ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-08-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5491

Essentie (gemaakt door AI)

Erfrecht. In hoger beroep na verwijzing wordt vastgesteld dat sprake is van een gift van de woning aan zoon, gelegen in een samenstel van (rechts)handelingen: verkoop in 1995 tegen te lage prijs, omzetting koopsom in renteloze, aflossingsvrije lening, schijnverrekeningen en afstand gebruik en bewoning in 2005. Waardepeildatum gift is 26-10-2005; waardering € 1.220.000. Legitimaire massa berekend met deze gift; legitieme portie dochter € 316.295,30. Beroep op beperkende werking faalt. art. 4:66 BW; art. 7:186 lid 2 BW; art. 3:12 BW; [[art. 6:2 lid 2 BW.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Maximumbedrag hypotheeklening geen maatstaf voor waardebepaling woning: "valide argument"
Zoon en dochter erflaatster - erfgenaam en legitimaris - twisten o.a. over waarde woning. Beiden grieven tegen methode Rb. Hof: aansluiten bij hypotheek en gemiddelde van taxaties nemen "geen deugdelijke manier". Eén taxateur gevolgd.

Datum publicatie01-09-2026
Zaaknummer200.356.371
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
Formele relatiesNa prejudiciële beslissing van : ECLI:NL:HR:2025:316
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht; Giften ex art. 4:67 BW; Berekening legitimaire massa
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Erfrecht. Vaststellen legitieme portie. Gift van een woning gelegen in een samenstel van (rechts)handelingen. Waardepeildatum gift. Beperkende werking redelijkheid en billijkheid? Artikel 4:65 BW; artikel 4:66 BW; artikel 7:186 lid 2 BW; artikel 3:12 BW; artikel 6:2 lid 2 BW.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.356.371

zaaknummer rechtbank Rotterdam 369726

zaaknummer Hoge Raad 23/04354

arrest van 25 augustus 2026

in het geding na verwijzing door de Hoge Raad

in de zaak van

[appellant] (de zoon)

die woont in [woonplaats]

advocaat: mr. H.J.W. Alt

en

[geïntimeerde] (de dochter)

die woont in [woonplaats]

advocaat: mr. A.C. Kool

1Het verloop van de procedure in hoger beroep na verwijzing

1.1

De Hoge Raad heeft op 21 februari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:316) arrest gewezen in deze zaak. Het hof verwijst voor het verloop van het geding tot 21 februari 2025 naar dat arrest. De Hoge Raad heeft het arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 augustus 2023 vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing. Het gerechtshof Amsterdam heeft de zaak verwezen naar dit hof (arrest van 27 mei 2025).

Het verdere verloop van de procedure, in hoger beroep na verwijzing blijkt uit:

  • de memorie na verwijzing van de dochter

  • de antwoordmemorie na verwijzing van de zoon

  • een brief van de dochter met een USB-stick

  • een bijlage van de zoon (overgelegd 20 maart 2026)

  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 30 maart 2026 is gehouden en de schriftelijke reacties van de zoon en de dochter op het verslag.

2De kern van de zaak

2.1.

De zoon (1956) en de dochter (1958) zijn de kinderen van erflaatster ( [geboortedatum] 1924).

2.2.

Erflaatster heeft haar woning aan de [adres] in [plaats] verkocht en op 17 juli 1995 geleverd aan de zoon voor een koopsom van fl. 479.500 en onder voorbehoud van het recht van gebruik en bewoning van de woning, dat eindigt bij overlijden van erflaatster of bij het doen van afstand daarvan. Erflaatster en de zoon zijn voor het bedrag van de koopsom een overeenkomst van geldlening aangegaan. Zij hebben afgesproken dat de zoon over het geleende bedrag geen rente is verschuldigd en niet verplicht is aflossingen te doen. De hoofdsom of het onafgeloste restant daarvan is te allen tijde opeisbaar.

2.3.

Erflaatster heeft in haar testament van 26 november 2001 de zoon benoemd tot enige erfgenaam.

2.4.

Erflaatster is in 2003 verhuisd en gaan wonen in een appartement van de zoon in [plaats] dat is gelegen naast de woning.

2.5.

Op 26 oktober 2005 heeft erflaatster afstand gedaan van het recht van gebruik en bewoning van de woning. In de notariële akte van afstand staat:

“ (Erflaatster) heeft al enige tijd geleden het feitelijk gebruik en bewoning gestaakt en wenst uit hoofde van de aan het na te melden recht van gebruik en bewoning verbonden lasten en verplichtingen op haar kosten afstand te doen van na te melden recht van gebruik en bewoning.

(…)

Overdrachtsbelasting/Schenkingsrecht

Partijen stellen de waarde van het afgestane recht van gebruik en bewoning, gezien het feit dat de beperkt gerechtigde in de onmogelijkheid verkeerde daarvan nog gebruik te maken, op nihil, zodat geen overdrachtsbelasting verschuldigd is en evenmin schenkingsrecht.”

Op 16 januari 2008 hebben erflaatster en de dochter een gesprek gevoerd met een notaris. Dat gesprek is opgenomen. Op 20 mei 2008 heeft erflaatster aangifte gedaan van wederrechtelijke toe-eigening door de dochter van geld van de erflaatster.

2.6.

Erflaatster is in 2009 overleden met achterlating van de zoon als haar enige erfgenaam.

2.7.

De dochter heeft aanspraak gemaakt op haar legitieme portie.

de procedure bij de rechtbank Rotterdam

2.8.

In dit geding vordert de dochter veroordeling van de zoon tot betaling van haar legitieme portie ten bedrage van € 496.295,30. Zij stelt dat het samenstel van (rechts)handelingen, die bestaan in de verkoop van de woning tegen een te lage prijs en de lening voor de koopsom zonder verplichting tot betaling van rente en aflossing, een gift is (artikel 4:67 BW) , te waarderen naar het tijdstip dat erflaatster afstand deed van haar rechten van gebruik en bewoning (26 oktober 2005).

2.9.

De rechtbank heeft geoordeeld dat (tussenvonnis 19 april 2017):

  • de woning een gift van erflaatster aan de zoon is;

  • die gift gewaardeerd op € 1.800.000 (tijdstip 26 oktober 2005);

en vervolgens vastgesteld dat de legitimaire massa € 1.845.181,20 bedraagt en de legitieme portie van de dochter € 461.295,30.

De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 13 december 2017 de zoon veroordeeld aan de dochter € 461.295,30 te betalen, vermeerderd met rente en kosten.

de procedure bij het hof Den Haag

2.10.

De zoon heeft principaal hoger beroep ingesteld en 14 grieven aangevoerd (I-IX en XIII-XVII). De dochter heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en 3 grieven aangevoerd (1-3).

2.11.

In hoger beroep heeft hof Den Haag anders beslist (arrest van 8 augustus 2023). Het heeft geoordeeld dat:

  1. de verkoop van de woning in 1995 geen gift is;

  2. de omstandigheid dat de koopprijs is omgezet in een renteloze lening zonder aflossingsverplichting onvoldoende is om van een schijnconstructie en – daarmee – van een gift van de woning uit te gaan; en

  3. de afstand van het recht van gebruik en bewoning in 2005 ook geen gift is.

Grief II van de zoon die was gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de woning een gift was trof daarmee doel; de grieven VII en VIII over de waardering van de gift behoefden daarom geen behandeling meer. Ook grief XIV van de zoon over de omvang van de legitimaire massa en de legitieme portie slaagden daardoor. Daarnaast trof grief I van de zoon, die het oordeel van de rechtbank dat de zoon en de dochter beiden erfgenaam waren bestreed, doel. De zoon is immers enig erfgenaam. Het hof heeft de legitimaire massa vervolgens berekend zoals de rechtbank had gedaan, maar met uitsluiting van de waarde van de woning van € 1.800.000 en met inbegrip van de vordering van erflaatster op de zoon uit geldlening van fl. 479.500/€ 217.587,61. Het hof heeft geoordeeld dat de woning niet – als gift – tot de legitimaire massa behoort. Het hof heeft het saldo van de nalatenschap gesteld op € 262.757,60 en de legitieme portie voor de dochter op € 65.689,40 en de zoon veroordeeld dat bedrag aan haar te betalen.

