ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Rechtbank Noord-Holland 04-02-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:922

Essentie (gemaakt door AI)

Aansprakelijkheid mediator. Vordering van eiser tegen mediator en maatschap wegens tekortschieten in mediationovereenkomst wordt afgewezen. Geen contractuele relatie met mediator persoonlijk vanwege exoneratie in algemene voorwaarden; ook geen OD. Ten aanzien van maatschap: geen schending zorgplicht door niet te stoppen met mediation of niet dwingen tot inschakelen advocaat; eiser had bedenktijd en was geïnformeerd. Twee beroepsfouten (AB-claim en rc-schuld) aangenomen, maar geen causaal verband met gestelde schade. Vorderingen afgewezen. Eiser wordt in de procesk

Datum publicatie02-03-2026
ZaaknummerC/15/360919 / HA ZA 25-29
ProcedureBodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenTuchtrecht / aansprakelijkheid; Tuchtrecht/aansprakelijkheid mediator
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Aansprakelijkheid mediator. Is mediator tekort geschoten in de nakoming van de mediationovereenkomst? Heeft mediator gehandeld zoals een redelijk bekwame en redelijk handelende professionele mediator had moeten handelen?

Volledige uitspraak


RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/360919 / HA ZA 25-29

Vonnis van 4 februari 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats 1],

eisende partij,

advocaat: mr. H.C. Bijleveld,

tegen

1 [gedaagde 1],

te [plaats 2],

2. de maatschap
[gedaagde 2],

te [plaats 2],

gedaagde partijen,

advocaat: mr. H.M. Kruitwagen.

Eisende partij zal hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagde partijen zullen hierna gezamenlijk [gedaagden] en ieder afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1De zaak in het kort

1.1.

Deze procedure gaat over het handelen van [gedaagde 1] als mediator. Volgens [eiser] zijn [gedaagden] tekort geschoten in de nakoming van de tussen [eiser] en haar echtgenoot gesloten mediationovereenkomst en heeft [gedaagde 1] niet gehandeld zoals een redelijk bekwame en redelijk handelende professionele mediator had moeten handelen, primair omdat [gedaagde 1] de mediation niet heeft beëindigd, dan wel [eiser] niet heeft geadviseerd om een jurist of advocaat in de arm te nemen om het echtscheidingsconvenant te controleren, en subsidiair omdat [gedaagde 1] twee beroepsfouten heeft gemaakt. [eiser] stelt hierdoor substantiële schade te hebben geleden die [gedaagden] dienen te vergoeden. [gedaagden] betwisten de stellingen van [eiser].

De rechtbank wijst de vorderingen jegens [gedaagde 1] af op de grond dat er tussen [gedaagde 1] en [eiser] geen contractuele relatie bestaat.

Ook de vorderingen jegens [gedaagde 2] worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de mediator ten aanzien van de primaire vordering haar zorgplicht niet geschonden en ten aanzien van de subsidiaire vordering heeft de mediator naar het oordeel van de rechtbank weliswaar twee beroepsfouten gemaakt, maar bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen causaal verband tussen deze fouten en de door [eiser] gestelde schade.

2. De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 juni 2025

- het bericht van 31 oktober 2025, houdende een akte overleggen nadere producties 21 en 22 van [eiser]

- de mondelinge behandeling van 13 november 2025, waarbij de advocaten van partijen gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3De feiten

3.1.

[gedaagde 1] is advocaat en geregistreerd mediatior bij de Nederlandse vereniging Familie- en erfrecht Advocaten Scheidingsmediators (vFAS) en maat bij [gedaagde 2].

3.2.

[eiser] en [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) zijn op 21 mei 2005 met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Uit het huwelijk zijn (op [geboortedatum 1] 2006 en [geboortedatum 2] 2009) twee kinderen geboren. Uit de huwelijkse voorwaarden volgt dat een gemeenschap van goederen zal bestaan tussen partijen met uitzondering van het ondernemingsvermogen en de daaraan gekoppelde schulden.

3.3.

[eiser] is onderneemster. [betrokkene] is werkzaam in loondienst.

3.4.

In de periode van 2004 tot 2006 hebben [eiser] en [betrokkene] een huis in [plaats 1] laten bouwen, alwaar zij samen met hun twee kinderen hebben gewoond.

3.5.

In 2013 heeft [eiser] een deel van de aandelen van de werkmaatschappijen van de onderneming van haar vader ([bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V.) overgenomen. De aandelen zijn ondergebracht bij de persoonlijke houdstermaatschappij van [eiser], genaamd [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3]).

De koopsom voor de aandelen van in totaal € 767.000 is door de vader van [eiser] aan haar geschonken.

3.6.

[bedrijf 3] heeft een 100% deelneming in een paardenpension (Puur Stallen B.V.).

3.7.

Op 20 april 2016 zijn de huwelijkse voorwaarden gewijzigd. In de gewijzigde huwelijkse voorwaarden is onder meer een jaarlijkse verrekening overeengekomen van de waarde van [bedrijf 3], waarbij [betrokkene] de helft van de waardevermeerdering van de onderneming zou ontvangen vanaf een waarde van € 767.000. In verband hiermee is in artikel 8 van de nieuwe huwelijkse voorwaarden een vervalbeding opgenomen, dat voor zover hier van belang luidt als volgt:

(...) 2. De onderneming als hiervoor bedoeld zal jaarlijks worden gewaardeerd. De waardering zal door partijen in onderling overleg worden vastgesteld. Bij gebreke van vaststelling binnen zes maanden na afloop van het boekjaar en bij gebreke van onderlinge overeenstemming over de waardering, zullen partijen een terzake onafhankelijke deskundige in de waardering van ondernemingen opdracht verlenen, die namens partijen de waarde bindend zal vaststellen. Indien geen opdracht wordt verleend binnen gemelde periode van zes maanden, worden partijen geacht geen verrekening te zijn overeengekomen.(…)

3.8.

Omdat tussen [eiser] en [betrokkene] discussies waren ontstaan als gevolg van de financiële verwevenheid tussen hen, hebben zij zich medio 2023 tot [gedaagde 2] gewend met de wens om door middel van mediation hun huwelijk te beëindigen en tot een financiële ontvlechting te komen, waarbij de affectieve relatie niet beëindigd zou worden. Daarbij was het de bedoeling dat zij in de huidige woning zouden blijven samenwonen en dat de woning formeel eigendom van [betrokkene] zou worden.

3.9.

Op 27 juli 2023 heeft een (intake)gesprek plaatsgevonden tussen [eiser], [betrokkene] en [gedaagde 1]. Tijdens dit gesprek is het onderstaande door [betrokkene] op voorhand ingestuurde overzicht van het vermogen en de verdeling daarvan besproken:

{Afbeelding 1}

3.10.

Van de bespreking is een (door [eiser] en [betrokkene] geaccordeerd) verslag opgemaakt, dat, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

(…)

1. Inleiding

(…)

Op de vraag van de mediator wat de verwachting van de mediaton betreft van beiden, geeft [betrokkene] aan dat hij een bevredigende uitkomst voor beide partijen wenst, waarbij de insteek de financiële ontvlechting betreft. [eiser] kreeg ‘jeuk’ van de ingeschakelde echtscheidingsadvocaat, nu van een relationele scheiding geen sprake is. Ook zij wil graag een bevredigende uitkomst voor beiden.

(…)

2. Relatiecrisis

(…)

Ook tijdens de mediation geeft [eiser] aan dat zij angst heeft dat de man - net als de vorige keer - allereerst een financiële afwikkeling wenst en vervolgens de relatie toch zal beëindigen. In 2016 heeft de man aangekondigd te willen scheiden, nadat de huwelijkse voorwaarden waren aangepast.

(…)

Afgesproken wordt dat [eiser] (en ook [betrokkene]) de financiële afwikkeling zal behandelen alsof de relatie daadwerkelijk over zou zijn, om te voorkomen dat zij nu iets zouden tekenen waar zij zich in de toekomst door benadeeld zouden voelen.

(…)

4. Huwelijkse voorwaarden

(…)

De mediator stelt de vraag wat de reden is dat [betrokkene] tot een financiële ontvlechting wil komen. Hij geeft aan dat [eiser] ongeveer 2 jaar geleden haar bedrijf heeft verkocht en dat zij de stal met manege wilde aankopen voor 1,4 miljoen euro. [betrokkene] was het niet eens met deze beslissing, nu hij vindt dat hier veel tijd en energie in gaat zitten die ten koste gaan van het gezin, dat de inkomsten waarschijnlijk terug de stal in zullen gaan en dat dit zou inhouden dat er geen pensioen overblijft voor over 15 jaar (nu hij geen/weinig pensioen opbouwt). Immers, het geld zit dan in stenen. Hij wil echter geen belemmering voor mevrouw vormen en vindt dat ze moet doen wat ze wil, maar wil dan wel een financiële scheiding hebben om over zijn gelden te kunnen beschikken, zonder dat deze in de stal vast zouden zitten.

Vervolgens heeft [betrokkene] - nu hij tot financiële ontvlechting wilde komen - een overzicht gemaakt met alle vermogensbestanddelen met de geschatte waarde daarvan en een voorstel gedaan aan [eiser] om tot afwikkeling te komen, waarbij sprake zou zijn van een afkoop van partneralimentatie. Hij heeft in een Excel overzicht berekend dat hij bij overname van de woning en uitkering van de helft van de overwaarde aan [eiser] een bedrag van afgerond € 90.000,-- van haar dient te ontvangen, nu de waarde in haar bedrijf veel hoger is dan de overwaarde van € 370.000,-- die hij aan [eiser] moet voldoen. Hij is bereid om van dit bedrag van € 90.000,-- af te zien en een bedrag van € 120.000,-- te voldoen (een totaal bedrag van € 600.000,-- inclusief de lening van de B.V. van de vrouw ad € 479.000,--).

Dit bedrag voldoet hij dan onverplicht. Hij gaf aan met zijn advocaat mr. Zillikens te hebben besproken dat geen aanleiding bestaat voor partneralimentatie, gezien het eigen inkomen en vermogen van [eiser] alsmede het feit dat hij alle kosten van de kinderen betaalt. Omdat dit - gezien zijn hoge inkomen - niet goed voelt, wil hij het bedrag van in totaal € 210.000,-- aan mevrouw schenken (door 90.000,-- niet te incasseren en € 120.000,-- te betalen).

Omgerekend zou dit dan uitkomen op een nettobedrag van € 3.500,-- per maand, en bruto € 7.000,-- per maand aan partneralimentatie.

De mediator geeft aan de huwelijkse voorwaarden nog te willen ontvangen om te controleren of de juridische uitgangspunten zoals hierboven genoemd staan correct zijn.

(…)

5. Echtelijke woning

Betrokkenen geven aan dat de woning in [plaats 2] op 30 mei 2023 is gewaardeerd op
€ 1.350.000,-- en dat betrokkenen van die waarde willen uitgaan.(…)

Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij ING Bank van € 140.000,-- en partijen hebben een lening van de B.V. van de vrouw van € 479.000,--. De overwaarde die [eiser] bij overname van de woning (…) zou moeten krijgen betreft aldus € 370.000,-- volgens betrokkenen.

6. Overige vermogensbestanddelen

(…)

[betrokkene] geeft aan dat hij het voorstel heeft gedaan uitgaande van de cijfers van 2021 met als voorbehoud dat hij de cijfers van 2022 er nog naast wilde houden om uit te sluiten dat zijn voorstel door een wijziging heel onredelijk zou worden. Betrokkenen zijn als peildatum overeengekomen 31 december 2022 voor zowel de samenstelling als de waardering van de vermogensbestanddelen, waarvan zijn uitgezonderd de echtelijke woning (…).

[betrokkene] geeft aan dat hij zich financieel benadeeld voelt door [eiser], nu zij hem niet heeft verteld dat de waarde van de bedrijfspanden die op de balans opgenomen staan tegen de boekwaarde een forse meerwaarde vertegenwoordigen (de stille reserves). Hij denkt dat [eiser] dit bewust heeft achtergehouden.

[eiser] geeft aan dat zij bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden in 2016 ook zijn uitgegaan van de boekwaarde om de hoogte te bepalen van het vermogen dat alleen aan haar toekomt nu zij dit heeft overgenomen van haar vader. In geval toen ook al zou zijn uitgegaan van de waarde van de panden destijds, zou een hoger bedrag zijn afgesproken tussen partijen waarboven [betrokkene] de helft zou krijgen. Zij heeft dus niet vreemd gevonden dat opnieuw een voorstel is gedaan uitgaande van de boekwaarde, nu je anders appels met peren vergelijkt.

[betrokkene] geeft aan dat dit alsnog niet eerlijk is, nu de panden vanaf 2016 ook jaarlijks worden afgeschreven en dat dit ongeveer € 25.000,-- per jaar zou betreffen, wat dan ook uit zou komen op € 175.000,-- verschil t.o.v. 2016. [eiser] geeft aan dat dit onjuist is, nu slechts een jaarlijkse afschrijving van 3% mogelijk is. Bovendien is duidelijk voor beiden dat de panden die in die B.V. opgenomen zijn al voor 2016 zijn aangekocht.

[betrokkene] geeft aan het niet redelijk te vinden dat het bedrijfspand voor € 280.000,-- op de balans staat, lager dan de WOZ-waarde, terwijl dit pand voor € 725.000,-- wordt verkocht. [eiser] geeft aan dat dit voor een boekwinst zal zorgen, waarover ook nog 25% belasting moet worden betaald.

[eiser] geeft aan dat zij kan leven met het laatste voorstel van [betrokkene], dat hij - inclusief schuld aan de B.V. - een bedrag van € 525.000,-- voldoet, al is zij het niet eens met de rekenwijze en heeft zij niet kunnen controleren of zijn stelling dat zij geen partneralimentatie zou krijgen klopt. Zij vindt dat het meer stuk maakt dan betrokkenen lief is om hierop door te gaan, terwijl de bedoeling is dat zij met elkaar verder gaan.

7. Vergoedingsrecht

(…) Nu betrokkenen een algehele regeling hebben kunnen treffen, zijn zij bereid om dit geschilpunt te laten voor wat het is. De mediator heeft aangestipt dat voor zover sprake zou zijn van een gemeenschap van goederen volgens de huwelijkse voorwaarden, dit geldbedrag niet teruggestort zou hoeven te worden. Dat is alleen anders als sprake is van een uitsluitingsclausule bij de schenking, maar daarvan is volgens beiden geen sprake.

8. Partneralimentatie

De partner die niet in zijn/haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien doordat deze niet voldoende inkomen heeft, noch in redelijkheid kan verwerven, kan aanspraak maken op een alimentatiebijdrage. Onder “niet voldoende inkomen” moet worden verstaan: niet voldoende om het welstandsniveau tijden het huwelijk te kunnen voortzetten. (…)

De maximale periode dat alimentatie dient te worden betaald, is de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaar. Nu geen uitzondering zich voordoet, zou ook in dit geval betekenen dat alimentatie moet worden betaald tot uiterlijk vijf jaar na de echtscheiding. (…) Betrokkenen menen dat een alimentatieverplichting - in de zin van een maandelijks te betalen bedrag - niet wenselijk is. In het gedane voorstel van [betrokkene] zou dit betekenen dat de partneralimentatie is afgekocht en dus geen (extra/nadere) bijdrage meer kan worden gevraagd in het levensonderhoud van [eiser].

9. Voortgang

Partijen spreken af dat zij het besprekingsverslag afwachten, de stukken zullen aanleveren en vervolgens een nieuwe afspraak zullen inplannen om een concept convenant door te nemen.

3.11.

Na het (intake)gesprek op 27 juli 2023 hebben [eiser], [betrokkene] en [gedaagde 1] een mediationovereenkomst (hierna: de mediationovereenkomst) getekend. Deze overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Algemeen

(…)

1.2

De partijen verklaren dat zij een exemplaar van de Gedragsregels alsmede, indien toepasselijk, van de door het kantoor van de advocaat-mediator gehanteerde Algemene Voorwaarden, hebben ontvangen als aanhangsel van deze overeenkomst.

(…)

3. Verantwoordelijkheden van de partijen

(…)

De partijen kunnen zich desgewenst in de mediation laten adviseren en/of bijstaan door een advocaat of andere adviseur,(…)

6. Vertrouwelijkheid en verschoningsrecht

(…)

het staat partijen vrij tijdens de mediation advies in te winnen van derden, bijvoorbeeld een andere advocaat of adviseur,(…)

3.12.

[betrokkene] heeft op 27 juli 2023 de (concept)jaarrekening van [bedrijf 3] van 2022 en de huwelijkse voorwaarden naar [gedaagde 1] gezonden.

3.13.

Bij e-mail van 27 juli 2023 heeft [gedaagde 1] aan [eiser] en [betrokkene] een opdrachtbevestiging, de algemene voorwaarden, een door [gedaagde 1], [eiser] en [betrokkene] getekende mediationovereenkomst, een (standaard)lijst met benodigde stukken, het besprekingsverslag en een leeg ouderschapsplan toegezonden en, voor zover hier van belang, het volgende meegedeeld:

(…)

Naar aanleiding van onze bespreking heb ik ook even nagekeken of het eigenlijk wel mogelijk is om te spreken van een afkoop van partneralimentatie in fiscale zin. Dit nu de bedoeling is dat jullie in dezelfde woning blijven samenwonen (dus niet duurzaam gescheiden gaan leven), waardoor ondanks de straks verkregen echtscheiding, toch nog sprake zal zijn van fiscaal partnerschap.(…)

Kortom, het lijkt me dan toch onverstandig om het als afkoopsom in het convenant op te nemen (dan krijg je een bedrag belast zonder dat daar een aftrekpost tegenover staat). We zullen dit bij het volgende gesprek verder bespreken, maar het leek me goed dit al wel alvast aan jullie te melden.

Tenslotte heb ik zojuist naar de huwelijkse voorwaarden gekeken. Mij viel op - en het leek me goed dit jullie beiden wel mee te geven - dat daarin is opgenomen dat jullie jaarlijks de waarde van de B.V. zouden verrekenen. Er is zelfs opgenomen dat de waarde jaarlijks wordt vastgesteld binnen zes maanden na afloop van het boekjaar. ‘indien geen opdracht wordt verleend binnen gemelde periode van zes maanden, worden partijen geacht geen verrekening te zijn overeengekomen’. Wellicht dat dit niets voor jullie verandert, maar ik wil jullie hier tijdens ons volgende gesprek niet mee overvallen.

Dus ik hoop dat jullie alvast willen nadenken wat hiermee is bedoeld en wat jij hier zelf mee zou willen, zodat we dit tijdens het volgende gesprek kunnen bespreken.

3.14.

De bij voormelde e-mail meegezonden opdrachtbevestiging luidt, voor zover hier belang, als volgt:

Naar aanleiding van ons mediation gesprek van vandaag bij mij op kantoor bevestig ik hierbij de gemaakte afspraken, waarbij ik jullie als mediator zal bijstaan bij de beëindiging van jullie huwelijk.

Hierbij bevestig ik, namens [gedaagde 2], de opdracht om jullie als advocaat-mediator bij de op handen zijnde echtscheiding.

Jullie zijn naar ons kantoor toegekomen met het verzoek om - middels mediation - het huwelijk te beëindigen en de vermogensrechtelijke aspecten op de juiste wijze af te wikkelen, zodat jullie financieel ontvlochten zijn. De (affectieve) relatie wordt niet beëindigd en jullie zullen in de huidige woning blijven samenwonen. De bedoeling is wel dat de woning formeel eigendom zal worden van [betrokkene]. Aldus willen jullie bezien of de irritaties die het gevolg zijn van financiële verwevenheid zullen afnemen.

(…)

Op mijn dienstverlening zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden van [gedaagde 2], van welke voorwaarden een exemplaar bij deze brief is gevoegd.

Tevens stuur ik jullie een besprekingsverslag toe waarin inhoudelijk wordt ingegaan op hetgeen tijdens het gesprek naar voren is gekomen.

3.15.

Artikel 2 van de Algemene voorwaarden van [gedaagde 2] luidt als volgt:

2. Alle opdrachten worden, met uitsluiting van de artikelen 7:404 BW en 7:407 lid 2 BW, uitsluitend aanvaard en uitgevoerd door de [gedaagde 2]. De leden van de maatschap alsmede degenen die voor de maatschap werkzaam zijn, zijn niet persoonlijk gebonden of aansprakelijk.

3.16.

Nadat tussen [eiser] en [betrokkene] discussie is ontstaan over voormeld vervalbeding, heeft op 28 juli 2023 tussen [gedaagde 1], [betrokkene] en [eiser] een tweede (spoed)gesprek plaatsgevonden. Het (door [eiser] en [betrokkene] geaccordeerde) gespreksverslag luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

(…)

[betrokkene] geeft aan de huwelijkse voorwaarden sinds dit e-mailbericht meerdere malen te hebben gelezen. Hij geeft aan dat bij hem ‘het licht uitging’ nadat hij hoorde dat [eiser] de desbetreffende passage anders interpreteerde dan hij, nu hij vindt dat de huwelijkse voorwaarden overduidelijk zijn en dat betrokkenen al afspraken hebben gemaakt. Hij vond het juist een fijn gesprek gisteren en voelt zich ontzettend boos dat [eiser] daarop terug wil komen en het e-mailbericht als opening ziet om onder de gemaakte afspraken uit te komen. Ook is hij boos op de mediator dat zij dit t.a.v. de huwelijkse voorwaarden heeft benoemd, nu zij toch al overeenstemming hebben bereikt.

(…)

[eiser] geeft aan dat zij naar aanleiding van het vorige gesprek heeft onthouden dat zij moet doen alsof een ‘echte’ echtscheiding plaatsvindt, waarbij ook de relatie wordt verbroken, zodat zij in die situatie anders naar het geheel kijkt. Zij zou zich benadeeld voelen als zij nu klakkeloos akkoord gaat met hetgeen tijdens het vorige gesprek aan de orde is gekomen, ingeval de relatie toch beëindigd wordt. Ingeval zij daadwerkelijk uit elkaar zouden gaan, zou zij mogelijk een ander standpunt innemen. Zij meent dat de zin zo kan worden opgevat dat in het geheel geen verrekening meer hoeft plaats te vinden, nu niet binnen een halfjaar een opdracht is verleend om de waarde te laten vaststellen, zodat geacht wordt geen verrekening te zijn overeengekomen.

(…)

[betrokkene] geeft nogmaals aan dat overduidelijk is dat deze bewuste zin is opgenomen door de notaris om een en ander dicht te timmeren, maar niet uit de koker van betrokkenen is gekomen. [eiser] geeft aan dat klopt dat deze zin niet door betrokkenen is bedacht, maar dat de notaris deze zin waarschijnlijk vanwege fiscale/juridische redenen zal hebben opgenomen. Zij meent dat jaarlijks een schuld had moeten worden opgenomen in de aangifte IB van haar aan [betrokkene], welk bedrag zij dan jaarlijks aan hem schuldig zou blijven.

De mediator geeft aan dat uitgaande van hetgeen betrokkenen nu aangeven - dat deze zin door de notaris is opgemaakt - alsmede de vormgeving van de rest van de huwelijkse voorwaarden (waarbij verwezen wordt naar e-mailberichten van betrokkenen) voor betrokkenen duidelijk is geweest dat zij de meerwaarde wilden verrekenen en daarbij niet een vervalbeding hebben willen opnemen waarbij dit recht geheel zou vervallen ingeval de waarde niet (tijdig) zou worden vastgesteld. Het lag zo geven zij zelf aan voor de hand dat betrokkenen een eventuele verrekening pas zouden vaststellen ingeval van een echtscheiding sprake zou zijn.

Als advocaat van [eiser] zou haar standpunt in rechte kunnen worden ingenomen, dat geen verrekening meer hoeft plaats te vinden en zou de discussie bij een rechtbank worden wat partijen nu eigenlijk bedoeld hebben af te spreken. Ingeval de notaris dan zou bevestigen dat deze zinssnede door hem is opgenomen en niet uit de koker van betrokkenen kwam, is de vraag of zij daaruit beiden hebben mogen begrijpen dat hiermee de verrekening mogelijk zou komen te vervallen. Naar de mening van beide betrokkenen is dit niet de bedoeling geweest bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden en willen zij vasthouden aan de gemaakte afspraken.

3.17.

Afgesproken is dat partijen het besprekingsverslag afwachten, stukken zullen aanleveren en een nieuwe afspraak zullen inplannen om een concept convenant door te nemen.

3.18.

[gedaagde 1] heeft vervolgens een concept-echtscheidingsconvenant opgesteld. Op 31 augustus 2023 zijn de bepalingen hiervan met partijen besproken. In het concept heeft [gedaagde 1] als aandachtspunt onder meer het volgende opgenomen en geel gemarkeerd over de rekening-courantschuld:

Overige schulden?

(…)

Rekening courant schuld [bedrijf 3] B.V. ad € 121.803 (zie aangifte IB)

(…)

3.19.

Op 4 september 2023 heeft [gedaagde 1] het finale conceptconvenant gemaild naar [eiser] en [betrokkene]. Na doorvoering van enkele door [eiser] en [betrokkene] gewenste aanpassingen hebben zij op 5 september 2023 het definitieve echtscheidingsconvenant getekend, dat, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

(…)

Artikel 2 PARTNERALIMENTATIE

2.1

Partijen komen overeen dat ná de ontbinding van hun huwelijk de één tegenover de ander niet tot betaling van partneralimentatie gehouden zal zijn. Zij doen afstand, voor nu en in de toekomst om partneralimentatie van de ander te vorderen. De afstand is gebaseerd op het feit dat beide partijen op het tijdstip van ondertekening van het convenant (dus na afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden) in staat zijn om in het eigen levensonderhoud te voorzien uit arbeid en/of vermogen.

2.2

Daarbij komt dat beide partijen principieel bezwaar hebben tegen de betaling van kosten van het levensonderhoud van de ander.

2.3

Partijen zijn ervan op de hoogte dat de alimentatieplicht volgens de wettelijke bepalingen gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaren te rekenen vanaf de datum van inschrijving van de ontbindingsbeschikking.

Voor partijen betekent dit een duur van vijf jaren. De afstand ziet op de gehele periode.

2.4

Ondanks dat de toekomstige omstandigheden mogelijk een verschil tussen inkomen en/of vermogen kan geven, weten partijen dat ook in dat geval de gedane afstand betekent dat zij geen alimentatie van de ander kunnen vorderen. Zij kiezen bewust voor het doen van afstand, in plaats van een nihilbeding voor dit moment.(…)

Artikel 4 AFWIKKELING HUWELIJKSE VOORWAARDEN EN VERDELING EENVOUDIGE GEMEENSCHAPPEN

(…)

Peildatum samenstelling en omvang te verrekenen vermogen

4.2

In de voorwaarden is overeengekomen dat jaarlijks de waardevermeerdering die aan beide partijen toekomt zou moeten worden bepaald en dat dit bedrag te betalen door de vrouw aan de man schuldig kan worden gebleven en bij echtscheiding verrekend kon worden met hetgeen de vrouw toekomt. Partijen komen overeen in afwijking hiervan als peildatum voor de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen te nemen 31 december 2022 .

(...)

4.7

Aandelen [bedrijf 3] B.V. (…)

(...) Partijen hebben de waarde van de aandelen van [bedrijf 3] B.V. conform de jaarrekening per december 2022 vastgesteld op € 1.830.458. Dat betekent dat - na aftrek van € 767.000,-- in beginsel een bedrag van € 1.063.458 voor verrekening in aanmerking komt, zodat daarvan aan de man een bedrag van € 531.729,-- toekomt.

De vrouw zal de schuld (in rekening-courant) aan [bedrijf 3] B.V. ter grootte van € 121.803,-- voor haar rekening nemen en geheel als eigen schuld voldoen. De vrouw verklaart middels ondertekening van dit convenant in haar hoedanigheid van directeur van [bedrijf 3] B.V. dat de man niet aansprakelijk is voor de vordering(en) die [bedrijf 3] B. V. op de man heeft c.q. mocht hebben, op de vordering genoemd in artikel 3.5 na.

Uit hoofde van de hiervoor genoemde verrekening dient de vrouw aan de man te voldoen
€ 471.336,50. Voldoening vindt plaats op de wijze zoals hierna vermeld bij de totale verrekenvordering. (...)

Totale verrekenvordering

4.9

Partijen verschillen met elkaar van mening over de hoogte van de aan elkaar verschuldigde bedrag ter zake van voormelde afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden (meer in het bijzonder over de bepaling van de verrekening van de jaarlijkse meerwaarde van de B.V. (...) en tenslotte de waarde van de echtelijke woning). Ter beëindiging van onzekerheid c.q. geschillen omtrent het bedrag stellen partijen deze vast op een bedrag van € 46.000,-- te betalen door de man aan de vrouw.

Dit is een vaststellingsovereenkomst. (...)

Artikel 5. FISCALE REGELING

5.1

Fiscale toetsing

De in dit artikel opgenomen regeling is geen vervanging voor fiscaal advies. Partijen verklaren door ondertekening van dit convenant dat zij zich hebben laten informeren over de fiscale gevolgen van de regeling dan wel dat zij ervoor kiezen geen advies in te winnen en de gevolgen daarvan nadrukkelijk zelf dragen.

5.2

Fiscaal partnerschap en afstemming aangiftes.

(…)

5.3

Onderlinge draagplicht heffingen

(…)

5.4.

Overige bepalingen

(…)

3.20.

De echtscheiding is op 19 oktober 2023 uitgesproken door deze rechtbank.

3.21.

[eiser] en [betrokkene] zijn in februari 2024 daadwerkelijk uit elkaar gegaan.

3.22.

Bij e-mail van 28 maart 2024 aan [eiser] en [betrokkene] (naar aanleiding van vragen van de financieel adviseur van [eiser] over een latente belastingclaim over het Aanmerkelijk Belang bij het verrekenen van de aandelen in [bedrijf 3], de zogenaamde AB-claim) heeft [gedaagde 1], voor zover hier van belang, het volgende meegedeeld:

(…)

Naar aanleiding van de door jullie aangeleverde informatie, op basis waarvan de verdeling van de aandelen tot stand is gekomen, heb ik kunnen vaststellen dat over de AB-claim niets is opgenomen.

Ik kan concluderen dat daar geen rekening mee is gehouden. Het is een feit dat deze heffing in de toekomst zal moeten worden betaald, zodat je daar rekening mee dient te houden bij de toedeling van de aandelen aan één van de partijen, omdat anders slechts één van beiden de volledige belasting in zijn portemonnee voelt, terwijl het jullie bedoeling is geweest om een verdeling bij helfte te laten plaatsvinden.

(…)

3.23.

Bij brief van 8 augustus 2024 heeft (de advocaat van) [eiser] [gedaagde 2] aansprakelijk gesteld.

3.24.

Bij brief van 8 oktober 2024 heeft (de advocaat van) [gedaagde 2] gereageerd en aansprakelijkheid van de hand gewezen.

Tekst

4Het geschil

4.1.

[eiser] vordert, bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een bedrag van € 531.729, te vermeerderen met de wettelijke rente;

II. Verwijzing naar de schadestaatprocedure ter zake van de overige schade (misgelopen alimentatie);

Subsidiair

III. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een bedrag van € 355.516,81, te vermeerderen met de wettelijke rente;

Primair en subsidiair

IV. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten conform toepasselijke staffel, te vermeerderen met de wettelijke rente;

V. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

[eiser] legt – samengevat – aan haar vordering te grondslag dat [gedaagden] tekort zijn geschoten in de nakoming van de tussen [eiser] en [betrokkene] gesloten mediationovereenkomst. [gedaagden] hebben hun zorgplicht geschonden en niet gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelende professionele mediator had moeten handelen, primair omdat [gedaagde 1] de mediation niet heeft beëindigd, dan wel [eiser] niet heeft geadviseerd om een jurist of advocaat in de arm te nemen om het convenant te controleren en subsidiair omdat [gedaagde 1] twee beroepsfouten heeft gemaakt. [eiser] heeft hierdoor zeer substantiële schade geleden, die [gedaagden] dienen te vergoeden, aldus [eiser].

4.3.

[gedaagden] voeren verweer. Zij betogen dat [gedaagde 1] geen contractspartij is en dat [eiser] haar schadebeperkingsplicht heeft geschonden door niet [betrokkene] (op grond van artikel 3:196 Burgerlijk Wetboek (BW)) in rechte te betrekken. Daarnaast betwisten [gedaagden] dat [gedaagde 1] haar zorgplicht heeft geschonden, niet als redelijk handelend en redelijk bekwaam mediator heeft gehandeld en dat van beroepsfouten sprake is geweest. Tenslotte ontbreekt het causaal verband met de gestelde schade, is er sprake van eigen schuld en is de omvang van de door [eiser] voorgespiegelde schade niet juist. Zij concluderen dan ook tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten, en de wettelijke rente.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

Ten aanzien van [gedaagde 1]

5.1.

[eiser] vordert hoofdelijke veroordeling tot betaling van [gedaagde 1] naast [gedaagde 2] wegens een tekortkoming in de nakoming van de mediationovereenkomst. Volgens [eiser] heeft [gedaagde 1] de mediationovereenkomst persoonlijk ondertekend en zich daarmee persoonlijk verbonden tot de uitvoering van de mediation. Voor zover er geen overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 1] tot stand is gekomen, legt [eiser] subsidiair onrechtmatige daad aan haar vordering jegens [gedaagde 1] ten grondslag.

5.2.

[gedaagden] betwisten, onder verwijzing naar de algemene voorwaarden, dat de vorderingen jegens [gedaagde 1] kunnen slagen.

5.3.

Deze betwisting slaagt. [eiser] stelt zich op het standpunt dat in elk geval [gedaagde 2] haar contractspartij is, omdat de mediationopdracht in de opdrachtbevestiging van 27 juli 2023 formeel namens [gedaagde 2] is aanvaard. In de bij die opdrachtbevestiging gevoegde algemene voorwaarden (zie het hierboven geciteerde artikel 2) is de persoonlijke gebondenheid en aansprakelijkheid van [gedaagde 1] (als lid van de maatschap) uitgesloten. Dit brengt mee dat tussen [eiser] en [gedaagde 1] geen contractuele relatie bestaat, zodat de vorderingen van [eiser] jegens [gedaagde 1] reeds op die grond dienen te worden afgewezen. [eiser] legt subsidiair onrechtmatige daad aan haar vordering jegens [gedaagde 1] ten grondslag, maar dit slaagt ook niet op dezelfde gronden. [eiser] heeft er, met de acceptatie van de algemene voorwaarden als onderdeel van de mediationopdracht, immers mee ingestemd dat [gedaagde 1] als lid van de maatschap niet uit hoofde van onrechtmatige daad kan worden aangesproken. [gedaagde 1] is dus niet zelfstandig aansprakelijk jegens [eiser], zodat de vorderingen jegens haar zullen worden afgewezen. In het navolgende zal de rechtbank dan ook de vorderingen beoordelen als uitsluitend gericht tegen [gedaagde 2].

Ten aanzien van het primair gevorderde

5.4.

Volgens [eiser] is [gedaagde 2] tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Zij heeft haar zorgplicht geschonden en niet gehandeld zoals een redelijk bekwame en redelijk handelende professionele mediator had moeten handelen.

5.5.

Op grond van artikel 7:401 van het (BW geldt als uitgangspunt dat een opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht dient te nemen, hetgeen betekent dat gedaagde dient te handelen zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Op basis van de gedragsregels voor MfN-geregistreerde mediators, die bij de tussen partijen gesloten mediationovereenkomst van toepassing zijn verklaard, is [gedaagde 2] als mediator verantwoordelijk voor het mediationproces en dient zij het verloop daarvan te bewaken. Verder behoort een mediator zich ervan te vergewissen dat partijen tijdens een mediation beseffen wat hun keuzemogelijkheden zijn en inzicht hebben in de consequenties van de door hen te maken of gemaakte keuzen. Het is aan [eiser] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat [gedaagde 2] niet aan deze zorgplicht heeft voldaan.

Of voldoende zorgvuldigheid in acht is genomen door de mediator, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Het handelen van de mediator zal moeten worden beoordeeld naar het moment waarop het heeft plaatsgevonden. Verder heeft te gelden dat een suboptimaal optreden onvoldoende is om een beroepsfout aan te nemen. Het criterium is dus niet dat moet worden uitgegaan van de best denkbare prestatie; er zal sprake moet zijn van duidelijk ondermaats optreden.

5.6.

[eiser] stelt dat [gedaagde 1]/[gedaagde 2] haar zorgplicht heeft geschonden en niet heeft gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam mediator zou hebben gedaan, door (i) de mediation naar aanleiding van de bespreking op 28 juli 2023 niet te beëindigen en (ii) [eiser] niet te adviseren om een jurist of advocaat in de arm te nemen om het convenant te controleren, hetgeen ook volgt uit de toepasselijke gedragsregels.

In de eerste plaats had [gedaagde 1] nooit mogen laten gebeuren dat [eiser] tijdens één bespreking (op 28 juli 2023), waarbij [eiser] financieel afhankelijk was van [betrokkene], onder grote druk stond, kenbaar emotioneel was en bovendien niet werd bijgestaan door een advocaat terwijl [betrokkene] wel een advocaat had, afstand heeft gedaan van haar beroep op het vervalbeding. [betrokkene] was gebrand op het snel maken van een financiële afspraak en was boos op [eiser], hetgeen ook blijkt uit het besprekingsverslag. Dit zou voor iedere redelijk handelende en redelijke bekwame mediator aanleiding zijn geweest om de mediation te staken, en gelet op de voor [gedaagde 1] kenbare disbalans tussen [eiser] en [betrokkene] had [gedaagde 1] uitdrukkelijk moeten adviseren om een jurist of advocaat in de arm te nemen om het convenant te controleren. In dat geval was de mediation gestaakt en was het convenant niet gesloten. Dan had [eiser] zich jegens [betrokkene] kunnen beroepen op het vervalbeding, had [betrokkene] geen aanspraak kunnen maken op de overwaarde van de onderneming en zou de woning niet tegen WOZ-waarde naar [betrokkene] zijn overgegaan, maar tegen de reële waarde, aldus [eiser].

5.7.

[gedaagde 2] betwist dat [gedaagde 1] als redelijk handelend en redelijk bekwaam mediator meer had moeten doen dan zij heeft gedaan. Dat emoties worden getoond en over en weer worden besproken is juist regel en geen uitzondering bij echtscheidingsmediation. [gedaagde 1] heeft de emoties die bij beide echtelieden aanwezig waren als redelijk handelend en redelijk bekwaam mediator aan de kaak gesteld en hen het gesprek daarover laten voeren. Daarbij kwam niet - voor [gedaagde 1] objectief kenbaar - naar voren dat [eiser] onder druk stond c.q. niet uit vrije wil akkoord was met de afgesproken verdeling. [eiser] heeft in de mediationgesprekken zich niet (kenbaar) afhankelijk van [betrokkene] opgesteld, uitte haar eigen visie en meningen, had verstand van zaken (zij had een achtergrond in accounting en finance) en was duidelijk goed op de hoogte. [eiser] heeft ook niet op stel en sprong onvoorwaardelijk en definitief afstand gedaan van enig recht of met de verdeling ingestemd. De tweede bespreking heeft plaatsgevonden op 28 juli 2023. De ondertekening van het definitieve convenant vond plaats op 5 september 2023. Hiervoor is met [eiser] en [betrokkene] nog uitgebreid het conceptconvenant doorgesproken waarmee door [eiser] (wederom) is ingestemd. Voor zover [eiser] zich emotioneel en onder druk voelde tijdens het tweede gesprek op dat moment, had ze aldus van 28 juli 2023 tot 5 september 2023 de tijd om hierop terug te komen en/of haar achterban/een advocaat/derde te raadplegen. [eiser] is hier echter niet op teruggekomen. Ook het verwijt dat [eiser] niet als redelijk handelend en redelijk bekwaam mediator heeft gehandeld door [eiser] niet te wijzen op de inschakeling van een eigen advocaat, kan niet slagen. Al tijdens het eerste mediationgesprek is bij het doorspreken van de inhoud van de mediation(overeenkomst) benoemd dat partijen zich tijdens de mediation kunnen laten adviseren en/of bijstaan door een advocaat of eigen adviseur. Dat [eiser] zelf de keuze heeft gemaakt om dit niet te doen levert geen zorgplichtschending van [gedaagde 1] op. Dit is immers allesbehalve verplicht, aldus [gedaagde 2].

5.8.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit verweer. [gedaagde 1] heeft op eigen initiatief het vervalbeding te berde gebracht en vervolgens een tweede (spoed)bespreking geïnitieerd. In het verslag van deze bespreking op 28 juli 2023, waarvan [gedaagde 2] onweersproken heeft gesteld dat dit door partijen is geaccordeerd) staat dat [eiser] zelf verklaart: dat zij naar aanleiding van het vorige gesprek heeft onthouden dat zij moet doen alsof een ‘echte’ echtscheiding plaatsvindt, waarbij ook de relatie wordt verbroken, zodat zij in die situatie anders naar het geheel kijkt. Zij zou zich benadeeld voelen als zij nu klakkeloos akkoord gaat met hetgeen tijdens het vorige gesprek aan de orde is gekomen, ingeval de relatie toch beëindigd wordt. Ingeval zij daadwerkelijk uit elkaar zouden gaan, zou zij mogelijk een ander standpunt innemen. Zij meent dat de zin zo kan worden opgevat dat in het geheel geen verrekening meer hoeft plaats te vinden, nu niet binnen een halfjaar een opdracht is verleend om de waarde te laten vaststellen, zodat geacht wordt geen verrekening te zijn overeengekomen.

En verder:

Als advocaat van [eiser] zou haar standpunt in rechte kunnen worden ingenomen, dat geen verrekening meer hoeft plaats te vinden en zou de discussie bij een rechtbank worden wat partijen nu eigenlijk bedoeld hebben af te spreken. Ingeval de notaris dan zou bevestigen dat deze zinssnede door hem is opgenomen en niet uit de koker van betrokkenen kwam, is de vraag of zij daaruit beiden hebben mogen begrijpen dat hiermee de verrekening mogelijk zou komen te vervallen. Naar de mening van beide betrokkenen is dit niet de bedoeling geweest bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden en willen zij vasthouden aan de gemaakte afspraken.

5.9.

Uit deze citaten volgt dat [eiser] en [betrokkene] het er uiteindelijk over eens waren dat er verrekend en verdeeld moest worden en wilden vasthouden aan de gemaakte afspraken. Dat [eiser] onder grote druk stond en niet uit vrije wil akkoord is gegaan met de afgesproken verdeling, zoals door haar betoogd, strookt niet met voorgaande citaten en onvoldoende onderbouwd is dat dit voor [gedaagde 1] objectief kenbaar was. Van een disbalans tussen partijen, zoals door [eiser] betoogd, is onvoldoende gebleken, in ieder geval niet in die mate dat [gedaagde 1] had moeten besluiten tot staking van de mediation. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [eiser] desgevraagd niet kunnen onderbouwen hoe [gedaagde 1] had moeten weten dat [eiser] onder druk werd gezet of zich onder druk gezet voelde. De enkele stelling dat sprake was van verbale agressie van de zijde van [betrokkene] is hiervoor onvoldoende, temeer omdat de gespreksverslagen geen enkele aanleiding geven om te veronderstellen dat [eiser] zich de onderliggende partij voelde. Daar komt bij dat het definitieve convenant pas is getekend op 5 september 2023, zodat [eiser] meer dan anderhalve maand bedenktijd heeft gehad om terug te komen op de consequenties van het prijsgeven van het vervalbeding of een adviseur te raadplegen. Dit heeft zij echter niet gedaan. De stelling dat voormelde omstandigheden voor iedere redelijk handelende en redelijke bekwame mediator aanleiding zouden zijn geweest om de mediation te staken, slaagt daarom niet. Uit de omstandigheden blijkt juist dat [eiser] welbewust heeft vastgehouden aan de verdelingsafspraken waarvan de verrekening van de waarde van de onderneming onderdeel uitmaakte.

5.10.

Het verwijt dat [gedaagde 1] [eiser] niet heeft geadviseerd of erop heeft aangedrongen om een jurist of advocaat te raadplegen om het convenant te controleren slaagt evenmin. In artikel 3.3. van de mediationovereenkomst is opgenomen dat partijen zich desgewenst in de mediation kunnen laten adviseren en/of bijstaan door een advocaat of andere adviseur. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat zij deze bepaling bij het eerste mediationgesprek met [eiser] en [betrokkene] heeft besproken. Dat [eiser] op de hoogte was van die mogelijkheid, blijkt ook uit de ter zitting namens haar ingenomen stelling dat zij aarzelde om een advocaat in te schakelen omdat zij druk voelde vanuit [betrokkene]. Dat [eiser] geen eigen advocaat heeft ingeschakeld, dient dan ook voor haar eigen rekening te komen. Daarbij komt dat [eiser], in het licht van het verweer en haar eigen stelling dat zij aarzelde een advocaat in te schakelen, onvoldoende heeft onderbouwd dat zij ertoe was overgegaan een eigen advocaat in te schakelen als [gedaagde 1] daar destijds meer op had aangedrongen. Ook is onvoldoende onderbouwd dat een advocaat [eiser] onder de hiervoor vastgestelde omstandigheden zou hebben geadviseerd zich in een procedure op het vervalbeding te beroepen. Gelet op voorgaande citaten, waaruit volgt dat de bedoeling van partijen juist was om zich niet op het vervalbeding te beroepen, is dit niet aannemelijk.

5.11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde 2] op deze punten niet tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens [eiser], hetgeen meebrengt dat het primair sub I gevorderde dient te worden afgewezen.

Misgelopen partneralimentatie

5.12.

[eiser] vordert primair sub II schade in verband met misgelopen alimentatie met verwijzing naar de schadestaatprocedure. Zij legt hier aan ten grondslag dat het, gelet op de bepalingen van het convenant, niet mogelijk is om nu alsnog partneralimentatie te vorderen of het convenant open te breken. Gelet op deze verstrekkende gevolgen had het op de weg van [gedaagde 1] gelegen om [eiser] voldoende in te lichten over wat het afstand doen van de partneralimentatie inhield, de mediation te staken dan wel bij [eiser] aan te dringen om terzake een advocaat in te schakelen. Uit niets volgt dat [gedaagde 1] dit heeft gedaan, aldus [eiser].

5.13.

[gedaagde 1] betwist de stellingen van [eiser]. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] haar verwijt, in het licht van de betwisting door [gedaagde 1], onvoldoende heeft onderbouwd. [gedaagde 1] heeft [eiser] en [betrokkene] blijkens het eerste mediationverslag expliciet voorgehouden wat een partneralimentatieverplichting voor beide partijen inhoudt. Vervolgens hebben partijen tijdens dat gesprek aangegeven dat zij een alimentatieverplichting - in de zin van een maandelijks te betalen bedrag - niet wenselijk vinden en dat het door [betrokkene] gedane voorstel met zich brengt dat de partneralimentatie met het bedrag van € 210.000 is afgekocht, waarna [eiser] dus geen (extra/nadere) bijdrage meer kan vragen in haar levensonderhoud. Een en ander is ingegeven door het feit dat [eiser], hoewel zij niet heeft kunnen controleren of de stelling van [betrokkene] dat zij geen partneralimentatie zou krijgen klopt, vindt dat (…) het meer stuk maakt dan betrokkenen lief is om hierop door te gaan, terwijl de bedoeling is dat zij met elkaar verder gaan. Een en ander strookt met artikel 2.2. van het echtscheidingconvenant, waarin is vastgelegd: Daarbij komt dat beide partijen principieel bezwaar hebben tegen de betaling van kosten van het levensonderhoud van de ander.

Onder deze omstandigheden heeft [gedaagde 1] [eiser] voldoende ingelicht over de partneralimentatie en was er geen enkele aanleiding om de mediation te staken of er uitdrukkelijk bij [eiser] op aan te dringen om op dit punt een advocaat in te schakelen. De rechtbank acht het bovendien ook op dit punt niet aannemelijk dat [eiser] zich dan daadwerkelijk tot een advocaat zou hebben gewend voor advies c.q. dat de partneralimentatie voor haar destijds een breekpunt zou zijn geweest in de mediation.

5.14.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde 2] ook op dit punt niet tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens [eiser], hetgeen meebrengt dat ook het primair sub II gevorderde dient te worden afgewezen.

Ten aanzien van het subsidiair gevorderde

5.15.

[eiser] stelt zich subsidiair op het standpunt dat [gedaagde 1] twee beroepsfouten heeft gemaakt waarvoor [gedaagde 2] aansprakelijk is, namelijk: (i) zij heeft geen rekening gehouden met de latente AB-claim over de waarde van aandelen in [bedrijf 3]. Zij had [eiser], die zoals [gedaagde 1] wist, niet werd bijgestaan door een advocaat of fiscalist, erop moeten wijzen dat bij het verrekenen van de aandelen rekening moet worden gehouden met de AB-claim die op de aandelen rust. [gedaagde 1] had partijen hierover moeten bevragen en partijen hierop moeten wijzen. Iedere vFAS-advocaat en/of scheidingsmediator hoort bekend te zijn met een latente AB-claim bij een toedeling van een onderneming. In het modelconvenant van de vFAS (huwelijkse voorwaarden) staat dit expliciet opgenomen. Indien [gedaagde 1] partijen had gewezen op de latente AB-claim, had [eiser] (of desnoods de advocaat van [betrokkene]) een fiscalist kunnen raadplegen om de claim en de impact daarvan te onderzoeken. Daarnaast (ii) heeft [gedaagde 1] de rekening-courantschuld voor een te laag bedrag meegenomen in de financiële afwikkeling, omdat [gedaagde 1] voor de berekening van de rekening-courantschuld de datum 31 december 2021 heeft gehanteerd. De rekening-courantschuld op de peildatum 31 december 2022 bedroeg niet € 121.080 (zoals opgenomen in artikel 4.7 van het Convenant), maar € 216.893. Dit blijkt uit de jaarrekening 2022 die in het bezit was van [gedaagde 1] en waaruit zij, zo blijkt, ook de waarde van [bedrijf 3] per 31 december 2022 heeft gehaald, aldus [eiser].

5.16.

[gedaagden] voeren als verweer dat met betrekking tot de latente AB-claim geen sprake is van een beroepsfout die [eiser] aan [gedaagden] kan tegenwerpen en toerekenen. [gedaagden] verwijzen hiertoe naar artikel 5.1 (zie hierboven onder de feiten) van het echtscheidingsconvenant, waarin partijen verklaren dat gevolgen van het niet inwinnen van fiscaal advies door henzelf worden gedragen. De mogelijkheid (en het advies) om fiscaal advies in te winnen is door [gedaagde 1] niet alleen besproken met [eiser] en [betrokkene] in het kader van voormelde fiscale regeling in enge zin, maar juist ook in brede zin in het kader van de algehele regeling en door partijen gehanteerde waarderingen. Dit is door [gedaagde 1] reeds benoemd voordat zij aansprakelijk werd gesteld. Hier komt bij dat [gedaagde 1] hoe dan ook niet heeft geadviseerd over de waardering van het vermogen en de schulden behorend tot de gemeenschap. Het in detail op de financiën ingaan behoort niet tot de taken van een mediator. [eiser] en [betrokkene] hebben zelf gezamenlijk een vermogenslijst opgesteld en aangeleverd. Met deze waarderingen hebben zij beiden (al dan niet na uitwisseling van argumenten over en weer) ingestemd als waarderingen die zij ten grondslag legden aan hun verdeling.

Hetzelfde is gebeurd voor de tussen [eiser] en [betrokkene] te verrekenen waarde van de aandelen van [eiser]. Hiervoor hebben [eiser] en [betrokkene] eveneens een door hen afgesproken door [gedaagde 1] in het convenant op te nemen waardering aangeleverd.

Van de aandelen stond overigens van meet af aan vast dat deze niet zouden worden overgedragen of vervreemd maar bij [eiser] zouden blijven (en waarvoor dus ook geen belastingschuld zou ontstaan voor [eiser]).

Dat een redelijk handelend en redelijk bekwaam mediator desondanks gehouden was om spontaan, als niet-fiscalist, [eiser] en [betrokkene] erop te wijzen dat zij bij hun waardering mogelijk nog rekening moeten houden met een latente AB-claim valt onder voornoemde omstandigheden niet in te zien en wordt betwist. Dat geldt te meer nu [eiser], naast het feit dat het haar onderneming betrof waar zij het beste inzicht in had, accountant is (geweest), althans een achtergrond in accounting en finance heeft. Dat [eiser] kennis van zaken had en zich - net als [betrokkene] - bewust was van waarop de door haar en [betrokkene] gehanteerde waardering van de aandelen was gebaseerd, blijkt uit het eerste mediationverslag. Het verwijt dat [eiser] nu eerst achteraf aan [gedaagden] maakt, verbaast te meer nu [eiser] tijdens de mediation zelf de belastingdruk (‘circa 25%’) heeft benoemd als relevant aspect voor de waardering van de aandelen. Daartegenover stelde [betrokkene] echter dat het als uitgangspunt genomen groepsvermogen (fors) lager lag dan de economische waarde van de onderneming, aldus [gedaagden]

Ook ten aanzien van de rekening-courantschuld stellen [gedaagden] dat deze geen rol van betekenis heeft gespeeld bij de totale verdeling. Dat het opnemen van een hogere rekening courantschuld zou hebben geleid tot een andere verdeling is niet (gemotiveerd) gesteld door [eiser].

Latente AB-claim

5.17.

Vast staat dat [gedaagde 1] [eiser] en [betrokkene] voor het tekenen van het convenant niet heeft gewezen op de latente AB-claim bij de verrekening van de waarde van de aandelen van [bedrijf 3]. Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 2] een verwijt kan worden gemaakt doordat [gedaagde 1] niet heeft gewezen op de latente AB-claim en dat in zoverre kan worden gesproken van een beroepsfout. In het model echtscheidingsconvenant van de vFAS (huwelijkse voorwaarden) wordt immers expliciet gewaarschuwd om bedacht te zijn op latente AB-claims bij de waardering van aandelen. Toch leidt deze omissie niet tot aansprakelijkheid van [gedaagde 2]. Daarvoor is van belang dat partijen, toen zij bij [gedaagde 1] kwamen, al een concreet beeld hadden van hoe de afspraken tussen hen eruit moesten zien. Zij hadden een verdeling voor ogen waarbij voor de waardering van de aandelen werd uitgegaan van het eigen vermogen op het door [betrokkene] aangeleverde vermogensoverzicht (waarbij [betrokkene] dit eigen vermogen nog wilde checken aan de hand van de jaarrekening 2022), en het was duidelijk dat de daarin opgenomen waarde van de aandelen de boekwaarde en niet de economische waarde betrof. Partijen hebben bij [gedaagde 1] gesproken over de te realiseren meerwaarde bij verkoop van het bedrijfspand, waarbij [eiser] heeft aangegeven dat dit zal zorgen voor een boekwinst waarover 25% belasting wordt betaald. Zoals [eiser] heeft gesteld hebben partijen hierover nog onderhandeld, waarna [eiser] heeft ingestemd met een voorstel van [betrokkene]. Dit blijkt ook uit het verslag van het eerste mediationgesprek, waarin staat: “[betrokkene] geeft aan het niet redelijk te vinden dat het bedrijfspand voor € 280.000,-- op de balans staat, lager dan de WOZ-waarde, terwijl dit pand voor € 725.000,-- wordt verkocht. [eiser] geeft aan dat dit voor een boekwinst zal zorgen, waarover ook nog 25% belasting moet worden betaald.

[eiser] geeft aan dat zij kan leven met het laatste voorstel van [betrokkene], dat hij - inclusief schuld aan de B.V. - een bedrag van € 525.000,-- voldoet, al is zij het niet eens met de rekenwijze (…).” [gedaagde 1] mocht er op basis hiervan van uitgaan dat partijen kennis van zaken hadden, zich bewust waren van het bestaan van dit fiscale aspect en zich goed realiseerden dat zij afspraken maakten over een andere dan de economische waarde van de aandelen. Het concreet benoemen van een latente AB-claim is dan minder relevant. Bovendien heeft [gedaagde 1] gemotiveerd gesteld dat zij bij de bespreking van het concept-convenant alle bepalingen in dit concept met partijen heeft doorgesproken en hen in het kader van artikel 5.1. van het concept ook in bredere zin heeft geadviseerd de afspraken te laten controleren door een fiscalist, juist omdat het waarderen van aandelen en de fiscale gevolgen van de verrekening daarvan niet tot haar vakkennis behoorden. [eiser] heeft dit weliswaar ontkend, maar in het licht van het feit dat zij niet heeft betwist dat aan het doorspreken van het concept-convenant nog een hele bespreking is gewijd, heeft zij dit niet voldoende concreet weersproken. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat [eiser] een achtergrond in accounting en finance had waardoor ervan mag worden uitgegaan dat zij meer dan gemiddeld kennis had van zaken op fiscaal en financieel gebied (welk beeld ook uit de gespreksverslagen naar voren komt). De keuze van [eiser] om geen fiscalist te raadplegen past hierbij, en past ook bij haar wens om tot een gezamenlijke verdeling te komen en verder met elkaar te gaan op relationeel vlak, waarbij een volstrekt gelijke financiële verdeling niet de prioriteit had. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat indien [eiser] wel met zoveel woorden zou zijn gewezen op de latente AB-claim, dit niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Voor het aannemen van causaal verband tussen de fout en de gestelde schade is naar het oordeel van de rechtbank in het licht van het voorgaande onvoldoende gesteld.

Rekening-courantschuld

5.18.

Ook ten aanzien van de in artikel 4.7 van het convenant opgenomen rekening-courantschuld ad € 121.803 is de rechtbank met [eiser] van oordeel dat [gedaagde 2] een verwijt kan worden gemaakt. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat zij dit bedrag uit de IB-aangifte 2021 van [eiser] heeft overgenomen. Zij had echter de op de peildatum van 31 december 2022 meest actuele rekening-courantvordering op [eiser] zoals opgenomen in de jaarrekening van [bedrijf 3] per 31 december 2022 (productie E17) ad € 216.893 moeten opnemen. Ten tijde van het opstellen van het convenant had [gedaagde 1] al de beschikking over deze jaarrekening, hetgeen ook volgt uit het feit dat zij het eigen vermogen van de onderneming van [eiser] per 31 december 2022 hieruit heeft overgenomen. [gedaagde 1] heeft de rekening-courantschuld derhalve ten onrechte voor een verkeerd bedrag opgenomen. Desondanks leidt ook deze fout niet tot aansprakelijkheid van [gedaagde 2] voor de gestelde schade. [gedaagde 1] heeft het bedrag van € 121.803 opgenomen in het concept convenant en als aandachtspunt geel gemarkeerd (zie 3.18), zodat [eiser] en [betrokkene] dit nog nader konden uitzoeken, mede omdat de mediator niet beschikte over de aangiften IB 2022 van partijen. [eiser] heeft dit bedrag van € 121.803 desondanks laten staan. Dit terwijl [eiser] als bestuurder van de [bedrijf 3] op de hoogte kon zijn van het bestaan en de hoogte van de rekening-courantschuld per 31 december 2022. [gedaagde 1] heeft toegelicht dat toen zij melding maakte van de rekening-courantschuld, partijen haar te kennen hebben gegeven dat deze schuld voor rekening van [eiser] zou komen en dat die schuld niet relevant was voor de totaalregeling. Dit past bij het feit dat [eiser] de regeling met [betrokkene] als een soort package deal zag. Op het moment dat [eiser] aangaf dat zij “kan leven met het voorstel van [betrokkene], dat hij – inclusief schuld aan de B.V. – een bedrag van €525.000 voldoet (…) had de mediator nog geen bedrag aan de rekening-courantschuld gekoppeld; dat is pas gebeurd in het concept-convenant. Ook was die schuld niet opgenomen in het door [betrokkene] aan de mediator verstrekte vermogensoverzicht dat de basis vormde voor de afspraken tussen partijen. [eiser] heeft desgevraagd ter zitting ook niet concreet kunnen toelichten in welk opzicht het noemen door de mediator van de rekening-courantschuld invloed heeft gehad op de uitkomst van het bedrag van de package-deal. Het aanvankelijk afgesproken bedrag van € 120.000 dat [betrokkene] nog aan [eiser] zou betalen, is in het definitieve convenant verlaagd naar 46.000 in verband met de discussie over de stille reserves op de bedrijfspanden. De rekening-courantschuld is dus niet kenbaar van invloed geweest op het bedrag van de package deal. Aannemelijk is dan ook dat, indien [gedaagde 1] wel het juiste bedrag als rekening-courantschuld zou hebben opgenomen in het convenant, dit niet tot een andere uitkomst had geleid. Ook hier is, kortom, onvoldoende gesteld om te komen tot het oordeel dat causaal verband tussen de fout en de gestelde schade bestaat.

5.19.

Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. Hetgeen partijen ten aanzien van de schade(beperkingsplicht) naar voren hebben gebracht behoeft daarom geen bespreking meer.

5.20.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht

6.861,00

- salaris advocaat

3.502,00

(1 punt × € 3.502,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

10.541,00

5.21.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

6.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden] ten bedrage van € 10.541,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.3.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs, mr. M.P. de Valk en mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.


meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Meer fiscale opties pensioenverrekening samenwoners
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 06-05-2025
Jasper Horsthuis en Rob Welling gaan in gesprek over een recente uitbreiding van de fiscale mogelijkheden voor pensioenverrekening door samenwoners. Zij bepleiten een verdere verruiming van de regeling.
Podcastgesprek: Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente (II)
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 22-04-2025
De Belastingdienst heeft - opnieuw - een standpunt gepubliceerd over de fiscale afwikkeling van een lijfrentepolis bij echtscheiding. Rob Welling en Jasper Horsthuis bespreken de gevolgen hiervan.
Podcastgesprek: Breaking! Vóórhuwelijks vergoedingsrecht halveert niet!
Drs. Jasper Horsthuis en Rob Welling, 08-04-2025
Onze redacteur Jasper Horsthuis en scheidingsfiscalist Rob Welling gingen in gesprek over de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad op 21-03-2025. Super heldere uitleg over inhoud en gevolgen van de uitspraak!
Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN