Essentie (gemaakt door AI)
art. 6:162 BW; onrechtmatige daad; misbruik van volmacht in levenstestament. Curator vordert terugbetaling wegens door pleegneef gedane privé-uitgaven en overboekingen uit vermogen van onder curatele gestelde. Hof oordeelt dat het levenstestament slechts handelen in het belang van volmachtgever toestaat en giften/loon uitsluit; beroep op instemming en testament faalt. Schade deels verminderd door verbouwingskosten ten bate van eigenaar. Veroordeling tot € 358.970,22 plus € 162.963,38 blijft in stand. Proceskostenveroordeling uitgesproken.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 30-06-2026 |
| Zaaknummer | 200.356.052_01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | 's-Hertogenbosch |
| Formele relaties | Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2025:1852 |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Meerderjarigenbescherming; Levenstestament; Erfrecht; Tuchtrecht / aansprakelijkheid |
| Wetsverwijzingen | Burgerlijk Wetboek Boek 6 162 |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Artikel 6:162 BW; onrechtmatige daad; misbruik van volmacht in levenstestament.Volledige uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.356.052/01
arrest van 30 juni 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats]
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. I. P . van Rossen te Amsterdam,
tegen
Pro Bewind B.V., in haar hoedanigheid van curator over het vermogen en niet-vermogensrechtelijke belangen van [persoon A] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Pro Bewind of de curator,
advocaat: mr. M.L.J.A. de Vocht te Eindhoven,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 augustus 2025 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/401019 / HA ZA 24-92 tussen de curator en [appellant] gewezen vonnis van 26 maart 2025.
5Het verdere verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenarrest van 12 augustus 2025 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 12 mei 2026;
de memorie van grieven met producties 1 tot en met 6;
de memorie van antwoord met productie 37;
de mondeling behandeling, waarbij partijen spreeknotities hebben overgelegd.
Ter zitting heeft mr. Van Rossen de volgende producties overlegd:
productie 32 (in de vorm van een USB-stick) behorend bij de akte eiswijziging in eerste aanleg van mr. De Vocht, ontvangen door de rechtbank op 23 december 2024 ten behoeve van de mondelinge behandeling van op 5 februari 2025;
de akte overlegging productie van 1 mei 2026 van mr. Van Rossen met producties 7 tot en met 13;
de akte overlegging productie van mr. Van Rossen van 12 mei 2026, met productie 14, waarin hij verzoekt deze productie ondanks het late tijdstip waarop dit is ingediend in het geding te mogen brengen en subsidiair, voor zover het hof dit niet zou toestaan, verzoekt de curator te bevelen de volledige aflosnota over te leggen en rekening en verantwoording af te leggen over het saldo en bestemming van de gelden op de rekening bij [bank A] met nummer “ [bankrekeningnummer] ”.
Mr. de Vocht heeft ermee ingestemd dat deze bescheiden deel uitmaken van het procesdossier en het hof heeft geen aanleiding deze wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan de beoordeling het hiervoor genoemde subsidiaire verzoek van mr. Van Rossen.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
6De kern van deze zaak
Deze zaak gaat over een geschil tussen de curator van [persoon A] , geboren in 1928 (hierna: [persoon A] ) en [appellant] die in 1965 in het gezin van de broer van [persoon A] is opgenomen als pleegzoon en in 1995 is ingetrokken in een woning op het perceel van de boerderij van [persoon A] . [appellant] heeft aanzienlijke geldbedragen aan zichzelf betaald van de bankrekening van [persoon A] en vele privé-aankopen en -uitgaven verricht van die bankrekening. In deze zaak ligt -in de kern- ter beoordeling voor of, zoals de curator heeft gesteld, [appellant] hiermee onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens [appellant] is dat niet zo, omdat het de bedoeling en wens was van [persoon A] om hem financieel te begunstigen al dan niet in ruil voor de hulp en ondersteuning door [appellant] . De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van ruim 1 miljoen euro. [appellant] is het hier niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld.
7De beoordeling
De feiten
In r.o. 2.1 tot en met 2.15 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. [appellant] heeft deze vaststelling met zijn grieven op zichzelf niet bestreden, maar heeft wel in zijn grief 1 aangevoerd dat een aantal van deze feiten onvolledig zijn en daarmee niet neutraal zijn geformuleerd, te weten die uit r.o. 2.6 tot en met 2.12. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen en hier nog enkele feiten aan toevoegen.
Bij aanvang van de procedures was de curator de provisioneel bewindvoerder van
[persoon A] . Pro Bewind was bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 20 december 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, met ingang van 20 december 2023 om 12.00 uur op verzoek van zijn neef [persoon B] benoemd tot provisioneel bewindvoerder over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [persoon A] benoemd, waarbij aan Pro Bewind alle bevoegdheden zijn toegekend die een curator krachtens de wet heeft. Vervolgens is [persoon A] bij beschikking van 14 februari 2024 vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele gesteld en is Pro Bewind tot curator benoemd. In het tegen die laatste beschikking ingestelde hoger beroep is [appellant] bij beschikking van 31 juli 2025 van het hof ’s-Hertogenbosch, team familie- en jeugdrecht, niet-ontvankelijk verklaard.
[persoon A] is ongehuwd en heeft geen kinderen.
[appellant] is in 1965 in het gezin van de broer van [persoon A] opgenomen als
pleegzoon.
[appellant] en zijn toenmalige echtgenote zijn in 1995 ingetrokken in een woning op het perceel bij de boerderij van [persoon A] . [appellant] heeft daar tot de verkoop van de boerderij in 2021 gewoond.
Sinds in ieder geval 2014 was [appellant] in het bezit van de pinpas en pincode van
[persoon A] . [persoon A] beschikte zelf al jaren niet meer over een pinpas en heeft ook al jaren
geen toegang meer tot zijn bankgegevens.
[appellant] beschikte over een identiteitsbewijs van [persoon A] . [persoon A] had zelf alleen een kopie daarvan.
In het testament van 10 juli 2015 staat dat [persoon A] [appellant] tot enig erfgenaam en executeur benoemt.
Op 19 april 2016 is een levenstestament opgesteld voor [persoon A] , waarmee
door [persoon A] aan [appellant] (onder meer) een algemene volmacht is verleend om zijn
vermogensrechtelijke en andere zakelijke belangen te behartigen. In het levenstestament staat voor zover van belang:
Met dit levenstestament wil ik mede voorzien in de situatie dat ik om wat voor reden dan ook niet meer zelf kan handelen. Ik tref daartoe de volgende maatregelen:
Ik geef een algemene volmacht om mijn vermogensrechtelijke en andere zakelijke belangen te behartigen (onder I tot en met IV). Ik wijs een medisch gevolmachtigde aan om mij te vertegenwoordigen op medisch gebied (V), ik heb mijn wensen ter zake van de uitoefening van beide volmachten geformuleerd en ik heb medische verklaringen in deze akte opgenomen.
Ik tref deze maatregelen om te voorkomen dat ik onder curatele word gesteld, dat over
mijn goederen beschermingsbewind of ten behoeve van mij mentorschap wordt ingesteld.
(…)
(...)
Ik wijs aan tot mijn algemeen gevolmachtigde:
[appellant]
(…)
Afzonderlijke bevoegdheid
Mijn sub I genoemde gevolmachtigde kan zijn taak als algemeen gevolmachtigde geheel afzonderlijk uitoefenen.
Volmacht gaat direct in
De volmacht kan uitgeoefend worden vanaf het moment direct na het ondertekenen van de akte, tot aan het moment dat de volmacht eindigt.
Deze volmacht is een algemene volmacht in de zin van artikel 3:62 lid 1 Burgerlijk Wetboek. Dat betekent dat mijn gevolmachtigde mij in al mijn hoedanigheden, waaronder begrepen mijn hoedanigheid van bestuurder en/of aandeelhouder van een rechtspersoon en certificaathouder, mag vertegenwoordigen in alle zaken en namens mij alle rechtshandelingen mag verrichten op het gebied van het burgerlijk recht, het belastingrecht, het procesrecht en elk ander rechtsgebied voor zover de wet toestaat.
Deze volmacht strekt zich uitdrukkelijk uit tot daden van beschikking.
(…)
Als wederpartij van mij optreden
De gevolmachtigde is bevoegd om als wederpartij van mij op te treden.
Rekening en verantwoording
De gevolmachtigde is verplicht jaarlijks rekening en verantwoording aan mij af te leggen over het voorafgaande jaar, zulks ingeval ik in staat ben deze in ontvangst te nemen. Na goedkeuring van de rekening en verantwoording zal ik de gevolmachtigde décharge verlenen. De rekening en verantwoording dient aan de volgende eisen te voldoen:
de gevolmachtigde dient mij alle rekeningafschriften van banken te laten inzien alsook
rekeningen en nota’s, afrekeningen en dergelijke.
Ik kies er bewust voor om geen toezichthouder op de gevolmachtigde aan te stellen voor de periode dat ik zelf niet in staat ben de rekening en verantwoording af te nemen omdat ik mijn gevolmachtigde ten volle vertrouw .
De gevolmachtigde is niet verplicht rekening en verantwoording aan mij of mijn erfgenamen af te leggen.
(…)
Bevoegdheden in concrete zin
De nu volgende opsomming van bevoegdheden is uitsluitend bedoeld als verduidelijking voor de gevolmachtigde. Zij is uitdrukkelijk niet bedoeld om niet genoemde bevoegdheden uit te sluiten. Voor zover nodig, bevestig ik dat de gevolmachtigde de volgende bevoegdheden heeft.
i. Bankzaken en overige financiële zaken
Deze volmacht geeft de bevoegdheid om al mijn bankzaken en overige financiële zaken te regelen. Mijn bankzaken en overige financiële zaken omvatten onder meer het volgende:
- bankrekeningen
het gebruik -op alle mogelijke manieren- van al mijn bankrekeningen. Dat zijn alle
rekeningen die (mede) op mijn naam bij een financiële instelling worden aangehouden, zoals betaal- en spaarrekeningen, beleggings- rekeningen en bankspaarrekeningen. Met gebruik bedoel ik alle bankzaken die ik met mijn rekeningen mag doen, zoals geld opnemen, betalingen verrichten aan derden en het gebruik van een eventueel krediet op de rekening. Onder gebruik valt ook het online gebruik, bijvoorbeeld via de mobiele telefoon of tablet. De gevolmachtigde is bevoegd de daarvoor benodigde overeenkomsten te ondertekenen. Ook mag hij rekeningen opheffen en op mijn naam nieuwe rekeningen openen.
(…)
vi. nalatenschappen en giften
- alle erfrechtelijke verkrijgingen te aanvaarden, al dan niet beneficiair, of te verwerpen;
(…)
- giften, al dan niet onder een last, te aanvaarden;
- giften te doen; (…)
Deze volmacht geeft de gevolmachtigde de bevoegdheid naar eigen inzicht in mijn belang rechtshandelingen aan te gaan. Als leidraad bij de uitoefening van de uit deze volmacht voortvloeiende bevoegdheden geef ik de volgende aanwijzingen. Deze aanwijzingen hebben uitdrukkelijk niet de strekking de bevoegdheden van de gevolmachtigde zoals in II omschreven te beperken.
Wanneer gebruik maken van deze volmacht?
Ik ga ervan uit dat de gevolmachtigde alleen dan gebruik maakt van de volmacht indien
en zo lang dat gezien mijn geestelijke en/of lichamelijke toestand nodig is. (…)
Tijdelijke wilsonbekwaamheid of tijdelijke feitelijke onbekwaamheid
Als ik naar verwachting tijdelijk ten gevolge van ziekte, afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeer mijn belangen te behartigen en/of mijn wil te bepalen, wil ik dat de gevolmachtigde zich bij het gebruik maken van deze volmacht terughoudend opstelt. Daarmee bedoel ik dat de gevolmachtigde zich beperkt tot rechtshandelingen die passen in de dagelijkse gang van zaken, het uitvoeren van eventuele reeds bestaande overeenkomsten en het verrichten van handelingen die geen uitstel kunnen dulden. (…)
Giften
De gevolmachtigde mag geen giften doen. Ik ben mij ervan bewust dat derden niet verplicht zijn te controleren of de gevolmachtigde in strijd met deze wens handelt. Het gebruik van deze volmacht voor het doen van giften, is niet een gebruik in mijn belang.
Daarmee staat vast dat de gevolmachtigde die desalniettemin namens mij giften doet, handelt in strijd met wat hij behoort te doen zodat hij jegens mij of mijn erfgenamen schadeplichtig wordt.
Woning
Mijn woning mag worden verkocht als ik mijn intrek neem in een verpleeg- of verzorgingsinstelling en/of er geen zicht is op mijn terugkeer naar die woning. Ik wil zo lang mogelijk thuis blijven wonen.
(…)
Onkosten/loon gevolmachtigde
Een gevolmachtigde mag de onkosten die hij maakt bij de uitoefening van deze volmacht bij mij in rekening brengen, voor zover de gemaakte kosten passend zijn.
Een gevolmachtigde mag geen loon bij mij in rekening brengen.
(…)”
[appellant] heeft in de periode van 2016 tot en met 2023 uit het vermogen van
[persoon A] vele betalingen gedaan aan derden waar [persoon A] geen enkele rechtsverhouding
mee had. Dit waren persoonlijke uitgaven van [appellant] en/of zijn toenmalige echtgenote [persoon C] . Ook heeft [appellant] in die periode vele overboekingen ten gunste van [appellant] zelf en [persoon C] verricht.
Naar aanleiding van een zorgmelding van een neef van [persoon A] heeft Veilig Thuis een onderzoek ingesteld of bij [persoon A] sprake is van ouderenmishandeling. In het rapport van Veilig Thuis staat, voor zover hier van belang:
* op pagina 11:
Datum contact 7-4 2020
(…)
Met wie [appellant]
(…)
Wijze van contact Telefonisch
Onderwerp Meneer geeft aan dat alles wat financiën betreft in goed overleg gaat met [persoon A]
Omschrijving contact: Na opnieuw een contactverzoek gedaan te hebben per App belt [appellant] mij.
Uitgelegd dat VT vla de info van de [bank B] tot de conclusie kwam dat er opvallende uitgaven waren met de pinpas van meneer waar [appellant] volmacht over heeft.
Gevraagd welke afspraken hij en meneer hebben. [appellant] geeft aan dat alles “in goed overleg” met [persoon A] gaat. Hij geeft aan dat ik zeker dat tasje bedoel. Maar daarvan was [persoon A] op de hoogte, aldus [appellant] . Het was een cadeau voor zijn vrouw (van [appellant] ). Gevraagd hoe het verder zat met autoboetes en dergelijke. [appellant] gaf aan dat hij die inderdaad wel eens met [persoon A] betaalpas had gepind maar dat hij dat geld daarna altijd weer overmaakte. Even later gaf hij aan dat hij dat contant terugbetaalde.
Uiteindelijk gezegd dat ik hoop dat meneer naar eer en geweten handelt ten aanzien van [persoon A] . Dat was zeker het geval, aldus [appellant] .
Aangegeven dat VT de casus gaat sluiten aangezien wij geen vermoedens aangaande financiële uitbuiting hebben kunnen bevestigen.
Meneer verzekerde VT dat hij goed voor [persoon A] zorgt en alles op orde is.
* op pagina 12:
Datum contact 1 april 2020
(…)
Met wie [bank B]
(…)
Wijze van contact Telefonisch
Onderwerp Stavaza; [bank B] krijgt geen contact met meneer. Hij gooit meteen de hoorn op de haak.
Omschrijving contact: [zwart gelakt stukje, toevoeging hof]
[bank B] krijgt door mijn info sterk de indruk dat meneer niet zal willen overgaan tot het intrekken van de volmacht,.
De [bank B] kan nu weinig meer doen omdat fraude niet hard gemaakt wordt.
We spreken af dat ik hen op de hoogte houdt van onze stappen.
* op pagina 12 en 13:
Datum contact 24-3-2020
(…)
Met wie [persoon A]
(…)
Wijze van contact Telefonisch
(…)
Omschrijving contact
[persoon A] moest even geholpen worden met wie ik was , maar wist zich al snel ons gesprek in de keuken te herinneren.
Aan meneer aangegeven dat ik [persoon D] , huisarts en bank heb benaderd en dat bij de [bank B] een opvallend uitgave patroon werd benoemd.
Meneer gaf meteen aan [appellant] goed voor hem zorgde en zijn geld goed beheerd. Vroeger ging ie zelf naar de bank maar dat lukte niet meer en sinds die tijd heeft [appellant] een volmacht. Meneer zou iedere maand de afschriften krijgen van de bank.
Ik geef de opvallende uitgaven aan; Louis Vuitton tas. aangekocht in Amsterdam ( Meneer had geen idee wat dat was. Toen ik het uitlegde zei hij: o, ja dat was een tas uit den Bosch ).
Meneer geeft duidelijk aan dat hij het prima vindt dat de gemachtigde spulletjes voor eigen gebruik koopt. Hij wordt goed verzorgd.
Tegelijkertijd zegt ie: Eh, ja , wat moet ik daar aan doen?
Ik geef meneer aan dat Veilig thuis denkt dat de inzet van een Bewindvoerder op zijn plaats zou zijn en dat meneer zou kunnen overwegen om aangifte te doen.
Meneer geeft aan daar op geen enkele manier aan mee te willen werken.
Hij vraagt of ik het accountantskantoor heb gebeld. Ik geef aan dat gedaan te hebben. Zij zien geen opvallendheden maar zien wel dat meneers vermogen is afgeslankt doordat de afgelopen jaren veel geld is uitgegeven aan opknappen en onderhoud van het terrein.
[zwart gelakt stukje, toevoeging hof]
Ook nog de sushi schotel, boodschappen jumbo en autoboetes benoemd.
De neef zou in zijn auto rondrijden.
Ik geef aan dat de bank hem binnenkort ook wel zal bellen.
Als ik verder praat over dat Veilig Thuis de plicht heeft om evt. financiële uitbuiting te stoppen en ook aangifte kan doen gooit hij boos de hoorn op haak.
* op pagina 14 en 15:
Datum contact 18-3-2020
(…)
Met wie (…) [bank B]
(…)
Wijze van contact Telefonisch
(…)
Omschrijving contact: (…) geeft aan dat het uitgavepatroon van meneer zorg oproept.
Al langere tijd zijn er opvallendheden, in het uitgave patroon van een 91 jarige.
De volmacht is in handen van de (pleeg) neef.
Uitgaves van Suschischotels, Tas Louis Vuitton Amsterdam .
Jumbo 341 euro aan boodschappen.
Ook autoboetes.
Bank acht mijn vraag hierover zeer terecht.
(…) gaat de signalen intern bespreken. Zij zullen dan met meneer in principe in gesprek gaan. Zij hebben bij ernstig vermoeden Uitbuiting ook de mogelijkheid om de volmacht in te trekken.
* op pagina 16:
Datum contact 5-3-2020
(…)
Met wie accountantskantoor van der Linden
(…)
Wijze van contact Digitaal
(…)
Omschrijving contact: (…)
Wij hebben nooit de indruk gekregen dat [persoon A] niet goed op de hoogte zou zijn van zijn financiële zaken, en daar dus ook juist naar handelt.
Wel hebben wij waargenomen dat het woonhuis en verdere aangelegenheden de laatste jaren geheel zijn gerenoveerd en opgeknapt waardoor zijn financiële middelen zijn afgenomen.
Daar we slechts de aangifte inkomstenbelasting verzorgen is het voor ons niet noodzakelijk om alle bankmutaties in te zien, hierdoor is door ons geen oordeel te vellen over eventuele uitbuiting.
Gezien de goede geestelijke toestand van [persoon A] is dit voor ons vooralsnog ook niet aannemelijk.
op pagina 18
Datum contact 11-2-2020
(…)
Met wie [persoon A] . en [appellant]
(…)
Wijze van contact Face to face
(…)
Omschrijving contact: (…)
Neef vangt mij op aan de deur.
[persoon A] vindt het goed dat hij bij het gesprek blijft. “Wij zijn twee handen op een buik” geeft [appellant] aan.
Uitgelegd wat VT doet en dat de melding van de pleegzorg-nicht komt.
Meneer kijkt met heldere blik, is moeizaam ter been en ziet verder wel erg slecht. Gehoor en verstand zijn nog prima geven beide heren aan.
[appellant] is evenals de meldster een pleegkind van een broer/zus van [persoon A] .
[persoon A] . zelf heeft nooit kinderen en/of vrouw gehad.
Heeft altijd rond de boerderij geleefd, met veel plezier. Zijn gezondheid is behoorlijk goed. Hij komt nooit bij de huisarts. Heeft wel een rollator en vier keer per jaar komt iemand bloedprikken.
Daarnaast heeft hij een alarm dat af kan gaan. [appellant] is hierin eerste contactpersoon.
Melding voorgelezen. Neef en meneer herkennen niets van de zorgsignalen m.b.t. geld.
[appellant] geeft aan dat hij een volmacht heeft van zijn oom, om al zijn bankzaken te doen.
[persoon A] kan nl niks meer lezen. [persoon A] en neef geven aan dat dat netjes gebeurd. Daarnaast geven ze aan dat verdere geldzaken allemaal via accountantskantoor van de Linden (…) verloopt. Ook de belastingaangifte.
Meneer wordt goed verzorgd. leder woensdag brengt een bedrijf maaltijden die meneer dan op kan warmen. Iedere ochtend komt of [appellant] of zijn vrouw langs om te checken hoe het gaat. Idem in de middag. Dan komt de
vrouw van [appellant] de boel schoonmaken. De woning ziet er netjes verzorgd uit. [persoon A] heeft ook nog een hondje dat [A] heet en waarvoor hij goed zorgt.
Ik heb de indruk door de wijze waarop de mannen met elkaar omgaan dat de relatie positief is.
[appellant] vindt de melding van de nicht ”een manier om wraak te nemen toen ze de sleutels niet kreeg van de poort op kerstavond”
(…)
[appellant] en meneer hebben er geen problemen mee als ik contact leg met accountantskantoor en met de bank ( [bank B] ).
* op pagina 23 en 24:
Overige Onderzoeksvragen
(…)
Onderzoeksvraag is meneer wilsbekwaam?
Beantwoording onderzoeksvraag
Ja. Huisarts bevestigd het beeld dat VT heeft van meneer.
Ook accountancy van der Linden heeft geen aanleiding om andere te veronderstellen. Meneer drukt zich helder uit. Kan goed uitleggen hoe hij zaken ziet en beleeft., wat hij wil en niet wil.
op pagina 24:
Uitkomst onderzoek
(…)
Ouderenmishandeling (ouder
dan 65 jaar)
weerlegd noch bevestigd
(…)
Veiligheidsscore Veilig Thuis bij einde
Onderzoek
6
Onderbouwing uitkomsten onderzoek
(is er sprake van huiselijk geweld (…))
Meneer heeft een afhankelijkheidsrelatie van zijn
neef. Hij wordt goed verzorgd maar toch zorg over onbereikbaarheid van veiligheidsdiensten die
het terrein op kunnen als de neef afwezig is en meneer geen sleutel heeft.
Meneer zelf vindt dit prima en zegt zich van dit risico bewust te zijn. Heeft dit liever dan de angst voor overvallers.
Besluit vervolg onderzoek Afsluiten casus
op pagina 25:
“ (…)
Type start MDO Multidisciplinair overleg
Datum MDO 7-4-2020
(…)
Opmerkingen EIND MDO:
VT heeft zorgen niet kunnen bevestigen, maar zorgen zijn ook niet weer weerlegd..
De huisarts geeft aan dat er geen signalen zijn dat meneer niet wilsbekwaam zou zijn. Meneer is in 2016 voor het laatst in de praktijk geweest.
[zwart gelast stukje; toevoeging hof]
Meneer wordt in principe goed verzorgt door neef en vrouw en maakt een zeer tevreden indruk hierover.
Daarnaast betreffende vermoedens van financiële uitbuiting.
Accountantskantoor geeft aan dat meneer veel geld heeft gespendeerd aan opknappen van eigendommen de afgelopen jaren, maar zien geen aanleiding hierin om financieel misbruik te bevestigen.
[bank B] geeft aan dat er een opvallend uitgave patroon is voor een meneer van 92 jarige leeftijd . (Louis Vuittontas, verkeersboetes terwijl meneer geen auto rijdt, groter dan gemiddeld uitgavepatroon boodschappen). Bij bespreken hiervan met meneer heeft VT sterk de indruk dat meneer geen weet heeft van deze uitgaves maar dat hij zijn mantelzorger in bescherming neemt en geeft hij aan dat alle uitgaves zoals die worden gedaan door hem zijn goedgekeurd.
Bij bespreken van uitgaves met “neef” geeft deze aan dat alle uitgaves in overeenstemming met meneer zijn gedaan en worden gedaan.
[persoon A] . wil niets meer met VT te maken hebben, is erg boos . De neef herhaald steeds dat ze in goed overleg tot uitgaves komen.
Veilig Thuis kan het financiële misbruik niet weerleggen en kan niet anders dan deze casus te sluiten zonder vervolg.
Mogelijk leidt de betrokkenheid van VT er toe dat er een mate van bewustzijn is ontstaan bij de neef over zijn handelen.
Er kunnen geen veiligheidsvoorwaarden worden gesteld. Monitoring is niet aan de orde. Afsluiten met afsluitbrief naar [persoon A] . en terugkoppeling (liefst telefonisch naar melder).
Kopie afsluitbrief naar huisarts.
[persoon A] is medio 2021 verhuisd naar een zorginstelling. De boerderij van [persoon A] is blijkens de akte van levering van 15 november 2023 verkocht aan een derde voor een koopsom van € 1.600.000,00.
De helft van de koopsom werd uitgekeerd op een rekening bij [bank A] Bank op naam van [persoon A] ; de andere helft op een rekening bij [bank B] op naam van [persoon A] . Van de koopsom is op 17 november 2023 een bedrag van € 364.000,00 aangewend voor de levering aan [appellant] van een woning (appartementsrecht) in [C] voor een koopsom van € 350.000,00. Deze woning was volledig eigendom van [appellant] , niet met hypotheek belast en werd door [appellant] bewoond. Eveneens op 17 november 2023 is op naam van [appellant] een Range Rover Sport uit 2022 met een kilometerstand van 35.543 kilometer geregistreerd.
De curator ontving op enig moment van Marks Wachters Notarissen een document
gedateerd september 2023 waarin staat dat [persoon A] medio november 2023 aan [appellant]
een bedrag van € 364.000,00 heeft uitgeleend ten behoeve van de aankoop van voornoemde
woning. De looptijd van de geldlening bedroeg tien jaren en de lening was aflossingsvrij. De
hoofdsom zou uiterlijk op 31 december 2033 dienen te zijn afgelost. Het document is door
[appellant] ondertekend met een door hem nagemaakte handtekening van [persoon A] .
Per brief van 3 januari 2023 aan [appellant] is de overeenkomst van geldlening door
de curator nietig verklaard, althans vernietigd, althans opgeëist en is [appellant]
gesommeerd om het bedrag ad € 364.000,00 (terug) te betalen.
Op 29 januari 2026 is de woning (het appartementsrecht) van [appellant] met een door [appellant] verleende onderhandse onherroepelijk volmacht verkocht voor
€ 480.036,00. De woning (het appartementsrecht) is op 4 mei 2026 geleverd.
De procedure in eerste aanleg, het oordeel van de rechtbank en de procedure in hoger beroep
In de procedure in eerste aanleg in conventie heeft de curator -kort samengevat- na wijziging van zijn eis gevorderd:
-
voor recht te verklaren dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [persoon A] en gehouden is de ten gevolge daarvan door [persoon A] geleden en nog te lijden schade te vergoeden, althans dat [persoon A] onverschuldigd aan [appellant] heeft betaald c.q. [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [persoon A] zodat [appellant] gehouden is hetgeen aan hem onverschuldigd is betaald c.q. hetgeen waarmee hij ongerechtvaardigd is verrijkt aan [persoon A] terug te betalen;
-
[appellant] te veroordelen tot betaling aan [persoon A] (althans Pro Bewind in haar
hoedanigheid van curator van [persoon A] ):
een bedrag van € 162.963,38 wegens de onrechtmatig verrichte girale betalingen aan/voor [appellant] uit het vermogen van [persoon A] , te vermeerderen met de wettelijke rente;
een bedrag van € 364.000,00 wegens de vordering die verband houdt met de overeenkomst van geldlening van november 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente;
een bedrag van € 517.401,00 wegens onrechtmatige betalingen van de bankrekening van [persoon A] ;
€ 5.327,05 wegens buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
€ 5.721,70 wegens beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente
de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en
3. de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
[appellant] heeft in conventie de vorderingen bestreden en -kort gezegd- geconcludeerd tot afwijzing daarvan. [appellant] heeft in reconventie -kort gezegd- gevorderd dat het hem wordt toegestaan contact/omgang met [persoon A] te hebben.
De rechtbank heeft de vorderingen van de curator, met uitzondering van de gevorderde verklaring voor recht, toegewezen en [appellant] in conventie veroordeeld om aan de curator te betalen:
een bedrag van € 162.963,38, te vermeerderen met de wettelijke rente over iedere afzonderlijke transactie per de datum van de transactie telkens tot de dag van volledige betaling;
een bedrag van € 364.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 16 november 2023 tot de dag van volledige betaling;
een bedrag van € 517.401,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
€ 5.327,05 wegens de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van de vijftiende dag na het vonnis tot de dag van volledige betaling;
€ 5.721,70 wegens de beslagkosten te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van de vijftiende dag na het vonnis tot de dag van volledige betaling;
de proceskosten.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] in reconventie afgewezen.
[appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd tegen het vonnis in conventie. Hij heeft geconcludeerd tot:
-
vernietiging van het bestreden vonnis;
-
het alsnog afwijzen van de vorderingen van de curator;
-
veroordeling van de curator in de kosten van de procedure in beide instanties;
-
terugbetaling van de bedragen die [appellant] op grond van de vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met rente, en
-
het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de veroordelingen.
De curator heeft -kort samengevat- geconcludeerd:
-
het bestreden vonnis te bekrachtigen;
-
[appellant] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente;
-
de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De beslispunten in hoger beroep
In hoger beroep moet het hof, gelet op de grieven van [appellant] en de devolutieve werking van het hoger beroep een beslissing nemen over:
1. de toewijsbaar van de vorderingen van de curator van € 162.963,38 en € 517.401,00, en, in verband daarmee,
- de vraag of [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld jegens / misbruik heeft gemaakt van [persoon A] ;
- voor het geval onrechtmatig handelen niet wordt aangenomen: of [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt dan wel de bedragen als onverschuldigd betaald moet terugbetalen;
2. de hoogte van het door [appellant] eventueel uit dien hoofde te betalen bedrag;
3. het beroep van [appellant] op matiging;
4. de gestelde schending van artikel 21 Rv.
In hoger beroep hoeft het hof geen oordeel meer te geven over:
-
het oordeel van de rechtbank dat de lening ter hoogte van € 364.000,00 nietig is en dat [appellant] dit bedrag uit hoofde van onverschuldigde betaling moet terugbetalen;
-
de veroordeling van [appellant] tot betaling aan de curator van de buitengerechtelijke incassokosten van € 5.327,05 en de beslagkosten van € 5.721,70, beide te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na het vonnis tot de dag van volledige betaling;
-
de afgewezen reconventionele vordering van [appellant] (om [appellant] toe te staan contact te hebben met [persoon A] );
-
de afgewezen vorderingen in het incident van [appellant] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor en het treffen van een voorlopige voorziening tot het hebben van contact met [persoon A] );
-
grief 2 van [appellant] , die ziet op de vraag of de rechtbank een door hem vermeende ingestelde wijziging van eis terecht onbehandeld heeft gelaten en de beoordeling daarvan.
Onrechtmatige daad - de vorderingen van € 162.963,38 en € 517.401,00
De rechtbank heeft [appellant] onder meer veroordeeld tot betaling van € 162.963,38 en € 517.401,00. Volgens de curator ziet het bedrag van € 162.963,38 op onrechtmatige girale overboekingen van de bankrekening van [persoon A] naar de bankrekening van [appellant] of aan hem gelieerde personen (onder meer in de vorm van betaalde alimentatie). De vordering van de curator van € 517.401,00 ziet op onttrekkingen uit het vermogen van [persoon A] , te weten privé-uitgaven die [appellant] voor zichzelf (of derden), althans niet ten behoeve van [persoon A] , heeft voldaan van de bankrekening van [persoon A] .
De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat [appellant] hiermee onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij misbruik heeft gemaakt van de hem verleende volmacht in het levenstestament en de beschikking die hij voor die tijd al had over de bankrekening.
Volgens [appellant] heeft de rechtbank met dit oordeel het levenstestament en het testament miskend. Deze vormen volgens [appellant] cruciaal bewijs van de bedoeling en wens van [persoon A] om [appellant] te machtigen en financieel te begunstigen. Uit het levenstestament van 19 april 2016 blijkt dat [persoon A] [appellant] een algemene volmacht heeft verleend om zijn financiële en persoonlijke belangen te behartigen voor het geval hij zelf daartoe niet meer goed in staat zou zijn. [appellant] wordt daarin uitdrukkelijk gemachtigd om onder meer al zijn bankzaken en overige financiële zaken te regelen, rekeningen te betalen en -indien nodig en in het belang van [persoon A] - schenkingen of bevoordelingen te doen.
In het testament van [persoon A] is [appellant] tot enig erfgenaam benoemd. Het ligt in de rede dat [persoon A] tijdens zijn leven eveneens bereid was [appellant] financieel tegemoet te komen of te belonen voor zijn hulp en ondersteuning. De door [appellant] ontvangen bedragen kunnen in dat licht worden gezien als vooruit genomen erfdeel of schenkingen binnen de bedoeling van [persoon A] .
Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat uit de enkele omstandigheid dat sprake was van een langdurige zorgrelatie en een daaropvolgende testamentaire begunstiging al kan worden afgeleid dat sprake is van misbruik van omstandigheden dan wel ongerechtvaardigde verrijking.
Wat de bedoeling is geweest van [persoon A] vergt uitleg van het levenstestament. Zoals ook het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 5 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4873, heeft overwogen, kan een levenstestament niet op één lijn worden gezet met een uiterste wilsbeschikking waarvoor een speciale uitlegregel is geformuleerd in artikel 4:46 BW. Het levenstestament zoals hier aan de orde betreft een (doorlopende) volmacht, aangevuld met bepaalde aanwijzingen voor de gevolmachtigde. De volmacht betreft een eenzijdige gerichte rechtshandeling. Voor de uitleg van het levenstestament, althans voor wat betreft de vraag of sprake is van een toereikende volmacht, zoekt het hof aansluiting bij HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9243 (Varde/Harbers): ‘De vraag of een volmacht is verleend en, zo ja, met welke inhoud, dient te worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van art. 3:33 en 3:35 BW. Het komt daarbij derhalve aan, kort gezegd, op hetgeen partijen (de volmachtgever en de gevolmachtigde) over en weer hebben verklaard en over en weer uit elkaars gedragingen en verklaringen hebben mogen begrijpen, waarbij in het bijzonder van belang is de verklaring of gedraging waarbij de volmacht is verleend’. Verder is van belang dat het opstellen van een levenstestament op een bepaald moment niet uitsluit dat de volmachtgever nadien zijn of haar wensen en verlangens aanvult door middel van (stilzwijgende of uitdrukkelijke) verklaringen richting de vertrouwenspersoon en dat die wensen en verlangens een richtsnoer kunnen zijn voor het handelen van de vertrouwenspersoon.
Het hof volgt [appellant] niet in zijn uitleg. Uit het levenstestament, waarvan de relevante bepalingen zijn weergegeven in r.o. 7.1.9, volgt weliswaar dat aan [appellant] een algemene volmacht is verstrekt, maar uit de aanwijzingen in het levenstestament en diverse andere bepalingen volgt dat het de bedoeling van [persoon A] is geweest dat in zijn belang werd gehandeld en dat [appellant] terughoudend gebruik moest maken van de volmacht. Er staat in die aanwijzingen immers met zoveel woorden dat de rechtshandelingen die gevolmachtigde mag aangaan ‘in mijn belang’ (waarmee bedoeld wordt in het belang van [persoon A] ) moeten zijn. Dat wordt als zodanig ook niet weersproken door [appellant] . Verder staat onder het kopje ‘Wanneer gebruik maken van deze volmacht?’ dat [persoon A] ervan uitgaat dat [appellant] alleen dan gebruik maakt van de volmacht indien en zo lang dat gezien zijn geestelijke en/of lichamelijke toestand nodig is. Verder staat er dat, als [persoon A] naar verwachting tijdelijk ten gevolge van ziekte, afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeert zijn belangen te behartigen en/of zijn wil te bepalen, [persoon A] wil dat de gevolmachtigde zich bij het gebruik maken van de volmacht terughoudend opstelt. Daarmee wordt volgens het levenstestament bedoeld dat de gevolmachtigde zich beperkt tot rechtshandelingen die passen in de dagelijkse gang van zaken, het uitvoeren van eventuele reeds bestaande overeenkomsten en het verrichten van handelingen die geen uitstel kunnen dulden.
In het levenstestament is ook bepaald dat [appellant] rekening en verantwoording moet afleggen. Tegen het oordeel van de rechtbank dat de laatste zin onder het kopje ‘rekening en verantwoording’ in het levenstestament per abuis is blijven staan heeft [appellant] geen grief gericht, althans niet tijdig. [appellant] heeft dit in strijd met de twee-conclusie-regel tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nog ter discussie gesteld, maar dat is, nu gesteld noch gebleken is dat zich een van de uitzonderingen op die regel voordoen, te laat. Ook uit het feit dat het de wil van [persoon A] was dat rekening en verantwoording zou worden afgelegd door [appellant] , volgt dat met het levenstestament niet bedoeld was dat [appellant] volledig naar eigen inzicht en voor zijn eigen financiële behoeften geld aan het vermogen van [persoon A] kon onttrekken. Verder staat er in het levenstestament met zoveel woorden dat de gevolmachtigde ( [appellant] ) geen giften mag doen. Ook mag [appellant] geen loon aan zichzelf uitkeren.
Kortom: de bepalingen in het levenstestament wijzen er juist op dat het niet de bedoeling was van [persoon A] om [appellant] financieel te begunstigen in die zin dat [appellant] de bevoegdheid had om naar eigen inzicht en in deze omvang allerlei betalingen, uitgaven en onttrekkingen te doen ten behoeve van zichzelf (of aan hem gelieerde derden) ten koste van [persoon A] , een kwetsbare oudere man. Daarvoor bood het geen grondslag.
Ook het testament gaf [appellant] dit recht niet. Evenmin draagt de inhoud ervan bij aan de door [appellant] bepleite uitleg van het levenstestament. Een testament regelt de situatie voor na het overlijden. Een testament geeft niet het recht om bij leven alvast een voorschot te nemen op enig bedrag uit het vermogen van de toekomstige erflater. Daarbij komt dat een testament nog kan worden herroepen of worden aangepast.
De verwijzing door [appellant] naar artikel 4:59 BW waarin een bevoordelingsverbod uit uiterste willen voor bepaalde zorgverleners is opgenomen en zijn stelling dat niet te lichtvaardig mag worden aangenomen dat een erflater zijn wil niet vrij heeft kunnen bepalen of dat de begunstigde zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt, kan [appellant] ook niet baten. Niet ter discussie staat dat [persoon A] in 2015 en 2016 ten tijde van tekenen van het (levens)testament in staat was om zijn wil te bepalen. Waar het om gaat is dat het levenstestament en het testament inhoudelijk gezien geen basis bieden voor het handelen van [appellant] . Dat oordeel is op veel meer gebaseerd dan uitsluitend de afhankelijkheids- c.q. zorgrelatie tussen [appellant] en [persoon A] .
Ook de verwijzing naar het arrest van dit hof van 9 september 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:2457) kan hem niet baten. In die zaak ging het om de vraag of een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording voortvloeide uit het ongeschreven recht. In de onderhavige zaak speelt die vraag niet, omdat in het levenstestament een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording is opgenomen. Bovendien ging het in die zaak -anders dan hier- om een familierelatie.
[appellant] heeft zich er nog op beroepen dat [persoon A] steeds heeft gezegd: “Als jij voor mij zorgt, zorg ik voor jou.”. Volgens [appellant] was de afspraak dat als [appellant] [persoon A] zou verzorgen, [persoon A] als tegen prestatie zou zorgen voor de financiën van [appellant] . Dit kwam er op neer dat [persoon A] de kosten van [appellant] en eventuele door [appellant] gewenste aankopen zou betalen, waarbij door [persoon A] is aangegeven dat
het [appellant] hierbij aan niets zou ontbreken.
Ook hierin volgt het hof [appellant] niet. [appellant] heeft geen document of andere gegevens overgelegd waaruit die afspraak blijkt. De verklaringen van [persoon E] (de broer van zijn ex-echtgenote [persoon C] ), zijn dochter [persoon F] en de partner van zijn dochter, [persoon G] , waarnaar [appellant] heeft verwezen, kunnen hem ook niet baten, omdat zij niets verklaren over hetgeen tussen [appellant] en [persoon A] zou zijn afgesproken.
Ook feiten dat [persoon A] in het levenstestament geen toezichthouder heeft benoemd en dat er staat dat hij [appellant] volledig vertrouwde, vormen geen bevestiging voor een dergelijke afspraak. Het feit dat [appellant] geen giften mocht doen en hetgeen het hof hiervoor over het levenstestament heeft overwogen wijzen juist op het tegendeel.
Het hof voegt daar nog aan toe dat zelfs als deze afspraak zou hebben gegolden tussen hem en [persoon A] , dit nog geen rechtvaardiging vormt voor de grote hoeveelheid privé-uitgaven (voor onder andere hotels, restaurants, het kopen van een auto voor zichzelf en zijn toenmalige echtgenote, een Louis Vuitton-tas, diverse (luxe) aankopen winkels) van aanzienlijke omvang die onmiskenbaar enkel in het belang zijn gedaan van hemzelf of aan hem gelieerde derden niet zijnde [persoon A] .
[appellant] beroept zich er verder nog op dat [persoon A] alle uitgaven die door hem zijn gedaan heeft goedgekeurd dan wel dat [persoon A] instemde met het financiële beheer door [appellant] .
Het hof is van oordeel dat, voor zover [appellant] zich voor deze instemming baseert op het levenstestament en/of testament het, hieraan, met verwijzing naar hetgeen hiervoor is geoordeeld, voorbij gaat. Ook overigens is het hof van oordeel dat [appellant] zijn stelling niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd.
Ook uit het rapport van VT, waarnaar [appellant] verwijst, kan die instemming niet worden afgeleid. Op zich is juist dat VT het onderzoek heeft afgesloten zonder veiligheidsvoorwaarden te stellen of de situatie verder te monitoren, maar dat komt niet omdat VT geen zorgen had. VT heeft geen expliciete conclusies getrokken. De conclusie van VT was dat de zorgen over ouderenmishandeling / financieel misbruik zijn ‘weerlegd noch bevestigd’ (pagina 24 en 25). Wel constateerde VT dat [persoon A] een afhankelijkheidsrelatie had met [appellant] ( p . 24 en 25 ‘Uitkomst onderzoek’ en ‘Multidisciplinair overleg’). Omdat VT het financieel misbruik niet hard heeft kunnen maken en vanwege de weerstand bij [persoon A] kon VT niet anders dan het dossier te sluiten zonder vervolg.
Het hof acht het rapport van VT ook onvoldoende concreet om daaruit af te leiden dat [persoon A] alle uitgaven goedkeurde. Op diverse plaatsen in het rapport zijn aanknopingspunten te vinden dat [persoon A] helemaal geen weet had van de vele uitgaven en de aard daarvan. VT schrijft dat zij sterk de indruk heeft dat [persoon A] geen weet heeft van de het opvallend hoge uitgavenpatroon, maar [appellant] in bescherming neemt (pagina 25 van het rapport). Aangegeven wordt weliswaar dat hij maandelijks de bankafschriften krijgt (pagina’s 12 en 13), maar tegelijkertijd staat in het rapport dat hij slecht ziet of zelfs niks meer kan lezen (pagina 18). Aan de opmerking van [persoon A] tijdens het gesprek met VT dat hij het prima vindt dat de gemachtigde spulletjes voor eigen gebruik koopt, kan -zolang niet vast staat dat hij zich, al was het maar bij benadering, realiseerde welke uitgaven [appellant] deed- niet de waarde worden toegekend dat hij alle uitgaven goedkeurde. De huisarts heeft weliswaar tegen VT gezegd dat [persoon A] nog wilsbekwaam is, maar er staat ook dat hij het beeld dat VT heeft bevestigd, dat -zoals hiervoor is overwogen- niet zonder meer zorgeloos was. Bovendien staat er ook dat de huisarts [persoon A] voor het laatst in 2016 had gezien, dus circa vier jaar tevoren. Ook de [bank B] heeft aangegeven dat het uitgavenpatroon van [persoon A] zorg oproept (pagina 14).
Verder moet bij de afwijzende houding van [persoon A] jegens VT in ogenschouw worden genomen dat [persoon A] voor zijn verzorging en zijn in het levenstestament verwoorde wens om zo lang mogelijk op zijn boerderij te kunnen blijven wonen, volledig afhankelijk was van [appellant] . Daar komt nog bij dat [persoon A] toen hij door VT geconfronteerd werd met opvallende uitgaven ook al aangaf: “Eh, ja , wat moet ik daar aan doen?”. Daarin ligt volgens het hof juist eerder een aanwijzing dat [persoon A] het niet overal mee eens was, maar niet wist wat hij eraan zou moeten doen.
Dat het accountantskantoor geen opvallende dingen heeft gezien plaatst het voorgaande niet in een ander daglicht. Het accountantskantoor geeft ook aan dat het niet alle bankmutaties heeft gezien. Het moge zo zijn dat [persoon A] geestelijk nog (redelijk) in orde was, dit laat de afhankelijkheidsrelatie en de onwetendheid over de substantiële uitgaven door [appellant] onverlet. Die afhankelijkheid had aanleiding voor [appellant] moeten zijn om terughoudendheid te betrachten bij het gebruiken van de volmacht, zoals ook in het levenstestament was voorgeschreven. Hij mocht er niet lichtvaardig van uitgaan dat [persoon A] instemde met door [appellant] gedane uitgaven, die niet in het belang van [persoon A] waren.
Voor zover [appellant] nog zou hebben willen betogen dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld, omdat de helft van het saldo van de verkoopopbrengst van de woonboerderij naar de [bank A] -rekening is overgemaakt zodat het niet juist is dat [appellant] [persoon A] ‘volledig berooid’ heeft achtergelaten, volgt het hof hem daarin niet. Het enkele feit dat er nog een deel van de koopprijs over is, neemt het onrechtmatige karakter aan de vele substantiële uitgaven die [appellant] van de bankrekeningen van [persoon A] wel heeft gedaan voor privédoeleinden, niet weg. Bovendien is van de koopprijs wel degelijk een substantieel deel voor privédoeleinden gebruikt (zoals de aankoop van een woning voor [appellant] en een Range Rover).
[appellant] heeft nog een bewijsaanbod gedaan en daarbij onder andere aangeboden om zichzelf te horen ‘ten aanzien van de feiten’. Dat vindt het hof echter niet voldoende specifiek, zodat het hof daaraan voorbijgaat. Het verdere aanbod om de financieel adviseur ten aanzien van de totstandkoming van de leenovereenkomst te horen is niet ter zake dienend, omdat de beslissing over de leningsovereenkomst niet voorligt in hoger beroep. Het aanbod om de notaris die het levenstestament en het testament heeft verleden als getuige te horen, die zou kunnen verklaren dat het de uitdrukkelijke wil van [persoon A] was om [appellant] een algehele volmacht te verlenen en hem tot enig erfgenaam te benoemen, terwijl voor de notaris geen enkele aanleiding bestond om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van [persoon A] , passeert het hof, omdat uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de bewezenverklaring van deze feiten niet tot een ander oordeel zou kunnen leiden.
Het hof komt tot de conclusie dat [appellant] vele uitgaven, overboekingen en onttrekkingen heeft gedaan zonder daartoe bevoegd te zijn. Daarmee heeft [appellant] naar het oordeel van het hof onrechtmatig gehandeld, omdat hij misbruik heeft gemaakt van de aan hem verstrekte volmacht en daarmee misbruik heeft gemaakt van de kwetsbaarheid en afhankelijkheid van [persoon A] van hem.
De hoogte van de schade
De curator heeft in zijn akte van en productie 33 een overzicht gegeven van diverse categorieën uitgaven die door [appellant] enkel in zijn eigen belang zijn gedaan en die daarom voor zijn rekening hadden moeten komen.
[appellant] betwist geen van deze posten (gemotiveerd), met uitzondering van de post verbouwingskosten van € 158.430,78, waartegen hij bezwaar maakt. Dit betekent dat het hof ook niet aan een beoordeling van die niet betwiste posten kan toekomen. [appellant] voert nog wel aan dat rekening moet worden gehouden met kosten die [appellant] heeft gedragen ten behoeve van [persoon A] en uitgaven die [persoon A] zich heeft bespaard. Hij noemt de vele uren onbetaalde mantelzorg die [appellant] heeft verleend, waarvan de economische waarde (tegen een tarief van € 20,00 per uur) ruim € 15.000,00 zou bedragen en besparingen door het opknappen van zijn huis.
Het hof volgt [appellant] niet in zijn betoog over de kosten die [appellant] zou hebben gedragen en uitgaven die [persoon A] zich zou hebben bespaard, al was het maar omdat [appellant] niet heeft gesteld om welke kosten het gaat en hoe hoog die kosten zouden zijn, laat staat dat hij dit heeft onderbouwd.
Ook met de uren mantelzorg die [persoon A] zich zouden hebben bespaard, kan het hof geen rekening houden, al omdat in het levenstestament onder VII. ‘Overige Bepalingen’ expliciet is opgenomen dat een gevolmachtigde geen loon bij [persoon A] in rekening mag brengen. Ook overigens heeft [persoon A] op geen enkele wijze onderbouwd dat tussen [persoon A] en hem afspraken zijn gemaakt over het in rekening brengen van loon voor mantelzorg en over de hoogte daarvan.
Ten aanzien van de verbouwingskosten oordeelt het hof als volgt.
Anders dan de curator leest het hof in grief 5 wel degelijk een betwisting van de hoogte van deze schadepost. [appellant] schrijft immers dat de rechtbank ten onrechte miskent dat geen sprake is van verrijking of schade als gevolg van onrechtmatige onttrekking en dat het bedrag van € 517.401,00 volledig door, voor en met [persoon A] is afgestemd. In de toelichting bij deze grief staat vervolgens dat deze verbouwingswerkzaamheden ten behoeve van de woning van [persoon A] waren en met zijn instemming plaatsvonden, in een periode dat [persoon A] nog volledig helder was en wilsbekwaam. Volgens [appellant] had de rechtbank (onder andere) deze omstandigheden dienen te wegen bij de begroting van een eventueel terug te betalen bedrag.
Dit kan in redelijkheid niet anders worden begrepen dan dat [appellant] zich op het standpunt heeft gesteld dat het door hem te betalen (schade)bedrag in ieder geval met het bedrag ter hoogte van de verbouwingskosten lager moet uitvallen. De curator heeft ook inhoudelijk verweer gevoerd in de memorie van antwoord en ook van die gelegenheid gebruik gemaakt tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Het hof zal deze post dan ook inhoudelijk beoordelen.
Volgens de curator heeft [appellant] onvoldoende geconcretiseerd of aangetoond dat (en zo ja, welk deel van) de verbouwingskosten zijn besteed ten behoeve van de woning van [persoon A] , maar het hof ziet dat anders. De door [appellant] overgelegde nota’s van 18 oktober 2018 ter hoogte van € 18.425,00, 25 januari 2019 ter hoogte van € 16.000,00 en 16 mei 2017 ter hoogte van € 114.773,34 hebben alle betrekking op werkzaamheden aan [adres A] , waar de woonboerderij van [persoon A] was gelegen. Weliswaar woonde [appellant] ook op het terrein, maar alles behoorde in eigendom toe aan [persoon A] . Een zeer groot gefactureerd bedrag dateert uit 2017 en nadien heeft [persoon A] daar nog enkele jaren gewoond. Dat hiermee het belang van [persoon A] niet zou zijn gediend geweest volgt het hof niet. Aan de enkele -niet onderbouwde- opmerking van de curator tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep dat hij van de neef hoorde dat [persoon A] de verbouwing niet wilde, gaat het hof voorbij. Grief 5 slaagt in zoverre.
Dit betekent dat op het bedrag van € 517.401,00 waartoe de rechtbank [appellant] heeft veroordeeld, een bedrag van € 158.430,78 in mindering strekt, zodat het totaal uitkomt op € 358.970,22, naast het bedrag van € 162.963,38.
Dit is minder dan waartoe de rechtbank [appellant] heeft veroordeeld. Dat betekent dat het hof ook de in eerste aanleg door de curator naar voren gebrachte -en door de rechtbank onbesproken gelaten- grondslagen moet beoordelen, te weten ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft geoordeeld ten aanzien van de verbouwingskosten vloeit echter voort dat [appellant] ten aanzien van deze kosten niet ongerechtvaardigd is verrijkt en dat deze ook niet onverschuldigd zijn betaald door [persoon A] . De verbouwingskosten zijn daarom ook niet op deze grondslagen toewijsbaar.
Eisvermeerdering van de curator en nieuwe verweer van [appellant]
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] voor het eerst gesteld dat verkoopopbrengst van zijn executoriaal verkochte woning voor zover het betreft de waardestijging van € 116.000,00 (de verkoopopbrengst van € 480.036,00 -/- het nominale bedrag ter zake de vernietigde leningsovereenkomst van € 364.000,00) hem toekomt. Het hof begrijpt dit aldus dat dit bedrag in mindering zou moeten strekken op het bedrag waartoe [appellant] veroordeeld wordt.
De curator heeft ter zitting inhoudelijk verweer gevoerd en geen bezwaar gemaakt tegen het tijdstip waarop dit verweer naar voren is gebracht. Het hof gaat echter op inhoudelijke gronden aan dit verweer voorbij. [appellant] heeft namelijk, gelet op de gemotiveerde betwisting door de curator niet onderbouwd waarom de meerwaarde van de woning aan hem zou toekomen.
De curator heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep voor het eerst het standpunt ingenomen dat, als het hof van oordeel is dat het bedrag van € 158.430,78 ter zake de verbouwingskosten alsnog niet toewijsbaar is, de courtage-kosten van [persoon H] van € 38.720,00 en de beheerkosten ad € 3.005,73 vermeld op de concept-afrekennota ter zake de verkoop van de woonboerderij voor rekening van [appellant] moeten komen. In totaal gaat het dan om een bedrag van € 41.725,73.
Het hof gaat aan deze stelling van de curator voorbij vanwege strijd met de in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel. [appellant] heeft daar bezwaar tegen gemaakt en er niet ondubbelzinnig mee ingestemd dat het debat in deze zin wordt uitgebreid. Overigens is het hof van oordeel dat de curator voor wat betreft de courtage- en beheerkosten niet voldoende heeft toegelicht waarom deze, nu de woonboerderij is verkocht, niet ten behoeve van [persoon A] zijn gemaakt. Volgens het levenstestament was [appellant] bevoegd de woonboerderij te verkopen zodra [persoon A] zijn intrek zou nemen in een verpleeg- of verzorgingsinstelling en gelet op de verkoopprijs van € 1.600.000,00 acht het hof de in rekening gebracht kosten van [persoon H] niet ongebruikelijk of onredelijk.
Matiging
[appellant] heeft nog een beroep op matiging gedaan op grond van artikel 6:109 BW dan wel de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 BW) .
In artikel 6:109 lid 1 BW staat dat als toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, de rechter een wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1384) volgt dat deze bepaling moet worden beschouwd als een bijzondere toepassing van de regeling van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de artikelen 6:2 BW en 6:248 lid 2 BW. De in artikel 6:109 BW neergelegde maatstaf, die tot voorzichtigheid en objectivering van inzicht noodzaakt, noopt de rechter ertoe met terughoudendheid gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een wettelijke verplichting tot schadevergoeding te matigen. Artikel 6:109 lid 1 BW laat het oordeel over matiging geheel aan de rechter over, waarbij hij alle omstandigheden van het geval zal moeten bezien. Bij de omstandigheden die in de bepaling zijn genoemd en in het bijzonder van belang kunnen zijn, en bij de niet in de wettekst vermelde omstandigheden, gaat het om een afweging van de belangen die aan de zijde van beide partijen bestaan.
[appellant] heeft in verband met zijn beroep op matiging in de memorie van grieven gesteld dat rekening moet worden gehouden met verrekening met kosten en besparingen en dat het netto-voordeel voor [appellant] nihil is. Het hof is van oordeel dat [appellant] , bij gebreke van betwisting van de schadeposten en gelet op het hiervoor in r.o. 7.5.3 verworpen beroep op verrekening van door de [appellant] gestelde economische waarde van verleende zorg en besparingen, hiermee onvoldoende heeft toegelicht waarom onverkorte toewijzing van de vordering tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden.
In zijn spreekaantekeningen bij de mondelinge behandeling in hoger beroep werkt [appellant] dit nog verder uit. Nu de curator geen bezwaar hiertegen heeft gemaakt en inhoudelijk heeft gereageerd op deze spreekaantekeningen, leidt het hof hieruit af dat de curator ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat deze standpunten alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep worden betrokken.
De stellingen van [appellant] geven het hof echter geen aanleiding tot matiging. Ten aanzien van de rechtsverhouding waarop [appellant] zich beroept inhoudende “Als jij voor mij zorgt, zorg ik voor jou”, is hiervoor al geoordeeld dat deze niet is komen vast te staan, terwijl ten aanzien van de rechtsverhouding die wel tussen partijen gold, is geoordeeld dat misbruik is gemaakt van die rechtsverhouding en de afhankelijkheid en kwetsbaarheid van [persoon A] . Het gaat hier om het structureel jarenlang doen van (substantiële) uitgaven waardoor het vermogen van [persoon A] met de vastgestelde schadebedragen van € 521.933,60 (namelijk € 358.970,22 + € 162.963,38) is afgenomen, naast het in deze zaak niet meer aan de orde zijnde bedrag ter zake de vernietigde geldlening die [appellant] met vervalsing van de handtekening van [persoon A] had gesloten met zichzelf ten behoeve van de aankoop voor een woning voor hem, vrij van hypotheek. Het hof merkt op dat [appellant] van de koopsom van de boerderij ook een Range Rover Sport uit 2022 heeft aangeschaft voor zichzelf. Onder deze omstandigheden en gelet op de terughoudendheid bij gebruikmaking van de bevoegdheid tot matiging, ziet het hof geen aanleiding voor matiging. De omstandigheden dat [appellant] geen woning, inkomen en vermogen heeft en dakloos zou zijn, leiden niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat [appellant] dit niet heeft onderbouwd, heeft [appellant] niet toegelicht waarom hij niet zou kunnen werken en in redelijkheid een inkomen zou kunnen genereren. Verder geldt dat de situatie waarin hij zich bevindt ook -en voornamelijk- de consequentie is van zijn eigen keuzes.
Het hof verwerpt het beroep op matiging.
Geen schending artikel 21 Rv
[appellant] heeft met zijn grief 6 nog gesteld dat de curator op meerdere onderdelen artikel 21 Rv heeft geschonden. Hij verzoekt het hof om, de feiten zoals gepresenteerd door de curator kritisch opnieuw te wegen en daaraan geen doorslaggevend gewicht toe te kennen. De gestelde schendingen zien op:
-
de verklaring van de curator op 20 december 2023 aan de rechtbank dat er geen levenstestament bestaat in het dossier van [persoon A] ;
-
de suggestie dat de verkoopopbrengst van de boerderij van [persoon A] zou zijn verdwenen of verduisterd door [appellant] ;
-
het niet verstrekken van het rapport van VT, en
-
het door de curator geschetste beeld dat [persoon A] in een verwaarloosde toestand verkeerde in het verzorgingstehuis, dat zijn koelkast leeg was en zijn kleding vuil.
De grief slaagt niet, althans kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.
Uit niets blijkt dat de curator op 20 december 2023 al bekend was met het bestaan van het levenstestament of vóór de memorie van grieven met het rapport van VT. Een schending van artikel 21 Rv kan alleen daarom niet worden aangenomen. Dat in het rapport van VT in 2020 staat dat VT [persoon A] niet verwaarloosd achtte, sluit niet uit dat de curator hem in 2023 wel aantrof met kledingstukken die niet meer pasten en een vrijwel lege koelkast en dat de verpleging aangaf dat zijn kledingkast vrijwel leeg was.
Overigens heeft het hof, zoals blijkt uit het voorgaande -evenals de rechtbank- bij de beoordeling rekening gehouden met het bestaan van het levenstestament. Ook heeft het hof het rapport van VT en de aflosnota meegenomen in de beoordeling. Dit heeft enkel ten aanzien van de verbouwingskosten tot een ander oordeel geleid.
Conclusie
De conclusie is dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, behalve voor zover het de toegewezen verbouwingskosten betreft. Voor de duidelijkheid voegt het hof hieraan toe dat hieruit voortvloeit dat ook de buitengerechtelijke incassokosten en de beslagkosten terecht zijn toegewezen en dat het vonnis ook op die onderdelen bekrachtigd moet worden. Tegen de toewijzing en de hoogte daarvan is bovendien geen grief gericht.
[appellant] heeft in hoger beroep gevorderd de curator te veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die [appellant] op grond van het vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met rente. Het hof ziet geen aanleiding om deze vordering toe te wijzen, nu gesteld noch gebleken is dat [appellant] meer heeft voldaan dan hetgeen uit hoofde van dit hoger beroep verschuldigd is. Mocht dit wel het geval zijn, laat dit onverlet dat [appellant] in dat geval het teveel betaalde onverschuldigd heeft voldaan.
Proceskosten
Het hof is van oordeel [appellant] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties moet worden veroordeeld. Omdat het hof in hoger beroep tot een lager door [appellant] te betalen bedrag uitkomt dan de rechtbank in eerste aanleg, ziet het aanleiding om een lager liquidatietarief te hanteren dan in eerste aanleg, te weten tarief VII van € 3.502,00 per punt in plaats van het door de rechtbank gehanteerde tarief van € 4.357,00. Dit betekent dat het hof de proceskostenveroordeling in 4.6 zal vernietigen en zal oordelen dat [appellant] € 11.741,97 verschuldigd is. Dit bedrag van € 11.741,97 is als volgt opgebouwd:
Kosten dagvaarding € 135,97
Griffierecht € 2.712,00
Salaris advocaat/gemachtigde € 8.755,00 (2,5 punten x tarief VII)
Nakosten € 139,00
Totaal € 11.741,97
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de curator zullen vastgesteld worden op:
Griffierechten € 2.129,00
Salaris advocaat hoger beroep € 16.857,00 (3 punt(en) x tarief VII)
Nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 19.175,00
De wettelijke rente over de proceskosten worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
8De beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis van 26 maart 2025, gewezen tussen de curator en [appellant] (met zaaknummer C/01/401019 / HA ZA 24-92) doch uitsluitend voor zover het betreft de veroordelingen van [appellant] in r.o. 4.3 (de veroordeling tot betaling van
€ 517.401,00 te vermeerderen met wettelijke rente) en r.o. 4.6 (de veroordeling tot betaling van de proceskosten van € 13.879,47),
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellant] om aan de curator te betalen een bedrag van € 358.970,22,
te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag der
dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van de eerste aanleg van € 11.741,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
bekrachtigt het onder 8.1. genoemde vonnis van 26 maart 2025 voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep van € 19.175,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 98,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [appellant] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten in hoger beroep als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.J. Korthuis-Becks, J.J.M. van Lanen en T.J. Mellema-Kranenburg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 juni 2026.
griffier rolraadsheer
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