2.12.

Het hof heeft geoordeeld dat de overige grieven van de zoon (de grieven III-VI; IX, XIII en XV-XVII) faalden. Het hof heeft geoordeeld dat de zoon niet heeft aangetoond dat hij de schuld aan erflaatster van fl. 479.500 kon verrekenen met betalingen die hij voor erflaatster zou hebben gedaan en overwogen dat:

  1. de zoon was gehouden een deugdelijke administratie bij te houden van het aflossen of verrekenen van zijn schuld aan erflaatster en dat hij dat niet heeft gedaan;

  2. de zoon er een eigen belang bij heeft dat zijn schuld aan erflaatster uit haar administratie verdween;

  3. het hof de afboeking van fl. 289.575,-- op de schuld daags na het ondertekenen van de notariële akte (op 17 juli 1995) ongeloofwaardig acht en mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de dochter als een schijnhandeling kwalificeert;

  4. de overgelegde overzichten oncontroleerbaar en ongespecificeerd zijn;

  5. de zoon uitgaven opvoert die niet ten behoeve van erflaatster zijn gedaan, respectievelijk door zijn BV zijn betaald; en

  6. het feit dat erflaatster bedragen voor akkoord heeft getekend, aan een en ander niet afdoet. (rov. 28-33).

Het hof heeft verder nog het volgende geoordeeld:

  1. het appartement in [plaats] behoort tot het vermogen van de zoon en de financiële gevolgen daarvan zijn voor zijn rekening en risico;

  2. de zoon heeft niet aangetoond dat de dochter een bedrag van € 85.876 aan de nalatenschap moet terugbetalen omdat zij zich dat wederrechtelijk zou hebben toegeëigend (rov. 34-37);

  3. de zoon heeft niet aangetoond dat hij een vordering op de nalatenschap heeft ter zake van de aan- en verkoop van een stuk grond in Canada (38-47);

  4. e zoon heeft niet aangetoond dat hij een lening van € 20.000 aan erflaatster heeft terugbetaald (rov. 48-50);

  5. de zoon heeft niet aangetoond dat de inboedel van erflaatster een lagere waarde heeft dan € 5.000 (51-54).

2.13.

Het hof heeft grief 1 van de dochter (de waarde van de woning in 2005 is € 1.965.000) niet behandeld, omdat grief II van de zoon slaagde en waardering van een gift van de woning niet nodig was. Grief 2 van de dochter was gericht tegen de betalingsregeling die de rechtbank heeft getroffen voor de zoon en die grief slaagde waarbij het hof heeft geoordeeld dat een betalingsregeling niet nodig is. Grief 3 van de dochter slaagde ook: het hof heeft in plaats van de compensatie van de proceskosten in de procedure bij de rechtbank de zoon veroordeeld de proceskosten van de dochter te vergoeden.

2.14.

Het hof heeft voor de berekening van de legitieme portie van de dochter de legitimaire massa op de sterfdatum van erflaatster (2 mei 2009) vastgesteld als volgt (artikel 4:65 BW) :

Goederen:

Saldo groeigemak spaarrekening 43.97.02.208 € 10.604,98

Vordering lopende rente € 10,39

Saldo groeigemak spaarrekening 44.39.32.530 € 212,56

Vordering lopende rente € 0,79

Saldo privérekening € 2.218,44

Contant aanwezig in portemonnee € 19,50

Inboedelgoederen € 5.000,00

Vordering op de zoon € 20.000,00

Wettelijke rente over lening € 20.000,- € 7.124,93

Vordering op de zoon fl. 479.500 (€ 217.587,61) € 217.587,61

Totaal € 262.779,20

Schulden

ING betaalrekening € 21,60

De legitimaire massa bedraagt € 262.779,20 minus € 21,60 = € 262.757,60. De legitieme portie van de dochter is 1/4e hiervan of € 65.689,40.

de procedure bij de Hoge Raad

2.15.

De dochter heeft in haar principale cassatieberoep klachten gericht tegen de oordelen van het hof dat (1) de verkoop van de woning in 1995 geen gift is en (2) de afstand van het recht van gebruik en bewoning in 2005 ook geen gift is. De zoon heeft in zijn voorwaardelijke incidentele cassatieberoep klachten gericht tegen de oordelen van het hof genoemd in 2.12. en in 2.13 onder c en d. Hij klaagt verder dat het hof op twee vorderingen niet heeft beslist.

2.16.

In cassatie heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

3Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1

Onderdeel 2 van het middel klaagt onder meer dat het hof bij de beoordeling of ter zake van de woning sprake is van een gift, had moeten betrekken de stellingen van [de dochter] over de poging van [de zoon] en erflaatster om door middel van het opvoeren van niet-bestaande schulden van erflaatster aan [de zoon] en een niet-toegestane en ongeloofwaardige verrekening daarvan, betaling van de koopsom te suggereren, en zijn oordeel daarover.

3.1.2

Deze klacht is gegrond. Een gift kan besloten liggen in een samenstel van (rechts)handelingen. [de dochter] heeft in hoger beroep aangevoerd dat de gift is gelegen in het samenstel van (rechts)handelingen van de verkoop van de woning tegen een te lage prijs, de omzetting van de koopprijs in een lening zonder rente en zonder aflossing en vervolgens de zogenaamde verrekening tegen niet-bestaande schulden (zie rov. 18 en 27 van het bestreden arrest). Bij deze ‘verrekening’ ging het volgens [de dochter] om een schijnconstructie waaraan erflaatster meewerkte door het voor akkoord ondertekenen van door [de zoon] opgestelde briefjes. Het hof heeft bij zijn beoordeling of de verkoop van de woning een gift oplevert, wel de koopprijs van de woning en de rente- en aflossingsvrije lening in onderlinge samenhang in aanmerking genomen, maar daarbij niet betrokken het betoog van [de dochter] over het beroep op verrekening van [de zoon]. Daarmee heeft het hof miskend dat bedoeld betoog, alsook zijn oordeel daarover in het kader van de beoordeling of op de lening ter zake van de koopsom is afgelost – welk oordeel onder meer inhoudt dat sprake is geweest van een schijnhandeling en ten onrechte voor rekening van erflaatster opgevoerde posten (zie hiervoor in 2.4.3) – van belang kan zijn voor de vraag of bij de verkoop van de woning in 1995 sprake is geweest van een gift.

3.2

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1.2 is overwogen, zal na verwijzing opnieuw moeten worden beoordeeld of bij het hiervoor in 3.1.2 bedoelde samenstel van (rechts)handelingen sprake is geweest van een gift. Onderdeel 1, dat is gericht tegen het oordeel van het hof dat in 1995 een reële koopprijs is overeengekomen, behoeft daarom geen behandeling.

3.3

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden.

4Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep

4.1

Hiervoor in 3.1.2 is geoordeeld dat het middel in het principale beroep doel treft. Daarmee is de voorwaarde vervuld waaronder het incidentele beroep is ingesteld. Het daarin voorgestelde middel moet daarom worden onderzocht.

4.2

Onderdeel IV van het middel klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op onder meer de vordering van [de zoon] betreffende een bedrag van € 16.219,05 aan afwikkelingskosten.

Het onderdeel slaagt voor zover het gaat om posten die tezamen € 895,87 belopen (zie de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 4.37.3).

4.3

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden.

2.17.

Het hof zal beslissen dat:

  • de woning is verkocht voor een koopsom die lager was dan de waarde;

  • sprake is van een gift van de woning gelegen in een samenstel van (rechts)handelingen;

  • die gift tegen de waarde op 26 oktober 2005 (€ 1.220.000) meetelt bij het berekenen van de legitimaire massa;

  • de legitieme portie van de dochter € 316.295,30 bedraagt;

  • de zoon dat bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2010 aan de dochter moet betalen.

Die beslissing wordt hierna toegelicht. Het hof laat het vonnis van de rechtbank deels in stand en beslist voor een deel anders.

3De toelichting op de beslissing van het hof

de stelling van de dochter

3.1.

De dochter stelt dat sprake is van een gift van de woning van erflaatster aan de zoon die is gelegen in het samenstel van de volgende (rechts)handelingen:

  1. de verkoop van de woning tegen een te lage prijs;

  2. de omzetting van de koopprijs in een lening zonder rente

  3. en zonder aflossing en

  4. vervolgens de zogenaamde verrekening tegen niet-bestaande schulden (zie arrest hof Den Haag rov. 18 en 27).

Wat is een gift?

3.2.

Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt, mits die ander de prestatie heeft ontvangen of daarop aanspraak kan maken (artikel 7:186 lid 2 BW) . Voor een gift is nodig (1) een verrijking van de begiftigde (2) een verarming van de schenker (‘ten koste van eigen vermogen’) en (3) een bevoordelingsbedoeling (handeling of overeenkomst ‘die ertoe strekt’). Het gaat erom dat de schenker zich niet alleen bewust is van de bevoordeling, maar ook de wil tot bevoordelen heeft. Of een bevoordelingsbedoeling aanwezig was, dient aan de hand van de omstandigheden van het geval te worden vastgesteld; de rechter kan verder aan de omstandigheden van het geval een vermoeden ontlenen dat een bevoordelingsbedoeling aanwezig was. 1 Een gift kan ook besloten liggen in een samenstel van (rechts)handelingen. 2 De legitimaris die (ter zake van) een gift wil inkorten, heeft de bewijslast voor het bestaan van die gift (artikel 150 Rv) .

Kan een gift besloten liggen in een samenstel van (rechts)handelingen?

3.3.

Een (rechts)handeling die op zichzelf bezien geen gift is kan door samenhang met andere (rechts)handelingen wel een gift zijn (het geheel is meer dan de som der delen) 3. Of in een samenstel van (rechts)handelingen een gift besloten ligt hangt af van de partijbedoeling. Die kan mede blijken uit de inhoud van die (rechts)handelingen, de onderlinge afstemming daarvan (die kan blijken uit de formulering van daarvan opgemaakte akten) en de samenhang tussen die (rechts)handelingen wat betreft het moment waarop zij tot stand zijn gekomen.

Wat moet het hof beoordelen?

3.4.

Het hof oordeelt dat vaststaat dat de verplichtingen van de zoon om aan erflaatster de koopsom van fl. 479.500 te betalen is omgezet in een schuld uit geldlening zonder rente en aflossingsverplichtingen. Ook staat vast dat de zoon deze schuld niet kon verrekenen met (naar is komen vast te staan: niet aannemelijke) vorderingen van hem op erflaatster. De zoon heeft dat oordeel van het hof Den Haag vergeefs bestreden (onderdeel II van zijn incidenteel cassatieberoep). Voordat het hof zal beoordelen of in het samenstel van de (rechts)handelingen die de dochter noemt een gift is gelegen, moet eerst nog worden beoordeeld of de verkoop van de woning is geschied tegen een prijs die lager was dan de waarde van de woning (hierna: ‘een te lage prijs’). Dat is immers een van de (rechts)handelingen die onderdeel zijn van dat samenstel.

Is de woning voor een te lage prijs verkocht?

3.5.

De dochter stelt dat de woning tegen een te lage prijs is verkocht; de zoon betwist dat. Met verkoop tegen een te lage prijs bedoelt de dochter kennelijk dat de koopsom die erflaatster en de zoon hebben afgesproken lager was dan de waarde van de woning ten tijde van de verkoop. De vraag is dan: wat was de waarde van de woning op 17 juli 1995.

3.6.

Volgens de zoon is de koopovereenkomst, zoals de leveringsakte van 17 juli 1995 vermeldt, in september 1994 mondeling gesloten. De zoon heeft echter ook verklaard dat de koopprijs pas later is bepaald, en naar het hof begrijpt (relatief) kort voor de leveringsdatum (17 juli 1995). Het hof zal daarom bij de beantwoording van de vraag of de woning verkocht is voor een te lage prijs uitgaan van de waarde van de woning op 17 juli 1995. De akte van levering van de woning van 17 juli 1995 vermeldt wel de koopsom van fl. 479.500, maar niet hoe die koopsom tot stand is gekomen en of die is gebaseerd op een taxatie van de waarde van de woning door een deskundige. Erflaatster heeft zich bij de verkoop het beperkte recht van gebruik en bewoning voorbehouden. De akte vermeldt ook niet of aan dat beperkte recht van gebruik en bewoning een waarde is toegekend en of die waarde is verdisconteerd in de koopsom voor de ‘bloot eigendom’. Er is ook niet bekend over welk bedrag overdrachtsbelasting is geheven.

3.7.

De zoon heeft op de mondelinge behandeling bij het hof van 30 maart 2026 het volgende verteld over de verkoop van de woning:

“De verkoop van de woning heeft in de jaren 90 plaatsgevonden. Ik heb Parkinson en weet alles niet meer precies. Mijn vrouw weet meer dan ik. Moeder kon op enig moment de kosten niet meer betalen. Ik had in de woning een kantoor en betaalde daar huur voor. Daarmee hielp ik moeder, ik heb deze kantoorruimte ook zelf opgeknapt. Moeder was invalide en in de steek gelaten door haar man. Zij moest van een kale AOW uitkering rondkomen. De woning is continue achteruitgegaan qua onderhoud want daar was geen geld voor. Zelfs de kachel kon in de winter niet eens betaald worden. Daarom heb ik me ermee bemoeid en heb onderhoud uitgevoerd. Moeder kon het pand dus eigenlijk niet betalen maar wilde er graag blijven wonen. Zij kwam met het idee dat ik de woning zou kopen. Moeder had nog een taxatierapport van Kolpa. Ik heb haar gezegd dat dit rapport te oud was. Er was bij moeder en bij mij geen enkele gedachte om moeder te benadelen. Onze gesprekken hierover hadden we in de loop van de jaren, het was een glijdende schaal. De kosten voor onderhoud werden steeds hoger. Ook was de aanslag van de WOZ hoog, moeder vond die te hoog en wilde een taxatierapport om de juiste waarde vast te stellen. Vandaar dat Kolpa dit rapport heeft opgesteld. Op dat moment was er geen sprake van verkoop van de woning.

Toen wij een koopsom wilden bepalen hebben wij ook gekeken naar woningen in de buurt. Daar stonden meerdere woningen te koop die vergelijkbaar waren. Dit was een referentiepunt voor ons. Er is toen een taxatierapport opgesteld door Baljon-Mora. De hoogte van de koopsom is in 1995 bepaald, niet in 1994. De waarde werd gesteld op ruim 800 duizend gulden. Daar is 60% van genomen omdat moeder in de woning wilde blijven wonen. Dat was op advies van de makelaar. Toen bleef er een bedrag van zo’n 479 duizend gulden over. Ik weet niet meer wie de opdracht van de taxatie aan Baljon-Mora heeft gegeven. Ik of moeder.

(…)

Dat er in de akte specifiek verwezen wordt naar september 1994 waarin de koop overeen zou zijn gekomen ging over het feit dat we toen de afspraak van overdracht van de woning hebben gemaakt. Daar was op dat moment nog geen koopprijs aangehangen. De waarde van de woning moest nog getaxeerd worden. Moeder wilde zekerheid, ze wilde niets gratis weggeven. De waarde van een pand bij verkoop is altijd hoger dan de WOZ waarde. Het taxatierapport van Baljon-Mora uit 1995 zou in deze procedure moeten zijn ingebracht. Ik kan me de verhouding 60% om 40% nog goed herinneren. De makelaar heeft dat gezegd met het oog op het feit dat moeder in de woning zou blijven wonen.

In 1995 lag de waarde dus zo rond de 8 ton.”

3.8.

Het taxatierapport van Baljon-Mora van destijds is, anders dan de zoon zegt, niet in het geding gebracht. Het hof kan niet controleren of klopt wat de zoon daarover zegt.

3.9.

De advocaat van de zoon heeft de waarde van de woning berekend op fl. 826.723,34. Hij gaat ervan uit dat de waarde van de bloot eigendom gelijk is aan de koopsom van fl. 479.500 en dat de waarde van die bloot eigendom 58% is van de waarde van de volle eigendom. De volle eigendom is dan (100 x fl. 479.500):58 = fl. 826.723,34. Om dat uit te rekenen heeft hij gebruik gemaakt van fiscale waarderingsregels uit de Successiewet 1956 (het huidige artikel 21 lid 11 Sw; in 1995 lid 8) en van de tabel in artikel 5 en het percentage van 6% in artikel 10 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 (periodieke uitkering afhankelijk van het leven van een persoon). Omdat erflaatster bij de verkoop 71 jaar oud was gold volgens de tabel een factor 7 en is de waarde van het vruchtgebruik 7 x 6% of 42% van de waarde van de volle eigendom en de waarde van de bloot eigendom 58% daarvan. Zoals gezegd bevat de akte van levering van de woning – anders dan in de notariële praktijk in 1995 gebruikelijk was en ook nu nog is – geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van deze veronderstelling. Deze berekening is wel in lijn met de verklaring van de zoon. Het taxatierapport van Baljon-Mora dat die verklaring zou moeten ondersteunen ontbreekt.

3.10.

De rechtbank [plaats] heeft in haar vonnis van 6 augustus 2014 geoordeeld dat

  • geen sprake is van een gift van de woning als de zoon de volledige koopsom aan de moeder heeft voldaan, mits erflaatster en de zoon een reële verkoopprijs zijn overeengekomen;

  • de zoon de koopsom niet heeft betaald door verrekening;

  • er aanleiding is een deskundige te benoemen ”Om te kunnen bepalen wat in de gegeven omstandigheden destijds een marktconforme, reële koopprijs was (…)”.

De deskundige van de rechtbank, [naam] , makelaar/taxateur in onroerende zaken in [plaats] ( [naam] ), heeft de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik op 17 juli 1995 geschat op € 700.000 (fl. 1.565.970) en op 26 oktober 2005 op € 1.220.000. Zijn rapport is van 15 januari 2015, het addendum daarbij van 8 november 2015.

De rechtbank heeft bij haar oordeel in haar vonnis van 19 april 2017 dat de woning een gift van erflaatster aan de zoon is en voor het vaststellen van de waarde van de woning op 26 oktober 2005 de taxaties van de deskundige niet gevolgd of gebruikt.

3.11.

Hof Den Haag heeft anders dan rechtbank [plaats] wel beoordeeld of de verkoop van de woning (op zich) een gift was en of de koopsom marktconform was. Dit hof heeft vastgesteld dat erflaatster en de zoon bij de bepaling van de koopprijs in 1995 zijn uitgegaan van:

  • de taxatie van [naam2] van Makelaarskantoor Kolpa BV (Kolpa) van 30 december 1993 die de onderhandse verkoopwaarde van de woning op 30 december 1993 heeft geschat op fl. 590.000; en

  • de mondelinge uitspraak van hof Den Haag van 29 juni 1995 waarin het hof de waarde van de woning op 1 januari 1990 voor de heffing van onroerend goed belastingen door de gemeente [plaats] voor het jaar 1992 heeft bepaald op fl. 600.000.

De zoon heeft zoals hiervoor is vermeld op de mondelinge behandeling bij hof Arnhem-Leeuwarden gezegd dat deze waardebepalingen juist geen rol hebben gespeeld bij de afspraak over de koopprijs en – anders dan hof Den Haag heeft geoordeeld – voor erflaatster en de zoon juist geen rol hebben gespeeld bij het bepalen van de koopprijs.

3.12.

Het hof zoekt voor een antwoord op de vraag wat de waarde van de woning op 17 juli 1995 was steun bij het rapport van deskundige [naam] . De deskundige is makelaar en taxateur in onroerende zaken in [plaats] , de plaats waarin de woning waarvan de waarde moet worden bepaald is gelegen. De opdracht van de rechtbank was tweeërlei: (1) het bepalen van de marktwaarde van de woning op 17 juli 1995 en (2) de waarde van het beperkt recht van gebruik en bewoning op 26 oktober 2005. In zijn rapport omschrijft de deskundige de indeling van de woning ten tijde van de opname op 23 september 2014. Hij constateert dat die indeling min of meer onveranderd is vergeleken met het taxatierapport van Kolpa van 30 december 1993. Hij noemt verder dat volgens het taxatierapport van Kolpa de staat van onderhoud van de woning slecht is en maakt de opmerking dat hij bij zijn waardering ervan is uitgegaan dat een aanzienlijke verbouwing moet plaatsvinden. Hij kwalificeert in zijn rapport de onderhoudstoestand voor het buitenschilderwerk, houtwerk, voegwerk en zinkwerk als slecht en het onderhoud aan de binnenzijde als matig tot slecht. Hij merkt op dat hij anders dan Kolpa ervan uitgaat dat de scheurvormingen niet duiden op funderingsproblemen. De deskundige noemt verder de bronnen die hij heeft geraadpleegd (Midas marktinformatie van de NVM; referentiepanden in de directe nabijheid van de woning, grenzend aan de Bergse Voorplas; het Kadaster; Dataland; Funda). De deskundige schrijft in zijn rapport dat hij bij de waardering rekening heeft gehouden met de uitvoering en de staat van onderhoud voor zover die is te reconstrueren naar juli 1995 en daarnaast de referentieobjecten heeft meegenomen in zijn afweging. De deskundige kent ten slotte aan de woning een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik op 17 juli 1995 toe van € 700.000 en een waarde van het recht van gebruik en bewoning op 26 oktober 2005 van € 292.800, die is afgeleid van een waarde van de woning op die datum van € 1.220.000. Na toezending van het taxatierapport van 15 januari 2015 aan partijen heeft de deskundige de reacties van partijen ontvangen en hun (zoals hij schrijft) zeer uiteenlopende standpunten. Hij reageert daarop in zijn addendum bij zijn taxatierapport en vat de discussiepunten samen op twee hoofdpunten: (1) de staat van de fundering van de woning en (2) de waarde op 17 juli en op 26 oktober 2005. Over discussiepunt 1 (de fundering) schrijft de deskundige:

Fundering

Met betrekking tot de fundering is op 3 juni 2015 een ‘constructieve mening’ uitgebracht door Ing. [naam3] ( [naam4] te [plaats2] ).

Er is geen specifiek funderingsonderzoek gedaan.

De getoonde scheurvormingen in de gevels zijn hoofdzakelijk naast de lateien en duiden derhalve niet op zetting veroorzaakt door aantasting van de kespen en/of palen. De scheur bij de erker is een krimpscheur welke volkomen verticaal loopt.

De heer [naam3] stelt dat deze scheurvorming 20 jaar geleden al aanwezig was.

Ondergetekende heeft de heer [naam3] telefonisch geconsulteerd en hij heeft bevestigd dat de

fundering slechts beoordeeld kan worden na een analyse van de kwaliteit van de paalkoppen en het langshout.

Gezien het feit dat het bouwjaar 1894 is en dat aangenomen wordt dat de scheurvorming de afgelopen 20 jaar niet is toegenomen (citaat rapport [naam4] ) persisteert

ondergetekende dat funderingsherstel niet noodzakelijk is en handhaaft derhalve het

ingenomen standpunt.”

De deskundige vermeldt over discussiepunt 2 (de waarde) dat hij heeft ontvangen van:

  • de zoon een taxatierapport van [naam5] RMT, werkzaam bij Ooms Makelaars, die de woning op 17 juli 1995 heeft geschat op € 340.000 en op 26 oktober 2005 op € 980.000 en die is uitgegaan van een gemiddelde waardestijging van 11% per jaar;

  • de dochter een taxatierapport van Ing. [naam6] , werkzaam aanvankelijk bij Ooms Makelaars en daarna bij Arealis BV, die de waarde van de woning op 17 juli 1995 heeft geschat op € 703.359 en op 26 oktober 2005 op € 2.750.000..

De deskundige reageert op die taxaties en komt tot de slotsom dat hij zijn taxatie handhaaft. Hij onderbouwt dat met een aantal referentieobjecten en voegt toe dat hij heeft gerekend met een gemiddelde prijsstijging van 5,7% per jaar (bron: gemiddelde prijsstijging 1993-2012, www.woningmarktcijfers.nl).

3.13.

De dochter volgt de conclusie van de deskundige ten aanzien van de waarde van € 700.000 op 17 juli 1995. De zoon bestrijdt de taxatie van de waarde van de woning op 17 juli 1995 door de deskundige. Hij baseert zich daarbij in het bijzonder op een rapport van [naam7] , makelaar en taxateur in Den Haag, van 24 augustus 2021. [naam7] maakt gebruik van de informatie uit andere taxatierapporten over de waarde van de woning, te weten:

  • de al genoemde taxatie van Kolpa van 30 december 1993 (waarde op 30 december 1993 fl. 590.000);

  • de taxatie van Ooms van 23 juni 2000 (waarde op 17 juli 1995 fl. 1.550.000);

  • de taxatie van Baljon Mora van 9 juni 2011 (waarde bloot eigendom eind 1994 fl. 410.000);

  • de taxatie van Ooms van 12 juni 2015 (waarde op 17 juli 1995 € 340.000);

  • de taxatie van rechtbankdeskundige [naam] van € 700.000.

[naam7] besteedt geen aandacht aan het hiervoor al genoemde taxatierapport van [naam6] dat de dochter aan de deskundige van de rechtbank heeft gestuurd (waarde op 17 juli 1995 € 703.359).

De kritiek van [naam7] op de taxatie van [naam] is kort gezegd dat [naam] :

- de referentieobjecten niet heeft geobjectiveerd ten opzichte van de woning en niet door

indexering inzichtelijk heeft gemaakt hoe deze objecten zich verhouden tot de woning; en

- voorbij is gegaan aan de bestaande funderingsproblematiek om redenen die niet met rapportage worden ondersteund. [naam7] concludeert aan de hand van een drietal rapporten dat sprake is van funderingsproblemen en schat de herstelkosten van de fundering in 2015/2016 op € 145.000. Die rapporten zijn: rapport [naam4] van 3 juni 2015, rapport van Het Funderingshuis.nl van 21 december 2015 en het rapport van Opstal Funderingsadviezen van 14 januari 2016. Volgens [naam7] blijkt uit deze rapporten (die hij ook inspecties noemt) dat sprake is van funderingsproblemen op de rapportdatum en dat er een grote mate van waarschijnlijkheid is dat die problemen er ook in 1995 en 2005 al waren.

[naam7] komt zelf tot de conclusie dat de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van de woning op 17 juli 1995 € 340.000 bedraagt en baseert dit op drie referentiepanden.

De zoon legt ten aanzien van de funderingsproblemen nog over:

  • een briefrapport van ir. [naam8 ] van 22 maart 2023. [naam8 ] komt tot de conclusie dat er ernstige schade aan de woning is door zakkingsverschillen en adviseert de constructieve veiligheid te laten beoordelen door een inspecteur van BWT en verwacht een aanschrijving dat er zeer korte termijn maatregelen moeten worden getroffen en alsnog funderingsherstel moet worden uitgevoerd.

  • Het Rapport funderingsrisico Hillegersberg van de Bewonersorganisatie Oud Hillegersberg van 14 juli 2017 dat vooral gaat over historische peilverlagingen in Hillegersberg;

  • foto’s van scheurvorming in de woning.

3.14.

In dit geval staan de bevindingen van andere, door de zoon ingeschakelde deskundigen op gespannen voet met de conclusie van deskundige [naam] . De specifieke bezwaren van de zoon tegen de zienswijze van [naam] zijn:

  • [naam] gebruikt wel de vergelijkingsmethode maar zijn referentieobjecten zijn niet geschikt.

  • er zijn ernstige funderingsproblemen die van invloed zijn op de waarde.

3.15.

Aan het bezwaar tegen de referentieobjecten die [naam] heeft gebruikt gaat het hof voorbij. [naam] geeft voldoende inzicht om te beoordelen hoe de referentieobjecten zich verhouden tot de woning. Zo noemt [naam] voor elk referentieobject de datum van de transactie, de transactieprijs, het woonoppervlakte en de ligging van het object. Niet valt in te zien waarom die panden die [naam] noemt niet als referentieobjecten bruikbaar zouden zijn.

3.16.

Ook aan het tweede bezwaar gaat het hof voorbij. Uit de rapporten die de zoon heeft overgelegd is af te leiden dat sprake is van funderingsproblemen. [naam] was bij het maken van zijn rapport op de hoogte van de visie van de zoon op de funderingsproblemen en wist dat in het rapport van Kolpa staat: “In de voor- en zijgevel en enkele binnen muren is scheurvorming welke duiden op problemen met de fundatie.” Hij kende ook het rapport van [naam4] van 3 juni 2015 over de constructieve staat van de woning op 17 juli 1995 en wist dat daarin staat: “Hoewel geen specifiek funderingsonderzoek is gedaan zijn wij van mening dat problematiek van de scheurvorming grotendeels het gevolg is van gebreken aan de fundering op houten palen (o.a. uit 1894). Te denken valt aan overbelasting of droogstand danwel bacteriële aantasting van de palen.” [naam4] hebben geadviseerd nader onderzoek te doen naar de staat van de houten palen en achtten aanvullende voorzieningen aan de funderingen en de muren in de toekomst nodig. [naam] heeft contact opgenomen met [naam3] die hem heeft bevestigd dat de fundering slechts beoordeeld kan worden na een analyse van de paalkoppen en het langshout. [naam] heeft vervolgens geconcludeerd dat het bouwjaar 1894 is, dat de scheurvorming volgens het rapport van [naam3] en Eijlers de afgelopen 20 jaar niet is toegenomen, dat funderingsherstel niet noodzakelijk is en dat hij persisteert bij zijn taxatie van de waarde van de woning op 17 juli 1995 van € 700.000. Dat is een begrijpelijke conclusie, die tot stand is gekomen na raadpleging van het rapport van [naam4] en telefonische navraag bij [naam3] . De andere door de zoon ingeschakelde deskundigen vinden funderingsherstel wel noodzakelijk, maar laten niet zien welk effect dat heeft op de waarde van de woning op 17 juli 1995. [naam7] geeft wel een schatting van de herstelkosten in 2015/2016 en schat die op € 145.000, maar legt niet uit hoe die schatting tot stand is gekomen en wat het effect van funderingsherstel is voor de waarde van de woning op 17 juli 1995. Volgens Ooms (taxatierapport van 12 juni 2015) bedragen de kosten van funderingsherstel € 100.000; Ooms heeft net als [naam] gebruik gemaakt van het rapport van [naam4] van 3 juni 2015. Ook Ooms legt niet uit hoe de schatting van de kosten van funderingsherstel van € 100.000 tot stand is gekomen en wat het effect van funderingsherstel is voor de waarde van de woning op 17 juli 1995. Het hof merkt ten slotte op dat in deze procedure niet is gebleken dat funderingsherstel inmiddels wel heeft plaatsgehad.

3.17.

Al met al volgt het hof de conclusie waartoe deskundige [naam] is gekomen en stelt vast dat de waarde in het economisch verkeer van de woning aan de [adres] in [plaats] op 17 juli 1995 € 700.000 bedroeg. De koopsom van de woning is – het recht van gebruik en bewoning in aanmerking genomen – aanmerkelijk lager (totaal fl. 826.723,34/€ 375.151,35). Het hof kan dan ook vaststellen dat de stelling van de dochter dat de woning is verkocht voor een te lage prijs, juist is. Het hof hoeft niet te beoordelen of in de verkoop tegen een te lage prijs een gift ligt besloten. Het gaat erom dat volgens de dochter de koopsom lager was dan de waarde van de woning en dat dit een van de elementen/onderdelen is van haar stelling dat sprake is van een samenstel van (rechts)handelingen die samen een gift vormen.

Vormt het samenstel van (rechts)handelingen een gift van de woning?

3.18.

De volgende vraag is of het samenstel van de volgende (rechts)handelingen:

  1. de verkoop van de woning tegen een te lage prijs;

  2. de omzetting van de koopprijs in een lening zonder rente

  3. en zonder aflossing en

  4. vervolgens de zogenaamde verrekening met (naar is komen vast te staan: niet aannemelijke) vorderingen van zoon op moeder (zie arrest hof Den Haag rov. 18 en 27);

een gift vormt. Bij die beoordeling spelen kunnen ook andere feiten en omstandigheden die in deze zaak naar voren zijn gekomen, zoals de afstand van het recht van gebruik en bewoning in 2005, een rol spelen.

3.19.

In dit hoger beroep na verwijzing staan de onderdelen 2-4 vast; onderdeel 1 is hiervoor vastgesteld. Dat betekent dat de woning is verkocht voor een te lage prijs, dat de schuld van de zoon om de koopprijs te betalen is omgezet in een renteloze schuld uit geldlening zonder aflossingsverplichtingen en dat vaststaat dat de zoon die schuld niet heeft voldaan door verrekening met vorderingen van de zoon op de moeder. Het hof Den Haag heeft de verrekening van een vordering van de zoon van fl. 289.575 op 18 juli 1995, daags na de levering van de woning en de schuldomzetting, aangemerkt als een schijnhandeling (hof Den Haag 8 augustus 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1494, rov. 32). Dat oordeel is in cassatie zonder succes bestreden.

3.20.

Het hof stelt vast dat de woning uit het vermogen van erflaatster is verschoven naar het vermogen van de zoon door:

  • de verkoop van de woning onder voorbehoud van het recht van gebruik en bewoning tegen een koopsom van fl. 479.500 (€ 217.587), wat aanmerkelijk lager is dan de waarde van de woning onder de last van dat recht van gebruik en bewoning van € 406.000 (58% x € 700.000);

  • de omzetting van de schuld de koopsom te betalen, in een renteloze en aflossingsvrije schuld uit geldlening van de zoon aan erflaatster;

  • de verrekening daags na de levering van de woning van meer dan de helft van die renteloze en aflossingsvrije schuld uit geldlening, met een niet aannemelijk gemaakte vordering van de zoon op de moeder van fl. 289.575;

  • de daarna volgende verrekening van de rest van de schuld uit geldlening, eveneens met niet aannemelijk gemaakte vorderingen van de zoon op erflaatster;

  • de afstand om niet op 26 oktober 2005 door erflaatster van het recht van gebruik en bewoning van de woning.

3.21.

De inhoud van deze (rechts)handelingen en de samenhang daartussen hebben als gevolg dat de woning van het vermogen van erflaatster naar het vermogen van de zoon is verschoven. Dat is geschied ten koste van het vermogen van erflaatster; zij is daardoor verarmd en de zoon is verrijkt. Het hof gaat ervan uit dat erflaatster en de zoon zich bewust zijn geweest van de bevoordeling en dat erflaatster de wil had de zoon te bevoordelen. Dat volgt onmiskenbaar uit het gesprek dat erflaatster in het bijzijn van de dochter op 16 januari 2008 heeft gehad met notaris [naam9] . Een opname van dat gesprek en een transscriptie daarvan zijn in het geding gebracht. Erflaatster zegt in dit gesprek een aantal keer onomwonden, telkens in andere bewoordingen, dat zij de woning aan de zoon cadeau heeft gedaan, dat hij er niets voor heeft betaald en dat zij wel een handtekening heeft gezet onder de stukken met de verrekeningen van de schuld uit geldlening, maar dat die stukken in elkaar geflanst en gelogen zijn. Dat is in lijn met de vaststelling in deze procedure dat de zoon de schuld aan zijn moeder zou hebben betaald met niet aannemelijk gemaakte vorderingen. De zoon heeft nog opgemerkt dat erflaatster iets later in 2008 anders heeft verklaard toen zij op 20 mei 2008 bij de politie aangifte deed van diefstal van geld door de dochter op 15 oktober 2004 en 16 mei 2008. De zoon heeft het proces-verbaal van die aangifte in het geding gebracht. Daarin leest het hof dat erflaatster verklaart dat zij de woning volkomen legaal heeft verkocht aan de zoon in 2002 voor een bedrag van € 375.000 (wat feitelijk onjuist is). Het hof leest in de aangifte niet dat erflaatster iets terugneemt van wat zij bij notaris [naam9] heeft verklaard over het cadeau doen van de woning en dat de zoon er niets voor heeft betaald. Het hof is van oordeel dat wat erflaatster volgens het proces-verbaal van aangifte in 2008 heeft verklaard niet kan ontzenuwen wat zij eerder dat jaar aan notaris [naam9] heeft gezegd. De zoon heeft in dit verband ook nog gewezen op een drietal brieven van erflaatster aan de dochter uit 1997, 1998 en 2000. Zij schrijft daarin, voor zover voor deze zaak van belang, dat zij de woning tegen de officiële taxatieprijs aan de zoon heeft verkocht omdat zij zelf de lasten van de woning niet meer kon betalen, dat zij levenslang gratis in de woning mocht blijven wonen en dat de zoon al haar persoonlijke en financiële verplichtingen van haar heeft overgenomen en in mindering kon brengen op zijn schuld aan haar. Ook deze brieven kunnen naar het oordeel van het hof niet ontzenuwen wat erflaatster in 2008 aan notaris [naam9] heeft gezegd. Wat zij schrijft sluit niet uit dat al met al sprake is van een gift van de woning. De zoon heeft ten slotte nog naar voren gebracht dat het enige doel van de overdracht van de woning was dat erflaatster, ondanks haar krappe financiële situatie, tot haar overlijden gratis in de woning kon blijven wonen. Daaraan gaat het hof voorbij. De bedoeling van de overdracht sluit niet uit dat sprake is van een gift.

3.22.

De slotsom is dat sprake is van een gift die is gelegen in een samenstel van (rechts)handelingen, ook als geen van die (rechts)handelingen op zich als gift aangemerkt zou kunnen worden.

de waardering van de gift voor de legitimaire massa

3.23.

Uitgangspunt van artikel 4:66 lid 1 BW is dat een gift voor de berekening van de legitieme portie wordt gewaardeerd naar het tijdstip van de prestatie behoudens de uitzonderingen daarop in leden 2 en 3 van dat artikel. Wat is nu het tijdstip van de prestatie bij dit samenstel van (rechts)handelingen waarin de gift is besloten?

3.24.

Het hof is van oordeel dat bij een gift die is gelegen in een samenstel van (rechts)handelingen het tijdstip van de prestatie is het tijdstip van de laatste (rechts)handeling die nodig was om de gift uiteindelijk tot stand te brengen. Dat is hier het moment dat erflaatster afstand heeft gedaan van het recht van gebruik en bewoning (26 oktober 2005). Op dat moment is de vermogensverschuiving definitief, kunnen de verarming en verrijking en de bevoordelingsbedoeling worden vastgesteld en heeft de zoon de prestatie ontvangen (artikel 7:186 lid 2 BW) . Het hof past in dit geval artikel 4:66 lid 1 BW toe. Voor de uitzonderingen daarop in de leden 2 en 3 van dat artikel is geen aanleiding. Dat zou wel zo zijn geweest als de woning op 17 juli 1995 zou zijn geschonken onder voorbehoud van het genot daarvan gedurende het (gehele) leven van erflaatster of wanneer de woning op 17 juli 1995 zou zijn vervreemd tegen verschaffing van een aan het leven van erflaatster gebonden recht. Geen van beide is hier het geval. Als lid 2 of lid 3 van artikel 4:66 BW in dit geval toch van toepassing zou zijn, leidt dat niet tot een ander resultaat. Ook dan dient naar het oordeel van het hof uitgegaan te worden van de genoemde datum van 26 oktober 2005.

3.25.

De rechtbank heeft in haar vonnis van 19 april 2017 de waarde van de woning op 26 oktober 2005 bepaald. De rechtbank noemt eerst de verschillende taxaties waarover zij op dat moment beschikt. Dat zijn de:

  • taxatie van [naam6] van Arealis BV van 6 december 2010 van € 2.750.000 (indicatie verkoopwaarde zonder inspectie van de woning);

  • taxatie van [naam5] van Ooms Makelaars BV van 12 juni 2015 van € 980.000 (marktwaarde);

  • taxatie van [naam] van € 1.220.000 (waarde vrij van huur en gebruik);

  • taxatie van [naam10] van Baljon-Mora Makelaars en Vastgoeddeskundigen van 8 april 2016 van € 1.940.000 (marktwaarde; geveltaxatie).

Het hof berekent het gemiddelde van deze vier taxaties op € 1.722.500; de rechtbank maakt die berekening overigens niet.

De rechtbank overweegt vervolgens dat zij de waarde van de woning op 26 oktober 2005 zal begroten aan de hand van de thans aanwezige waarderingen. Zij overweegt daarna dat de zoon en zijn echtgenote op 26 februari 2007 een hypotheek op de woning hebben gevestigd tot een bedrag van € 1.850.000. De rechtbank vindt dat een sterke aanwijzing dat dit op 26 februari 2007 een reële waarde van de woning was. Op grond van al deze overwegingen stelt zij de waarde van de woning op 26 oktober 2005 vast op € 1.800.000.

3.26.

De zoon richt een grief tegen deze waardebepaling; de dochter ook. Volgens beiden deugt de wijze waarop de rechtbank de waarde heeft bepaald niet, omdat uit het (maximum)bedrag waarvoor de hypotheek wordt verleend niet kan worden afgeleid wat de waarde is van het registergoed waarop dat recht van hypotheek wordt gevestigd. Dat is een valide argument. De rechtbank heeft verder kennelijk de waarde van € 1.800.000 gerelateerd aan het gemiddelde van de vier door de rechtbank genoemde taxaties van € 1.722.500. Dat bedrag ligt zeer dicht aan tegen de waarde van € 1.800.000 van de rechtbank. Het hof oordeelt dat in dit geval het bepalen van dat gemiddelde van deze vier taxaties geen deugdelijke manier is om de waarde te bepalen. De ten opzichte van de andere taxaties zeer hoge taxaties van [naam10] (Baljon-Mora) en van [naam6] zijn geveltaxaties en zijn gelet daarop hier niet geschikt om mee te doen voor de waardebepaling. Het hof zal de beslissing van de rechtbank dat de waarde van de woning op 26 oktober 2005 € 1.800.000 bedraagt, daarom vernietigen en die waarde opnieuw vaststellen.

3.27.

De vraag is van welke waarden de zoon en de dochter willen uitgaan. De zoon noemt geen concreet bedrag. Hij vindt wel dat de waarde in elk geval lager is dan de taxatie van [naam] van € 1.220.000, alleen al omdat [naam] geen rekening heeft gehouden met de noodzaak van funderingsherstel. De dochter baseert zich op de taxatie van [naam10] (Baljon-Mora) van € 1.940.000 en een nadere waardebepaling van [naam6] van € 1.990.000 en stelt de waarde van de woning op 26 oktober 2005 op € 1.965.000, het gemiddelde van beide bedragen.

3.28.

Het hof zoekt voor een antwoord op de vraag wat de waarde van de woning op 26 oktober 2005 was net als voor de waarde op 17 juli 1995 steun bij het rapport van deskundige [naam] , die de waarde op 17 juli 1995 heeft bepaald op € 700.000 en vervolgens de waarde op 26 oktober 2005 heeft geschat door uit te gaan van de waarde in 1995 met een gemiddelde prijsstijging van jaarlijks 5,7% (bron: gemiddelde prijsstijging 1993-2012, www.woningmarktcijfers.nl). Hij komt dan op een waarde vrij van huur en gebruik van € 1.220.000 op 26 oktober 2005. Deze berekening klopt.

3.29.

De bezwaren van de zoon tegen de taxatie door [naam] van de waarde op 26 oktober 2005 zijn dezelfde als die tegen de waardebepaling op 17 juli 1995. Het hof heeft die bezwaren hiervoor besproken en heeft beslist dat daaraan voorbij wordt gegaan. Dat geldt evenzo en om dezelfde redenen voor de bezwaren van de zoon tegen de taxatie van de waarde op 26 oktober 2005.

3.30.

De bezwaren van de dochter tegen de taxatie zijn dat [naam] slecht vergelijkbare referentieobjecten heeft gebruikt, ten onrechte uitgaat van een gemiddelde prijsstijging van 5,7% en geen gebruik maakt van de prijsindex bestaande woningen en dat het bij de waardebepaling vooral gaat om de unieke ligging van de woning aan de Bergse Plas en de bebouwingsmogelijkheden, aspecten die [naam] niet kenbaar meeweegt.

3.31.

In dit geval staan de bevindingen van deskundigen die de dochter heeft ingeschakeld, [naam10] en [naam6] , op gespannen voet staat met de conclusie van [naam] . Het hof volgt ook in dit geval de conclusie waartoe [naam] is gekomen en stelt vast dat de waarde in het economisch verkeer van de woning aan de [adres] in [plaats] op 26 oktober 2005 € 1.220.000 bedroeg. De methode die [naam] heeft gekozen om te komen tot een bepaling van de waarde op 26 oktober 2005 is begrijpelijk en voldoende toegelicht. [naam] gebruikt voor de eerste waardebepaling in 1995 referentieobjecten en geeft, zoals hiervoor al is overwogen, voldoende inzicht om te beoordelen hoe de referentieobjecten zich verhouden tot de woning; vervolgens gebruikt hij zijn waardebepaling voor 1995 om via de gemiddelde prijsstijging te komen tot een bepaling van de waarde in 2005. De andere deskundigen kiezen voor andere uitgangspunten en andere methodes en komen tot andere uitkomsten dan [naam] , sommigen komen op een lagere waarde uit, anderen op een aanmerkelijk hogere. Dat alles doet niet af aan het onderzoek en de conclusie van [naam] . [naam] heeft toegelicht hoe hij tot zijn conclusie is gekomen en welke methode hij daarbij heeft toegepast. Zijn toelichting is begrijpelijk en de methode die hij heeft toegepast is een gebruikelijke. [naam] heeft na nader onderzoek (telefonische navraag bij [naam3] ) gemotiveerd gereageerd op de opmerkingen van partijen en uitgelegd waarom hij hun uiteenlopende bevindingen niet volgt. Ook die reactie en uitleg zijn begrijpelijk en overtuigend.

3.32.

Het hof zal voor het vaststellen van de legitimaire massa een gift van de woning in aanmerking nemen voor € 1.220.000.

Het bedrag van € 895,87 (vermeerdering eis van de zoon in hoger beroep)

3.33.

De zoon heeft gevorderd dat het hof voor recht verklaart dat nadien opgekomen afwikkelingskosten € 16.219,05 bedragen. Hij bestempelt die kosten als schulden van de nalatenschap en wil die opnemen in de boedelbeschrijving, waaruit het hof afleidt dat hij die schulden wil laten meetellen bij het bepalen van de legitimaire massa (op grond van artikel 4:65 in verbinding met artikel 4:7 lid 1 aanhef en onder c BW) . Hij heeft die kosten in zijn memorie van grieven in randnummer 161 gespecificeerd als volgt:

Kostenplaatsen ontstaan (cq. binnengekomen) na het over1ijden van moeder

(e.e.a. incl. de verkoopkosten van de speciaal voor moeder aangekochte woning [adres2] )

07-05-2009 Nalatenschapskosten Notaris [naam11] € 547,40

05-06-2009 Zorgtoeslag belastingdienst € 56,00

31-03-2009 Laatste medicijn apothekerkosten € 3,95

12-09-2009 Hoogheemraadschap vervolgbetaling € 93,80

19-05-2009 FBTO € 4,72

22-02-2010 Aanmaning afvalstoffenheffing € 140,55

12-05-2009 Walz Huis en comfort winkel € 49,45

23-11-2010 Eindafrekening [adres2]

Notaris [naam12] € 10.051,67

04-11-2019 Makelaarscourtage verkoop [adres2]

(de speciaal voor moeder aangekochte

woning heeft lang te koop gestaan) € 5.771,50

Totaal: € 16.719,04

3.34.

De laatste twee posten zijn in de zaak na verwijzing niet meer aan de orde. De andere posten nog wel (samen € 895,87). De dochter gaat er in haar memorie na verwijzing nader op in. Zij betwist dat deze kosten bestaan, omdat onderbouwende stukken daarvoor ontbreken. Zij betwist ook dat deze kosten schulden zijn die meetellen bij de legitimaire massa. Het hof constateert dat de zoon daarop niet meer heeft gereageerd. Het hof kan gelet op de betwisting door de dochter en het ontbreken van een voldoende duidelijke toelichting en onderbouwing en van een bewijsaanbod op dit punt van de zoon, niet vaststellen dat deze kosten meedoen bij de legitimaire massa. Het hof zal de vordering van de zoon op dit punt afwijzen.

berekening legitimaire massa en legitieme portie

3.35.

In het principaal hoger beroep van de zoon falen de grieven III-VI, IX-XIII en VXV-XVII. De grieven II, VII en VIII slagen deels (waardering woning op 26 oktober 2005 en de omvang van de legitimaire masse en de legitieme portie van de dochter). In het incidenteel hoger beroep van de dochter faalt grief 1 (waarde van de woning op 26 oktober 2005) en slagen grief 2 (over de betalingsregeling) en grief 3 (over de proceskosten).

3.36.

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 19 april 2017, rov. 3.11.1. de legitimaire massa berekend als volgt:

Goederen:

Saldo groeigemak spaarrekening 43.97.02.208 € 10.604,98

Vordering lopende rente € 21,60

Saldo groeigemak spaarrekening 44.39.32.530 € 212,56

Vordering lopende rente € 0,79

Saldo privérekening 47.90.29.261 € 2.218,44

Contant aanwezig in portemonnee € 19,50

Inboedelgoederen € 5.000,00

Vordering op de zoon € 20.000,00

Wettelijke rente over lening € 20.000,- € 7.124,93

Totaal € 45.202,80

Schulden

ING betaalrekening € 21,60

De gift van de woning telt mee voor € 1.800.000.

De legitimaire massa bedraagt € 45.202,80 minus € 21,60 plus € 1.800.000 = € 1.845.181,20. De legitieme portie van de dochter is 1/4e hiervan of € 461.295,30.

3.37.

Omdat de grief van de zoon over de waarde van de gift slaagt zal het hof die berekening aanpassen en daarin niet een gift van € 1.800.00, maar van € 1.220.000 verwerken.

De legitimaire massa bedraagt € 45.202,80 minus € 21,60 plus € 1.220.000 = € 1.265.181,20. De legitieme portie van de dochter is 1/4e hiervan of € 316.295,30.

beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid

3.38.

De zoon stelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de dochter zich beroept op het aanwezig zijn van een gift, het hanteren van de waarde die aan die gift is toegekend en het betalen van een bedrag aan legitieme portie. De zoon licht dat toe. De zoon heeft erflaatster alleen maar willen helpen en heeft haar ook echt geholpen. Hij heeft daarvoor kosten noch moeite gespaard. Hij heeft in de periode 1995-2005 vele verbeteringen aan de woning aangebracht en alle investeringen en kosten en lasten verbonden aan de woning betaald. Het aannemen van een gift zou tot het ongerijmde resultaat leiden dat de dochter meeprofiteert van de waardestijging van de door de zoon gekochte woning. De dochter wijst erop dat van onaanvaardbaarheid in het geheel geen sprake kan zijn.

3.39.

Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken (artikel 3:12 BW) . Het persoonlijke belang dat de dochter heeft bij het ontvangen van haar legitieme portie is evident; het persoonlijke belang dat de zoon heeft bij het niet hoeven betalen van die legitieme portie is ook evident. Van algemeen erkende rechtsbeginselen of in Nederland levende rechtsovertuigingen die hier een rol kunnen spelen is niet gebleken; partijen reppen daar niet over.

3.40.

De regeling van de legitieme portie zorgt ervoor dat een kind dat is onterfd alsnog een gedeelte van het vermogen van een overleden ouder krijgt in de vorm van een vordering in geld. Bij het vaststellen van dat vermogen tellen de in de wet genoemde giften mee die de ouder tijdens leven heeft gedaan. De omstandigheden die de zoon stelt (en de dochter overigens betwist) zijn – als ze zouden komen vast te staan – onvoldoende om in dit geval de regeling voor de legitieme portie buiten toepassing te laten door voorbij te zien aan de gift die is gedaan. De zoon heeft het door een samenstel van (rechts)handelingen het er zelf toe geleid dat sprake is van een gift van de woning met als peildatum voor de waarde 26 oktober 2005. Een van die handelingen is het verrekenen van de schuld van hem aan erflaatster met niet aannemelijk gemaakte vorderingen, door het hof Den Haag aangemerkt als een schijnhandeling. Dat alles had hij niet hoeven doen. Als hij dat achterwege had gelaten en de koopsom echt had betaald, zou hooguit sprake zijn geweest van een gift gelegen in een te lage kooprijs. Die gift zou een aanmerkelijk lagere waarde hebben gehad dan de gift van de woning die gewaardeerd is naar haar waarde in 2005. De zoon had het zelf in de hand zijn persoonlijke belang zo te dienen dat de dochter niet zou meeprofiteren van de verbeteringen die hij zegt aan de woning te hebben aangebracht en de waardestijging in de periode 1995-2005. Het beroep van de zoon op de onaanvaardbaarheidsexceptie van artikel 6:2 lid 2 BW faalt.

slotbepalingen

3.41.

Het hof zal de vonnissen van de rechtbank deels vernietigen, de zoon veroordelen tot betaling van het hiervoor genoemde bedrag van € 316.295,30 (met rente) en tot betaling van het hierna te noemen bedrag aan proceskosten voor de procedure bij de rechtbank. Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen van het hoger beroep (compensatie van proceskosten) omdat partijen in het hoger beroep per saldo ieder deels gelijk en deels ongelijk hebben gekregen.

3.42.

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4De beslissing

Het hof:

in het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

vernietigt de tussenvonnissen die de rechtbank Den Haag op 18 mei 2011, 27 juli 2011, 9 januari 2013, 6 augustus 2014, 19 april 2017 tussen de zoon en de dochter heeft gewezen en vernietigt de beslissingen in het tussen hen gewezen eindvonnis van 13 december 2017 onder 3.1., 3.2., 3.6. en 3.7.;

4.2.

doet in zoverre opnieuw recht:

4.3.

veroordeelt de zoon om aan de dochter € 316.295,30 te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit arrest, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2010 tot de dag van algehele voldoening;

4.4.

veroordeelt de zoon om de proceskosten in eerste aanleg aan de dochter te voldoen van totaal € 10.488 (€ 1.548 griffierecht en € 8.940 salaris advocaat);

4.5.

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige;

4.7.

compenseert de proceskosten in hoger beroep;

4.8.

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, A.A.J. Smelt en R.E. Brinkman en is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.

1

HR 12 juli 2002, BNB 2002/317, rov. 3.5. en HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1715, rov. 3.2.2

2

HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:316, rov. 3.1.2.

3

Zie ECLI:NL:PHR:2025:211, Parket bij de Hoge Raad, 24/01020, in 3.9.


meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Meer fiscale opties pensioenverrekening samenwoners
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 06-05-2025
Jasper Horsthuis en Rob Welling gaan in gesprek over een recente uitbreiding van de fiscale mogelijkheden voor pensioenverrekening door samenwoners. Zij bepleiten een verdere verruiming van de regeling.
Podcastgesprek: Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente (II)
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 22-04-2025
De Belastingdienst heeft - opnieuw - een standpunt gepubliceerd over de fiscale afwikkeling van een lijfrentepolis bij echtscheiding. Rob Welling en Jasper Horsthuis bespreken de gevolgen hiervan.
Podcastgesprek: Breaking! Vóórhuwelijks vergoedingsrecht halveert niet!
Drs. Jasper Horsthuis en Rob Welling, 08-04-2025
Onze redacteur Jasper Horsthuis en scheidingsfiscalist Rob Welling gingen in gesprek over de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad op 21-03-2025. Super heldere uitleg over inhoud en gevolgen van de uitspraak!
Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN