ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-03-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3215

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheiding en verdeling. Echtscheiding uitgesproken en partneralimentatie bepaald op € 1.785 bruto p/m. Behoefte via hofnorm, peiljaar 2023; NBI man als maat via gemiddelde winst 2023-2025; vrouw werkt 80% en hoeft niet uit te breiden. Man participeert in maatschap; verzoek vrouw om vergoeding toename ondernemingsvermogen op grond van art. 1:95a BW afgewezen omdat redelijke vergoeding via inkomen is genoten. Verdeling beperkte gemeenschap met uitgebreide vergoedingsrechten en regres over IB 2023 en SPH 2021.

Datum publicatie04-05-2026
ZaaknummerC/02/429659 FA RK 24-5804 (echtscheiding)
ProcedureRekestprocedure
ZittingsplaatsBreda
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie;
Familievermogensrecht; Wettelijke beperkte gemeenschap
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Echtscheiding en verdeling. Echtscheiding uitgesproken en partneralimentatie bepaald. Man participeert in maatschap. Toepassing art. 1:95a BW. Verdeling beperkte gemeenschap.

Volledige uitspraak


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/429659 FA RK 24-5804 (echtscheiding)

C/02/436955 FA RK 25-3259 (verdeling)

datum uitspraak: 20 maart 2026

beschikking betreffende echtscheiding en verdeling

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.L.P. Heuts te Breda,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. E.J.A. van den Hoogen te Oss.

1 Het procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- het op 10 december 2024 ontvangen verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvorderingen, met bijlagen;

- het op 27 februari 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen;

- het op 29 april 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek met bijlagen;

- het F9-formulier d.d. 23 juni 2025 van mr. Van den Hoogen;

- de brief d.d. 22 december 2025 van mr. Heuts met het formulier verdelen en verrekenen;

- de brief d.d. 8 januari 2026 van mr. Van den Hoogen met bijlagen;

- de brief d.d. 8 januari 2026 van mr. Heuts met bijlagen;

- de brief d.d. 9 januari 2026 van mr. Heuts met bijlagen;

- de beschikking voorlopige voorzieningen van 15 november 2024.

1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 20 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2De feiten

2.1

Partijen, Nederlanders, zijn op [datum] 2018 te Loon op Zand met elkaar gehuwd.

2.2.

Partijen zijn eerder gehuwd geweest. Zij hebben uit dat eerdere huwelijk ieder drie kinderen. Beiden delen de zorg voor hun kinderen bij helfte met hun ex-partner. Tijdens de zitting waren de kinderen van de man 15, 18 en 20 jaar oud en die van de vrouw 16, 18 en 20 jaar oud.

3De verzoeken

3.1.

De vrouw verzoekt, samengevat, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

- de echtscheiding uit te spreken;

- vast te stellen een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage van

€ 2.943,= bruto per maand dan wel een bedrag vast te stellen dat de rechtbank juist acht,

voor het eerst geïndexeerd conform artikel 1:402a BW per 1 januari 2026;

- de verdeling van de gezamenlijke vermogensbestanddelen vast te stellen

overeenkomstig de in haar verweerschrift op zelfstandig verzoek onder punt 4 tot en met 46

verzochte verdeling, althans een zodanige (wijze van) verdeling vast te stellen als de

rechtbank juist acht en te bepalen welke bedragen partijen aan elkaar dienen te voldoen,

binnen een maand na betekening van de in deze te wijzen beschikking;

- te bepalen dat de man ter zake de verrekenvordering zoals verzocht, verplicht is aan de

vrouw te betalen een bedrag van € 25.000,= binnen een maand na betekening van de in deze

te wijzen beschikking.

3.2.

De man verzoekt, samengevat, bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:

- de vrouw niet ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoeken dan wel dat haar verzoeken worden afgewezen;

- de echtscheiding wordt uitgesproken;

- de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen tussen partijen wordt gelast op de wijze zoals beschreven in punt 54 tot en met 75 van het lichaam van het verweerschrift van de man alsmede in de brief van 8 januari 2026 van mr. Van den Hoogen;

- de man vorderingen op de beperkte gemeenschap heeft uit hoofde van vergoedingsrechten, te berekenen op de wijze als beschreven in punt 76 tot en met 83 van zijn verweerschrift en welke vorderingen verrekend dienen te worden met de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning van partijen, zoals beschreven in punt 84 van het lichaam van het verweerschrift van de man alsmede in de brief van 8 januari 2026 van mr. Van den Hoogen.

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna ingegaan.

4De beoordeling

C/02/429659 FA RK 24-5804 (echtscheiding)

echtscheiding

4.1.

Beide partijen verzoeken de echtscheiding uit te spreken en stellen daartoe dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De verzoeken tot echtscheiding zijn op de wet gegrond en zullen worden toegewezen op onderstaande wijze.

partneralimentatie

4.2.

De vrouw heeft aan haar verzoek tot het vaststellen van een bijdrage, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat zij behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en dat de man over voldoende draagkracht beschikt om de door haar verzochte bijdrage te voldoen. De man voert verweer. Hij betwist de hoogte van de door de vrouw gestelde huwelijksgerelateerde behoefte, de door de vrouw gestelde hoogte van haar aanvullende behoefte en betwist dat hij draagkracht heeft om het door de vrouw verzochte bedrag te voldoen.

4.3.

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële

draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn

neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. De rechtbank rondt

bedragen af op hele euro’s, tenzij anders is vermeld.

huwelijksgerelateerde behoefte

4.4.

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie berekend moet worden aan de hand van de zogenaamde ‘hofnorm’ zodat de vrouw behoefte heeft aan 60% van het voor partijen beschikbare netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI).

4.5.

Tussen partijen is in geschil van welk peiljaar voor de vaststelling van het NBGI moet worden uitgegaan. De vrouw gaat uit van het jaar 2023; zij stelt daartoe dat partijen tot september 2023 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De man gaat uit van 2022; hij voert daartoe aan dat 2022 het laatste jaar was dat partijen volledig samen waren.

De rechtbank is van oordeel dat 2023 het peiljaar dient te zijn voor de vaststelling van het NBGI en de op basis daarvan te berekenen behoefte. Nu de man stelt dat de vrouw in augustus 2023 de woning heeft verlaten en de vrouw stelt dat dat half september 2023 was, staat vast dat partijen het grootste deel van het jaar 2023 hebben samengewoond en een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De rechtbank rekent met de tarieven 2023-2.

4.6.

Voor de vaststelling van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw (hierna: NBI) wordt uitgegaan van het inkomen zoals dat volgt uit de jaaropgaaf 2023, overgelegd door de vrouw als productie 14. Daaruit volgt een inkomen van € 81.243,= bruto per jaar. Daarop strekt in mindering de fiscaal belaste bijtelling voor het privégebruik van de leaseauto, ter hoogte van € 8.028,= per jaar, zoals door de vrouw onweersproken is gesteld. Verder wordt rekening gehouden met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting.

4.7.

Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 4.074,= per maand.

4.8.

Partijen verschillen van mening over de wijze waarop het NBI van de man tijdens het huwelijk berekend moet worden.

De vrouw stelt dat voor het berekenen van het NBI van de man uitgegaan moet worden van de winstdeling van de maatschap van de man (huisartsenpraktijk) over de jaren 2021 tot en met 2023. Voor wat betreft het jaar 2023 is de vrouw in haar inleidende verzoekschrift in afwachting van de definitieve cijfers, uitgegaan van de voorlopige cijfers. Zij komt dan op een gemiddelde (belastbare) winst uit onderneming van € 246.864,=. Zij voert aan dat bij het uitgaan van de winst uit onderneming zoals die blijkt uit de aangiftes inkomstenbelasting - zoals de man dat doet - er een verschil van € 5.000,= aan kosten is waarvan niet bekend is welke kosten dat zijn. Dat zijn door de man opgevoerde kosten die fiscaal gezien opgevoerd kunnen worden maar waarvan de vrouw zich afvraagt of het in het kader van de berekening van de partneralimentatie wenselijk en noodzakelijk is om de winst uit onderneming van de man daarmee te verlagen.

De man stelt dat zijn NBI berekend moet worden aan de hand van het gemiddelde van zijn winst uit onderneming en nu hij een behoorlijk fluctuerend inkomen heeft over 5 jaren, te weten over de jaren 2018 tot en met 2022. Bovendien hebben partijen die periode samengeleefd als echtgenoten zodat dit alles zegt over de inkomensstandaard van partijen. Hij is van mening dat niet uitgegaan moet worden van het jaar 2023 nu dat jaar een vertekend beeld geeft omdat de winst in dat jaar eenmalig afzonderlijk hoog was. Dat had er mee te maken dat de man en zijn compagnon in dat jaar veel zijn blijven werken omdat er geen waarnemer was en met het oog op een aansluitende maat in de maatschap in 2024 continuïteit van belang was. Hij hanteert de aangiftes inkomstenbelasting over voornoemde jaren en komt dan op een gemiddelde winst uit onderneming van € 176.305,40 per jaar. De vrouw gaat voor de berekening van zijn NBI uit van de winstdeling in de huisartsenpraktijk; dat is onjuist nu dit niets zegt over zijn daadwerkelijke inkomen, aldus de man. De winst uit onderneming van de man zoals die blijkt uit de aangiftes inkomstenbelasting is maatgevend nu partijen daarvan hebben geleefd. Hij wijst op de door hem als productie 8 overgelegde verklaring van zijn accountant omtrent de verschillen tussen de winst uit de maatschap waarvan de vrouw uitgaat en de inkomsten uit onderneming volgens de aangifte IB; de accountant geeft daarin aan dat het verschil zit in de winstgerelateerde persoonlijke aftrekposten.

4.9.

De rechtbank zoekt ter bepaling van het NBI van de man aansluiting bij de bedragen die de man de laatste drie jaren voorafgaand aan de beëindiging van de relatie van partijen aan winst uit onderneming aan zijn maatschap heeft onttrokken en wat partijen dus ook feitelijk hebben besteed; dit acht de rechtbank maatgevend. In hetgeen de man aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt waarbij de laatste drie jaar voor het beëindigen van de relatie (2021, 2022 en 2023) maatgevend zijn voor het bepalen van het NBI van een ondernemer. De rechtbank is van oordeel dat met voornoemde drie jaren een voldoende bestendig beeld wordt verkregen. Gelet op de verklaring van de accountant van de man, welke verklaring door de vrouw als productie 10 is overgelegd en door de man als productie 8, is de reden van de lagere inkomsten uit onderneming in de aangiften inkomstenbelasting, waar de man vanuit gaat, ten opzichte van de winst uit de maatschap waar de vrouw van uitgaat, gelegen in persoonlijke aftrekposten die winstgerelateerd zijn. De rechtbank gaat, gezien het vorenstaande, uit van de winst uit onderneming die de man de laatste drie jaren voorafgaand aan de beëindiging van de relatie aan zijn maatschap heeft onttrokken. In de door de vrouw aangevoerde omstandigheid dat er bij het uitgaan van de winst uit onderneming zoals die blijkt uit de aangiftes IB een bedrag van € 5.000,= aan onbekende kosten is, ziet de rechtbank, gezien de geringe hoogte van dit bedrag, geen aanleiding om anders te beslissen. De winsten over 2021 en 2022 blijken uit voornoemde verklaring van de accountant, hiervan gaat de rechtbank uit. De in die verklaring opgenomen winst voor 2023 geeft, zoals blijkt uit die verklaring, geen definitief resultaat weer. Nu later in de procedure als productie 39 alsnog de aangifte inkomstenbelasting 2023 door de man is overgelegd, gaat de rechtbank voor het jaar 2023 uit van die aangifte inkomstenbelasting 2023. Voor dat jaar gaat de rechtbank, evenals waarvan de accountant in zijn verklaring voor de jaren 2021 en 2022 is uitgegaan, uit van het “saldo fiscale winstberekening” als zijnde de winst van de man uit persoonlijke onderneming in het jaar 2023. De rechtbank gaat daarom uit van de volgende gegevens:

Winst persoonlijke onderneming:

2021: € 207.008,=;

2022: € 190.170,=.

2023: € 241.520,=.

Het gemiddelde over die drie jaren bedraagt dan € 212.899,= bruto per jaar.

4.10.

Partijen zijn het erover eens dat rekening moet worden gehouden met de premie arbeidsongeschiktheid. De rechtbank gaat, gelet op het voorgaande, uit van de gemiddelde premie over de jaren 2021 t/m 2023. Uitgaande van de overgelegde rapporten inkomstenbelasting over die jaren bedroeg de premie in 2021 € 7.052,= in 2022 € 9.067,= en in 2023 € 9.212,=. De gemiddelde premie over die jaren bedraagt dan € 8.444,= bruto per jaar.

4.11.

In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde zelfstandigenaftrek, mkb-winstvrijstelling en de verschuldigde inkomstenbelasting. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen.

4.12.

Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 10.117,= per maand.

4.13.

Partijen zijn het erover eens dat bij de bepaling van het NBGI rekening moet worden gehouden met de bijdragen en zorgkosten voor hun kinderen uit hun eerdere huwelijk en met de onderhoudsbijdrage van de man voor zijn ex-partner.

Zij zijn het eens dat aan de zijde van de vrouw rekening moet worden gehouden met kosten ad € 1.000,= per maand netto, zijnde een bedrag van € 500,= aan zorgkosten en € 500,= aan kinderbijdrage, die de vrouw maakte voor haar kinderen uit haar eerdere huwelijk.

Partijen zijn het erover eens dat de man € 1.224,= bruto per maand aan partneralimentatie voor zijn ex-partner voldoet. De man heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat dit

€ 800,= netto per maand is, hetgeen door de vrouw verder niet meer danwel onvoldoende gemotiveerd is weersproken. De rechtbank gaat derhalve uit van een netto bedrag aan partneralimentatie voor de ex-partner van € 800,= per maand. Verder zijn partijen het erover eens dat de man een bedrag van € 148,= per maand voor zijn kinderen aan zijn ex-partner voldoet, zodat de rechtbank hiermee rekening houdt.

Tussen partijen is in geschil met welk bedrag aan kosten kindrekening, het bedrag dat de man maandelijks op de kinderrekening van zijn kinderen voldeed, rekening moet worden gehouden. De man houdt rekening met een bedrag van € 790,= per maand. Hij verwijst naar het ouderschapsplan dat hij destijds met zijn ex-partner heeft opgesteld waarin deze bijdrage is opgenomen. Weliswaar heeft hij in de jaren 2022 t/m 2024 tijdelijk minder betaald op de kindrekening, te weten € 400,= per maand; dat was conform artikel 7.2 van het ouderschapsplan omdat het saldo op de kindrekening het afgesproken bedrag oversteeg, maar ook vanwege de verbouwing. Later ontstonden er tekorten die hij heeft aangevuld; daarmee heeft de man met terugwerkende kracht de bijdragen aangevuld tot € 790,= per maand. Er moet volgens de man dus wel degelijk rekening worden gehouden met de overeengekomen bedragen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 400,= per maand. De man heeft het overeengekomen bedrag in 2019 naar € 400,= per maand verlaagd en dit is het bedrag dat de man in de peiljaren daadwerkelijk heeft betaald. De rechtbank houdt rekening met een bedrag van € 400,= per maand. Immers, vaststaat dat de man deze bedragen ten tijde van de samenleving van partijen en in het peiljaar 2023 heeft gestort en dat de man eerst in 2024, derhalve na de samenleving van partijen, dit bedrag heeft aangevuld.

Verder is in geschil de zorgkosten waarmee rekening moet worden gehouden. De man heeft opgevoerd een bedrag van € 734,= per maand aan zorgkosten. Hij heeft dit gebaseerd op de behoefte van de kinderen en uitgaande van de omstandigheid dat zij 50% van de tijd bij hem doorbrengen. Hij verwijst naar de stukken. De vrouw stelt zich op het standpunt dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 500,= per maand. Gezien de behoefte acht zij dit een reële postenkost in het kader van het co-ouderschap. De man betaalt maximaal een bedrag van € 500,= in natura, aldus de vrouw. De rechtbank houdt rekening met een bedrag van € 790,= aan zorgkosten. De zorgkosten bedragen een bepaald percentage van de behoefte van de kinderen. Uit de zijdens de vrouw als productie 5 overgelegde berekening blijkt een behoefte van de kinderen van de man van € 1.820,= per maand in 2017. Geïndexeerd naar 2023 (het peiljaar) is die behoefte € 2.096,= per maand. Uitgaande van een co-ouderschap en een bijbehorend percentage van 35 voor de zorgkorting, bedraagt de zorgkorting, ofwel bedragen de zorgkosten voor de man € 734,= per maand.

Derhalve wordt, gelet op het vorenstaande, rekening gehouden met de bijdragen en zorgkosten als volgt: € 1.000,= + € 800,= + 148,= + 400,= + 734,=, zijnde in totaal € 3.082,= per maand.

4.14.

Rekening houdend met voornoemde kosten bedraagt het NBGI € 11.109,= per maand. Het aandeel van de vrouw in genoemd NBGI bedraagt de helft, zijnde € 5.554,50 per maand. Omdat het voeren van twee gescheiden huishoudens duurder is dan het leven in gezinsverband, wordt bij dit aandeel een percentage van 20 opgeteld, zodat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekent op € 6.665,= netto per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte nu in 2026

€ 7.885,= netto per maand.

aanvullende behoefte

4.15.

Om te bepalen of, en zo ja, in welke mate de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man, moet op deze huwelijksgerelateerde behoefte in mindering worden gebracht haar eigen netto inkomen. Partijen twisten in dit verband over de verdiencapaciteit van de vrouw. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij op dit moment niet in staat is volledig in haar behoefte te voorzien. Zij werkt parttime, te weten voor 80%, voor [bedrijf] . Er wordt door haar werkgever meer van haar verwacht dan die 32 uur per week nu zij nog werkzaamheden in haar vrije tijd moet doen. De man heeft ook een vrije dag, partijen leefden ook zo tijdens hun huwelijk. Zij heeft om de week de zorg voor haar kinderen. Daarnaast heeft zij de mantelzorg voor haar demente moeder.

