Essentie (gemaakt door AI)
Toewijzing inzageverzoek nabestaande op grond van artikelen 194 en 195 Rv. Verzoeker heeft voldoende belang; gevraagde gegevens zijn bepaald en bij Caleidoz voorhanden. Geen gronden voor ontheffing informatieverplichting: geen (afgeleid) functioneel verschoningsrecht voor jongerenwerkers en geen zwaarwegende belangen in de zin van artikel 194 lid 2 Rv. Deels afwijzing voor reeds verstrekte protocollen (artikel 3:303 BW). Toewijzing van verzoek voorlopig getuigenverhoor op grond van artikel 196 Rv. Veroordeelt Caleidoz in de proceskosten.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 22-07-2026 |
| Zaaknummer | 453961 |
| Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Zittingsplaats | Arnhem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Jeugdbescherming / Jeugdwet |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Toewijzing inzageverzoek nabestaande op grond van artikelen 194 en 195 Rv. Geen gronden voor ontheffing informatieverplichting; geen (afgeleid) functioneel verschoningsrecht of het bestaan van zwaarwegende belangen in de zin van artikel 194 lid 2 Rv. Toewijzing van verzoek voorlopig getuigenverhoor op grond van artikel 196 Rv.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer / rekestnummer: C/05/453961 / HA RK 25-86
Beschikking van
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij, hierna: [verzoeker] ,
advocaten: mrs. L.A.P. Arends en M. Swelsen,
tegen
de stichting STICHTING CALEIDOZ,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Zevenaar,
verwerende partij, hierna: Caleidoz,
advocaat: mr. D.J.P. van Barneveld.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 25 juni 2025 met 13 producties,
- het verweerschrift, ingekomen op 14 januari 2026, met 4 producties,
- de mondelinge behandeling van 27 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij door mrs. Arends en Swelsen namens [verzoeker] pleitnotities zijn overgelegd.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2De feiten
[verzoeker] is de vader van de in 2005 geboren [dochter] (hierna: [dochter] ). [dochter] kampte in haar jonge tienerjaren met faalangst, terugkerende depressieve klachten, gedachten aan zelfbeschadiging en gedachten aan zelfdoding. In 2014 zijn haar ouders uit elkaar gegaan. [dochter] had veel moeite met de scheiding. De huisartsenpraktijk heeft [dochter] in verband met haar klachten doorverwezen voor ondersteuning.
In 2018 maakte [dochter] kennis met de jongerenwerkers van Caleidoz, die werkten op de school van [dochter] . Caleidoz is een welzijnsorganisatie in de gemeenten Zevenaar en Doesburg, die een laagdrempelige vorm van contact biedt aan jongeren. [dochter] kwam vanaf dat moment regelmatig langs bij de twee jongerenwerkers met wie ze een klik had (hierna: de jongerenwerkers), en er ontstond een hechte band. [dochter] heeft in die periode aan de twee jongerenwerkers van Caleidoz kenbaar gemaakt dat zij het leven zwaar vond. Vanaf 2019 tot haar overlijden in [maand] 2022 had [dochter] naast telefonische contacten en contacten in persoon, ook veelvuldig WhatsApp-contact met de jongerenwerkers.
In maart 2019 heeft [dochter] de huisarts bezocht, samen met haar moeder, in verband met verergerde psychische klachten. Samen is besloten dat [dochter] zou doorgaan met het lopende ondersteuningstraject. Er heeft beperkt diagnostiek plaatsgevonden.
Begin 2020 heeft [dochter] samen met haar moeder opnieuw de huisartsenpraktijk bezocht. Haar psychische klachten waren verergerd en haar middelengebruik was toegenomen. De huisarts heeft [dochter] toen op haar verzoek verwezen naar Yes We Can Clinics (hierna: YWCC). YWCC behandelt jongeren van 13 tot en met 17 jaar met psychische problemen, verslavingen en gedragsproblemen.
Vanaf de zomer van 2020 heeft [dochter] een intensieve behandeling gevolgd in een kliniek van YWCC. Daarna, begin 2021, is [dochter] door de huisarts, op advies van YWCC, doorverwezen naar een praktijk voor orthopedagogiek, namelijk Prakijk Denktank B.V. (hierna: Praktijk Denktank) voor een EMDR-behandeling. Na afronding van de EMDR-behandeling, heeft Praktijk Denktank [dochter] geadviseerd om Acceptance and Commitment Therapy te volgen, maar deze behandeling is niet van de grond gekomen.
In het najaar van 2021 zijn de omvang van het middelengebruik van [dochter] en de ernst van haar psychische (somberheids)klachten toegenomen. In november 2021 heeft [dochter] de huisarts bezocht, samen met een jongerenwerker van Caleidoz. De huisarts heeft [dochter] verwezen naar de praktijkondersteuner jeugd, voor een verdere oriëntatie op de klachten. De verwijzing van de huisarts was beknopt en vermeldde niet welke verwachting de huisarts had van de praktijkondersteuner. [dochter] zou binnen twee weken worden benaderd door de praktijkondersteuner jeugd.
De praktijkondersteuner jeugd is in dienst van de gemeente ( [gemeentenaam] ) en wordt gedetacheerd bij huisartsenprakijken.
In deze periode hebben de jongerenwerkers van Caleidoz contact gezocht met de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar. Die ondersteunde de gekozen route richting de huisarts en de praktijkondersteuner jeugd.
Vier weken na het consult, het is dan december 2021, heeft de praktijkondersteuner jeugd nog geen contact opgenomen met [dochter] . De jongerenwerker heeft hierover navraag gedaan bij de huisarts, die de praktijkondersteuner jeugd vervolgens een herinnering heeft gestuurd per e-mail. De praktijkondersteuner jeugd heeft een afspraak gemaakt met [dochter] voor een week later. [dochter] is niet op deze afspraak verschenen. De praktijkondersteuner heeft [dochter] diezelfde dag gebeld. [dochter] heeft aan de telefoon gezegd dat zij nazorg van YWCC volgt en dat begeleiding door de praktijkondersteuner niet meer nodig is. De praktijkondersteuner jeugd heeft deze informatie niet bij de huisarts of het YWCC geverifieerd. Ze heeft de huisarts per e-mail gemeld dat begeleiding van [dochter] niet nodig is en het dossier gesloten.
In januari 2022 hebben de jongerenwerkers van Caleidoz ontdekt dat [dochter] niet naar de afspraak met de praktijkondersteuner jeugd is gegaan. Opnieuw heeft [dochter] hen verteld dat het slecht met haar gaat, dat ze zichzelf beschadigde en dat ze suïcidale gedachtes had.
In februari 2022 heeft [dochter] de huisarts opnieuw bezocht samen met één van de jongerenwerkers. De huisarts heeft [dochter] vervolgens opnieuw doorverwezen naar de praktijkondersteuner jeugd en aangedrongen om dit keer echt te gaan. Ook deze tweede verwijzing van de huisarts aan de praktijkondersteuner was beknopt en vermeldde niet welke verwachting de huisartsenpraktijk had van de praktijkondersteuner. Toen de praktijkondersteuner vroeg om de reden van aanmelding, heeft de huisarts informatie over het consult nagestuurd.
Twee weken na het consult had [dochter] nog geen bericht ontvangen van de praktijkondersteuner jeugd. [dochter] heeft navraag gedaan bij de huisarts, die haar heeft verteld dat de wachttijd bij de praktijkondersteuner is opgelopen tot vier weken. De huisarts heeft de praktijkondersteuner jeugd gemaild met het verzoek om contact op te nemen met [dochter] . De praktijkondersteuner jeugd bleek langdurig afwezig wegens ziekte, en haar vervanger kon niet in de dossiers van de collega die ze verving.
Begin april 2022 hebben de jongerenwerkers van Caleidoz hun zorgen over het middelengebruik en de somberheid van [dochter] gedeeld met een medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] , die aanwezig was op de school van [dochter] .
Half april 2022 heeft [dochter] de (vervangend) praktijkondersteuner jeugd bezocht voor een intake, samen met een jongerenwerker van Caleidoz. De (vervangend) praktijkondersteuner jeugd kon niet in het dossier van [dochter] . Zij heeft vervolgens overlegd met de senior-medewerker van het wijkteam, vanwege de complexe problematiek van [dochter] en de veelheid aan hulp die in het verleden is ingezet.
Op [overlijdensdatum] heeft [dochter] zelfmoord gepleegd. [dochter] is dan 17 jaar. Kort voor haar suïcide heeft [dochter] nog contact met de jongerenwerkers van Caleidoz gehad.
De gemeente [gemeentenaam] heeft het overlijden van [dochter] op 16 augustus 2022 als calamiteit gemeld bij de inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de inspectie).
De inspectie heeft haar bevindingen neergelegd in een onderzoeksrapport van januari 2024 (hierna: het inspectierapport). Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
3Beantwoording onderzoeksvragen
(…)
In hoeverre was de geboden hulp aan de jongere passend?
Conclusie
De zorg en ondersteuning voor de jongere was gedeeltelijk passend.
Onderbouwing
De jongere kampt met terugkerende psychische en psychosociale klachten, die mede beïnvloed worden door de thuissituatie. De geboden hulp sluit in het begin aan bij de hulpvraag van de jongere en de ouders. Gaandeweg wordt duidelijker wat er aan de hand is en welke problematiek een rol speelt bij de mentale klachten van de jongere. (…)
De problematiek van de jongere blijkt uiteindelijk langdurig, complex en veelomvattend. Er lijken resultaten te worden geboekt. Toch ziet de inspectie dat de hulp aan de jongere onvoldoende voortbouwt op wat inmiddels bekend is. Deze kennis wordt onvoldoende betrokken bij het bepalen van het vervolg. (…)
De jongerenwerkers hebben de alertheid en het vermogen om advies te vragen bij externen, terwijl ze ook contact houden met de jongere. Ook proberen de jongerenwerkers regelmatig om de jongere te bewegen om open te zijn naar ouders en anderen. Toch zijn de jongerenwerkers vóór alles gericht op het behouden van het vertrouwen van de jongere. De aard en frequentie van het contact met de jongere is zodanig, dat de inspectie van mening is dat de grens tussen afstand en nabijheid bij de jongerenwerkers geleidelijk verstoord raakt.
Zo ervaren de jongerenwerkers dat de jongere herhaaldelijk niet open en eerlijk is over haar problemen. De jongere houdt bijvoorbeeld informatie achter tegenover de jongerenwerkers, tegenover de huisarts en tegenover de praktijkondersteuner jeugd. De jongerenwerkers zijn hier soms getuige van, maar zijn onvoldoende in staat om dit patroon te doorbreken. Ook verbinden ze onvoldoende consequenties aan het risicovolle gedrag van de jongere.
Welke factoren waren belemmerend voor het bieden van passende hulp aan de jongere?
Conclusie
Meerdere factoren hebben het bieden van passende hulp aan de jongere belemmerd. Dit betreft zowel factoren binnen organisaties, als factoren in de samenwerking tussen organisaties.
Onderbouwing
Uit het onderzoek komen diverse factoren naar voren die belemmerend hebben gewerkt. Deze factoren hebben elkaar beïnvloed en versterkt. Hieronder zetten we ze op een rij:
Samenwerking en regie in het netwerk
1. Niet alle organisaties hebben een goed beeld van de voorgeschiedenis van de jongere. Dat maakt het moeilijk om een juiste inschatting te maken van de ernst van de problematiek.
2. Er zijn verschillende beelden en verwachtingen over samenwerking en regievoering, terwijl in de praktijk regie, monitoring en evaluatie van de effectiviteit van de hulp voor de jongere grotendeels ontbreekt. (…)
Interne organisatie
(…)
4. Vanuit Caleidoz is sprake van weinig sturing en ondersteuning voor de jongerenwerkers. Het initiatief voor overleg met leidinggevenden ligt volkomen bij de jongerenwerkers. De beslissing om geen enkele informatie met ouders te delen hebben de jongerenwerkers niet getoetst binnen hun organisatie. (…)
4Conclusie en vervolg
(…) Uit het onderzoek blijkt onder meer, dat de zorg en ondersteuning voor de jongere deels passend was. Meerdere factoren op het gebied van interne organisatie, samenwerking en regievoering waren belemmerend voor het bieden van passende hulp. Deze factoren hebben elkaar beïnvloed en versterkt.
De inspectie concludeert op basis van het onderzoek, dat de geconstateerde tekortkomingen deels structureel van aard zijn. Daarnaast ziet de inspectie, dat de betrokken organisaties al tijdens het onderzoek zijn gestart met initiatieven om de hulp te verbeteren. (…)
De advocaat van [verzoeker] heeft Caleidoz bij brief van 9 augustus 2024 verzocht om inzage in en kopie van alle stukken die betrekking hebben op de ondersteuning die Caleidoz en haar jongerenwerkers hebben geboden aan [dochter] .
De advocaat van Caleidoz heeft bij e-mail van 25 oktober 2024 aan de advocaat van [verzoeker] bericht dat dit verzoek niet wordt ingewilligd. Aan die weigering legt Caleidoz ten grondslag dat de jongerenwerkers van Caleidoz een geheimhoudingsplicht hebben en dat niet is gebleken van een zwaarwegend belang van [verzoeker] dat tot doorbreking van die geheimhoudingsplicht kan leiden.
Het document “Visie Jongerenwerk Caleidoz Welzijn Januari 2022” houdt onder meer het volgende in:
Het jongerenwerk
(…) Het jongerenwerk is een voorliggende voorziening, waarbij de focus ligt op preventie. De zogenaamde 0e lijns, in tegenstelling tot jeugdhulpverleners die 1e of 2e lijns zijn. (…)
Netwerk
Het jongerenwerk is een verbinder tussen de leefwereld en de systeemwereld van jongeren. De jongerenwerker schakelt tussen ouders, gebiedsteam, politie, school, sportverenigingen enz. Als jongerenwerker ben je de spin in dit web en probeer je de wensen en belangen van de jongeren te vertalen. Het jongerenwerk kan, bij vraagstukken rondom jongeren, in dit netwerk optreden als adviseur, zowel gevraagd als ongevraagd. (…)
Coaching
De jongerenwerkers coachen jongeren in het volwassen worden. Ze bieden een laagdrempelige vorm van coaching, een luisterend oor en fungeren als vertrouwenspersoon. Het gaat dan om uiteenlopende gebieden, zoals: sociaal netwerk, seksualiteit, thuissituatie, vrijetijdsbesteding, inkomen, werk enz. (…)
(…) Een jongerenwerker is geen hulpverlener, maar biedt ondersteuning naast reguliere hulpverlening (als deze in beeld is) of verwijst in de begeleiding actief door naar hulpverlening (…)
Vindplaatsgericht Werken
Het jongerenwerk wil (…) vindplaatsgericht werken. (…)
Het Jongerenwerk op School is een goed voorbeeld van offline vindplaatsgericht werken. (…)
Voorlichting en Preventie
Het jongerenwerk ziet en hoort veel en kan daarmee vroegtijdig signaleren. Op basis van deze signalen kan het jongerenwerk vraaggericht werken. Ook worden de signalen gedeeld met partners zodat er, waar mogelijk, een gezamenlijke aanpak kan worden gerealiseerd. (…)
Participatie
(…) Het vrijwilligerswerk in het jongerenwerk zorgt ervoor dat jongeren kunnen participeren. (…)
Ontmoeting
Het jongerenwerk organiseert laagdrempelige activiteiten: met jongeren, voor jongeren en door jongeren (…).
De BPSW, de beroepsvereniging voor professionals in sociaal werk, heeft een beroepscode voor professionals in sociaal werk opgesteld [datum onbekend/toevoeging rechtbank]. Artikel 10 van deze beroepscode (hierna: de beroepscode) houdt in: “De professional behandelt informatie over mensen en hun omstandigheden vertrouwelijk.”. Artikel 14 van deze code houdt in: “De professional beroept zich bij de rechter op de plicht tot geheimhouding indien het afleggen van een getuigenis of beantwoording van bepaalde vragen strijdig is met die plicht.”.
3De verzoeken
[verzoeker] verzoekt de rechtbank om bij beschikking:
- Caleidoz te bevelen tot afgifte aan [verzoeker] van een kopie van de in paragraaf 4.16 van het verzoekschrift genoemde gegevens, voor zover deze gegevens in verband staan met de zelfdoding en/of de psychische gesteldheid van [dochter] ;
-
een voorlopig getuigenverhoor te gelasten en een datum te bepalen waarop het getuigenverhoor zal plaatsvinden, met oproeping van mevrouw [persoon 1] , van mevrouw [persoon 2] , van de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en van de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] ,
-
Caleidoz te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.
Het inzageverzoek
[verzoeker] legt het volgende aan zijn inzageverzoek ten grondslag.
In 2023 heeft de inspectie vastgesteld dat de zorgverlening rondom [dochter] in de periode voorafgaand aan haar overlijden niet (volledig) passend is geweest. [verzoeker] stelt een zwaarwegend belang te hebben bij inzage in en afschrift van stukken omdat het vermoeden bestaat dat Caleidoz haar zorgplicht heeft geschonden. De jongerenwerkers van Caleidoz waren er meermalen getuige van dat [dochter] (relevante) informatie achterhield tegenover de huisarts en de praktijkondersteuner jeugd, maar hebben onvoldoende ondernomen om dit patroon te doorbreken. Ook verbonden zij onvoldoende consequenties aan het risicovolle gedrag van [dochter] voorafgaand aan haar overlijden. Inzage is noodzakelijk om te kunnen beoordelen of Caleidoz civielrechtelijk aansprakelijk is.
[verzoeker] baseert het verzoek tot afgifte op artikelen 194 en 195 Rv. [verzoeker] stelt dat is voldaan aan de cumulatieve vereisten uit artikel 194 lid 1 Rv. Hij heeft een rechtens te respecteren belang bij toewijzing van het verzoek. Volgens [verzoeker] bestaan er géén gewichtige redenen die zich verzetten tegen openbaarmaking van de informatie. Jeugdwelzijnswerk kwalificeert niet als (jeugd)zorg. De jongerenwerkers hebben geen wettelijke geheimhoudingsplicht, zodat Caleidoz geen beroep kan doen op een verschoningsrecht. Caleidoz heeft evenmin een afgeleid verschoningsrecht omdat de jongerenwerkers niet zijn ingeschakeld door de huisartsenpraktijk (“verlengde arm”).
Ook als de jongerenwerkers wel een verschoningsrecht toekomt, is dit niet absoluut omdat het verzoek gericht is op opheldering van het handelen van de jongerenwerkers. Het belang van de waarheidsvinding, bij het vermoeden van een fout, weegt in elk geval zwaarder dan geheimhouding. Zelfs in het geval dat het in zorgwetgeving vastgelegde beroepsgeheim wel van toepassing zou zijn, zou Caleidoz de verzochte informatie moeten verstrekken gelet op de doorbreking van dat geheim op grond van artikel 7:458a BW (en vergelijkbaar: artikel 7.3.12a Jeugdwet) .
Caleidoz verzet zich tegen toewijzing van het inzageverzoek.
Volgens Caleidoz heeft [verzoeker] geen (voldoende) rechtens te respecteren belang bij zijn verzoek (artikel 3:303 BW) omdat de jongerenwerkers niets te verwijten valt en alle relevante feiten en omstandigheden al bij [verzoeker] bekend zijn gelet op de bij het verzoekschrift overgelegde producties.
Als dit belang wel wordt aangenomen, dan geldt dat de jongerenwerkers van Caleidoz een zelfstandig verschoningsrecht hebben in de zin van artikel 165 Rv. Voor sociaal werkers, waartoe de jongerenwerkers van Caleidoz gerekend moeten worden, geldt namelijk een geheimhoudingsplicht die is vastgelegd in de door Caleidoz overgelegde beroepscode (artikelen 10 en 14). Die code stoelt volgens Caleidoz op wettelijke regelingen zoals de AVG (Algemene verordening gegevensbescherming), artikel 8 EVRM, artikel 10 Grondwet en artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. De jongerenwerkers hebben verder een afgeleid verschoningsrecht ten aanzien van de informatie die betrekking heeft op zorg door de huisarts en diens praktijkondersteuners.
Ook als de rechtbank zou aannemen dat de jongerenwerkers geen (afgeleid) verschoningsrecht hebben, vormt de geheimhoudingsplicht volgens Caleidoz een gewichtige reden die zich verzet tegen het verstrekken van inzage of afschrift.
Caleidoz voert aan dat het tot de taak van de jongerenwerker behoort om hulp te verlenen en dat het opbouwen van een vertrouwensrelatie de basis is van het werk van een ambulant jongerenwerker. Door de vrije dialoog die dan kan ontstaan, kan de jongerenwerker begrijpen wat de hoop, apsiraties, verlangens en behoeften van de groep en de individuele jongeren zijn, zodat de jongerenwerker het gesprek met de jongere kan aangaan over hoe diens leven is ingericht en over hoe op zoek te gaan naar verandering en verbetering. Daarom is het van belang dat jongeren die zijn aangewezen op ondersteuning door jongerenwerkers er op moeten kunnen vertrouwen dat hetgeen zij delen met een jongerenwerker, niet wordt gedeeld met derden. Dat belang weegt zwaarder dan het belang van [verzoeker] , aldus Caleidoz. Volgens Caleidoz is de taak en functie van een jongerenwerker te vergelijken met beroepen waaraan volgens de Hoge Raad een functioneel verschoningsrecht toekomt.
Tot slot voert Caleidoz redenen aan waarom zij de verzochte gegevens niet kan of wil verstrekken, die hierna verder worden besproken.
Het voorlopig getuigenverhoor
[verzoeker] baseert zijn verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor op artikel 196 lid 1 Rv. Caleidoz voert ook ten aanzien van dit verzoek verweer, dat hierna zal worden besproken.
4De beoordeling van het inzageverzoek
De rechtbank zal eerst beoordelen of Caleidoz aan [verzoeker] een afschrift moet verstrekken van - samengevat - het dossier van [dochter] , met daarin de stukken en gegevens zoals hierna in r.o. 4.9. omschreven.
De rechtbank stelt voorop dat het overlijden van [dochter] een uiterst verdrietige gebeurtenis is, die vanzelfsprekend een grote weerslag heeft op [verzoeker] en de andere nabestaanden. Vanuit menselijk oogpunt valt alleszins te begrijpen dat de nabestaanden van [dochter] op zoek zijn naar antwoorden. Ook anderen die bij [dochter] betrokken waren, zijn door haar zelfdoding geraakt.
Dit laat echter onverlet dat het verzoek van [verzoeker] tot afgifte van de gegevens van [dochter] langs een juridische lat moet worden gelegd. De rechtbank beoordeelt hierna of aan een aantal specifiek door de wetgever beschreven voorwaarden voor inzage van de gegevens is voldaan.
Toetsingskader
Tussen [dochter] en Caleidoz bestond geen geneeskundige behandelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:446 BW. Dit betekent dat afdeling 5, titel 7 van Boek 7 BW, en de daarin genoemde regeling die ziet op (doorbreking van) de geheimhoudingsplicht, niet van toepassing is. Vaststaat ook dat Caleidoz geen jeugdzorg biedt in de zin van de Jeugdwet of ondersteuning in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het inzageverzoek dient daarom te worden beoordeeld op grond van het (nieuwe) inzagerecht, zoals neergelegd in de artikelen 194 en 195 Rv.
Voor het recht op inzage (daaronder valt ook het recht op afschrift of uittreksel) moet op grond van artikel 194 Rv aan een aantal cumulatieve voorwaarden worden voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet 1) partij zijn bij een rechtsbetrekking en 2) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet 3) een partij een voldoende belang hebben bij zijn/haar informatieverzoek en moet 4) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken.
Het begrip ‘partij bij een rechtsbetrekking’ moet ruim worden opgevat. Onder een rechtsbetrekking worden alle burgerrechtelijke betrekkingen tussen twee of meer partijen verstaan, waaronder de rechten en plichten van partijen bij verbintenissen uit de wet, zoals een onrechtmatige daad. Het bestaan van een rechtsbetrekking hoeft nog niet in rechte vast te staan. Partij bij een rechtsbetrekking kan eenieder zijn die bij een rechtsbetrekking is of wordt betrokken.
Deze voorwaarden dienen ter voorkoming van zogenaamde ‘fishing expeditions’. Artikel 194 en 195 Rv bieden niet de mogelijkheid tot het opvragen van documenten waarvan een partij slechts het bestaan vermoedt of waarvan hij vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen in de hoofdzaak.
Verder: er kunnen omstandigheden zijn waardoor medewerking aan een inzageverzoek niet van partijen of van een derde kan worden gevergd. Lid 2 van artikel 194 Rv bevat twee gronden die de informatiebezitter ontheffen van de verplichting tot het verstrekken van informatie, namelijk het bestaan van een verschoningsrecht of het bestaan van zwaarwegende belangen die zich tegen het verstrekken van informatie verzetten.
Partij bij een rechtsbetrekking
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat tussen [verzoeker] en Caleidoz een rechtsbetrekking in de zin van artikel 194 Rv omdat [verzoeker] (gemotiveerd en met stukken onderbouwd) stelt dat Caleidoz haar zorgplicht heeft geschonden en hij wil onderzoeken of Caleidoz jegens hem verplicht is tot vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, zoals bedoeld in artikel 6:108 lid 3 BW (schadevergoeding bij overlijden voor naasten). De vraag òf Caleidoz tot vergoeding van dergelijk nadeel verplicht is, ligt niet ter beoordeling voor in deze procedure.
De gevraagde gegevens voldoende bepaald
[verzoeker] verzoekt om afgifte van een kopie van de in paragraaf 4.16 van het verzoekschrift genoemde gegevens, voor zover deze gegevens in verband staan met de zelfdoding en/of de psychische gesteldheid van [dochter] . Het betreft de volgende gegevens:
1) het logboek van Caleidoz voor zover dit (in)direct betrekking heeft op de suïcide en/of geestelijke gesteldheid van [dochter] ;
2) alle correspondentie tussen de jongerenwerkers van Caleidoz en zorgverlenende organisaties, waaronder in ieder geval de huisartsenpraktijk, de praktijkondersteuner jeugd, de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] (en daarbij het verzoek om de namen van de laatste twee personen kenbaar te maken);
3) alle overige correspondentie en WhatsAppgesprekken (van de jongerenwerkers onderling) en documenten die betrekking hebben op de suïcide en/of geestelijke gesteldheid van [dochter] ;
4) eventueel beeldmateriaal, video’s en/of foto’s die betrekking hebben op de contacten met [dochter] en informatie kunnen prijsgeven over contacten die met [dochter] hebben plaatsgevonden en/of iets zeggen over haar geestelijke gesteldheid van dat moment; en
5) alle relevante interne protocollen van Caleidoz (meer specifiek protocollen die de jongerenwerkers handvatten bieden respectievelijk protocollen aan de hand waarvan hun handelswijze kan worden getoetst).
Naar het oordeel van de rechtbank is de door [verzoeker] verlangde informatie daarmee voldoende bepaald, zoals artikel 194 Rv eist.
Protocollen en richtlijnen al verstrekt
De rechtbank stelt vast dat een deel van de door [verzoeker] verzochte gegevens al aan hem is verstrekt als producties 1 tot en met 4 bij het verweerschrift van Caleidoz. Het gaat om de Gedragscode voor medewerkers & vrijwilligers van Caleidoz Welzijn, het document Werken met de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling, het document Visie Jongerenwerk Caleidoz Welzijn Januari 2022 en de beroepscode. Namens [verzoeker] is ter zitting desgevraagd verklaard dat [verzoeker] hiermee inmiddels beschikt over alle door hem onder 5) verzochte bescheiden.
Dit deel van het inzageverzoek zal daarom worden afgewezen wegens gebrek aan belang (artikel 3:303 BW) .
Verdere gegevens ter beschikking
Caleidoz verzet zich tegen afgifte van de gevraagde gegevens en stelt allereerst dat zij niet (meer) over de gegevens onder 2) en 3) beschikt.
De rechtbank verwerpt dit verweer.
Ten aanzien van de gegevens onder 2) is van belang dat Caleidoz in algemene zin niet heeft betwist dat er correspondentie heeft plaatsgevonden tussen de jongerenwerkers enerzijds en zorg verlenende organisaties (waaronder de huisarts, de praktijkondersteuner jeugd, de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en een medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] ) anderzijds en dat Caleidoz beschikt over een digitaal systeem waarin – zij het beperkt – informatie werd geregistreerd, zodat ervan moet worden uitgegaan dat Caleidoz deze gegevens onder zich heeft. In ieder geval kan Caleidoz als werkgever de gevraagde correspondentie opvragen bij de betreffende twee jeugdwerkers. Dat geldt ook voor de namen van de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] .
Ten aanzien van de gevraagde gegevens onder 3) heeft de advocaat van [verzoeker] ter zitting toegelicht dat dit deel van het inzageverzoek ziet op (WhatsApp-)correspondentie tussen de jongerenwerkers onderling over [dochter] . Daarmee is duidelijk dat afgifte van deze gegevens wordt gevraagd en dat dit andere correspondentie betreft dan de reeds overgelegde correspondentie tussen de jongerenwerkers met [dochter] . Caleidoz heeft niet betwist dat de jongerenwerkers onderling contact hadden over [dochter] en de rechtbank acht dit, mede gelet op de inhoud van de wél reeds overlegde correspondentie (zoals bijvoorbeeld geciteerd op p. 7-8 van het verzoekschrift) ook aannemelijk, zodat er vanuit moet worden gegaan dat de jongerenwerkers over deze correspondentie beschikken. Caleidoz kan als werkgever de gevraagde correspondentie opvragen bij de betreffende twee jongerenwerkers.
Caleidoz stelt dat [verzoeker] ook geen recht heeft op afgifte van de onder 4) gevraagde gegevens. Volgens Caleidoz heeft [verzoeker] zelf reeds alle (WhatsApp-) correspondentie van de jongerenwerkers met [dochter] overgelegd bij het verzoekschrift (producties 2 en 3). Over méér gegevens beschikt Caleidoz niet, aldus Caleidoz bij verweerschrift.
De rechtbank volgt Caleidoz hierin evenmin. [verzoeker] heeft ter zitting toegelicht dat de reeds overgelegde WhatsAppberichten zijn uitgelezen uit de telefoon van [dochter] , maar dat [dochter] mogelijk een deel heeft gewist en dat die berichten mogelijk niet zijn gewist bij de medewerkers van Caleidoz. Door Caleidoz is daarop ter zitting verklaard dat de jongerenwerkers werktelefoons hebben en dat Caleidoz niet bekend is of de door [dochter] gewiste berichten ook bij de jongerenwerkers als ontvanger zijn gewist. Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank ervanuit dat de gegevens onder 4) beschikbaar zijn, terwijl het gegevens betreft die Caleidoz als werkgever bij de jongerenwerkers kan opvragen.
De rechtbank zal hierna daarom beoordelen of [verzoeker] recht heeft op afgifte van de onder 1) tot en met 4) beschreven gegevens.
Voldoende belang
De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] voldoende belang heeft bij inzage in de gegevens onder 1) tot en met 4), zoals hierna zal worden toegelicht.
Onder het tot 1 januari 2025 geldende artikel 843a Rv (oud) was voor inzage een rechtmatig belang vereist. Dit vereiste is vervangen door de eis van voldoende belang. Als een partij aannemelijk heeft gemaakt dat zij belang heeft bij het verkrijgen van inzage van bepaalde gegevens, moet inzage worden verstrekt.
De rechtbank overweegt dat in deze fase van het geding niet van [verzoeker] kan worden verlangd dat hij aantoont dat Caleidoz haar zorgplicht heeft geschonden danwel onrechtmatig heeft gehandeld. Het gaat om het aannemelijk maken van een vermoeden, waarbij bijkomende feiten of omstandigheden nodig zijn die aanleiding geven om eraan te twijfelen dat de begeleiding door Caleidoz naar behoren is verleend.
De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] voldoende duidelijk en concreet heeft gesteld en gemotiveerd, waarom hij meent dat de gevraagde gegevens van belang kunnen zijn als bewijs in de hoofdzaak en voor de (eventueel) door hem in te stellen vorderingen. Duidelijk is dat [verzoeker] aan de hand van de opgevraagde afschriften wil beoordelen of en in hoeverre Caleidoz haar zorgplicht heeft geschonden, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld.
Er is naar het oordeel van de rechtbank gegronde reden voor twijfel dat de begeleiding door Caleidoz naar behoren is verleend, gelet op het rapport van de inspectie, zoals hiervoor aangehaald. De inspectie concludeert immers dat de zorg en ondersteuning aan [dochter] gedeeltelijk passend was. Die conclusie onderbouwt de inspectie (onder meer) met haar bevinding dat de grens tussen afstand en nabijheid bij de jongerenwerkers geleidelijk verstoord is geraakt en dat zij onvoldoende consequenties hebben verbonden aan het risicovolle gedrag van [dochter] . Daarnaast concludeert de inspectie dat meerdere factoren, binnen organisaties en in de samenwerking tussen organisaties, het bieden van passende hulp aan [dochter] hebben belemmerd. Voor wat betreft de samenwerking en regie in het netwerk concludeert de inspectie dat niet alle organisaties een goed beeld hebben van de voorschiedenis van [dochter] , wat het moeilijk maakt een juiste inschatting te maken van de ernst van de problematiek en dat in de praktijk regie, monitoring en evaluatie van de effectiviteit van de hulp voor [dochter] grotendeels ontbreekt. Volgens de inspectie is er vanuit Caleidoz weinig sturing en ondersteuning voor de jongerenwerkers, ligt het initiatief voor overleg met leidinggevenden volkomen bij de jongerenwerkers en is de beslissing om geen enkele informatie met de ouders te delen niet getoetst binnen de organisatie.
Daarmee is het belang van [verzoeker] bij inzage naar het oordeel van de rechtbank voldoende gegeven.
Geen gronden voor ontheffing informatieverplichting
Vervolgens moet beoordeeld worden of er gronden zijn die Caleidoz ontheffen van de verplichting tot het verstrekken van informatie, namelijk het bestaan van een (functioneel) verschoningsrecht of het bestaan van zwaarwegende belangen die zich tegen het verstrekken van informatie verzetten (artikel 194 lid 2 Rv) . Tussen partijen is met name in geschil of de jongerenwerkers van Caleidoz aan hun geheimhoudingsverplichting een verschoningsrecht kunnen ontlenen dat grond oplevert voor ontheffing van voormelde informatieverplichting, zoals Caleidoz heeft betoogd en [verzoeker] heeft weersproken.
Het juridisch kader is als volgt.
Het verschoningsrecht heeft een uitzonderingskarakter wegens het grote belang van de waarheidsvinding, dat meebrengt dat slechts in bijzondere gevallen een uitzondering kan worden gemaakt op de getuigplicht van artikel 165 lid 1 Rv.
1
Degene die een beroep op een verschoningsrecht wil doen, moet volgens artikel 165 lid 2, aanhef en onder b, Rv tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van zijn of haar ambt, beroep of betrekking (functioneel verschoningsrecht).
De omstandigheid dat op iemand een geheimhoudingsplicht rust, betekent nog niet dat aan diegene een functioneel verschoningsrecht toekomt.
2 Daarvoor is een afweging nodig tussen het belang van de waarheidsvinding en het maatschappelijk belang bij geheimhouding.
De grondslag van dit verschoningsrecht is gelegen in het algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen is besproken om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden.
Als die afweging blijkens bewoordingen, strekking of wetsgeschiedenis niet onmiskenbaar door de wetgever is gemaakt, maakt de rechter die afweging. Daarbij moet de rechter de belangen waarop de verplichting tot geheimhouding is gericht, afwegen tegen de zwaarwegende belangen die gemoeid zijn met de waarheidsvinding in een procedure bij de burgerlijke rechter. Tot slot: het functioneel verschoningsrecht heeft geen absoluut karakter. Er kunnen zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waarin het belang van de waarheidsvinding prevaleert.
3
Gesteld noch gebleken is dat op jongerenwerkers een wettelijke geheimhoudingsplicht rust. Op jongerenwerkers rust niet de in artikel 88 Wet BIG (Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg) vastgelegde geheimhoudingsverplichting. De begeleiding van [dochter] door jongerenwerkers van Caleidoz is niet aan te merken als een geneeskundige behandeling in de zin van de Wgbo (Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst) en vormt ook geen jeugdhulp in de zin van de Jeugdwet. De wet zwijgt dus als het gaat om de geheimhoudingsplicht en het daarop dan te baseren verschoningsrecht van jongerenwerkers.
De in de beroepscode opgenomen geheimhoudingsverplichting is geschreven door beroepsverenigingen en daarom naar het oordeel van de rechtbank niet gelijk te stellen met een in de wet vastgelegde geheimhoudingsplicht voor jongerenwerkers.
Dit betekent dat de jongerenwerkers evenmin een wettelijk verschoningsrecht toekomt.
Ervanuitgaande dat op de jongerenwerkers van Caleidoz wel een geheimhoudingsplicht rust, die is gebaseerd op de beroepscode, dient de rechtbank op grond van wat Caleidoz heeft gesteld te beoordelen of de jongerenwerkers een daarop te baseren verschoningsrecht toekomt waarbij zij de hiervoor bedoelde afweging moet maken. Daarbij ziet de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad, zoals geopperd door Caleidoz.
De rechtbank kent bij deze beoordeling betekenis toe aan de omstandigheid dat volgens Caleidoz zèlf, de werkzaamheden van de jongerenwerkers niet zijn aan te merken als hulpverlening (document “Visie Jongerenwerk Caleidoz Welzijn Januari 2022”, zie r.o. 2.19).
Uit de door Caleidoz verstrekte informatie over de werkzaamheden van de jongerenwerkers volgt dat deze schakels vormen tussen ouders, gebiedsteam, politie, school, sportverenigingen en dergelijke, dat de jongerenwerkers een laagdrempelijke vorm van coaching bieden, gevraagd en ook ongevraagd adviseur zijn en dat zij een een breed scala aan activiteiten aanbieden.
Hoewel de rechtbank zonder meer aanneemt dat jongerenwerkers op deze wijze zinvol en maatschappelijk relevant werk verrichten waaraan een vertrouwensrelatie met de jongere bijdraagt, is daarmee nog niet aannemelijk dat met het effectief kunnen uitoefenen van het beroep van jongerenwerker zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn gemoeid, laat staan dat deze belangen aanmerkelijk zouden kunnen worden geschaad zonder het aanvaarden van het verschoningsrecht en dat het algemeen belang van de waarheidsvinding daarvoor moet wijken.
4
De omstandigheid dat onder jongeren een cultuur heerst waarbij het belangrijk is dat je niets verklapt en dat je je niet tot de autoriteiten wendt, zoals door Caleidoz ter zitting aangevoerd, maakt dit niet anders. De houding van jongeren ten aanzien van dit ‘snitchen’ staat namelijk in een te ver verwijderd verband tot de eigen zorg- of hulpvraag waarmee de jongere zich tot een vertrouwenspersoon pleegt te wenden.
Verder acht de rechtbank van belang dat het in deze zaak gaat om een ernstig vermoeden van verwijtbaar onzorgvuldig handelen door (mede) Caleidoz rondom de ernstige en complexe persoonlijkheidsproblematiek van [dochter] , in een periode die is geëindigd met haar zelfmoord. Het belang van de waarheidsvinding rechtvaardigt dat hiernaar een objectief en zo volledig mogelijk onderzoek wordt ingesteld, juist nu het (mede) het eigen handelen of nalaten van Caleidoz betreft.
Caleidoz heeft verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd die nopen tot een ander oordeel.
De rechtbank ziet overigens geen aanleiding om Caleidoz te volgen in haar stelling dat de jongerenwerkers te vergelijken zijn met de Raad voor de Kinderbescherming, een geestelijk verzorger of een reclasseringswerker, aan welke functionarissen door de Hoge Raad eerder een verschoningsrecht is toegekend, reeds omdat Caleidoz niet heeft onderbouwd dat en waarom sprake zou zijn van vergelijkbare gevallen. De door Caleidoz gemaakte vergelijking met het door de Hoge Raad (in ECLI:NL:HR:2017:1205) besliste geval mist toepassing, reeds omdat het in die zaak een op grond van de Wet BIG geregistreerde verpleegkundige betrof.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat als er al een algemeen belang mee gediend is dat Caleidoz en haar jongerenwerkers als beroepsbeoefenaars moeten (kunnen) zwijgen over hetgeen hen door [dochter] is medegedeeld, dit niet opweegt tegen de belangen die gemoeid zijn met de waarheidsvinding in rechte. Bij de beoordeling van het verzoek om inzage komt Caleidoz dus geen beroep toe op een verschoningsrecht. Gelet op het vorenstaande zijn er evenmin zwaarwegende belangen die zich tegen inzage verzetten.
Anders dan Caleidoz heeft betoogd, komt haar jongerenwerkers ook geen afgeleid verschoningsrecht toe ten aanzien van de informatie die betrekking heeft op zorg door de huisarts en diens praktijkondersteuners. De jongerenwerkers en/of Caleidoz hebben immers geen werkzaamheden voor de huisarts(-enpraktijk en -ondersteuners) verricht uit hoofde waarvan hen informatie bekend is.
Nu Caleidoz geen (afgeleid) verschoningsrecht toekomt en er geen zwaarwegende belangen bestaan die zich verzetten tegen het verstrekken van informatie, zijn er geen gronden die Caleidoz ontheffen van de verplichting tot het verstrekken van informatie, zoals bedoeld in artikel 194 lid 2 Rv.
Dit betekent dat [verzoeker] recht heeft op afgifte door Caleidoz van de onder 1) tot en met 4) beschreven gegevens.
5De beoordeling van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor
[verzoeker] verzoekt de rechtbank om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, ex artikel 196 lid 1 Rv.
Volgens [verzoeker] heeft hij een concreet belang bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor, omdat het vermoeden bestaat dat Caleidoz is tekortgeschoten in de begeleiding van [dochter] , enerzijds doordat de jongerenwerkers die met [dochter] contact hadden onvoldoende hebben gedaan met signalen en anderzijds omdat Caleidoz de jongerenwerkers onvoldoende heeft geïnstrueerd en gecoacht (sub 4.11-4.13 verzoekschrift). [verzoeker] stelt dat Caleidoz op de hoogte was, althans had moeten zijn, van het voornemen van [dochter] om zich te suïcideren en dat Caleidoz haar zorgplicht heeft geschonden door de ernst van de situatie niet te onderkennen en niet zelf aan de bel te trekken bij betrokken hulpverlenings- en/of zorginstanties, dan wel [dochter] ’s ouders in te lichten.
[verzoeker] heeft aanvullende informatie nodig om zijn rechtspositie in te schatten en zijn standpunt te onderbouwen in een eventuele procedure. [verzoeker] wenst (onder meer) duidelijkheid te krijgen over 1) de bezoeken van de jongerenwerkers en [dochter] aan de huisartsenpraktijk, 2) het overleg tussen de jongerenwerkers en de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar, 3) het overleg tussen de jongerenwerkers en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] , 4) het bezoek van de jongerenwerkers en [dochter] aan de praktijkondersteuner jeugd en 5) de aard van de ondersteuning aan [dochter] in de periode voorafgaand aan haar overlijden.
[verzoeker] wenst daartoe de twee jongerenwerkers van Caleidoz te horen waarmee [dochter] voorafgaand aan haar overlijden veel contact had. Ook wenst [verzoeker] de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] te horen. Met hen is voorafgaand aan de zelfdoding van [dochter] overleg gevoerd over het in te zetten beleid. [verzoeker] heeft de namen van de gedragswetenschapper en de medewerker van het Sociaal Team opgevraagd bij Caleidoz, maar deze heeft geweigerd deze gegevens te verstrekken.
Caleidoz verzet zich tegen toewijzing van het verzoek.
Caleidoz voert aan dat [verzoeker] geen of onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het verzoek. Volgens Caleidoz blijken alle relevante feiten en omstandigheden al uit de door [verzoeker] bij het verzoekschrift overgelegde producties, met name het inspectierapport en de WhatsApp-correspondentie en voegt het horen van getuigen niets toe. Ook doet Caleidoz een beroep op de geheimhoudingsplicht van de jongerenwerkers en stelt zij dat de jongerenwerkers een (afgeleid) verschoningsrecht toekomt.
Toetsingskader
Een voorlopig getuigenverhoor heeft als doel om de verzoeker ervan in staat te stellen opheldering te verkrijgen over de – wellicht nog niet precies bekende – feiten en omstandigheden waarvan hij in een eventuele procedure de bewijslast zal hebben om zo zijn positie beter te kunnen beoordelen.
Niet vereist is dat de verzoeker al in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen. Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt ook niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor.
In het verzoekschrift moet de verzoeker duidelijk vermelden waar de zaak globaal om gaat, wat hij vordert of wil vorderen, welke feiten hij wil bewijzen en wie de getuigen zijn. Vooral wat hij wil bewijzen, moet voldoende duidelijk zijn voor de betrokken rechter en de wederpartij. Ook moet duidelijk genoeg zijn wat de getuigen daarover kunnen verklaren. Heel gedetailleerd hoeft de verzoeker niet te zijn, omdat een voorlopig getuigenverhoor nu juist dient om onduidelijkheden op te helderen en om degene die om zo’n verhoor verzoekt in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen.
5 Bij de beoordeling van het verzoek mag niet vooruit worden gelopen op de uitkomst van de getuigenverhoren en op het verloop en de uitkomst van een eventuele bodemprocedure.
Indien het verzoek voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt, heeft de verzoeker in beginsel recht op een voorlopig getuigenverhoor. Dat is slechts anders indien de rechter van oordeel is dat de verlangde informatie niet voldoende bepaald is, de verzoeker onvoldoende belang heeft bij zijn verzoek, het verzoek in strijd is met de goede procesorde, er sprake is van misbruik van bevoegdheid of andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting (artikel 196 lid 2 Rv) . Als geen van deze situaties zich voordoet en het verzoek verder aan alle eisen voldoet, dan wordt het verzoek toegewezen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor moet worden toegewezen. Hiertoe overweegt zij het volgende.
[verzoeker] heeft genoegzaam toegelicht dat hij opheldering wil krijgen over de periode voorafgaand aan de zelfdoding van [dochter] , meer specifiek over de gesprekken van de jongerenwerkers en [dochter] met de huisarts en de praktijkondersteuner jeugd en over het overleg dat de jongerenwerkers over [dochter] hebben gevoerd met de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] , zodat hij kan beoordelen of en in hoeverre Caleidoz haar zorgplicht heeft geschonden, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld.
De rechtbank volgt Caleidoz niet in haar standpunt dat [verzoeker] onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het verzoek, als zouden de feiten inmiddels voldoende duidelijk zijn (en waaruit volgens Caleidoz volgt dat haar (medewerkers) niets verweten kan worden). Het bestaan van mondelinge gesprekken geeft [verzoeker] op zich al voldoende belang om daarover getuigen te horen. Daarnaast is van belang dat Caleidoz naar eigen zeggen in haar systeem summier verslag legt.
[verzoeker] heeft onderbouwd dat en waarom de in zijn verzoek genoemde getuigen over de door hem gestelde feiten en omstandigheden kunnen verklaren. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat [verzoeker] een rechtsvordering heeft. [verzoeker] heeft daarmee voldoende concrete aanknopingspunten voor de beoogde bewijsvergaring gegeven. Daarbij komt dat kan worden uitgegaan van de door [verzoeker] gestelde en door Caleidoz niet weersproken bewijspositie van [verzoeker] in een eventuele bodemprocedure.
De omstandigheid dat het inzageverzoek zal worden toegewezen en Caleidoz aan [verzoeker] afschrift moet verstrekken van de gegevens zoals hierna onder de beslissing vermeld, betekent niet dat [verzoeker] geen belang (meer) heeft bij een voorlopig getuigenverhoor. [verzoeker] heeft immers onweersproken gesteld dat het in deze zaak juist ook gaat om wat er niet is vastgelegd in het dossier van [dochter] .
Wat het door Caleidoz gestelde verschoningsrecht van haar en haar jongerenwerkers betreft, geldt dat de beoordeling daarvan bij beoordeling van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor niet voorligt. De rechtbank kan en mag in het kader van dit verzoek niet vooruitlopen op wat getuigen, mede gelet op een geheimhoudingsverplichting wel of niet kunnen of zullen verklaren. De vraag naar de verschijningsplicht en het verschoningsrecht van de getuigen
6 kan voor de behandeling van het onderhavige verzoek buiten beschouwing blijven.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden sprake van een situatie waarvoor een voorlopig getuigenverhoor geëigend is. Het verzoek voldoet aan de daarvoor geldende vereisten. [verzoeker] heeft bij zijn verzoek een in rechte te respecteren belang en de verweren van Caleidoz bieden op zichzelf en in onderlinge samenhang onvoldoende grond om het verzoek af te wijzen. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor zal toewijzen.
Het verdere verloop van de procedure
Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld ten minste 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen moeten ten minste tien dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven. Omdat de daarvoor benodigde gegevens niet bij [verzoeker] bekend zijn, zal de rechtbank Caleidoz bevelen deze gegevens aan [verzoeker] ter beschikking te stellen.
Omdat de wederpartij bekend is, zal de rechtbank onder de beslissing de dag bepalen waarop [verzoeker] uiterlijk een afschrift van deze beschikking per aangetekende brief of exploot aan Caleidoz moeten laten toekomen.
Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechtbank na afloop van een of meer voorlopige bewijsverrichtingen op verzoek van partijen of een van hen of ambtshalve een (nieuwe) mondelinge behandeling kan bevelen om een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de rechtbank. Tijdens deze mondelinge behandeling kan de rechtbank ook de verdere behandeling van geschillen over de vordering met partijen bespreken.
De rechtbank wijst [verzoeker] erop dat de kosten die voor de verstrekking van afschrift van de gegevens moeten worden gemaakt, door [verzoeker] moeten worden gedragen.
Tegen de beslissing op het verzoek tot inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens kan hoger beroep worden ingesteld.
Proceskosten
Caleidoz is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
331,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.306,00 |
(2 punten × € 653,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.826,00 |
6De beslissing
De rechtbank
beveelt een voorlopig getuigenverhoor,
benoemt mr. S.J. Peerdeman tot rechter-commissaris,
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het paleis van justitie te Arnhem, aan de Walburgstraat 2-4,
bepaalt dat [verzoeker] binnen twee weken na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de rekestenadministratie van de sector civiel - de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus tot en met december 2026 moet opgeven waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
bepaalt dat [verzoeker] uiterlijk op 29 juni 2026 een afschrift van deze beschikking bij aangetekende brief of exploot moet laten toekomen aan Caleidoz,
beveelt Caleidoz om binnen vier weken na betekening van deze beschikking de namen en woonplaatsen van de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team [gemeentenaam] te verstrekken aan [verzoeker] ,
beveelt Caleidoz om binnen vier weken na betekening van deze beschikking afschrift te verstrekken aan [verzoeker] van de volgende gegevens, voor zover die in verband staan met haar psychische gesteldheid en/of zelfdoding:
1) het logboek van Caleidoz voor zover dit (in)direct betrekking heeft op de suïcide en/of geestelijke gesteldheid van [dochter] ;
2) alle correspondentie tussen de jongerenwerkers van Caleidoz en zorgverlenende organisaties, waaronder in ieder geval de huisartsenpraktijk, de praktijkondersteuner jeugd, de gedragswetenschapper van het gebiedsteam Zevenaar en de medewerker van het Sociaal Team van [gemeentenaam] (en daarbij de namen van de laatste twee personen kenbaar te maken);
3) alle overige correspondentie en WhatsAppgesprekken (van de jongerenwerkers onderling) en documenten die betrekking hebben op de suïcide en/of geestelijke gesteldheid van [dochter] ;
4) eventueel beeldmateriaal, video’s en/of foto’s die betrekking hebben op de contacten met [dochter] en informatie kunnen prijsgeven over contacten die met [dochter] hebben plaatsgevonden en/of iets zeggen over haar geestelijke gesteldheid van dat moment,
veroordeelt Caleidoz in de proceskosten van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Caleidoz niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
veroordeelt Caleidoz tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
wijst het meer of anders verzochte af.
|
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026. |
||
Hoge Raad 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, rov. 3.6.2.2.
Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:722, rov. 3.2.1.
Hoge Raad 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066.
Vgl. HR 15 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3797.
Hoge Raad 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1105 en 1112.
Zie ook Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1462.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
