht op de gevolgen van het huiselijk geweld op [minderjarige] en haar relatie met haar vader, zal de rechtbank op dit moment bepalen dat omgang, hangende het aanvullende raadsonderzoek, zal moeten worden begeleid door een deskundige die als opdracht zal moeten krijgen hierover aan de hand van gestructureerde ouder-kindobservaties te rapporteren, met toepassing van een gevalideerd ouder-kindrelatie meetinstrument zoals bijvoorbeeld de emotional availability scales (Biringen: 2000; 2008). Deze observaties en de interpretatie daarvan zullen door de Raad bij het aanvullende onderzoek moeten worden betrokken. De rechtbank verzoekt de Raad hierop regie te voeren, dan wel een regievoerder aan te wijzen, nu de regievoerder in het geval van partijen voor de rechtbank onbekend is.

6.3.17.

De rechtbank gaat er vanuit dat de Raad het aanvullende onderzoek zo snel als mogelijk start, nu het een voortbouwend onderzoek betreft en de rechtbank op basis van de huidige informatie geen gedegen beslissing heeft kunnen nemen. De rechtbank verzoekt de Raad dit onderzoek binnen vier maanden gereed te hebben. Daarna krijgen partijen de gelegenheid om op het aanvullende Raadsrapport te reageren en zich uit te laten over de voortgang van de procedure.

7De beslissing

De rechtbank:

7.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 15 april 2022 in [plaats 1] ;

7.2.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder is;

7.3.

bepaalt dat de vader het huurrecht van de echtelijke woning aan het adres [adres] , toekomt;

7.4.

bepaalt dat omgang tussen de vader en [minderjarige] voorlopig zal moeten worden begeleid door een - onder regie van de Raad - aan te zoeken deskundige die aan de hand van gestructureerde ouder-kindobservaties zal moeten rapporteren, met toepassing van een gevalideerd ouder-kindrelatie meetinstrument, waarbij duur en frequentie van de omgang nader door de uitvoerende instanties zal moeten worden bepaald, een en ander met inachtneming van het bepaalde in rechtsoverweging 6.3.16.;

7.5.

verzoekt de Raad binnen vier maanden na heden aanvullend onderzoek te verrichten, met inachtneming van de in deze beschikking vastgestelde feiten, ter beantwoording van de volgende vragen:

- Welke gevolgen heeft het huiselijk geweld door vader naar inschatting van de Raad gehad op [minderjarige] en haar relatie met de vader? Wilt u daarbij in elk geval aandacht besteden aan algemene actuele wetenschappelijke inzichten terzake, waarnemingen van [minderjarige] door de moeder en de resultaten van de deskundige observaties van [minderjarige] in de omgang met de vader, zowel van Rodante als van de aan te zoeken deskundige?

- Wat heeft [minderjarige] van haar vader nodig om zich in het contact met hem veilig te kunnen voelen?

- Kan uit nadere raadpleging van informanten als politie, eventuele behandelgeschiedenis van de vader en andere informanten, meer zicht worden verkregen op de in de persoon van de vader gelegen oorzaken voor het gepleegde huiselijk geweld en mogelijke psychische kwetsbaarheden van de vader, en zo ja, wat heeft dit opgeleverd?

- Hoe schat de Raad het risico op herhaling van het huiselijk geweld tegen [minderjarige] in de toekomst op dit moment in, bij onbegeleid contact? Wilt u daarbij in elk geval aandacht besteden aan algemene actuele wetenschappelijke inzichten terzake, en de in persoon van de vader gelegen oorzaken voor het gepleegde huiselijk geweld?

- Wat is naar inschatting van de Raad nodig om een eventueel risico op herhaling van het huiselijk geweld in de toekomst te ondervangen?

- Is voor de vader diagnostiek, hulpverlening en/of behandeling noodzakelijk ter voorkoming van herhaling van het huiselijk geweld in de toekomst?

- Als diagnostiek, hulpverlening of behandeling noodzakelijk is voor de vader: is deze naar inschatting van de Raad ook mogelijk en haalbaar, in het licht van de ontkenning van enige vorm van huiselijk geweld door de vader en het ontbreken van een daarmee samenhangende hulpvraag?

7.6.

houdt de behandeling van het verzoek over de zorgregeling pro forma aan tot 7 december 2026, voor uitlating door de Raad (Midden-Nederland, locatie Utrecht) over de stand van zaken van het aanvullende onderzoek;

7.7.

verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding en de beslissing ten aanzien van het huurrecht – uitvoerbaar bij voorraad;

Deze beschikking is gegeven door mr. V. Zuiderbaan, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.M. Saruhan, griffier op 11 september 2026.

Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere vaderier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733