Volgens de man kan de vrouw fulltime werken nu zij geen zorg meer heeft voor basisschoolkinderen en van haar kan en mag worden verlangd dat zij zich inspant om meer inkomen te verdienen. Het is juist dat partijen tijdens het huwelijk op deze manier hebben geleefd maar toen waren de kinderen jonger. Partijen zijn nu twee jaar uit elkaar en de vrouw had haar inkomen moeten verhogen. Voorts heeft hij aangevoerd dat de vrouw heeft aangegeven nooit partneralimentatie van hem te zullen vragen; zij zou voor zichzelf zorgen en niet afhankelijk van hem willen zijn. Ook heeft hij aangevoerd dat sprake was van een kortdurend huwelijk (vijf jaar) en dat geen sprake is van het ontstaan van een bestendig uitgavenpatroon dat tekenend is voor de kosten van het levensonderhoud van partijen.

4.16.

De rechtbank stelt voorop dat van behoeftigheid eerst sprake is als de onderhoudsgerechtigde (in dit geval de vrouw) niet voldoende inkomsten heeft tot haar levensonderhoud, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven. De onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw bestaat daarom alleen voor zover de vrouw niet in eigen levensonderhoud kan voorzien, terwijl zij zich daartoe wel voldoende heeft ingespannen. Dit betekent dat de vrouw, die stelt behoefte te hebben aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud, dient aan te tonen dat zij geen of onvoldoende inkomsten heeft om in haar behoefte te voorzien en evenmin in redelijkheid in staat kan worden geacht (voldoende) inkomsten te verwerven (verdiencapaciteit). Daarbij dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.

4.17.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Vaststaat dat de vrouw thans 80% werkt. De vrouw heeft tijdens de zitting onweersproken gesteld dat zij tijdens het huwelijk ook altijd 80% heeft gewerkt. Voorts is niet in geschil dat de vrouw de mantelzorg voor haar dementerende moeder heeft. Gelet op die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw op dit moment niet kan worden verlangd dat zij haar werkzaamheden uitbreidt tot 100%.

4.18.

De rechtbank gaat voor wat betreft de vaststelling van het huidige NBI van de vrouw uit van de loonstrook van december 2025 van de vrouw (productie 40 van de vrouw); de vrouw heeft verklaard dat zij in december jl. een loonsverhoging heeft gekregen, hetgeen ook uit die loonstrook blijkt. Dat de vrouw in januari 2026 nog een salarisverhoging zou krijgen, zoals de man stelt, is, in het licht van het onweersproken gebleven verweer van de vrouw dat de CAO waarnaar de man in dit verband verwijst niet op haar van toepassing is, niet gebleken. De man wordt in die stelling dan ook niet gevolgd. Uit voornoemde loonstrook volgt een bruto maandinkomen van € 6.603,78, te vermeerderen met de vakantietoeslag van 8%. Verder staat vast dat de vrouw een dienstenvergoeding ontvangt. De vrouw heeft daaromtrent ter zitting onweersproken het volgende aangegeven. Deze vergoeding is afhankelijk van de hoeveelheid diensten die zij doet. In 2024 was dat nog tweemaal per jaar en in 2025 was dat eenmalig een bedrag van € 1.312,50. Zij wijst op de loonstrook van september 2025. In de toekomst verdwijnt die vergoeding. Zij heeft tijdelijk ingesprongen op bepaalde locaties en gaat meer oorspronkelijk werk doen, hetgeen betekent dat zij minder diensten gaat draaien. De rechtbank gaat, gelet op voorgaande toelichting, in redelijkheid uit van een dienstenvergoeding van € 1.313,= bruto per jaar. Deze vergoeding heeft de vrouw, zoals zij onweersproken heeft gesteld, in 2025 ontvangen en wanneer deze vergoeding in de toekomst zal verdwijnen, is op dit moment onbekend. Verder staat vast dat de vrouw jaarlijks een PRP uitkering ontvangt, zijnde een bonus die afhankelijk is van het resultaat in dat jaar. De vrouw heeft aangegeven dat uitgegaan moet worden van € 3.622,= bruto per jaar, zijnde het gemiddelde over de jaren 2023, 2024 en 2025 omdat de uitkering in 2025 van € 2.160,40 bruto, zoals die blijkt uit de loonstrook van december, tegenvallend was. Nu de man dit niet heeft weersproken, gaat de rechtbank uit van een PRP uitkering van

€ 3.622,= bruto per jaar. Volgens de loonstrook van december 2025 bedraagt de bijtelling auto € 669,= per maand. Voorts volgt uit de loonstrook van december 2025 een pensioenpremie van € 604,= per maand.

In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag van € 4.907,= per maand.

4.19.

De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt, gelet op haar eigen NBI van € 4.907,= per maand, aldus € 2.978,= netto per maand. Dit komt neer op

€ 5.898,= bruto per maand.

draagkracht man

4.20.

De financiële draagkracht van de man om een bijdrage ten behoeve van

De vrouw te betalen wordt in 2026 bij een NBI vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor lagere inkomens dan

€ 2.200,= per maand zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

4.21.

De man stelt dat voor de berekening van zijn draagkracht ook moet worden uitgegaan van de gemiddelde winst over vijf jaar (2018-2022) zoals die blijkt uit zijn aangiftes inkomstenbelasting en komt dan op een gemiddelde winst uit onderneming van

€ 176.305,40 per jaar zoals in zijn verweerschrift is aangegeven. Bij zijn laatstingediende stukken handhaaft hij dit standpunt waarbij hij wijst op het volgende. Uit zijn aangifte IB 2023 volgt een winst uit onderneming van € 203.381,= en uit zijn aangifte IB 2024 volgt een winst uit onderneming van € 233.744,=. Uit de door hem overgelegde prognose winst- en verliesrekening 2025 volgt een resultaat van € 517.234,63 waarvan hem 40%

(= € 206.893,85) toekomt. Rekening houdend met het verschil tussen de jaarlijkse winstverdeling en de door hem opgegeven winst uit onderneming van € 30.000,= (zijnde de aftrek van de persoonsgebonden aftrekposten) zal de man in zijn aangifte IB naar verwachting € 177.000,= opgeven. Met enkele jaren met een uitzonderlijke hoge winstverdeling en winst uit onderneming maar ook stabilisatie van de praktijk nu er een derde maat is, handhaaft de man zijn standpunt om van genoemde gemiddelde winst uit onderneming van € 176.305,40 per jaar uit te willen gaan.

4.22.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat uitgegaan moet worden van de gemiddelde winst over drie jaren; ter zitting heeft zij aangegeven dat dit de afgelopen jaren 2023, 2024 en 2025 kunnen zijn. Zij gaat daarbij uit van de winstdeling van de maatschap van de man. Zij stelt dat in de voorlopige resultatenrekening over 2025 nog moet worden meegenomen een bedrag van € 22.000,= à € 23.000,= nu in alle jaarrekeningen is te zien dat achteraf nog een bedrag voor vaccinaties wordt uitgekeerd. De winst uit onderneming van de man van

€ 207.000,= moet met dit bedrag worden gecorrigeerd zodat de winst uit onderneming van de man € 216.000,= bedraagt. Verder is de vrouw van mening dat, nu de tarieven in de huisartsenzorg nog altijd niet correct zijn en conform een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven over 2023, 2024 en 2025 dienen te worden verhoogd, rekening moet worden gehouden met een nabetaling. Uitgaande van een patiëntenaantal van 6.000 zou er in 2025 nog een nabetaling van € 30.000,= moeten komen omdat de tarieven met terugwerkende kracht worden aangepast. Dit zou dan voor de man een hoger resultaat van

€ 12.000,= zijn (40% van 30.000) waardoor de winst uit onderneming van de man uitkomt op € 228.000,=.

4.23.

De rechtbank stelt vast dat het bij een ondernemer gebruikelijk is om uit te gaan van de gemiddelde winst uit onderneming over een periode van drie jaar omdat inkomensschommelingen inherent zijn aan het voeren van een eigen onderneming en ziet in hetgeen door de man is aangevoerd geen aanleiding om daarvan af te wijken. De rechtbank neemt het gemiddelde over de jaren 2023, 2024 en 2025 tot uitgangspunt omdat dit de meest recente cijfers zijn en hiermee een voldoende bestendig beeld wordt verkregen. Voor wat betreft het winstbegrip is de rechtbank van oordeel dat, onder verwijzing naar hetgeen hieromtrent in rechtsoverweging 4.9. is overwogen, ook hier uitgegaan moet worden van hetgeen de man in genoemde jaren aan winst uit onderneming aan zijn maatschap heeft onttrokken. Uit de aangiftes inkomstenbelasting 2023 en 2024 volgt een winst van de man van € 241.520,= in 2023 en € 233.744,= in 2024. Voor het jaar 2025 beschikt de rechtbank alleen over een prognose winst- en verliesrekening. Daaruit volgt een aan de man toekomend resultaat van (40% van € 517.234,64) € 206.894,=; daar zijn partijen het over eens. Nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat het resultaat van de man in 2025 moet worden verhoogd met zijn aandeel in het gemiddelde van € 23.000,= aan inkomsten uit vaccinaties dat jaarlijks achteraf wordt betaald, houdt de rechtbank rekening met 40% (het maatschapsaandeel van de man) van genoemd gemiddelde, zijnde een bedrag van € 9.200,= per jaar. Geen rekening wordt gehouden met de eventuele aanpassing (verhoging) in huisartsentarieven nu dit, zoals door de man onweersproken is gesteld, nog onder de rechter is en nog allerminst vast staat. Verder ziet de rechtbank, gelet op de hetgeen hierna (in rechtsoverweging 4.58.) wordt overwogen omtrent de investeringen van de man in de maatschap, aanleiding om voor wat betreft de inkomsten van de man in 2025 rekening te houden met een reservering van de man van € 20.000,= op jaarbasis in die zin dat dit bedrag van het resultaat van de man wordt afgetrokken. Uit het voorgaande volgt dan een winst van de man in 2025 van € 196.094,=. De gemiddelde winst van de man over de jaren 2023, 2024 en 2025 bedraagt dan € 223.786,=. Hiervan gaat de rechtbank uit.

4.24.

Voor wat betreft de premie arbeidsongeschiktheid gaat de rechtbank uit van een bedrag van € 10.728,= per jaar nu dat bedrag door de man in zijn alimentatieberekening voor 2026 is opgenomen (productie 44 van de man) en door de vrouw niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, is weersproken.

4.25.

In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde zelfstandigenaftrek, mkb-winstvrijstelling en de verschuldigde inkomstenbelasting. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag van € 10.407,= per maand.

4.26.

Partijen zijn het er over eens dat rekening moet worden gehouden met de onderhoudsbijdragen die de man voldoet ten behoeve van zijn kinderen van € 148,= per maand en ten behoeve van zijn ex-partner van € 1.224,= bruto per maand. Ook hier houdt de rechtbank, onder verwijzing naar r.o. 4.13. rekening met zorgkosten voor de man ter hoogte van € 734,= per maand.

In geschil tussen partijen is de maandelijkse storting door de man op de kindrekening.

De man stelt dat hij maandelijks € 790,= stort. Hij wijst daarbij op de verplichting die is opgenomen in het ouderschapsplan. De vrouw voert verweer. Zij stelt dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 400,= per maand. De man laat wel zien dat hij na de beschikking in de voorlopige voorzieningenprocedure het bedrag van € 790,= per maand is gaan betalen, maar de vrouw heeft geen inzage in het verloop van de kindrekening. De spaarrekening van de kinderen is toegenomen. Er is dan ook voldoende geld voor de kinderen. Op de kindrekening staat nu teveel geld en mogelijk gaat de man straks zijn ex-partner weer aan de € 400,= per maand houden, aldus de vrouw. De rechtbank houdt rekening met de door de man opgevoerde bijdrage van € 790,= per maand. Tussen partijen is niet in geschil dat de man deze bijdrage thans voldoet en dat hij dat doet op basis van een afspraak met zijn ex-partner; het betreft derhalve een verplichting van de man waarmee bij de bepaling van de draagkracht van de man ten behoeve van partneralimentatie rekening moet worden gehouden. Bovendien geldt dat er voor kinderen mag worden gespaard.

4.27.

De draagkracht van de man is dan, inclusief fiscaal voordeel, € 1.785,= bruto per maand. Het verzoek van de vrouw zal tot zover worden toegewezen.

4.28.

In hetgeen de man nog heeft aangevoerd omtrent het kortdurende huwelijk van partijen en dat de vrouw eerder heeft aangegeven nooit partneralimentatie van hem te zullen vragen, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te beslissen. Het staat de vrouw immers vrij om een verzoek tot partneralimentatie in te dienen.

4.29.

De rechtbank zal de verplichting tot betaling van voornoemde verschuldigde onderhoudsbijdrage in laten gaan per datum inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.

4.30.

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

C/02/436955 FA RK 25-3259 (verdeling)

4.31.

De vrouw verzoekt de verdeling van de gezamenlijke vermogensbestanddelen vast te stellen op de door haar aangegeven wijze, althans een zodanige (wijze van) verdeling vast te stellen als de rechtbank juist acht en te bepalen welke bedragen partijen aan elkaar dienen te voldoen, binnen een maand na de in deze te wijzen beschikking. Voorts verzoekt zij te bepalen dat de man ter zake de verrekenvordering zoals verzocht, verplicht is aan de vrouw te betalen een bedrag van € 25.000,= binnen een maand na betekening van de in deze te wijzen beschikking. De man verzoekt te bepalen dat de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen tussen partijen wordt gelast op de door hem aangegeven wijze en voorts te bepalen dat hij vorderingen op de beperkte gemeenschap heeft uit hoofde van vergoedingsrechten, te berekenen op de door hem aangegeven wijze en welke vorderingen verrekend dienen te worden met de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning van partijen zoals door hem aangegeven.

4.32.

De rechtbank stelt vast dat partijen na 1 januari 2018 zijn gehuwd en zij geen huwelijkse voorwaarden hebben laten opstellen. Partijen zijn daarom gehuwd in de wettelijke beperkte huwelijksgemeenschap.

4.33.

Tot de wettelijke beperkte gemeenschap behoren alle goederen die al voor het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfenissen en giften. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren voor het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren.

4.34.

Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen. Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 10 december 2024, dat is de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde geldt, voor zover partijen niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere datum met zich meebrengen, de datum van de verdeling.

Door de man en de vrouw zijn de volgende bestanddelen naar voren gebracht:

  1. de woning te [woonplaats 2] , [adres] ;

  2. de bankrekeningen en daarop staande saldi met nrs.:

 [rekeningnummer 1] betaalrekening op naam van partijen;

 [rekeningnummer 2] op naam van vrouw (lopende rekening);

 [rekeningnummer 3] op naam van vrouw (spaarrekening);

 [rekeningnummer 4] op naam van man (lopende rekening);

 [rekeningnummer 5] op naam van man (lopende rekening);

 [rekeningnummer 6] op naam man (spaarrekening)

caravan Knaus 500 UF sport silver selection;

Volvo V90 met [kenteken] ;

inboedel;

de hypotheken met nrs.:

 [nummer 1] ;

 [nummer 2] ;

 [nummer 3] ;

 [nummer 4] ;

 [nummer 5] .

de (te verwachten) vordering op partijen wegens aanslag IB 2021 en 2023;

de (te verwachten) vordering op partijen SPH.

4.35.

De man en vrouw stellen nog vergoedingsrechten jegens de gemeenschap te hebben vanwege het aanwenden van privévermogen ten behoeve van de echtelijke woning. De vrouw stelt nog een vordering op de man te hebben in verband met de toename van het ondernemingsvermogen van de man in de maatschap en voorts stelt zij dat sprake is van een verrekenvordering in verband met aflossing door de man van een privéschuld met gemeenschapsgeld. De man stelt nog een vordering op de gemeenschap dan wel op de vrouw te hebben in verband met tijdens het huwelijk door hem ontvangen schenkingen en hij stelt voorts dat de vrouw aan hem een bedrag dient te vergoeden in verband met door haar tijdens het huwelijk afgeloste leningen bij haar ouders en bij de [rekeningnummer 7] . Verder heeft de man nog gesteld een vordering op de vrouw te hebben vanwege de door hem betaalde eigenaarslasten van de echtelijke woning.

4.36.

De rechtbank zal hetgeen hierboven onder r.o. 4.34. en r.o. 4.35. is genoemd bespreken en daaromtrent een beslissing nemen. Daarbij zal per bestanddeel de wijze van verdeling worden gelast of vastgesteld.

de woning en hypotheken (post a. en f.)

4.37.

Partijen zijn het erover eens dat de woning moet worden verkocht. Partijen zijn het eens dat zij binnen drie weken na de zitting, dus uiterlijk 10 februari 2026 overleg zullen voeren met [makelaar] en voorts dat zij uiterlijk binnen één week na dat overleg opdracht zullen geven tot verkoop aan die makelaar. Zij hebben voorts afgesproken dat zij zich met betrekking tot de vraag- en laatprijs en een eventuele bijstelling van de vraag- en laatprijs zullen conformeren aan het advies van de makelaar. Partijen hebben ermee ingestemd dat het advies van de makelaar daaromtrent bindend is. Verder zijn partijen het er erover eens dat in het geval de makelaar noodzakelijk te verrichten werkzaamheden adviseert deze werkzaamheden binnen drie weken na het verschijnen van dat advies zijn verricht. Omtrent de werkzaamheden die partijen zelf kunnen uitvoeren zijn zij het erover eens dat de man de werkzaamheden binnenshuis zal verrichten en de vrouw de werkzaamheden in de tuin zal doen. Partijen zijn het erover eens dat zij de noodzakelijk gemaakte kosten zullen delen. Voor wat betreft de levertermijn zijn partijen het erover eens dat deze zo snel mogelijk dient te zijn. Partijen zijn het eens dat de overwaarde van de woning wordt berekend door de verkoopprijs te verminderen met de hypotheekschulden per augustus 2025 (zoals hierna onder r.o. 4.38. uiteengezet), de kosten van de makelaar en de kosten van het energielabel. Partijen zijn het er voorts over eens dat hetgeen dan resteert aan overwaarde tussen partijen dient te worden verdeeld, maar dat eerst de vergoedingsrechten (zoals hierna onder r.o. 4.39. uiteengezet) moeten worden verrekend met de overwaarde van de woning. De verdeling van de woning zal worden gelast, waarbij de rechtbank, zoals tijdens de zitting met partijen is besproken en door hen is verzocht, een zogenaamd spoorboekje zal opnemen.

4.38.

Na verkoop moeten met de verkoopopbrengst de alsdan op de woning rustende hypothecaire geldleningen bij de hypotheekverstrekker worden afgelost. Voor de berekening van de overwaarde van de woning wordt voor wat betreft de hoogte van de hypotheekschulden, zoals door de man is verzocht en nu de vrouw daartegen geen verweer is gevoerd, als onweersproken gebleven uitgegaan van de hypotheekschulden per augustus 2025, zoals die volgen uit het door de man als productie 51 overgelegde hypotheekoverzicht d.d. 20 augustus 2025. De man heeft daartoe gesteld dat hij sindsdien als enige op de hypotheekschulden heeft afgelost, hetgeen door de vrouw niet is weersproken. Hieruit volgt dat van het volgende wordt uitgegaan, (per augustus 2025):

 [nummer 1] met de stand € 65.575,33;

 [nummer 2] met de stand € 170.497,23;

 [nummer 3] met de stand € 26.639,43;

 [nummer 4] met de stand € 172,546,41;

 [nummer 5] met de stand € 335.604,77.

De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, op onderstaande wijze beslissen omtrent de hypotheken. Daarbij wordt overwogen, wellicht ten overvloede, dat het voorgaande betekent dat de vermogensopbouw vanaf augustus 2025 ten gunste van de man dient te komen.

vergoedingsrechten van partijen vanwege het aanwenden van privévermogen ten behoeve van de echtelijke woning

4.39.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man door het aanwenden van privé-vermogen ten behoeve van de aanschaf van de echtelijke woning van partijen een vergoedingsrecht jegens de beperkte gemeenschap van partijen heeft van 10.000/631.700 x de verkoopprijs, alsmede een vergoedingsrecht van 83.700/631.700 x de verkoopprijs. Ook is tussen hen niet in geschil dat de vrouw door het aanwenden van privé-vermogen ten behoeve van de aanschaf van de echtelijke woning van partijen een vergoedingsrecht jegens de beperkte gemeenschap van partijen heeft van 7.000/631.700 x de verkoopprijs.

Voorts zijn partijen het erover eens dat de vrouw wegens het investeren van privé-vermogen in de woning van partijen een vergoedingsrecht jegens de beperkte gemeenschap van partijen heeft van 120.000/583.000 x de verkoopprijs.

4.40.

De vrouw stelt dat zij nog recht heeft op vergoeding van het door haar geïnvesteerde bedrag van € 21.123,47; primair conform de beleggingsleer te berekenen en subsidiair conform de nominaliteitsleer. Zij stelt daartoe dat dit bedrag, zijnde een restantbedrag van de verkoopopbrengst van haar privé onroerend goed in [plaats] , op de gezamenlijke rekening van partijen is blijven staan en vervolgens is aangewend voor de verbouwing van de woning van partijen. Zij wijst ter onderbouwing van haar stellingen op de door haar overgelegde productie 20, hetgeen volgens haar een uitwerking betreft van de (terug)stortingen en betalingen via de gezamenlijke rekening. De man voert verweer. Hij geeft aan dat niet is te herleiden dat het restantbedrag van € 21.123,47 daadwerkelijk is gebruikt voor de verbouwing van de woning. Het bedrag aan privévermogen van de vrouw is opgemaakt ten behoeve van de gemeenschap, maar dat zou net zo goed aan de kosten van de huishouding of anderszins besteed kunnen zijn. De vrouw heeft geen recht op een vergoeding van dit bedrag volgens de beleggingsleer maar wel conform de nominaliteitsleer.

De rechtbank overweegt als volgt. Met de man is de rechtbank van oordeel dat uit de daartoe door de vrouw overgelegde productie 20 niet valt te herleiden dat het bedrag van € 21.123,47 is geïnvesteerd in de woning van partijen. Nu de vrouw ook op andere wijze niet heeft aangetoond dat dat bedrag is geïnvesteerd in de woning van partijen zal het primaire verzoek van de vrouw worden afgewezen. Het subsidiaire verzoek van de vrouw zal dan worden toegewezen nu de man heeft aangegeven dat de vrouw recht heeft op een vergoeding van dat bedrag volgens de nominaliteitsleer. De vrouw heeft derhalve een vergoedingsrecht jegens de beperkte gemeenschap van partijen van € 21.123,47.

4.41.

Uit het vorenstaande volgt dat uit de overwaarde van de woning (zoals hiervoor is overwogen zijnde de verkoopprijs te verminderen met de hypotheekschulden per augustus 2025, de kosten van de makelaar en de kosten van het energielabel) partijen uit hoofde van vergoedingsrechten toekomt:

  • de man: een bedrag van 10.000/631.700 x de verkoopprijs, alsmede een bedrag van 83.700/631.700 x de verkoopprijs;

  • de vrouw: een bedrag van 7.000/631.700 x de verkoopprijs; een bedrag van 120.000/583.000 x de verkoopprijs en een bedrag van € 21.123,47.

Het restant van de overwaarde dient bij helfte tussen partijen te worden verdeeld. Indien de overwaarde van de woning niet toereikend is om bovengenoemde vergoedingen aan partijen te doen toekomen, dan worden hun vergoedingen naar evenredigheid verminderd.

4.42.

De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, op onderstaande wijze beslissen omtrent de vergoedingsrechten.

de bankrekeningen (post b.)

4.43.

Tussen partijen is niet in geschil dat de kinderrekeningen buiten de verdeling vallen.

4.44.

De vrouw verzoekt de rechtbank de saldi op de bankrekeningen per 31 december 2024 bij helfte te delen en de rekeningen toe te delen aan één van partijen. De vrouw wil inzicht en een praktische benadering; door uit te gaan van de saldi per 31 december 2024 kunnen de jaaroverzichten van 2024 worden gehanteerd. Waar de man stelt dat een verdeling reeds heeft plaatsgevonden, betreft dit alleen de rekening op naam van beide partijen. De andere rekeningen zijn niet verdeeld. Na het feitelijk uiteengaan was nog sprake van een uitgebreide financiële huishouding van partijen en van gezamenlijke financiële verantwoordelijkheden.

4.45.

De man stelt zich, zo begrijpt de rechtbank, primair op het standpunt dat een verdeling heeft plaatsgevonden en subsidiair dat voor de verdeling uitgegaan moet worden van 1 september 2023 omdat partijen toen feitelijk uitgeengingen en de gemeenschappelijke rekening werd verdeeld. Deze rekening is op ‘0’ gezet en daarna is er nog geld op gezet voor de gezamenlijke kosten van partijen. Partijen zijn na hun feitelijk uiteengaan financieel gescheiden gaan leven.

4.46.

De rechtbank overweegt als volgt. In het licht van hetgeen door de vrouw tijdens de zitting onweersproken naar voren is gebracht, is gebleken dat er na september 2023 nog inkomsten van partijen - die gezamenlijk zijn - op de bankrekeningen terecht zijn gekomen. Een verdeling van de saldi van de bankrekeningen dient dan ook nog plaats te vinden. De rechtbank volgt, gelet op het vorenstaande, dan ook - behoudens voor wat betreft de gemeenschappelijke rekening - de vrouw in haar stelling dat de saldi per 31 december 2024 verdeeld dienen te worden; deze peildatum acht de rechtbank ook in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid nu deze is gelegen kort na de datum van ontbinding van de beperkte gemeenschap (zijnde het moment van indiening van het verzoekschrift). Voorts zal de vrouw in haar stelling worden gevolgd dat de saldi per peildatum bij helfte dienen te worden verdeeld nu de man dit verder niet heeft weersproken. Tussen partijen is niet in geschil dat het gaat om de volgende bankrekeningen:

 [rekeningnummer 1] betaalrekening op naam van partijen;

 [rekeningnummer 2] op naam van vrouw (lopende rekening);

 [rekeningnummer 3] op naam van vrouw (spaarrekening);

 [rekeningnummer 4] op naam van man (lopende rekening);

 [rekeningnummer 5] op naam van man (lopende rekening);

 [rekeningnummer 6] op naam man (spaarrekening).

De rechtbank zal de verdeling van de bankrekeningen als volgt gelasten. Aan ieder van partijen worden de saldi van de op zijn of haar naam staande bankrekeningen toegedeeld waarbij zij de saldi per 31 december 2024 bij helfte dienen te verdelen in die zin dat ieder der partijen recht heeft op de helft van het positieve saldo en dat een negatief saldo door partijen bij helfte dient te worden gedragen. Partijen dienen elkaar over en weer inzage te verschaffen in de saldi per 31 december 2024 van genoemde bankrekeningen. Ten aanzien van het saldo van de gemeenschappelijke rekening behoeft de rechtbank geen beslissing meer te nemen nu het saldo, zo is niet in geschil, al tussen partijen is verdeeld.

De rechtbank merkt op dat de rekeningen die op naam van de man of de vrouw staan, op diens naam zullen blijven staan en dat partijen de gemeenschappelijke rekening na verdeling van het saldo kunnen (laten) opheffen.

caravan (post c.)

4.47.

Partijen zijn het erover eens dat de caravan moet worden verkocht. Partijen zijn het over het volgende eens. De vrouw zal de verkoop van de caravan ter hand nemen. De man zal een tweede sleutelset voor de vrouw laten bijmaken. De man zal foto’s van de caravan aan de vrouw verstrekken. De vrouw zet de caravan te koop voor het bedrag van

€ 24.000,=. Bezichtigingen zullen op de oprit van de (echtelijke) woning plaatsvinden, deze kunnen ook in het weekend plaatsvinden. De vrouw informeert de man wanneer de bezichtigingen zijn gepland. De man haalt bij bezichtigingen de hoes van de caravan af en plaatst deze weer terug. De vrouw komt een vergoedingsrecht toe van 40% van de verkoopopbrengst van de caravan. Na aftrek van voornoemd vergoedingsrecht van de vrouw zal het restant van de verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte worden gedeeld.

De rechtbank zal, zoals ter zitting met partijen is besproken, een spoorboekje opnemen.

4.48.

De rechtbank stelt, gelet op het vorenstaande, vast dat de vrouw een vergoedingsrecht toekomt van 40% van de verkoopopbrengst van de caravan. De rechtbank zal bepalen dat dit bedrag wordt betaald uit de verkoopopbrengst van de caravan en op het moment van overdracht van de caravan.

volvo V90 (post d.)

4.49.

Partijen hebben overeenstemming bereikt omtrent de Volvo als volgt. Zij zijn het erover eens dat de Volvo, die op het moment van de zitting feitelijk bij de man in gebruik is, eigendom van de vrouw is en dat de man een vergoedingsrecht toekomt van 38% van de waarde ad € 26.300,= van de Volvo. De man draagt de Volvo uiterlijk 6 weken na de zittingsdatum, zijnde uiterlijk 3 maart 2026, over aan de vrouw. De vrouw voldoet het vergoedingsrecht van € 9.994,= aan de man. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt behoeft de rechtbank hieromtrent geen beslissing meer te nemen, behoudens hetgeen hierna onder r.o. 3.50. wordt beslist. Partijen dienen uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken.

4.50.

De rechtbank stelt, gelet op het vorenstaande, vast dat de man ter zake de Volvo een vergoedingsrecht jegens de vrouw toekomt van € 9.994,=.

de inboedel (post e.)

4.51.

Partijen hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij de inboedel in onderling overleg zullen verdelen, zodat op dat punt geen beslispunt voor de rechtbank meer voorligt.

aanslagen IB 2021 en 2023 en vordering SPH (posten g. en h.)

4.52.

Nadat de man zich in eerste instantie op het standpunt stelde dat de Belasting-aanslagen en teruggaven van beide partijen over 2021 en 2023 dienden te worden verrekend, heeft de man tijdens de zitting afgezien van zijn vordering op de helft van de belastingteruggaven die de vrouw over de jaren 2021 en 2023 heeft gehad. Gelet op deze intrekking zal het verzoek van de man omtrent betaling aan hem van de helft van de belastingteruggaven die de vrouw heeft genoten over 2021 en 2023, op onderstaande wijze worden afgewezen. De rechtbank gaat er, gezien de brief van 8 januari 2026 van mr. Van den Hoogen met daarbij het ingebrachte formulier verdelen/verrekenen van de man, vanuit dat de man zich thans op het standpunt stelt dat de vrouw de helft van de aanslag IB over 2023 van € 65.042,= aan hem dient te voldoen; hierbij voorts gelet op de omstandigheid dat hij geen concreet verzoek met onderbouwing over het jaar 2021 heeft ingediend. Voorts begrijpt de rechtbank, eveneens gezien de brief van 8 januari 2026 van mr. Van den Hoogen, dat de man zich thans op het standpunt stelt dat de vrouw de helft van de naheffingsaanslag 2021 SPH (pensioenpremie) van € 22.212,32 aan hem dient te voldoen.

4.53.

De man stelt daartoe, samengevat, het volgende. Zijn voorlopige aanslagen IB voortkomend uit de winsten uit onderneming over 2021 tot en met 2024 zijn kunstmatig laag gehouden omdat partijen dan meer liquide middelen beschikbaar hadden voor de verbouwing van de woning; dat geld was nodig voor die verbouwing. De aanslagen zijn gecorrigeerd. De man heeft bijbetalingen verricht ten behoeve van partijen gemeenschappelijk, ieder der partijen is daarvoor voor de helft draagplichtig. De vrouw dient de helft van de aanslag over 2023 van € 65.042,= aan hem dient te voldoen nu hij dit bedrag heeft betaald. De man heeft in 2021 te weinig pensioenpremie voldaan eveneens om meer liquide middelen ter beschikking te hebben voor de verbouwing van de woning. De man heeft de SPH naheffing over 2021 van € 22.212,32 betaald. Beide partijen zijn bij helfte draagplichtig nu dit een gemeenschapsschuld betreft. De vrouw dient de helft van de naheffingsaanslag 2021 SPH van het bedrag van € 22.212,32 aan hem te voldoen. Het voordeel dat is genoten door het uitstellen van de pensioenbetaling en de belastingbetaling is in de gemeenschap gevallen, aldus de man.

4.54.

De vrouw voert verweer, samengevat, als volgt. Zij stelt zich op het standpunt dat deze lasten voor rekening van de man dienen te komen. De man heeft er zelf voor gekozen om op deze wijze te boekhouden; dat is nooit een gemeenschappelijke beslissing van partijen geweest. Het voordeel hiervan is nooit in de gemeenschap gevloeid. De man heeft het geld op zijn eigen rekening gehouden nu de verhouding waarin partijen hebben bijgedragen aan de gezamenlijke lasten scheef was. Bovendien is onjuist de stelling van de man dat dit zou zijn gedaan voor de verbouwing nu de verbouwing grotendeels in 2020 en 2021 was afgerond.

4.55.

De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de verzoeken van de man omtrent de terugbetaling door de vrouw aan hem van de helft van de IB aanslag over 2023 van € 65.042,= en de helft van de naheffingsaanslag 2021 SPH van € 22.212,32, is de rechtbank van oordeel dat beide partijen gelijke draagplicht hebben ten aanzien van deze schulden (artikel 1:100 BW) . Vaststaat dat immers dat deze schulden vòòr de ontbinding van de beperkte gemeenschap zijn ontstaan en derhalve gemeenschapsschulden betreffen. De rechtbank gaat ervan uit dat het voordeel van de in eerste instantie omlaag gebrachte voorlopige aanslag IB en vordering pensioenpremie aan de gemeenschap van partijen ten goede is gekomen nu niet is gebleken dat dit anders is. De rechtbank zal bepalen dat de man voor de helft van voornoemde bedragen, een bedrag van € 32.521,= (aanslag IB 2023) en een bedrag van € 11.106,16 (naheffingsaanslag SPH) een regresvordering op de vrouw heeft.

toename ondernemersvermogen (post .i)

4.56.

De man is huisarts en hij participeert al van vòòr het huwelijk in een maatschap.

De vrouw verzoekt, althans zo begrijpt de rechtbank het verzoek van de vrouw, te bepalen dat zij een vordering op de man heeft ter grootte van de helft van de toename van het ondernemingsvermogen van de man in de maatschap over de huwelijkse periode, zijnde een bedrag van € 70.663,=. Zij stelt daartoe, samengevat en voor zover van belang, het volgende. Nu de man in de huwelijkse periode niet steeds zijn gehele aandeel in het resultaat van de maatschap als inkomen heeft opgenomen maar een deel in de maatschap heeft gelaten, hoort de toename van het ondernemingsvermogen van de man in de maatschap over de huwelijkse periode van partijen tot de gemeenschap en dient deze bij helfte tussen te worden gedeeld. De man had dit resultaat als inkomen kunnen opnemen waardoor het op een bankrekening terecht zou zijn gekomen en door partijen gezamenlijk was uitgegeven of gespaard. Het verschil tussen het ondernemingsvermogen van € 235.880,= op 31 december 2024 en het ondernemingsvermogen begin 2018 van € 94.554,= is gezamenlijk vermogen en dient bij helfte te worden gedeeld.

De man voert verweer strekkende tot afwijzing van dit verzoek. Hij stelt daartoe, samengevat en voor zover van belang, het volgende. Zijn aandeel in de maatschap betreft privé vermogen. Hij heeft voldaan aan artikel 1:95a BW nu het inkomen dat hij heeft gehad van afgerond € 10.000,= bruto per maand, kijkend naar het inkomen dat een huisarts in loondienst met ervaring als de man verdient zoals dat volgt uit de door hem overgelegde productie 63, marktconform is. Aan de gemeenschap is dan ook reeds een redelijke vergoeding ten goede gekomen in de vorm van zijn inkomen zodat er voor een vergoeding van het gestegen ondernemingsvermogen als ware het gemeenschappelijk vermogen geen grondslag bestaat. Nu de vrouw geen concrete omstandigheden heeft gesteld op basis waarvan de redelijke vergoeding moet worden vastgesteld en die eventueel met zich zouden kunnen meebrengen dat de volledige waardestijging ten bate van de gemeenschap komt, heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan. Daarbij komt dat de man en zijn maten reserveringen hebben gedaan voor uit te voeren onderhoud de komende jaren aan het pand waarin de praktijk huist en ook voor software en dergelijke. Er moeten reserves zijn om economisch minder goede tijden op te vangen of investeringen in de toekomst te kunnen doen. Daarnaast kan het zo zijn dat zijn aandeel is toegenomen door waardestijging van de voorhuwelijkse onderneming of eigendommen van de onderneming. Hij wijst op jurisprudentie. Indien de rechtbank komt tot een vergoeding van de waardestijging in de onderneming, dan stelt de man dat 31 december 2023 bepalend is omdat partijen in dat jaar feitelijk hun samenwoning beëindigden, zij sindsdien doende zijn geweest om te komen tot verdeling en afwikkeling van de gevolgen van de echtscheiding en partijen toen ook hun financiën van elkaar scheidden.

4.57.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat het aandeel van de man in de maatschap buiten de beperkte gemeenschap van partijen valt. De rechtbank begrijpt het verzoek van de vrouw als een verzoek om een vergoeding op grond van artikel 1:95a BW. Deze bepaling luidt als volgt:

Lid 1: Indien een onderneming buiten de gemeenschap valt, komt een redelijke vergoeding voor kennis, vaardigheden en arbeid die een echtgenoot voor die onderneming heeft aangewend, ten bate van de gemeenschap voor zover een dergelijke vergoeding niet al op een andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen.

Lid 2: Ook indien een onderneming op naam en voor rekening van een personenvennootschap of een rechtspersoon wordt uitgeoefend, de gerechtigheid tot die personenvennootschap of die rechtspersoon buiten de gemeenschap valt en de echtgenoot die daartoe is gerechtigd, in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van die onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, komt ten bate van de gemeenschap een redelijke vergoeding voor de kennis, vaardigheden en arbeid die een echtgenoot ten behoeve van die onderneming heeft aangewend, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen.

4.58.

Gelet op voornoemde bepaling moet worden beantwoord de vraag of in dit geval een redelijke vergoeding voor de kennis, kunde en arbeid die de man heeft ingezet voor de maatschap aan de gemeenschap ten goede is gekomen. De rechtbank constateert op basis van de stukken en de niet weersproken stelling van de man dat de man zichzelf door de jaren heen een inkomen heeft uitgekeerd van gemiddeld € 10.000,= per maand. Tussen partijen is niet in geschil dat de inkomsten die aan de man zijn uitgekeerd aan de gemeenschap ten goede zijn gekomen. Voorts blijkt uit de stukken dat het maatschapsaandeel van de man is toegenomen van, afgerond, € 95.000,= in 2018 tot, afgerond, € 236.000,= in 2024. Daaruit kan worden afgeleid dat de man jaarlijks een bedrag van ruim € 20.000,= heeft gereserveerd in de maatschap. De man heeft daartoe onweersproken gesteld dat dit bedrag is gereserveerd voor onderhoud aan het pand en dient als reserve om economisch mindere tijden op te vangen en om investeringen te doen, hetgeen de rechtbank niet ongebruikelijk of onredelijk voorkomt. In het licht van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de man zich tijdens het huwelijk een redelijke vergoeding heeft uitgekeerd. De stelling van de vrouw dat artikel 1:95a meebrengt dat de man zijn volledige winst uit onderneming uit de maatschap had moeten uitkeren en dat zij aanspraak maakt op de helft van het restant dat in de maatschap is gebleven, volgt de rechtbank dan ook niet. Uit het artikel volgt dat er een redelijke vergoeding dient te worden bepaald, waarvan in dit geval sprake is. Het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.

verrekenvordering

4.59.

Tijdens de zitting is naar voren gekomen dat tussen partijen niet meer in geschil is dat de man een privéschuld aan zijn ouders van € 25.000,= heeft afgelost met gemeenschapsgeld. De man dient ter zake dan ook € 12.500,= aan de vrouw te vergoeden. Het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man ter zake de verrekenvordering verplicht is aan de vrouw te betalen binnen een maand na betekening van de in deze te wijzen beschikking, zal worden toegewezen tot het bedrag van € 12.500,=.

schenkingen

4.60.

De man stelt dat hij vanwege tijdens het huwelijk van zijn ouders ontvangen schenkingen een vordering op de gemeenschap heeft van € 9.000,=, dan wel een vordering op de vrouw heeft van € 4.500,=. De vrouw is het eens waar de man stelt een vordering van

€ 3.500,= op haar te hebben zijnde de helft van het bedrag van de schenkingen van de ouders van de man, gedaan op 1 juli 2020 en op 29 december 2022. In geschil is dan nog de vordering van de man ten aanzien van de schenking van € 2.000,= gedaan op 9 december 2019. Nu de vrouw omtrent de schenking gedaan op 9 december 2019 heeft gesteld dat deze destijds is aangewend voor de aankoop van een aanhangwagen die nu bij de man blijft en de man dit niet dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, gaat de rechtbank daarvan uit. De vrouw is dan ook niet gehouden de helft van die schenking aan de man te vergoeden. De rechtbank zal beslissen dat de vrouw een bedrag van € 3.500,= aan de man dient te vergoeden.

aflossingen leningen

4.61.

In de brief van 8 januari 2026 van mr. Van den Hoogen is namens de man gesteld dat de vrouw bij aanvang van het huwelijk vier leningen had, te weten:

  • Een lening bij haar ouders, aangegaan op 27 december 2013 voor € 75.000,=, stand per datum huwelijk onbekend;

  • Een lening bij haar ouders, aangegaan op 20 januari 2018 voor € 50.000,=, stand per datum huwelijk onbekend;

  • Een lening bij haar ouders, aangegaan op 11 februari 2018 voor € 75.000,=, stand per datum huwelijk € 75.000,=;

  • Een lening bij ABN AMRO met [rekeningnummer 7] , welke lening bij aanvang € 25.000,= bedroeg, in december 2017 € 24.531,04 bedroeg en waarvan de stand per datum huwelijk onbekend is.

Tijdens de zitting is gebleken dat niet in geschil is dat de lening van 27 december 2013 en die van 11 februari 2018 één en dezelfde lening betreft. Voorts is tijdens de zitting gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat voornoemde lening en de lening aangegaan op 20 januari 2018 voor € 50.000,= door de vrouw zijn afgelost uit haar privévermogen, te weten uit de verkoopopbrengst van haar vakantiewoning in [plaats] . In geschil is nog de lening bij de ABN AMRO met [rekeningnummer 7] . Gelet op hetgeen ter zitting hieromtrent naar voren is gekomen, staat tussen partijen vast dat deze lening is afgelost. De vrouw sluit niet uit dat een bedrag van € 10.000,= à € 15.000,= met gemeenschapsgeld is afgelost. De man stelt daaromtrent dat “dat zou kunnen kloppen” maar wil daarvan bewijs zien. Om proceseconomische redenen en nu partijen hebben aangegeven prijs te stellen op een eindbeschikking, stelt de rechtbank de vrouw, gelet op haar aanbod ter zitting daartoe, niet meer in de gelegenheid om ter bewijs van haar stelling bankafschriften bij de bank op te vragen en in het geding te brengen, maar gaat de rechtbank er in redelijkheid van uit dat voornoemde schuld is afgelost met een bedrag van € 12.500,= aan gemeenschapsgeld. Hierbij is meegewogen dat de man zijn verzoek ten aanzien van de leningen pas kort voor de zitting heeft ingediend. De vrouw dient de helft van het bedrag van € 12.500,=, zijnde

€ 6.250,= aan de man te vergoeden, aldus zal worden beslist.

eigenaarslasten

4.62.

De man stelt dat partijen eerder afspraken dat zij de lasten van de echtelijke woning alsmede de huurwoning in een verhouding van 40% (vrouw) / 60% (man) zouden voldoen. De vrouw is haar bijdrage in de eigenaarslasten van de echtelijke woning gestopt en de man voldoet sinds augustus 2025 de betalingen van deze lasten alleen. Het betreft de volgende lasten:

- hypotheekrente en -aflossing die bestaat uit de bedragen: € 1.421,05; € 311,93;

€ 126,74; € 820,83; € 811,08, derhalve totaal € 3.491,66;

  • opstalverzekering, zijnde € 108,33 per maand;

  • gemeentelijke belastingen die voor het eigenaarsdeel bestaan uit: OZB € 1.148,46; Rioolheffing € 230,=; Watersysteemheffing € 82,24; Watersysteemheffing gebouwd € 266,26, totaal € 1.726,96 per jaar/ € 143,91 per maand.

Het totaal van deze lasten bedraagt € 3.743,90 per maand en de vrouw is op grond van 3:172 BW gehouden naar eigendomsaandeel (50%) bij te dragen in deze lasten met een bedrag van € 1.871,95. De man heeft tot en met het schrijven van de brief van 8 januari 2026 van mr. Van den Hoogen 6 maanden voldaan zodat hij een vordering op de vrouw heeft van € 11.231,70 en voor de nog te verschijnen termijnen tot aan de datum van levering van de woning aan derden p.m. te bepalen.

4.63.

De vrouw heeft verweer gevoerd als volgt. Zij is gestopt met het betalen van de lasten van de echtelijke woning vanwege de - gelet op de inkomens van partijen - scheve verhouding, omdat alleen de man het gebruik van de woning en de inboedel had en hij geen gebruiksvergoeding betaalde en voorts omdat zij geen aftrek kon genieten van de hypotheekrente. De man was ook verantwoordelijk voor de huurlast van haar woning maar deze voldoet zij ook alleen. In de voorlopige voorzieningenprocedure is gerekend met een aanzienlijk woonbudget voor de man; de partnerbijdrage voor haar is daarom lager uitgepakt. Indien zij moet meebetalen voor de helft dan geeft dat een dubbeltelling. De man rekent de bruto hypotheekrente, terwijl hij nog aftrek geniet. Ook zijn de gebruikerslasten volledig voor zijn rekening. Gezien de feitelijke situatie en de inkomensverhouding is verrekening van de eigenaarslasten niet aan de orde, aldus de vrouw.

4.64.

De rechtbank overweegt als volgt. Zolang de woning niet is verkocht en geleverd, blijft de mede-eigendom bestaan en moeten partijen in principe de helft van de woonlasten betalen. Vast staat dat de man op het moment van de zitting de eigenaarslasten over de afgelopen zes maanden heeft voldaan en hij in beginsel een regresvordering op de vrouw heeft voor de op dat moment betaalde termijnen; de man heeft geen titel om de vrouw te veroordelen tot betaling aan hem voor de periode daarna nu die termijnen op dat moment nog niet door hem waren betaald. Echter nu, zoals onder r.o. 4.38. is overwogen voor wat betreft de verdeling van de overwaarde van de woning ten aanzien van de hypotheekschulden wordt uitgegaan van de hypotheekschulden per augustus 2025 omdat de man sindsdien als enige op de hypotheekschulden heeft afgelost en daarmee de vermogensopbouw per augustus 2025 ten gunste van de man komt, kan de vrouw nu niet worden veroordeeld tot betaling per augustus 2025 van de helft van de hypotheekaflossing aan de man. In de door de man gemaakte berekening die ten grondslag ligt aan zijn vordering is de hypotheekrente en aflossing begrepen, zodat het door de man gevorderde bedrag onjuist is. Nu de man geen inzage heeft gegeven in welk deel van de opgevoerde hypotheeklasten de hypotheekrente en welk deel de hypotheekaflossing betreft, kan de rechtbank de regresvordering die de man op de vrouw heeft niet berekenen. Daarnaast heeft de man niet alleen eigenaarslasten opgevoerd maar ook een gebruikerslast, die alleen voor zijn rekening dient te komen. Gelet op het vorenstaande wordt het verzoek van de man afgewezen.

4.65.

Gelet op het vorenstaande wordt op onderstaande wijze worden beslist.

5De beslissing

De rechtbank

C/02/429659 FA RK 24-5804 (echtscheiding)

5.1.

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2018 te Loon op Zand met elkaar gehuwd;

5.2.

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 1.785,= bruto per maand;

5.3.

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

C/02/436955 FA RK 25-3259 (verdeling)

5.4.

gelast de navolgende wijze van verdeling van de echtelijke woning te [woonplaats 2] , [adres] en de daaraan gekoppelde hypotheken:

- de woning wordt verkocht aan een derde;

- partijen voeren binnen drie weken na de zitting, derhalve op 10 februari 2026, overleg met [makelaar] ;

- partijen geven binnen één week na hiervoor bedoeld overleg opdracht tot verkoop aan [makelaar] ;

- partijen laten zich met betrekking tot de vraagprijs en de laatprijs van de woning bindend adviseren door de makelaar;

- de levering van de woning dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden;

- binnen drie weken nadat partijen het advies van de makelaar omtrent noodzakelijk te verrichten werkzaamheden hebben ontvangen, zullen deze werkzaamheden zijn verricht waarbij de vrouw de werkzaamheden in de tuin zal verrichten en de man de werkzaamheden binnenshuis zal uitvoeren;

- partijen zullen de in verband met de hiervoor bedoelde noodzakelijk te verrichten werkzaamheden noodzakelijk gemaakte kosten bij helfte delen;

- partijen zullen de verkoopkosten (kosten van de makelaar, de kosten van het energielabel en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) bij helfte delen;

- na verkoop moeten met de verkoopopbrengst de op de woning rustende hypothecaire geldleningen bij de hypotheekverstrekker en de hiervoor bedoelde verkoopkosten worden betaald;

- de overwaarde van de woning wordt berekend door de verkoopprijs van de woning te verminderen met de hypotheekschulden per augustus 2025 (zoals onder r.o. 4.38. uiteen is gezet), de kosten van de makelaar, de kosten van het energielabel en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering van de woning;

- uit voornoemde overwaarde worden de hierna onder 5.5. vermelde vergoedingsrechten van de man en de vrouw betaald; het eventuele restant aan overwaarde moeten partijen bij helfte delen;

5.5.

stelt vast dat partijen vergoedingsrechten toekomen jegens de gemeenschap vanwege het aanwenden van privévermogen ten behoeve van de echtelijke woning als volgt:

  • de vrouw komt toe een bedrag van € 21.123,47, een bedrag van 7.000/631.700 x de verkoopprijs en een bedrag van 120.000/583.000 x de verkoopprijs,

  • de man komt toe een bedrag van 10.000/631.700 x de verkoopprijs, alsmede een bedrag van 83.700/631.700 x de verkoopprijs,

te betalen op het moment van notariële overdracht van de woning aan een derde uit de overwaarde van de woning, waarbij geldt dat als de overwaarde ontoereikend is om deze vergoedingen aan partijen te doen toekomen, de vergoedingen naar evenredigheid worden verminderd;

5.6.

gelast de wijze van verdeling van de bankrekeningen zoals opgesomd onder r.o. 3.46. als volgt:

- deelt aan ieder van partijen toe de saldi van de op zijn of haar naam staande bankrekeningen per 31 december 2024, waarbij partijen de positieve saldi bij helfte dienen te delen en een negatief saldo bij helfte dienen te dragen en bepaalt dat partijen elkaar over en weer inzage dienen te verschaffen in de saldi per 31 december 2024;

5.7.

gelast de navolgende wijze van verdeling van de caravan:

- de caravan wordt verkocht aan een derde;

- de vrouw neemt de verkoop van de caravan ter hand;

- de man laat een tweede sleutelset voor de vrouw bijmaken;

- de man zal foto’s van de caravan aan de vrouw verstrekken;

- de vrouw zet de caravan te koop voor een bedrag van € 24.000,=;

- bezichtigingen vinden op de oprit van de echtelijke woning plaats en de vrouw informeert de man over de datum en het tijdstip van de bezichtigingen waarbij deze ook in het weekend kunnen plaatsvinden;

- de man haalt bij bezichtigingen de hoes van de caravan af en plaatst deze terug;

- na verkoop dient uit de verkoopopbrengst het hierna onder 5.8. vermelde vergoedingsrecht aan de vrouw te worden betaald; het eventuele restant moeten partijen bij helfte delen;

5.8.

stelt vast dat de vrouw een vergoedingsrecht toekomt vanwege het aanwenden van privévermogen voor de aanschaf van de caravan van 40% van de verkoopopbrengst van de caravan te betalen uit de verkoopopbrengst van de caravan op het moment van overdracht van de caravan aan een derde;

5.9.

stelt vast dat de man ter zake de Volvo een vergoedingsrecht toekomt jegens de vrouw van € 9.994,=;

5.10.

bepaalt dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de aanslag IB 2023 en dat de man voor € 32.521,= een regresrecht op de vrouw heeft;

5.11.

bepaalt dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de naheffingsaanslag 2021 SPH en dat de man voor € 11.106,16 een regresrecht op de vrouw heeft;

5.12.

stelt vast dat de man aan de vrouw dient te vergoeden een bedrag van € 12.500,= uit hoofde van aflossing door de man van een privéschuld aan zijn ouders met gemeenschapsgeld en verplicht de man dit bedrag te betalen aan de vrouw binnen een maand na betekening van deze beschikking;

5.13.

stelt vast dat de vrouw aan de man dient te vergoeden een bedrag van € 3.500,= uit hoofde van schenkingen van de ouders van de man aan de man;

5.14.

stelt vast dat de vrouw aan de man dient te vergoeden een bedrag van € 6.250,= uit hoofde van aflossingen door de vrouw van een privéschuld (de lening bij ABN AMRO met [rekeningnummer 7] ) met gemeenschapsgeld;

5.15.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.16.

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. Pulskens, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.


meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Meer fiscale opties pensioenverrekening samenwoners
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 06-05-2025
Jasper Horsthuis en Rob Welling gaan in gesprek over een recente uitbreiding van de fiscale mogelijkheden voor pensioenverrekening door samenwoners. Zij bepleiten een verdere verruiming van de regeling.
Podcastgesprek: Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente (II)
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 22-04-2025
De Belastingdienst heeft - opnieuw - een standpunt gepubliceerd over de fiscale afwikkeling van een lijfrentepolis bij echtscheiding. Rob Welling en Jasper Horsthuis bespreken de gevolgen hiervan.
Podcastgesprek: Breaking! Vóórhuwelijks vergoedingsrecht halveert niet!
Drs. Jasper Horsthuis en Rob Welling, 08-04-2025
Onze redacteur Jasper Horsthuis en scheidingsfiscalist Rob Welling gingen in gesprek over de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad op 21-03-2025. Super heldere uitleg over inhoud en gevolgen van de uitspraak!
Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN