ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Rechtbank Gelderland 06-08-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6293

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheiding met nevenvoorzieningen waarin hoofdverblijf kinderen bij moeder is bepaald en een zorgregeling van drie weekenden per vier weken voor vader is vastgesteld. Kinderalimentatie wordt vastgesteld op € 324 per kind per maand; partneralimentatie wordt afgewezen wegens gebrek aan draagkracht. Verdeling huwelijksgemeenschap: woning door vader te overnemen volgens spoorboekje; hypotheekaflossingen na peildatum komen hem toe. Bank- en inboedelafspraken vastgelegd. Verzoek bruidsgave/mihir wordt afgewezen omdat vordering in de gemeenschap valt, per saldo niets.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

'Mihir-overeenkomst': rechtens afdwingbare verplichting, symbolische afspraak of zit het toch anders?
Echtscheiding waarin vrouw aanspraak maakt op mihir-overeenkomst (bruidsgave van gouden munten en geldbedrag). Rb: partijen zijn in Nederlandse gemeenschap van goederen getrouwd. Aparte overeenkomst niet mogelijk; niets te vorderen.

Datum publicatie12-08-2026
ZaaknummerC/05/442062
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Titel 7 Wettelijke gemeenschap van goederen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen. Bij de verdeling van de woning wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat de man na de peildatum in zijn eentje de aflossingen op de hypothecaire geldlening heeft gedragen. De rechtbank wijst af de vordering van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling/afgifte van de bruidsgave (mihir) die is overeengekomen in een huwelijkscontract bij het aangaan van het huwelijk. De vrouw heeft op basis van het huwelijkscontract weliswaar een zelfstandige vordering op de man, maar omdat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime valt de vordering van de vrouw in de huwelijksgemeenschap en zijn partijen ieder gerechtigd tot de helft daarvan. Ook dient ieder van partijen voor de helft de verplichting van de man aan de vrouw te dragen. Dat betekent dat partijen per saldo niks van elkaar te vorderen hebben.

Volledige uitspraak


beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/442062 / ES RK 24-436 (echtscheiding)

C/05/458874 / FA RK 25-3695 (verdeling)

Datum uitspraak: 6 augustus 2026

beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen

in de zaak van

[naam vrouw] (hierna: de vrouw),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. B. Anik te Arnhem,

tegen

[naam man] (hierna: de man),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. C.L. Berkel te Veenendaal.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 4 oktober 2024;

  • het exploot van betekening van 11 oktober 2024;

  • het verweerschrift van de man, met zelfstandige verzoeken, ontvangen op 31 januari 2025;

  • het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man, ontvangen op 28 februari 2025;

  • de brief van mr. Berkel van 27 mei 2025;

  • het nader verweerschrift van de man, met bijlagen, ontvangen op 24 juni 2025;

  • het aanvullend verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 19 augustus 2025;

  • het journaalbericht met bijlage van mr. Anik van 20 augustus 2025;

  • het nader verweerschrift van de man, met bijlagen, ontvangen op 8 oktober 2025;

  • de brief met bijlagen van mr. Anik, houdende een wijziging van de verzoeken van de vrouw, ontvangen op 18 juni 2026;

  • de brief van mr. Berkel van 19 juni 2026;

  • het nader verweerschrift van de man, met bijlagen, ontvangen op 19 juni 2026;

  • het nader aanvullend verweerschrift van de man, met bijlage, ontvangen op 23 juni 2026.

1.2.

De zaak is besproken op de zitting met gesloten deuren van 29 juni 2026. Daarbij waren de beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten, en een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

1.3.

Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de verzoeken van de man over de wijziging van de beschikking voorlopige voorzieningen en het verzoek van de vrouw om een voorlopige voorziening te treffen over partneralimentatie.

1.4.

De minderjarigen [kind 2] en [kind 1] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. [kind 2] en [kind 1] hebben geen gebruik gemaakt van de uitnodiging hun mening te geven.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] .

2.2.

Zij zijn de ouders van minderjarige kinderen:

  • [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

  • [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

2.3.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 15 mei 2025 heeft de rechtbank bepaald dat:

  • [kind 1] en [kind 2] bij de man verblijven iedere week van vrijdag 14.00 uur tot zondag 21.00 uur en dat zij iedere week van zondag 21.00 uur tot vrijdag 14.00 uur bij de vrouw verblijven;

  • de man met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige kinderen aan de vrouw zal betalen € 336 per kind per maand, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

  • bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van die beschikking bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen te [postcode] [woonplaats] , [woondadres] , met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden.

3Wat ligt voor?

3.1.

De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] te [geboorteplaats] , uit te spreken;

II. te bepalen dat de man met ingang van datum indiening verzoekschrift als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen voldoet een bedrag van € 443 per kind per maand;

III. te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 1615 bruto per maand zal voldoen, telkens bij vooruitbetaling, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht;

IV. te bepalen dat er een zorgregeling tussen de man en de kinderen zal gelden van drie weekenden per maand van vrijdag na school tot zondagavond 19:00 uur, alsmede de helft van alle schoolvakanties;

V. te bepalen dat de gezamenlijke koopwoning zal worden verdeeld conform het spoorboekje in randnummer 4 van het aanvullend verzoekschrift van 19 augustus 2025, te weten dat:

 de waarde van de woning wordt vastgesteld door een door partijen gezamenlijk aan te wijzen onafhankelijke NVM taxateur. De man dient drie namen van makelaars op te geven waaruit de vrouw een keuze kan maken.

 de man dient binnen drie weken na ontvangst van het taxatierapport aan verzoekster schriftelijk kenbaar te maken of hij de woning daadwerkelijk zal overnemen.

 de man dient binnen vier maanden na ontvangst van het taxatierapport de financiering te regelen en verzoekster uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening te laten ontslaan.

 de juridische levering van het aandeel van verzoekster in de woning aan de man vindt plaats bij de notaris, onder betaling van de overnamesom (de helft van de getaxeerde waarde minus de resterende hypotheekschuld), uiterlijk binnen vijf maanden na ontvangst van het taxatierapport.

 indien de man de woning niet binnen de gestelde termijn kan overnemen, wordt de woning binnen twee weken na het verstrijken van de gestelde termijn in overleg tussen partijen te koop aangeboden aan een derde, waarbij partijen hun volledige medewerking zullen verlenen aan de verkoop en levering, en de netto-opbrengst tussen partijen zal worden verdeeld bij helfte.

VI. de man te veroordelen tot betaling van € 15.000 aan de vrouw uiterlijk bij de verdeling van de woning bij de notaris, en tot overhandiging van vijf stukken Resat goud aan de vrouw door feitelijke bezitsverschaffing uiterlijk bij de verdeling van de woning bij de notaris, en in aanwezigheid (ten overstaan) van de notaris aan de vrouw;

VII. te bepalen dat de saldi van de bankrekeningen per peildatum bij helfte verdeeld worden en de man veroordeeld wordt tot overlegging van zijn bankafschriften van zijn bankrekeningen zowel in Nederland als in Turkije voor zes maanden voor de peildatum, waarna partijen over dienen te gaan tot verrekening van de saldi;

VIII. te bepalen dat de inboedelgoederen conform de lijst in de brief van de vrouw van 17 juni 2026 aan de vrouw toegedeeld zal worden;

IX. te bepalen dat de auto van het merk Suzuki Swift aan de vrouw wordt toegedeeld en de auto van het merk Renault aan de man wordt toegedeeld, zonder nadere verrekening;

X. te bepalen dat de vrouw het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toegekend krijgt voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheiding.

3.2.

De man verzoekt:

I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken als verzocht door de vrouw;

II. te bepalen dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de man zal zijn, zodra hij weer kan beschikken over het gebruik van de echtelijke woning, met een te bepalen zorgregeling voor de vrouw, die onder de gegeven omstandigheden het meest passend is vanuit het belang van de kinderen die een sterke behoefte hebben aan structuur en zorg. Hoe die zorgregeling er dan in concreto uit kan zien dient des nodig op basis van een door de Raad voor de Kinderbescherming uit te voeren onderzoek worden bepaald;

III. voorwaardelijk, voor het geval de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw wordt vastgesteld, te bepalen dat de man een zorgtaak voor beide kinderen krijgt op basis van drie aaneengesloten weekenden van vrijdag na school tot zondagavond 18:00 uur, met een weekend vrij, onder de voorwaarde dat de vrouw de man kenbaar makt hoe hij de vrouw kan bereiken bij incidenten en calamiteiten de kinderen aangaande;

IV. te bepalen dat de man de kinderen tijdens de vakanties en feestdagen opvangt en wel op basis van 3 weken zomervakantie, een week in de meivakantie, een week in de kerstvakantie en in de weekenden dat de kinderen bij de vrouw verblijven terwijl zij niet extern op vakantie gaan;

V. te bepalen dat de vrouw wordt gelast haar volle medewerking te verlenen aan de levering van haar eigendomsdeel in de voormalige echtelijke woning te [woonplaats] aan de [woondadres] , onder de opschortende voorwaarde dat de man de vrouw uiterlijk bij notariële levering haar aandeel in de (over)waarde van de woning zal uitkeren, waarbij de rechtbank nader bepaalt tegen welke datum de taxatiewaarde van de echtelijke woning kan worden bepaald;

VI. te bepalen dat bij de hiervoor genoemde levering de man met de vrouw kan en mag verrekenen hetgeen de man vanuit de verdeling van de vermogensbestanddelen van de vrouw nog te vorderen heeft;

VII. te bepalen dat de vrouw aan de man voor het gebruik van de woning bij uitsluiting van bewoning, per 15 mei 2025, dan wel tegen een nader in goede justitie te bepalen datum en tijdstip, tot aan de datum van notariële levering van het eigendomsdeel van de vrouw aan de man, althans voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen periode, aan de man een vergoeding verschuldigd zal zijn van € 600 per maand, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Echtscheiding

Ontvankelijkheid

4.1.

Op grond van artikel 815 lid 2 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

4.2.

Hoewel partijen geen ondertekend ouderschapsplan bij de rechtbank hebben ingediend, acht de rechtbank hen ontvankelijk in het verzoek tot echtscheiding. Partijen hebben tegengestelde verzoeken gedaan over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en zijn het niet eens over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderalimentatie. Partijen hebben in aanloop naar de echtscheidingsprocedure geprobeerd met elkaar afspraken te maken in een mediationtraject gevolgd, maar dat traject is zonder positief resultaat beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze omstandigheden voldoende dat niet van partijen kan worden gevergd dat zij op dit moment samen in overleg een ouderschapsplan opstellen. De rechtbank zal partijen dan ook ontvangen in het echtscheidingsverzoek en beslissingen nemen in het belang van de kinderen.

4.3.

Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan, spreekt de rechtbank de echtscheiding uit.

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling

4.4.

De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man zal zijn zodra hij kan beschikken over de echtelijke woning. Hij maakt zich zorgen over de opvoedcapaciteiten van de vrouw en of zij wel een stabiele opvoeder voor de kinderen kan zijn, gelet op diverse incidenten die in het verleden hebben plaatsgevonden. [kind 1] is gediagnosticeerd met autisme en vraagt daardoor veel aandacht. Volgens de man is de vrouw niet in staat om op een goede manier op hem te reageren en hebben de vrouw en [kind 1] vaak ruzie. Ook heeft de man de indruk dat de vrouw de kinderen tegen hem opzet en hen teveel betrekt in de strijd tussen partijen, waardoor de kinderen in een loyaliteitsconflict belanden en niet meer alles tegen de man durven te zeggen. De vrouw heeft aangegeven dat zij zich niet herkend in deze stellingen van de man. Partijen hebben in het verleden ondersteuning gekregen bij de opvoeding van [kind 1] en er is geen reden om deze ondersteuning opnieuw in te zetten. Volgens de vrouw is het juist de man die niet bereid is om aanvullende hulpverlening voor [kind 1] op te starten. Door de vrouw is bijvoorbeeld een traject voor [kind 1] opgestart bij een kinderpsycholoog. De man stond daar niet voor open, terwijl de vrouw merkt dat [kind 1] baat heeft bij de gesprekken met de kinderpsycholoog en daardoor meer rust ervaart.

4.5.

De Raad heeft tijdens de zitting geadviseerd de situatie voor de kinderen zoveel mogelijk ongewijzigd te laten. De Raad heeft de indruk dat er veel strijd tussen partijen is en adviseert partijen daarom (alsnog) een ouderschapstraject op te starten om de onderlinge communicatie te verbeteren en rust te creëren. De kern van de problematiek lijkt in de toxische relatie tussen partijen te zitten en het is belangrijk dat wordt ingezet op het verbeteren van de onderlinge verhoudingen. Mede gelet op de problematiek van [kind 1] is het belangrijk dat de kinderen weer zoveel mogelijk rust in de situatie ervaren, voordat er een wijziging van de zorgregeling of een andere een voor de kinderen zeer merkbare verandering plaatsvindt. De Raad heeft verder naar voren gebracht dat zij, anders dan de man, op basis van de stukken en wat de man tijdens de zitting naar voren hebben gebracht geen aanleiding ziet om onderzoek te doen naar de vraag welke hoofdverblijfplaats en/of zorgregeling het meest in het belang van [kind 2] en [kind 1] is.

4.6.

De rechtbank ziet net als de Raad geen reden voor een raadsonderzoek. De rechtbank twijfelt er niet aan dat er in de relatie tussen partijen veel is gebeurd. De rechtbank begrijpt dat die incidenten hebben geleid tot zorgen bij de man. Op dit moment zijn er echter geen concrete aanwijzingen dat de vrouw niet in staat is om een veilige en stabiele thuissituatie voor de kinderen te bieden. De incidenten waar de man naar verwijst, hebben al een langere tijd geleden plaatsgevonden. Bovendien heeft de rechtbank tijdens de zitting van beide partijen de bereidheid gehoord om met elkaar in gesprek te gaan en in het belang van de kinderen de onderlinge spanningen te verminderen en te werken aan een betere communicatie. Het is nu belangrijk dat er rust en duidelijkheid komt voor de kinderen. De rechtbank zal daarom een beslissing nemen die aansluit bij de huidige situatie. De rechtbank zal bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben. Verder zal de rechtbank bepalen dat de kinderen drie van de vier weekenden per maand bij de man verblijven, zoals zij dat de afgelopen maanden ook gewend waren. Dat vindt de rechtbank het meest in het belang van de kinderen. Tot slot zal de rechtbank het verzoek van de man over de verdeling van de vakanties en feestdagen toewijzen, de vrouw heeft hier ook geen verweer tegen gevoerd. Ten aanzien van het verzoek over de bereikbaarheid van de vrouw voor de man, overweegt de rechtbank dat partijen met elkaar in gesprek zullen gaan over het verloop van de zorgregeling en de concrete invulling daarvan, waartoe ook afspraken over de bereikbaarheid van de andere ouder hoort. De rechtbank vindt het niet nodig om daar nu al een beslissing over te nemen. De rechtbank wijst het verzoek van de man daarom in zoverre af.

Kinderalimentatie

conclusie

4.7.

De rechtbank beslist dat de man vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een kinderalimentatie van € 324 per kind per maand aan de vrouw moet betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

ingangsdatum

4.8.

Omdat er in de beschikking van voorlopige voorzieningen al een beslissing is genomen over de door de man te betalen kinderalimentatie voor de duur van de echtscheidingsprocedure, hanteert de rechtbank als ingangsdatum de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

behoefte

4.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [kind 1] en [kind 2] in 2025 € 1.283 per maand bedroeg. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2026 € 1.342 per maand.

draagkracht partijen

4.10.

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van partijen genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien. 1

4.11.

Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1.365)].

draagkracht man

4.12.

Voor het bepalen van de draagkracht van de man rekent de rechtbank op basis van de overlegde aangifte inkomstenbelasting over 2025 met een belastbaar loon van € 56.692 per jaar. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat bij dit inkomen onvoldoende rekening wordt gehouden met de extra toeslagen en benefiet budgetten die door de werkgever van de man aan de man worden uitgekeerd. Deze toeslagen zitten immers verwerkt in de aangifte inkomstenbelasting. Ook ziet de rechtbank niet in waarom, zoals de vrouw heeft aangevoerd, de man geen gebruik zou mogen maken van zijn recht op ouderschapsverlof van vier uur per week. Hij heeft drie van de vier vrijdagen per maand de zorg voor de kinderen zodat hij die uren nodig heet. Ook heeft de man naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat hij al langere tijd recht heeft op en gebruik maakt van dit ouderschapsverlof, zo blijkt bijvoorbeeld uit een salarisspecificatie van de man uit 2022.

4.13.

De vrouw heeft verder aangevoerd dat naast het inkomen van de man uit loondienst gerekend moet worden met een inkomen uit vermogen van € 30.000 per jaar. Volgens de vrouw bezit de man diverse appartementen in Turkije, heeft hij daar een bankrekening en genereert hij rendement uit dit vermogen. De man heeft de stellingen van de vrouw echter gemotiveerd betwist. Hij heeft uitgelegd dat de panden in Turkije onderdeel zijn van een nog onverdeelde nalatenschap waarbij ook de zus en de moeder van de man erfgenaam zijn. De rechtbank acht het aannemelijk dat de man daardoor op dit moment niet de mogelijkheid heeft om zelfstandig over dit vermogen te beschikken en van hem kan dan ook niet gevergd worden dat hij met dit vermogen inkomen gaat genereren. Dat sprake zou zijn van verwijtbaar en voor herstel vatbaar inkomensverlies, zoals de vrouw heeft aangevoerd, volgt de rechtbank evenmin. Uit de overgelegde aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2023 tot en met 2025 blijkt namelijk dat de man de afgelopen jaren geen inkomen uit vermogen heeft ontvangen. Dat de man inkomen zou genereren uit het vermogen op zijn bankrekening in Turkije acht de rechtbank evenmin aannemelijk. De man heeft namelijk een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat er geen geld meer op deze rekening staat.

4.14.

Volgens de hiervoor vermelde formule heeft de man dan een draagkracht van € 778 per maand. 2

4.15.

Anders dan de man heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om bij de berekening van zijn draagkracht af te wijken van het hiervoor genoemde woonbudget. De man heeft aangevoerd dat hij na de beschikking voorlopige voorzieningen genoodzaakt was een chalet op een recreatiepark te huren tegen een huurprijs van € 1.250 per maand. Daarnaast draagt hij nog bij aan de woonlasten van de echtelijke woning van partijen. Volgens de man kampt hij daardoor met aanmerkelijk hogere werkelijke woonlasten dan het woonbudget van € 1.061 per maand. Het is de rechtbank echter gebleken dat partijen het in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap eens zijn dat de man de echtelijke woning over zal mogen nemen. Dat maakt dat de situatie van de man met hoge woonlasten, slechts tijdelijk is. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat de (toekomstige) woonlasten voor de echtelijke woning boven het woonbudget uitstijgen. Bovendien is al in het kader van de door de man verzochte wijziging van de voorlopige voorziening beoordeeld wat het gevolg van de door de man gestelde tijdelijke hogere woonlasten voor de te betalen kinderalimentatie is. De rechtbank ziet geen reden om in de bodemprocedure rekening te houden met deze extra woonlasten.

De rechtbank acht ook onvoldoende door de vrouw onderbouwd dat de man lagere woonlasten zou hebben dan het woonbudget van € 1.061 per maand. Het is namelijk nog niet bekend wat de woonlasten van de man zullen zijn wanneer hij de woning overneemt, omdat hij dan naar alle waarschijnlijkheid een extra hypothecaire geldlening zal moeten afsluiten. Dat de woonlasten van de man daardoor duurzaam aanmerkelijk lager zullen zijn van het woonbudget van € 1.061 per maand, is nog niet vast te stellen.

4.16.

De man heeft daarnaast aangevoerd dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de schulden die de man aflost, in totaal € 141 per maand. Het is de rechtbank gebleken dat de man € 111 per maand aflost op een lening die partijen zijn aangegaan voor de aankoop van de auto van partijen. Deze lening is echter ook opgevoerd als bestanddeel van de huwelijksgemeenschap van partijen en in dat kader zal de rechtbank een beslissing nemen over de onderlinge draagplicht van partijen over deze schuld. De rechtbank ziet daarom geen reden om in het kader van de draagkracht van de man voor kinderalimentatie nog rekening te houden met de maandelijkse aflossing van € 111 door de man.

De man heeft niet nader toegelicht waar de door hem opgevoerde last van € 30 per maand op ziet. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of sprake is van een niet-verwijtbare en niet-vermijdbare last aan de zijde van de man. Nu de man zijn stellingen op dit punt niet nader heeft onderbouwd, laat de rechtbank de door de man gestelde last van € 30 per maand buiten beschouwing.

draagkracht vrouw

4.17.

De vrouw ontvangt een WIA-uitkering van € 1.668,89 per maand, exclusief vakantietoeslag. Ook ontvangt de vrouw en kindgebonden budget van € 9.300 per jaar. Het NBI is dan € 2.207 per maand. 3

4.18.

Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de vrouw een draagkracht van € 126 per maand.

verdeling kosten

4.19.

Als partijen samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

4.20.

Een vergelijking is hier niet nodig omdat de man en de vrouw samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [kind 1] en [kind 2] . Hun gezamenlijke draagkracht is € 904 per maand, terwijl de kosten van de kinderen € 1.283 per maand zijn. Zij komen dus samen een bedrag van € 379 per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de man met € 778 per maand moet bijdragen in de kosten van [kind 1] en [kind 2] .

zorgkorting

4.21.

Omdat partijen de zorg voor [kind 1] en [kind 2] delen en de man gedurende de tijd dat de kinderen bij hem verblijven al voor een deel in natura in hun kosten voorziet, heeft de man recht op een zogenaamde zorgkorting. Gelet op de op dit moment geldende zorgregeling zal de rechtbank in redelijkheid uitgaan van een zorgkorting van 25% van de behoefte. Dat komt neer op een zorgkorting van € 321 per maand.

4.22.

De zorgkorting wordt in beginsel in mindering gebracht op het aandeel van de man in de kosten van [kind 1] en [kind 2] . Op deze regel wordt een uitzondering gemaakt als de draagkracht van partijen onvoldoende is om in de behoefte te voorzien. Het tekort wordt dan aan beide partijen voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dat de helft van het tekort (€ 189,50) in mindering komt op zijn zorgkorting. De door hem uiteindelijk te betalen bijdrage in de kosten van de man wordt dan als volgt berekend: (778 – (321 -/- 189,50) =) € 647 per maand, oftewel afgerond € 324 per kind per maand.

alimentatie vooruitbetalen

4.23.

De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

Partneralimentatie

4.24.

Bij de beoordeling van de verzoeken over de kinderalimentatie is gebleken dat partijen onvoldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [kind 1] en [kind 2] te voorzien. Dat betekent dat de man zijn volledige draagkracht moet aanwenden om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Hij heeft dan geen draagkracht meer om partneralimentatie te betalen. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw over de partneralimentatie daarom af.

De verdeling van de gemeenschap van goederen

4.25.

Partijen zijn vóór 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden. Dit betekent dat tussen hen de (toen geldende) wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestaat.

Peildatum

4.26.

Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 4 oktober 2024 ontbonden. 4Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd). In dit geval zijn dat de goederen en de schulden die aanwezig waren op 4 oktober 2024. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling.

Omvang van de ontbonden gemeenschap

4.27.

De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen.

4.28.

Partijen hebben de volgende bestanddelen van de gemeenschap naar voren gebracht:

  1. de woning aan de [woondadres] in [woonplaats] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening;

  2. inboedelgoederen;

  3. diverse bankrekeningen;

 de bankrekening op naam van de vrouw bij Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 1] ;

 de spaarrekening op naam van de vrouw bij Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 2] ;

 de bankrekening op naam van de man bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer 3] ;

 de spaarrekening op naam van de man bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer 4] ;

 de bankrekening op naam van de man bij Ziraat Bankası (Turkije) met rekeningnummer [rekeningnummer 5] ;

een auto van het merk Suzuki Swift met kenteken [kenteken 1] ;

een auto van het merk Renault Modus met kenteken [kenteken 2] ;

goud dat door familie van partijen tijdens de bruiloft aan partijen is geschonken;

het krediet bij Lender en Spender.

De woning

4.29.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man de gelegenheid krijgt om de woning over te nemen. Zij zijn het alleen niet eens over de waarde van de woning. De man heeft aangevoerd dat moet worden aangesloten bij de datum van het rapport van de taxatie die hij in augustus 2024 heeft laten uitvoeren van € 392.000. De vrouw is het daar niet mee eens en verzoekt de rechtbank te bepalen dat de woning opnieuw dient te worden getaxeerd door een onafhankelijke taxateur.

4.30.

Zoals hiervoor is overwogen, gaat de rechtbank voor de waarde van de goederen in beginsel uit van de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling. Op basis van wat de man heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken in die zin dat wordt aangesloten bij een peildatum die ruim anderhalf jaar in het verleden ligt. Dat de vrouw in de periode tussen augustus 2024 en de datum van deze beschikking de verdere afwikkeling van de huwelijksgemeenschap heeft belemmerd, zoals de man heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Op basis van de stellingen van partijen kan de rechtbank enkel concluderen dat de oplopende strijd tussen partijen de onderlinge samenwerking niet ten goede is gekomen en dat het daardoor niet is gelukt om in goed onderling overleg afspraken te maken over de gevolgen van de echtscheiding. De rechtbank ziet niet in waarom het onredelijk zou zijn dat de vrouw ook mee profiteert van de stijging van de waarde van de woning in de afgelopen anderhalf tot twee jaar.

4.31.

Ter zitting heeft de man ermee ingestemd dat, voor zover de rechtbank een nieuwe taxatie van de woning noodzakelijk zou vinden, partijen gezamenlijk opdracht voor taxatie van de woning zullen geven aan BMV Makelaars te Arnhem. De rechtbank zal zo beslissen. Omdat de man heeft aangegeven dat de verdere wijze van de verdeling van de woning kan plaatsvinden volgens het door de vrouw verzochte spoorboekje, wijst de rechtbank de verzoeken van de vrouw in zoverre toe. Daarbij overweegt de rechtbank dat bij overname van de woning door de man de vrouw zal moeten worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening en de man de helft van de overwaarde van de woning aan de vrouw zal moeten uitbetalen. Voor de berekening van deze overwaarde, is de hoogte van de openstaande hypotheek van belang. Omdat de vrouw niet heeft weersproken dat na de peildatum alleen de man nog heeft afgelost op de hypothecaire geldlening, is de rechtbank van oordeel dat de door de man te betalen overnamesom dient te worden berekend op basis van de taxatiewaarde van de woning minus de stand van de hypothecaire geldlening op de peildatum.

4.32.

Als de man de woning niet binnen de gestelde termijn kan overnemen, zal de rechtbank in lijn met het verzoek van de vrouw bepalen dat partijen binnen twee weken na het verstrijken van de gestelde termijn aan de makelaar die de taxatie heeft verricht een opdracht verlenen tot verkoop van de woning. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat partijen hun volledige medewerking dienen te verlenen aan de verkoop en levering. Indien partijen het onderling niet eens kunnen worden over de verkoopprijs, zal de makelaar bindend voor partijen mogen beslissen over de handelingen die partijen dienen te verrichten in het kader van de verkoop van de woning of de acceptatie van een bod van potentiële kopers. Omdat zoals gezegd enkel de man na oktober 2024 nog heeft afgelost op de hypothecaire geldlening, acht de rechtbank het redelijk dat het verschil tussen de stand van de hypothecaire geldlening op de peildatum en de daadwerkelijke hypotheekstand op het moment van de verkoop, toekomt aan de man. Dat betekent dat na verkoop de overwaarde wordt berekend aan de hand van de verkoopopbrengst minus de kosten van verkoop en de stand van de hypothecaire geldlening op de peildatum. Deze overwaarde dient bij helfte te worden gedeeld en het meerdere zal enkel toekomen aan de man. De rechtbank zal in de beslissing de wijze van verdeling gelasten en daarvoor een zogeheten spoorboekje opnemen waarin bovenstaande punten zijn verwerkt.

De inboedelgoederen

4.33.

Partijen hebben tijdens de zitting afspraken gemaakt over de verdeling van de inboedelgoederen, die inhouden dat aan de vrouw worden toegedeeld:

  • plafondventilator

  • statafel

  • houten staande lamp

  • 4 houten krukjes

  • 1 persoons matras

  • 50% speelgoed

  • schroefmachine

  • babyslaapkamer

  • pannenset

  • radio

  • cavia’s

  • bruidskist

  • hoofdkussens

en dat de overige inboedelgoederen (die zullen achterblijven in de echtelijke woning) worden toegedeeld aan de man, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal deze afspraken van partijen opnemen in de beschikking.

De saldi van diverse bankrekeningen

4.34.

Tussen partijen is niet in geschil dat de saldi van de bankrekeningen op naam van de man (in Nederland en in Turkije) en de bankrekeningen op naam van de vrouw op de peildatum bij helfte zullen worden verdeeld. De rechtbank zal deze afspraken van partijen opnemen in de beschikking. Ter zitting heeft de rechtbank partijen voorgehouden dat zij op basis van de door partijen overgelegde stukken niet kan afleiden wat de saldi van de diverse bankrekeningen op de peildatum waren en dat partijen elkaar daar over en weer inzage in dienen te verstrekken. De man heeft ter zitting ingestemd met het verstrekken van inzage aan de vrouw in de bankafschriften van zijn bankrekeningen waaruit de saldi op de peildatum blijken. Gelet op deze toezegging wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw om inzage in de bankrekeningen op naam van de man in zoverre (gedeeltelijk) toe.

4.35.

De vrouw heeft daarnaast verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw inzage moet geven in het verloop van zijn bankrekeningen in Nederland en in Turkije door middel van het overleggen van bankafschriften over de periode tot een half jaar voor de peildatum. De rechtbank stelt vast dat de vrouw geen belang heeft bij een beslissing op dit verzoek om inzage, omdat de echtscheidingsprocedure met deze beschikking wordt afgesloten en er geen concrete verzoeken (bijvoorbeeld over benadeling van de gemeenschap door de man) in deze procedure aan de rechtbank voorliggen. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.

De auto’s

4.36.

Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat de auto van het merk Suzuki Swift aan de vrouw wordt toegedeeld en de auto van het merk Renault aan de man wordt toegedeeld, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal deze afspraak van partijen opnemen in de beschikking.

Goud (geschonken tijdens de bruiloft)

4.37.

De man heeft aangevoerd dat partijen tijdens de bruiloft diverse gouden sieraden en munten geschonken hebben gekregen. Volgens de man werd dit goud bewaard bij de ouders van de vrouw en was dit nog aanwezig op de peildatum. Hoewel de man geen concreet verzoek (in een petitum) aan de rechtbank heeft gedaan over de verdeling van dit goud, begrijpt de rechtbank op basis van de stellingen van de man dat hij van mening is dat de helft van het goud aan de man dient te worden toegedeeld. De vrouw heeft echter betwist dat er nog goud te verdelen is. Zij voert aan dat het goud tijdens het huwelijk van partijen is uitgegeven/ingeruild, onder meer om de verbouwing van de badkamer te financieren. Omdat de man zijn stellingen over de aanwezigheid van goud op de peildatum niet nader heeft onderbouwd, kan de rechtbank niet vatstellen dat er op de peildatum nog goud aanwezig was en hoeveel. De rechtbank kan daarom ook niet beslissen over de verdeling daarvan, en wijst het verzoek van de man af. Daarbij overweegt de rechtbank dat, zoals ook tijdens de zitting naar voren is gekomen, voor zover blijkt dat er nog wel goud aanwezig was op de peildatum en de vrouw dit voor de man heeft verzwegen, op grond van artikel 3:194 BW het goud geheel toekomt aan de man.

Het krediet bij Lender en Spender

4.38.

De rechtbank zal bepalen dat ieder van partijen in hun onderlinge verhouding de helft van de schuld bij Lender en Spender moet dragen. Dat de specifieke overeenkomst van krediet bij Lender en Spender bij de vrouw onbekend was, acht de rechtbank daarbij niet relevant. De vrouw heeft tijdens de zitting namelijk aangegeven dat zij er wel van op de hoogte is dat partijen een krediet hebben afgesloten voor de financiering van de auto. Bovendien staat vast dat dit krediet is afgesloten tijdens het huwelijk en op grond van artikel 1:100 BW zijn partijen dan ieder voor de helft draagplichtig voor deze schuld.

4.39.

Tijdens de zitting is besproken dat bij de overdracht van de woning bij de notaris aan de man of aan een derde het resterende krediet in één keer kan worden afgelost, waarna de man een regresvordering op de vrouw heeft ter hoogte van de helft van de door hem gedragen aflossingen in de periode tussen de peildatum en het moment van overdracht van de woning. De rechtbank kan hier echter geen verdere beslissing over nemen, omdat hier geen concrete verzoeken over zijn gedaan aan de rechtbank.

De mihir-overeenkomst

4.40.

De vrouw heeft aangevoerd dat partijen ten tijde van de huwelijkssluiting zijn overeengekomen dat de man een bruidsgave (mihir) aan de vrouw zou voldoen, bestaande uit vijf stukken Reşat-goud en een geldbedrag van € 15.000. Volgens de vrouw is de man deze overeenkomst nooit nagekomen, en heeft de vrouw dus nog een vordering op de man. De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw. Hij stelt (kort samengevat) dat de inhoud van de overeenkomst slechts symbolisch is en dat partijen deze overeenkomst enkel ‘voor de bühne’ zijn aangegaan.

4.41.

De rechtbank overweegt dat het bij de uitleg van de overeenkomst niet alleen aankomt op de bewoordingen in de overeenkomst, maar dat het gaat om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en aan hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. 5 Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

4.42.

Door beide partijen is een vertaling van het islamitisch huwelijkscontract overgelegd. Hoewel de man tijdens de zitting de juistheid van de door de vrouw overgelegde vertaling heeft bestreden, overweegt de rechtbank dat uit beide vertalingen blijkt dat partijen bij de huwelijkssluiting een bruidsgave zijn overeengekomen bestaande uit gouden munten en een geldsom van € 15.000. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van deze vertaling en de door de man aangevoerde omstandigheden onvoldoende worden afgeleid dat deze overeenkomst slechts symbolisch is geweest en dat het nooit de bedoeling van partijen is geweest om hier uitvoering aan te geven. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de man wisselend heeft verklaard over de vraag in hoeverre de bruidsgave al aan de vrouw is toegekomen. De man heeft namelijk ter zitting naar voren gebracht dat de vrouw op de bruiloft van partijen al gouden munten van de man heeft ontvangen, en dat dit ook te zien is op de foto’s. De man heeft daarbij echter niet duidelijk kunnen maken of dit goud aan de vrouw is toegekomen uit hoofde van de door partijen gesloten overeenkomst of dat het goud (bij wijze van bruidsschat) door de familie van de man aan de vrouw zijn geschonken. Voor zover de man hiermee heeft bedoeld dat al deels uitvoering is gegeven aan de overeenkomst, strookt dat niet met de stelling van de man dat de overeenkomst slechts symbolische waarde had en partijen nooit de intentie hadden om daar daadwerkelijk uitvoering aan te geven. De rechtbank volgt de vrouw daarom in haar stelling dat zij op basis van het huwelijkscontract een zelfstandige vordering op de man heeft en dat hier tot op heden nog geen uitvoering aan is gegeven.

4.43.

De rechtbank overweegt verder dat op de verdeling van de huwelijksgemeenschap Nederlands recht van toepassing is. Dat heeft dat tot gevolg dat zowel de vordering van de vrouw op de man ter zake van de bruidsgave in de (wettelijke algehele) huwelijksgemeenschap valt, als dat de schuld van de man aan de vrouw ter zake van de bruidsgave in die gemeenschap valt. 6 Naar Nederlandse recht is het niet mogelijk om door middel van een overeenkomst te bepalen dat een door de vrouw van de man te ontvangen bruidsgave buiten de gemeenschap van goederen van partijen valt. Indien partijen de door de vrouw te ontvangen bruidsgave van de wettelijke gemeenschap van goederen wilden uitzonderen, had het op hun weg gelegen om dit bij huwelijkse voorwaarden te bepalen. Dat hebben partijen niet hebben gedaan, waardoor partijen ingevolge art. 1:100 BW een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap hebben. Dat betekent dat ieder van partijen gerechtigd is tot de helft van de vordering van de vrouw op de man, maar ieder van partijen ook voor de helft de verplichting van de man aan de vrouw moeten dragen. Per saldo hebben partijen dan niks meer van elkaar te vorderen. Om die reden wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw af.

Voortgezet gebruik

4.44.

De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de woning gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheiding. De rechtbank wijst het verzoek toe, omdat zij het aannemelijk vindt dat de vrouw tijd nodig heeft om een andere woning te vinden. De vrouw heeft namelijk aangevoerd dat zij pas aanspraak kan maken op urgentie bij de gemeente op het moment dat de echtscheiding definitief is geworden door inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Dat de vrouw al langere tijd weet dat zij op zoek zal moeten naar een andere woning en het onredelijk zou zijn als zij nog langer in de woning mag blijven wonen, zoals de man heeft aangevoerd, volgt de rechtbank niet. Nu tussen partijen de waarde van de woning nog in geschil is en niet duidelijk is of de man in staat zal zijn de woning over te nemen, en de echtscheidingsprocedure nog niet is afgerond, kan naar het oordeel van de rechtbank aan de vrouw niet worden verweten dat zij nog niet actief op zoek is gegaan naar een alternatieve woning. Ook overweegt de rechtbank dat hoewel de man de woning wenst over te nemen, hij zelf niet heeft verzocht om het voortgezet gebruik van de woning en momenteel al over een alternatieve verblijfplaats beschikt waar hij met de kinderen kan verblijven. Daaruit blijkt voor de rechtbank niet een acuut belang voor de man om op kortere termijn de echtelijke woning weer te kunnen betrekken. Tot slot weegt de rechtbank mee dat voor zover de man in staat is om de woning over te nemen, er nog enige tijd overheen zal gaan tot het moment van levering van de woning aan de man. De woning dient namelijk nog te worden getaxeerd en vervolgens krijgt de man nog een aantal maanden de gelegenheid om te onderzoeken of hij in staat is de woning over te nemen. De rechtbank ziet geen reden om te bepalen dat de vrouw al voor die tijd uit de woning zal moeten vertrekken. In het geval de man de woning niet over kan nemen, zal de woning moeten worden verkocht en ligt het ook voor de hand dat de vrouw met de kinderen tot het moment van verkoop van de woning aan een derde in de woning kan verblijven.

Gebruiksvergoeding

4.45.

De man verzoekt te bepalen dat de vrouw vanaf 15 mei 2025 tot aan datum van notariële levering van de woning aan de man een gebruiksvergoeding moet betalen gelijk aan de hypotheeklasten vermeerderd met de dagelijkse gebruikskosten, door de man begroot op
€ 600 per maand. De rechtbank overweegt dat omdat de vrouw op dit moment in de echtelijke woning verblijft, het de rechtbank het redelijk voorkomt dat de vrouw daar een vergoeding voor aan de man betaalt. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat het onredelijk zou zijn dat de man een gebruiksvergoeding verzoekt nu partijen in een eerder stadium zijn overeengekomen dat de man alle lasten van de echtelijke woning zou blijven betalen en de vrouw in ruil daarvoor geen partneralimentatie zou verzoeken. De vrouw heeft immers in deze procedure (ook alsnog) partneralimentatie van de man verzocht.

4.46.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man sinds 15 mei 2025 (onder meer) de gebruikslasten voor de woning voldoet, bijvoorbeeld de hypotheekrente, terwijl alleen de vrouw op dit moment de echtelijke woning gebruikt. De rechtbank volgt daarom het verzoek van de man om de door de vrouw te betalen gebruiksvergoeding te baseren op het aandeel van de man in de gebruikslasten van de woning. De rechtbank ziet echter geen reden om bij de bepaling van de gebruiksvergoeding ook nog rekening te houden met de door de man betaalde aflossingen op de hypothecaire geldlening. Hier wordt namelijk al rekening mee gehouden bij de levering van de woning aan de man of aan een derde doordat daarbij de stand van de hypothecaire geldlening op de peildatum als uitgangspunt wordt genomen voor het bepalen van de door de man te betalen overnamesom of de berekening van de te verdelen overwaarde. De door de man verzochte vergoeding van € 600 per maand komt de rechtbank daarom te hoog voor. Omdat de man niet verder concreet heeft gemaakt welk deel van de vergoeding van € 600 ziet op de door de man voor de vrouw betaalde eigenaarslasten en welk deel op de gebruikslasten, gaat de rechtbank er schattenderwijs vanuit dat deze lasten ongeveer € 300 per maand bedragen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding van € 300 per maand aan de man moet betalen, met ingang van 15 mei 2025.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.47.

De rechtbank verklaart de beslissingen ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen direct gelden ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing over de echtscheiding zelf verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is.

5De beslissing

De rechtbank:

5.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] ;

5.2.

bepaalt dat de minderjarige kinderen:

- [naam kind 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [naam kind 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;

5.3.

stelt vast als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken dat [kind 1] en [kind 2] bij de man verblijven:

- drie aaneengesloten weekenden van vrijdag na school tot zondagavond 18:00 uur;

- tijdens de vakanties en feestdagen:

o drie weken in de zomervakantie;

o een week in de meivakantie;

o een week in de kerstvakantie;

o de weekenden dat de kinderen bij de vrouw verblijven terwijl zij niet extern op vakantie gaan;

in onderling overleg door partijen nader te bepalen;

5.4.

bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] een bedrag van € 324 per kind per maand moet betalen aan de vrouw, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

5.5.

bepaalt dat de vrouw tegenover de man gedurende 6 maanden na de inschrijving van deze beschikking het recht heeft in de woning aan de [woondadres] te [postcode] [woonplaats] te blijven wonen en de zaken die bij die woning en tot de inboedel daarvan behoren te blijven gebruiken;

5.6.

neemt op de onderlinge regeling van partijen over de verdeling van huwelijksgemeenschap, die inhoudt dat:

5.6.1.

aan de vrouw worden toegedeeld de volgende inboedelgoederen:

 plafondventilator

 statafel

 houten staande lamp

 4 houten krukjes

 1 persoons matras

 50% speelgoed

 schroefmachine

 babyslaapkamer

 pannenset

 radio

 cavia’s

 bruidskist

 hoofdkussens

de overige inboedelgoederen (die zullen achterblijven in de echtelijke woning) worden toegedeeld aan de man, zonder nadere verrekening;

5.6.2.

de saldi van de volgende bankrekeningen:

 de bankrekening op naam van de vrouw bij Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 1] ;

 de spaarrekening op naam van de vrouw bij Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 2] ;

 de bankrekening op naam van de man bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer 3] ;

 de spaarrekening op naam van de man bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer 4] ;

 de bankrekening op naam van de man bij Ziraat Bankası (Turkije) met rekeningnummer [rekeningnummer 5] ;

op de peildatum zullen bij helfte worden verdeeld.

5.6.3.

de auto van het merk Suzuki Swift aan de vrouw wordt toegedeeld en de auto van het merk Renault aan de man wordt toegedeeld, zonder nadere verrekening

5.7.

bepaalt dat de man de vrouw inzage dient te verstrekken in de bankafschriften van:

 de bankrekening op naam van de man bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer 3] ;

 de spaarrekening op naam van de man bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer 4] ;

 de bankrekening op naam van de man bij Ziraat Bankası (Turkije) met rekeningnummer [rekeningnummer 5] ;

waaruit de saldi van die bankrekeningen op de peildatum blijken;

5.8.

gelast de navolgende wijze van verdeling van de woning aan de [woondadres] in [woonplaats] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening:

5.8.1.

partijen dienen uiterlijk binnen een week na de datum van deze beschikking aan BMV Makelaars in Arnhem een opdracht tot taxatie van de woning geven;

5.8.2.

de man dient binnen drie weken na ontvangst van het taxatierapport aan de vrouw schriftelijk kenbaar te maken of hij de woning daadwerkelijk zal overnemen;

5.8.3.

de man dient binnen vier maanden na ontvangst van het taxatierapport de financiering te regelen en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening te laten ontslaan;

5.8.4.

de juridische levering van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man vindt plaats bij de notaris, onder betaling van de helft van de overwaarde (taxatiewaarde minus de stand van de hypothecaire geldlening op de peildatum), uiterlijk binnen vijf maanden na ontvangst van het taxatierapport;

5.8.5.

indien de man de binnen de gestelde termijn bericht dat hij niet in staat is om de woning over te nemen, dan wel niet binnen de gestelde termijn schriftelijk heeft bericht dat hij in staat is de woning over te nemen, zal de woning door partijen te koop worden aangeboden door de makelaar die de taxatie heeft verricht;

5.8.6.

partijen dienen binnen twee weken nadat de hiervoor bedoelde omstandigheid zich voordoet een opdracht tot verkoop aan de makelaar te geven;

5.8.7.

partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen;

5.8.8.

indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;

5.8.9.

partijen zijn gehouden de (schriftelijke) aanwijzingen van de makelaar, waaronder de aanwijzingen over het verkoopklaar maken van de woning en de presentatie van de woning aan potentiële kopers, de vraagprijs, de laatprijs, het accepteren van biedingen, tussentijdse prijswijzigingen, de oplevertermijn en dergelijke, op te volgen;

5.8.10.

de vrouw dient een sleutel aan de makelaar ter beschikking te stellen voor het maken van foto’s en het kunnen houden van bezichtigingen;

5.8.11.

de vrouw dient de woning op orde te houden en aanwijzingen van de makelaar terzake op te volgen;

5.8.12.

partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen;

5.8.13.

als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan het opstellen en ondertekenen van de verkoopovereenkomst en de levering van de woning;

5.8.14.

na verkoop moet met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald; het restant moeten partijen bij helfte delen, met dien verstande dat het verschil tussen de hypotheekstand de op de peildatum en de uiteindelijke hypotheekstand toekomt aan de man;

5.8.15.

de verkoopkosten (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) zullen door partijen gezamenlijk gedragen worden, ieder voor de helft.

5.9.

bepaalt dat ieder van partijen in hun onderlinge verhouding de helft van de schuld bij Lender en Spender moet dragen;

5.10.

bepaalt dat de vrouw voor het gebruik van de woning met ingang van 15 mei 2025, tot aan de datum van notariële levering van het eigendomsdeel van de vrouw aan de man dan wel de notariële levering van de woning aan een derde, een vergoeding van € 300 per maand moet betalen aan de man;

5.11.

verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve de beslissing over de echtscheiding;

5.12.

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. B. Krijnen, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. V.D. van der Kooij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

-door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

-door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Bijlage 1:

[ Afbeelding verwijderd ter pseudonimisatie.]

Bijlage 2:

[ Afbeelding verwijderd ter pseudonimisatie.]

2

Bijlage 1: draagkracht van de man.

3

Bijlage 2: draagkracht van de vrouw.

4

Artikel 1:99 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek

5

Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).

6

Zie ook: Hof Den Bosch 11 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:34.


meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Meer fiscale opties pensioenverrekening samenwoners
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 06-05-2025
Jasper Horsthuis en Rob Welling gaan in gesprek over een recente uitbreiding van de fiscale mogelijkheden voor pensioenverrekening door samenwoners. Zij bepleiten een verdere verruiming van de regeling.
Podcastgesprek: Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente (II)
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 22-04-2025
De Belastingdienst heeft - opnieuw - een standpunt gepubliceerd over de fiscale afwikkeling van een lijfrentepolis bij echtscheiding. Rob Welling en Jasper Horsthuis bespreken de gevolgen hiervan.
Podcastgesprek: Breaking! Vóórhuwelijks vergoedingsrecht halveert niet!
Drs. Jasper Horsthuis en Rob Welling, 08-04-2025
Onze redacteur Jasper Horsthuis en scheidingsfiscalist Rob Welling gingen in gesprek over de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad op 21-03-2025. Super heldere uitleg over inhoud en gevolgen van de uitspraak!
Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN