Essentie (gemaakt door AI)
Echtscheiding en verdeling. Echtscheiding uitgesproken en partneralimentatie bepaald op € 1.785 bruto p/m. Behoefte via hofnorm, peiljaar 2023; NBI man als maat via gemiddelde winst 2023-2025; vrouw werkt 80% en hoeft niet uit te breiden. Man participeert in maatschap; verzoek vrouw om vergoeding toename ondernemingsvermogen op grond van art. 1:95a BW afgewezen omdat redelijke vergoeding via inkomen is genoten. Verdeling beperkte gemeenschap met uitgebreide vergoedingsrechten en regres over IB 2023 en SPH 2021.| Datum publicatie | 04-05-2026 |
| Zaaknummer | C/02/429659 FA RK 24-5804 (echtscheiding) |
| Procedure | Rekestprocedure |
| Zittingsplaats | Breda |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Alimentatie; Familievermogensrecht; Wettelijke beperkte gemeenschap |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Echtscheiding en verdeling. Echtscheiding uitgesproken en partneralimentatie bepaald. Man participeert in maatschap. Toepassing art. 1:95a BW. Verdeling beperkte gemeenschap.Volledige uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/429659 FA RK 24-5804 (echtscheiding)
C/02/436955 FA RK 25-3259 (verdeling)
datum uitspraak: 20 maart 2026
beschikking betreffende echtscheiding en verdeling
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.L.P. Heuts te Breda,
en
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. E.J.A. van den Hoogen te Oss.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 10 december 2024 ontvangen verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvorderingen, met bijlagen;
- het op 27 februari 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
- het op 29 april 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het F9-formulier d.d. 23 juni 2025 van mr. Van den Hoogen;
- de brief d.d. 22 december 2025 van mr. Heuts met het formulier verdelen en verrekenen;
- de brief d.d. 8 januari 2026 van mr. Van den Hoogen met bijlagen;
- de brief d.d. 8 januari 2026 van mr. Heuts met bijlagen;
- de brief d.d. 9 januari 2026 van mr. Heuts met bijlagen;
- de beschikking voorlopige voorzieningen van 15 november 2024.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 20 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
2De feiten
Partijen, Nederlanders, zijn op [datum] 2018 te Loon op Zand met elkaar gehuwd.
Partijen zijn eerder gehuwd geweest. Zij hebben uit dat eerdere huwelijk ieder drie kinderen. Beiden delen de zorg voor hun kinderen bij helfte met hun ex-partner. Tijdens de zitting waren de kinderen van de man 15, 18 en 20 jaar oud en die van de vrouw 16, 18 en 20 jaar oud.
3De verzoeken
De vrouw verzoekt, samengevat, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
- de echtscheiding uit te spreken;
- vast te stellen een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage van
€ 2.943,= bruto per maand dan wel een bedrag vast te stellen dat de rechtbank juist acht,
voor het eerst geïndexeerd conform artikel 1:402a BW per 1 januari 2026;
- de verdeling van de gezamenlijke vermogensbestanddelen vast te stellen
overeenkomstig de in haar verweerschrift op zelfstandig verzoek onder punt 4 tot en met 46
verzochte verdeling, althans een zodanige (wijze van) verdeling vast te stellen als de
rechtbank juist acht en te bepalen welke bedragen partijen aan elkaar dienen te voldoen,
binnen een maand na betekening van de in deze te wijzen beschikking;
- te bepalen dat de man ter zake de verrekenvordering zoals verzocht, verplicht is aan de
vrouw te betalen een bedrag van € 25.000,= binnen een maand na betekening van de in deze
te wijzen beschikking.
De man verzoekt, samengevat, bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:
- de vrouw niet ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoeken dan wel dat haar verzoeken worden afgewezen;
- de echtscheiding wordt uitgesproken;
- de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen tussen partijen wordt gelast op de wijze zoals beschreven in punt 54 tot en met 75 van het lichaam van het verweerschrift van de man alsmede in de brief van 8 januari 2026 van mr. Van den Hoogen;
- de man vorderingen op de beperkte gemeenschap heeft uit hoofde van vergoedingsrechten, te berekenen op de wijze als beschreven in punt 76 tot en met 83 van zijn verweerschrift en welke vorderingen verrekend dienen te worden met de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning van partijen, zoals beschreven in punt 84 van het lichaam van het verweerschrift van de man alsmede in de brief van 8 januari 2026 van mr. Van den Hoogen.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna ingegaan.
4De beoordeling
C/02/429659 FA RK 24-5804 (echtscheiding)
echtscheiding
Beide partijen verzoeken de echtscheiding uit te spreken en stellen daartoe dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De verzoeken tot echtscheiding zijn op de wet gegrond en zullen worden toegewezen op onderstaande wijze.
partneralimentatie
De vrouw heeft aan haar verzoek tot het vaststellen van een bijdrage, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat zij behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en dat de man over voldoende draagkracht beschikt om de door haar verzochte bijdrage te voldoen. De man voert verweer. Hij betwist de hoogte van de door de vrouw gestelde huwelijksgerelateerde behoefte, de door de vrouw gestelde hoogte van haar aanvullende behoefte en betwist dat hij draagkracht heeft om het door de vrouw verzochte bedrag te voldoen.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële
draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn
neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. De rechtbank rondt
bedragen af op hele euro’s, tenzij anders is vermeld.
huwelijksgerelateerde behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie berekend moet worden aan de hand van de zogenaamde ‘hofnorm’ zodat de vrouw behoefte heeft aan 60% van het voor partijen beschikbare netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI).
Tussen partijen is in geschil van welk peiljaar voor de vaststelling van het NBGI moet worden uitgegaan. De vrouw gaat uit van het jaar 2023; zij stelt daartoe dat partijen tot september 2023 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De man gaat uit van 2022; hij voert daartoe aan dat 2022 het laatste jaar was dat partijen volledig samen waren.
De rechtbank is van oordeel dat 2023 het peiljaar dient te zijn voor de vaststelling van het NBGI en de op basis daarvan te berekenen behoefte. Nu de man stelt dat de vrouw in augustus 2023 de woning heeft verlaten en de vrouw stelt dat dat half september 2023 was, staat vast dat partijen het grootste deel van het jaar 2023 hebben samengewoond en een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De rechtbank rekent met de tarieven 2023-2.
Voor de vaststelling van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw (hierna: NBI) wordt uitgegaan van het inkomen zoals dat volgt uit de jaaropgaaf 2023, overgelegd door de vrouw als productie 14. Daaruit volgt een inkomen van € 81.243,= bruto per jaar. Daarop strekt in mindering de fiscaal belaste bijtelling voor het privégebruik van de leaseauto, ter hoogte van € 8.028,= per jaar, zoals door de vrouw onweersproken is gesteld. Verder wordt rekening gehouden met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting.
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 4.074,= per maand.
Partijen verschillen van mening over de wijze waarop het NBI van de man tijdens het huwelijk berekend moet worden.
De vrouw stelt dat voor het berekenen van het NBI van de man uitgegaan moet worden van de winstdeling van de maatschap van de man (huisartsenpraktijk) over de jaren 2021 tot en met 2023. Voor wat betreft het jaar 2023 is de vrouw in haar inleidende verzoekschrift in afwachting van de definitieve cijfers, uitgegaan van de voorlopige cijfers. Zij komt dan op een gemiddelde (belastbare) winst uit onderneming van € 246.864,=. Zij voert aan dat bij het uitgaan van de winst uit onderneming zoals die blijkt uit de aangiftes inkomstenbelasting - zoals de man dat doet - er een verschil van € 5.000,= aan kosten is waarvan niet bekend is welke kosten dat zijn. Dat zijn door de man opgevoerde kosten die fiscaal gezien opgevoerd kunnen worden maar waarvan de vrouw zich afvraagt of het in het kader van de berekening van de partneralimentatie wenselijk en noodzakelijk is om de winst uit onderneming van de man daarmee te verlagen.
De man stelt dat zijn NBI berekend moet worden aan de hand van het gemiddelde van zijn winst uit onderneming en nu hij een behoorlijk fluctuerend inkomen heeft over 5 jaren, te weten over de jaren 2018 tot en met 2022. Bovendien hebben partijen die periode samengeleefd als echtgenoten zodat dit alles zegt over de inkomensstandaard van partijen. Hij is van mening dat niet uitgegaan moet worden van het jaar 2023 nu dat jaar een vertekend beeld geeft omdat de winst in dat jaar eenmalig afzonderlijk hoog was. Dat had er mee te maken dat de man en zijn compagnon in dat jaar veel zijn blijven werken omdat er geen waarnemer was en met het oog op een aansluitende maat in de maatschap in 2024 continuïteit van belang was. Hij hanteert de aangiftes inkomstenbelasting over voornoemde jaren en komt dan op een gemiddelde winst uit onderneming van € 176.305,40 per jaar. De vrouw gaat voor de berekening van zijn NBI uit van de winstdeling in de huisartsenpraktijk; dat is onjuist nu dit niets zegt over zijn daadwerkelijke inkomen, aldus de man. De winst uit onderneming van de man zoals die blijkt uit de aangiftes inkomstenbelasting is maatgevend nu partijen daarvan hebben geleefd. Hij wijst op de door hem als productie 8 overgelegde verklaring van zijn accountant omtrent de verschillen tussen de winst uit de maatschap waarvan de vrouw uitgaat en de inkomsten uit onderneming volgens de aangifte IB; de accountant geeft daarin aan dat het verschil zit in de winstgerelateerde persoonlijke aftrekposten.
De rechtbank zoekt ter bepaling van het NBI van de man aansluiting bij de bedragen die de man de laatste drie jaren voorafgaand aan de beëindiging van de relatie van partijen aan winst uit onderneming aan zijn maatschap heeft onttrokken en wat partijen dus ook feitelijk hebben besteed; dit acht de rechtbank maatgevend. In hetgeen de man aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt waarbij de laatste drie jaar voor het beëindigen van de relatie (2021, 2022 en 2023) maatgevend zijn voor het bepalen van het NBI van een ondernemer. De rechtbank is van oordeel dat met voornoemde drie jaren een voldoende bestendig beeld wordt verkregen. Gelet op de verklaring van de accountant van de man, welke verklaring door de vrouw als productie 10 is overgelegd en door de man als productie 8, is de reden van de lagere inkomsten uit onderneming in de aangiften inkomstenbelasting, waar de man vanuit gaat, ten opzichte van de winst uit de maatschap waar de vrouw van uitgaat, gelegen in persoonlijke aftrekposten die winstgerelateerd zijn. De rechtbank gaat, gezien het vorenstaande, uit van de winst uit onderneming die de man de laatste drie jaren voorafgaand aan de beëindiging van de relatie aan zijn maatschap heeft onttrokken. In de door de vrouw aangevoerde omstandigheid dat er bij het uitgaan van de winst uit onderneming zoals die blijkt uit de aangiftes IB een bedrag van € 5.000,= aan onbekende kosten is, ziet de rechtbank, gezien de geringe hoogte van dit bedrag, geen aanleiding om anders te beslissen. De winsten over 2021 en 2022 blijken uit voornoemde verklaring van de accountant, hiervan gaat de rechtbank uit. De in die verklaring opgenomen winst voor 2023 geeft, zoals blijkt uit die verklaring, geen definitief resultaat weer. Nu later in de procedure als productie 39 alsnog de aangifte inkomstenbelasting 2023 door de man is overgelegd, gaat de rechtbank voor het jaar 2023 uit van die aangifte inkomstenbelasting 2023. Voor dat jaar gaat de rechtbank, evenals waarvan de accountant in zijn verklaring voor de jaren 2021 en 2022 is uitgegaan, uit van het “saldo fiscale winstberekening” als zijnde de winst van de man uit persoonlijke onderneming in het jaar 2023. De rechtbank gaat daarom uit van de volgende gegevens:
Winst persoonlijke onderneming:
2021: € 207.008,=;
2022: € 190.170,=.
2023: € 241.520,=.
Het gemiddelde over die drie jaren bedraagt dan € 212.899,= bruto per jaar.
Partijen zijn het erover eens dat rekening moet worden gehouden met de premie arbeidsongeschiktheid. De rechtbank gaat, gelet op het voorgaande, uit van de gemiddelde premie over de jaren 2021 t/m 2023. Uitgaande van de overgelegde rapporten inkomstenbelasting over die jaren bedroeg de premie in 2021 € 7.052,= in 2022 € 9.067,= en in 2023 € 9.212,=. De gemiddelde premie over die jaren bedraagt dan € 8.444,= bruto per jaar.
In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde zelfstandigenaftrek, mkb-winstvrijstelling en de verschuldigde inkomstenbelasting. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen.
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 10.117,= per maand.
Partijen zijn het erover eens dat bij de bepaling van het NBGI rekening moet worden gehouden met de bijdragen en zorgkosten voor hun kinderen uit hun eerdere huwelijk en met de onderhoudsbijdrage van de man voor zijn ex-partner.
Zij zijn het eens dat aan de zijde van de vrouw rekening moet worden gehouden met kosten ad € 1.000,= per maand netto, zijnde een bedrag van € 500,= aan zorgkosten en € 500,= aan kinderbijdrage, die de vrouw maakte voor haar kinderen uit haar eerdere huwelijk.
Partijen zijn het erover eens dat de man € 1.224,= bruto per maand aan partneralimentatie voor zijn ex-partner voldoet. De man heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat dit
€ 800,= netto per maand is, hetgeen door de vrouw verder niet meer danwel onvoldoende gemotiveerd is weersproken. De rechtbank gaat derhalve uit van een netto bedrag aan partneralimentatie voor de ex-partner van € 800,= per maand. Verder zijn partijen het erover eens dat de man een bedrag van € 148,= per maand voor zijn kinderen aan zijn ex-partner voldoet, zodat de rechtbank hiermee rekening houdt.
Tussen partijen is in geschil met welk bedrag aan kosten kindrekening, het bedrag dat de man maandelijks op de kinderrekening van zijn kinderen voldeed, rekening moet worden gehouden. De man houdt rekening met een bedrag van € 790,= per maand. Hij verwijst naar het ouderschapsplan dat hij destijds met zijn ex-partner heeft opgesteld waarin deze bijdrage is opgenomen. Weliswaar heeft hij in de jaren 2022 t/m 2024 tijdelijk minder betaald op de kindrekening, te weten € 400,= per maand; dat was conform artikel 7.2 van het ouderschapsplan omdat het saldo op de kindrekening het afgesproken bedrag oversteeg, maar ook vanwege de verbouwing. Later ontstonden er tekorten die hij heeft aangevuld; daarmee heeft de man met terugwerkende kracht de bijdragen aangevuld tot € 790,= per maand. Er moet volgens de man dus wel degelijk rekening worden gehouden met de overeengekomen bedragen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 400,= per maand. De man heeft het overeengekomen bedrag in 2019 naar € 400,= per maand verlaagd en dit is het bedrag dat de man in de peiljaren daadwerkelijk heeft betaald. De rechtbank houdt rekening met een bedrag van € 400,= per maand. Immers, vaststaat dat de man deze bedragen ten tijde van de samenleving van partijen en in het peiljaar 2023 heeft gestort en dat de man eerst in 2024, derhalve na de samenleving van partijen, dit bedrag heeft aangevuld.
Verder is in geschil de zorgkosten waarmee rekening moet worden gehouden. De man heeft opgevoerd een bedrag van € 734,= per maand aan zorgkosten. Hij heeft dit gebaseerd op de behoefte van de kinderen en uitgaande van de omstandigheid dat zij 50% van de tijd bij hem doorbrengen. Hij verwijst naar de stukken. De vrouw stelt zich op het standpunt dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 500,= per maand. Gezien de behoefte acht zij dit een reële postenkost in het kader van het co-ouderschap. De man betaalt maximaal een bedrag van € 500,= in natura, aldus de vrouw. De rechtbank houdt rekening met een bedrag van € 790,= aan zorgkosten. De zorgkosten bedragen een bepaald percentage van de behoefte van de kinderen. Uit de zijdens de vrouw als productie 5 overgelegde berekening blijkt een behoefte van de kinderen van de man van € 1.820,= per maand in 2017. Geïndexeerd naar 2023 (het peiljaar) is die behoefte € 2.096,= per maand. Uitgaande van een co-ouderschap en een bijbehorend percentage van 35 voor de zorgkorting, bedraagt de zorgkorting, ofwel bedragen de zorgkosten voor de man € 734,= per maand.
Derhalve wordt, gelet op het vorenstaande, rekening gehouden met de bijdragen en zorgkosten als volgt: € 1.000,= + € 800,= + 148,= + 400,= + 734,=, zijnde in totaal € 3.082,= per maand.
Rekening houdend met voornoemde kosten bedraagt het NBGI € 11.109,= per maand. Het aandeel van de vrouw in genoemd NBGI bedraagt de helft, zijnde € 5.554,50 per maand. Omdat het voeren van twee gescheiden huishoudens duurder is dan het leven in gezinsverband, wordt bij dit aandeel een percentage van 20 opgeteld, zodat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekent op € 6.665,= netto per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte nu in 2026
€ 7.885,= netto per maand.
aanvullende behoefte
Om te bepalen of, en zo ja, in welke mate de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man, moet op deze huwelijksgerelateerde behoefte in mindering worden gebracht haar eigen netto inkomen. Partijen twisten in dit verband over de verdiencapaciteit van de vrouw. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij op dit moment niet in staat is volledig in haar behoefte te voorzien. Zij werkt parttime, te weten voor 80%, voor [bedrijf] . Er wordt door haar werkgever meer van haar verwacht dan die 32 uur per week nu zij nog werkzaamheden in haar vrije tijd moet doen. De man heeft ook een vrije dag, partijen leefden ook zo tijdens hun huwelijk. Zij heeft om de week de zorg voor haar kinderen. Daarnaast heeft zij de mantelzorg voor haar demente moeder.
Volgens de man kan de vrouw fulltime werken nu zij geen zorg meer heeft voor basisschoolkinderen en van haar kan en mag worden verlangd dat zij zich inspant om meer inkomen te verdienen. Het is juist dat partijen tijdens het huwelijk op deze manier hebben geleefd maar toen waren de kinderen jonger. Partijen zijn nu twee jaar uit elkaar en de vrouw had haar inkomen moeten verhogen. Voorts heeft hij aangevoerd dat de vrouw heeft aangegeven nooit partneralimentatie van hem te zullen vragen; zij zou voor zichzelf zorgen en niet afhankelijk van hem willen zijn. Ook heeft hij aangevoerd dat sprake was van een kortdurend huwelijk (vijf jaar) en dat geen sprake is van het ontstaan van een bestendig uitgavenpatroon dat tekenend is voor de kosten van het levensonderhoud van partijen.
De rechtbank stelt voorop dat van behoeftigheid eerst sprake is als de onderhoudsgerechtigde (in dit geval de vrouw) niet voldoende inkomsten heeft tot haar levensonderhoud, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven. De onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw bestaat daarom alleen voor zover de vrouw niet in eigen levensonderhoud kan voorzien, terwijl zij zich daartoe wel voldoende heeft ingespannen. Dit betekent dat de vrouw, die stelt behoefte te hebben aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud, dient aan te tonen dat zij geen of onvoldoende inkomsten heeft om in haar behoefte te voorzien en evenmin in redelijkheid in staat kan worden geacht (voldoende) inkomsten te verwerven (verdiencapaciteit). Daarbij dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Vaststaat dat de vrouw thans 80% werkt. De vrouw heeft tijdens de zitting onweersproken gesteld dat zij tijdens het huwelijk ook altijd 80% heeft gewerkt. Voorts is niet in geschil dat de vrouw de mantelzorg voor haar dementerende moeder heeft. Gelet op die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat van de vrouw op dit moment niet kan worden verlangd dat zij haar werkzaamheden uitbreidt tot 100%.
De rechtbank gaat voor wat betreft de vaststelling van het huidige NBI van de vrouw uit van de loonstrook van december 2025 van de vrouw (productie 40 van de vrouw); de vrouw heeft verklaard dat zij in december jl. een loonsverhoging heeft gekregen, hetgeen ook uit die loonstrook blijkt. Dat de vrouw in januari 2026 nog een salarisverhoging zou krijgen, zoals de man stelt, is, in het licht van het onweersproken gebleven verweer van de vrouw dat de CAO waarnaar de man in dit verband verwijst niet op haar van toepassing is, niet gebleken. De man wordt in die stelling dan ook niet gevolgd. Uit voornoemde loonstrook volgt een bruto maandinkomen van € 6.603,78, te vermeerderen met de vakantietoeslag van 8%. Verder staat vast dat de vrouw een dienstenvergoeding ontvangt. De vrouw heeft daaromtrent ter zitting onweersproken het volgende aangegeven. Deze vergoeding is afhankelijk van de hoeveelheid diensten die zij doet. In 2024 was dat nog tweemaal per jaar en in 2025 was dat eenmalig een bedrag van € 1.312,50. Zij wijst op de loonstrook van september 2025. In de toekomst verdwijnt die vergoeding. Zij heeft tijdelijk ingesprongen op bepaalde locaties en gaat meer oorspronkelijk werk doen, hetgeen betekent dat zij minder diensten gaat draaien. De rechtbank gaat, gelet op voorgaande toelichting, in redelijkheid uit van een dienstenvergoeding van € 1.313,= bruto per jaar. Deze vergoeding heeft de vrouw, zoals zij onweersproken heeft gesteld, in 2025 ontvangen en wanneer deze vergoeding in de toekomst zal verdwijnen, is op dit moment onbekend. Verder staat vast dat de vrouw jaarlijks een PRP uitkering ontvangt, zijnde een bonus die afhankelijk is van het resultaat in dat jaar. De vrouw heeft aangegeven dat uitgegaan moet worden van € 3.622,= bruto per jaar, zijnde het gemiddelde over de jaren 2023, 2024 en 2025 omdat de uitkering in 2025 van € 2.160,40 bruto, zoals die blijkt uit de loonstrook van december, tegenvallend was. Nu de man dit niet heeft weersproken, gaat de rechtbank uit van een PRP uitkering van
€ 3.622,= bruto per jaar. Volgens de loonstrook van december 2025 bedraagt de bijtelling auto € 669,= per maand. Voorts volgt uit de loonstrook van december 2025 een pensioenpremie van € 604,= per maand.
In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag van € 4.907,= per maand.
De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt, gelet op haar eigen NBI van € 4.907,= per maand, aldus € 2.978,= netto per maand. Dit komt neer op
€ 5.898,= bruto per maand.
draagkracht man
De financiële draagkracht van de man om een bijdrage ten behoeve van
De vrouw te betalen wordt in 2026 bij een NBI vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor lagere inkomens dan
€ 2.200,= per maand zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
De man stelt dat voor de berekening van zijn draagkracht ook moet worden uitgegaan van de gemiddelde winst over vijf jaar (2018-2022) zoals die blijkt uit zijn aangiftes inkomstenbelasting en komt dan op een gemiddelde winst uit onderneming van
€ 176.305,40 per jaar zoals in zijn verweerschrift is aangegeven. Bij zijn laatstingediende stukken handhaaft hij dit standpunt waarbij hij wijst op het volgende. Uit zijn aangifte IB 2023 volgt een winst uit onderneming van € 203.381,= en uit zijn aangifte IB 2024 volgt een winst uit onderneming van € 233.744,=. Uit de door hem overgelegde prognose winst- en verliesrekening 2025 volgt een resultaat van € 517.234,63 waarvan hem 40%
(= € 206.893,85) toekomt. Rekening houdend met het verschil tussen de jaarlijkse winstverdeling en de door hem opgegeven winst uit onderneming van € 30.000,= (zijnde de aftrek van de persoonsgebonden aftrekposten) zal de man in zijn aangifte IB naar verwachting € 177.000,= opgeven. Met enkele jaren met een uitzonderlijke hoge winstverdeling en winst uit onderneming maar ook stabilisatie van de praktijk nu er een derde maat is, handhaaft de man zijn standpunt om van genoemde gemiddelde winst uit onderneming van € 176.305,40 per jaar uit te willen gaan.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat uitgegaan moet worden van de gemiddelde winst over drie jaren; ter zitting heeft zij aangegeven dat dit de afgelopen jaren 2023, 2024 en 2025 kunnen zijn. Zij gaat daarbij uit van de winstdeling van de maatschap van de man. Zij stelt dat in de voorlopige resultatenrekening over 2025 nog moet worden meegenomen een bedrag van € 22.000,= à € 23.000,= nu in alle jaarrekeningen is te zien dat achteraf nog een bedrag voor vaccinaties wordt uitgekeerd. De winst uit onderneming van de man van
€ 207.000,= moet met dit bedrag worden gecorrigeerd zodat de winst uit onderneming van de man € 216.000,= bedraagt. Verder is de vrouw van mening dat, nu de tarieven in de huisartsenzorg nog altijd niet correct zijn en conform een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven over 2023, 2024 en 2025 dienen te worden verhoogd, rekening moet worden gehouden met een nabetaling. Uitgaande van een patiëntenaantal van 6.000 zou er in 2025 nog een nabetaling van € 30.000,= moeten komen omdat de tarieven met terugwerkende kracht worden aangepast. Dit zou dan voor de man een hoger resultaat van
€ 12.000,= zijn (40% van 30.000) waardoor de winst uit onderneming van de man uitkomt op € 228.000,=.
De rechtbank stelt vast dat het bij een ondernemer gebruikelijk is om uit te gaan van de gemiddelde winst uit onderneming over een periode van drie jaar omdat inkomensschommelingen inherent zijn aan het voeren van een eigen onderneming en ziet in hetgeen door de man is aangevoerd geen aanleiding om daarvan af te wijken. De rechtbank neemt het gemiddelde over de jaren 2023, 2024 en 2025 tot uitgangspunt omdat dit de meest recente cijfers zijn en hiermee een voldoende bestendig beeld wordt verkregen. Voor wat betreft het winstbegrip is de rechtbank van oordeel dat, onder verwijzing naar hetgeen hieromtrent in rechtsoverweging 4.9. is overwogen, ook hier uitgegaan moet worden van hetgeen de man in genoemde jaren aan winst uit onderneming aan zijn maatschap heeft onttrokken. Uit de aangiftes inkomstenbelasting 2023 en 2024 volgt een winst van de man van € 241.520,= in 2023 en € 233.744,= in 2024. Voor het jaar 2025 beschikt de rechtbank alleen over een prognose winst- en verliesrekening. Daaruit volgt een aan de man toekomend resultaat van (40% van € 517.234,64) € 206.894,=; daar zijn partijen het over eens. Nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat het resultaat van de man in 2025 moet worden verhoogd met zijn aandeel in het gemiddelde van € 23.000,= aan inkomsten uit vaccinaties dat jaarlijks achteraf wordt betaald, houdt de rechtbank rekening met 40% (het maatschapsaandeel van de man) van genoemd gemiddelde, zijnde een bedrag van € 9.200,= per jaar. Geen rekening wordt gehouden met de eventuele aanpassing (verhoging) in huisartsentarieven nu dit, zoals door de man onweersproken is gesteld, nog onder de rechter is en nog allerminst vast staat. Verder ziet de rechtbank, gelet op de hetgeen hierna (in rechtsoverweging 4.58.) wordt overwogen omtrent de investeringen van de man in de maatschap, aanleiding om voor wat betreft de inkomsten van de man in 2025 rekening te houden met een reservering van de man van € 20.000,= op jaarbasis in die zin dat dit bedrag van het resultaat van de man wordt afgetrokken. Uit het voorgaande volgt dan een winst van de man in 2025 van € 196.094,=. De gemiddelde winst van de man over de jaren 2023, 2024 en 2025 bedraagt dan € 223.786,=. Hiervan gaat de rechtbank uit.
Voor wat betreft de premie arbeidsongeschiktheid gaat de rechtbank uit van een bedrag van € 10.728,= per jaar nu dat bedrag door de man in zijn alimentatieberekening voor 2026 is opgenomen (productie 44 van de man) en door de vrouw niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, is weersproken.
In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde zelfstandigenaftrek, mkb-winstvrijstelling en de verschuldigde inkomstenbelasting. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag van € 10.407,= per maand.
Partijen zijn het er over eens dat rekening moet worden gehouden met de onderhoudsbijdragen die de man voldoet ten behoeve van zijn kinderen van € 148,= per maand en ten behoeve van zijn ex-partner van € 1.224,= bruto per maand. Ook hier houdt de rechtbank, onder verwijzing naar r.o. 4.13. rekening met zorgkosten voor de man ter hoogte van € 734,= per maand.
In geschil tussen partijen is de maandelijkse storting door de man op de kindrekening.
De man stelt dat hij maandelijks € 790,= stort. Hij wijst daarbij op de verplichting die is opgenomen in het ouderschapsplan. De vrouw voert verweer. Zij stelt dat rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 400,= per maand. De man laat wel zien dat hij na de beschikking in de voorlopige voorzieningenprocedure het bedrag van € 790,= per maand is gaan betalen, maar de vrouw heeft geen inzage in het verloop van de kindrekening. De spaarrekening van de kinderen is toegenomen. Er is dan ook voldoende geld voor de kinderen. Op de kindrekening staat nu teveel geld en mogelijk gaat de man straks zijn ex-partner weer aan de € 400,= per maand houden, aldus de vrouw. De rechtbank houdt rekening met de door de man opgevoerde bijdrage van € 790,= per maand. Tussen partijen is niet in geschil dat de man deze bijdrage thans voldoet en dat hij dat doet op basis van een afspraak met zijn ex-partner; het betreft derhalve een verplichting van de man waarmee bij de bepaling van de draagkracht van de man ten behoeve van partneralimentatie rekening moet worden gehouden. Bovendien geldt dat er voor kinderen mag worden gespaard.
De draagkracht van de man is dan, inclusief fiscaal voordeel, € 1.785,= bruto per maand. Het verzoek van de vrouw zal tot zover worden toegewezen.
In hetgeen de man nog heeft aangevoerd omtrent het kortdurende huwelijk van partijen en dat de vrouw eerder heeft aangegeven nooit partneralimentatie van hem te zullen vragen, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te beslissen. Het staat de vrouw immers vrij om een verzoek tot partneralimentatie in te dienen.
De rechtbank zal de verplichting tot betaling van voornoemde verschuldigde onderhoudsbijdrage in laten gaan per datum inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
C/02/436955 FA RK 25-3259 (verdeling)
De vrouw verzoekt de verdeling van de gezamenlijke vermogensbestanddelen vast te stellen op de door haar aangegeven wijze, althans een zodanige (wijze van) verdeling vast te stellen als de rechtbank juist acht en te bepalen welke bedragen partijen aan elkaar dienen te voldoen, binnen een maand na de in deze te wijzen beschikking. Voorts verzoekt zij te bepalen dat de man ter zake de verrekenvordering zoals verzocht, verplicht is aan de vrouw te betalen een bedrag van € 25.000,= binnen een maand na betekening van de in deze te wijzen beschikking. De man verzoekt te bepalen dat de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen tussen partijen wordt gelast op de door hem aangegeven wijze en voorts te bepalen dat hij vorderingen op de beperkte gemeenschap heeft uit hoofde van vergoedingsrechten, te berekenen op de door hem aangegeven wijze en welke vorderingen verrekend dienen te worden met de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning van partijen zoals door hem aangegeven.
De rechtbank stelt vast dat partijen na 1 januari 2018 zijn gehuwd en zij geen huwelijkse voorwaarden hebben laten opstellen. Partijen zijn daarom gehuwd in de wettelijke beperkte huwelijksgemeenschap.
Tot de wettelijke beperkte gemeenschap behoren alle goederen die al voor het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfenissen en giften. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren voor het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen. Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 10 december 2024, dat is de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde geldt, voor zover partijen niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere datum met zich meebrengen, de datum van de verdeling.
Door de man en de vrouw zijn de volgende bestanddelen naar voren gebracht:
-
de woning te [woonplaats 2] , [adres] ;
-
de bankrekeningen en daarop staande saldi met nrs.:
[rekeningnummer 1] betaalrekening op naam van partijen;
[rekeningnummer 2] op naam van vrouw (lopende rekening);
[rekeningnummer 3] op naam van vrouw (spaarrekening);
[rekeningnummer 4] op naam van man (lopende rekening);
[rekeningnummer 5] op naam van man (lopende rekening);
[rekeningnummer 6] op naam man (spaarrekening)
caravan Knaus 500 UF sport silver selection;
Volvo V90 met [kenteken] ;
inboedel;
de hypotheken met nrs.:
[nummer 1] ;
[nummer 2] ;
[nummer 3] ;
[nummer 4] ;
[nummer 5] .
de (te verwachten) vordering op partijen wegens aanslag IB 2021 en 2023;
de (te verwachten) vordering op partijen SPH.
De man en vrouw stellen nog vergoedingsrechten jegens de gemeenschap te hebben vanwege het aanwenden van privévermogen ten behoeve van de echtelijke woning. De vrouw stelt nog een vordering op de man te hebben in verband met de toename van het ondernemingsvermogen van de man in de maatschap en voorts stelt zij dat sprake is van een verrekenvordering in verband met aflossing door de man van een privéschuld met gemeenschapsgeld. De man stelt nog een vordering op de gemeenschap dan wel op de vrouw te hebben in verband met tijdens het huwelijk door hem ontvangen schenkingen en hij stelt voorts dat de vrouw aan hem een bedrag dient te vergoeden in verband met door haar tijdens het huwelijk afgeloste leningen bij haar ouders en bij de [rekeningnummer 7] . Verder heeft de man nog gesteld een vordering op de vrouw te hebben vanwege de door hem betaalde eigenaarslasten van de echtelijke woning.
De rechtbank zal hetgeen hierboven onder r.o. 4.34. en r.o. 4.35. is genoemd bespreken en daaromtrent een beslissing nemen. Daarbij zal per bestanddeel de wijze van verdeling worden gelast of vastgesteld.
de woning en hypotheken (post a. en f.)
Partijen zijn het erover eens dat de woning moet worden verkocht. Partijen zijn het eens dat zij binnen drie weken na de zitting, dus uiterlijk 10 februari 2026 overleg zullen voeren met [makelaar] en voorts dat zij uiterlijk binnen één week na dat overleg opdracht zullen geven tot verkoop aan die makelaar. Zij hebben voorts afgesproken dat zij zich met betrekking tot de vraag- en laatprijs en een eventuele bijstelling van de vraag- en laatprijs zullen conformeren aan het advies van de makelaar. Partijen hebben ermee ingestemd dat het advies van de makelaar daaromtrent bindend is. Verder zijn partijen het er erover eens dat in het geval de makelaar noodzakelijk te verrichten werkzaamheden adviseert deze werkzaamheden binnen drie weken na het verschijnen van dat advies zijn verricht. Omtrent de werkzaamheden die partijen zelf kunnen uitvoeren zijn zij het erover eens dat de man de werkzaamheden binnenshuis zal verrichten en de vrouw de werkzaamheden in de tuin zal doen. Partijen zijn het erover eens dat zij de noodzakelijk gemaakte kosten zullen delen. Voor wat betreft de levertermijn zijn partijen het erover eens dat deze zo snel mogelijk dient te zijn. Partijen zijn het eens dat de overwaarde van de woning wordt berekend door de verkoopprijs te verminderen met de hypotheekschulden per augustus 2025 (zoals hierna onder r.o. 4.38. uiteengezet), de kosten van de makelaar en de kosten van het energielabel. Partijen zijn het er voorts over eens dat hetgeen dan resteert aan overwaarde tussen partijen dient te worden verdeeld, maar dat eerst de vergoedingsrechten (zoals hierna onder r.o. 4.39. uiteengezet) moeten worden verrekend met de overwaarde van de woning. De verdeling van de woning zal worden gelast, waarbij de rechtbank, zoals tijdens de zitting met partijen is besproken en door hen is verzocht, een zogenaamd spoorboekje zal opnemen.
Na verkoop moeten met de verkoopopbrengst de alsdan op de woning rustende hypothecaire geldleningen bij de hypotheekverstrekker worden afgelost. Voor de berekening van de overwaarde van de woning wordt voor wat betreft de hoogte van de hypotheekschulden, zoals door de man is verzocht en nu de vrouw daartegen geen verweer is gevoerd, als onweersproken gebleven uitgegaan van de hypotheekschulden per augustus 2025, zoals die volgen uit het door de man als productie 51 overgelegde hypotheekoverzicht d.d. 20 augustus 2025. De man heeft daartoe gesteld dat hij sindsdien als enige op de hypotheekschulden heeft afgelost, hetgeen door de vrouw niet is weersproken. Hieruit volgt dat van het volgende wordt uitgegaan, (per augustus 2025):
[nummer 1] met de stand € 65.575,33;
[nummer 2] met de stand € 170.497,23;
[nummer 3] met de stand € 26.639,43;
[nummer 4] met de stand € 172,546,41;
[nummer 5] met de stand € 335.604,77.
De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, op onderstaande wijze beslissen omtrent de hypotheken. Daarbij wordt overwogen, wellicht ten overvloede, dat het voorgaande betekent dat de vermogensopbouw vanaf augustus 2025 ten gunste van de man dient te komen.
vergoedingsrechten van partijen vanwege het aanwenden van privévermogen ten behoeve van de echtelijke woning
Tussen partijen is niet in geschil dat de man door het aanwenden van privé-vermogen ten behoeve van de aanschaf van de echtelijke woning van partijen een vergoedingsrecht jegens de beperkte gemeenschap van partijen heeft van 10.000/631.700 x de verkoopprijs, alsmede een vergoedingsrecht van 83.700/631.700 x de verkoopprijs. Ook is tussen hen niet in geschil dat de vrouw door het aanwenden van privé-vermogen ten behoeve van de aanschaf van de echtelijke woning van partijen een vergoedingsrecht jegens de beperkte gemeenschap van partijen heeft van 7.000/631.700 x de verkoopprijs.
Voorts zijn partijen het erover eens dat de vrouw wegens het investeren van privé-vermogen in de woning van partijen een vergoedingsrecht jegens de beperkte gemeenschap van partijen heeft van 120.000/583.000 x de verkoopprijs.
De vrouw stelt dat zij nog recht heeft op vergoeding van het door haar geïnvesteerde bedrag van € 21.123,47; primair conform de beleggingsleer te berekenen en subsidiair conform de nominaliteitsleer. Zij stelt daartoe dat dit bedrag, zijnde een restantbedrag van de verkoopopbrengst van haar privé onroerend goed in [plaats] , op de gezamenlijke rekening van partijen is blijven staan en vervolgens is aangewend voor de verbouwing van de woning van partijen. Zij wijst ter onderbouwing van haar stellingen op de door haar overgelegde productie 20, hetgeen volgens haar een uitwerking betreft van de (terug)stortingen en betalingen via de gezamenlijke rekening. De man voert verweer. Hij geeft aan dat niet is te herleiden dat het restantbedrag van € 21.123,47 daadwerkelijk is gebruikt voor de verbouwing van de woning. Het bedrag aan privévermogen van de vrouw is opgemaakt ten behoeve van de gemeenschap, maar dat zou net zo goed aan de kosten van de huishouding of anderszins besteed kunnen zijn. De vrouw heeft geen recht op een vergoeding van dit bedrag volgens de beleggingsleer maar wel conform de nominaliteitsleer.
De rechtbank overweegt als volgt. Met de man is de rechtbank van oordeel dat uit de daartoe door de vrouw overgelegde productie 20 niet valt te herleiden dat het bedrag van € 21.123,47 is geïnvesteerd in de woning van partijen. Nu de vrouw ook op andere wijze niet heeft aangetoond dat dat bedrag is geïnvesteerd in de woning van partijen zal het primaire verzoek van de vrouw worden afgewezen. Het subsidiaire verzoek van de vrouw zal dan worden toegewezen nu de man heeft aangegeven dat de vrouw recht heeft op een vergoeding van dat bedrag volgens de nominaliteitsleer. De vrouw heeft derhalve een vergoedingsrecht jegens de beperkte gemeenschap van partijen van € 21.123,47.
Uit het vorenstaande volgt dat uit de overwaarde van de woning (zoals hiervoor is overwogen zijnde de verkoopprijs te verminderen met de hypotheekschulden per augustus 2025, de kosten van de makelaar en de kosten van het energielabel) partijen uit hoofde van vergoedingsrechten toekomt:
-
de man: een bedrag van 10.000/631.700 x de verkoopprijs, alsmede een bedrag van 83.700/631.700 x de verkoopprijs;
-
de vrouw: een bedrag van 7.000/631.700 x de verkoopprijs; een bedrag van 120.000/583.000 x de verkoopprijs en een bedrag van € 21.123,47.
Het restant van de overwaarde dient bij helfte tussen partijen te worden verdeeld. Indien de overwaarde van de woning niet toereikend is om bovengenoemde vergoedingen aan partijen te doen toekomen, dan worden hun vergoedingen naar evenredigheid verminderd.
De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, op onderstaande wijze beslissen omtrent de vergoedingsrechten.
de bankrekeningen (post b.)
Tussen partijen is niet in geschil dat de kinderrekeningen buiten de verdeling vallen.
De vrouw verzoekt de rechtbank de saldi op de bankrekeningen per 31 december 2024 bij helfte te delen en de rekeningen toe te delen aan één van partijen. De vrouw wil inzicht en een praktische benadering; door uit te gaan van de saldi per 31 december 2024 kunnen de jaaroverzichten van 2024 worden gehanteerd. Waar de man stelt dat een verdeling reeds heeft plaatsgevonden, betreft dit alleen de rekening op naam van beide partijen. De andere rekeningen zijn niet verdeeld. Na het feitelijk uiteengaan was nog sprake van een uitgebreide financiële huishouding van partijen en van gezamenlijke financiële verantwoordelijkheden.
De man stelt zich, zo begrijpt de rechtbank, primair op het standpunt dat een verdeling heeft plaatsgevonden en subsidiair dat voor de verdeling uitgegaan moet worden van 1 september 2023 omdat partijen toen feitelijk uitgeengingen en de gemeenschappelijke rekening werd verdeeld. Deze rekening is op ‘0’ gezet en daarna is er nog geld op gezet voor de gezamenlijke kosten van partijen. Partijen zijn na hun feitelijk uiteengaan financieel gescheiden gaan leven.
De rechtbank overweegt als volgt. In het licht van hetgeen door de vrouw tijdens de zitting onweersproken naar voren is gebracht, is gebleken dat er na september 2023 nog inkomsten van partijen - die gezamenlijk zijn - op de bankrekeningen terecht zijn gekomen. Een verdeling van de saldi van de bankrekeningen dient dan ook nog plaats te vinden. De rechtbank volgt, gelet op het vorenstaande, dan ook - behoudens voor wat betreft de gemeenschappelijke rekening - de vrouw in haar stelling dat de saldi per 31 december 2024 verdeeld dienen te worden; deze peildatum acht de rechtbank ook in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid nu deze is gelegen kort na de datum van ontbinding van de beperkte gemeenschap (zijnde het moment van indiening van het verzoekschrift). Voorts zal de vrouw in haar stelling worden gevolgd dat de saldi per peildatum bij helfte dienen te worden verdeeld nu de man dit verder niet heeft weersproken. Tussen partijen is niet in geschil dat het gaat om de volgende bankrekeningen:
[rekeningnummer 1] betaalrekening op naam van partijen;
[rekeningnummer 2] op naam van vrouw (lopende rekening);
[rekeningnummer 3] op naam van vrouw (spaarrekening);
[rekeningnummer 4] op naam van man (lopende rekening);
[rekeningnummer 5] op naam van man (lopende rekening);
[rekeningnummer 6] op naam man (spaarrekening).
De rechtbank zal de verdeling van de bankrekeningen als volgt gelasten. Aan ieder van partijen worden de saldi van de op zijn of haar naam staande bankrekeningen toegedeeld waarbij zij de saldi per 31 december 2024 bij helfte dienen te verdelen in die zin dat ieder der partijen recht heeft op de helft van het positieve saldo en dat een negatief saldo door partijen bij helfte dient te worden gedragen. Partijen dienen elkaar over en weer inzage te verschaffen in de saldi per 31 december 2024 van genoemde bankrekeningen. Ten aanzien van het saldo van de gemeenschappelijke rekening behoeft de rechtbank geen beslissing meer te nemen nu het saldo, zo is niet in geschil, al tussen partijen is verdeeld.
De rechtbank merkt op dat de rekeningen die op naam van de man of de vrouw staan, op diens naam zullen blijven staan en dat partijen de gemeenschappelijke rekening na verdeling van het saldo kunnen (laten) opheffen.
caravan (post c.)
Partijen zijn het erover eens dat de caravan moet worden verkocht. Partijen zijn het over het volgende eens. De vrouw zal de verkoop van de caravan ter hand nemen. De man zal een tweede sleutelset voor de vrouw laten bijmaken. De man zal foto’s van de caravan aan de vrouw verstrekken. De vrouw zet de caravan te koop voor het bedrag van
€ 24.000,=. Bezichtigingen zullen op de oprit van de (echtelijke) woning plaatsvinden, deze kunnen ook in het weekend plaatsvinden. De vrouw informeert de man wanneer de bezichtigingen zijn gepland. De man haalt bij bezichtigingen de hoes van de caravan af en plaatst deze weer terug. De vrouw komt een vergoedingsrecht toe van 40% van de verkoopopbrengst van de caravan. Na aftrek van voornoemd vergoedingsrecht van de vrouw zal het restant van de verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte worden gedeeld.
De rechtbank zal, zoals ter zitting met partijen is besproken, een spoorboekje opnemen.
De rechtbank stelt, gelet op het vorenstaande, vast dat de vrouw een vergoedingsrecht toekomt van 40% van de verkoopopbrengst van de caravan. De rechtbank zal bepalen dat dit bedrag wordt betaald uit de verkoopopbrengst van de caravan en op het moment van overdracht van de caravan.
volvo V90 (post d.)
Partijen hebben overeenstemming bereikt omtrent de Volvo als volgt. Zij zijn het erover eens dat de Volvo, die op het moment van de zitting feitelijk bij de man in gebruik is, eigendom van de vrouw is en dat de man een vergoedingsrecht toekomt van 38% van de waarde ad € 26.300,= van de Volvo. De man draagt de Volvo uiterlijk 6 weken na de zittingsdatum, zijnde uiterlijk 3 maart 2026, over aan de vrouw. De vrouw voldoet het vergoedingsrecht van € 9.994,= aan de man. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt behoeft de rechtbank hieromtrent geen beslissing meer te nemen, behoudens hetgeen hierna onder r.o. 3.50. wordt beslist. Partijen dienen uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken.
De rechtbank stelt, gelet op het vorenstaande, vast dat de man ter zake de Volvo een vergoedingsrecht jegens de vrouw toekomt van € 9.994,=.
de inboedel (post e.)
Partijen hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij de inboedel in onderling overleg zullen verdelen, zodat op dat punt geen beslispunt voor de rechtbank meer voorligt.
aanslagen IB 2021 en 2023 en vordering SPH (posten g. en h.)
Nadat de man zich in eerste instantie op het standpunt stelde dat de Belasting-aanslagen en teruggaven van beide partijen over 2021 en 2023 dienden te worden verrekend, heeft de man tijdens de zitting afgezien van zijn vordering op de helft van de belastingteruggaven die de vrouw over de jaren 2021 en 2023 heeft gehad. Gelet op deze intrekking zal het verzoek van de man omtrent betaling aan hem van de helft van de belastingteruggaven die de vrouw heeft genoten over 2021 en 2023, op onderstaande wijze worden afgewezen. De rechtbank gaat er, gezien de brief van 8 januari 2026 van mr. Van den Hoogen met daarbij het ingebrachte formulier verdelen/verrekenen van de man, vanuit dat de man zich thans op het standpunt stelt dat de vrouw de helft van de aanslag IB over 2023 van € 65.042,= aan hem dient te voldoen; hierbij voorts gelet op de omstandigheid dat hij geen concreet verzoek met onderbouwing over het jaar 2021 heeft ingediend. Voorts begrijpt de rechtbank, eveneens gezien de brief van 8 januari 2026 van mr. Van den Hoogen, dat de man zich thans op het standpunt stelt dat de vrouw de helft van de naheffingsaanslag 2021 SPH (pensioenpremie) van € 22.212,32 aan hem dient te voldoen.
De man stelt daartoe, samengevat, het volgende. Zijn voorlopige aanslagen IB voortkomend uit de winsten uit onderneming over 2021 tot en met 2024 zijn kunstmatig laag gehouden omdat partijen dan meer liquide middelen beschikbaar hadden voor de verbouwing van de woning; dat geld was nodig voor die verbouwing. De aanslagen zijn gecorrigeerd. De man heeft bijbetalingen verricht ten behoeve van partijen gemeenschappelijk, ieder der partijen is daarvoor voor de helft draagplichtig. De vrouw dient de helft van de aanslag over 2023 van € 65.042,= aan hem dient te voldoen nu hij dit bedrag heeft betaald. De man heeft in 2021 te weinig pensioenpremie voldaan eveneens om meer liquide middelen ter beschikking te hebben voor de verbouwing van de woning. De man heeft de SPH naheffing over 2021 van € 22.212,32 betaald. Beide partijen zijn bij helfte draagplichtig nu dit een gemeenschapsschuld betreft. De vrouw dient de helft van de naheffingsaanslag 2021 SPH van het bedrag van € 22.212,32 aan hem te voldoen. Het voordeel dat is genoten door het uitstellen van de pensioenbetaling en de belastingbetaling is in de gemeenschap gevallen, aldus de man.
De vrouw voert verweer, samengevat, als volgt. Zij stelt zich op het standpunt dat deze lasten voor rekening van de man dienen te komen. De man heeft er zelf voor gekozen om op deze wijze te boekhouden; dat is nooit een gemeenschappelijke beslissing van partijen geweest. Het voordeel hiervan is nooit in de gemeenschap gevloeid. De man heeft het geld op zijn eigen rekening gehouden nu de verhouding waarin partijen hebben bijgedragen aan de gezamenlijke lasten scheef was. Bovendien is onjuist de stelling van de man dat dit zou zijn gedaan voor de verbouwing nu de verbouwing grotendeels in 2020 en 2021 was afgerond.
De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de verzoeken van de man omtrent de terugbetaling door de vrouw aan hem van de helft van de IB aanslag over 2023 van € 65.042,= en de helft van de naheffingsaanslag 2021 SPH van € 22.212,32, is de rechtbank van oordeel dat beide partijen gelijke draagplicht hebben ten aanzien van deze schulden (artikel 1:100 BW) . Vaststaat dat immers dat deze schulden vòòr de ontbinding van de beperkte gemeenschap zijn ontstaan en derhalve gemeenschapsschulden betreffen. De rechtbank gaat ervan uit dat het voordeel van de in eerste instantie omlaag gebrachte voorlopige aanslag IB en vordering pensioenpremie aan de gemeenschap van partijen ten goede is gekomen nu niet is gebleken dat dit anders is. De rechtbank zal bepalen dat de man voor de helft van voornoemde bedragen, een bedrag van € 32.521,= (aanslag IB 2023) en een bedrag van € 11.106,16 (naheffingsaanslag SPH) een regresvordering op de vrouw heeft.
toename ondernemersvermogen (post .i)
De man is huisarts en hij participeert al van vòòr het huwelijk in een maatschap.
De vrouw verzoekt, althans zo begrijpt de rechtbank het verzoek van de vrouw, te bepalen dat zij een vordering op de man heeft ter grootte van de helft van de toename van het ondernemingsvermogen van de man in de maatschap over de huwelijkse periode, zijnde een bedrag van € 70.663,=. Zij stelt daartoe, samengevat en voor zover van belang, het volgende. Nu de man in de huwelijkse periode niet steeds zijn gehele aandeel in het resultaat van de maatschap als inkomen heeft opgenomen maar een deel in de maatschap heeft gelaten, hoort de toename van het ondernemingsvermogen van de man in de maatschap over de huwelijkse periode van partijen tot de gemeenschap en dient deze bij helfte tussen te worden gedeeld. De man had dit resultaat als inkomen kunnen opnemen waardoor het op een bankrekening terecht zou zijn gekomen en door partijen gezamenlijk was uitgegeven of gespaard. Het verschil tussen het ondernemingsvermogen van € 235.880,= op 31 december 2024 en het ondernemingsvermogen begin 2018 van € 94.554,= is gezamenlijk vermogen en dient bij helfte te worden gedeeld.
De man voert verweer strekkende tot afwijzing van dit verzoek. Hij stelt daartoe, samengevat en voor zover van belang, het volgende. Zijn aandeel in de maatschap betreft privé vermogen. Hij heeft voldaan aan artikel 1:95a BW nu het inkomen dat hij heeft gehad van afgerond € 10.000,= bruto per maand, kijkend naar het inkomen dat een huisarts in loondienst met ervaring als de man verdient zoals dat volgt uit de door hem overgelegde productie 63, marktconform is. Aan de gemeenschap is dan ook reeds een redelijke vergoeding ten goede gekomen in de vorm van zijn inkomen zodat er voor een vergoeding van het gestegen ondernemingsvermogen als ware het gemeenschappelijk vermogen geen grondslag bestaat. Nu de vrouw geen concrete omstandigheden heeft gesteld op basis waarvan de redelijke vergoeding moet worden vastgesteld en die eventueel met zich zouden kunnen meebrengen dat de volledige waardestijging ten bate van de gemeenschap komt, heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan. Daarbij komt dat de man en zijn maten reserveringen hebben gedaan voor uit te voeren onderhoud de komende jaren aan het pand waarin de praktijk huist en ook voor software en dergelijke. Er moeten reserves zijn om economisch minder goede tijden op te vangen of investeringen in de toekomst te kunnen doen. Daarnaast kan het zo zijn dat zijn aandeel is toegenomen door waardestijging van de voorhuwelijkse onderneming of eigendommen van de onderneming. Hij wijst op jurisprudentie. Indien de rechtbank komt tot een vergoeding van de waardestijging in de onderneming, dan stelt de man dat 31 december 2023 bepalend is omdat partijen in dat jaar feitelijk hun samenwoning beëindigden, zij sindsdien doende zijn geweest om te komen tot verdeling en afwikkeling van de gevolgen van de echtscheiding en partijen toen ook hun financiën van elkaar scheidden.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat het aandeel van de man in de maatschap buiten de beperkte gemeenschap van partijen valt. De rechtbank begrijpt het verzoek van de vrouw als een verzoek om een vergoeding op grond van artikel 1:95a BW. Deze bepaling luidt als volgt:
Lid 1: Indien een onderneming buiten de gemeenschap valt, komt een redelijke vergoeding voor kennis, vaardigheden en arbeid die een echtgenoot voor die onderneming heeft aangewend, ten bate van de gemeenschap voor zover een dergelijke vergoeding niet al op een andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen.
Lid 2: Ook indien een onderneming op naam en voor rekening van een personenvennootschap of een rechtspersoon wordt uitgeoefend, de gerechtigheid tot die personenvennootschap of die rechtspersoon buiten de gemeenschap valt en de echtgenoot die daartoe is gerechtigd, in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van die onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, komt ten bate van de gemeenschap een redelijke vergoeding voor de kennis, vaardigheden en arbeid die een echtgenoot ten behoeve van die onderneming heeft aangewend, voor zover een dergelijke vergoeding niet al op andere wijze ten bate van beide echtgenoten komt of is gekomen.
Gelet op voornoemde bepaling moet worden beantwoord de vraag of in dit geval een redelijke vergoeding voor de kennis, kunde en arbeid die de man heeft ingezet voor de maatschap aan de gemeenschap ten goede is gekomen. De rechtbank constateert op basis van de stukken en de niet weersproken stelling van de man dat de man zichzelf door de jaren heen een inkomen heeft uitgekeerd van gemiddeld € 10.000,= per maand. Tussen partijen is niet in geschil dat de inkomsten die aan de man zijn uitgekeerd aan de gemeenschap ten goede zijn gekomen. Voorts blijkt uit de stukken dat het maatschapsaandeel van de man is toegenomen van, afgerond, € 95.000,= in 2018 tot, afgerond, € 236.000,= in 2024. Daaruit kan worden afgeleid dat de man jaarlijks een bedrag van ruim € 20.000,= heeft gereserveerd in de maatschap. De man heeft daartoe onweersproken gesteld dat dit bedrag is gereserveerd voor onderhoud aan het pand en dient als reserve om economisch mindere tijden op te vangen en om investeringen te doen, hetgeen de rechtbank niet ongebruikelijk of onredelijk voorkomt. In het licht van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de man zich tijdens het huwelijk een redelijke vergoeding heeft uitgekeerd. De stelling van de vrouw dat artikel 1:95a meebrengt dat de man zijn volledige winst uit onderneming uit de maatschap had moeten uitkeren en dat zij aanspraak maakt op de helft van het restant dat in de maatschap is gebleven, volgt de rechtbank dan ook niet. Uit het artikel volgt dat er een redelijke vergoeding dient te worden bepaald, waarvan in dit geval sprake is. Het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.
verrekenvordering
Tijdens de zitting is naar voren gekomen dat tussen partijen niet meer in geschil is dat de man een privéschuld aan zijn ouders van € 25.000,= heeft afgelost met gemeenschapsgeld. De man dient ter zake dan ook € 12.500,= aan de vrouw te vergoeden. Het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man ter zake de verrekenvordering verplicht is aan de vrouw te betalen binnen een maand na betekening van de in deze te wijzen beschikking, zal worden toegewezen tot het bedrag van € 12.500,=.
schenkingen
De man stelt dat hij vanwege tijdens het huwelijk van zijn ouders ontvangen schenkingen een vordering op de gemeenschap heeft van € 9.000,=, dan wel een vordering op de vrouw heeft van € 4.500,=. De vrouw is het eens waar de man stelt een vordering van
€ 3.500,= op haar te hebben zijnde de helft van het bedrag van de schenkingen van de ouders van de man, gedaan op 1 juli 2020 en op 29 december 2022. In geschil is dan nog de vordering van de man ten aanzien van de schenking van € 2.000,= gedaan op 9 december 2019. Nu de vrouw omtrent de schenking gedaan op 9 december 2019 heeft gesteld dat deze destijds is aangewend voor de aankoop van een aanhangwagen die nu bij de man blijft en de man dit niet dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, gaat de rechtbank daarvan uit. De vrouw is dan ook niet gehouden de helft van die schenking aan de man te vergoeden. De rechtbank zal beslissen dat de vrouw een bedrag van € 3.500,= aan de man dient te vergoeden.
aflossingen leningen
In de brief van 8 januari 2026 van mr. Van den Hoogen is namens de man gesteld dat de vrouw bij aanvang van het huwelijk vier leningen had, te weten:
-
Een lening bij haar ouders, aangegaan op 27 december 2013 voor € 75.000,=, stand per datum huwelijk onbekend;
-
Een lening bij haar ouders, aangegaan op 20 januari 2018 voor € 50.000,=, stand per datum huwelijk onbekend;
-
Een lening bij haar ouders, aangegaan op 11 februari 2018 voor € 75.000,=, stand per datum huwelijk € 75.000,=;
-
Een lening bij ABN AMRO met [rekeningnummer 7] , welke lening bij aanvang € 25.000,= bedroeg, in december 2017 € 24.531,04 bedroeg en waarvan de stand per datum huwelijk onbekend is.
Tijdens de zitting is gebleken dat niet in geschil is dat de lening van 27 december 2013 en die van 11 februari 2018 één en dezelfde lening betreft. Voorts is tijdens de zitting gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat voornoemde lening en de lening aangegaan op 20 januari 2018 voor € 50.000,= door de vrouw zijn afgelost uit haar privévermogen, te weten uit de verkoopopbrengst van haar vakantiewoning in [plaats] . In geschil is nog de lening bij de ABN AMRO met [rekeningnummer 7] . Gelet op hetgeen ter zitting hieromtrent naar voren is gekomen, staat tussen partijen vast dat deze lening is afgelost. De vrouw sluit niet uit dat een bedrag van € 10.000,= à € 15.000,= met gemeenschapsgeld is afgelost. De man stelt daaromtrent dat “dat zou kunnen kloppen” maar wil daarvan bewijs zien. Om proceseconomische redenen en nu partijen hebben aangegeven prijs te stellen op een eindbeschikking, stelt de rechtbank de vrouw, gelet op haar aanbod ter zitting daartoe, niet meer in de gelegenheid om ter bewijs van haar stelling bankafschriften bij de bank op te vragen en in het geding te brengen, maar gaat de rechtbank er in redelijkheid van uit dat voornoemde schuld is afgelost met een bedrag van € 12.500,= aan gemeenschapsgeld. Hierbij is meegewogen dat de man zijn verzoek ten aanzien van de leningen pas kort voor de zitting heeft ingediend. De vrouw dient de helft van het bedrag van € 12.500,=, zijnde
€ 6.250,= aan de man te vergoeden, aldus zal worden beslist.
eigenaarslasten
De man stelt dat partijen eerder afspraken dat zij de lasten van de echtelijke woning alsmede de huurwoning in een verhouding van 40% (vrouw) / 60% (man) zouden voldoen. De vrouw is haar bijdrage in de eigenaarslasten van de echtelijke woning gestopt en de man voldoet sinds augustus 2025 de betalingen van deze lasten alleen. Het betreft de volgende lasten:
- hypotheekrente en -aflossing die bestaat uit de bedragen: € 1.421,05; € 311,93;
€ 126,74; € 820,83; € 811,08, derhalve totaal € 3.491,66;
-
opstalverzekering, zijnde € 108,33 per maand;
-
gemeentelijke belastingen die voor het eigenaarsdeel bestaan uit: OZB € 1.148,46; Rioolheffing € 230,=; Watersysteemheffing € 82,24; Watersysteemheffing gebouwd € 266,26, totaal € 1.726,96 per jaar/ € 143,91 per maand.
Het totaal van deze lasten bedraagt € 3.743,90 per maand en de vrouw is op grond van 3:172 BW gehouden naar eigendomsaandeel (50%) bij te dragen in deze lasten met een bedrag van € 1.871,95. De man heeft tot en met het schrijven van de brief van 8 januari 2026 van mr. Van den Hoogen 6 maanden voldaan zodat hij een vordering op de vrouw heeft van € 11.231,70 en voor de nog te verschijnen termijnen tot aan de datum van levering van de woning aan derden p.m. te bepalen.
De vrouw heeft verweer gevoerd als volgt. Zij is gestopt met het betalen van de lasten van de echtelijke woning vanwege de - gelet op de inkomens van partijen - scheve verhouding, omdat alleen de man het gebruik van de woning en de inboedel had en hij geen gebruiksvergoeding betaalde en voorts omdat zij geen aftrek kon genieten van de hypotheekrente. De man was ook verantwoordelijk voor de huurlast van haar woning maar deze voldoet zij ook alleen. In de voorlopige voorzieningenprocedure is gerekend met een aanzienlijk woonbudget voor de man; de partnerbijdrage voor haar is daarom lager uitgepakt. Indien zij moet meebetalen voor de helft dan geeft dat een dubbeltelling. De man rekent de bruto hypotheekrente, terwijl hij nog aftrek geniet. Ook zijn de gebruikerslasten volledig voor zijn rekening. Gezien de feitelijke situatie en de inkomensverhouding is verrekening van de eigenaarslasten niet aan de orde, aldus de vrouw.
De rechtbank overweegt als volgt. Zolang de woning niet is verkocht en geleverd, blijft de mede-eigendom bestaan en moeten partijen in principe de helft van de woonlasten betalen. Vast staat dat de man op het moment van de zitting de eigenaarslasten over de afgelopen zes maanden heeft voldaan en hij in beginsel een regresvordering op de vrouw heeft voor de op dat moment betaalde termijnen; de man heeft geen titel om de vrouw te veroordelen tot betaling aan hem voor de periode daarna nu die termijnen op dat moment nog niet door hem waren betaald. Echter nu, zoals onder r.o. 4.38. is overwogen voor wat betreft de verdeling van de overwaarde van de woning ten aanzien van de hypotheekschulden wordt uitgegaan van de hypotheekschulden per augustus 2025 omdat de man sindsdien als enige op de hypotheekschulden heeft afgelost en daarmee de vermogensopbouw per augustus 2025 ten gunste van de man komt, kan de vrouw nu niet worden veroordeeld tot betaling per augustus 2025 van de helft van de hypotheekaflossing aan de man. In de door de man gemaakte berekening die ten grondslag ligt aan zijn vordering is de hypotheekrente en aflossing begrepen, zodat het door de man gevorderde bedrag onjuist is. Nu de man geen inzage heeft gegeven in welk deel van de opgevoerde hypotheeklasten de hypotheekrente en welk deel de hypotheekaflossing betreft, kan de rechtbank de regresvordering die de man op de vrouw heeft niet berekenen. Daarnaast heeft de man niet alleen eigenaarslasten opgevoerd maar ook een gebruikerslast, die alleen voor zijn rekening dient te komen. Gelet op het vorenstaande wordt het verzoek van de man afgewezen.
Gelet op het vorenstaande wordt op onderstaande wijze worden beslist.
5De beslissing
De rechtbank
C/02/429659 FA RK 24-5804 (echtscheiding)
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2018 te Loon op Zand met elkaar gehuwd;
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 1.785,= bruto per maand;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;
C/02/436955 FA RK 25-3259 (verdeling)
gelast de navolgende wijze van verdeling van de echtelijke woning te [woonplaats 2] , [adres] en de daaraan gekoppelde hypotheken:
- de woning wordt verkocht aan een derde;
- partijen voeren binnen drie weken na de zitting, derhalve op 10 februari 2026, overleg met [makelaar] ;
- partijen geven binnen één week na hiervoor bedoeld overleg opdracht tot verkoop aan [makelaar] ;
- partijen laten zich met betrekking tot de vraagprijs en de laatprijs van de woning bindend adviseren door de makelaar;
- de levering van de woning dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden;
- binnen drie weken nadat partijen het advies van de makelaar omtrent noodzakelijk te verrichten werkzaamheden hebben ontvangen, zullen deze werkzaamheden zijn verricht waarbij de vrouw de werkzaamheden in de tuin zal verrichten en de man de werkzaamheden binnenshuis zal uitvoeren;
- partijen zullen de in verband met de hiervoor bedoelde noodzakelijk te verrichten werkzaamheden noodzakelijk gemaakte kosten bij helfte delen;
- partijen zullen de verkoopkosten (kosten van de makelaar, de kosten van het energielabel en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) bij helfte delen;
- na verkoop moeten met de verkoopopbrengst de op de woning rustende hypothecaire geldleningen bij de hypotheekverstrekker en de hiervoor bedoelde verkoopkosten worden betaald;
- de overwaarde van de woning wordt berekend door de verkoopprijs van de woning te verminderen met de hypotheekschulden per augustus 2025 (zoals onder r.o. 4.38. uiteen is gezet), de kosten van de makelaar, de kosten van het energielabel en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering van de woning;
- uit voornoemde overwaarde worden de hierna onder 5.5. vermelde vergoedingsrechten van de man en de vrouw betaald; het eventuele restant aan overwaarde moeten partijen bij helfte delen;
stelt vast dat partijen vergoedingsrechten toekomen jegens de gemeenschap vanwege het aanwenden van privévermogen ten behoeve van de echtelijke woning als volgt:
-
de vrouw komt toe een bedrag van € 21.123,47, een bedrag van 7.000/631.700 x de verkoopprijs en een bedrag van 120.000/583.000 x de verkoopprijs,
-
de man komt toe een bedrag van 10.000/631.700 x de verkoopprijs, alsmede een bedrag van 83.700/631.700 x de verkoopprijs,
te betalen op het moment van notariële overdracht van de woning aan een derde uit de overwaarde van de woning, waarbij geldt dat als de overwaarde ontoereikend is om deze vergoedingen aan partijen te doen toekomen, de vergoedingen naar evenredigheid worden verminderd;
gelast de wijze van verdeling van de bankrekeningen zoals opgesomd onder r.o. 3.46. als volgt:
- deelt aan ieder van partijen toe de saldi van de op zijn of haar naam staande bankrekeningen per 31 december 2024, waarbij partijen de positieve saldi bij helfte dienen te delen en een negatief saldo bij helfte dienen te dragen en bepaalt dat partijen elkaar over en weer inzage dienen te verschaffen in de saldi per 31 december 2024;
gelast de navolgende wijze van verdeling van de caravan:
- de caravan wordt verkocht aan een derde;
- de vrouw neemt de verkoop van de caravan ter hand;
- de man laat een tweede sleutelset voor de vrouw bijmaken;
- de man zal foto’s van de caravan aan de vrouw verstrekken;
- de vrouw zet de caravan te koop voor een bedrag van € 24.000,=;
- bezichtigingen vinden op de oprit van de echtelijke woning plaats en de vrouw informeert de man over de datum en het tijdstip van de bezichtigingen waarbij deze ook in het weekend kunnen plaatsvinden;
- de man haalt bij bezichtigingen de hoes van de caravan af en plaatst deze terug;
- na verkoop dient uit de verkoopopbrengst het hierna onder 5.8. vermelde vergoedingsrecht aan de vrouw te worden betaald; het eventuele restant moeten partijen bij helfte delen;
stelt vast dat de vrouw een vergoedingsrecht toekomt vanwege het aanwenden van privévermogen voor de aanschaf van de caravan van 40% van de verkoopopbrengst van de caravan te betalen uit de verkoopopbrengst van de caravan op het moment van overdracht van de caravan aan een derde;
stelt vast dat de man ter zake de Volvo een vergoedingsrecht toekomt jegens de vrouw van € 9.994,=;
bepaalt dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de aanslag IB 2023 en dat de man voor € 32.521,= een regresrecht op de vrouw heeft;
bepaalt dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de naheffingsaanslag 2021 SPH en dat de man voor € 11.106,16 een regresrecht op de vrouw heeft;
stelt vast dat de man aan de vrouw dient te vergoeden een bedrag van € 12.500,= uit hoofde van aflossing door de man van een privéschuld aan zijn ouders met gemeenschapsgeld en verplicht de man dit bedrag te betalen aan de vrouw binnen een maand na betekening van deze beschikking;
stelt vast dat de vrouw aan de man dient te vergoeden een bedrag van € 3.500,= uit hoofde van schenkingen van de ouders van de man aan de man;
stelt vast dat de vrouw aan de man dient te vergoeden een bedrag van € 6.250,= uit hoofde van aflossingen door de vrouw van een privéschuld (de lening bij ABN AMRO met [rekeningnummer 7] ) met gemeenschapsgeld;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. Pulskens, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
