ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-06-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1681

Essentie (gemaakt door AI)

art. 6:162 BW; onrechtmatige daad; misbruik van volmacht in levenstestament. Curator vordert terugbetaling wegens door pleegneef gedane privé-uitgaven en overboekingen uit vermogen van onder curatele gestelde. Hof oordeelt dat het levenstestament slechts handelen in het belang van volmachtgever toestaat en giften/loon uitsluit; beroep op instemming en testament faalt. Schade deels verminderd door verbouwingskosten ten bate van eigenaar. Veroordeling tot € 358.970,22 plus € 162.963,38 blijft in stand. Proceskostenveroordeling uitgesproken.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Levenstestament staat alleen handelen in belang volmachtgever toe: pleegzoon handelde onrechtmatig
Curator vordert terugbetaling wegens door pleegzoon gedane privé-uitgaven en overboekingen uit vermogen van curandus. Hof bekrachtigt oordeel Rb dat onrechtmatig is gehandeld. Betalingsveroordeling ad € 1 miljoen verlaagd in appel.

Datum publicatie30-06-2026
Zaaknummer200.356.052_01
ProcedureHoger beroep
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2025:1852
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenMeerderjarigenbescherming; Levenstestament;
Erfrecht;
Tuchtrecht / aansprakelijkheid
WetsverwijzingenBurgerlijk Wetboek Boek 6 162

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Artikel 6:162 BW; onrechtmatige daad; misbruik van volmacht in levenstestament.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.356.052/01

arrest van 30 juni 2026

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats]

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. I. P . van Rossen te Amsterdam,

tegen

Pro Bewind B.V., in haar hoedanigheid van curator over het vermogen en niet-vermogensrechtelijke belangen van [persoon A] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Pro Bewind of de curator,

advocaat: mr. M.L.J.A. de Vocht te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 augustus 2025 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/401019 / HA ZA 24-92 tussen de curator en [appellant] gewezen vonnis van 26 maart 2025.

5Het verdere verloop van de procedure

5.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenarrest van 12 augustus 2025 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;

  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 12 mei 2026;

 de memorie van grieven met producties 1 tot en met 6;

 de memorie van antwoord met productie 37;

 de mondeling behandeling, waarbij partijen spreeknotities hebben overgelegd.

5.2.

Ter zitting heeft mr. Van Rossen de volgende producties overlegd:

 productie 32 (in de vorm van een USB-stick) behorend bij de akte eiswijziging in eerste aanleg van mr. De Vocht, ontvangen door de rechtbank op 23 december 2024 ten behoeve van de mondelinge behandeling van op 5 februari 2025;

 de akte overlegging productie van 1 mei 2026 van mr. Van Rossen met producties 7 tot en met 13;

 de akte overlegging productie van mr. Van Rossen van 12 mei 2026, met productie 14, waarin hij verzoekt deze productie ondanks het late tijdstip waarop dit is ingediend in het geding te mogen brengen en subsidiair, voor zover het hof dit niet zou toestaan, verzoekt de curator te bevelen de volledige aflosnota over te leggen en rekening en verantwoording af te leggen over het saldo en bestemming van de gelden op de rekening bij [bank A] met nummer “ [bankrekeningnummer] ”.

Mr. de Vocht heeft ermee ingestemd dat deze bescheiden deel uitmaken van het procesdossier en het hof heeft geen aanleiding deze wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan de beoordeling het hiervoor genoemde subsidiaire verzoek van mr. Van Rossen.

5.3.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6De kern van deze zaak

Deze zaak gaat over een geschil tussen de curator van [persoon A] , geboren in 1928 (hierna: [persoon A] ) en [appellant] die in 1965 in het gezin van de broer van [persoon A] is opgenomen als pleegzoon en in 1995 is ingetrokken in een woning op het perceel van de boerderij van [persoon A] . [appellant] heeft aanzienlijke geldbedragen aan zichzelf betaald van de bankrekening van [persoon A] en vele privé-aankopen en -uitgaven verricht van die bankrekening. In deze zaak ligt -in de kern- ter beoordeling voor of, zoals de curator heeft gesteld, [appellant] hiermee onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens [appellant] is dat niet zo, omdat het de bedoeling en wens was van [persoon A] om hem financieel te begunstigen al dan niet in ruil voor de hulp en ondersteuning door [appellant] . De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van ruim 1 miljoen euro. [appellant] is het hier niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld.

7De beoordeling

7.1.

De feiten

7.1.1.

In r.o. 2.1 tot en met 2.15 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. [appellant] heeft deze vaststelling met zijn grieven op zichzelf niet bestreden, maar heeft wel in zijn grief 1 aangevoerd dat een aantal van deze feiten onvolledig zijn en daarmee niet neutraal zijn geformuleerd, te weten die uit r.o. 2.6 tot en met 2.12. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen en hier nog enkele feiten aan toevoegen.

7.1.2.

Bij aanvang van de procedures was de curator de provisioneel bewindvoerder van

[persoon A] . Pro Bewind was bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 20 december 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, met ingang van 20 december 2023 om 12.00 uur op verzoek van zijn neef [persoon B] benoemd tot provisioneel bewindvoerder over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [persoon A] benoemd, waarbij aan Pro Bewind alle bevoegdheden zijn toegekend die een curator krachtens de wet heeft. Vervolgens is [persoon A] bij beschikking van 14 februari 2024 vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele gesteld en is Pro Bewind tot curator benoemd. In het tegen die laatste beschikking ingestelde hoger beroep is [appellant] bij beschikking van 31 juli 2025 van het hof ’s-Hertogenbosch, team familie- en jeugdrecht, niet-ontvankelijk verklaard.

7.1.3.

[persoon A] is ongehuwd en heeft geen kinderen.

7.1.4.

[appellant] is in 1965 in het gezin van de broer van [persoon A] opgenomen als

pleegzoon.

7.1.5.

[appellant] en zijn toenmalige echtgenote zijn in 1995 ingetrokken in een woning op het perceel bij de boerderij van [persoon A] . [appellant] heeft daar tot de verkoop van de boerderij in 2021 gewoond.

7.1.6.

Sinds in ieder geval 2014 was [appellant] in het bezit van de pinpas en pincode van

[persoon A] . [persoon A] beschikte zelf al jaren niet meer over een pinpas en heeft ook al jaren

geen toegang meer tot zijn bankgegevens.

7.1.7.

[appellant] beschikte over een identiteitsbewijs van [persoon A] . [persoon A] had zelf alleen een kopie daarvan.

7.1.8.

In het testament van 10 juli 2015 staat dat [persoon A] [appellant] tot enig erfgenaam en executeur benoemt.

7.1.9.

Op 19 april 2016 is een levenstestament opgesteld voor [persoon A] , waarmee

door [persoon A] aan [appellant] (onder meer) een algemene volmacht is verleend om zijn

vermogensrechtelijke en andere zakelijke belangen te behartigen. In het levenstestament staat voor zover van belang:

DOEL VAN DIT LEVENSTESTAMENT

Met dit levenstestament wil ik mede voorzien in de situatie dat ik om wat voor reden dan ook niet meer zelf kan handelen. Ik tref daartoe de volgende maatregelen:

Ik geef een algemene volmacht om mijn vermogensrechtelijke en andere zakelijke belangen te behartigen (onder I tot en met IV). Ik wijs een medisch gevolmachtigde aan om mij te vertegenwoordigen op medisch gebied (V), ik heb mijn wensen ter zake van de uitoefening van beide volmachten geformuleerd en ik heb medische verklaringen in deze akte opgenomen.

Ik tref deze maatregelen om te voorkomen dat ik onder curatele word gesteld, dat over

mijn goederen beschermingsbewind of ten behoeve van mij mentorschap wordt ingesteld.

(…)

I. VERLENING ALGEMENE VOLMACHT

(...)

Ik wijs aan tot mijn algemeen gevolmachtigde:

[appellant]

(…)
Afzonderlijke bevoegdheid

Mijn sub I genoemde gevolmachtigde kan zijn taak als algemeen gevolmachtigde geheel afzonderlijk uitoefenen.

Volmacht gaat direct in

De volmacht kan uitgeoefend worden vanaf het moment direct na het ondertekenen van de akte, tot aan het moment dat de volmacht eindigt.

II. ALGEMENE BEPALINGEN

Bevoegdheden in abstracte zin; algemene volmacht

Deze volmacht is een algemene volmacht in de zin van artikel 3:62 lid 1 Burgerlijk Wetboek. Dat betekent dat mijn gevolmachtigde mij in al mijn hoedanigheden, waaronder begrepen mijn hoedanigheid van bestuurder en/of aandeelhouder van een rechtspersoon en certificaathouder, mag vertegenwoordigen in alle zaken en namens mij alle rechtshandelingen mag verrichten op het gebied van het burgerlijk recht, het belastingrecht, het procesrecht en elk ander rechtsgebied voor zover de wet toestaat.

Deze volmacht strekt zich uitdrukkelijk uit tot daden van beschikking.

(…)

Als wederpartij van mij optreden

De gevolmachtigde is bevoegd om als wederpartij van mij op te treden.

Rekening en verantwoording

De gevolmachtigde is verplicht jaarlijks rekening en verantwoording aan mij af te leggen over het voorafgaande jaar, zulks ingeval ik in staat ben deze in ontvangst te nemen. Na goedkeuring van de rekening en verantwoording zal ik de gevolmachtigde décharge verlenen. De rekening en verantwoording dient aan de volgende eisen te voldoen:

de gevolmachtigde dient mij alle rekeningafschriften van banken te laten inzien alsook

rekeningen en nota’s, afrekeningen en dergelijke.

Ik kies er bewust voor om geen toezichthouder op de gevolmachtigde aan te stellen voor de periode dat ik zelf niet in staat ben de rekening en verantwoording af te nemen omdat ik mijn gevolmachtigde ten volle vertrouw .

De gevolmachtigde is niet verplicht rekening en verantwoording aan mij of mijn erfgenamen af te leggen.

(…)

III. BEVOEGDHEDEN VAN DE GEVOLMACHTIGDE

Bevoegdheden in concrete zin

De nu volgende opsomming van bevoegdheden is uitsluitend bedoeld als verduidelijking voor de gevolmachtigde. Zij is uitdrukkelijk niet bedoeld om niet genoemde bevoegdheden uit te sluiten. Voor zover nodig, bevestig ik dat de gevolmachtigde de volgende bevoegdheden heeft.

i. Bankzaken en overige financiële zaken

Deze volmacht geeft de bevoegdheid om al mijn bankzaken en overige financiële zaken te regelen. Mijn bankzaken en overige financiële zaken omvatten onder meer het volgende:

- bankrekeningen

het gebruik -op alle mogelijke manieren- van al mijn bankrekeningen. Dat zijn alle

rekeningen die (mede) op mijn naam bij een financiële instelling worden aangehouden, zoals betaal- en spaarrekeningen, beleggings- rekeningen en bankspaarrekeningen. Met gebruik bedoel ik alle bankzaken die ik met mijn rekeningen mag doen, zoals geld opnemen, betalingen verrichten aan derden en het gebruik van een eventueel krediet op de rekening. Onder gebruik valt ook het online gebruik, bijvoorbeeld via de mobiele telefoon of tablet. De gevolmachtigde is bevoegd de daarvoor benodigde overeenkomsten te ondertekenen. Ook mag hij rekeningen opheffen en op mijn naam nieuwe rekeningen openen.

(…)

vi. nalatenschappen en giften

- alle erfrechtelijke verkrijgingen te aanvaarden, al dan niet beneficiair, of te verwerpen;

(…)

- giften, al dan niet onder een last, te aanvaarden;

- giften te doen; (…)

IV. AANWIJZINGEN VOOR DE GEVOLMACHTIGDE

Deze volmacht geeft de gevolmachtigde de bevoegdheid naar eigen inzicht in mijn belang rechtshandelingen aan te gaan. Als leidraad bij de uitoefening van de uit deze volmacht voortvloeiende bevoegdheden geef ik de volgende aanwijzingen. Deze aanwijzingen hebben uitdrukkelijk niet de strekking de bevoegdheden van de gevolmachtigde zoals in II omschreven te beperken.

Wanneer gebruik maken van deze volmacht?

Ik ga ervan uit dat de gevolmachtigde alleen dan gebruik maakt van de volmacht indien

en zo lang dat gezien mijn geestelijke en/of lichamelijke toestand nodig is. (…)

Tijdelijke wilsonbekwaamheid of tijdelijke feitelijke onbekwaamheid

Als ik naar verwachting tijdelijk ten gevolge van ziekte, afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeer mijn belangen te behartigen en/of mijn wil te bepalen, wil ik dat de gevolmachtigde zich bij het gebruik maken van deze volmacht terughoudend opstelt. Daarmee bedoel ik dat de gevolmachtigde zich beperkt tot rechtshandelingen die passen in de dagelijkse gang van zaken, het uitvoeren van eventuele reeds bestaande overeenkomsten en het verrichten van handelingen die geen uitstel kunnen dulden. (…)

Giften

De gevolmachtigde mag geen giften doen. Ik ben mij ervan bewust dat derden niet verplicht zijn te controleren of de gevolmachtigde in strijd met deze wens handelt. Het gebruik van deze volmacht voor het doen van giften, is niet een gebruik in mijn belang.

Daarmee staat vast dat de gevolmachtigde die desalniettemin namens mij giften doet, handelt in strijd met wat hij behoort te doen zodat hij jegens mij of mijn erfgenamen schadeplichtig wordt.

Woning

Mijn woning mag worden verkocht als ik mijn intrek neem in een verpleeg- of verzorgingsinstelling en/of er geen zicht is op mijn terugkeer naar die woning. Ik wil zo lang mogelijk thuis blijven wonen.

(…)

VII. OVERIGE BEPALINGEN

Onkosten/loon gevolmachtigde

Een gevolmachtigde mag de onkosten die hij maakt bij de uitoefening van deze volmacht bij mij in rekening brengen, voor zover de gemaakte kosten passend zijn.
Een gevolmachtigde mag geen loon bij mij in rekening brengen.

(…)”

7.1.10.

[appellant] heeft in de periode van 2016 tot en met 2023 uit het vermogen van

[persoon A] vele betalingen gedaan aan derden waar [persoon A] geen enkele rechtsverhouding

mee had. Dit waren persoonlijke uitgaven van [appellant] en/of zijn toenmalige echtgenote [persoon C] . Ook heeft [appellant] in die periode vele overboekingen ten gunste van [appellant] zelf en [persoon C] verricht.

7.1.11.

Naar aanleiding van een zorgmelding van een neef van [persoon A] heeft Veilig Thuis een onderzoek ingesteld of bij [persoon A] sprake is van ouderenmishandeling. In het rapport van Veilig Thuis staat, voor zover hier van belang:

* op pagina 11:

Datum contact 7-4 2020

(…)

Met wie [appellant]

(…)

Wijze van contact Telefonisch

Onderwerp Meneer geeft aan dat alles wat financiën betreft in goed overleg gaat met [persoon A]

Omschrijving contact: Na opnieuw een contactverzoek gedaan te hebben per App belt [appellant] mij.

Uitgelegd dat VT vla de info van de [bank B] tot de conclusie kwam dat er opvallende uitgaven waren met de pinpas van meneer waar [appellant] volmacht over heeft.

Gevraagd welke afspraken hij en meneer hebben. [appellant] geeft aan dat alles “in goed overleg” met [persoon A] gaat. Hij geeft aan dat ik zeker dat tasje bedoel. Maar daarvan was [persoon A] op de hoogte, aldus [appellant] . Het was een cadeau voor zijn vrouw (van [appellant] ). Gevraagd hoe het verder zat met autoboetes en dergelijke. [appellant] gaf aan dat hij die inderdaad wel eens met [persoon A] betaalpas had gepind maar dat hij dat geld daarna altijd weer overmaakte. Even later gaf hij aan dat hij dat contant terugbetaalde.

Uiteindelijk gezegd dat ik hoop dat meneer naar eer en geweten handelt ten aanzien van [persoon A] . Dat was zeker het geval, aldus [appellant] .

Aangegeven dat VT de casus gaat sluiten aangezien wij geen vermoedens aangaande financiële uitbuiting hebben kunnen bevestigen.

Meneer verzekerde VT dat hij goed voor [persoon A] zorgt en alles op orde is.

* op pagina 12:

Datum contact 1 april 2020

(…)

Met wie [bank B]

(…)

Wijze van contact Telefonisch

Onderwerp Stavaza; [bank B] krijgt geen contact met meneer. Hij gooit meteen de hoorn op de haak.

Omschrijving contact: [zwart gelakt stukje, toevoeging hof]

[bank B] krijgt door mijn info sterk de indruk dat meneer niet zal willen overgaan tot het intrekken van de volmacht,.

De [bank B] kan nu weinig meer doen omdat fraude niet hard gemaakt wordt.

We spreken af dat ik hen op de hoogte houdt van onze stappen.

* op pagina 12 en 13:

Datum contact 24-3-2020

(…)

Met wie [persoon A]

(…)

Wijze van contact Telefonisch

(…)

Omschrijving contact [persoon A] moest even geholpen worden met wie ik was , maar wist zich al snel ons gesprek in de keuken te herinneren.
Aan meneer aangegeven dat ik [persoon D] , huisarts en bank heb benaderd en dat bij de [bank B] een opvallend uitgave patroon werd benoemd.

Meneer gaf meteen aan [appellant] goed voor hem zorgde en zijn geld goed beheerd. Vroeger ging ie zelf naar de bank maar dat lukte niet meer en sinds die tijd heeft [appellant] een volmacht. Meneer zou iedere maand de afschriften krijgen van de bank.

Ik geef de opvallende uitgaven aan; Louis Vuitton tas. aangekocht in Amsterdam ( Meneer had geen idee wat dat was. Toen ik het uitlegde zei hij: o, ja dat was een tas uit den Bosch ).
Meneer geeft duidelijk aan dat hij het prima vindt dat de gemachtigde spulletjes voor eigen gebruik koopt. Hij wordt goed verzorgd.
Tegelijkertijd zegt ie: Eh, ja , wat moet ik daar aan doen?

Ik geef meneer aan dat Veilig thuis denkt dat de inzet van een Bewindvoerder op zijn plaats zou zijn en dat meneer zou kunnen overwegen om aangifte te doen.

Meneer geeft aan daar op geen enkele manier aan mee te willen werken.

Hij vraagt of ik het accountantskantoor heb gebeld. Ik geef aan dat gedaan te hebben. Zij zien geen opvallendheden maar zien wel dat meneers vermogen is afgeslankt doordat de afgelopen jaren veel geld is uitgegeven aan opknappen en onderhoud van het terrein.

[zwart gelakt stukje, toevoeging hof]

Ook nog de sushi schotel, boodschappen jumbo en autoboetes benoemd.

De neef zou in zijn auto rondrijden.

Ik geef aan dat de bank hem binnenkort ook wel zal bellen.

Als ik verder praat over dat Veilig Thuis de plicht heeft om evt. financiële uitbuiting te stoppen en ook aangifte kan doen gooit hij boos de hoorn op haak.

* op pagina 14 en 15:

Datum contact 18-3-2020

(…)

Met wie (…) [bank B]

(…)

Wijze van contact Telefonisch

(…)

Omschrijving contact: (…) geeft aan dat het uitgavepatroon van meneer zorg oproept.

Al langere tijd zijn er opvallendheden, in het uitgave patroon van een 91 jarige.

De volmacht is in handen van de (pleeg) neef.

Uitgaves van Suschischotels, Tas Louis Vuitton Amsterdam .

Jumbo 341 euro aan boodschappen.

Ook autoboetes.

Bank acht mijn vraag hierover zeer terecht.

(…) gaat de signalen intern bespreken. Zij zullen dan met meneer in principe in gesprek gaan. Zij hebben bij ernstig vermoeden Uitbuiting ook de mogelijkheid om de volmacht in te trekken.

* op pagina 16:

Datum contact 5-3-2020

(…)

Met wie accountantskantoor van der Linden

(…)

Wijze van contact Digitaal

(…)

Omschrijving contact: (…)

Wij hebben nooit de indruk gekregen dat [persoon A] niet goed op de hoogte zou zijn van zijn financiële zaken, en daar dus ook juist naar handelt.

Wel hebben wij waargenomen dat het woonhuis en verdere aangelegenheden de laatste jaren geheel zijn gerenoveerd en opgeknapt waardoor zijn financiële middelen zijn afgenomen.
Daar we slechts de aangifte inkomstenbelasting verzorgen is het voor ons niet noodzakelijk om alle bankmutaties in te zien, hierdoor is door ons geen oordeel te vellen over eventuele uitbuiting.

Gezien de goede geestelijke toestand van [persoon A] is dit voor ons vooralsnog ook niet aannemelijk.

 op pagina 18

Datum contact 11-2-2020

(…)

Met wie [persoon A] . en [appellant]

(…)

Wijze van contact Face to face

(…)

Omschrijving contact: (…)

Neef vangt mij op aan de deur.

[persoon A] vindt het goed dat hij bij het gesprek blijft. “Wij zijn twee handen op een buik” geeft [appellant] aan.

Uitgelegd wat VT doet en dat de melding van de pleegzorg-nicht komt.

Meneer kijkt met heldere blik, is moeizaam ter been en ziet verder wel erg slecht. Gehoor en verstand zijn nog prima geven beide heren aan.


[appellant] is evenals de meldster een pleegkind van een broer/zus van [persoon A] .

[persoon A] . zelf heeft nooit kinderen en/of vrouw gehad.

Heeft altijd rond de boerderij geleefd, met veel plezier. Zijn gezondheid is behoorlijk goed. Hij komt nooit bij de huisarts. Heeft wel een rollator en vier keer per jaar komt iemand bloedprikken.

Daarnaast heeft hij een alarm dat af kan gaan. [appellant] is hierin eerste contactpersoon.

Melding voorgelezen. Neef en meneer herkennen niets van de zorgsignalen m.b.t. geld.
[appellant] geeft aan dat hij een volmacht heeft van zijn oom, om al zijn bankzaken te doen.

[persoon A] kan nl niks meer lezen. [persoon A] en neef geven aan dat dat netjes gebeurd. Daarnaast geven ze aan dat verdere geldzaken allemaal via accountantskantoor van de Linden (…) verloopt. Ook de belastingaangifte.

Meneer wordt goed verzorgd. leder woensdag brengt een bedrijf maaltijden die meneer dan op kan warmen. Iedere ochtend komt of [appellant] of zijn vrouw langs om te checken hoe het gaat. Idem in de middag. Dan komt de

vrouw van [appellant] de boel schoonmaken. De woning ziet er netjes verzorgd uit. [persoon A] heeft ook nog een hondje dat [A] heet en waarvoor hij goed zorgt.

Ik heb de indruk door de wijze waarop de mannen met elkaar omgaan dat de relatie positief is.

[appellant] vindt de melding van de nicht ”een manier om wraak te nemen toen ze de sleutels niet kreeg van de poort op kerstavond”

(…)

[appellant] en meneer hebben er geen problemen mee als ik contact leg met accountantskantoor en met de bank ( [bank B] ).

* op pagina 23 en 24:

Overige Onderzoeksvragen


(…)

Onderzoeksvraag is meneer wilsbekwaam?

Beantwoording onderzoeksvraag Ja. Huisarts bevestigd het beeld dat VT heeft van meneer.
Ook accountancy van der Linden heeft geen aanleiding om andere te veronderstellen. Meneer drukt zich helder uit. Kan goed uitleggen hoe hij zaken ziet en beleeft., wat hij wil en niet wil.

 op pagina 24:

Uitkomst onderzoek

(…)

Ouderenmishandeling (ouder
dan 65 jaar) weerlegd noch bevestigd

(…)

Veiligheidsscore Veilig Thuis bij einde
Onderzoek 6

Onderbouwing uitkomsten onderzoek
(is er sprake van huiselijk geweld (…)) Meneer heeft een afhankelijkheidsrelatie van zijn

neef. Hij wordt goed verzorgd maar toch zorg over onbereikbaarheid van veiligheidsdiensten die

het terrein op kunnen als de neef afwezig is en meneer geen sleutel heeft.

Meneer zelf vindt dit prima en zegt zich van dit risico bewust te zijn. Heeft dit liever dan de angst voor overvallers.

Besluit vervolg onderzoek Afsluiten casus

 op pagina 25:

(…)

Type start MDO Multidisciplinair overleg

Datum MDO 7-4-2020

(…)

Opmerkingen EIND MDO:

VT heeft zorgen niet kunnen bevestigen, maar zorgen zijn ook niet weer weerlegd..

De huisarts geeft aan dat er geen signalen zijn dat meneer niet wilsbekwaam zou zijn. Meneer is in 2016 voor het laatst in de praktijk geweest.

[zwart gelast stukje; toevoeging hof]

Meneer wordt in principe goed verzorgt door neef en vrouw en maakt een zeer tevreden indruk hierover.

Daarnaast betreffende vermoedens van financiële uitbuiting.

Accountantskantoor geeft aan dat meneer veel geld heeft gespendeerd aan opknappen van eigendommen de afgelopen jaren, maar zien geen aanleiding hierin om financieel misbruik te bevestigen.

[bank B] geeft aan dat er een opvallend uitgave patroon is voor een meneer van 92 jarige leeftijd . (Louis Vuittontas, verkeersboetes terwijl meneer geen auto rijdt, groter dan gemiddeld uitgavepatroon boodschappen). Bij bespreken hiervan met meneer heeft VT sterk de indruk dat meneer geen weet heeft van deze uitgaves maar dat hij zijn mantelzorger in bescherming neemt en geeft hij aan dat alle uitgaves zoals die worden gedaan door hem zijn goedgekeurd.
Bij bespreken van uitgaves met “neef” geeft deze aan dat alle uitgaves in overeenstemming met meneer zijn gedaan en worden gedaan.

[persoon A] . wil niets meer met VT te maken hebben, is erg boos . De neef herhaald steeds dat ze in goed overleg tot uitgaves komen.

Veilig Thuis kan het financiële misbruik niet weerleggen en kan niet anders dan deze casus te sluiten zonder vervolg.


Mogelijk leidt de betrokkenheid van VT er toe dat er een mate van bewustzijn is ontstaan bij de neef over zijn handelen.

Er kunnen geen veiligheidsvoorwaarden worden gesteld. Monitoring is niet aan de orde. Afsluiten met afsluitbrief naar [persoon A] . en terugkoppeling (liefst telefonisch naar melder).

Kopie afsluitbrief naar huisarts.

7.1.12.

[persoon A] is medio 2021 verhuisd naar een zorginstelling. De boerderij van [persoon A] is blijkens de akte van levering van 15 november 2023 verkocht aan een derde voor een koopsom van € 1.600.000,00.

7.1.13.

De helft van de koopsom werd uitgekeerd op een rekening bij [bank A] Bank op naam van [persoon A] ; de andere helft op een rekening bij [bank B] op naam van [persoon A] . Van de koopsom is op 17 november 2023 een bedrag van € 364.000,00 aangewend voor de levering aan [appellant] van een woning (appartementsrecht) in [C] voor een koopsom van € 350.000,00. Deze woning was volledig eigendom van [appellant] , niet met hypotheek belast en werd door [appellant] bewoond. Eveneens op 17 november 2023 is op naam van [appellant] een Range Rover Sport uit 2022 met een kilometerstand van 35.543 kilometer geregistreerd.

7.1.14.

De curator ontving op enig moment van Marks Wachters Notarissen een document

gedateerd september 2023 waarin staat dat [persoon A] medio november 2023 aan [appellant]

een bedrag van € 364.000,00 heeft uitgeleend ten behoeve van de aankoop van voornoemde

woning. De looptijd van de geldlening bedroeg tien jaren en de lening was aflossingsvrij. De

hoofdsom zou uiterlijk op 31 december 2033 dienen te zijn afgelost. Het document is door

[appellant] ondertekend met een door hem nagemaakte handtekening van [persoon A] .

7.1.15.

Per brief van 3 januari 2023 aan [appellant] is de overeenkomst van geldlening door

de curator nietig verklaard, althans vernietigd, althans opgeëist en is [appellant]

gesommeerd om het bedrag ad € 364.000,00 (terug) te betalen.

7.1.16.

Op 29 januari 2026 is de woning (het appartementsrecht) van [appellant] met een door [appellant] verleende onderhandse onherroepelijk volmacht verkocht voor

€ 480.036,00. De woning (het appartementsrecht) is op 4 mei 2026 geleverd.

7.2.

De procedure in eerste aanleg, het oordeel van de rechtbank en de procedure in hoger beroep

7.2.1.

In de procedure in eerste aanleg in conventie heeft de curator -kort samengevat- na wijziging van zijn eis gevorderd:

  1. voor recht te verklaren dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [persoon A] en gehouden is de ten gevolge daarvan door [persoon A] geleden en nog te lijden schade te vergoeden, althans dat [persoon A] onverschuldigd aan [appellant] heeft betaald c.q. [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [persoon A] zodat [appellant] gehouden is hetgeen aan hem onverschuldigd is betaald c.q. hetgeen waarmee hij ongerechtvaardigd is verrijkt aan [persoon A] terug te betalen;

  2. [appellant] te veroordelen tot betaling aan [persoon A] (althans Pro Bewind in haar

hoedanigheid van curator van [persoon A] ):

 een bedrag van € 162.963,38 wegens de onrechtmatig verrichte girale betalingen aan/voor [appellant] uit het vermogen van [persoon A] , te vermeerderen met de wettelijke rente;

 een bedrag van € 364.000,00 wegens de vordering die verband houdt met de overeenkomst van geldlening van november 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente;

 een bedrag van € 517.401,00 wegens onrechtmatige betalingen van de bankrekening van [persoon A] ;

 € 5.327,05 wegens buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

 € 5.721,70 wegens beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente

 de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en

3. de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

7.2.2.

[appellant] heeft in conventie de vorderingen bestreden en -kort gezegd- geconcludeerd tot afwijzing daarvan. [appellant] heeft in reconventie -kort gezegd- gevorderd dat het hem wordt toegestaan contact/omgang met [persoon A] te hebben.

7.2.3.

De rechtbank heeft de vorderingen van de curator, met uitzondering van de gevorderde verklaring voor recht, toegewezen en [appellant] in conventie veroordeeld om aan de curator te betalen:

 een bedrag van € 162.963,38, te vermeerderen met de wettelijke rente over iedere afzonderlijke transactie per de datum van de transactie telkens tot de dag van volledige betaling;

 een bedrag van € 364.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 16 november 2023 tot de dag van volledige betaling;

 een bedrag van € 517.401,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling;

 € 5.327,05 wegens de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van de vijftiende dag na het vonnis tot de dag van volledige betaling;

 € 5.721,70 wegens de beslagkosten te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van de vijftiende dag na het vonnis tot de dag van volledige betaling;

 de proceskosten.

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] in reconventie afgewezen.

7.2.4

[appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd tegen het vonnis in conventie. Hij heeft geconcludeerd tot:

  • vernietiging van het bestreden vonnis;

  • het alsnog afwijzen van de vorderingen van de curator;

  • veroordeling van de curator in de kosten van de procedure in beide instanties;

  • terugbetaling van de bedragen die [appellant] op grond van de vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met rente, en

  • het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de veroordelingen.

7.2.5.

De curator heeft -kort samengevat- geconcludeerd:

  • het bestreden vonnis te bekrachtigen;

  • [appellant] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

7.3.

De beslispunten in hoger beroep

7.3.1.

In hoger beroep moet het hof, gelet op de grieven van [appellant] en de devolutieve werking van het hoger beroep een beslissing nemen over:

1. de toewijsbaar van de vorderingen van de curator van € 162.963,38 en € 517.401,00, en, in verband daarmee,

- de vraag of [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld jegens / misbruik heeft gemaakt van [persoon A] ;

- voor het geval onrechtmatig handelen niet wordt aangenomen: of [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt dan wel de bedragen als onverschuldigd betaald moet terugbetalen;

2. de hoogte van het door [appellant] eventueel uit dien hoofde te betalen bedrag;

3. het beroep van [appellant] op matiging;

4. de gestelde schending van artikel 21 Rv.

7.3.2.

In hoger beroep hoeft het hof geen oordeel meer te geven over:

  1. het oordeel van de rechtbank dat de lening ter hoogte van € 364.000,00 nietig is en dat [appellant] dit bedrag uit hoofde van onverschuldigde betaling moet terugbetalen;

  2. de veroordeling van [appellant] tot betaling aan de curator van de buitengerechtelijke incassokosten van € 5.327,05 en de beslagkosten van € 5.721,70, beide te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na het vonnis tot de dag van volledige betaling;

  3. de afgewezen reconventionele vordering van [appellant] (om [appellant] toe te staan contact te hebben met [persoon A] );

  4. de afgewezen vorderingen in het incident van [appellant] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en het treffen van een voorlopige voorziening tot het hebben van contact met [persoon A] );

  5. grief 2 van [appellant] , die ziet op de vraag of de rechtbank een door hem vermeende ingestelde wijziging van eis terecht onbehandeld heeft gelaten en de beoordeling daarvan.

7.4.

Onrechtmatige daad - de vorderingen van € 162.963,38 en € 517.401,00

7.4.1.

De rechtbank heeft [appellant] onder meer veroordeeld tot betaling van € 162.963,38 en € 517.401,00. Volgens de curator ziet het bedrag van162.963,38 op onrechtmatige girale overboekingen van de bankrekening van [persoon A] naar de bankrekening van [appellant] of aan hem gelieerde personen (onder meer in de vorm van betaalde alimentatie). De vordering van de curator van € 517.401,00 ziet op onttrekkingen uit het vermogen van [persoon A] , te weten privé-uitgaven die [appellant] voor zichzelf (of derden), althans niet ten behoeve van [persoon A] , heeft voldaan van de bankrekening van [persoon A] .

7.4.2.

De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat [appellant] hiermee onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij misbruik heeft gemaakt van de hem verleende volmacht in het levenstestament en de beschikking die hij voor die tijd al had over de bankrekening.

7.4.3.

Volgens [appellant] heeft de rechtbank met dit oordeel het levenstestament en het testament miskend. Deze vormen volgens [appellant] cruciaal bewijs van de bedoeling en wens van [persoon A] om [appellant] te machtigen en financieel te begunstigen. Uit het levenstestament van 19 april 2016 blijkt dat [persoon A] [appellant] een algemene volmacht heeft verleend om zijn financiële en persoonlijke belangen te behartigen voor het geval hij zelf daartoe niet meer goed in staat zou zijn. [appellant] wordt daarin uitdrukkelijk gemachtigd om onder meer al zijn bankzaken en overige financiële zaken te regelen, rekeningen te betalen en -indien nodig en in het belang van [persoon A] - schenkingen of bevoordelingen te doen.

In het testament van [persoon A] is [appellant] tot enig erfgenaam benoemd. Het ligt in de rede dat [persoon A] tijdens zijn leven eveneens bereid was [appellant] financieel tegemoet te komen of te belonen voor zijn hulp en ondersteuning. De door [appellant] ontvangen bedragen kunnen in dat licht worden gezien als vooruit genomen erfdeel of schenkingen binnen de bedoeling van [persoon A] .

Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat uit de enkele omstandigheid dat sprake was van een langdurige zorgrelatie en een daaropvolgende testamentaire begunstiging al kan worden afgeleid dat sprake is van misbruik van omstandigheden dan wel ongerechtvaardigde verrijking.

7.4.4.

Wat de bedoeling is geweest van [persoon A] vergt uitleg van het levenstestament. Zoals ook het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 5 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4873, heeft overwogen, kan een levenstestament niet op één lijn worden gezet met een uiterste wilsbeschikking waarvoor een speciale uitlegregel is geformuleerd in artikel 4:46 BW. Het levenstestament zoals hier aan de orde betreft een (doorlopende) volmacht, aangevuld met bepaalde aanwijzingen voor de gevolmachtigde. De volmacht betreft een eenzijdige gerichte rechtshandeling. Voor de uitleg van het levenstestament, althans voor wat betreft de vraag of sprake is van een toereikende volmacht, zoekt het hof aansluiting bij HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9243 (Varde/Harbers): ‘De vraag of een volmacht is verleend en, zo ja, met welke inhoud, dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van art. 3:33 en 3:35 BW. Het komt daarbij derhalve aan, kort gezegd, op hetgeen partijen (de volmachtgever en de gevolmachtigde) over en weer hebben verklaard en over en weer uit elkaars gedragingen en verklaringen hebben mogen begrijpen, waarbij in het bijzonder van belang is de verklaring of gedraging waarbij de volmacht is verleend’. Verder is van belang dat het opstellen van een levenstestament op een bepaald moment niet uitsluit dat de volmachtgever nadien zijn of haar wensen en verlangens aanvult door middel van (stilzwijgende of uitdrukkelijke) verklaringen richting de vertrouwenspersoon en dat die wensen en verlangens een richtsnoer kunnen zijn voor het handelen van de vertrouwenspersoon.

7.4.5.

Het hof volgt [appellant] niet in zijn uitleg. Uit het levenstestament, waarvan de relevante bepalingen zijn weergegeven in r.o. 7.1.9, volgt weliswaar dat aan [appellant] een algemene volmacht is verstrekt, maar uit de aanwijzingen in het levenstestament en diverse andere bepalingen volgt dat het de bedoeling van [persoon A] is geweest dat in zijn belang werd gehandeld en dat [appellant] terughoudend gebruik moest maken van de volmacht. Er staat in die aanwijzingen immers met zoveel woorden dat de rechtshandelingen die gevolmachtigde mag aangaan ‘in mijn belang’ (waarmee bedoeld wordt in het belang van [persoon A] ) moeten zijn. Dat wordt als zodanig ook niet weersproken door [appellant] . Verder staat onder het kopje ‘Wanneer gebruik maken van deze volmacht?’ dat [persoon A] ervan uitgaat dat [appellant] alleen dan gebruik maakt van de volmacht indien en zo lang dat gezien zijn geestelijke en/of lichamelijke toestand nodig is. Verder staat er dat, als [persoon A] naar verwachting tijdelijk ten gevolge van ziekte, afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeert zijn belangen te behartigen en/of zijn wil te bepalen, [persoon A] wil dat de gevolmachtigde zich bij het gebruik maken van de volmacht terughoudend opstelt. Daarmee wordt volgens het levenstestament bedoeld dat de gevolmachtigde zich beperkt tot rechtshandelingen die passen in de dagelijkse gang van zaken, het uitvoeren van eventuele reeds bestaande overeenkomsten en het verrichten van handelingen die geen uitstel kunnen dulden.
In het levenstestament is ook bepaald dat [appellant] rekening en verantwoording moet afleggen. Tegen het oordeel van de rechtbank dat de laatste zin onder het kopje ‘rekening en verantwoording’ in het levenstestament per abuis is blijven staan heeft [appellant] geen grief gericht, althans niet tijdig. [appellant] heeft dit in strijd met de twee-conclusie-regel tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog ter discussie gesteld, maar dat is, nu gesteld noch gebleken is dat zich een van de uitzonderingen op die regel voordoen, te laat. Ook uit het feit dat het de wil van [persoon A] was dat rekening en verantwoording zou worden afgelegd door [appellant] , volgt dat met het levenstestament niet bedoeld was dat [appellant] volledig naar eigen inzicht en voor zijn eigen financiële behoeften geld aan het vermogen van [persoon A] kon onttrekken. Verder staat er in het levenstestament met zoveel woorden dat de gevolmachtigde ( [appellant] ) geen giften mag doen. Ook mag [appellant] geen loon aan zichzelf uitkeren.

Kortom: de bepalingen in het levenstestament wijzen er juist op dat het niet de bedoeling was van [persoon A] om [appellant] financieel te begunstigen in die zin dat [appellant] de bevoegdheid had om naar eigen inzicht en in deze omvang allerlei betalingen, uitgaven en onttrekkingen te doen ten behoeve van zichzelf (of aan hem gelieerde derden) ten koste van [persoon A] , een kwetsbare oudere man. Daarvoor bood het geen grondslag.

7.4.6.

Ook het testament gaf [appellant] dit recht niet. Evenmin draagt de inhoud ervan bij aan de door [appellant] bepleite uitleg van het levenstestament. Een testament regelt de situatie voor na het overlijden. Een testament geeft niet het recht om bij leven alvast een voorschot te nemen op enig bedrag uit het vermogen van de toekomstige erflater. Daarbij komt dat een testament nog kan worden herroepen of worden aangepast.

7.4.7.

De verwijzing door [appellant] naar artikel 4:59 BW waarin een bevoordelingsverbod uit uiterste willen voor bepaalde zorgverleners is opgenomen en zijn stelling dat niet te lichtvaardig mag worden aangenomen dat een erflater zijn wil niet vrij heeft kunnen bepalen of dat de begunstigde zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt, kan [appellant] ook niet baten. Niet ter discussie staat dat [persoon A] in 2015 en 2016 ten tijde van tekenen van het (levens)testament in staat was om zijn wil te bepalen. Waar het om gaat is dat het levenstestament en het testament inhoudelijk gezien geen basis bieden voor het handelen van [appellant] . Dat oordeel is op veel meer gebaseerd dan uitsluitend de afhankelijkheids- c.q. zorgrelatie tussen [appellant] en [persoon A] .
Ook de verwijzing naar het arrest van dit hof van 9 september 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:2457) kan hem niet baten. In die zaak ging het om de vraag of een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording voortvloeide uit het ongeschreven recht. In de onderhavige zaak speelt die vraag niet, omdat in het levenstestament een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording is opgenomen. Bovendien ging het in die zaak -anders dan hier- om een familierelatie.

7.4.8.

[appellant] heeft zich er nog op beroepen dat [persoon A] steeds heeft gezegd: “Als jij voor mij zorgt, zorg ik voor jou.”. Volgens [appellant] was de afspraak dat als [appellant] [persoon A] zou verzorgen, [persoon A] als tegen prestatie zou zorgen voor de financiën van [appellant] . Dit kwam er op neer dat [persoon A] de kosten van [appellant] en eventuele door [appellant] gewenste aankopen zou betalen, waarbij door [persoon A] is aangegeven dat

het [appellant] hierbij aan niets zou ontbreken.

7.4.9.

Ook hierin volgt het hof [appellant] niet. [appellant] heeft geen document of andere gegevens overgelegd waaruit die afspraak blijkt. De verklaringen van [persoon E] (de broer van zijn ex-echtgenote [persoon C] ), zijn dochter [persoon F] en de partner van zijn dochter, [persoon G] , waarnaar [appellant] heeft verwezen, kunnen hem ook niet baten, omdat zij niets verklaren over hetgeen tussen [appellant] en [persoon A] zou zijn afgesproken.
Ook feiten dat [persoon A] in het levenstestament geen toezichthouder heeft benoemd en dat er staat dat hij [appellant] volledig vertrouwde, vormen geen bevestiging voor een dergelijke afspraak. Het feit dat [appellant] geen giften mocht doen en hetgeen het hof hiervoor over het levenstestament heeft overwogen wijzen juist op het tegendeel.

Het hof voegt daar nog aan toe dat zelfs als deze afspraak zou hebben gegolden tussen hem en [persoon A] , dit nog geen rechtvaardiging vormt voor de grote hoeveelheid privé-uitgaven (voor onder andere hotels, restaurants, het kopen van een auto voor zichzelf en zijn toenmalige echtgenote, een Louis Vuitton-tas, diverse (luxe) aankopen winkels) van aanzienlijke omvang die onmiskenbaar enkel in het belang zijn gedaan van hemzelf of aan hem gelieerde derden niet zijnde [persoon A] .

7.4.10.

[appellant] beroept zich er verder nog op dat [persoon A] alle uitgaven die door hem zijn gedaan heeft goedgekeurd dan wel dat [persoon A] instemde met het financiële beheer door [appellant] .

7.4.11.

Het hof is van oordeel dat, voor zover [appellant] zich voor deze instemming baseert op het levenstestament en/of testament het, hieraan, met verwijzing naar hetgeen hiervoor is geoordeeld, voorbij gaat. Ook overigens is het hof van oordeel dat [appellant] zijn stelling niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd.

7.4.12.

Ook uit het rapport van VT, waarnaar [appellant] verwijst, kan die instemming niet worden afgeleid. Op zich is juist dat VT het onderzoek heeft afgesloten zonder veiligheidsvoorwaarden te stellen of de situatie verder te monitoren, maar dat komt niet omdat VT geen zorgen had. VT heeft geen expliciete conclusies getrokken. De conclusie van VT was dat de zorgen over ouderenmishandeling / financieel misbruik zijn ‘weerlegd noch bevestigd’ (pagina 24 en 25). Wel constateerde VT dat [persoon A] een afhankelijkheidsrelatie had met [appellant] ( p . 24 en 25 ‘Uitkomst onderzoek’ en ‘Multidisciplinair overleg’). Omdat VT het financieel misbruik niet hard heeft kunnen maken en vanwege de weerstand bij [persoon A] kon VT niet anders dan het dossier te sluiten zonder vervolg.

7.4.13.

Het hof acht het rapport van VT ook onvoldoende concreet om daaruit af te leiden dat [persoon A] alle uitgaven goedkeurde. Op diverse plaatsen in het rapport zijn aanknopingspunten te vinden dat [persoon A] helemaal geen weet had van de vele uitgaven en de aard daarvan. VT schrijft dat zij sterk de indruk heeft dat [persoon A] geen weet heeft van de het opvallend hoge uitgavenpatroon, maar [appellant] in bescherming neemt (pagina 25 van het rapport). Aangegeven wordt weliswaar dat hij maandelijks de bankafschriften krijgt (pagina’s 12 en 13), maar tegelijkertijd staat in het rapport dat hij slecht ziet of zelfs niks meer kan lezen (pagina 18). Aan de opmerking van [persoon A] tijdens het gesprek met VT dat hij het prima vindt dat de gemachtigde spulletjes voor eigen gebruik koopt, kan -zolang niet vast staat dat hij zich, al was het maar bij benadering, realiseerde welke uitgaven [appellant] deed- niet de waarde worden toegekend dat hij alle uitgaven goedkeurde. De huisarts heeft weliswaar tegen VT gezegd dat [persoon A] nog wilsbekwaam is, maar er staat ook dat hij het beeld dat VT heeft bevestigd, dat -zoals hiervoor is overwogen- niet zonder meer zorgeloos was. Bovendien staat er ook dat de huisarts [persoon A] voor het laatst in 2016 had gezien, dus circa vier jaar tevoren. Ook de [bank B] heeft aangegeven dat het uitgavenpatroon van [persoon A] zorg oproept (pagina 14).
Verder moet bij de afwijzende houding van [persoon A] jegens VT in ogenschouw worden genomen dat [persoon A] voor zijn verzorging en zijn in het levenstestament verwoorde wens om zo lang mogelijk op zijn boerderij te kunnen blijven wonen, volledig afhankelijk was van [appellant] . Daar komt nog bij dat [persoon A] toen hij door VT geconfronteerd werd met opvallende uitgaven ook al aangaf: “Eh, ja , wat moet ik daar aan doen?”. Daarin ligt volgens het hof juist eerder een aanwijzing dat [persoon A] het niet overal mee eens was, maar niet wist wat hij eraan zou moeten doen.

Dat het accountantskantoor geen opvallende dingen heeft gezien plaatst het voorgaande niet in een ander daglicht. Het accountantskantoor geeft ook aan dat het niet alle bankmutaties heeft gezien. Het moge zo zijn dat [persoon A] geestelijk nog (redelijk) in orde was, dit laat de afhankelijkheidsrelatie en de onwetendheid over de substantiële uitgaven door [appellant] onverlet. Die afhankelijkheid had aanleiding voor [appellant] moeten zijn om terughoudendheid te betrachten bij het gebruiken van de volmacht, zoals ook in het levenstestament was voorgeschreven. Hij mocht er niet lichtvaardig van uitgaan dat [persoon A] instemde met door [appellant] gedane uitgaven, die niet in het belang van [persoon A] waren.

7.4.14.

Voor zover [appellant] nog zou hebben willen betogen dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld, omdat de helft van het saldo van de verkoopopbrengst van de woonboerderij naar de [bank A] -rekening is overgemaakt zodat het niet juist is dat [appellant] [persoon A] ‘volledig berooid’ heeft achtergelaten, volgt het hof hem daarin niet. Het enkele feit dat er nog een deel van de koopprijs over is, neemt het onrechtmatige karakter aan de vele substantiële uitgaven die [appellant] van de bankrekeningen van [persoon A] wel heeft gedaan voor privédoeleinden, niet weg. Bovendien is van de koopprijs wel degelijk een substantieel deel voor privédoeleinden gebruikt (zoals de aankoop van een woning voor [appellant] en een Range Rover).

7.4.15.

[appellant] heeft nog een bewijsaanbod gedaan en daarbij onder andere aangeboden om zichzelf te horen ‘ten aanzien van de feiten’. Dat vindt het hof echter niet voldoende specifiek, zodat het hof daaraan voorbijgaat. Het verdere aanbod om de financieel adviseur ten aanzien van de totstandkoming van de leenovereenkomst te horen is niet ter zake dienend, omdat de beslissing over de leningsovereenkomst niet voorligt in hoger beroep. Het aanbod om de notaris die het levenstestament en het testament heeft verleden als getuige te horen, die zou kunnen verklaren dat het de uitdrukkelijke wil van [persoon A] was om [appellant] een algehele volmacht te verlenen en hem tot enig erfgenaam te benoemen, terwijl voor de notaris geen enkele aanleiding bestond om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van [persoon A] , passeert het hof, omdat uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de bewezenverklaring van deze feiten niet tot een ander oordeel zou kunnen leiden.

7.4.16.

Het hof komt tot de conclusie dat [appellant] vele uitgaven, overboekingen en onttrekkingen heeft gedaan zonder daartoe bevoegd te zijn. Daarmee heeft [appellant] naar het oordeel van het hof onrechtmatig gehandeld, omdat hij misbruik heeft gemaakt van de aan hem verstrekte volmacht en daarmee misbruik heeft gemaakt van de kwetsbaarheid en afhankelijkheid van [persoon A] van hem.

7.5.

De hoogte van de schade

7.5.1.

De curator heeft in zijn akte van en productie 33 een overzicht gegeven van diverse categorieën uitgaven die door [appellant] enkel in zijn eigen belang zijn gedaan en die daarom voor zijn rekening hadden moeten komen.

7.5.2.

[appellant] betwist geen van deze posten (gemotiveerd), met uitzondering van de post verbouwingskosten van € 158.430,78, waartegen hij bezwaar maakt. Dit betekent dat het hof ook niet aan een beoordeling van die niet betwiste posten kan toekomen. [appellant] voert nog wel aan dat rekening moet worden gehouden met kosten die [appellant] heeft gedragen ten behoeve van [persoon A] en uitgaven die [persoon A] zich heeft bespaard. Hij noemt de vele uren onbetaalde mantelzorg die [appellant] heeft verleend, waarvan de economische waarde (tegen een tarief van € 20,00 per uur) ruim € 15.000,00 zou bedragen en besparingen door het opknappen van zijn huis.

7.5.3.

Het hof volgt [appellant] niet in zijn betoog over de kosten die [appellant] zou hebben gedragen en uitgaven die [persoon A] zich zou hebben bespaard, al was het maar omdat [appellant] niet heeft gesteld om welke kosten het gaat en hoe hoog die kosten zouden zijn, laat staat dat hij dit heeft onderbouwd.

Ook met de uren mantelzorg die [persoon A] zich zouden hebben bespaard, kan het hof geen rekening houden, al omdat in het levenstestament onder VII. ‘Overige Bepalingen’ expliciet is opgenomen dat een gevolmachtigde geen loon bij [persoon A] in rekening mag brengen. Ook overigens heeft [persoon A] op geen enkele wijze onderbouwd dat tussen [persoon A] en hem afspraken zijn gemaakt over het in rekening brengen van loon voor mantelzorg en over de hoogte daarvan.

7.5.4.

Ten aanzien van de verbouwingskosten oordeelt het hof als volgt.

Anders dan de curator leest het hof in grief 5 wel degelijk een betwisting van de hoogte van deze schadepost. [appellant] schrijft immers dat de rechtbank ten onrechte miskent dat geen sprake is van verrijking of schade als gevolg van onrechtmatige onttrekking en dat het bedrag van € 517.401,00 volledig door, voor en met [persoon A] is afgestemd. In de toelichting bij deze grief staat vervolgens dat deze verbouwingswerkzaamheden ten behoeve van de woning van [persoon A] waren en met zijn instemming plaatsvonden, in een periode dat [persoon A] nog volledig helder was en wilsbekwaam. Volgens [appellant] had de rechtbank (onder andere) deze omstandigheden dienen te wegen bij de begroting van een eventueel terug te betalen bedrag.

Dit kan in redelijkheid niet anders worden begrepen dan dat [appellant] zich op het standpunt heeft gesteld dat het door hem te betalen (schade)bedrag in ieder geval met het bedrag ter hoogte van de verbouwingskosten lager moet uitvallen. De curator heeft ook inhoudelijk verweer gevoerd in de memorie van antwoord en ook van die gelegenheid gebruik gemaakt tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Het hof zal deze post dan ook inhoudelijk beoordelen.
Volgens de curator heeft [appellant] onvoldoende geconcretiseerd of aangetoond dat (en zo ja, welk deel van) de verbouwingskosten zijn besteed ten behoeve van de woning van [persoon A] , maar het hof ziet dat anders. De door [appellant] overgelegde nota’s van 18 oktober 2018 ter hoogte van € 18.425,00, 25 januari 2019 ter hoogte van € 16.000,00 en 16 mei 2017 ter hoogte van € 114.773,34 hebben alle betrekking op werkzaamheden aan [adres A] , waar de woonboerderij van [persoon A] was gelegen. Weliswaar woonde [appellant] ook op het terrein, maar alles behoorde in eigendom toe aan [persoon A] . Een zeer groot gefactureerd bedrag dateert uit 2017 en nadien heeft [persoon A] daar nog enkele jaren gewoond. Dat hiermee het belang van [persoon A] niet zou zijn gediend geweest volgt het hof niet. Aan de enkele -niet onderbouwde- opmerking van de curator tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep dat hij van de neef hoorde dat [persoon A] de verbouwing niet wilde, gaat het hof voorbij. Grief 5 slaagt in zoverre.

7.5.5.

Dit betekent dat op het bedrag van € 517.401,00 waartoe de rechtbank [appellant] heeft veroordeeld, een bedrag van € 158.430,78 in mindering strekt, zodat het totaal uitkomt op € 358.970,22, naast het bedrag van € 162.963,38.

7.5.6.

Dit is minder dan waartoe de rechtbank [appellant] heeft veroordeeld. Dat betekent dat het hof ook de in eerste aanleg door de curator naar voren gebrachte -en door de rechtbank onbesproken gelaten- grondslagen moet beoordelen, te weten ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft geoordeeld ten aanzien van de verbouwingskosten vloeit echter voort dat [appellant] ten aanzien van deze kosten niet ongerechtvaardigd is verrijkt en dat deze ook niet onverschuldigd zijn betaald door [persoon A] . De verbouwingskosten zijn daarom ook niet op deze grondslagen toewijsbaar.

Eisvermeerdering van de curator en nieuwe verweer van [appellant]

7.5.7.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] voor het eerst gesteld dat verkoopopbrengst van zijn executoriaal verkochte woning voor zover het betreft de waardestijging van € 116.000,00 (de verkoopopbrengst van € 480.036,00 -/- het nominale bedrag ter zake de vernietigde leningsovereenkomst van € 364.000,00) hem toekomt. Het hof begrijpt dit aldus dat dit bedrag in mindering zou moeten strekken op het bedrag waartoe [appellant] veroordeeld wordt.

7.5.8.

De curator heeft ter zitting inhoudelijk verweer gevoerd en geen bezwaar gemaakt tegen het tijdstip waarop dit verweer naar voren is gebracht. Het hof gaat echter op inhoudelijke gronden aan dit verweer voorbij. [appellant] heeft namelijk, gelet op de gemotiveerde betwisting door de curator niet onderbouwd waarom de meerwaarde van de woning aan hem zou toekomen.

7.5.9.

De curator heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep voor het eerst het standpunt ingenomen dat, als het hof van oordeel is dat het bedrag van € 158.430,78 ter zake de verbouwingskosten alsnog niet toewijsbaar is, de courtage-kosten van [persoon H] van € 38.720,00 en de beheerkosten ad € 3.005,73 vermeld op de concept-afrekennota ter zake de verkoop van de woonboerderij voor rekening van [appellant] moeten komen. In totaal gaat het dan om een bedrag van € 41.725,73.

7.5.10.

Het hof gaat aan deze stelling van de curator voorbij vanwege strijd met de in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel. [appellant] heeft daar bezwaar tegen gemaakt en er niet ondubbelzinnig mee ingestemd dat het debat in deze zin wordt uitgebreid. Overigens is het hof van oordeel dat de curator voor wat betreft de courtage- en beheerkosten niet voldoende heeft toegelicht waarom deze, nu de woonboerderij is verkocht, niet ten behoeve van [persoon A] zijn gemaakt. Volgens het levenstestament was [appellant] bevoegd de woonboerderij te verkopen zodra [persoon A] zijn intrek zou nemen in een verpleeg- of verzorgingsinstelling en gelet op de verkoopprijs van € 1.600.000,00 acht het hof de in rekening gebracht kosten van [persoon H] niet ongebruikelijk of onredelijk.

7.6.

Matiging

7.6.1.

[appellant] heeft nog een beroep op matiging gedaan op grond van artikel 6:109 BW dan wel de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW) .

7.6.2.

In artikel 6:109 lid 1 BW staat dat als toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1384) volgt dat deze bepaling moet worden beschouwd als een bijzondere toepassing van de regeling van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de artikelen 6:2 BW en 6:248 lid 2 BW. De in artikel 6:109 BW neergelegde maatstaf, die tot voorzichtigheid en objectivering van inzicht noodzaakt, noopt de rechter ertoe met terughoudendheid gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een wettelijke verplichting tot schadevergoeding te matigen. Artikel 6:109 lid 1 BW laat het oordeel over matiging geheel aan de rechter over, waarbij hij alle omstandigheden van het geval zal moeten bezien. Bij de omstandigheden die in de bepaling zijn genoemd en in het bijzonder van belang kunnen zijn, en bij de niet in de wettekst vermelde omstandigheden, gaat het om een afweging van de belangen die aan de zijde van beide partijen bestaan.

7.6.3.

[appellant] heeft in verband met zijn beroep op matiging in de memorie van grieven gesteld dat rekening moet worden gehouden met verrekening met kosten en besparingen en dat het netto-voordeel voor [appellant] nihil is. Het hof is van oordeel dat [appellant] , bij gebreke van betwisting van de schadeposten en gelet op het hiervoor in r.o. 7.5.3 verworpen beroep op verrekening van door de [appellant] gestelde economische waarde van verleende zorg en besparingen, hiermee onvoldoende heeft toegelicht waarom onverkorte toewijzing van de vordering tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

In zijn spreekaantekeningen bij de mondelinge behandeling in hoger beroep werkt [appellant] dit nog verder uit. Nu de curator geen bezwaar hiertegen heeft gemaakt en inhoudelijk heeft gereageerd op deze spreekaantekeningen, leidt het hof hieruit af dat de curator ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat deze standpunten alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep worden betrokken.

7.6.4.

De stellingen van [appellant] geven het hof echter geen aanleiding tot matiging. Ten aanzien van de rechtsverhouding waarop [appellant] zich beroept inhoudende “Als jij voor mij zorgt, zorg ik voor jou”, is hiervoor al geoordeeld dat deze niet is komen vast te staan, terwijl ten aanzien van de rechtsverhouding die wel tussen partijen gold, is geoordeeld dat misbruik is gemaakt van die rechtsverhouding en de afhankelijkheid en kwetsbaarheid van [persoon A] . Het gaat hier om het structureel jarenlang doen van (substantiële) uitgaven waardoor het vermogen van [persoon A] met de vastgestelde schadebedragen van € 521.933,60 (namelijk € 358.970,22 + € 162.963,38) is afgenomen, naast het in deze zaak niet meer aan de orde zijnde bedrag ter zake de vernietigde geldlening die [appellant] met vervalsing van de handtekening van [persoon A] had gesloten met zichzelf ten behoeve van de aankoop voor een woning voor hem, vrij van hypotheek. Het hof merkt op dat [appellant] van de koopsom van de boerderij ook een Range Rover Sport uit 2022 heeft aangeschaft voor zichzelf. Onder deze omstandigheden en gelet op de terughoudendheid bij gebruikmaking van de bevoegdheid tot matiging, ziet het hof geen aanleiding voor matiging. De omstandigheden dat [appellant] geen woning, inkomen en vermogen heeft en dakloos zou zijn, leiden niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat [appellant] dit niet heeft onderbouwd, heeft [appellant] niet toegelicht waarom hij niet zou kunnen werken en in redelijkheid een inkomen zou kunnen genereren. Verder geldt dat de situatie waarin hij zich bevindt ook -en voornamelijk- de consequentie is van zijn eigen keuzes.

Het hof verwerpt het beroep op matiging.

7.7.

Geen schending artikel 21 Rv

7.7.1.

[appellant] heeft met zijn grief 6 nog gesteld dat de curator op meerdere onderdelen artikel 21 Rv heeft geschonden. Hij verzoekt het hof om, de feiten zoals gepresenteerd door de curator kritisch opnieuw te wegen en daaraan geen doorslaggevend gewicht toe te kennen. De gestelde schendingen zien op:

  • de verklaring van de curator op 20 december 2023 aan de rechtbank dat er geen levenstestament bestaat in het dossier van [persoon A] ;

  • de suggestie dat de verkoopopbrengst van de boerderij van [persoon A] zou zijn verdwenen of verduisterd door [appellant] ;

  • het niet verstrekken van het rapport van VT, en

  • het door de curator geschetste beeld dat [persoon A] in een verwaarloosde toestand verkeerde in het verzorgingstehuis, dat zijn koelkast leeg was en zijn kleding vuil.

7.7.2.

De grief slaagt niet, althans kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.

Uit niets blijkt dat de curator op 20 december 2023 al bekend was met het bestaan van het levenstestament of vóór de memorie van grieven met het rapport van VT. Een schending van artikel 21 Rv kan alleen daarom niet worden aangenomen. Dat in het rapport van VT in 2020 staat dat VT [persoon A] niet verwaarloosd achtte, sluit niet uit dat de curator hem in 2023 wel aantrof met kledingstukken die niet meer pasten en een vrijwel lege koelkast en dat de verpleging aangaf dat zijn kledingkast vrijwel leeg was.

Overigens heeft het hof, zoals blijkt uit het voorgaande -evenals de rechtbank- bij de beoordeling rekening gehouden met het bestaan van het levenstestament. Ook heeft het hof het rapport van VT en de aflosnota meegenomen in de beoordeling. Dit heeft enkel ten aanzien van de verbouwingskosten tot een ander oordeel geleid.

7.8.

Conclusie

De conclusie is dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, behalve voor zover het de toegewezen verbouwingskosten betreft. Voor de duidelijkheid voegt het hof hieraan toe dat hieruit voortvloeit dat ook de buitengerechtelijke incassokosten en de beslagkosten terecht zijn toegewezen en dat het vonnis ook op die onderdelen bekrachtigd moet worden. Tegen de toewijzing en de hoogte daarvan is bovendien geen grief gericht.
[appellant] heeft in hoger beroep gevorderd de curator te veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die [appellant] op grond van het vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met rente. Het hof ziet geen aanleiding om deze vordering toe te wijzen, nu gesteld noch gebleken is dat [appellant] meer heeft voldaan dan hetgeen uit hoofde van dit hoger beroep verschuldigd is. Mocht dit wel het geval zijn, laat dit onverlet dat [appellant] in dat geval het teveel betaalde onverschuldigd heeft voldaan.

7.9.

Proceskosten

7.9.1.

Het hof is van oordeel [appellant] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties moet worden veroordeeld. Omdat het hof in hoger beroep tot een lager door [appellant] te betalen bedrag uitkomt dan de rechtbank in eerste aanleg, ziet het aanleiding om een lager liquidatietarief te hanteren dan in eerste aanleg, te weten tarief VII van € 3.502,00 per punt in plaats van het door de rechtbank gehanteerde tarief van € 4.357,00. Dit betekent dat het hof de proceskostenveroordeling in 4.6 zal vernietigen en zal oordelen dat [appellant] € 11.741,97 verschuldigd is. Dit bedrag van € 11.741,97 is als volgt opgebouwd:


Kosten dagvaarding € 135,97

Griffierecht € 2.712,00

Salaris advocaat/gemachtigde € 8.755,00 (2,5 punten x tarief VII)

Nakosten € 139,00

Totaal € 11.741,97

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de curator zullen vastgesteld worden op:

Griffierechten € 2.129,00

Salaris advocaat hoger beroep € 16.857,00 (3 punt(en) x tarief VII)

Nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 19.175,00

7.9.2.

De wettelijke rente over de proceskosten worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

8De beslissing

Het hof:

8.1.

vernietigt het bestreden vonnis van 26 maart 2025, gewezen tussen de curator en [appellant] (met zaaknummer C/01/401019 / HA ZA 24-92) doch uitsluitend voor zover het betreft de veroordelingen van [appellant] in r.o. 4.3 (de veroordeling tot betaling van
€ 517.401,00 te vermeerderen met wettelijke rente) en r.o. 4.6 (de veroordeling tot betaling van de proceskosten van € 13.879,47),

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

8.2.

veroordeelt [appellant] om aan de curator te betalen een bedrag van € 358.970,22,

te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag der

dagvaarding tot de dag van volledige betaling,

8.3.

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van de eerste aanleg van € 11.741,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;

8.4.

bekrachtigt het onder 8.1. genoemde vonnis van 26 maart 2025 voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

8.5.

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep van € 19.175,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 98,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;

8.6.

veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten in hoger beroep als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

8.7.

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

8.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.J. Korthuis-Becks, J.J.M. van Lanen en T.J. Mellema-Kranenburg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 juni 2026.

griffier rolraadsheer


meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Meer fiscale opties pensioenverrekening samenwoners
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 06-05-2025
Jasper Horsthuis en Rob Welling gaan in gesprek over een recente uitbreiding van de fiscale mogelijkheden voor pensioenverrekening door samenwoners. Zij bepleiten een verdere verruiming van de regeling.
Podcastgesprek: Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente (II)
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 22-04-2025
De Belastingdienst heeft - opnieuw - een standpunt gepubliceerd over de fiscale afwikkeling van een lijfrentepolis bij echtscheiding. Rob Welling en Jasper Horsthuis bespreken de gevolgen hiervan.
Podcastgesprek: Breaking! Vóórhuwelijks vergoedingsrecht halveert niet!
Drs. Jasper Horsthuis en Rob Welling, 08-04-2025
Onze redacteur Jasper Horsthuis en scheidingsfiscalist Rob Welling gingen in gesprek over de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad op 21-03-2025. Super heldere uitleg over inhoud en gevolgen van de uitspraak!
Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN