ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Rechtbank Gelderland 12-06-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5967

Essentie (gemaakt door AI)

Toewijzing inzageverzoek nabestaande op grond van artikelen 194 en 195 Rv. Verzoeker heeft voldoende belang; gevraagde gegevens zijn bepaald en bij Caleidoz voorhanden. Geen gronden voor ontheffing informatieverplichting: geen (afgeleid) functioneel verschoningsrecht voor jongerenwerkers en geen zwaarwegende belangen in de zin van artikel 194 lid 2 Rv. Deels afwijzing voor reeds verstrekte protocollen (artikel 3:303 BW). Toewijzing van verzoek voorlopig getuigenverhoor op grond van artikel 196 Rv. Veroordeelt Caleidoz in de proceskosten.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Nabestaande krijgt inzage in dossier jongerenwerk: geen functioneel verschoningsrecht
Rb geeft vader van overleden dochter inzage in dossier van welzijnsorganisatie en gelast voorlopig getuigenverhoor. Geen (afgeleid) functioneel verschoningsrecht jongerenwerkers en geen zwaarwegende belangen als bedoeld in art. 194 lid 2 Rv.

Datum publicatie22-07-2026
Zaaknummer453961
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Toewijzing inzageverzoek nabestaande op grond van artikelen 194 en 195 Rv. Geen gronden voor ontheffing informatieverplichting; geen (afgeleid) functioneel verschoningsrecht of het bestaan van zwaarwegende belangen in de zin van artikel 194 lid 2 Rv. Toewijzing van verzoek voorlopig getuigenverhoor op grond van artikel 196 Rv.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Gelderland

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer / rekestnummer: C/05/453961 / HA RK 25-86

Beschikking van 12 juni 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij, hierna: [verzoeker] ,

advocaten: mrs. L.A.P. Arends en M. Swelsen,

tegen

de stichting STICHTING CALEIDOZ,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Zevenaar,

verwerende partij, hierna: Caleidoz,

advocaat: mr. D.J.P. van Barneveld.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 25 juni 2025 met 13 producties,

- het verweerschrift, ingekomen op 14 januari 2026, met 4 producties,

- de mondelinge behandeling van 27 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij door mrs. Arends en Swelsen namens [verzoeker] pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2De feiten

2.1.

[verzoeker] is de vader van de in 2005 geboren [dochter] (hierna: [dochter] ). [dochter] kampte in haar jonge tienerjaren met faalangst, terugkerende depressieve klachten, gedachten aan zelfbeschadiging en gedachten aan zelfdoding. In 2014 zijn haar ouders uit elkaar gegaan. [dochter] had veel moeite met de scheiding. De huisartsenpraktijk heeft [dochter] in verband met haar klachten doorverwezen voor ondersteuning.

2.2.

In 2018 maakte [dochter] kennis met de jongerenwerkers van Caleidoz, die werkten op de school van [dochter] . Caleidoz is een welzijnsorganisatie in de gemeenten Zevenaar en Doesburg, die een laagdrempelige vorm van contact biedt aan jongeren. [dochter] kwam vanaf dat moment regelmatig langs bij de twee jongerenwerkers met wie ze een klik had (hierna: de jongerenwerkers), en er ontstond een hechte band. [dochter] heeft in die periode aan de twee jongerenwerkers van Caleidoz kenbaar gemaakt dat zij het leven zwaar vond. Vanaf 2019 tot haar overlijden in [maand] 2022 had [dochter] naast telefonische contacten en contacten in persoon, ook veelvuldig WhatsApp-contact met de jongerenwerkers.

2.3.

In maart 2019 heeft [dochter] de huisarts bezocht, samen met haar moeder, in verband met verergerde psychische klachten. Samen is besloten dat [dochter] zou doorgaan met het lopende ondersteuningstraject. Er heeft beperkt diagnostiek plaatsgevonden.

2.4.

Begin 2020 heeft [dochter] samen met haar moeder opnieuw de huisartsenpraktijk bezocht. Haar psychische klachten waren verergerd en haar middelengebruik was toegenomen. De huisarts heeft [dochter] toen op haar verzoek verwezen naar Yes We Can Clinics (hierna: YWCC). YWCC behandelt jongeren van 13 tot en met 17 jaar met psychische problemen, verslavingen en gedragsproblemen.

2.5.

Vanaf de zomer van 2020 heeft [dochter] een intensieve behandeling gevolgd in een kliniek van YWCC. Daarna, begin 2021, is [dochter] door de huisarts, op advies van YWCC, doorverwezen naar een praktijk voor orthopedagogiek, namelijk Prakijk Denktank B.V. (hierna: Praktijk Denktank) voor een EMDR-behandeling. Na afronding van de EMDR-behandeling, heeft Praktijk Denktank [dochter] geadviseerd om Acceptance and Commitment Therapy te volgen, maar deze behandeling is niet van de grond gekomen.

2.6.

In het najaar van 2021 zijn de omvang van het middelengebruik van [dochter] en de ernst van haar psychische (somberheids)klachten toegenomen. In november 2021 heeft [dochter] de huisarts bezocht, samen met een jongerenwerker van Caleidoz. De huisarts heeft [dochter] verwezen naar de praktijkondersteuner jeugd, voor een verdere oriëntatie op de klachten. De verwijzing van de huisarts was beknopt en vermeldde niet welke verwachting de huisarts had van de praktijkondersteuner. [dochter] zou binnen twee weken worden benaderd door de praktijkondersteuner jeugd.

De praktijkondersteuner jeugd is in dienst van de gemeente ( [gemeentenaam] ) en wordt gedetacheerd bij huisartsenprakijken.

2.7.

In deze periode hebben de jongerenwerkers van Caleidoz contact gezocht met de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar. Die ondersteunde de gekozen route richting de huisarts en de praktijkondersteuner jeugd.

2.8.

Vier weken na het consult, het is dan december 2021, heeft de praktijkondersteuner jeugd nog geen contact opgenomen met [dochter] . De jongerenwerker heeft hierover navraag gedaan bij de huisarts, die de praktijkondersteuner jeugd vervolgens een herinnering heeft gestuurd per e-mail. De praktijkondersteuner jeugd heeft een afspraak gemaakt met [dochter] voor een week later. [dochter] is niet op deze afspraak verschenen. De praktijkondersteuner heeft [dochter] diezelfde dag gebeld. [dochter] heeft aan de telefoon gezegd dat zij nazorg van YWCC volgt en dat begeleiding door de praktijkondersteuner niet meer nodig is. De praktijkondersteuner jeugd heeft deze informatie niet bij de huisarts of het YWCC geverifieerd. Ze heeft de huisarts per e-mail gemeld dat begeleiding van [dochter] niet nodig is en het dossier gesloten.

2.9.

In januari 2022 hebben de jongerenwerkers van Caleidoz ontdekt dat [dochter] niet naar de afspraak met de praktijkondersteuner jeugd is gegaan. Opnieuw heeft [dochter] hen verteld dat het slecht met haar gaat, dat ze zichzelf beschadigde en dat ze suïcidale gedachtes had.

2.10.

In februari 2022 heeft [dochter] de huisarts opnieuw bezocht samen met één van de jongerenwerkers. De huisarts heeft [dochter] vervolgens opnieuw doorverwezen naar de praktijkondersteuner jeugd en aangedrongen om dit keer echt te gaan. Ook deze tweede verwijzing van de huisarts aan de praktijkondersteuner was beknopt en vermeldde niet welke verwachting de huisartsenpraktijk had van de praktijkondersteuner. Toen de praktijkondersteuner vroeg om de reden van aanmelding, heeft de huisarts informatie over het consult nagestuurd.

2.11.

Twee weken na het consult had [dochter] nog geen bericht ontvangen van de praktijkondersteuner jeugd. [dochter] heeft navraag gedaan bij de huisarts, die haar heeft verteld dat de wachttijd bij de praktijkondersteuner is opgelopen tot vier weken. De huisarts heeft de praktijkondersteuner jeugd gemaild met het verzoek om contact op te nemen met [dochter] . De praktijkondersteuner jeugd bleek langdurig afwezig wegens ziekte, en haar vervanger kon niet in de dossiers van de collega die ze verving.

2.12.

Begin april 2022 hebben de jongerenwerkers van Caleidoz hun zorgen over het middelengebruik en de somberheid van [dochter] gedeeld met een medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] , die aanwezig was op de school van [dochter] .

2.13.

Half april 2022 heeft [dochter] de (vervangend) praktijkondersteuner jeugd bezocht voor een intake, samen met een jongerenwerker van Caleidoz. De (vervangend) praktijkondersteuner jeugd kon niet in het dossier van [dochter] . Zij heeft vervolgens overlegd met de senior-medewerker van het wijkteam, vanwege de complexe problematiek van [dochter] en de veelheid aan hulp die in het verleden is ingezet.

2.14.

Op [overlijdensdatum] heeft [dochter] zelfmoord gepleegd. [dochter] is dan 17 jaar. Kort voor haar suïcide heeft [dochter] nog contact met de jongerenwerkers van Caleidoz gehad.

2.15.

De gemeente [gemeentenaam] heeft het overlijden van [dochter] op 16 augustus 2022 als calamiteit gemeld bij de inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de inspectie).

2.16.

De inspectie heeft haar bevindingen neergelegd in een onderzoeksrapport van januari 2024 (hierna: het inspectierapport). Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

3Beantwoording onderzoeksvragen

(…)

3.1.

In hoeverre was de geboden hulp aan de jongere passend?

Conclusie

De zorg en ondersteuning voor de jongere was gedeeltelijk passend.

Onderbouwing

De jongere kampt met terugkerende psychische en psychosociale klachten, die mede beïnvloed worden door de thuissituatie. De geboden hulp sluit in het begin aan bij de hulpvraag van de jongere en de ouders. Gaandeweg wordt duidelijker wat er aan de hand is en welke problematiek een rol speelt bij de mentale klachten van de jongere. (…)

De problematiek van de jongere blijkt uiteindelijk langdurig, complex en veelomvattend. Er lijken resultaten te worden geboekt. Toch ziet de inspectie dat de hulp aan de jongere onvoldoende voortbouwt op wat inmiddels bekend is. Deze kennis wordt onvoldoende betrokken bij het bepalen van het vervolg. (…)

De jongerenwerkers hebben de alertheid en het vermogen om advies te vragen bij externen, terwijl ze ook contact houden met de jongere. Ook proberen de jongerenwerkers regelmatig om de jongere te bewegen om open te zijn naar ouders en anderen. Toch zijn de jongerenwerkers vóór alles gericht op het behouden van het vertrouwen van de jongere. De aard en frequentie van het contact met de jongere is zodanig, dat de inspectie van mening is dat de grens tussen afstand en nabijheid bij de jongerenwerkers geleidelijk verstoord raakt.

Zo ervaren de jongerenwerkers dat de jongere herhaaldelijk niet open en eerlijk is over haar problemen. De jongere houdt bijvoorbeeld informatie achter tegenover de jongerenwerkers, tegenover de huisarts en tegenover de praktijkondersteuner jeugd. De jongerenwerkers zijn hier soms getuige van, maar zijn onvoldoende in staat om dit patroon te doorbreken. Ook verbinden ze onvoldoende consequenties aan het risicovolle gedrag van de jongere.

3.2.

Welke factoren waren belemmerend voor het bieden van passende hulp aan de jongere?

Conclusie

Meerdere factoren hebben het bieden van passende hulp aan de jongere belemmerd. Dit betreft zowel factoren binnen organisaties, als factoren in de samenwerking tussen organisaties.

Onderbouwing

Uit het onderzoek komen diverse factoren naar voren die belemmerend hebben gewerkt. Deze factoren hebben elkaar beïnvloed en versterkt. Hieronder zetten we ze op een rij:

Samenwerking en regie in het netwerk

1. Niet alle organisaties hebben een goed beeld van de voorgeschiedenis van de jongere. Dat maakt het moeilijk om een juiste inschatting te maken van de ernst van de problematiek.

2. Er zijn verschillende beelden en verwachtingen over samenwerking en regievoering, terwijl in de praktijk regie, monitoring en evaluatie van de effectiviteit van de hulp voor de jongere grotendeels ontbreekt. (…)

Interne organisatie

(…)

4. Vanuit Caleidoz is sprake van weinig sturing en ondersteuning voor de jongerenwerkers. Het initiatief voor overleg met leidinggevenden ligt volkomen bij de jongerenwerkers. De beslissing om geen enkele informatie met ouders te delen hebben de jongerenwerkers niet getoetst binnen hun organisatie. (…)

4Conclusie en vervolg

(…) Uit het onderzoek blijkt onder meer, dat de zorg en ondersteuning voor de jongere deels passend was. Meerdere factoren op het gebied van interne organisatie, samenwerking en regievoering waren belemmerend voor het bieden van passende hulp. Deze factoren hebben elkaar beïnvloed en versterkt.

De inspectie concludeert op basis van het onderzoek, dat de geconstateerde tekortkomingen deels structureel van aard zijn. Daarnaast ziet de inspectie, dat de betrokken organisaties al tijdens het onderzoek zijn gestart met initiatieven om de hulp te verbeteren. (…)

2.17.

De advocaat van [verzoeker] heeft Caleidoz bij brief van 9 augustus 2024 verzocht om inzage in en kopie van alle stukken die betrekking hebben op de ondersteuning die Caleidoz en haar jongerenwerkers hebben geboden aan [dochter] .

2.18.

De advocaat van Caleidoz heeft bij e-mail van 25 oktober 2024 aan de advocaat van [verzoeker] bericht dat dit verzoek niet wordt ingewilligd. Aan die weigering legt Caleidoz ten grondslag dat de jongerenwerkers van Caleidoz een geheimhoudingsplicht hebben en dat niet is gebleken van een zwaarwegend belang van [verzoeker] dat tot doorbreking van die geheimhoudingsplicht kan leiden.

2.19.

Het document “Visie Jongerenwerk Caleidoz Welzijn Januari 2022” houdt onder meer het volgende in:

Het jongerenwerk

(…) Het jongerenwerk is een voorliggende voorziening, waarbij de focus ligt op preventie. De zogenaamde 0e lijns, in tegenstelling tot jeugdhulpverleners die 1e of 2e lijns zijn. (…)

Netwerk

Het jongerenwerk is een verbinder tussen de leefwereld en de systeemwereld van jongeren. De jongerenwerker schakelt tussen ouders, gebiedsteam, politie, school, sportverenigingen enz. Als jongerenwerker ben je de spin in dit web en probeer je de wensen en belangen van de jongeren te vertalen. Het jongerenwerk kan, bij vraagstukken rondom jongeren, in dit netwerk optreden als adviseur, zowel gevraagd als ongevraagd. (…)

Coaching

De jongerenwerkers coachen jongeren in het volwassen worden. Ze bieden een laagdrempelige vorm van coaching, een luisterend oor en fungeren als vertrouwenspersoon. Het gaat dan om uiteenlopende gebieden, zoals: sociaal netwerk, seksualiteit, thuissituatie, vrijetijdsbesteding, inkomen, werk enz. (…)

(…) Een jongerenwerker is geen hulpverlener, maar biedt ondersteuning naast reguliere hulpverlening (als deze in beeld is) of verwijst in de begeleiding actief door naar hulpverlening (…)

Vindplaatsgericht Werken

Het jongerenwerk wil (…) vindplaatsgericht werken. (…)

Het Jongerenwerk op School is een goed voorbeeld van offline vindplaatsgericht werken. (…)

Voorlichting en Preventie

Het jongerenwerk ziet en hoort veel en kan daarmee vroegtijdig signaleren. Op basis van deze signalen kan het jongerenwerk vraaggericht werken. Ook worden de signalen gedeeld met partners zodat er, waar mogelijk, een gezamenlijke aanpak kan worden gerealiseerd. (…)

Participatie

(…) Het vrijwilligerswerk in het jongerenwerk zorgt ervoor dat jongeren kunnen participeren. (…)

Ontmoeting

Het jongerenwerk organiseert laagdrempelige activiteiten: met jongeren, voor jongeren en door jongeren (…).

2.20.

De BPSW, de beroepsvereniging voor professionals in sociaal werk, heeft een beroepscode voor professionals in sociaal werk opgesteld [datum onbekend/toevoeging rechtbank]. Artikel 10 van deze beroepscode (hierna: de beroepscode) houdt in: “De professional behandelt informatie over mensen en hun omstandigheden vertrouwelijk.”. Artikel 14 van deze code houdt in: “De professional beroept zich bij de rechter op de plicht tot geheimhouding indien het afleggen van een getuigenis of beantwoording van bepaalde vragen strijdig is met die plicht.”.

3De verzoeken

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank om bij beschikking:

- Caleidoz te bevelen tot afgifte aan [verzoeker] van een kopie van de in paragraaf 4.16 van het verzoekschrift genoemde gegevens, voor zover deze gegevens in verband staan met de zelfdoding en/of de psychische gesteldheid van [dochter] ;

  • een voorlopig getuigenverhoor te gelasten en een datum te bepalen waarop het getuigenverhoor zal plaatsvinden, met oproeping van mevrouw [persoon 1] , van mevrouw [persoon 2] , van de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en van de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] ,

  • Caleidoz te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

Het inzageverzoek

3.2.

[verzoeker] legt het volgende aan zijn inzageverzoek ten grondslag.

In 2023 heeft de inspectie vastgesteld dat de zorgverlening rondom [dochter] in de periode voorafgaand aan haar overlijden niet (volledig) passend is geweest. [verzoeker] stelt een zwaarwegend belang te hebben bij inzage in en afschrift van stukken omdat het vermoeden bestaat dat Caleidoz haar zorgplicht heeft geschonden. De jongerenwerkers van Caleidoz waren er meermalen getuige van dat [dochter] (relevante) informatie achterhield tegenover de huisarts en de praktijkondersteuner jeugd, maar hebben onvoldoende ondernomen om dit patroon te doorbreken. Ook verbonden zij onvoldoende consequenties aan het risicovolle gedrag van [dochter] voorafgaand aan haar overlijden. Inzage is noodzakelijk om te kunnen beoordelen of Caleidoz civielrechtelijk aansprakelijk is.

3.3.

[verzoeker] baseert het verzoek tot afgifte op artikelen 194 en 195 Rv. [verzoeker] stelt dat is voldaan aan de cumulatieve vereisten uit artikel 194 lid 1 Rv. Hij heeft een rechtens te respecteren belang bij toewijzing van het verzoek. Volgens [verzoeker] bestaan er géén gewichtige redenen die zich verzetten tegen openbaarmaking van de informatie. Jeugdwelzijnswerk kwalificeert niet als (jeugd)zorg. De jongerenwerkers hebben geen wettelijke geheimhoudingsplicht, zodat Caleidoz geen beroep kan doen op een verschoningsrecht. Caleidoz heeft evenmin een afgeleid verschoningsrecht omdat de jongerenwerkers niet zijn ingeschakeld door de huisartsenpraktijk (“verlengde arm”).

Ook als de jongerenwerkers wel een verschoningsrecht toekomt, is dit niet absoluut omdat het verzoek gericht is op opheldering van het handelen van de jongerenwerkers. Het belang van de waarheidsvinding, bij het vermoeden van een fout, weegt in elk geval zwaarder dan geheimhouding. Zelfs in het geval dat het in zorgwetgeving vastgelegde beroepsgeheim wel van toepassing zou zijn, zou Caleidoz de verzochte informatie moeten verstrekken gelet op de doorbreking van dat geheim op grond van artikel 7:458a BW (en vergelijkbaar: artikel 7.3.12a Jeugdwet) .

3.4.

Caleidoz verzet zich tegen toewijzing van het inzageverzoek.

Volgens Caleidoz heeft [verzoeker] geen (voldoende) rechtens te respecteren belang bij zijn verzoek (artikel 3:303 BW) omdat de jongerenwerkers niets te verwijten valt en alle relevante feiten en omstandigheden al bij [verzoeker] bekend zijn gelet op de bij het verzoekschrift overgelegde producties.

Als dit belang wel wordt aangenomen, dan geldt dat de jongerenwerkers van Caleidoz een zelfstandig verschoningsrecht hebben in de zin van artikel 165 Rv. Voor sociaal werkers, waartoe de jongerenwerkers van Caleidoz gerekend moeten worden, geldt namelijk een geheimhoudingsplicht die is vastgelegd in de door Caleidoz overgelegde beroepscode (artikelen 10 en 14). Die code stoelt volgens Caleidoz op wettelijke regelingen zoals de AVG (Algemene verordening gegevensbescherming), artikel 8 EVRM, artikel 10 Grondwet en artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. De jongerenwerkers hebben verder een afgeleid verschoningsrecht ten aanzien van de informatie die betrekking heeft op zorg door de huisarts en diens praktijkondersteuners.

Ook als de rechtbank zou aannemen dat de jongerenwerkers geen (afgeleid) verschoningsrecht hebben, vormt de geheimhoudingsplicht volgens Caleidoz een gewichtige reden die zich verzet tegen het verstrekken van inzage of afschrift.

Caleidoz voert aan dat het tot de taak van de jongerenwerker behoort om hulp te verlenen en dat het opbouwen van een vertrouwensrelatie de basis is van het werk van een ambulant jongerenwerker. Door de vrije dialoog die dan kan ontstaan, kan de jongerenwerker begrijpen wat de hoop, apsiraties, verlangens en behoeften van de groep en de individuele jongeren zijn, zodat de jongerenwerker het gesprek met de jongere kan aangaan over hoe diens leven is ingericht en over hoe op zoek te gaan naar verandering en verbetering. Daarom is het van belang dat jongeren die zijn aangewezen op ondersteuning door jongerenwerkers er op moeten kunnen vertrouwen dat hetgeen zij delen met een jongerenwerker, niet wordt gedeeld met derden. Dat belang weegt zwaarder dan het belang van [verzoeker] , aldus Caleidoz. Volgens Caleidoz is de taak en functie van een jongerenwerker te vergelijken met beroepen waaraan volgens de Hoge Raad een functioneel verschoningsrecht toekomt.

Tot slot voert Caleidoz redenen aan waarom zij de verzochte gegevens niet kan of wil verstrekken, die hierna verder worden besproken.

Het voorlopig getuigenverhoor

3.5.

[verzoeker] baseert zijn verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor op artikel 196 lid 1 Rv. Caleidoz voert ook ten aanzien van dit verzoek verweer, dat hierna zal worden besproken.

4De beoordeling van het inzageverzoek

4.1.

De rechtbank zal eerst beoordelen of Caleidoz aan [verzoeker] een afschrift moet verstrekken van - samengevat - het dossier van [dochter] , met daarin de stukken en gegevens zoals hierna in r.o. 4.9. omschreven.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat het overlijden van [dochter] een uiterst verdrietige gebeurtenis is, die vanzelfsprekend een grote weerslag heeft op [verzoeker] en de andere nabestaanden. Vanuit menselijk oogpunt valt alleszins te begrijpen dat de nabestaanden van [dochter] op zoek zijn naar antwoorden. Ook anderen die bij [dochter] betrokken waren, zijn door haar zelfdoding geraakt.

Dit laat echter onverlet dat het verzoek van [verzoeker] tot afgifte van de gegevens van [dochter] langs een juridische lat moet worden gelegd. De rechtbank beoordeelt hierna of aan een aantal specifiek door de wetgever beschreven voorwaarden voor inzage van de gegevens is voldaan.

Toetsingskader

4.3.

Tussen [dochter] en Caleidoz bestond geen geneeskundige behandelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:446 BW. Dit betekent dat afdeling 5, titel 7 van Boek 7 BW, en de daarin genoemde regeling die ziet op (doorbreking van) de geheimhoudingsplicht, niet van toepassing is. Vaststaat ook dat Caleidoz geen jeugdzorg biedt in de zin van de Jeugdwet of ondersteuning in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het inzageverzoek dient daarom te worden beoordeeld op grond van het (nieuwe) inzagerecht, zoals neergelegd in de artikelen 194 en 195 Rv.

4.4.

Voor het recht op inzage (daaronder valt ook het recht op afschrift of uittreksel) moet op grond van artikel 194 Rv aan een aantal cumulatieve voorwaarden worden voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet 1) partij zijn bij een rechtsbetrekking en 2) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet 3) een partij een voldoende belang hebben bij zijn/haar informatieverzoek en moet 4) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken.

4.5.

Het begrip ‘partij bij een rechtsbetrekking’ moet ruim worden opgevat. Onder een rechtsbetrekking worden alle burgerrechtelijke betrekkingen tussen twee of meer partijen verstaan, waaronder de rechten en plichten van partijen bij verbintenissen uit de wet, zoals een onrechtmatige daad. Het bestaan van een rechtsbetrekking hoeft nog niet in rechte vast te staan. Partij bij een rechtsbetrekking kan eenieder zijn die bij een rechtsbetrekking is of wordt betrokken.

4.6.

Deze voorwaarden dienen ter voorkoming van zogenaamde ‘fishing expeditions’. Artikel 194 en 195 Rv bieden niet de mogelijkheid tot het opvragen van documenten waarvan een partij slechts het bestaan vermoedt of waarvan hij vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen in de hoofdzaak.

4.7.

Verder: er kunnen omstandigheden zijn waardoor medewerking aan een inzageverzoek niet van partijen of van een derde kan worden gevergd. Lid 2 van artikel 194 Rv bevat twee gronden die de informatiebezitter ontheffen van de verplichting tot het verstrekken van informatie, namelijk het bestaan van een verschoningsrecht of het bestaan van zwaarwegende belangen die zich tegen het verstrekken van informatie verzetten.

Partij bij een rechtsbetrekking

4.8.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat tussen [verzoeker] en Caleidoz een rechtsbetrekking in de zin van artikel 194 Rv omdat [verzoeker] (gemotiveerd en met stukken onderbouwd) stelt dat Caleidoz haar zorgplicht heeft geschonden en hij wil onderzoeken of Caleidoz jegens hem verplicht is tot vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, zoals bedoeld in artikel 6:108 lid 3 BW (schadevergoeding bij overlijden voor naasten). De vraag òf Caleidoz tot vergoeding van dergelijk nadeel verplicht is, ligt niet ter beoordeling voor in deze procedure.

De gevraagde gegevens voldoende bepaald

4.9.

[verzoeker] verzoekt om afgifte van een kopie van de in paragraaf 4.16 van het verzoekschrift genoemde gegevens, voor zover deze gegevens in verband staan met de zelfdoding en/of de psychische gesteldheid van [dochter] . Het betreft de volgende gegevens:

1) het logboek van Caleidoz voor zover dit (in)direct betrekking heeft op de suïcide en/of geestelijke gesteldheid van [dochter] ;

2) alle correspondentie tussen de jongerenwerkers van Caleidoz en zorgverlenende organisaties, waaronder in ieder geval de huisartsenpraktijk, de praktijkondersteuner jeugd, de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] (en daarbij het verzoek om de namen van de laatste twee personen kenbaar te maken);

3) alle overige correspondentie en WhatsAppgesprekken (van de jongerenwerkers onderling) en documenten die betrekking hebben op de suïcide en/of geestelijke gesteldheid van [dochter] ;

4) eventueel beeldmateriaal, video’s en/of foto’s die betrekking hebben op de contacten met [dochter] en informatie kunnen prijsgeven over contacten die met [dochter] hebben plaatsgevonden en/of iets zeggen over haar geestelijke gesteldheid van dat moment; en

5) alle relevante interne protocollen van Caleidoz (meer specifiek protocollen die de jongerenwerkers handvatten bieden respectievelijk protocollen aan de hand waarvan hun handelswijze kan worden getoetst).

4.10.

Naar het oordeel van de rechtbank is de door [verzoeker] verlangde informatie daarmee voldoende bepaald, zoals artikel 194 Rv eist.

Protocollen en richtlijnen al verstrekt

4.11.

De rechtbank stelt vast dat een deel van de door [verzoeker] verzochte gegevens al aan hem is verstrekt als producties 1 tot en met 4 bij het verweerschrift van Caleidoz. Het gaat om de Gedragscode voor medewerkers & vrijwilligers van Caleidoz Welzijn, het document Werken met de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling, het document Visie Jongerenwerk Caleidoz Welzijn Januari 2022 en de beroepscode. Namens [verzoeker] is ter zitting desgevraagd verklaard dat [verzoeker] hiermee inmiddels beschikt over alle door hem onder 5) verzochte bescheiden.

Dit deel van het inzageverzoek zal daarom worden afgewezen wegens gebrek aan belang (artikel 3:303 BW) .

Verdere gegevens ter beschikking

4.12.

Caleidoz verzet zich tegen afgifte van de gevraagde gegevens en stelt allereerst dat zij niet (meer) over de gegevens onder 2) en 3) beschikt.

4.13.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Ten aanzien van de gegevens onder 2) is van belang dat Caleidoz in algemene zin niet heeft betwist dat er correspondentie heeft plaatsgevonden tussen de jongerenwerkers enerzijds en zorg verlenende organisaties (waaronder de huisarts, de praktijkondersteuner jeugd, de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en een medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] ) anderzijds en dat Caleidoz beschikt over een digitaal systeem waarin – zij het beperkt – informatie werd geregistreerd, zodat ervan moet worden uitgegaan dat Caleidoz deze gegevens onder zich heeft. In ieder geval kan Caleidoz als werkgever de gevraagde correspondentie opvragen bij de betreffende twee jeugdwerkers. Dat geldt ook voor de namen van de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] .

Ten aanzien van de gevraagde gegevens onder 3) heeft de advocaat van [verzoeker] ter zitting toegelicht dat dit deel van het inzageverzoek ziet op (WhatsApp-)correspondentie tussen de jongerenwerkers onderling over [dochter] . Daarmee is duidelijk dat afgifte van deze gegevens wordt gevraagd en dat dit andere correspondentie betreft dan de reeds overgelegde correspondentie tussen de jongerenwerkers met [dochter] . Caleidoz heeft niet betwist dat de jongerenwerkers onderling contact hadden over [dochter] en de rechtbank acht dit, mede gelet op de inhoud van de wél reeds overlegde correspondentie (zoals bijvoorbeeld geciteerd op p. 7-8 van het verzoekschrift) ook aannemelijk, zodat er vanuit moet worden gegaan dat de jongerenwerkers over deze correspondentie beschikken. Caleidoz kan als werkgever de gevraagde correspondentie opvragen bij de betreffende twee jongerenwerkers.

4.14.

Caleidoz stelt dat [verzoeker] ook geen recht heeft op afgifte van de onder 4) gevraagde gegevens. Volgens Caleidoz heeft [verzoeker] zelf reeds alle (WhatsApp-) correspondentie van de jongerenwerkers met [dochter] overgelegd bij het verzoekschrift (producties 2 en 3). Over méér gegevens beschikt Caleidoz niet, aldus Caleidoz bij verweerschrift.

4.15.

De rechtbank volgt Caleidoz hierin evenmin. [verzoeker] heeft ter zitting toegelicht dat de reeds overgelegde WhatsAppberichten zijn uitgelezen uit de telefoon van [dochter] , maar dat [dochter] mogelijk een deel heeft gewist en dat die berichten mogelijk niet zijn gewist bij de medewerkers van Caleidoz. Door Caleidoz is daarop ter zitting verklaard dat de jongerenwerkers werktelefoons hebben en dat Caleidoz niet bekend is of de door [dochter] gewiste berichten ook bij de jongerenwerkers als ontvanger zijn gewist. Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank ervanuit dat de gegevens onder 4) beschikbaar zijn, terwijl het gegevens betreft die Caleidoz als werkgever bij de jongerenwerkers kan opvragen.

4.16.

De rechtbank zal hierna daarom beoordelen of [verzoeker] recht heeft op afgifte van de onder 1) tot en met 4) beschreven gegevens.

Voldoende belang

4.17.

De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] voldoende belang heeft bij inzage in de gegevens onder 1) tot en met 4), zoals hierna zal worden toegelicht.

4.18.

Onder het tot 1 januari 2025 geldende artikel 843a Rv (oud) was voor inzage een rechtmatig belang vereist. Dit vereiste is vervangen door de eis van voldoende belang. Als een partij aannemelijk heeft gemaakt dat zij belang heeft bij het verkrijgen van inzage van bepaalde gegevens, moet inzage worden verstrekt.

4.19.

De rechtbank overweegt dat in deze fase van het geding niet van [verzoeker] kan worden verlangd dat hij aantoont dat Caleidoz haar zorgplicht heeft geschonden danwel onrechtmatig heeft gehandeld. Het gaat om het aannemelijk maken van een vermoeden, waarbij bijkomende feiten of omstandigheden nodig zijn die aanleiding geven om eraan te twijfelen dat de begeleiding door Caleidoz naar behoren is verleend.

4.20.

De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] voldoende duidelijk en concreet heeft gesteld en gemotiveerd, waarom hij meent dat de gevraagde gegevens van belang kunnen zijn als bewijs in de hoofdzaak en voor de (eventueel) door hem in te stellen vorderingen. Duidelijk is dat [verzoeker] aan de hand van de opgevraagde afschriften wil beoordelen of en in hoeverre Caleidoz haar zorgplicht heeft geschonden, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld.

4.21.

Er is naar het oordeel van de rechtbank gegronde reden voor twijfel dat de begeleiding door Caleidoz naar behoren is verleend, gelet op het rapport van de inspectie, zoals hiervoor aangehaald. De inspectie concludeert immers dat de zorg en ondersteuning aan [dochter] gedeeltelijk passend was. Die conclusie onderbouwt de inspectie (onder meer) met haar bevinding dat de grens tussen afstand en nabijheid bij de jongerenwerkers geleidelijk verstoord is geraakt en dat zij onvoldoende consequenties hebben verbonden aan het risicovolle gedrag van [dochter] . Daarnaast concludeert de inspectie dat meerdere factoren, binnen organisaties en in de samenwerking tussen organisaties, het bieden van passende hulp aan [dochter] hebben belemmerd. Voor wat betreft de samenwerking en regie in het netwerk concludeert de inspectie dat niet alle organisaties een goed beeld hebben van de voorschiedenis van [dochter] , wat het moeilijk maakt een juiste inschatting te maken van de ernst van de problematiek en dat in de praktijk regie, monitoring en evaluatie van de effectiviteit van de hulp voor [dochter] grotendeels ontbreekt. Volgens de inspectie is er vanuit Caleidoz weinig sturing en ondersteuning voor de jongerenwerkers, ligt het initiatief voor overleg met leidinggevenden volkomen bij de jongerenwerkers en is de beslissing om geen enkele informatie met de ouders te delen niet getoetst binnen de organisatie.

Daarmee is het belang van [verzoeker] bij inzage naar het oordeel van de rechtbank voldoende gegeven.

Geen gronden voor ontheffing informatieverplichting

4.22.

Vervolgens moet beoordeeld worden of er gronden zijn die Caleidoz ontheffen van de verplichting tot het verstrekken van informatie, namelijk het bestaan van een (functioneel) verschoningsrecht of het bestaan van zwaarwegende belangen die zich tegen het verstrekken van informatie verzetten (artikel 194 lid 2 Rv) . Tussen partijen is met name in geschil of de jongerenwerkers van Caleidoz aan hun geheimhoudingsverplichting een verschoningsrecht kunnen ontlenen dat grond oplevert voor ontheffing van voormelde informatieverplichting, zoals Caleidoz heeft betoogd en [verzoeker] heeft weersproken.

4.23.

Het juridisch kader is als volgt.

Het verschoningsrecht heeft een uitzonderingskarakter wegens het grote belang van de waarheidsvinding, dat meebrengt dat slechts in bijzondere gevallen een uitzondering kan worden gemaakt op de getuigplicht van artikel 165 lid 1 Rv. 1

Degene die een beroep op een verschoningsrecht wil doen, moet volgens artikel 165 lid 2, aanhef en onder b, Rv tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van zijn of haar ambt, beroep of betrekking (functioneel verschoningsrecht).

De omstandigheid dat op iemand een geheimhoudingsplicht rust, betekent nog niet dat aan diegene een functioneel verschoningsrecht toekomt. 2 Daarvoor is een afweging nodig tussen het belang van de waarheidsvinding en het maatschappelijk belang bij geheimhouding.

De grondslag van dit verschoningsrecht is gelegen in het algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen is besproken om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden.

Als die afweging blijkens bewoordingen, strekking of wetsgeschiedenis niet onmiskenbaar door de wetgever is gemaakt, maakt de rechter die afweging. Daarbij moet de rechter de belangen waarop de verplichting tot geheimhouding is gericht, afwegen tegen de zwaarwegende belangen die gemoeid zijn met de waarheidsvinding in een procedure bij de burgerlijke rechter. Tot slot: het functioneel verschoningsrecht heeft geen absoluut karakter. Er kunnen zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waarin het belang van de waarheidsvinding prevaleert. 3

4.24.

Gesteld noch gebleken is dat op jongerenwerkers een wettelijke geheimhoudingsplicht rust. Op jongerenwerkers rust niet de in artikel 88 Wet BIG (Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg) vastgelegde geheimhoudingsverplichting. De begeleiding van [dochter] door jongerenwerkers van Caleidoz is niet aan te merken als een geneeskundige behandeling in de zin van de Wgbo (Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst) en vormt ook geen jeugdhulp in de zin van de Jeugdwet. De wet zwijgt dus als het gaat om de geheimhoudingsplicht en het daarop dan te baseren verschoningsrecht van jongerenwerkers.

De in de beroepscode opgenomen geheimhoudingsverplichting is geschreven door beroepsverenigingen en daarom naar het oordeel van de rechtbank niet gelijk te stellen met een in de wet vastgelegde geheimhoudingsplicht voor jongerenwerkers.

Dit betekent dat de jongerenwerkers evenmin een wettelijk verschoningsrecht toekomt.

4.25.

Ervanuitgaande dat op de jongerenwerkers van Caleidoz wel een geheimhoudingsplicht rust, die is gebaseerd op de beroepscode, dient de rechtbank op grond van wat Caleidoz heeft gesteld te beoordelen of de jongerenwerkers een daarop te baseren verschoningsrecht toekomt waarbij zij de hiervoor bedoelde afweging moet maken. Daarbij ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad, zoals geopperd door Caleidoz.

4.26.

De rechtbank kent bij deze beoordeling betekenis toe aan de omstandigheid dat volgens Caleidoz zèlf, de werkzaamheden van de jongerenwerkers niet zijn aan te merken als hulpverlening (document “Visie Jongerenwerk Caleidoz Welzijn Januari 2022”, zie r.o. 2.19).

Uit de door Caleidoz verstrekte informatie over de werkzaamheden van de jongerenwerkers volgt dat deze schakels vormen tussen ouders, gebiedsteam, politie, school, sportverenigingen en dergelijke, dat de jongerenwerkers een laagdrempelijke vorm van coaching bieden, gevraagd en ook ongevraagd adviseur zijn en dat zij een een breed scala aan activiteiten aanbieden.

Hoewel de rechtbank zonder meer aanneemt dat jongerenwerkers op deze wijze zinvol en maatschappelijk relevant werk verrichten waaraan een vertrouwensrelatie met de jongere bijdraagt, is daarmee nog niet aannemelijk dat met het effectief kunnen uitoefenen van het beroep van jongerenwerker zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn gemoeid, laat staan dat deze belangen aanmerkelijk zouden kunnen worden geschaad zonder het aanvaarden van het verschoningsrecht en dat het algemeen belang van de waarheidsvinding daarvoor moet wijken. 4

De omstandigheid dat onder jongeren een cultuur heerst waarbij het belangrijk is dat je niets verklapt en dat je je niet tot de autoriteiten wendt, zoals door Caleidoz ter zitting aangevoerd, maakt dit niet anders. De houding van jongeren ten aanzien van dit ‘snitchen’ staat namelijk in een te ver verwijderd verband tot de eigen zorg- of hulpvraag waarmee de jongere zich tot een vertrouwenspersoon pleegt te wenden.

Verder acht de rechtbank van belang dat het in deze zaak gaat om een ernstig vermoeden van verwijtbaar onzorgvuldig handelen door (mede) Caleidoz rondom de ernstige en complexe persoonlijkheidsproblematiek van [dochter] , in een periode die is geëindigd met haar zelfmoord. Het belang van de waarheidsvinding rechtvaardigt dat hiernaar een objectief en zo volledig mogelijk onderzoek wordt ingesteld, juist nu het (mede) het eigen handelen of nalaten van Caleidoz betreft.

Caleidoz heeft verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd die nopen tot een ander oordeel.

4.27.

De rechtbank ziet overigens geen aanleiding om Caleidoz te volgen in haar stelling dat de jongerenwerkers te vergelijken zijn met de Raad voor de Kinderbescherming, een geestelijk verzorger of een reclasseringswerker, aan welke functionarissen door de Hoge Raad eerder een verschoningsrecht is toegekend, reeds omdat Caleidoz niet heeft onderbouwd dat en waarom sprake zou zijn van vergelijkbare gevallen. De door Caleidoz gemaakte vergelijking met het door de Hoge Raad (in ECLI:NL:HR:2017:1205) besliste geval mist toepassing, reeds omdat het in die zaak een op grond van de Wet BIG geregistreerde verpleegkundige betrof.

4.28.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat als er al een algemeen belang mee gediend is dat Caleidoz en haar jongerenwerkers als beroepsbeoefenaars moeten (kunnen) zwijgen over hetgeen hen door [dochter] is medegedeeld, dit niet opweegt tegen de belangen die gemoeid zijn met de waarheidsvinding in rechte. Bij de beoordeling van het verzoek om inzage komt Caleidoz dus geen beroep toe op een verschoningsrecht. Gelet op het vorenstaande zijn er evenmin zwaarwegende belangen die zich tegen inzage verzetten.

4.29.

Anders dan Caleidoz heeft betoogd, komt haar jongerenwerkers ook geen afgeleid verschoningsrecht toe ten aanzien van de informatie die betrekking heeft op zorg door de huisarts en diens praktijkondersteuners. De jongerenwerkers en/of Caleidoz hebben immers geen werkzaamheden voor de huisarts(-enpraktijk en -ondersteuners) verricht uit hoofde waarvan hen informatie bekend is.

4.30.

Nu Caleidoz geen (afgeleid) verschoningsrecht toekomt en er geen zwaarwegende belangen bestaan die zich verzetten tegen het verstrekken van informatie, zijn er geen gronden die Caleidoz ontheffen van de verplichting tot het verstrekken van informatie, zoals bedoeld in artikel 194 lid 2 Rv.

Dit betekent dat [verzoeker] recht heeft op afgifte door Caleidoz van de onder 1) tot en met 4) beschreven gegevens.

5De beoordeling van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor

5.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, ex artikel 196 lid 1 Rv.

Volgens [verzoeker] heeft hij een concreet belang bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor, omdat het vermoeden bestaat dat Caleidoz is tekortgeschoten in de begeleiding van [dochter] , enerzijds doordat de jongerenwerkers die met [dochter] contact hadden onvoldoende hebben gedaan met signalen en anderzijds omdat Caleidoz de jongerenwerkers onvoldoende heeft geïnstrueerd en gecoacht (sub 4.11-4.13 verzoekschrift). [verzoeker] stelt dat Caleidoz op de hoogte was, althans had moeten zijn, van het voornemen van [dochter] om zich te suïcideren en dat Caleidoz haar zorgplicht heeft geschonden door de ernst van de situatie niet te onderkennen en niet zelf aan de bel te trekken bij betrokken hulpverlenings- en/of zorginstanties, dan wel [dochter] ’s ouders in te lichten.

[verzoeker] heeft aanvullende informatie nodig om zijn rechtspositie in te schatten en zijn standpunt te onderbouwen in een eventuele procedure. [verzoeker] wenst (onder meer) duidelijkheid te krijgen over 1) de bezoeken van de jongerenwerkers en [dochter] aan de huisartsenpraktijk, 2) het overleg tussen de jongerenwerkers en de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar, 3) het overleg tussen de jongerenwerkers en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] , 4) het bezoek van de jongerenwerkers en [dochter] aan de praktijkondersteuner jeugd en 5) de aard van de ondersteuning aan [dochter] in de periode voorafgaand aan haar overlijden.

[verzoeker] wenst daartoe de twee jongerenwerkers van Caleidoz te horen waarmee [dochter] voorafgaand aan haar overlijden veel contact had. Ook wenst [verzoeker] de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] te horen. Met hen is voorafgaand aan de zelfdoding van [dochter] overleg gevoerd over het in te zetten beleid. [verzoeker] heeft de namen van de gedragswetenschapper en de medewerker van het Sociaal Team opgevraagd bij Caleidoz, maar deze heeft geweigerd deze gegevens te verstrekken.

5.2.

Caleidoz verzet zich tegen toewijzing van het verzoek.

Caleidoz voert aan dat [verzoeker] geen of onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het verzoek. Volgens Caleidoz blijken alle relevante feiten en omstandigheden al uit de door [verzoeker] bij het verzoekschrift overgelegde producties, met name het inspectierapport en de WhatsApp-correspondentie en voegt het horen van getuigen niets toe. Ook doet Caleidoz een beroep op de geheimhoudingsplicht van de jongerenwerkers en stelt zij dat de jongerenwerkers een (afgeleid) verschoningsrecht toekomt.

Toetsingskader

5.3.

Een voorlopig getuigenverhoor heeft als doel om de verzoeker ervan in staat te stellen opheldering te verkrijgen over de – wellicht nog niet precies bekende – feiten en omstandigheden waarvan hij in een eventuele procedure de bewijslast zal hebben om zo zijn positie beter te kunnen beoordelen.

Niet vereist is dat de verzoeker al in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen. Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt ook niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor.

5.4.

In het verzoekschrift moet de verzoeker duidelijk vermelden waar de zaak globaal om gaat, wat hij vordert of wil vorderen, welke feiten hij wil bewijzen en wie de getuigen zijn. Vooral wat hij wil bewijzen, moet voldoende duidelijk zijn voor de betrokken rechter en de wederpartij. Ook moet duidelijk genoeg zijn wat de getuigen daarover kunnen verklaren. Heel gedetailleerd hoeft de verzoeker niet te zijn, omdat een voorlopig getuigenverhoor nu juist dient om onduidelijkheden op te helderen en om degene die om zo’n verhoor verzoekt in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen. 5 Bij de beoordeling van het verzoek mag niet vooruit worden gelopen op de uitkomst van de getuigenverhoren en op het verloop en de uitkomst van een eventuele bodemprocedure.

5.5.

Indien het verzoek voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt, heeft de verzoeker in beginsel recht op een voorlopig getuigenverhoor. Dat is slechts anders indien de rechter van oordeel is dat de verlangde informatie niet voldoende bepaald is, de verzoeker onvoldoende belang heeft bij zijn verzoek, het verzoek in strijd is met de goede procesorde, er sprake is van misbruik van bevoegdheid of andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting (artikel 196 lid 2 Rv) . Als geen van deze situaties zich voordoet en het verzoek verder aan alle eisen voldoet, dan wordt het verzoek toegewezen.

Inhoudelijke beoordeling

5.6.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor moet worden toegewezen. Hiertoe overweegt zij het volgende.

5.7.

[verzoeker] heeft genoegzaam toegelicht dat hij opheldering wil krijgen over de periode voorafgaand aan de zelfdoding van [dochter] , meer specifiek over de gesprekken van de jongerenwerkers en [dochter] met de huisarts en de praktijkondersteuner jeugd en over het overleg dat de jongerenwerkers over [dochter] hebben gevoerd met de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] , zodat hij kan beoordelen of en in hoeverre Caleidoz haar zorgplicht heeft geschonden, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld.

De rechtbank volgt Caleidoz niet in haar standpunt dat [verzoeker] onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het verzoek, als zouden de feiten inmiddels voldoende duidelijk zijn (en waaruit volgens Caleidoz volgt dat haar (medewerkers) niets verweten kan worden). Het bestaan van mondelinge gesprekken geeft [verzoeker] op zich al voldoende belang om daarover getuigen te horen. Daarnaast is van belang dat Caleidoz naar eigen zeggen in haar systeem summier verslag legt.

[verzoeker] heeft onderbouwd dat en waarom de in zijn verzoek genoemde getuigen over de door hem gestelde feiten en omstandigheden kunnen verklaren. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat [verzoeker] een rechtsvordering heeft. [verzoeker] heeft daarmee voldoende concrete aanknopingspunten voor de beoogde bewijsvergaring gegeven. Daarbij komt dat kan worden uitgegaan van de door [verzoeker] gestelde en door Caleidoz niet weersproken bewijspositie van [verzoeker] in een eventuele bodemprocedure.

5.8.

De omstandigheid dat het inzageverzoek zal worden toegewezen en Caleidoz aan [verzoeker] afschrift moet verstrekken van de gegevens zoals hierna onder de beslissing vermeld, betekent niet dat [verzoeker] geen belang (meer) heeft bij een voorlopig getuigenverhoor. [verzoeker] heeft immers onweersproken gesteld dat het in deze zaak juist ook gaat om wat er niet is vastgelegd in het dossier van [dochter] .

5.9.

Wat het door Caleidoz gestelde verschoningsrecht van haar en haar jongerenwerkers betreft, geldt dat de beoordeling daarvan bij beoordeling van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor niet voorligt. De rechtbank kan en mag in het kader van dit verzoek niet vooruitlopen op wat getuigen, mede gelet op een geheimhoudingsverplichting wel of niet kunnen of zullen verklaren. De vraag naar de verschijningsplicht en het verschoningsrecht van de getuigen 6 kan voor de behandeling van het onderhavige verzoek buiten beschouwing blijven.

5.10.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden sprake van een situatie waarvoor een voorlopig getuigenverhoor geëigend is. Het verzoek voldoet aan de daarvoor geldende vereisten. [verzoeker] heeft bij zijn verzoek een in rechte te respecteren belang en de verweren van Caleidoz bieden op zichzelf en in onderlinge samenhang onvoldoende grond om het verzoek af te wijzen. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor zal toewijzen.

Het verdere verloop van de procedure

5.11.

Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld ten minste 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen moeten ten minste tien dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven. Omdat de daarvoor benodigde gegevens niet bij [verzoeker] bekend zijn, zal de rechtbank Caleidoz bevelen deze gegevens aan [verzoeker] ter beschikking te stellen.

5.12.

Omdat de wederpartij bekend is, zal de rechtbank onder de beslissing de dag bepalen waarop [verzoeker] uiterlijk een afschrift van deze beschikking per aangetekende brief of exploot aan Caleidoz moeten laten toekomen.

5.13.

Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechtbank na afloop van een of meer voorlopige bewijsverrichtingen op verzoek van partijen of een van hen of ambtshalve een (nieuwe) mondelinge behandeling kan bevelen om een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de rechtbank. Tijdens deze mondelinge behandeling kan de rechtbank ook de verdere behandeling van geschillen over de vordering met partijen bespreken.

5.14.

De rechtbank wijst [verzoeker] erop dat de kosten die voor de verstrekking van afschrift van de gegevens moeten worden gemaakt, door [verzoeker] moeten worden gedragen.

5.15.

Tegen de beslissing op het verzoek tot inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens kan hoger beroep worden ingesteld.

Proceskosten

5.16.

Caleidoz is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op:

- griffierecht

331,00

- salaris advocaat

1.306,00

(2 punten × € 653,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.826,00

6De beslissing

De rechtbank

6.1.

beveelt een voorlopig getuigenverhoor,

6.2.

benoemt mr. S.J. Peerdeman tot rechter-commissaris,

6.3.

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het paleis van justitie te Arnhem, aan de Walburgstraat 2-4,

6.4.

bepaalt dat [verzoeker] binnen twee weken na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de rekestenadministratie van de sector civiel - de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus tot en met december 2026 moet opgeven waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

6.5.

bepaalt dat [verzoeker] uiterlijk op 29 juni 2026 een afschrift van deze beschikking bij aangetekende brief of exploot moet laten toekomen aan Caleidoz,

6.6.

beveelt Caleidoz om binnen vier weken na betekening van deze beschikking de namen en woonplaatsen van de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team [gemeentenaam] te verstrekken aan [verzoeker] ,

6.7.

beveelt Caleidoz om binnen vier weken na betekening van deze beschikking afschrift te verstrekken aan [verzoeker] van de volgende gegevens, voor zover die in verband staan met haar psychische gesteldheid en/of zelfdoding:

1) het logboek van Caleidoz voor zover dit (in)direct betrekking heeft op de suïcide en/of geestelijke gesteldheid van [dochter] ;

2) alle correspondentie tussen de jongerenwerkers van Caleidoz en zorgverlenende organisaties, waaronder in ieder geval de huisartsenpraktijk, de praktijkondersteuner jeugd, de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] (en daarbij de namen van de laatste twee personen kenbaar te maken);

3) alle overige correspondentie en WhatsAppgesprekken (van de jongerenwerkers onderling) en documenten die betrekking hebben op de suïcide en/of geestelijke gesteldheid van [dochter] ;

4) eventueel beeldmateriaal, video’s en/of foto’s die betrekking hebben op de contacten met [dochter] en informatie kunnen prijsgeven over contacten die met [dochter] hebben plaatsgevonden en/of iets zeggen over haar geestelijke gesteldheid van dat moment,

6.8.

veroordeelt Caleidoz in de proceskosten van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Caleidoz niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,

6.9.

veroordeelt Caleidoz tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

6.10.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.

1

Hoge Raad 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, rov. 3.6.2.2.

2

Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:722, rov. 3.2.1.

3

Hoge Raad 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066.

4

Vgl. HR 15 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3797.

5

Hoge Raad 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1105 en 1112.

6

Zie ook Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1462.


meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Meer fiscale opties pensioenverrekening samenwoners
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 06-05-2025
Jasper Horsthuis en Rob Welling gaan in gesprek over een recente uitbreiding van de fiscale mogelijkheden voor pensioenverrekening door samenwoners. Zij bepleiten een verdere verruiming van de regeling.
Podcastgesprek: Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente (II)
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 22-04-2025
De Belastingdienst heeft - opnieuw - een standpunt gepubliceerd over de fiscale afwikkeling van een lijfrentepolis bij echtscheiding. Rob Welling en Jasper Horsthuis bespreken de gevolgen hiervan.
Podcastgesprek: Breaking! Vóórhuwelijks vergoedingsrecht halveert niet!
Drs. Jasper Horsthuis en Rob Welling, 08-04-2025
Onze redacteur Jasper Horsthuis en scheidingsfiscalist Rob Welling gingen in gesprek over de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad op 21-03-2025. Super heldere uitleg over inhoud en gevolgen van de uitspraak!
Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN