Terug naar de uitspraak

Rechtbank Midden-Nederland 27-05-2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3772

Datum publicatie30-06-2026
ZaaknummerC/16/591109 / BE ZA 25-20
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenErfrecht. Verdeling. Opzettelijk verzwijgen ex art. 3:194 lid 2 BW. Familieprocesrecht. Bewijsrecht. Verjaring / rechtsverwerking
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Erfrecht. De rechtbank oordeelt dat de zoon van erflaatster onrechtmatig geld aan het vermogen van erflaatster heeft onttrokken, zowel voor haar overlijden als daarna. De zoon heeft hiermee onrechtmatig gehandeld en moet daarom de schade aan de nalatenschap vergoeden. Omdat hij het bestaan van de schadevergoedingsvordering heeft verzwegen, heeft hij zijn aandeel daarin verbeurd.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Midden-Nederland

Toezicht, Bureau Erfrecht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/591109 / BE ZA 25-20

Vonnis van 27 mei 2026

in de zaak van

1 [eiseres] ,

wonende in [woonplaats 1] ,

hierna: [eiseres] ,
2. [eiser],

wonende in [woonplaats 2] ,

hierna: [eiser] ,

eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna samen te noemen: eisers,

advocaat: mr. N.C. Bouman-de Vos,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende in [woonplaats 3] ,

hierna: [gedaagde 1] ,

gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

advocaat: mr. J.P. den Besten,
2. [gedaagde 2],

wonende in [woonplaats 3] ,

hierna: [gedaagde 2] ,

gedaagde in conventie,

advocaat: mr. C. Waanders.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 17;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] met producties 1 t/m 6;

- de conclusie van antwoord met eis in reconventie van [gedaagde 1] met producties 1 t/m 4;

- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 18 t/m 26;

- de akte overleggen producties van [eiseres] en [eiser] met beter leesbare producties 20 en 22.

1.2.

De mondelinge behandeling (zitting) heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026. Hierbij waren partijen samen met hun advocaten aanwezig. Partijen hebben hun standpunten verder toegelicht en vragen beantwoord van de rechtbank. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De kern van de zaak

2.1.

Op [datum overlijden 1] 2022 is mevrouw [erflaatster] overleden (hierna: erflaatster). Zij was getrouwd met de heer [erflater] . Hij is overleden op [datum overlijden 2] 1991. Samen hadden zij drie kinderen. Dit zijn [eiseres] , [eiser] en [gedaagde 1] . [gedaagde 2] is de zoon van [gedaagde 1] .

2.2.

Erflaatster heeft voor het laatst een testament gemaakt op 8 november 2017. Hierin heeft zij haar kinderen voor gelijke delen tot haar erfgenamen benoemd. Zij hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. Erflaatster heeft in haar testament verder [gedaagde 1] aangewezen tot executeur van haar nalatenschap. Hij heeft deze benoeming aanvaard.

2.3.

[gedaagde 1] had vanaf februari 2016 een gemachtigdenpas van de bankrekening van erflaatster. Hij hielp erflaatster sindsdien met haar geldzaken.

2.4.

Na het overlijden van erflaatster is tussen partijen een geschil ontstaan over de afwikkeling van haar nalatenschap. Volgens eisers moet [gedaagde 1] rekening en verantwoording afleggen over het beheer dat hij tussen 1 januari 2017 en de dag van dagvaarding over de bankrekeningen van erflaatster heeft gevoerd. Daarnaast menen eisers dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de periode tussen 1 januari 2017 en de dag van dagvaarding onrechtmatig geld hebben onttrokken aan het vermogen van erflaatster. Dit is het belangrijkste discussiepunt in deze procedure. Eisers stellen dat [gedaagde 1] een bedrag van in totaal € 211.411,05 aan het vermogen van erflaatster heeft onttrokken. Een deel van deze onttrekkingen is volgens hen mede “toe te rekenen” aan [gedaagde 2] , namelijk een bedrag van € 137.327,70.

2.5.

Eisers stellen een groot aantal vorderingen in, die zijn weergegeven in de bijlage van dit vonnis. Als de rechtbank hierin een logische volgorde aanbrengt en de vorderingen samenvat, dan komt het op het volgende neer. Eisers vorderen allereerst dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld om rekening en verantwoording af te leggen ten aanzien van de bankrekeningen van erflaatster over de periode 1 januari 2017 tot de dag van dagvaarding en het bedrag dat blijkens die rekening en verantwoording aan de nalatenschap toekomt, aan de nalatenschap te voldoen. Subsidiair vorderen zij dat de rechtbank [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 211,411,05 (althans in het geval van [gedaagde 2] een bedrag van

€ 137.327,70) aan hen samen, althans vaststelt dat zij dit bedrag aan de nalatenschap verschuldigd zijn. In het geval de rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een schuld hebben aan de nalatenschap, vorderen eisers dat de rechtbank de verdeling van de nalatenschap vaststelt, daarbij bepaalt dat [gedaagde 1] zijn aandeel in de nalatenschap heeft verbeurd en [gedaagde 1] veroordeelt het bedrag van € 211.411,05 aan hen samen te betalen. Tot slot vorderen eisers (meer subsidiair, zo begrijpt de rechtbank) dat de rechtbank de legitieme porties van eisers vaststelt op een bedrag van € 35.235,18 en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om dit bedrag aan eisers te voldoen. Om hun verhaalsrecht ten aanzien van deze vorderingen veilig te stellen, hebben eisers conservatoir beslag gelegd op een bankrekening en twee auto’s van [gedaagde 1] .

2.6.

[gedaagde 1] vindt dat hij geen rekening en verantwoording hoeft af te leggen. Hij erkent dat hij in totaal een bedrag van € 203.707,95 heeft ontvangen van erflaatster. De bedragen die hij in de periode vóór het overlijden van erflaatster heeft ontvangen, heeft erflaatster volgens [gedaagde 1] aan hem geschonken. Hij meent dat hij dit bedrag daarom niet hoeft terug te betalen. Voor de onttrekkingen die hebben plaatsgevonden na het overlijden van erflaatster ligt dit anders. [gedaagde 1] erkent dat hij deze bedragen niet aan de nalatenschap van erflaatster had mogen onttrekken. [gedaagde 1] vordert in reconventie opheffing van het door eisers gelegde beslag.

2.7.

Anders dan [gedaagde 1] stelt [gedaagde 2] dat hij helemaal geen geld aan de nalatenschap heeft onttrokken. [gedaagde 2] ziet daarom geen reden om hem te veroordelen tot betaling van welk bedrag dan ook.

2.8.

De rechtbank zal in dit vonnis vaststellen dat [gedaagde 1] een bedrag van € 191.979,35 aan de nalatenschap heeft onttrokken. Hij heeft hierdoor onrechtmatig gehandeld en moet dit bedrag aan de nalatenschap vergoeden. Omdat [gedaagde 1] het bestaan van deze vordering van de nalatenschap op hem heeft verzwegen, heeft hij zijn aandeel in deze vordering verbeurd. Dit brengt mee dat [gedaagde 1] zal worden veroordeeld om aan zowel [eiseres] als [eiser] een bedrag van

€ 95.989,67 te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente. Voor zover de vorderingen zijn gericht tegen [gedaagde 2] , zullen deze worden afgewezen.

3De beoordeling

In conventie

Ontvankelijkheid eisers

3.1.

[gedaagde 2] heeft gesteld dat eisers niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, omdat niet vast staat dat de executele is geëindigd. Eisers kunnen volgens hem daarom geen vorderingen instellen namens de nalatenschap. [gedaagde 1] heeft tijdens de zitting echter verklaard dat de executele wel degelijk is geëindigd. [gedaagde 2] heeft dit vervolgens erkend, zodat dit geen punt van discussie meer is.

Rekening en verantwoording

3.2.

[eiseres] en [eiser] vorderen dat de rechtbank [gedaagde 1] veroordeelt tot het afleggen van rekening en verantwoording over het beheer van de bankrekeningen van erflaatster in de periode van 1 januari 2017 tot de dag van dagvaarding. De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

3.3.

[eiseres] en [eiser] hebben de bankafschriften van erflaatster van de periode voor haar overlijden bestudeerd. Zij stellen op basis daarvan dat een bedrag van € 135.027,96 ten goede is gekomen aan [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] . Het gaat om overboekingen van de rekening van erflaatster naar [gedaagde 1] , opnames van contant geld en uitgaves die volgens hen niet passen bij het uitgavenpatroon van erflaatster, maar wel bij dat van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . [gedaagde 1] heeft zoals vermeld erkend dat dit geldbedrag inderdaad (grotendeels) aan hem ten goede is gekomen. Eisers hebben daarmee duidelijkheid gekregen over het vermogensverloop van erflaatster in de periode voor haar overlijden, zodat zij geen belang meer hebben bij de door hen gevorderde rekening en verantwoording (wat er van de grondslag van die vordering verder ook zij). Het geschil gaat nu nog over de vraag of de onttrekkingen ook (deels) door [gedaagde 2] zijn gedaan en of [gedaagde 1] recht had op de bedragen die hij heeft ontvangen. Daarover geeft een rekening en verantwoording geen uitsluitsel.

3.4.

Voor wat betreft de periode na het overlijden van erflaatster komt de rechtbank tot dezelfde conclusie. [gedaagde 1] heeft na het overlijden van erflaatster als executeur haar financiën beheerd. [gedaagde 1] heeft toen (zoals hierna in 3.32 e.v. zal blijken) verschillende nalatenschapsschulden voldaan en het bedrag dat daarna ter verdeling resteerde, volledig voor zichzelf besteed. Er bestaat kortom ook geen onduidelijkheid meer over het vermogensverloop van erflaatster na haar overlijden, zodat eisers ook geen belang hebben bij rekening en verantwoording over deze periode.

3.5.

Volgens eisers moet [gedaagde 1] toch veroordeeld worden tot het afleggen van rekening en verantwoording over de periode na het overlijden van erflaatster, omdat onbekend is waaraan [gedaagde 1] het geld dat hij heeft onttrokken heeft besteed. Zij benadrukken dat dit van belang is voor hun verhaalsmogelijkheden. De rechtbank begrijpt hieruit dat eisers willen dat [gedaagde 1] aan de hand van een rekening en verantwoording inzicht geeft in zijn eigen uitgaves na het overlijden van erflaatster, maar daarvoor ontbreekt een grondslag. Een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording bestaat immers alleen als dit voortvloeit uit de wet, een overeenkomst of het ongeschreven recht. In dat laatste geval moet altijd sprake zijn van beheer. De persoon wiens vermogen werd beheerd kan onder bepaalde omstandigheden aan degene die het beheer voerde, vragen om rekening en verantwoording. Die situatie doet zich hier niet voor.

3.6.

Het voorgaande betekent overigens niet dat een schuldenaar een schuldeiser helemaal niet hoeft te informeren over diens verhaalsmogelijkheden. Een schuldenaar is wel verplicht om een schuldeiser die een vordering tot betaling van een geldsom op hem heeft, inlichtingen te geven over zijn inkomens- en vermogenspositie en de voor verhaal vatbare goederen. 1 Maar om deze informatie hebben eisers niet gevraagd.

3.7.

De rechtbank zal de vordering van eisers tot het afleggen van rekening en verantwoording gezien het voorgaande afwijzen.

De onttrokken bedragen

3.8.

Zoals gezegd stellen eisers dat [gedaagde 1] tussen 1 januari 2017 en de dag van dagvaarding in totaal een bedrag van € 211.411,05 aan het vermogen van erflaatster heeft onttrokken. Volgens hen is een deel van die onttrekkingen mede “toe te rekenen aan” [gedaagde 2] , namelijk voor een bedrag van € 137.327,70. De rechtbank begrijpt dat eisers met dit laatste bedoelen dat [gedaagde 2] dit bedrag zelf heeft onttrokken, althans voor dit bedrag (bewust) van de onttrekkingen door [gedaagde 1] heeft geprofiteerd. Zij vorderen terugbetaling van die bedragen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Zij baseren hun vordering primair op onrechtmatige daad.

3.9.

De rechtbank zal bij de beoordeling van deze vordering eerst ingaan op de rol van [gedaagde 1] bij het voorgaande. Daarbij zal de rechtbank onderscheid maken tussen de periode voor het overlijden van erflaatster en de periode daarna. Daarna komt de rol van [gedaagde 2] aan bod.

Heeft [gedaagde 1] voor het overlijden van erflaatster geld aan haar vermogen onttrokken?

3.10.

Tussen eisers en [gedaagde 1] staat vast dat [gedaagde 1] voor het overlijden van erflaatster geld uit haar vermogen heeft ontvangen. Zij verschillen echter van mening over de omvang van het totale bedrag (zie hierna 3.26 e.v.) en belangrijker nog, of er voor deze vermogensverschuiving een grond bestond. Volgens eisers is dat niet het geval en gaat het om onrechtmatige onttrekkingen. [gedaagde 1] stelt daarentegen dat erflaatster hem de bedragen in kwestie heeft geschonken.

De bewijslastverdeling

3.11.

Omdat eisers zich beroepen op de rechtsgevolgen van onrechtmatige daad dragen zij volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast van de stelling dat sprake is van onrechtmatige onttrekkingen (en dus niet van schenkingen, zoals [gedaagde 1] stelt). De rechtbank ziet in deze zaak echter reden om de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid om te keren. Dit betekent dat [gedaagde 1] de bewijslast draagt van de stelling dat sprake is van schenkingen. De rechtbank zal daarom hoge eisen stellen aan zijn stelplicht. De rechtbank ziet hier reden voor omdat de te bewijzen (en in eerste instantie dus: te stellen) feiten en omstandigheden vrijwel volledig in het domein van [gedaagde 1] liggen. Het staat namelijk vast dat [gedaagde 1] vanaf februari 2016 een gemachtigdenpas had van de rekeningen van erflaatster en haar sindsdien hielp met haar financiën. Eisers waren daarentegen niet op de hoogte van de financiën van erflaatster. Zij hebben ook niet met erflaatster over haar geldzaken en/of de schenkingen gesproken, omdat erflaatster daarvoor volgens hen te verward was. Dit terwijl [gedaagde 1] naar eigen zeggen juist bijna dagelijks met erflaatster over haar financiën sprak. Ook stelt [gedaagde 1] dat hij erflaatster in de periode waarin de schenkingen zijn gedaan meestal drie tot vier keer per week zag en dat zij dagelijks telefonisch contact hadden. [eiser] en [eiseres] zagen erflaatster toen wat minder. [eiser] zag erflaatster ongeveer een keer per maand en [eiseres] zag haar meestal een keer in de twee weken, zo hebben zij tijdens de zitting verklaard. Eisers zouden gelet hierop naar het oordeel van de rechtbank in een onredelijk zware bewijspositie worden gebracht, als zij moesten bewijzen dat van schenkingen geen sprake is geweest.

De geestestoestand van erflaatster

3.12.

De vermogensverschuivingen vonden zoals vermeld plaats tussen 1 januari 2017 en het overlijden van erflaatster. Het is voor de beoordeling van de vraag of [gedaagde 1] voldoende heeft onderbouwd dat sprake was van schenkingen, allereerst van belang dat wordt vastgesteld of erflaatster in staat was om schenkingen aan [gedaagde 1] te doen en om de gevolgen daarvan te overzien.

3.13.

Tussen partijen staat ter discussie of erflaatster in de genoemde periode dement was. Volgens [gedaagde 1] was erflaatster met vlagen verward, had zij slechte momenten en viel zij soms ook wel in herhaling tijdens gesprekken, maar leed zij niet aan dementie. Dat is volgens hem ook niet door een arts vastgesteld. Hij wijst erop dat erflaatster in maart 2017 is opgenomen in [locatie] in [plaats 1] , omdat zij leed aan de ziekte van Strümpell. Hierdoor had zij veel fysieke klachten en was zij gebonden aan een rolstoel. Omdat van dementie geen sprake was, verbleef erflaatster daar op een open afdeling. [gedaagde 1] wijst er verder op dat erflaatster in 2018 nog haar woning heeft verkocht. De notaris achtte haar op dat moment kennelijk nog in staat om de gevolgen daarvan te overzien. [gedaagde 1] stelt verder dat hij in de periode waarover het gaat veel contact had met erflaatster. Hij ging drie tot vier keer per week bij haar langs en zij hadden dagelijks telefonisch contact. Hij heeft zelf in die periode geen (grote) geestelijke achteruitgang waargenomen, aldus [gedaagde 1] .

3.14.

Eisers hebben een heel ander beeld van de geestestoestand van erflaatster dan [gedaagde 1] . Volgens hen was erflaatster wel degelijk dement. Zij wijzen erop dat dit een van de mogelijke symptomen is van de ziekte van Strümpell waaraan erflaatster leed. Uit het feit dat erflaatster op een open afdeling van [locatie] verbleef, kan volgens hen niet worden afgeleid dat van dementie geen sprake was. Volgens hen was erflaatster daar opgenomen, omdat er geen gevaar voor weglopen bestond. Erflaatster was immers aan haar rolstoel gebonden. Dat erflaatster dement was hebben [eiseres] en [eiser] zelf ervaren. Zo stelt [eiseres] dat zij erflaatster in de tijd dat zij gemachtigd was tot haar bankrekening (dat was tot februari 2016) elk weekend hielp met haar boodschappen. Het viel haar toen al op dat erflaatster vaak producten op haar boodschappenlijstje zette waarvan zij er nog meerdere in huis had. Ook trof [eiseres] regelmatig beschimmeld eten aan in haar koelkast. Toen [gedaagde 1] haar bankmachtiging beëindigde, bleef [eiseres] erflaatster regelmatig bezoeken, ook toen erflaatster in [locatie] woonde. Zij ging meestal eens in de twee weken langs. Volgens [eiseres] keek erflaatster in die periode leeg uit haar ogen, was het lastig om gesprekken met haar te voeren en vergat zij regelmatig haar pincode als zij samen naar de winkel gingen. [eiser] bezocht zijn moeder tussen 1 januari 2017 en haar overlijden maandelijks en heeft daarover verteld dat erflaatster niets meer kon onthouden, gesprekken met haar voeren lastig was en zij vaak niet meer wist wie hij was. Ook uit WhatsAppberichten van de dochter van [eiseres] aan een vriendin blijkt volgens eisers dat erflaatster begin november 2015 al “niets meer wist”. Zij wijzen erop dat in deze berichten zelfs staat dat het in februari 2017 zo slecht ging met erflaatster dat de familie afscheid van haar moest nemen.

3.15.

De rechtbank constateert dat partijen een andere beleving hebben van de geestelijke toestand van erflaatster tussen 1 januari 2017 en haar overlijden. Eisers en [gedaagde 1] zijn het er wel over eens dat zij toen (op zijn minst) met vlagen verward en vergeetachtig was. De rechtbank gaat er voor de verdere beoordeling dan ook van uit dat erflaatster (in ieder geval) soms verward en vergeetachtig was in de periode waarin de vermogensverschuivingen naar [gedaagde 1] plaatsvonden.

Is er sprake van schenkingen?

3.16.

Volgens [gedaagde 1] zijn alle vermogensverschuivingen van erflaatster naar hem schenkingen geweest. [gedaagde 1] heeft tijdens de zitting verklaard dat erflaatster hiermee is begonnen omdat hij in de rats zat; hij had schulden. Dat heeft hij met erflaatster besproken en toen heeft erflaatster tegen hem gezegd dat hij haar bankpas mocht gebruiken. Erflaatster zei daarover volgens [gedaagde 1] : “Maak het maar op” en “Doe er maar mee wat je ermee moet doen”. Erflaatster wilde het geld liever aan hem geven dan aan haar andere twee kinderen, omdat zij het hem meer gunde. Hij was haar ‘moederskindje’, zo stelt [gedaagde 1] . Daarnaast wijst [gedaagde 1] erop dat erflaatster altijd vooraf of achteraf met de schenkingen heeft ingestemd. Zo heeft [gedaagde 1] in 2019 een groot aantal keer een bedrag van € 1.000,- aan contant geld opgenomen van de rekening van erflaatster. [gedaagde 1] stelt dat hij over dit soort grotere uitgaven altijd vooraf overleg had met erflaatster. Over de kleinere uitgaven, zoals pinopnames bij tankstations en etentjes bij restaurants, had hij altijd achteraf overleg met haar. [gedaagde 1] stelt verder dat erflaatster tot op het laatst op de hoogte was van haar financiën. Volgens hem bespraken zij samen haar uitgaven aan de hand van haar bankafschriften die [gedaagde 1] op zijn telefoon aan haar liet zien. Dit deden zij zo’n drie tot vier keer per week als zij koffie gingen drinken in het restaurant van het verpleeghuis waar erflaatster woonde. Erflaatster vroeg volgens [gedaagde 1] wel eens waar een bepaalde uitgave voor was en dan legde hij dit uit, maar zij vond eigenlijk altijd alles goed. [gedaagde 1] benadrukt dat erflaatster de gevolgen van dit alles kon overzien, want zij was niet dement.

3.17.

De rechtbank is het met eisers eens dat deze stellingen van [gedaagde 1] om verschillende redenen ongeloofwaardig zijn. Dat zal hierna worden toegelicht.

3.18.

Volgens [gedaagde 1] is de reden voor de schenkingen aan hem gelegen in het feit dat hij schulden had en erflaatster hem hiermee wilde helpen. Het had op zijn weg gelegen om deze stelling te onderbouwen, maar dat heeft hij niet gedaan. Zo is onduidelijk gebleven waarom [gedaagde 1] schulden had en hoe hoog zijn schulden waren. Ook is onduidelijk gebleven wanneer het gesprek hierover met erflaatster heeft plaatsgevonden en wat er precies is besproken, ondanks gerichte vragen hierover tijdens de zitting.

3.19.

Daarnaast heeft [gedaagde 1] tegenstrijdige stellingen ingenomen. [gedaagde 1] stelt in feite dat erflaatster hem een vrijbrief gaf om haar geld uit te geven. Erflaatster zou volgens [gedaagde 1] immers hebben gezegd dat hij haar geld mocht opmaken en ermee mocht doen wat hij wilde. In dat licht is het niet voorstelbaar dat erflaatster wel met iedere uitgave vooraf of achteraf zou hebben ingestemd, zoals [gedaagde 1] ook stelt. Maar los gezien van het feit dat deze stellingen zich niet logisch tot elkaar verhouden, acht de rechtbank ieder van deze stellingen om verschillende redenen onaannemelijk.

3.20.

Voor wat betreft de stelling van [gedaagde 1] dat hij een soort vrijbrief had, is van belang dat eisers hebben gesteld dat erflaatster erg zuinig was. Zij gaf niet meer geld uit dan nodig en probeerde zelfs nog te sparen van het geld dat zij ontving uit haar kleine AOW en pensioen. [eiser] heeft in dit verband gezegd dat hij nog geen € 100,- van erflaatster kon lenen; erflaatster “zat er bovenop”. [gedaagde 1] heeft dit alles niet weersproken. Het uitgavenpatroon van erflaatster veranderde volgens eisers drastisch toen [gedaagde 1] haar ging helpen met haar financiën. [gedaagde 1] heeft vanaf dat moment meer dan een ton van erflaatster ontvangen en van sparen was geen sprake meer. Volgens [gedaagde 1] is deze breuk in het uitgavenpatroon van erflaatster te verklaren door de verkoop van haar woning waarmee in een keer veel geld vrijkwam, maar dit vindt de rechtbank niet geloofwaardig. Erflaatster had toen weliswaar meer geld tot haar beschikking, maar het verschil in haar uitgavenpatroon is zo groot dat het onaannemelijk is dat het is gegaan zoals [gedaagde 1] stelt.

3.21.

Het voorgaande geldt te meer nu erflaatster naast [gedaagde 1] nog twee kinderen had die ook haar erfgenamen zijn. [gedaagde 1] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij dit ook wist. Eisers hebben in dat verband onweersproken gesteld dat zij een goede band hadden met erflaatster en dat zij haar regelmatig bezochten (zie ook 3.14). Gelet daarop is het niet goed voorstelbaar dat erflaatster nagenoeg haar hele vermogen wilde schenken aan [gedaagde 1] en bijna niets wilde nalaten aan haar andere twee kinderen, om de enkele reden dat zij het [gedaagde 1] meer gunde (wat eisers overigens hebben betwist). Kortom, de stelling van [gedaagde 1] dat hij een vrijbrief had om met het vermogen van erflaatster te doen wat hij wilde, vraagt gelet op het voorgaande om meer uitleg dan hij heeft gegeven.

3.22.

Dat erflaatster met iedere uitgave vooraf of achteraf heeft ingestemd, acht de rechtbank ook niet geloofwaardig. Vast staat dat erflaatster haar bankafschriften zelf niet kon inzien. Zij kon haar bankafschriften alleen bekijken op de telefoon van [gedaagde 1] . Het is moeilijk voorstelbaar dat erflaatster en [gedaagde 1] drie tot vier keer per week met elkaar deze online bankafschriften doornamen en erflaatster dan haar toestemming voor iedere uitgave gaf. Niet alleen zou dit betekenen dat erflaatster en [gedaagde 1] het dan vrijwel altijd over geld hebben gehad, maar het zou ook in tegenspraak zijn met wat partijen tijdens de zitting over het niveau van de gesprekken met erflaatster hebben verklaard. Zoals vermeld, hebben eisers gezegd dat echte gesprekken met haar niet goed te voeren waren en heeft [gedaagde 1] gezegd dat zij slechte momenten had en tijdens gesprekken soms in herhaling viel. Maar ook als het klopt dat erflaatster telkens instemde met de uitgaven zoals [gedaagde 1] beweert, heeft dit naar het oordeel van de rechtbank nog weinig betekenis. Tijdens de zitting heeft [gedaagde 1] namelijk na vragen daarover van de rechtbank verklaard dat het zou kunnen dat erflaatster altijd instemde met de uitgaven, omdat zij het niet meer zo goed begreep. Dat is in lijn met wat de rechtbank hiervoor in 3.15 heeft vastgesteld, namelijk dat erflaatster met vlagen verward en vergeetachtig was. Het sluit ook aan bij wat [eiseres] en [eiser] hierover hebben verklaard. Zij stellen dat zij niet meer bij erflaatster informeerden naar haar geldzaken, omdat dat simpelweg niets opleverde. Zij was volgens eisers te verward om hierover te praten.

3.23.

Daarnaast neemt de rechtbank mee dat [gedaagde 1] na het overlijden van erflaatster haar pinpas is blijven gebruiken. Sterker nog, hij heeft het geld op haar bankrekening helemaal opgemaakt. Als alle uitgaven alleen met toestemming van erflaatster zouden hebben plaatsgevonden zoals [gedaagde 1] stelt, zou dat niet zijn gebeurd. Toen dit [gedaagde 1] tijdens de zitting werd voorgehouden, heeft hij verklaard dat hij na het overlijden van erflaatster handelde uit wrok. Volgens [gedaagde 1] hadden eisers na de uitvaart van erflaatster een nare opmerking gemaakt en dat was voor hem de druppel die de emmer deed overlopen. Eisers hebben dit echter betwist. Sterker nog, volgens eisers zijn zij na de uitvaart van erflaatster nog samen met [gedaagde 1] uiteten geweest. Dat is vervolgens niet door [gedaagde 1] weersproken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het gedrag van [gedaagde 1] na het overlijden van erflaatster zijn stelling dat alles met toestemming van erflaatster gebeurde toen zij nog leefde, wel degelijk ontkracht.

3.24.

Daarbij komt dat erflaatster en [gedaagde 1] nooit iets op papier hebben gezet en er nooit aangifte schenkbelasting is gedaan. Evenmin blijkt uit de omschrijving bij de overboekingen van erflaatster naar [gedaagde 1] dat sprake zou zijn van een gift. Dit alles is ongebruikelijk. Tijdens de zitting heeft [gedaagde 1] verklaard dat er nooit iets is vastgelegd omdat erflaatster zelf mocht weten wat zij met haar geld deed. Dat is uiteraard waar, maar er is niets wat het verhaal van [gedaagde 1] dat erflaatster bijna al haar geld aan hem wilde schenken, ondersteunt. Zoals hiervoor vermeld, heeft de rechtbank verschillende redenen om aan dat verhaal te twijfelen.

3.25.

De conclusie is dat [gedaagde 1] , in het licht van de betwisting van eisers, onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake was van schenkingen. Voor de vermogensverschuivingen van erflaatster naar [gedaagde 1] die voor haar overlijden hebben plaatsgevonden ontbreekt dus een grondslag. Daarmee staat vast dat [gedaagde 1] de bedragen onrechtmatig aan de bankrekening van erflaatster heeft onttrokken.

De omvang van de schade

3.26.

Voor de vraag wat de schade is die de nalatenschap heeft geleden is van belang welk bedrag [gedaagde 1] precies aan het vermogen van erflaatster heeft onttrokken voor haar overlijden. Eisers en [gedaagde 1] zijn het hier niet over eens.

3.27.

Volgens eisers heeft [gedaagde 1] toen een bedrag van in totaal € 135.027,96 aan de rekening van erflaatster onttrokken. Volgens [gedaagde 1] moet dit bedrag lager zijn. Hij stelt namelijk dat hiervan € 7.703,10 niet aan hem ten goede is gekomen, maar aan erflaatster. Dit zijn allereerst kosten voor de kapper van erflaatster van in totaal € 5.318,-. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [gedaagde 1] een overzicht van facturen van kapsalon [naam] overgelegd. Deze kapsalon was gevestigd in [locatie] waar erflaatster verbleef. Daarnaast gaat het volgens [gedaagde 1] om kosten voor kleding van erflaatster van in totaal € 2.385,10. Ook hiervan heeft hij een aantal facturen in de procedure gebracht, namelijk van [bedrijf 1] . Ook legt hij een verklaring over van een van de verkoopmedewerkers van een andere kledingwinkel waar erflaatster graag kwam: [bedrijf 2] .

3.28.

Eisers betwijfelen of het bedrag van € 7.703,10 aan erflaatster ten goede is gekomen. Voor wat betreft de kleding valt hun namelijk op dat er verschillende maten zijn gekocht en dat de kleding niet werd afgeleverd op het adres van erflaatster. Dat de kleding voor erflaatster bestemd was, kan volgens hen ook niet afgeleid worden uit de verklaring van de verkoopmedewerkers van [bedrijf 2] . Deze verklaring bevat volgens hen namelijk onjuistheden. Eisers vermoeden daarnaast dat de kosten bij kapsalon [naam] zijn gemaakt door de echtgenote van [gedaagde 1] . Allereerst wijzen eisers erop dat daar ook afspraken hebben plaatsgevonden toen erflaatster niet meer in [locatie] woonde maar in een ander verpleeghuis. Bovendien hebben eisers niet alle facturen kunnen linken aan de bankafschriften van erflaatster. Zij kunnen in totaal een bedrag van € 641,95 niet herleiden naar erflaatster. De rechtbank begrijpt dat eisers menen dat dit hun stelling dat ook de echtgenote van [gedaagde 1] naar deze kapper ging, onderstreept. Er hebben volgens eisers verder ook kappersafspraken plaatsgevonden op vreemde momenten. Zo is er op 13 november 2019 € 147,85 afgerekend bij kapsalon [naam] in [plaats 2] (de rechtbank begrijpt hieruit dat die kapsalon ook daar een vestiging had), terwijl erflaatster daar volgens eisers niet meer kon komen. Zij was immers niet meer mobiel. Ook is op 9 maart 2022 € 132,50 afgerekend bij kapsalon [naam] , terwijl erflaatster toen corona had. Verder is er tien dagen voor het overlijden van erflaatster € 133,50 afgerekend bij de kapsalon, terwijl erflaatster op dat moment volgens eisers al aan haar bed gebonden was. Gelet hierop trekken eisers in twijfel of de kapperskosten die [gedaagde 1] noemt ten behoeve van erflaatster zijn gemaakt.

3.29.

[gedaagde 1] heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van eisers, onvoldoende onderbouwd gesteld dat het bedrag van € 7.703,10 aan erflaatster ten goede is gekomen. Hij had hier meer duidelijkheid over moeten geven en dat heeft hij niet gedaan. Het is de rechtbank echter ook niet duidelijk geworden waar het verweer van eisers precies toe moet leiden. Het is niet helder of zij stellen dat dit hele bedrag niet aan erflaatster ten goede is gekomen of slechts een deel daarvan niet. Het had op de weg van eisers gelegen om dit inzichtelijk te maken aan de hand van een berekening en dat hebben zij niet gedaan. De rechtbank acht het gelet hierop redelijk om ervan uit te gaan dat alleen de kosten waartegen eisers concreet verweer hebben gevoerd, kosten waren van [gedaagde 1] zelf en niet van erflaatster. Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat [gedaagde 1] (€ 135.027,96 – € 7.703,10 + € 641,95 + € 147,85 + € 132,50 + € 133,50 = ) € 128.380,66 onrechtmatig aan de rekening van erflaatster heeft onttrokken voor haar overlijden. Dit bedrag moet [gedaagde 1] dan ook vergoeden aan haar nalatenschap.

Het beroep van [gedaagde 1] op verjaring

3.30.

Volgens [gedaagde 1] is de vordering van eisers tot terugbetaling van de door hem onttrokken bedragen verjaard, voor zover deze is gebaseerd op feiten die voor 21 maart 2020 hebben plaatsgevonden. De dagvaarding is namelijk uitgebracht op 21 maart 2025.

3.31.

Een vordering tot vergoeding van schade, zoals een vordering op grond van onrechtmatige daad, verjaart vijf jaar nadat de benadeelde met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Dit staat in artikel 3:310 lid 1 BW. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gaat het hier om daadwerkelijke bekendheid. Een enkel vermoeden van het bestaan van schade of de daarvoor aansprakelijke persoon is dus niet genoeg. Uit het beroep van [gedaagde 1] op verjaring leidt de rechtbank af dat hij ervan uitgaat dat de verjaringstermijn is gaan lopen toen de onttrekkingen plaatsvonden. Hij neemt dus aan dat erflaatster op dat moment daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Uit wat hiervoor is overwogen blijkt echter dat het zeer de vraag is of erflaatster op de hoogte was van haar financiën. Zij kon haar bankafschriften in ieder geval zelf niet inzien. De rechtbank acht het onaannemelijk dat [gedaagde 1] de bankafschriften meerdere keren per week met haar doornam. Maar ook als hij dat deed, is daarmee nog niet gezegd dat erflaatster wist wat er met haar geld gebeurde. [gedaagde 1] heeft immers zelf gezegd dat het ook zo kon zijn dat erflaatster dat niet meer begreep. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat verjaringstermijn pas is gaan lopen toen [eiseres] en [eiser] na het overlijden van erflaatster kennisnamen van haar bankafschriften. Sindsdien is nog geen vijf jaar verstreken, zodat het beroep van [gedaagde 1] op verjaring niet slaagt.

Heeft [gedaagde 1] na het overlijden van erflaatster geld aan haar vermogen onttrokken?

3.32.

Tijdens de zitting is gebleken dat [gedaagde 1] het gehele bedrag op de bankrekening van erflaatster dat ter verdeling resteerde, voor zichzelf heeft besteed. [gedaagde 1] stelt dat hij dit uit wrok tegen zijn broer en zus heeft gedaan (zie hiervoor 3.23). Hij heeft dit naar eigen zeggen besteed aan zijn levensonderhoud, schoenen en kleding. Dit geld had [gedaagde 1] echter moeten delen met zijn broer en zus, die ook erfgenamen van erflaatster zijn. [gedaagde 1] heeft hiermee onrechtmatig gehandeld. Hij moet daarom de schade die de nalatenschap hierdoor heeft geleden aan de nalatenschap vergoeden.

3.33.

Voor wat betreft de omvang van de schade is het volgende van belang. Het staat vast dat het saldo op de bankrekening van erflaatster per datum van haar overlijden

€ 75.354,13 was. Op 14 februari 2023 heeft [gedaagde 1] een bedrag van € 75.091,78 van de rekening van erflaatster naar zijn eigen rekening overgemaakt, waarvan hij vervolgens diverse nalatenschapsschulden heeft betaald. Volgens eisers moest dit bedrag op dat moment hoger zijn, omdat er tussentijds nog bij- en afschrijvingen hebben plaatsgevonden die [gedaagde 1] onterecht niet meetelt. Volgens hen had er op 14 februari 2023 een bedrag van

€ 76.242,13 op de rekening van erflaatster moeten staan. Tijdens de zitting heeft [gedaagde 1] verklaard dat dit wel kan kloppen, zodat de rechtbank daar ook van uitgaat.

3.34.

Zoals gezegd, stelt [gedaagde 1] dat hij verschillende nalatenschapsschulden heeft betaald van dat bedrag. Het gaat volgens hem om kosten voor de uitvaart en de notaris van in totaal € 12.643,44. Ter onderbouwing heeft [gedaagde 1] verschillende facturen in de procedure gebracht. Hoewel eisers aanvankelijk stelden dat uit de facturen niet blijkt of [gedaagde 1] deze ook daadwerkelijk heeft voldaan, heeft de rechtbank tijdens de zitting begrepen dat zij dit wel willen aannemen. Dit betekent dat ter verdeling zou moeten resteren (€ 76.242,13 - 12.643,44 =) € 63.598,69. Dit is dan ook het bedrag dat [gedaagde 1] aan de nalatenschap van erflaatster moet vergoeden.

Heeft [gedaagde 2] onrechtmatig gehandeld?

3.35.

Volgens eisers zijn een deel van de onttrekkingen (mede) gedaan door [gedaagde 2] , namelijk voor een totaalbedrag van € 137.327,70. Zij hebben de bankafschriften van erflaatster naast berichten van [gedaagde 2] op zijn social media gelegd. Eisers komen op basis daarvan tot de conclusie dat ook [gedaagde 2] gebruik heeft gemaakt van de betaalpas van erflaatster. Zo is er gepind op plekken waar autoshows plaatsvonden waarbij [gedaagde 2] volgens zijn social media aanwezig was en [gedaagde 1] (voor zover eisers bekend) niet. Ook is er diverse keren gepind bij gespecialiseerde autozaken. [gedaagde 2] houdt zich in zijn vrije tijd graag bezig met het ‘tunen’ van auto’s, zo blijkt uit zijn berichten op social media. [gedaagde 1] heeft deze hobby volgens eisers niet. Maar ook als niet vastgesteld kan worden dat [gedaagde 2] de bankpas heeft gebruikt, benadrukken eisers dat [gedaagde 2] in ieder geval heeft geprofiteerd van de onttrekkingen door [gedaagde 1] . Het geld is immers deels via [gedaagde 1] bij hem terecht gekomen en eisers houden hem daar medeverantwoordelijk voor.

3.36.

[gedaagde 2] ontkent dat hij gebruik heeft gemaakt van de betaalpas van erflaatster. De rechtbank is het met [gedaagde 2] eens dat dit ook niet kan worden vastgesteld op basis van het onderzoek van eisers. Dat sommige uitgaves verband lijken te houden met de handel en wandel van [gedaagde 2] betekent immers nog niet dat [gedaagde 2] de uitgaves daadwerkelijk heeft gedaan. Dit zijn slechts aannames van eisers. Bovendien heeft [gedaagde 1] erkend dat hij het bedrag (grotendeels) aan de rekening van erflaatster heeft onttrokken. Daarmee staat vast dat [gedaagde 2] dit niet heeft gedaan. Daarnaast ziet de rechtbank niet in waarom het van belang is of [gedaagde 2] heeft geprofiteerd van de onttrekkingen door [gedaagde 1] . Ook als dit zo is, is daarmee nog niet gezegd dat [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld. Daar is meer voor nodig. De rechtbank zal de vorderingen van eisers voor zover deze zijn gericht tegen [gedaagde 2] daarom afwijzen.

Tussenconclusie ten aanzien van de onttrokken bedragen

3.37.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 1] voor het overlijden van erflaatster een bedrag van € 128.380,66 aan het vermogen van erflaatster heeft onttrokken. Na het overlijden van erflaatster heeft hij nog eens € 63.598,69 onrechtmatig aan haar nalatenschap onttrokken. [gedaagde 2] heeft bij dit alles geen rol gehad. Daarom moet [gedaagde 1] de schade die de nalatenschap hierdoor heeft geleden van in totaal € 191.979,35 aan de nalatenschap vergoeden.

Verdeling en verbeurdverklaring

3.38.

Tot de nalatenschap van erflaatster behoort zoals hiervoor vermeld een vordering op [gedaagde 1] ter hoogte van € 191.979,35. Tussen partijen staat vast dat dit het enige goed van de nalatenschap is. Eisers vorderen dat de rechtbank de verdeling van de nalatenschap vaststelt en daarbij bepaalt dat [gedaagde 1] zijn aandeel in de vordering heeft verbeurd.

3.39.

Het beroep van eisers op verbeurdverklaring slaagt. In artikel 3:194 lid 2 BW staat dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen verbeurt aan de andere deelgenoten. [gedaagde 1] moet van het bestaan van de vordering op de hoogte zijn geweest, maar heeft deze vordering desondanks niet gemeld. Hij heeft deze vordering daarmee opzettelijk verzwegen en zijn aandeel daarin verbeurd aan [eiseres] en [eiser] . Het gevolg daarvan is dat de vordering niet meer tot de nalatenschap van erflaatster behoort en dat [eiseres] en [eiser] samen daartoe gerechtigd zijn. De rechtbank zal [gedaagde 1] in dit verband dan ook veroordelen tot betaling van

€ 95.989,68 aan zowel [eiseres] als [eiser] . [gedaagde 1] zal hierover de wettelijke rente moeten voldoen vanaf de datum van de dagvaarding, nu hij hiertegen geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd.

3.40.

De vordering om te bepalen dat deze beslissing door middel van dwangvertegenwoordiging kan worden geëxecuteerd en daarvoor een onzijdige persoon te benoemen, zal worden afgewezen. Het gaat hier immers om een veroordeling tot betaling van een geldbedrag en niet om de verdeling van een nalatenschapsgoed. Mocht [gedaagde 1] niet tot betaling overgaan dan kunnen [eiseres] en [eiser] dit vonnis op de gebruikelijke manier executeren.

3.41.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande niet toe aan een beoordeling van de vorderingen van eisers die betrekking hebben op hun legitieme portie. Eisers hebben deze vorderingen slechts ingesteld voor het geval vast zou komen te staan dat erflaatster haar vermogen heeft geschonken aan [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] en daarvan is geen sprake.

Buitengerechtelijke kosten

3.42.

Eisers vorderen betaling van € 2.832,06 aan buitengerechtelijke kosten. Dit bedrag baseren zij op de Staffel Buitengerechtelijke Incassokosten. Ter onderbouwing stellen eisers dat zij maanden bezig zijn geweest met het verzamelen van informatie, omdat [gedaagde 1] voor hen onbereikbaar was. Uiteindelijk hebben zij zelf de benodigde bankafschriften moeten opvragen. Vervolgens hebben zij veel kosten moeten maken in verband met het onderzoek van de bankafschriften op onrechtmatige onttrekkingen. Ook hebben zij voorafgaand aan en tijdens de procedure veel advocaatkosten gemaakt.

3.43.

De kosten die eisers omschrijven zijn kosten die zien op werkzaamheden die hun advocaat heeft verricht ter voorbereiding van deze procedure. Daarbij hanteert de rechtbank het volgende uitgangspunt. Deze kosten komen alleen voor vergoeding in aanmerking als zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Kennelijk vinden eisers dat de gevorderde kosten hierop geen betrekking hebben, maar uit de omschrijving van de werkzaamheden blijkt naar het oordeel van de rechtbank het tegendeel. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.

Beslagkosten

3.44.

Eisers hebben conservatoir beslag gelegd onder de ABN AMRO Bank op de bankrekening(en) die [gedaagde 1] daar heeft en op zijn auto’s. Zij vorderen betaling van de beslagkosten die hiermee gepaard zijn gegaan. Deze vordering zal worden toegewezen op grond van artikel 706 Rv, omdat niet is gebleken dat het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig is. De schadevergoedingsvordering waarvoor het beslag is gelegd, wordt in deze procedure ook toegewezen.

De beslagkosten worden begroot op:

- deurwaardersexploten

1.292,21

- griffierecht

90,00

- salaris advocaat

2.051,00

(1 punt x € 2.051,00)

Totaal

3.433,21

Bij het salaris advocaat van eisers heeft de rechtbank het tarief van € 2.051,- gehanteerd, dat past bij de hoogte van het toegewezen bedrag.

Proceskosten in conventie

3.45.

Het uitgangspunt in zaken tussen familieleden is dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet echter aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Dat zal hierna worden uitgelegd.

3.46.

De rechtbank ziet in de aard en de ernst van de handelswijze van [gedaagde 1] reden om hem in de proceskosten (inclusief nakosten) van eisers te veroordelen. Omdat eisers hebben geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde 1] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van eisers worden in conventie begroot op:

- griffierecht

0,00

(€ 90,00 - € 90,00)

- salaris advocaat

4.102,00

(2 punten × € 2.051,00)

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

4.250,00

Bij het salaris advocaat van eisers heeft de rechtbank het tarief van € 2.051,- gehanteerd, dat past bij de hoogte van het toegewezen bedrag.

3.47.

Omdat eisers [gedaagde 2] in feite ten onrechte in deze procedure hebben betrokken, zie hiervoor 3.35 en 3.36, moeten eisers zijn proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [gedaagde 2] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zullen eisers niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op:

- griffierecht

90,00

- salaris advocaat

4.102,00

(2 punten × € 2.051,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

4.381,00

Bij het salaris advocaat van [gedaagde 2] heeft de rechtbank het tarief van € 2.051,- gehanteerd, dat past bij de hoogte van het bedrag dat van [gedaagde 2] is gevorderd.

3.48.

De veroordeling van eisers zal hoofdelijk worden uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

In reconventie

Opheffing beslag

3.49.

[gedaagde 1] vordert opheffing van het conservatoir beslag dat eisers hebben gelegd. Omdat de vordering van eisers grotendeels zal worden toegewezen, bestaat er voor opheffing van het beslag geen grond. De rechtbank zal de vordering van [gedaagde 1] daarom afwijzen.

Proceskosten in reconventie

3.50.

Om dezelfde reden als hiervoor in 3.46 genoemd, zal de rechtbank [gedaagde 1] veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten) van eisers die zij in reconventie hebben gemaakt. Omdat eisers hebben geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde 1] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van eisers worden begroot op:

- salaris advocaat

326,50

(1 punt × factor 0,5 × € 653,00)

- nakosten

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

474,50

Bij het salaris advocaat van [gedaagde 2] heeft de rechtbank het tarief van € 653,- gehanteerd, dat past bij de waarde van de vordering in reconventie.

4De beslissing

in conventie

4.1.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan zowel [eiseres] als [eiser] een bedrag van € 95.989,68 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2025 tot de dag van voldoening,

4.2.

veroordeelt [gedaagde 1] in de beslagkosten van eisers, begroot op € 3.433,21,

4.3.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van eisers van € 4.250,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

4.4.

veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van [gedaagde 2] van € 4.381,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als eisers niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

in reconventie

4.5.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van eisers van € 474,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in conventie en reconventie

4.6.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van € 98,00 als hij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026

Bijlage – overzicht van de vorderingen van eisers

[eiseres] en [eiser] vorderen in conventie, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank:

I. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , des de een betalend de ander bevrijd, ten behoeve van de nalatenschap veroordeelt tot betaling aan [eiseres] en [eiser] , dan wel de gezamenlijke erfgenamen van een bedrag van € 211.411,05, althans voor wat betreft [gedaagde 2] een bedrag van € 137.327,70, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

II. [gedaagde 1] veroordeelt tot het afleggen van rekening en verantwoording ten aanzien van de bankrekeningen van erflaatster over de periode 1 januari 2017 tot en met heden, op straffe van een dwangsom van € 500,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of dagdeel dat hij in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen en [gedaagde 1] veroordeelt tot terugbetaling aan de nalatenschap, vertegenwoordigd door [eiseres] en [eiser] , van de som die blijkens de rekening en verantwoording aan de nalatenschap toekomt;

III. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , des de een betalend de ander bevrijd, veroordeelt tot vergoeding aan [eiseres] en [eiser] van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

IV. de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vaststelt:

Primair:

onder verbeurdverklaring van het aandeel van [gedaagde 1] in de nalatenschap, althans de

vorderingen van de nalatenschap op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , in die zin dat de nalatenschap geheel aan [eiseres] en [eiser] toekomt en [gedaagde 1] in dit kader veroordeelt tot betaling aan [eiseres] en [eiser] tezamen van een bedrag van € 211.411,05, € 105.705,53 per persoon, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

Subsidiair:

de vordering op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan [gedaagde 1] toedeelt onder de verplichting ten titel van overbedeling aan [eiseres] en [eiser] ieder € 70.470,35 te voldoen en [gedaagde 1] veroordeelt aan [eiseres] en [eiser] een bedrag te voldoen van € 70.470,35 per persoon;

V. beveelt dat door middel van dwangvertegenwoordiging het vonnis kan worden geëxecuteerd voor het geval een van de deelgenoten weigerachtig zal zijn medewerking te verlenen aan de verdeling van de gemeenschap ondanks de verbeurte van een dwangsom, en daarvoor een persoon benoemt als onzijdig persoon, dan wel [eiseres] en [eiser] machtigt om alle handelingen te verrichten welke nodig zijn voor de realisatie van de verdeling en ex artikel 3:300 lid 1 BW als vertegenwoordiger van [gedaagde 1] de verdeling te kunnen bewerkstelligen,

althans het vonnis in de plaats stelt van de medewerking van [gedaagde 1] voor de realisatie van de verdeling;

VI. bepaalt dat de onzijdig persoon zijn of haar kosten ten laste kan brengen van de weigerachtige deelgenoot, althans de boedel;

VII. de legitieme porties van [eiseres] en [eiser] vaststelt op een bedrag van € 35.235,18 per persoon, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

VIII. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk dan wel naar evenredigheid m.b.t. de inkorting, des de een betalend de ander bevrijd, ten behoeve van de legitieme porties van [eiseres] en [eiser] m.b.t. de nalatenschap van erflaatster veroordeelt aan [eiseres] en [eiser] te betalen een bedrag van in ieder geval € 35.235,18 per persoon, althans voor een ieder gemaximeerd tot de door hem van erflaatster ontvangen giften, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, des de een betaald de ander bevrijd;

IX. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , des de een betalend de ander bevrijd, veroordeelt tot betaling aan [eiseres] en [eiser] van de buitengerechtelijke kosten € 2.832,06, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

X. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , des de een betalend de ander bevrijd, veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder het salaris van de advocaat, deurwaarderskosten, beslagkosten en nakosten ten bedrage van € 131,00 zonder betekening en € 199,00 in geval van betekening, indien en voor zover gedaagden niet binnen de wettelijk vereiste termijn van 2 dagen, althans binnen een door de rechtbank redelijk geachte termijn, na betekening van het in deze te wijzen vonnis, heeft voldaan.

Tijdens de zitting hebben eisers vordering III ingetrokken.

1

HR 20 september 1991, nr. 14509 (Tripels/Masson).

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733