Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-08-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5491

Essentie (gemaakt door AI)

Erfrecht. In hoger beroep na verwijzing wordt vastgesteld dat sprake is van een gift van de woning aan zoon, gelegen in een samenstel van (rechts)handelingen: verkoop in 1995 tegen te lage prijs, omzetting koopsom in renteloze, aflossingsvrije lening, schijnverrekeningen en afstand gebruik en bewoning in 2005. Waardepeildatum gift is 26-10-2005; waardering € 1.220.000. Legitimaire massa berekend met deze gift; legitieme portie dochter € 316.295,30. Beroep op beperkende werking faalt. art. 4:66 BW; art. 7:186 lid 2 BW; art. 3:12 BW; [[art. 6:2 lid 2 BW.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Maximumbedrag hypotheeklening geen maatstaf voor waardebepaling woning: "valide argument"
Zoon en dochter erflaatster - erfgenaam en legitimaris - twisten o.a. over waarde woning. Beiden grieven tegen methode Rb. Hof: aansluiten bij hypotheek en gemiddelde van taxaties nemen "geen deugdelijke manier". Eén taxateur gevolgd.

Datum publicatie01-09-2026
Zaaknummer200.356.371
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsArnhem
Formele relatiesNa prejudiciële beslissing van : ECLI:NL:HR:2025:316
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht; Giften ex art. 4:67 BW; Berekening legitimaire massa
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Erfrecht. Vaststellen legitieme portie. Gift van een woning gelegen in een samenstel van (rechts)handelingen. Waardepeildatum gift. Beperkende werking redelijkheid en billijkheid? Artikel 4:65 BW; artikel 4:66 BW; artikel 7:186 lid 2 BW; artikel 3:12 BW; artikel 6:2 lid 2 BW.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.356.371

zaaknummer rechtbank Rotterdam 369726

zaaknummer Hoge Raad 23/04354

arrest van 25 augustus 2026

in het geding na verwijzing door de Hoge Raad

in de zaak van

[appellant] (de zoon)

die woont in [woonplaats]

advocaat: mr. H.J.W. Alt

en

[geïntimeerde] (de dochter)

die woont in [woonplaats]

advocaat: mr. A.C. Kool

1Het verloop van de procedure in hoger beroep na verwijzing

1.1

De Hoge Raad heeft op 21 februari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:316) arrest gewezen in deze zaak. Het hof verwijst voor het verloop van het geding tot 21 februari 2025 naar dat arrest. De Hoge Raad heeft het arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 augustus 2023 vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing. Het gerechtshof Amsterdam heeft de zaak verwezen naar dit hof (arrest van 27 mei 2025).

Het verdere verloop van de procedure, in hoger beroep na verwijzing blijkt uit:

  • de memorie na verwijzing van de dochter

  • de antwoordmemorie na verwijzing van de zoon

  • een brief van de dochter met een USB-stick

  • een bijlage van de zoon (overgelegd 20 maart 2026)

  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 30 maart 2026 is gehouden en de schriftelijke reacties van de zoon en de dochter op het verslag.

2De kern van de zaak

2.1.

De zoon (1956) en de dochter (1958) zijn de kinderen van erflaatster ( [geboortedatum] 1924).

2.2.

Erflaatster heeft haar woning aan de [adres] in [plaats] verkocht en op 17 juli 1995 geleverd aan de zoon voor een koopsom van fl. 479.500 en onder voorbehoud van het recht van gebruik en bewoning van de woning, dat eindigt bij overlijden van erflaatster of bij het doen van afstand daarvan. Erflaatster en de zoon zijn voor het bedrag van de koopsom een overeenkomst van geldlening aangegaan. Zij hebben afgesproken dat de zoon over het geleende bedrag geen rente is verschuldigd en niet verplicht is aflossingen te doen. De hoofdsom of het onafgeloste restant daarvan is te allen tijde opeisbaar.

2.3.

Erflaatster heeft in haar testament van 26 november 2001 de zoon benoemd tot enige erfgenaam.

2.4.

Erflaatster is in 2003 verhuisd en gaan wonen in een appartement van de zoon in [plaats] dat is gelegen naast de woning.

2.5.

Op 26 oktober 2005 heeft erflaatster afstand gedaan van het recht van gebruik en bewoning van de woning. In de notariële akte van afstand staat:

“ (Erflaatster) heeft al enige tijd geleden het feitelijk gebruik en bewoning gestaakt en wenst uit hoofde van de aan het na te melden recht van gebruik en bewoning verbonden lasten en verplichtingen op haar kosten afstand te doen van na te melden recht van gebruik en bewoning.

(…)

Overdrachtsbelasting/Schenkingsrecht

Partijen stellen de waarde van het afgestane recht van gebruik en bewoning, gezien het feit dat de beperkt gerechtigde in de onmogelijkheid verkeerde daarvan nog gebruik te maken, op nihil, zodat geen overdrachtsbelasting verschuldigd is en evenmin schenkingsrecht.”

Op 16 januari 2008 hebben erflaatster en de dochter een gesprek gevoerd met een notaris. Dat gesprek is opgenomen. Op 20 mei 2008 heeft erflaatster aangifte gedaan van wederrechtelijke toe-eigening door de dochter van geld van de erflaatster.

2.6.

Erflaatster is in 2009 overleden met achterlating van de zoon als haar enige erfgenaam.

2.7.

De dochter heeft aanspraak gemaakt op haar legitieme portie.

de procedure bij de rechtbank Rotterdam

2.8.

In dit geding vordert de dochter veroordeling van de zoon tot betaling van haar legitieme portie ten bedrage van € 496.295,30. Zij stelt dat het samenstel van (rechts)handelingen, die bestaan in de verkoop van de woning tegen een te lage prijs en de lening voor de koopsom zonder verplichting tot betaling van rente en aflossing, een gift is (artikel 4:67 BW) , te waarderen naar het tijdstip dat erflaatster afstand deed van haar rechten van gebruik en bewoning (26 oktober 2005).

2.9.

De rechtbank heeft geoordeeld dat (tussenvonnis 19 april 2017):

  • de woning een gift van erflaatster aan de zoon is;

  • die gift gewaardeerd op € 1.800.000 (tijdstip 26 oktober 2005);

en vervolgens vastgesteld dat de legitimaire massa € 1.845.181,20 bedraagt en de legitieme portie van de dochter € 461.295,30.

De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 13 december 2017 de zoon veroordeeld aan de dochter € 461.295,30 te betalen, vermeerderd met rente en kosten.

de procedure bij het hof Den Haag

2.10.

De zoon heeft principaal hoger beroep ingesteld en 14 grieven aangevoerd (I-IX en XIII-XVII). De dochter heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en 3 grieven aangevoerd (1-3).

2.11.

In hoger beroep heeft hof Den Haag anders beslist (arrest van 8 augustus 2023). Het heeft geoordeeld dat:

  1. de verkoop van de woning in 1995 geen gift is;

  2. de omstandigheid dat de koopprijs is omgezet in een renteloze lening zonder aflossingsverplichting onvoldoende is om van een schijnconstructie en – daarmee – van een gift van de woning uit te gaan; en

  3. de afstand van het recht van gebruik en bewoning in 2005 ook geen gift is.

Grief II van de zoon die was gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de woning een gift was trof daarmee doel; de grieven VII en VIII over de waardering van de gift behoefden daarom geen behandeling meer. Ook grief XIV van de zoon over de omvang van de legitimaire massa en de legitieme portie slaagden daardoor. Daarnaast trof grief I van de zoon, die het oordeel van de rechtbank dat de zoon en de dochter beiden erfgenaam waren bestreed, doel. De zoon is immers enig erfgenaam. Het hof heeft de legitimaire massa vervolgens berekend zoals de rechtbank had gedaan, maar met uitsluiting van de waarde van de woning van € 1.800.000 en met inbegrip van de vordering van erflaatster op de zoon uit geldlening van fl. 479.500/€ 217.587,61. Het hof heeft geoordeeld dat de woning niet – als gift – tot de legitimaire massa behoort. Het hof heeft het saldo van de nalatenschap gesteld op € 262.757,60 en de legitieme portie voor de dochter op € 65.689,40 en de zoon veroordeeld dat bedrag aan haar te betalen.

2.12.

Het hof heeft geoordeeld dat de overige grieven van de zoon (de grieven III-VI; IX, XIII en XV-XVII) faalden. Het hof heeft geoordeeld dat de zoon niet heeft aangetoond dat hij de schuld aan erflaatster van fl. 479.500 kon verrekenen met betalingen die hij voor erflaatster zou hebben gedaan en overwogen dat:

  1. de zoon was gehouden een deugdelijke administratie bij te houden van het aflossen of verrekenen van zijn schuld aan erflaatster en dat hij dat niet heeft gedaan;

  2. de zoon er een eigen belang bij heeft dat zijn schuld aan erflaatster uit haar administratie verdween;

  3. het hof de afboeking van fl. 289.575,-- op de schuld daags na het ondertekenen van de notariële akte (op 17 juli 1995) ongeloofwaardig acht en mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de dochter als een schijnhandeling kwalificeert;

  4. de overgelegde overzichten oncontroleerbaar en ongespecificeerd zijn;

  5. de zoon uitgaven opvoert die niet ten behoeve van erflaatster zijn gedaan, respectievelijk door zijn BV zijn betaald; en

  6. het feit dat erflaatster bedragen voor akkoord heeft getekend, aan een en ander niet afdoet. (rov. 28-33).

Het hof heeft verder nog het volgende geoordeeld:

  1. het appartement in [plaats] behoort tot het vermogen van de zoon en de financiële gevolgen daarvan zijn voor zijn rekening en risico;

  2. de zoon heeft niet aangetoond dat de dochter een bedrag van € 85.876 aan de nalatenschap moet terugbetalen omdat zij zich dat wederrechtelijk zou hebben toegeëigend (rov. 34-37);

  3. de zoon heeft niet aangetoond dat hij een vordering op de nalatenschap heeft ter zake van de aan- en verkoop van een stuk grond in Canada (38-47);

  4. e zoon heeft niet aangetoond dat hij een lening van € 20.000 aan erflaatster heeft terugbetaald (rov. 48-50);

  5. de zoon heeft niet aangetoond dat de inboedel van erflaatster een lagere waarde heeft dan € 5.000 (51-54).

2.13.

Het hof heeft grief 1 van de dochter (de waarde van de woning in 2005 is € 1.965.000) niet behandeld, omdat grief II van de zoon slaagde en waardering van een gift van de woning niet nodig was. Grief 2 van de dochter was gericht tegen de betalingsregeling die de rechtbank heeft getroffen voor de zoon en die grief slaagde waarbij het hof heeft geoordeeld dat een betalingsregeling niet nodig is. Grief 3 van de dochter slaagde ook: het hof heeft in plaats van de compensatie van de proceskosten in de procedure bij de rechtbank de zoon veroordeeld de proceskosten van de dochter te vergoeden.

2.14.

Het hof heeft voor de berekening van de legitieme portie van de dochter de legitimaire massa op de sterfdatum van erflaatster (2 mei 2009) vastgesteld als volgt (artikel 4:65 BW) :

Goederen:

Saldo groeigemak spaarrekening 43.97.02.208 € 10.604,98

Vordering lopende rente € 10,39

Saldo groeigemak spaarrekening 44.39.32.530 € 212,56

Vordering lopende rente € 0,79

Saldo privérekening € 2.218,44

Contant aanwezig in portemonnee € 19,50

Inboedelgoederen € 5.000,00

Vordering op de zoon € 20.000,00

Wettelijke rente over lening € 20.000,- € 7.124,93

Vordering op de zoon fl. 479.500 (€ 217.587,61) € 217.587,61

Totaal € 262.779,20

Schulden

ING betaalrekening € 21,60

De legitimaire massa bedraagt € 262.779,20 minus € 21,60 = € 262.757,60. De legitieme portie van de dochter is 1/4e hiervan of € 65.689,40.

de procedure bij de Hoge Raad

2.15.

De dochter heeft in haar principale cassatieberoep klachten gericht tegen de oordelen van het hof dat (1) de verkoop van de woning in 1995 geen gift is en (2) de afstand van het recht van gebruik en bewoning in 2005 ook geen gift is. De zoon heeft in zijn voorwaardelijke incidentele cassatieberoep klachten gericht tegen de oordelen van het hof genoemd in 2.12. en in 2.13 onder c en d. Hij klaagt verder dat het hof op twee vorderingen niet heeft beslist.

2.16.

In cassatie heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

3Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1

Onderdeel 2 van het middel klaagt onder meer dat het hof bij de beoordeling of ter zake van de woning sprake is van een gift, had moeten betrekken de stellingen van [de dochter] over de poging van [de zoon] en erflaatster om door middel van het opvoeren van niet-bestaande schulden van erflaatster aan [de zoon] en een niet-toegestane en ongeloofwaardige verrekening daarvan, betaling van de koopsom te suggereren, en zijn oordeel daarover.

3.1.2

Deze klacht is gegrond. Een gift kan besloten liggen in een samenstel van (rechts)handelingen. [de dochter] heeft in hoger beroep aangevoerd dat de gift is gelegen in het samenstel van (rechts)handelingen van de verkoop van de woning tegen een te lage prijs, de omzetting van de koopprijs in een lening zonder rente en zonder aflossing en vervolgens de zogenaamde verrekening tegen niet-bestaande schulden (zie rov. 18 en 27 van het bestreden arrest). Bij deze ‘verrekening’ ging het volgens [de dochter] om een schijnconstructie waaraan erflaatster meewerkte door het voor akkoord ondertekenen van door [de zoon] opgestelde briefjes. Het hof heeft bij zijn beoordeling of de verkoop van de woning een gift oplevert, wel de koopprijs van de woning en de rente- en aflossingsvrije lening in onderlinge samenhang in aanmerking genomen, maar daarbij niet betrokken het betoog van [de dochter] over het beroep op verrekening van [de zoon]. Daarmee heeft het hof miskend dat bedoeld betoog, alsook zijn oordeel daarover in het kader van de beoordeling of op de lening ter zake van de koopsom is afgelost – welk oordeel onder meer inhoudt dat sprake is geweest van een schijnhandeling en ten onrechte voor rekening van erflaatster opgevoerde posten (zie hiervoor in 2.4.3) – van belang kan zijn voor de vraag of bij de verkoop van de woning in 1995 sprake is geweest van een gift.

3.2

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1.2 is overwogen, zal na verwijzing opnieuw moeten worden beoordeeld of bij het hiervoor in 3.1.2 bedoelde samenstel van (rechts)handelingen sprake is geweest van een gift. Onderdeel 1, dat is gericht tegen het oordeel van het hof dat in 1995 een reële koopprijs is overeengekomen, behoeft daarom geen behandeling.

3.3

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden.

4Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep

4.1

Hiervoor in 3.1.2 is geoordeeld dat het middel in het principale beroep doel treft. Daarmee is de voorwaarde vervuld waaronder het incidentele beroep is ingesteld. Het daarin voorgestelde middel moet daarom worden onderzocht.

4.2

Onderdeel IV van het middel klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op onder meer de vordering van [de zoon] betreffende een bedrag van € 16.219,05 aan afwikkelingskosten.

Het onderdeel slaagt voor zover het gaat om posten die tezamen € 895,87 belopen (zie de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 4.37.3).

4.3

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden.

2.17.

Het hof zal beslissen dat:

  • de woning is verkocht voor een koopsom die lager was dan de waarde;

  • sprake is van een gift van de woning gelegen in een samenstel van (rechts)handelingen;

  • die gift tegen de waarde op 26 oktober 2005 (€ 1.220.000) meetelt bij het berekenen van de legitimaire massa;

  • de legitieme portie van de dochter € 316.295,30 bedraagt;

  • de zoon dat bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2010 aan de dochter moet betalen.

Die beslissing wordt hierna toegelicht. Het hof laat het vonnis van de rechtbank deels in stand en beslist voor een deel anders.

3De toelichting op de beslissing van het hof

de stelling van de dochter

3.1.

De dochter stelt dat sprake is van een gift van de woning van erflaatster aan de zoon die is gelegen in het samenstel van de volgende (rechts)handelingen:

  1. de verkoop van de woning tegen een te lage prijs;

  2. de omzetting van de koopprijs in een lening zonder rente

  3. en zonder aflossing en

  4. vervolgens de zogenaamde verrekening tegen niet-bestaande schulden (zie arrest hof Den Haag rov. 18 en 27).

Wat is een gift?

3.2.

Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt, mits die ander de prestatie heeft ontvangen of daarop aanspraak kan maken (artikel 7:186 lid 2 BW) . Voor een gift is nodig (1) een verrijking van de begiftigde (2) een verarming van de schenker (‘ten koste van eigen vermogen’) en (3) een bevoordelingsbedoeling (handeling of overeenkomst ‘die ertoe strekt’). Het gaat erom dat de schenker zich niet alleen bewust is van de bevoordeling, maar ook de wil tot bevoordelen heeft. Of een bevoordelingsbedoeling aanwezig was, dient aan de hand van de omstandigheden van het geval te worden vastgesteld; de rechter kan verder aan de omstandigheden van het geval een vermoeden ontlenen dat een bevoordelingsbedoeling aanwezig was. 1 Een gift kan ook besloten liggen in een samenstel van (rechts)handelingen. 2 De legitimaris die (ter zake van) een gift wil inkorten, heeft de bewijslast voor het bestaan van die gift (artikel 150 Rv) .

Kan een gift besloten liggen in een samenstel van (rechts)handelingen?

3.3.

Een (rechts)handeling die op zichzelf bezien geen gift is kan door samenhang met andere (rechts)handelingen wel een gift zijn (het geheel is meer dan de som der delen) 3. Of in een samenstel van (rechts)handelingen een gift besloten ligt hangt af van de partijbedoeling. Die kan mede blijken uit de inhoud van die (rechts)handelingen, de onderlinge afstemming daarvan (die kan blijken uit de formulering van daarvan opgemaakte akten) en de samenhang tussen die (rechts)handelingen wat betreft het moment waarop zij tot stand zijn gekomen.

Wat moet het hof beoordelen?

3.4.

Het hof oordeelt dat vaststaat dat de verplichtingen van de zoon om aan erflaatster de koopsom van fl. 479.500 te betalen is omgezet in een schuld uit geldlening zonder rente en aflossingsverplichtingen. Ook staat vast dat de zoon deze schuld niet kon verrekenen met (naar is komen vast te staan: niet aannemelijke) vorderingen van hem op erflaatster. De zoon heeft dat oordeel van het hof Den Haag vergeefs bestreden (onderdeel II van zijn incidenteel cassatieberoep). Voordat het hof zal beoordelen of in het samenstel van de (rechts)handelingen die de dochter noemt een gift is gelegen, moet eerst nog worden beoordeeld of de verkoop van de woning is geschied tegen een prijs die lager was dan de waarde van de woning (hierna: ‘een te lage prijs’). Dat is immers een van de (rechts)handelingen die onderdeel zijn van dat samenstel.

Is de woning voor een te lage prijs verkocht?

3.5.

De dochter stelt dat de woning tegen een te lage prijs is verkocht; de zoon betwist dat. Met verkoop tegen een te lage prijs bedoelt de dochter kennelijk dat de koopsom die erflaatster en de zoon hebben afgesproken lager was dan de waarde van de woning ten tijde van de verkoop. De vraag is dan: wat was de waarde van de woning op 17 juli 1995.

3.6.

Volgens de zoon is de koopovereenkomst, zoals de leveringsakte van 17 juli 1995 vermeldt, in september 1994 mondeling gesloten. De zoon heeft echter ook verklaard dat de koopprijs pas later is bepaald, en naar het hof begrijpt (relatief) kort voor de leveringsdatum (17 juli 1995). Het hof zal daarom bij de beantwoording van de vraag of de woning verkocht is voor een te lage prijs uitgaan van de waarde van de woning op 17 juli 1995. De akte van levering van de woning van 17 juli 1995 vermeldt wel de koopsom van fl. 479.500, maar niet hoe die koopsom tot stand is gekomen en of die is gebaseerd op een taxatie van de waarde van de woning door een deskundige. Erflaatster heeft zich bij de verkoop het beperkte recht van gebruik en bewoning voorbehouden. De akte vermeldt ook niet of aan dat beperkte recht van gebruik en bewoning een waarde is toegekend en of die waarde is verdisconteerd in de koopsom voor de ‘bloot eigendom’. Er is ook niet bekend over welk bedrag overdrachtsbelasting is geheven.

3.7.

De zoon heeft op de mondelinge behandeling bij het hof van 30 maart 2026 het volgende verteld over de verkoop van de woning:

“De verkoop van de woning heeft in de jaren 90 plaatsgevonden. Ik heb Parkinson en weet alles niet meer precies. Mijn vrouw weet meer dan ik. Moeder kon op enig moment de kosten niet meer betalen. Ik had in de woning een kantoor en betaalde daar huur voor. Daarmee hielp ik moeder, ik heb deze kantoorruimte ook zelf opgeknapt. Moeder was invalide en in de steek gelaten door haar man. Zij moest van een kale AOW uitkering rondkomen. De woning is continue achteruitgegaan qua onderhoud want daar was geen geld voor. Zelfs de kachel kon in de winter niet eens betaald worden. Daarom heb ik me ermee bemoeid en heb onderhoud uitgevoerd. Moeder kon het pand dus eigenlijk niet betalen maar wilde er graag blijven wonen. Zij kwam met het idee dat ik de woning zou kopen. Moeder had nog een taxatierapport van Kolpa. Ik heb haar gezegd dat dit rapport te oud was. Er was bij moeder en bij mij geen enkele gedachte om moeder te benadelen. Onze gesprekken hierover hadden we in de loop van de jaren, het was een glijdende schaal. De kosten voor onderhoud werden steeds hoger. Ook was de aanslag van de WOZ hoog, moeder vond die te hoog en wilde een taxatierapport om de juiste waarde vast te stellen. Vandaar dat Kolpa dit rapport heeft opgesteld. Op dat moment was er geen sprake van verkoop van de woning.

Toen wij een koopsom wilden bepalen hebben wij ook gekeken naar woningen in de buurt. Daar stonden meerdere woningen te koop die vergelijkbaar waren. Dit was een referentiepunt voor ons. Er is toen een taxatierapport opgesteld door Baljon-Mora. De hoogte van de koopsom is in 1995 bepaald, niet in 1994. De waarde werd gesteld op ruim 800 duizend gulden. Daar is 60% van genomen omdat moeder in de woning wilde blijven wonen. Dat was op advies van de makelaar. Toen bleef er een bedrag van zo’n 479 duizend gulden over. Ik weet niet meer wie de opdracht van de taxatie aan Baljon-Mora heeft gegeven. Ik of moeder.

(…)

Dat er in de akte specifiek verwezen wordt naar september 1994 waarin de koop overeen zou zijn gekomen ging over het feit dat we toen de afspraak van overdracht van de woning hebben gemaakt. Daar was op dat moment nog geen koopprijs aangehangen. De waarde van de woning moest nog getaxeerd worden. Moeder wilde zekerheid, ze wilde niets gratis weggeven. De waarde van een pand bij verkoop is altijd hoger dan de WOZ waarde. Het taxatierapport van Baljon-Mora uit 1995 zou in deze procedure moeten zijn ingebracht. Ik kan me de verhouding 60% om 40% nog goed herinneren. De makelaar heeft dat gezegd met het oog op het feit dat moeder in de woning zou blijven wonen.

In 1995 lag de waarde dus zo rond de 8 ton.”

3.8.

Het taxatierapport van Baljon-Mora van destijds is, anders dan de zoon zegt, niet in het geding gebracht. Het hof kan niet controleren of klopt wat de zoon daarover zegt.

3.9.

De advocaat van de zoon heeft de waarde van de woning berekend op fl. 826.723,34. Hij gaat ervan uit dat de waarde van de bloot eigendom gelijk is aan de koopsom van fl. 479.500 en dat de waarde van die bloot eigendom 58% is van de waarde van de volle eigendom. De volle eigendom is dan (100 x fl. 479.500):58 = fl. 826.723,34. Om dat uit te rekenen heeft hij gebruik gemaakt van fiscale waarderingsregels uit de Successiewet 1956 (het huidige artikel 21 lid 11 Sw; in 1995 lid 8) en van de tabel in artikel 5 en het percentage van 6% in artikel 10 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 (periodieke uitkering afhankelijk van het leven van een persoon). Omdat erflaatster bij de verkoop 71 jaar oud was gold volgens de tabel een factor 7 en is de waarde van het vruchtgebruik 7 x 6% of 42% van de waarde van de volle eigendom en de waarde van de bloot eigendom 58% daarvan. Zoals gezegd bevat de akte van levering van de woning – anders dan in de notariële praktijk in 1995 gebruikelijk was en ook nu nog is – geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van deze veronderstelling. Deze berekening is wel in lijn met de verklaring van de zoon. Het taxatierapport van Baljon-Mora dat die verklaring zou moeten ondersteunen ontbreekt.

3.10.

De rechtbank [plaats] heeft in haar vonnis van 6 augustus 2014 geoordeeld dat

  • geen sprake is van een gift van de woning als de zoon de volledige koopsom aan de moeder heeft voldaan, mits erflaatster en de zoon een reële verkoopprijs zijn overeengekomen;

  • de zoon de koopsom niet heeft betaald door verrekening;

  • er aanleiding is een deskundige te benoemen ”Om te kunnen bepalen wat in de gegeven omstandigheden destijds een marktconforme, reële koopprijs was (…)”.

De deskundige van de rechtbank, [naam] , makelaar/taxateur in onroerende zaken in [plaats] ( [naam] ), heeft de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik op 17 juli 1995 geschat op € 700.000 (fl. 1.565.970) en op 26 oktober 2005 op € 1.220.000. Zijn rapport is van 15 januari 2015, het addendum daarbij van 8 november 2015.

De rechtbank heeft bij haar oordeel in haar vonnis van 19 april 2017 dat de woning een gift van erflaatster aan de zoon is en voor het vaststellen van de waarde van de woning op 26 oktober 2005 de taxaties van de deskundige niet gevolgd of gebruikt.

3.11.

Hof Den Haag heeft anders dan rechtbank [plaats] wel beoordeeld of de verkoop van de woning (op zich) een gift was en of de koopsom marktconform was. Dit hof heeft vastgesteld dat erflaatster en de zoon bij de bepaling van de koopprijs in 1995 zijn uitgegaan van:

  • de taxatie van [naam2] van Makelaarskantoor Kolpa BV (Kolpa) van 30 december 1993 die de onderhandse verkoopwaarde van de woning op 30 december 1993 heeft geschat op fl. 590.000; en

  • de mondelinge uitspraak van hof Den Haag van 29 juni 1995 waarin het hof de waarde van de woning op 1 januari 1990 voor de heffing van onroerend goed belastingen door de gemeente [plaats] voor het jaar 1992 heeft bepaald op fl. 600.000.

De zoon heeft zoals hiervoor is vermeld op de mondelinge behandeling bij hof Arnhem-Leeuwarden gezegd dat deze waardebepalingen juist geen rol hebben gespeeld bij de afspraak over de koopprijs en – anders dan hof Den Haag heeft geoordeeld – voor erflaatster en de zoon juist geen rol hebben gespeeld bij het bepalen van de koopprijs.

3.12.

Het hof zoekt voor een antwoord op de vraag wat de waarde van de woning op 17 juli 1995 was steun bij het rapport van deskundige [naam] . De deskundige is makelaar en taxateur in onroerende zaken in [plaats] , de plaats waarin de woning waarvan de waarde moet worden bepaald is gelegen. De opdracht van de rechtbank was tweeërlei: (1) het bepalen van de marktwaarde van de woning op 17 juli 1995 en (2) de waarde van het beperkt recht van gebruik en bewoning op 26 oktober 2005. In zijn rapport omschrijft de deskundige de indeling van de woning ten tijde van de opname op 23 september 2014. Hij constateert dat die indeling min of meer onveranderd is vergeleken met het taxatierapport van Kolpa van 30 december 1993. Hij noemt verder dat volgens het taxatierapport van Kolpa de staat van onderhoud van de woning slecht is en maakt de opmerking dat hij bij zijn waardering ervan is uitgegaan dat een aanzienlijke verbouwing moet plaatsvinden. Hij kwalificeert in zijn rapport de onderhoudstoestand voor het buitenschilderwerk, houtwerk, voegwerk en zinkwerk als slecht en het onderhoud aan de binnenzijde als matig tot slecht. Hij merkt op dat hij anders dan Kolpa ervan uitgaat dat de scheurvormingen niet duiden op funderingsproblemen. De deskundige noemt verder de bronnen die hij heeft geraadpleegd (Midas marktinformatie van de NVM; referentiepanden in de directe nabijheid van de woning, grenzend aan de Bergse Voorplas; het Kadaster; Dataland; Funda). De deskundige schrijft in zijn rapport dat hij bij de waardering rekening heeft gehouden met de uitvoering en de staat van onderhoud voor zover die is te reconstrueren naar juli 1995 en daarnaast de referentieobjecten heeft meegenomen in zijn afweging. De deskundige kent ten slotte aan de woning een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik op 17 juli 1995 toe van € 700.000 en een waarde van het recht van gebruik en bewoning op 26 oktober 2005 van € 292.800, die is afgeleid van een waarde van de woning op die datum van € 1.220.000. Na toezending van het taxatierapport van 15 januari 2015 aan partijen heeft de deskundige de reacties van partijen ontvangen en hun (zoals hij schrijft) zeer uiteenlopende standpunten. Hij reageert daarop in zijn addendum bij zijn taxatierapport en vat de discussiepunten samen op twee hoofdpunten: (1) de staat van de fundering van de woning en (2) de waarde op 17 juli en op 26 oktober 2005. Over discussiepunt 1 (de fundering) schrijft de deskundige:

Fundering

Met betrekking tot de fundering is op 3 juni 2015 een ‘constructieve mening’ uitgebracht door Ing. [naam3] ( [naam4] te [plaats2] ).

Er is geen specifiek funderingsonderzoek gedaan.

De getoonde scheurvormingen in de gevels zijn hoofdzakelijk naast de lateien en duiden derhalve niet op zetting veroorzaakt door aantasting van de kespen en/of palen. De scheur bij de erker is een krimpscheur welke volkomen verticaal loopt.

De heer [naam3] stelt dat deze scheurvorming 20 jaar geleden al aanwezig was.

Ondergetekende heeft de heer [naam3] telefonisch geconsulteerd en hij heeft bevestigd dat de

fundering slechts beoordeeld kan worden na een analyse van de kwaliteit van de paalkoppen en het langshout.

Gezien het feit dat het bouwjaar 1894 is en dat aangenomen wordt dat de scheurvorming de afgelopen 20 jaar niet is toegenomen (citaat rapport [naam4] ) persisteert

ondergetekende dat funderingsherstel niet noodzakelijk is en handhaaft derhalve het

ingenomen standpunt.”

De deskundige vermeldt over discussiepunt 2 (de waarde) dat hij heeft ontvangen van:

  • de zoon een taxatierapport van [naam5] RMT, werkzaam bij Ooms Makelaars, die de woning op 17 juli 1995 heeft geschat op € 340.000 en op 26 oktober 2005 op € 980.000 en die is uitgegaan van een gemiddelde waardestijging van 11% per jaar;

  • de dochter een taxatierapport van Ing. [naam6] , werkzaam aanvankelijk bij Ooms Makelaars en daarna bij Arealis BV, die de waarde van de woning op 17 juli 1995 heeft geschat op € 703.359 en op 26 oktober 2005 op € 2.750.000..

De deskundige reageert op die taxaties en komt tot de slotsom dat hij zijn taxatie handhaaft. Hij onderbouwt dat met een aantal referentieobjecten en voegt toe dat hij heeft gerekend met een gemiddelde prijsstijging van 5,7% per jaar (bron: gemiddelde prijsstijging 1993-2012, www.woningmarktcijfers.nl).

3.13.

De dochter volgt de conclusie van de deskundige ten aanzien van de waarde van € 700.000 op 17 juli 1995. De zoon bestrijdt de taxatie van de waarde van de woning op 17 juli 1995 door de deskundige. Hij baseert zich daarbij in het bijzonder op een rapport van [naam7] , makelaar en taxateur in Den Haag, van 24 augustus 2021. [naam7] maakt gebruik van de informatie uit andere taxatierapporten over de waarde van de woning, te weten:

  • de al genoemde taxatie van Kolpa van 30 december 1993 (waarde op 30 december 1993 fl. 590.000);

  • de taxatie van Ooms van 23 juni 2000 (waarde op 17 juli 1995 fl. 1.550.000);

  • de taxatie van Baljon Mora van 9 juni 2011 (waarde bloot eigendom eind 1994 fl. 410.000);

  • de taxatie van Ooms van 12 juni 2015 (waarde op 17 juli 1995 € 340.000);

  • de taxatie van rechtbankdeskundige [naam] van € 700.000.

[naam7] besteedt geen aandacht aan het hiervoor al genoemde taxatierapport van [naam6] dat de dochter aan de deskundige van de rechtbank heeft gestuurd (waarde op 17 juli 1995 € 703.359).

De kritiek van [naam7] op de taxatie van [naam] is kort gezegd dat [naam] :

- de referentieobjecten niet heeft geobjectiveerd ten opzichte van de woning en niet door

indexering inzichtelijk heeft gemaakt hoe deze objecten zich verhouden tot de woning; en

- voorbij is gegaan aan de bestaande funderingsproblematiek om redenen die niet met rapportage worden ondersteund. [naam7] concludeert aan de hand van een drietal rapporten dat sprake is van funderingsproblemen en schat de herstelkosten van de fundering in 2015/2016 op € 145.000. Die rapporten zijn: rapport [naam4] van 3 juni 2015, rapport van Het Funderingshuis.nl van 21 december 2015 en het rapport van Opstal Funderingsadviezen van 14 januari 2016. Volgens [naam7] blijkt uit deze rapporten (die hij ook inspecties noemt) dat sprake is van funderingsproblemen op de rapportdatum en dat er een grote mate van waarschijnlijkheid is dat die problemen er ook in 1995 en 2005 al waren.

[naam7] komt zelf tot de conclusie dat de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van de woning op 17 juli 1995 € 340.000 bedraagt en baseert dit op drie referentiepanden.

De zoon legt ten aanzien van de funderingsproblemen nog over:

  • een briefrapport van ir. [naam8 ] van 22 maart 2023. [naam8 ] komt tot de conclusie dat er ernstige schade aan de woning is door zakkingsverschillen en adviseert de constructieve veiligheid te laten beoordelen door een inspecteur van BWT en verwacht een aanschrijving dat er zeer korte termijn maatregelen moeten worden getroffen en alsnog funderingsherstel moet worden uitgevoerd.

  • Het Rapport funderingsrisico Hillegersberg van de Bewonersorganisatie Oud Hillegersberg van 14 juli 2017 dat vooral gaat over historische peilverlagingen in Hillegersberg;

  • foto’s van scheurvorming in de woning.

3.14.

In dit geval staan de bevindingen van andere, door de zoon ingeschakelde deskundigen op gespannen voet met de conclusie van deskundige [naam] . De specifieke bezwaren van de zoon tegen de zienswijze van [naam] zijn:

  • [naam] gebruikt wel de vergelijkingsmethode maar zijn referentieobjecten zijn niet geschikt.

  • er zijn ernstige funderingsproblemen die van invloed zijn op de waarde.

3.15.

Aan het bezwaar tegen de referentieobjecten die [naam] heeft gebruikt gaat het hof voorbij. [naam] geeft voldoende inzicht om te beoordelen hoe de referentieobjecten zich verhouden tot de woning. Zo noemt [naam] voor elk referentieobject de datum van de transactie, de transactieprijs, het woonoppervlakte en de ligging van het object. Niet valt in te zien waarom die panden die [naam] noemt niet als referentieobjecten bruikbaar zouden zijn.

3.16.

Ook aan het tweede bezwaar gaat het hof voorbij. Uit de rapporten die de zoon heeft overgelegd is af te leiden dat sprake is van funderingsproblemen. [naam] was bij het maken van zijn rapport op de hoogte van de visie van de zoon op de funderingsproblemen en wist dat in het rapport van Kolpa staat: “In de voor- en zijgevel en enkele binnen muren is scheurvorming welke duiden op problemen met de fundatie.” Hij kende ook het rapport van [naam4] van 3 juni 2015 over de constructieve staat van de woning op 17 juli 1995 en wist dat daarin staat: “Hoewel geen specifiek funderingsonderzoek is gedaan zijn wij van mening dat problematiek van de scheurvorming grotendeels het gevolg is van gebreken aan de fundering op houten palen (o.a. uit 1894). Te denken valt aan overbelasting of droogstand danwel bacteriële aantasting van de palen.” [naam4] hebben geadviseerd nader onderzoek te doen naar de staat van de houten palen en achtten aanvullende voorzieningen aan de funderingen en de muren in de toekomst nodig. [naam] heeft contact opgenomen met [naam3] die hem heeft bevestigd dat de fundering slechts beoordeeld kan worden na een analyse van de paalkoppen en het langshout. [naam] heeft vervolgens geconcludeerd dat het bouwjaar 1894 is, dat de scheurvorming volgens het rapport van [naam3] en Eijlers de afgelopen 20 jaar niet is toegenomen, dat funderingsherstel niet noodzakelijk is en dat hij persisteert bij zijn taxatie van de waarde van de woning op 17 juli 1995 van € 700.000. Dat is een begrijpelijke conclusie, die tot stand is gekomen na raadpleging van het rapport van [naam4] en telefonische navraag bij [naam3] . De andere door de zoon ingeschakelde deskundigen vinden funderingsherstel wel noodzakelijk, maar laten niet zien welk effect dat heeft op de waarde van de woning op 17 juli 1995. [naam7] geeft wel een schatting van de herstelkosten in 2015/2016 en schat die op € 145.000, maar legt niet uit hoe die schatting tot stand is gekomen en wat het effect van funderingsherstel is voor de waarde van de woning op 17 juli 1995. Volgens Ooms (taxatierapport van 12 juni 2015) bedragen de kosten van funderingsherstel € 100.000; Ooms heeft net als [naam] gebruik gemaakt van het rapport van [naam4] van 3 juni 2015. Ook Ooms legt niet uit hoe de schatting van de kosten van funderingsherstel van € 100.000 tot stand is gekomen en wat het effect van funderingsherstel is voor de waarde van de woning op 17 juli 1995. Het hof merkt ten slotte op dat in deze procedure niet is gebleken dat funderingsherstel inmiddels wel heeft plaatsgehad.

3.17.

Al met al volgt het hof de conclusie waartoe deskundige [naam] is gekomen en stelt vast dat de waarde in het economisch verkeer van de woning aan de [adres] in [plaats] op 17 juli 1995 € 700.000 bedroeg. De koopsom van de woning is – het recht van gebruik en bewoning in aanmerking genomen – aanmerkelijk lager (totaal fl. 826.723,34/€ 375.151,35). Het hof kan dan ook vaststellen dat de stelling van de dochter dat de woning is verkocht voor een te lage prijs, juist is. Het hof hoeft niet te beoordelen of in de verkoop tegen een te lage prijs een gift ligt besloten. Het gaat erom dat volgens de dochter de koopsom lager was dan de waarde van de woning en dat dit een van de elementen/onderdelen is van haar stelling dat sprake is van een samenstel van (rechts)handelingen die samen een gift vormen.

Vormt het samenstel van (rechts)handelingen een gift van de woning?

3.18.

De volgende vraag is of het samenstel van de volgende (rechts)handelingen:

  1. de verkoop van de woning tegen een te lage prijs;

  2. de omzetting van de koopprijs in een lening zonder rente

  3. en zonder aflossing en

  4. vervolgens de zogenaamde verrekening met (naar is komen vast te staan: niet aannemelijke) vorderingen van zoon op moeder (zie arrest hof Den Haag rov. 18 en 27);

een gift vormt. Bij die beoordeling spelen kunnen ook andere feiten en omstandigheden die in deze zaak naar voren zijn gekomen, zoals de afstand van het recht van gebruik en bewoning in 2005, een rol spelen.

3.19.

In dit hoger beroep na verwijzing staan de onderdelen 2-4 vast; onderdeel 1 is hiervoor vastgesteld. Dat betekent dat de woning is verkocht voor een te lage prijs, dat de schuld van de zoon om de koopprijs te betalen is omgezet in een renteloze schuld uit geldlening zonder aflossingsverplichtingen en dat vaststaat dat de zoon die schuld niet heeft voldaan door verrekening met vorderingen van de zoon op de moeder. Het hof Den Haag heeft de verrekening van een vordering van de zoon van fl. 289.575 op 18 juli 1995, daags na de levering van de woning en de schuldomzetting, aangemerkt als een schijnhandeling (hof Den Haag 8 augustus 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1494, rov. 32). Dat oordeel is in cassatie zonder succes bestreden.

3.20.

Het hof stelt vast dat de woning uit het vermogen van erflaatster is verschoven naar het vermogen van de zoon door:

  • de verkoop van de woning onder voorbehoud van het recht van gebruik en bewoning tegen een koopsom van fl. 479.500 (€ 217.587), wat aanmerkelijk lager is dan de waarde van de woning onder de last van dat recht van gebruik en bewoning van € 406.000 (58% x € 700.000);

  • de omzetting van de schuld de koopsom te betalen, in een renteloze en aflossingsvrije schuld uit geldlening van de zoon aan erflaatster;

  • de verrekening daags na de levering van de woning van meer dan de helft van die renteloze en aflossingsvrije schuld uit geldlening, met een niet aannemelijk gemaakte vordering van de zoon op de moeder van fl. 289.575;

  • de daarna volgende verrekening van de rest van de schuld uit geldlening, eveneens met niet aannemelijk gemaakte vorderingen van de zoon op erflaatster;

  • de afstand om niet op 26 oktober 2005 door erflaatster van het recht van gebruik en bewoning van de woning.

3.21.

De inhoud van deze (rechts)handelingen en de samenhang daartussen hebben als gevolg dat de woning van het vermogen van erflaatster naar het vermogen van de zoon is verschoven. Dat is geschied ten koste van het vermogen van erflaatster; zij is daardoor verarmd en de zoon is verrijkt. Het hof gaat ervan uit dat erflaatster en de zoon zich bewust zijn geweest van de bevoordeling en dat erflaatster de wil had de zoon te bevoordelen. Dat volgt onmiskenbaar uit het gesprek dat erflaatster in het bijzijn van de dochter op 16 januari 2008 heeft gehad met notaris [naam9] . Een opname van dat gesprek en een transscriptie daarvan zijn in het geding gebracht. Erflaatster zegt in dit gesprek een aantal keer onomwonden, telkens in andere bewoordingen, dat zij de woning aan de zoon cadeau heeft gedaan, dat hij er niets voor heeft betaald en dat zij wel een handtekening heeft gezet onder de stukken met de verrekeningen van de schuld uit geldlening, maar dat die stukken in elkaar geflanst en gelogen zijn. Dat is in lijn met de vaststelling in deze procedure dat de zoon de schuld aan zijn moeder zou hebben betaald met niet aannemelijk gemaakte vorderingen. De zoon heeft nog opgemerkt dat erflaatster iets later in 2008 anders heeft verklaard toen zij op 20 mei 2008 bij de politie aangifte deed van diefstal van geld door de dochter op 15 oktober 2004 en 16 mei 2008. De zoon heeft het proces-verbaal van die aangifte in het geding gebracht. Daarin leest het hof dat erflaatster verklaart dat zij de woning volkomen legaal heeft verkocht aan de zoon in 2002 voor een bedrag van € 375.000 (wat feitelijk onjuist is). Het hof leest in de aangifte niet dat erflaatster iets terugneemt van wat zij bij notaris [naam9] heeft verklaard over het cadeau doen van de woning en dat de zoon er niets voor heeft betaald. Het hof is van oordeel dat wat erflaatster volgens het proces-verbaal van aangifte in 2008 heeft verklaard niet kan ontzenuwen wat zij eerder dat jaar aan notaris [naam9] heeft gezegd. De zoon heeft in dit verband ook nog gewezen op een drietal brieven van erflaatster aan de dochter uit 1997, 1998 en 2000. Zij schrijft daarin, voor zover voor deze zaak van belang, dat zij de woning tegen de officiële taxatieprijs aan de zoon heeft verkocht omdat zij zelf de lasten van de woning niet meer kon betalen, dat zij levenslang gratis in de woning mocht blijven wonen en dat de zoon al haar persoonlijke en financiële verplichtingen van haar heeft overgenomen en in mindering kon brengen op zijn schuld aan haar. Ook deze brieven kunnen naar het oordeel van het hof niet ontzenuwen wat erflaatster in 2008 aan notaris [naam9] heeft gezegd. Wat zij schrijft sluit niet uit dat al met al sprake is van een gift van de woning. De zoon heeft ten slotte nog naar voren gebracht dat het enige doel van de overdracht van de woning was dat erflaatster, ondanks haar krappe financiële situatie, tot haar overlijden gratis in de woning kon blijven wonen. Daaraan gaat het hof voorbij. De bedoeling van de overdracht sluit niet uit dat sprake is van een gift.

3.22.

De slotsom is dat sprake is van een gift die is gelegen in een samenstel van (rechts)handelingen, ook als geen van die (rechts)handelingen op zich als gift aangemerkt zou kunnen worden.

de waardering van de gift voor de legitimaire massa

3.23.

Uitgangspunt van artikel 4:66 lid 1 BW is dat een gift voor de berekening van de legitieme portie wordt gewaardeerd naar het tijdstip van de prestatie behoudens de uitzonderingen daarop in leden 2 en 3 van dat artikel. Wat is nu het tijdstip van de prestatie bij dit samenstel van (rechts)handelingen waarin de gift is besloten?

3.24.

Het hof is van oordeel dat bij een gift die is gelegen in een samenstel van (rechts)handelingen het tijdstip van de prestatie is het tijdstip van de laatste (rechts)handeling die nodig was om de gift uiteindelijk tot stand te brengen. Dat is hier het moment dat erflaatster afstand heeft gedaan van het recht van gebruik en bewoning (26 oktober 2005). Op dat moment is de vermogensverschuiving definitief, kunnen de verarming en verrijking en de bevoordelingsbedoeling worden vastgesteld en heeft de zoon de prestatie ontvangen (artikel 7:186 lid 2 BW) . Het hof past in dit geval artikel 4:66 lid 1 BW toe. Voor de uitzonderingen daarop in de leden 2 en 3 van dat artikel is geen aanleiding. Dat zou wel zo zijn geweest als de woning op 17 juli 1995 zou zijn geschonken onder voorbehoud van het genot daarvan gedurende het (gehele) leven van erflaatster of wanneer de woning op 17 juli 1995 zou zijn vervreemd tegen verschaffing van een aan het leven van erflaatster gebonden recht. Geen van beide is hier het geval. Als lid 2 of lid 3 van artikel 4:66 BW in dit geval toch van toepassing zou zijn, leidt dat niet tot een ander resultaat. Ook dan dient naar het oordeel van het hof uitgegaan te worden van de genoemde datum van 26 oktober 2005.

3.25.

De rechtbank heeft in haar vonnis van 19 april 2017 de waarde van de woning op 26 oktober 2005 bepaald. De rechtbank noemt eerst de verschillende taxaties waarover zij op dat moment beschikt. Dat zijn de:

  • taxatie van [naam6] van Arealis BV van 6 december 2010 van € 2.750.000 (indicatie verkoopwaarde zonder inspectie van de woning);

  • taxatie van [naam5] van Ooms Makelaars BV van 12 juni 2015 van € 980.000 (marktwaarde);

  • taxatie van [naam] van € 1.220.000 (waarde vrij van huur en gebruik);

  • taxatie van [naam10] van Baljon-Mora Makelaars en Vastgoeddeskundigen van 8 april 2016 van € 1.940.000 (marktwaarde; geveltaxatie).

Het hof berekent het gemiddelde van deze vier taxaties op € 1.722.500; de rechtbank maakt die berekening overigens niet.

De rechtbank overweegt vervolgens dat zij de waarde van de woning op 26 oktober 2005 zal begroten aan de hand van de thans aanwezige waarderingen. Zij overweegt daarna dat de zoon en zijn echtgenote op 26 februari 2007 een hypotheek op de woning hebben gevestigd tot een bedrag van € 1.850.000. De rechtbank vindt dat een sterke aanwijzing dat dit op 26 februari 2007 een reële waarde van de woning was. Op grond van al deze overwegingen stelt zij de waarde van de woning op 26 oktober 2005 vast op € 1.800.000.

3.26.

De zoon richt een grief tegen deze waardebepaling; de dochter ook. Volgens beiden deugt de wijze waarop de rechtbank de waarde heeft bepaald niet, omdat uit het (maximum)bedrag waarvoor de hypotheek wordt verleend niet kan worden afgeleid wat de waarde is van het registergoed waarop dat recht van hypotheek wordt gevestigd. Dat is een valide argument. De rechtbank heeft verder kennelijk de waarde van € 1.800.000 gerelateerd aan het gemiddelde van de vier door de rechtbank genoemde taxaties van € 1.722.500. Dat bedrag ligt zeer dicht aan tegen de waarde van € 1.800.000 van de rechtbank. Het hof oordeelt dat in dit geval het bepalen van dat gemiddelde van deze vier taxaties geen deugdelijke manier is om de waarde te bepalen. De ten opzichte van de andere taxaties zeer hoge taxaties van [naam10] (Baljon-Mora) en van [naam6] zijn geveltaxaties en zijn gelet daarop hier niet geschikt om mee te doen voor de waardebepaling. Het hof zal de beslissing van de rechtbank dat de waarde van de woning op 26 oktober 2005 € 1.800.000 bedraagt, daarom vernietigen en die waarde opnieuw vaststellen.

3.27.

De vraag is van welke waarden de zoon en de dochter willen uitgaan. De zoon noemt geen concreet bedrag. Hij vindt wel dat de waarde in elk geval lager is dan de taxatie van [naam] van € 1.220.000, alleen al omdat [naam] geen rekening heeft gehouden met de noodzaak van funderingsherstel. De dochter baseert zich op de taxatie van [naam10] (Baljon-Mora) van € 1.940.000 en een nadere waardebepaling van [naam6] van € 1.990.000 en stelt de waarde van de woning op 26 oktober 2005 op € 1.965.000, het gemiddelde van beide bedragen.

3.28.

Het hof zoekt voor een antwoord op de vraag wat de waarde van de woning op 26 oktober 2005 was net als voor de waarde op 17 juli 1995 steun bij het rapport van deskundige [naam] , die de waarde op 17 juli 1995 heeft bepaald op € 700.000 en vervolgens de waarde op 26 oktober 2005 heeft geschat door uit te gaan van de waarde in 1995 met een gemiddelde prijsstijging van jaarlijks 5,7% (bron: gemiddelde prijsstijging 1993-2012, www.woningmarktcijfers.nl). Hij komt dan op een waarde vrij van huur en gebruik van € 1.220.000 op 26 oktober 2005. Deze berekening klopt.

3.29.

De bezwaren van de zoon tegen de taxatie door [naam] van de waarde op 26 oktober 2005 zijn dezelfde als die tegen de waardebepaling op 17 juli 1995. Het hof heeft die bezwaren hiervoor besproken en heeft beslist dat daaraan voorbij wordt gegaan. Dat geldt evenzo en om dezelfde redenen voor de bezwaren van de zoon tegen de taxatie van de waarde op 26 oktober 2005.

3.30.

De bezwaren van de dochter tegen de taxatie zijn dat [naam] slecht vergelijkbare referentieobjecten heeft gebruikt, ten onrechte uitgaat van een gemiddelde prijsstijging van 5,7% en geen gebruik maakt van de prijsindex bestaande woningen en dat het bij de waardebepaling vooral gaat om de unieke ligging van de woning aan de Bergse Plas en de bebouwingsmogelijkheden, aspecten die [naam] niet kenbaar meeweegt.

3.31.

In dit geval staan de bevindingen van deskundigen die de dochter heeft ingeschakeld, [naam10] en [naam6] , op gespannen voet staat met de conclusie van [naam] . Het hof volgt ook in dit geval de conclusie waartoe [naam] is gekomen en stelt vast dat de waarde in het economisch verkeer van de woning aan de [adres] in [plaats] op 26 oktober 2005 € 1.220.000 bedroeg. De methode die [naam] heeft gekozen om te komen tot een bepaling van de waarde op 26 oktober 2005 is begrijpelijk en voldoende toegelicht. [naam] gebruikt voor de eerste waardebepaling in 1995 referentieobjecten en geeft, zoals hiervoor al is overwogen, voldoende inzicht om te beoordelen hoe de referentieobjecten zich verhouden tot de woning; vervolgens gebruikt hij zijn waardebepaling voor 1995 om via de gemiddelde prijsstijging te komen tot een bepaling van de waarde in 2005. De andere deskundigen kiezen voor andere uitgangspunten en andere methodes en komen tot andere uitkomsten dan [naam] , sommigen komen op een lagere waarde uit, anderen op een aanmerkelijk hogere. Dat alles doet niet af aan het onderzoek en de conclusie van [naam] . [naam] heeft toegelicht hoe hij tot zijn conclusie is gekomen en welke methode hij daarbij heeft toegepast. Zijn toelichting is begrijpelijk en de methode die hij heeft toegepast is een gebruikelijke. [naam] heeft na nader onderzoek (telefonische navraag bij [naam3] ) gemotiveerd gereageerd op de opmerkingen van partijen en uitgelegd waarom hij hun uiteenlopende bevindingen niet volgt. Ook die reactie en uitleg zijn begrijpelijk en overtuigend.

3.32.

Het hof zal voor het vaststellen van de legitimaire massa een gift van de woning in aanmerking nemen voor € 1.220.000.

Het bedrag van € 895,87 (vermeerdering eis van de zoon in hoger beroep)

3.33.

De zoon heeft gevorderd dat het hof voor recht verklaart dat nadien opgekomen afwikkelingskosten € 16.219,05 bedragen. Hij bestempelt die kosten als schulden van de nalatenschap en wil die opnemen in de boedelbeschrijving, waaruit het hof afleidt dat hij die schulden wil laten meetellen bij het bepalen van de legitimaire massa (op grond van artikel 4:65 in verbinding met artikel 4:7 lid 1 aanhef en onder c BW) . Hij heeft die kosten in zijn memorie van grieven in randnummer 161 gespecificeerd als volgt:

Kostenplaatsen ontstaan (cq. binnengekomen) na het over1ijden van moeder

(e.e.a. incl. de verkoopkosten van de speciaal voor moeder aangekochte woning [adres2] )

07-05-2009 Nalatenschapskosten Notaris [naam11] € 547,40

05-06-2009 Zorgtoeslag belastingdienst € 56,00

31-03-2009 Laatste medicijn apothekerkosten € 3,95

12-09-2009 Hoogheemraadschap vervolgbetaling € 93,80

19-05-2009 FBTO € 4,72

22-02-2010 Aanmaning afvalstoffenheffing € 140,55

12-05-2009 Walz Huis en comfort winkel € 49,45

23-11-2010 Eindafrekening [adres2]

Notaris [naam12] € 10.051,67

04-11-2019 Makelaarscourtage verkoop [adres2]

(de speciaal voor moeder aangekochte

woning heeft lang te koop gestaan) € 5.771,50

Totaal: € 16.719,04

3.34.

De laatste twee posten zijn in de zaak na verwijzing niet meer aan de orde. De andere posten nog wel (samen € 895,87). De dochter gaat er in haar memorie na verwijzing nader op in. Zij betwist dat deze kosten bestaan, omdat onderbouwende stukken daarvoor ontbreken. Zij betwist ook dat deze kosten schulden zijn die meetellen bij de legitimaire massa. Het hof constateert dat de zoon daarop niet meer heeft gereageerd. Het hof kan gelet op de betwisting door de dochter en het ontbreken van een voldoende duidelijke toelichting en onderbouwing en van een bewijsaanbod op dit punt van de zoon, niet vaststellen dat deze kosten meedoen bij de legitimaire massa. Het hof zal de vordering van de zoon op dit punt afwijzen.

berekening legitimaire massa en legitieme portie

3.35.

In het principaal hoger beroep van de zoon falen de grieven III-VI, IX-XIII en VXV-XVII. De grieven II, VII en VIII slagen deels (waardering woning op 26 oktober 2005 en de omvang van de legitimaire masse en de legitieme portie van de dochter). In het incidenteel hoger beroep van de dochter faalt grief 1 (waarde van de woning op 26 oktober 2005) en slagen grief 2 (over de betalingsregeling) en grief 3 (over de proceskosten).

3.36.

De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 19 april 2017, rov. 3.11.1. de legitimaire massa berekend als volgt:

Goederen:

Saldo groeigemak spaarrekening 43.97.02.208 € 10.604,98

Vordering lopende rente € 21,60

Saldo groeigemak spaarrekening 44.39.32.530 € 212,56

Vordering lopende rente € 0,79

Saldo privérekening 47.90.29.261 € 2.218,44

Contant aanwezig in portemonnee € 19,50

Inboedelgoederen € 5.000,00

Vordering op de zoon € 20.000,00

Wettelijke rente over lening € 20.000,- € 7.124,93

Totaal € 45.202,80

Schulden

ING betaalrekening € 21,60

De gift van de woning telt mee voor € 1.800.000.

De legitimaire massa bedraagt € 45.202,80 minus € 21,60 plus € 1.800.000 = € 1.845.181,20. De legitieme portie van de dochter is 1/4e hiervan of € 461.295,30.

3.37.

Omdat de grief van de zoon over de waarde van de gift slaagt zal het hof die berekening aanpassen en daarin niet een gift van € 1.800.00, maar van € 1.220.000 verwerken.

De legitimaire massa bedraagt € 45.202,80 minus € 21,60 plus € 1.220.000 = € 1.265.181,20. De legitieme portie van de dochter is 1/4e hiervan of € 316.295,30.

beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid

3.38.

De zoon stelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de dochter zich beroept op het aanwezig zijn van een gift, het hanteren van de waarde die aan die gift is toegekend en het betalen van een bedrag aan legitieme portie. De zoon licht dat toe. De zoon heeft erflaatster alleen maar willen helpen en heeft haar ook echt geholpen. Hij heeft daarvoor kosten noch moeite gespaard. Hij heeft in de periode 1995-2005 vele verbeteringen aan de woning aangebracht en alle investeringen en kosten en lasten verbonden aan de woning betaald. Het aannemen van een gift zou tot het ongerijmde resultaat leiden dat de dochter meeprofiteert van de waardestijging van de door de zoon gekochte woning. De dochter wijst erop dat van onaanvaardbaarheid in het geheel geen sprake kan zijn.

3.39.

Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken (artikel 3:12 BW) . Het persoonlijke belang dat de dochter heeft bij het ontvangen van haar legitieme portie is evident; het persoonlijke belang dat de zoon heeft bij het niet hoeven betalen van die legitieme portie is ook evident. Van algemeen erkende rechtsbeginselen of in Nederland levende rechtsovertuigingen die hier een rol kunnen spelen is niet gebleken; partijen reppen daar niet over.

3.40.

De regeling van de legitieme portie zorgt ervoor dat een kind dat is onterfd alsnog een gedeelte van het vermogen van een overleden ouder krijgt in de vorm van een vordering in geld. Bij het vaststellen van dat vermogen tellen de in de wet genoemde giften mee die de ouder tijdens leven heeft gedaan. De omstandigheden die de zoon stelt (en de dochter overigens betwist) zijn – als ze zouden komen vast te staan – onvoldoende om in dit geval de regeling voor de legitieme portie buiten toepassing te laten door voorbij te zien aan de gift die is gedaan. De zoon heeft het door een samenstel van (rechts)handelingen het er zelf toe geleid dat sprake is van een gift van de woning met als peildatum voor de waarde 26 oktober 2005. Een van die handelingen is het verrekenen van de schuld van hem aan erflaatster met niet aannemelijk gemaakte vorderingen, door het hof Den Haag aangemerkt als een schijnhandeling. Dat alles had hij niet hoeven doen. Als hij dat achterwege had gelaten en de koopsom echt had betaald, zou hooguit sprake zijn geweest van een gift gelegen in een te lage kooprijs. Die gift zou een aanmerkelijk lagere waarde hebben gehad dan de gift van de woning die gewaardeerd is naar haar waarde in 2005. De zoon had het zelf in de hand zijn persoonlijke belang zo te dienen dat de dochter niet zou meeprofiteren van de verbeteringen die hij zegt aan de woning te hebben aangebracht en de waardestijging in de periode 1995-2005. Het beroep van de zoon op de onaanvaardbaarheidsexceptie van artikel 6:2 lid 2 BW faalt.

slotbepalingen

3.41.

Het hof zal de vonnissen van de rechtbank deels vernietigen, de zoon veroordelen tot betaling van het hiervoor genoemde bedrag van € 316.295,30 (met rente) en tot betaling van het hierna te noemen bedrag aan proceskosten voor de procedure bij de rechtbank. Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen van het hoger beroep (compensatie van proceskosten) omdat partijen in het hoger beroep per saldo ieder deels gelijk en deels ongelijk hebben gekregen.

3.42.

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4De beslissing

Het hof:

in het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

vernietigt de tussenvonnissen die de rechtbank Den Haag op 18 mei 2011, 27 juli 2011, 9 januari 2013, 6 augustus 2014, 19 april 2017 tussen de zoon en de dochter heeft gewezen en vernietigt de beslissingen in het tussen hen gewezen eindvonnis van 13 december 2017 onder 3.1., 3.2., 3.6. en 3.7.;

4.2.

doet in zoverre opnieuw recht:

4.3.

veroordeelt de zoon om aan de dochter € 316.295,30 te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit arrest, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2010 tot de dag van algehele voldoening;

4.4.

veroordeelt de zoon om de proceskosten in eerste aanleg aan de dochter te voldoen van totaal € 10.488 (€ 1.548 griffierecht en € 8.940 salaris advocaat);

4.5.

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige;

4.7.

compenseert de proceskosten in hoger beroep;

4.8.

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, A.A.J. Smelt en R.E. Brinkman en is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.

1

HR 12 juli 2002, BNB 2002/317, rov. 3.5. en HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1715, rov. 3.2.2

2

HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:316, rov. 3.1.2.

3

Zie ECLI:NL:PHR:2025:211, Parket bij de Hoge Raad, 24/01020, in 3.9.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733