Rechtbank Gelderland 06-08-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6293

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheiding met nevenvoorzieningen waarin hoofdverblijf kinderen bij moeder is bepaald en een zorgregeling van drie weekenden per vier weken voor vader is vastgesteld. Kinderalimentatie wordt vastgesteld op € 324 per kind per maand; partneralimentatie wordt afgewezen wegens gebrek aan draagkracht. Verdeling huwelijksgemeenschap: woning door vader te overnemen volgens spoorboekje; hypotheekaflossingen na peildatum komen hem toe. Bank- en inboedelafspraken vastgelegd. Verzoek bruidsgave/mihir wordt afgewezen omdat vordering in de gemeenschap valt, per saldo niets.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

'Mihir-overeenkomst': rechtens afdwingbare verplichting, symbolische afspraak of zit het toch anders?
Echtscheiding waarin vrouw aanspraak maakt op mihir-overeenkomst (bruidsgave van gouden munten en geldbedrag). Rb: partijen zijn in Nederlandse gemeenschap van goederen getrouwd. Aparte overeenkomst niet mogelijk; niets te vorderen.

Datum publicatie12-08-2026
ZaaknummerC/05/442062
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Titel 7 Wettelijke gemeenschap van goederen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen. Bij de verdeling van de woning wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat de man na de peildatum in zijn eentje de aflossingen op de hypothecaire geldlening heeft gedragen. De rechtbank wijst af de vordering van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling/afgifte van de bruidsgave (mihir) die is overeengekomen in een huwelijkscontract bij het aangaan van het huwelijk. De vrouw heeft op basis van het huwelijkscontract weliswaar een zelfstandige vordering op de man, maar omdat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime valt de vordering van de vrouw in de huwelijksgemeenschap en zijn partijen ieder gerechtigd tot de helft daarvan. Ook dient ieder van partijen voor de helft de verplichting van de man aan de vrouw te dragen. Dat betekent dat partijen per saldo niks van elkaar te vorderen hebben.

Volledige uitspraak


beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/442062 / ES RK 24-436 (echtscheiding)

C/05/458874 / FA RK 25-3695 (verdeling)

Datum uitspraak: 6 augustus 2026

beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen

in de zaak van

[naam vrouw] (hierna: de vrouw),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. B. Anik te Arnhem,

tegen

[naam man] (hierna: de man),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. C.L. Berkel te Veenendaal.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 4 oktober 2024;

  • het exploot van betekening van 11 oktober 2024;

  • het verweerschrift van de man, met zelfstandige verzoeken, ontvangen op 31 januari 2025;

  • het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man, ontvangen op 28 februari 2025;

  • de brief van mr. Berkel van 27 mei 2025;

  • het nader verweerschrift van de man, met bijlagen, ontvangen op 24 juni 2025;

  • het aanvullend verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 19 augustus 2025;

  • het journaalbericht met bijlage van mr. Anik van 20 augustus 2025;

  • het nader verweerschrift van de man, met bijlagen, ontvangen op 8 oktober 2025;

  • de brief met bijlagen van mr. Anik, houdende een wijziging van de verzoeken van de vrouw, ontvangen op 18 juni 2026;

  • de brief van mr. Berkel van 19 juni 2026;

  • het nader verweerschrift van de man, met bijlagen, ontvangen op 19 juni 2026;

  • het nader aanvullend verweerschrift van de man, met bijlage, ontvangen op 23 juni 2026.

1.2.

De zaak is besproken op de zitting met gesloten deuren van 29 juni 2026. Daarbij waren de beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten, en een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

1.3.

Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de verzoeken van de man over de wijziging van de beschikking voorlopige voorzieningen en het verzoek van de vrouw om een voorlopige voorziening te treffen over partneralimentatie.

1.4.

De minderjarigen [kind 2] en [kind 1] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. [kind 2] en [kind 1] hebben geen gebruik gemaakt van de uitnodiging hun mening te geven.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] .

2.2.

Zij zijn de ouders van minderjarige kinderen:

  • [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

  • [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

2.3.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 15 mei 2025 heeft de rechtbank bepaald dat:

  • [kind 1] en [kind 2] bij de man verblijven iedere week van vrijdag 14.00 uur tot zondag 21.00 uur en dat zij iedere week van zondag 21.00 uur tot vrijdag 14.00 uur bij de vrouw verblijven;

  • de man met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige kinderen aan de vrouw zal betalen € 336 per kind per maand, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

  • bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van die beschikking bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen te [postcode] [woonplaats] , [woondadres] , met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden.

3Wat ligt voor?

3.1.

De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] te [geboorteplaats] , uit te spreken;

II. te bepalen dat de man met ingang van datum indiening verzoekschrift als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen voldoet een bedrag van € 443 per kind per maand;

III. te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 1615 bruto per maand zal voldoen, telkens bij vooruitbetaling, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht;

IV. te bepalen dat er een zorgregeling tussen de man en de kinderen zal gelden van drie weekenden per maand van vrijdag na school tot zondagavond 19:00 uur, alsmede de helft van alle schoolvakanties;

V. te bepalen dat de gezamenlijke koopwoning zal worden verdeeld conform het spoorboekje in randnummer 4 van het aanvullend verzoekschrift van 19 augustus 2025, te weten dat:

 de waarde van de woning wordt vastgesteld door een door partijen gezamenlijk aan te wijzen onafhankelijke NVM taxateur. De man dient drie namen van makelaars op te geven waaruit de vrouw een keuze kan maken.

 de man dient binnen drie weken na ontvangst van het taxatierapport aan verzoekster schriftelijk kenbaar te maken of hij de woning daadwerkelijk zal overnemen.

 de man dient binnen vier maanden na ontvangst van het taxatierapport de financiering te regelen en verzoekster uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening te laten ontslaan.

 de juridische levering van het aandeel van verzoekster in de woning aan de man vindt plaats bij de notaris, onder betaling van de overnamesom (de helft van de getaxeerde waarde minus de resterende hypotheekschuld), uiterlijk binnen vijf maanden na ontvangst van het taxatierapport.

 indien de man de woning niet binnen de gestelde termijn kan overnemen, wordt de woning binnen twee weken na het verstrijken van de gestelde termijn in overleg tussen partijen te koop aangeboden aan een derde, waarbij partijen hun volledige medewerking zullen verlenen aan de verkoop en levering, en de netto-opbrengst tussen partijen zal worden verdeeld bij helfte.

VI. de man te veroordelen tot betaling van € 15.000 aan de vrouw uiterlijk bij de verdeling van de woning bij de notaris, en tot overhandiging van vijf stukken Resat goud aan de vrouw door feitelijke bezitsverschaffing uiterlijk bij de verdeling van de woning bij de notaris, en in aanwezigheid (ten overstaan) van de notaris aan de vrouw;

VII. te bepalen dat de saldi van de bankrekeningen per peildatum bij helfte verdeeld worden en de man veroordeeld wordt tot overlegging van zijn bankafschriften van zijn bankrekeningen zowel in Nederland als in Turkije voor zes maanden voor de peildatum, waarna partijen over dienen te gaan tot verrekening van de saldi;

VIII. te bepalen dat de inboedelgoederen conform de lijst in de brief van de vrouw van 17 juni 2026 aan de vrouw toegedeeld zal worden;

IX. te bepalen dat de auto van het merk Suzuki Swift aan de vrouw wordt toegedeeld en de auto van het merk Renault aan de man wordt toegedeeld, zonder nadere verrekening;

X. te bepalen dat de vrouw het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toegekend krijgt voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheiding.

3.2.

De man verzoekt:

I. de echtscheiding tussen partijen uit te spreken als verzocht door de vrouw;

II. te bepalen dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de man zal zijn, zodra hij weer kan beschikken over het gebruik van de echtelijke woning, met een te bepalen zorgregeling voor de vrouw, die onder de gegeven omstandigheden het meest passend is vanuit het belang van de kinderen die een sterke behoefte hebben aan structuur en zorg. Hoe die zorgregeling er dan in concreto uit kan zien dient des nodig op basis van een door de Raad voor de Kinderbescherming uit te voeren onderzoek worden bepaald;

III. voorwaardelijk, voor het geval de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw wordt vastgesteld, te bepalen dat de man een zorgtaak voor beide kinderen krijgt op basis van drie aaneengesloten weekenden van vrijdag na school tot zondagavond 18:00 uur, met een weekend vrij, onder de voorwaarde dat de vrouw de man kenbaar makt hoe hij de vrouw kan bereiken bij incidenten en calamiteiten de kinderen aangaande;

IV. te bepalen dat de man de kinderen tijdens de vakanties en feestdagen opvangt en wel op basis van 3 weken zomervakantie, een week in de meivakantie, een week in de kerstvakantie en in de weekenden dat de kinderen bij de vrouw verblijven terwijl zij niet extern op vakantie gaan;

V. te bepalen dat de vrouw wordt gelast haar volle medewerking te verlenen aan de levering van haar eigendomsdeel in de voormalige echtelijke woning te [woonplaats] aan de [woondadres] , onder de opschortende voorwaarde dat de man de vrouw uiterlijk bij notariële levering haar aandeel in de (over)waarde van de woning zal uitkeren, waarbij de rechtbank nader bepaalt tegen welke datum de taxatiewaarde van de echtelijke woning kan worden bepaald;

VI. te bepalen dat bij de hiervoor genoemde levering de man met de vrouw kan en mag verrekenen hetgeen de man vanuit de verdeling van de vermogensbestanddelen van de vrouw nog te vorderen heeft;

VII. te bepalen dat de vrouw aan de man voor het gebruik van de woning bij uitsluiting van bewoning, per 15 mei 2025, dan wel tegen een nader in goede justitie te bepalen datum en tijdstip, tot aan de datum van notariële levering van het eigendomsdeel van de vrouw aan de man, althans voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen periode, aan de man een vergoeding verschuldigd zal zijn van € 600 per maand, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Echtscheiding

Ontvankelijkheid

4.1.

Op grond van artikel 815 lid 2 sub a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

4.2.

Hoewel partijen geen ondertekend ouderschapsplan bij de rechtbank hebben ingediend, acht de rechtbank hen ontvankelijk in het verzoek tot echtscheiding. Partijen hebben tegengestelde verzoeken gedaan over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en zijn het niet eens over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderalimentatie. Partijen hebben in aanloop naar de echtscheidingsprocedure geprobeerd met elkaar afspraken te maken in een mediationtraject gevolgd, maar dat traject is zonder positief resultaat beëindigd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze omstandigheden voldoende dat niet van partijen kan worden gevergd dat zij op dit moment samen in overleg een ouderschapsplan opstellen. De rechtbank zal partijen dan ook ontvangen in het echtscheidingsverzoek en beslissingen nemen in het belang van de kinderen.

4.3.

Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan, spreekt de rechtbank de echtscheiding uit.

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling

4.4.

De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man zal zijn zodra hij kan beschikken over de echtelijke woning. Hij maakt zich zorgen over de opvoedcapaciteiten van de vrouw en of zij wel een stabiele opvoeder voor de kinderen kan zijn, gelet op diverse incidenten die in het verleden hebben plaatsgevonden. [kind 1] is gediagnosticeerd met autisme en vraagt daardoor veel aandacht. Volgens de man is de vrouw niet in staat om op een goede manier op hem te reageren en hebben de vrouw en [kind 1] vaak ruzie. Ook heeft de man de indruk dat de vrouw de kinderen tegen hem opzet en hen teveel betrekt in de strijd tussen partijen, waardoor de kinderen in een loyaliteitsconflict belanden en niet meer alles tegen de man durven te zeggen. De vrouw heeft aangegeven dat zij zich niet herkend in deze stellingen van de man. Partijen hebben in het verleden ondersteuning gekregen bij de opvoeding van [kind 1] en er is geen reden om deze ondersteuning opnieuw in te zetten. Volgens de vrouw is het juist de man die niet bereid is om aanvullende hulpverlening voor [kind 1] op te starten. Door de vrouw is bijvoorbeeld een traject voor [kind 1] opgestart bij een kinderpsycholoog. De man stond daar niet voor open, terwijl de vrouw merkt dat [kind 1] baat heeft bij de gesprekken met de kinderpsycholoog en daardoor meer rust ervaart.

4.5.

De Raad heeft tijdens de zitting geadviseerd de situatie voor de kinderen zoveel mogelijk ongewijzigd te laten. De Raad heeft de indruk dat er veel strijd tussen partijen is en adviseert partijen daarom (alsnog) een ouderschapstraject op te starten om de onderlinge communicatie te verbeteren en rust te creëren. De kern van de problematiek lijkt in de toxische relatie tussen partijen te zitten en het is belangrijk dat wordt ingezet op het verbeteren van de onderlinge verhoudingen. Mede gelet op de problematiek van [kind 1] is het belangrijk dat de kinderen weer zoveel mogelijk rust in de situatie ervaren, voordat er een wijziging van de zorgregeling of een andere een voor de kinderen zeer merkbare verandering plaatsvindt. De Raad heeft verder naar voren gebracht dat zij, anders dan de man, op basis van de stukken en wat de man tijdens de zitting naar voren hebben gebracht geen aanleiding ziet om onderzoek te doen naar de vraag welke hoofdverblijfplaats en/of zorgregeling het meest in het belang van [kind 2] en [kind 1] is.

4.6.

De rechtbank ziet net als de Raad geen reden voor een raadsonderzoek. De rechtbank twijfelt er niet aan dat er in de relatie tussen partijen veel is gebeurd. De rechtbank begrijpt dat die incidenten hebben geleid tot zorgen bij de man. Op dit moment zijn er echter geen concrete aanwijzingen dat de vrouw niet in staat is om een veilige en stabiele thuissituatie voor de kinderen te bieden. De incidenten waar de man naar verwijst, hebben al een langere tijd geleden plaatsgevonden. Bovendien heeft de rechtbank tijdens de zitting van beide partijen de bereidheid gehoord om met elkaar in gesprek te gaan en in het belang van de kinderen de onderlinge spanningen te verminderen en te werken aan een betere communicatie. Het is nu belangrijk dat er rust en duidelijkheid komt voor de kinderen. De rechtbank zal daarom een beslissing nemen die aansluit bij de huidige situatie. De rechtbank zal bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben. Verder zal de rechtbank bepalen dat de kinderen drie van de vier weekenden per maand bij de man verblijven, zoals zij dat de afgelopen maanden ook gewend waren. Dat vindt de rechtbank het meest in het belang van de kinderen. Tot slot zal de rechtbank het verzoek van de man over de verdeling van de vakanties en feestdagen toewijzen, de vrouw heeft hier ook geen verweer tegen gevoerd. Ten aanzien van het verzoek over de bereikbaarheid van de vrouw voor de man, overweegt de rechtbank dat partijen met elkaar in gesprek zullen gaan over het verloop van de zorgregeling en de concrete invulling daarvan, waartoe ook afspraken over de bereikbaarheid van de andere ouder hoort. De rechtbank vindt het niet nodig om daar nu al een beslissing over te nemen. De rechtbank wijst het verzoek van de man daarom in zoverre af.

Kinderalimentatie

conclusie

4.7.

De rechtbank beslist dat de man vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een kinderalimentatie van € 324 per kind per maand aan de vrouw moet betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

ingangsdatum

4.8.

Omdat er in de beschikking van voorlopige voorzieningen al een beslissing is genomen over de door de man te betalen kinderalimentatie voor de duur van de echtscheidingsprocedure, hanteert de rechtbank als ingangsdatum de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

behoefte

4.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [kind 1] en [kind 2] in 2025 € 1.283 per maand bedroeg. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2026 € 1.342 per maand.

draagkracht partijen

4.10.

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van partijen genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien. 1

4.11.

Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1.365)].

draagkracht man

4.12.

Voor het bepalen van de draagkracht van de man rekent de rechtbank op basis van de overlegde aangifte inkomstenbelasting over 2025 met een belastbaar loon van € 56.692 per jaar. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat bij dit inkomen onvoldoende rekening wordt gehouden met de extra toeslagen en benefiet budgetten die door de werkgever van de man aan de man worden uitgekeerd. Deze toeslagen zitten immers verwerkt in de aangifte inkomstenbelasting. Ook ziet de rechtbank niet in waarom, zoals de vrouw heeft aangevoerd, de man geen gebruik zou mogen maken van zijn recht op ouderschapsverlof van vier uur per week. Hij heeft drie van de vier vrijdagen per maand de zorg voor de kinderen zodat hij die uren nodig heet. Ook heeft de man naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat hij al langere tijd recht heeft op en gebruik maakt van dit ouderschapsverlof, zo blijkt bijvoorbeeld uit een salarisspecificatie van de man uit 2022.

4.13.

De vrouw heeft verder aangevoerd dat naast het inkomen van de man uit loondienst gerekend moet worden met een inkomen uit vermogen van € 30.000 per jaar. Volgens de vrouw bezit de man diverse appartementen in Turkije, heeft hij daar een bankrekening en genereert hij rendement uit dit vermogen. De man heeft de stellingen van de vrouw echter gemotiveerd betwist. Hij heeft uitgelegd dat de panden in Turkije onderdeel zijn van een nog onverdeelde nalatenschap waarbij ook de zus en de moeder van de man erfgenaam zijn. De rechtbank acht het aannemelijk dat de man daardoor op dit moment niet de mogelijkheid heeft om zelfstandig over dit vermogen te beschikken en van hem kan dan ook niet gevergd worden dat hij met dit vermogen inkomen gaat genereren. Dat sprake zou zijn van verwijtbaar en voor herstel vatbaar inkomensverlies, zoals de vrouw heeft aangevoerd, volgt de rechtbank evenmin. Uit de overgelegde aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2023 tot en met 2025 blijkt namelijk dat de man de afgelopen jaren geen inkomen uit vermogen heeft ontvangen. Dat de man inkomen zou genereren uit het vermogen op zijn bankrekening in Turkije acht de rechtbank evenmin aannemelijk. De man heeft namelijk een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat er geen geld meer op deze rekening staat.

4.14.

Volgens de hiervoor vermelde formule heeft de man dan een draagkracht van € 778 per maand. 2

4.15.

Anders dan de man heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om bij de berekening van zijn draagkracht af te wijken van het hiervoor genoemde woonbudget. De man heeft aangevoerd dat hij na de beschikking voorlopige voorzieningen genoodzaakt was een chalet op een recreatiepark te huren tegen een huurprijs van € 1.250 per maand. Daarnaast draagt hij nog bij aan de woonlasten van de echtelijke woning van partijen. Volgens de man kampt hij daardoor met aanmerkelijk hogere werkelijke woonlasten dan het woonbudget van € 1.061 per maand. Het is de rechtbank echter gebleken dat partijen het in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap eens zijn dat de man de echtelijke woning over zal mogen nemen. Dat maakt dat de situatie van de man met hoge woonlasten, slechts tijdelijk is. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat de (toekomstige) woonlasten voor de echtelijke woning boven het woonbudget uitstijgen. Bovendien is al in het kader van de door de man verzochte wijziging van de voorlopige voorziening beoordeeld wat het gevolg van de door de man gestelde tijdelijke hogere woonlasten voor de te betalen kinderalimentatie is. De rechtbank ziet geen reden om in de bodemprocedure rekening te houden met deze extra woonlasten.

De rechtbank acht ook onvoldoende door de vrouw onderbouwd dat de man lagere woonlasten zou hebben dan het woonbudget van € 1.061 per maand. Het is namelijk nog niet bekend wat de woonlasten van de man zullen zijn wanneer hij de woning overneemt, omdat hij dan naar alle waarschijnlijkheid een extra hypothecaire geldlening zal moeten afsluiten. Dat de woonlasten van de man daardoor duurzaam aanmerkelijk lager zullen zijn van het woonbudget van € 1.061 per maand, is nog niet vast te stellen.

4.16.

De man heeft daarnaast aangevoerd dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de schulden die de man aflost, in totaal € 141 per maand. Het is de rechtbank gebleken dat de man € 111 per maand aflost op een lening die partijen zijn aangegaan voor de aankoop van de auto van partijen. Deze lening is echter ook opgevoerd als bestanddeel van de huwelijksgemeenschap van partijen en in dat kader zal de rechtbank een beslissing nemen over de onderlinge draagplicht van partijen over deze schuld. De rechtbank ziet daarom geen reden om in het kader van de draagkracht van de man voor kinderalimentatie nog rekening te houden met de maandelijkse aflossing van € 111 door de man.

De man heeft niet nader toegelicht waar de door hem opgevoerde last van € 30 per maand op ziet. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of sprake is van een niet-verwijtbare en niet-vermijdbare last aan de zijde van de man. Nu de man zijn stellingen op dit punt niet nader heeft onderbouwd, laat de rechtbank de door de man gestelde last van € 30 per maand buiten beschouwing.

draagkracht vrouw

4.17.

De vrouw ontvangt een WIA-uitkering van € 1.668,89 per maand, exclusief vakantietoeslag. Ook ontvangt de vrouw en kindgebonden budget van € 9.300 per jaar. Het NBI is dan € 2.207 per maand. 3

4.18.

Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de vrouw een draagkracht van € 126 per maand.

verdeling kosten

4.19.

Als partijen samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

4.20.

Een vergelijking is hier niet nodig omdat de man en de vrouw samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [kind 1] en [kind 2] . Hun gezamenlijke draagkracht is € 904 per maand, terwijl de kosten van de kinderen € 1.283 per maand zijn. Zij komen dus samen een bedrag van € 379 per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de man met € 778 per maand moet bijdragen in de kosten van [kind 1] en [kind 2] .

zorgkorting

4.21.

Omdat partijen de zorg voor [kind 1] en [kind 2] delen en de man gedurende de tijd dat de kinderen bij hem verblijven al voor een deel in natura in hun kosten voorziet, heeft de man recht op een zogenaamde zorgkorting. Gelet op de op dit moment geldende zorgregeling zal de rechtbank in redelijkheid uitgaan van een zorgkorting van 25% van de behoefte. Dat komt neer op een zorgkorting van € 321 per maand.

4.22.

De zorgkorting wordt in beginsel in mindering gebracht op het aandeel van de man in de kosten van [kind 1] en [kind 2] . Op deze regel wordt een uitzondering gemaakt als de draagkracht van partijen onvoldoende is om in de behoefte te voorzien. Het tekort wordt dan aan beide partijen voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dat de helft van het tekort (€ 189,50) in mindering komt op zijn zorgkorting. De door hem uiteindelijk te betalen bijdrage in de kosten van de man wordt dan als volgt berekend: (778 – (321 -/- 189,50) =) € 647 per maand, oftewel afgerond € 324 per kind per maand.

alimentatie vooruitbetalen

4.23.

De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

Partneralimentatie

4.24.

Bij de beoordeling van de verzoeken over de kinderalimentatie is gebleken dat partijen onvoldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [kind 1] en [kind 2] te voorzien. Dat betekent dat de man zijn volledige draagkracht moet aanwenden om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Hij heeft dan geen draagkracht meer om partneralimentatie te betalen. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw over de partneralimentatie daarom af.

De verdeling van de gemeenschap van goederen

4.25.

Partijen zijn vóór 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zonder het opmaken van huwelijkse voorwaarden. Dit betekent dat tussen hen de (toen geldende) wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestaat.

Peildatum

4.26.

Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 4 oktober 2024 ontbonden. 4Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd). In dit geval zijn dat de goederen en de schulden die aanwezig waren op 4 oktober 2024. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling.

Omvang van de ontbonden gemeenschap

4.27.

De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen.

4.28.

Partijen hebben de volgende bestanddelen van de gemeenschap naar voren gebracht:

  1. de woning aan de [woondadres] in [woonplaats] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening;

  2. inboedelgoederen;

  3. diverse bankrekeningen;

 de bankrekening op naam van de vrouw bij Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 1] ;

 de spaarrekening op naam van de vrouw bij Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 2] ;

 de bankrekening op naam van de man bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer 3] ;

 de spaarrekening op naam van de man bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer 4] ;

 de bankrekening op naam van de man bij Ziraat Bankası (Turkije) met rekeningnummer [rekeningnummer 5] ;

een auto van het merk Suzuki Swift met kenteken [kenteken 1] ;

een auto van het merk Renault Modus met kenteken [kenteken 2] ;

goud dat door familie van partijen tijdens de bruiloft aan partijen is geschonken;

het krediet bij Lender en Spender.

De woning

4.29.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man de gelegenheid krijgt om de woning over te nemen. Zij zijn het alleen niet eens over de waarde van de woning. De man heeft aangevoerd dat moet worden aangesloten bij de datum van het rapport van de taxatie die hij in augustus 2024 heeft laten uitvoeren van € 392.000. De vrouw is het daar niet mee eens en verzoekt de rechtbank te bepalen dat de woning opnieuw dient te worden getaxeerd door een onafhankelijke taxateur.

4.30.

Zoals hiervoor is overwogen, gaat de rechtbank voor de waarde van de goederen in beginsel uit van de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling. Op basis van wat de man heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken in die zin dat wordt aangesloten bij een peildatum die ruim anderhalf jaar in het verleden ligt. Dat de vrouw in de periode tussen augustus 2024 en de datum van deze beschikking de verdere afwikkeling van de huwelijksgemeenschap heeft belemmerd, zoals de man heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Op basis van de stellingen van partijen kan de rechtbank enkel concluderen dat de oplopende strijd tussen partijen de onderlinge samenwerking niet ten goede is gekomen en dat het daardoor niet is gelukt om in goed onderling overleg afspraken te maken over de gevolgen van de echtscheiding. De rechtbank ziet niet in waarom het onredelijk zou zijn dat de vrouw ook mee profiteert van de stijging van de waarde van de woning in de afgelopen anderhalf tot twee jaar.

4.31.

Ter zitting heeft de man ermee ingestemd dat, voor zover de rechtbank een nieuwe taxatie van de woning noodzakelijk zou vinden, partijen gezamenlijk opdracht voor taxatie van de woning zullen geven aan BMV Makelaars te Arnhem. De rechtbank zal zo beslissen. Omdat de man heeft aangegeven dat de verdere wijze van de verdeling van de woning kan plaatsvinden volgens het door de vrouw verzochte spoorboekje, wijst de rechtbank de verzoeken van de vrouw in zoverre toe. Daarbij overweegt de rechtbank dat bij overname van de woning door de man de vrouw zal moeten worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening en de man de helft van de overwaarde van de woning aan de vrouw zal moeten uitbetalen. Voor de berekening van deze overwaarde, is de hoogte van de openstaande hypotheek van belang. Omdat de vrouw niet heeft weersproken dat na de peildatum alleen de man nog heeft afgelost op de hypothecaire geldlening, is de rechtbank van oordeel dat de door de man te betalen overnamesom dient te worden berekend op basis van de taxatiewaarde van de woning minus de stand van de hypothecaire geldlening op de peildatum.

4.32.

Als de man de woning niet binnen de gestelde termijn kan overnemen, zal de rechtbank in lijn met het verzoek van de vrouw bepalen dat partijen binnen twee weken na het verstrijken van de gestelde termijn aan de makelaar die de taxatie heeft verricht een opdracht verlenen tot verkoop van de woning. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat partijen hun volledige medewerking dienen te verlenen aan de verkoop en levering. Indien partijen het onderling niet eens kunnen worden over de verkoopprijs, zal de makelaar bindend voor partijen mogen beslissen over de handelingen die partijen dienen te verrichten in het kader van de verkoop van de woning of de acceptatie van een bod van potentiële kopers. Omdat zoals gezegd enkel de man na oktober 2024 nog heeft afgelost op de hypothecaire geldlening, acht de rechtbank het redelijk dat het verschil tussen de stand van de hypothecaire geldlening op de peildatum en de daadwerkelijke hypotheekstand op het moment van de verkoop, toekomt aan de man. Dat betekent dat na verkoop de overwaarde wordt berekend aan de hand van de verkoopopbrengst minus de kosten van verkoop en de stand van de hypothecaire geldlening op de peildatum. Deze overwaarde dient bij helfte te worden gedeeld en het meerdere zal enkel toekomen aan de man. De rechtbank zal in de beslissing de wijze van verdeling gelasten en daarvoor een zogeheten spoorboekje opnemen waarin bovenstaande punten zijn verwerkt.

De inboedelgoederen

4.33.

Partijen hebben tijdens de zitting afspraken gemaakt over de verdeling van de inboedelgoederen, die inhouden dat aan de vrouw worden toegedeeld:

  • plafondventilator

  • statafel

  • houten staande lamp

  • 4 houten krukjes

  • 1 persoons matras

  • 50% speelgoed

  • schroefmachine

  • babyslaapkamer

  • pannenset

  • radio

  • cavia’s

  • bruidskist

  • hoofdkussens

en dat de overige inboedelgoederen (die zullen achterblijven in de echtelijke woning) worden toegedeeld aan de man, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal deze afspraken van partijen opnemen in de beschikking.

De saldi van diverse bankrekeningen

4.34.

Tussen partijen is niet in geschil dat de saldi van de bankrekeningen op naam van de man (in Nederland en in Turkije) en de bankrekeningen op naam van de vrouw op de peildatum bij helfte zullen worden verdeeld. De rechtbank zal deze afspraken van partijen opnemen in de beschikking. Ter zitting heeft de rechtbank partijen voorgehouden dat zij op basis van de door partijen overgelegde stukken niet kan afleiden wat de saldi van de diverse bankrekeningen op de peildatum waren en dat partijen elkaar daar over en weer inzage in dienen te verstrekken. De man heeft ter zitting ingestemd met het verstrekken van inzage aan de vrouw in de bankafschriften van zijn bankrekeningen waaruit de saldi op de peildatum blijken. Gelet op deze toezegging wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw om inzage in de bankrekeningen op naam van de man in zoverre (gedeeltelijk) toe.

4.35.

De vrouw heeft daarnaast verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw inzage moet geven in het verloop van zijn bankrekeningen in Nederland en in Turkije door middel van het overleggen van bankafschriften over de periode tot een half jaar voor de peildatum. De rechtbank stelt vast dat de vrouw geen belang heeft bij een beslissing op dit verzoek om inzage, omdat de echtscheidingsprocedure met deze beschikking wordt afgesloten en er geen concrete verzoeken (bijvoorbeeld over benadeling van de gemeenschap door de man) in deze procedure aan de rechtbank voorliggen. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.

De auto’s

4.36.

Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat de auto van het merk Suzuki Swift aan de vrouw wordt toegedeeld en de auto van het merk Renault aan de man wordt toegedeeld, zonder nadere verrekening. De rechtbank zal deze afspraak van partijen opnemen in de beschikking.

Goud (geschonken tijdens de bruiloft)

4.37.

De man heeft aangevoerd dat partijen tijdens de bruiloft diverse gouden sieraden en munten geschonken hebben gekregen. Volgens de man werd dit goud bewaard bij de ouders van de vrouw en was dit nog aanwezig op de peildatum. Hoewel de man geen concreet verzoek (in een petitum) aan de rechtbank heeft gedaan over de verdeling van dit goud, begrijpt de rechtbank op basis van de stellingen van de man dat hij van mening is dat de helft van het goud aan de man dient te worden toegedeeld. De vrouw heeft echter betwist dat er nog goud te verdelen is. Zij voert aan dat het goud tijdens het huwelijk van partijen is uitgegeven/ingeruild, onder meer om de verbouwing van de badkamer te financieren. Omdat de man zijn stellingen over de aanwezigheid van goud op de peildatum niet nader heeft onderbouwd, kan de rechtbank niet vatstellen dat er op de peildatum nog goud aanwezig was en hoeveel. De rechtbank kan daarom ook niet beslissen over de verdeling daarvan, en wijst het verzoek van de man af. Daarbij overweegt de rechtbank dat, zoals ook tijdens de zitting naar voren is gekomen, voor zover blijkt dat er nog wel goud aanwezig was op de peildatum en de vrouw dit voor de man heeft verzwegen, op grond van artikel 3:194 BW het goud geheel toekomt aan de man.

Het krediet bij Lender en Spender

4.38.

De rechtbank zal bepalen dat ieder van partijen in hun onderlinge verhouding de helft van de schuld bij Lender en Spender moet dragen. Dat de specifieke overeenkomst van krediet bij Lender en Spender bij de vrouw onbekend was, acht de rechtbank daarbij niet relevant. De vrouw heeft tijdens de zitting namelijk aangegeven dat zij er wel van op de hoogte is dat partijen een krediet hebben afgesloten voor de financiering van de auto. Bovendien staat vast dat dit krediet is afgesloten tijdens het huwelijk en op grond van artikel 1:100 BW zijn partijen dan ieder voor de helft draagplichtig voor deze schuld.

4.39.

Tijdens de zitting is besproken dat bij de overdracht van de woning bij de notaris aan de man of aan een derde het resterende krediet in één keer kan worden afgelost, waarna de man een regresvordering op de vrouw heeft ter hoogte van de helft van de door hem gedragen aflossingen in de periode tussen de peildatum en het moment van overdracht van de woning. De rechtbank kan hier echter geen verdere beslissing over nemen, omdat hier geen concrete verzoeken over zijn gedaan aan de rechtbank.

De mihir-overeenkomst

4.40.

De vrouw heeft aangevoerd dat partijen ten tijde van de huwelijkssluiting zijn overeengekomen dat de man een bruidsgave (mihir) aan de vrouw zou voldoen, bestaande uit vijf stukken Reşat-goud en een geldbedrag van € 15.000. Volgens de vrouw is de man deze overeenkomst nooit nagekomen, en heeft de vrouw dus nog een vordering op de man. De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw. Hij stelt (kort samengevat) dat de inhoud van de overeenkomst slechts symbolisch is en dat partijen deze overeenkomst enkel ‘voor de bühne’ zijn aangegaan.

4.41.

De rechtbank overweegt dat het bij de uitleg van de overeenkomst niet alleen aankomt op de bewoordingen in de overeenkomst, maar dat het gaat om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en aan hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. 5 Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

4.42.

Door beide partijen is een vertaling van het islamitisch huwelijkscontract overgelegd. Hoewel de man tijdens de zitting de juistheid van de door de vrouw overgelegde vertaling heeft bestreden, overweegt de rechtbank dat uit beide vertalingen blijkt dat partijen bij de huwelijkssluiting een bruidsgave zijn overeengekomen bestaande uit gouden munten en een geldsom van € 15.000. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van deze vertaling en de door de man aangevoerde omstandigheden onvoldoende worden afgeleid dat deze overeenkomst slechts symbolisch is geweest en dat het nooit de bedoeling van partijen is geweest om hier uitvoering aan te geven. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de man wisselend heeft verklaard over de vraag in hoeverre de bruidsgave al aan de vrouw is toegekomen. De man heeft namelijk ter zitting naar voren gebracht dat de vrouw op de bruiloft van partijen al gouden munten van de man heeft ontvangen, en dat dit ook te zien is op de foto’s. De man heeft daarbij echter niet duidelijk kunnen maken of dit goud aan de vrouw is toegekomen uit hoofde van de door partijen gesloten overeenkomst of dat het goud (bij wijze van bruidsschat) door de familie van de man aan de vrouw zijn geschonken. Voor zover de man hiermee heeft bedoeld dat al deels uitvoering is gegeven aan de overeenkomst, strookt dat niet met de stelling van de man dat de overeenkomst slechts symbolische waarde had en partijen nooit de intentie hadden om daar daadwerkelijk uitvoering aan te geven. De rechtbank volgt de vrouw daarom in haar stelling dat zij op basis van het huwelijkscontract een zelfstandige vordering op de man heeft en dat hier tot op heden nog geen uitvoering aan is gegeven.

4.43.

De rechtbank overweegt verder dat op de verdeling van de huwelijksgemeenschap Nederlands recht van toepassing is. Dat heeft dat tot gevolg dat zowel de vordering van de vrouw op de man ter zake van de bruidsgave in de (wettelijke algehele) huwelijksgemeenschap valt, als dat de schuld van de man aan de vrouw ter zake van de bruidsgave in die gemeenschap valt. 6 Naar Nederlandse recht is het niet mogelijk om door middel van een overeenkomst te bepalen dat een door de vrouw van de man te ontvangen bruidsgave buiten de gemeenschap van goederen van partijen valt. Indien partijen de door de vrouw te ontvangen bruidsgave van de wettelijke gemeenschap van goederen wilden uitzonderen, had het op hun weg gelegen om dit bij huwelijkse voorwaarden te bepalen. Dat hebben partijen niet hebben gedaan, waardoor partijen ingevolge art. 1:100 BW een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap hebben. Dat betekent dat ieder van partijen gerechtigd is tot de helft van de vordering van de vrouw op de man, maar ieder van partijen ook voor de helft de verplichting van de man aan de vrouw moeten dragen. Per saldo hebben partijen dan niks meer van elkaar te vorderen. Om die reden wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw af.

Voortgezet gebruik

4.44.

De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de woning gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheiding. De rechtbank wijst het verzoek toe, omdat zij het aannemelijk vindt dat de vrouw tijd nodig heeft om een andere woning te vinden. De vrouw heeft namelijk aangevoerd dat zij pas aanspraak kan maken op urgentie bij de gemeente op het moment dat de echtscheiding definitief is geworden door inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Dat de vrouw al langere tijd weet dat zij op zoek zal moeten naar een andere woning en het onredelijk zou zijn als zij nog langer in de woning mag blijven wonen, zoals de man heeft aangevoerd, volgt de rechtbank niet. Nu tussen partijen de waarde van de woning nog in geschil is en niet duidelijk is of de man in staat zal zijn de woning over te nemen, en de echtscheidingsprocedure nog niet is afgerond, kan naar het oordeel van de rechtbank aan de vrouw niet worden verweten dat zij nog niet actief op zoek is gegaan naar een alternatieve woning. Ook overweegt de rechtbank dat hoewel de man de woning wenst over te nemen, hij zelf niet heeft verzocht om het voortgezet gebruik van de woning en momenteel al over een alternatieve verblijfplaats beschikt waar hij met de kinderen kan verblijven. Daaruit blijkt voor de rechtbank niet een acuut belang voor de man om op kortere termijn de echtelijke woning weer te kunnen betrekken. Tot slot weegt de rechtbank mee dat voor zover de man in staat is om de woning over te nemen, er nog enige tijd overheen zal gaan tot het moment van levering van de woning aan de man. De woning dient namelijk nog te worden getaxeerd en vervolgens krijgt de man nog een aantal maanden de gelegenheid om te onderzoeken of hij in staat is de woning over te nemen. De rechtbank ziet geen reden om te bepalen dat de vrouw al voor die tijd uit de woning zal moeten vertrekken. In het geval de man de woning niet over kan nemen, zal de woning moeten worden verkocht en ligt het ook voor de hand dat de vrouw met de kinderen tot het moment van verkoop van de woning aan een derde in de woning kan verblijven.

Gebruiksvergoeding

4.45.

De man verzoekt te bepalen dat de vrouw vanaf 15 mei 2025 tot aan datum van notariële levering van de woning aan de man een gebruiksvergoeding moet betalen gelijk aan de hypotheeklasten vermeerderd met de dagelijkse gebruikskosten, door de man begroot op
€ 600 per maand. De rechtbank overweegt dat omdat de vrouw op dit moment in de echtelijke woning verblijft, het de rechtbank het redelijk voorkomt dat de vrouw daar een vergoeding voor aan de man betaalt. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat het onredelijk zou zijn dat de man een gebruiksvergoeding verzoekt nu partijen in een eerder stadium zijn overeengekomen dat de man alle lasten van de echtelijke woning zou blijven betalen en de vrouw in ruil daarvoor geen partneralimentatie zou verzoeken. De vrouw heeft immers in deze procedure (ook alsnog) partneralimentatie van de man verzocht.

4.46.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man sinds 15 mei 2025 (onder meer) de gebruikslasten voor de woning voldoet, bijvoorbeeld de hypotheekrente, terwijl alleen de vrouw op dit moment de echtelijke woning gebruikt. De rechtbank volgt daarom het verzoek van de man om de door de vrouw te betalen gebruiksvergoeding te baseren op het aandeel van de man in de gebruikslasten van de woning. De rechtbank ziet echter geen reden om bij de bepaling van de gebruiksvergoeding ook nog rekening te houden met de door de man betaalde aflossingen op de hypothecaire geldlening. Hier wordt namelijk al rekening mee gehouden bij de levering van de woning aan de man of aan een derde doordat daarbij de stand van de hypothecaire geldlening op de peildatum als uitgangspunt wordt genomen voor het bepalen van de door de man te betalen overnamesom of de berekening van de te verdelen overwaarde. De door de man verzochte vergoeding van € 600 per maand komt de rechtbank daarom te hoog voor. Omdat de man niet verder concreet heeft gemaakt welk deel van de vergoeding van € 600 ziet op de door de man voor de vrouw betaalde eigenaarslasten en welk deel op de gebruikslasten, gaat de rechtbank er schattenderwijs vanuit dat deze lasten ongeveer € 300 per maand bedragen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding van € 300 per maand aan de man moet betalen, met ingang van 15 mei 2025.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.47.

De rechtbank verklaart de beslissingen ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen direct gelden ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing over de echtscheiding zelf verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is.

5De beslissing

De rechtbank:

5.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] ;

5.2.

bepaalt dat de minderjarige kinderen:

- [naam kind 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

- [naam kind 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;

5.3.

stelt vast als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken dat [kind 1] en [kind 2] bij de man verblijven:

- drie aaneengesloten weekenden van vrijdag na school tot zondagavond 18:00 uur;

- tijdens de vakanties en feestdagen:

o drie weken in de zomervakantie;

o een week in de meivakantie;

o een week in de kerstvakantie;

o de weekenden dat de kinderen bij de vrouw verblijven terwijl zij niet extern op vakantie gaan;

in onderling overleg door partijen nader te bepalen;

5.4.

bepaalt dat de man met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] een bedrag van € 324 per kind per maand moet betalen aan de vrouw, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

5.5.

bepaalt dat de vrouw tegenover de man gedurende 6 maanden na de inschrijving van deze beschikking het recht heeft in de woning aan de [woondadres] te [postcode] [woonplaats] te blijven wonen en de zaken die bij die woning en tot de inboedel daarvan behoren te blijven gebruiken;

5.6.

neemt op de onderlinge regeling van partijen over de verdeling van huwelijksgemeenschap, die inhoudt dat:

5.6.1.

aan de vrouw worden toegedeeld de volgende inboedelgoederen:

 plafondventilator

 statafel

 houten staande lamp

 4 houten krukjes

 1 persoons matras

 50% speelgoed

 schroefmachine

 babyslaapkamer

 pannenset

 radio

 cavia’s

 bruidskist

 hoofdkussens

de overige inboedelgoederen (die zullen achterblijven in de echtelijke woning) worden toegedeeld aan de man, zonder nadere verrekening;

5.6.2.

de saldi van de volgende bankrekeningen:

 de bankrekening op naam van de vrouw bij Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 1] ;

 de spaarrekening op naam van de vrouw bij Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer 2] ;

 de bankrekening op naam van de man bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer 3] ;

 de spaarrekening op naam van de man bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer 4] ;

 de bankrekening op naam van de man bij Ziraat Bankası (Turkije) met rekeningnummer [rekeningnummer 5] ;

op de peildatum zullen bij helfte worden verdeeld.

5.6.3.

de auto van het merk Suzuki Swift aan de vrouw wordt toegedeeld en de auto van het merk Renault aan de man wordt toegedeeld, zonder nadere verrekening

5.7.

bepaalt dat de man de vrouw inzage dient te verstrekken in de bankafschriften van:

 de bankrekening op naam van de man bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer 3] ;

 de spaarrekening op naam van de man bij ABN AMRO met rekeningnummer [rekeningnummer 4] ;

 de bankrekening op naam van de man bij Ziraat Bankası (Turkije) met rekeningnummer [rekeningnummer 5] ;

waaruit de saldi van die bankrekeningen op de peildatum blijken;

5.8.

gelast de navolgende wijze van verdeling van de woning aan de [woondadres] in [woonplaats] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening:

5.8.1.

partijen dienen uiterlijk binnen een week na de datum van deze beschikking aan BMV Makelaars in Arnhem een opdracht tot taxatie van de woning geven;

5.8.2.

de man dient binnen drie weken na ontvangst van het taxatierapport aan de vrouw schriftelijk kenbaar te maken of hij de woning daadwerkelijk zal overnemen;

5.8.3.

de man dient binnen vier maanden na ontvangst van het taxatierapport de financiering te regelen en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening te laten ontslaan;

5.8.4.

de juridische levering van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man vindt plaats bij de notaris, onder betaling van de helft van de overwaarde (taxatiewaarde minus de stand van de hypothecaire geldlening op de peildatum), uiterlijk binnen vijf maanden na ontvangst van het taxatierapport;

5.8.5.

indien de man de binnen de gestelde termijn bericht dat hij niet in staat is om de woning over te nemen, dan wel niet binnen de gestelde termijn schriftelijk heeft bericht dat hij in staat is de woning over te nemen, zal de woning door partijen te koop worden aangeboden door de makelaar die de taxatie heeft verricht;

5.8.6.

partijen dienen binnen twee weken nadat de hiervoor bedoelde omstandigheid zich voordoet een opdracht tot verkoop aan de makelaar te geven;

5.8.7.

partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen;

5.8.8.

indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;

5.8.9.

partijen zijn gehouden de (schriftelijke) aanwijzingen van de makelaar, waaronder de aanwijzingen over het verkoopklaar maken van de woning en de presentatie van de woning aan potentiële kopers, de vraagprijs, de laatprijs, het accepteren van biedingen, tussentijdse prijswijzigingen, de oplevertermijn en dergelijke, op te volgen;

5.8.10.

de vrouw dient een sleutel aan de makelaar ter beschikking te stellen voor het maken van foto’s en het kunnen houden van bezichtigingen;

5.8.11.

de vrouw dient de woning op orde te houden en aanwijzingen van de makelaar terzake op te volgen;

5.8.12.

partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen;

5.8.13.

als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan het opstellen en ondertekenen van de verkoopovereenkomst en de levering van de woning;

5.8.14.

na verkoop moet met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald; het restant moeten partijen bij helfte delen, met dien verstande dat het verschil tussen de hypotheekstand de op de peildatum en de uiteindelijke hypotheekstand toekomt aan de man;

5.8.15.

de verkoopkosten (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) zullen door partijen gezamenlijk gedragen worden, ieder voor de helft.

5.9.

bepaalt dat ieder van partijen in hun onderlinge verhouding de helft van de schuld bij Lender en Spender moet dragen;

5.10.

bepaalt dat de vrouw voor het gebruik van de woning met ingang van 15 mei 2025, tot aan de datum van notariële levering van het eigendomsdeel van de vrouw aan de man dan wel de notariële levering van de woning aan een derde, een vergoeding van € 300 per maand moet betalen aan de man;

5.11.

verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve de beslissing over de echtscheiding;

5.12.

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. B. Krijnen, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. V.D. van der Kooij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

-door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

-door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Bijlage 1:

[ Afbeelding verwijderd ter pseudonimisatie.]

Bijlage 2:

[ Afbeelding verwijderd ter pseudonimisatie.]

2

Bijlage 1: draagkracht van de man.

3

Bijlage 2: draagkracht van de vrouw.

4

Artikel 1:99 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek

5

Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).

6

Zie ook: Hof Den Bosch 11 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:34.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733