Rechtbank Noord-Holland 04-02-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:922

Essentie (gemaakt door AI)

Aansprakelijkheid mediator. Vordering van eiser tegen mediator en maatschap wegens tekortschieten in mediationovereenkomst wordt afgewezen. Geen contractuele relatie met mediator persoonlijk vanwege exoneratie in algemene voorwaarden; ook geen OD. Ten aanzien van maatschap: geen schending zorgplicht door niet te stoppen met mediation of niet dwingen tot inschakelen advocaat; eiser had bedenktijd en was geïnformeerd. Twee beroepsfouten (AB-claim en rc-schuld) aangenomen, maar geen causaal verband met gestelde schade. Vorderingen afgewezen. Eiser wordt in de procesk

Datum publicatie02-03-2026
ZaaknummerC/15/360919 / HA ZA 25-29
ProcedureBodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenTuchtrecht / aansprakelijkheid; Tuchtrecht/aansprakelijkheid mediator
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Aansprakelijkheid mediator. Is mediator tekort geschoten in de nakoming van de mediationovereenkomst? Heeft mediator gehandeld zoals een redelijk bekwame en redelijk handelende professionele mediator had moeten handelen?

Volledige uitspraak


RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/360919 / HA ZA 25-29

Vonnis van 4 februari 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats 1],

eisende partij,

advocaat: mr. H.C. Bijleveld,

tegen

1 [gedaagde 1],

te [plaats 2],

2. de maatschap
[gedaagde 2],

te [plaats 2],

gedaagde partijen,

advocaat: mr. H.M. Kruitwagen.

Eisende partij zal hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagde partijen zullen hierna gezamenlijk [gedaagden] en ieder afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1De zaak in het kort

1.1.

Deze procedure gaat over het handelen van [gedaagde 1] als mediator. Volgens [eiser] zijn [gedaagden] tekort geschoten in de nakoming van de tussen [eiser] en haar echtgenoot gesloten mediationovereenkomst en heeft [gedaagde 1] niet gehandeld zoals een redelijk bekwame en redelijk handelende professionele mediator had moeten handelen, primair omdat [gedaagde 1] de mediation niet heeft beëindigd, dan wel [eiser] niet heeft geadviseerd om een jurist of advocaat in de arm te nemen om het echtscheidingsconvenant te controleren, en subsidiair omdat [gedaagde 1] twee beroepsfouten heeft gemaakt. [eiser] stelt hierdoor substantiële schade te hebben geleden die [gedaagden] dienen te vergoeden. [gedaagden] betwisten de stellingen van [eiser].

De rechtbank wijst de vorderingen jegens [gedaagde 1] af op de grond dat er tussen [gedaagde 1] en [eiser] geen contractuele relatie bestaat.

Ook de vorderingen jegens [gedaagde 2] worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de mediator ten aanzien van de primaire vordering haar zorgplicht niet geschonden en ten aanzien van de subsidiaire vordering heeft de mediator naar het oordeel van de rechtbank weliswaar twee beroepsfouten gemaakt, maar bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen causaal verband tussen deze fouten en de door [eiser] gestelde schade.

2. De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 juni 2025

- het bericht van 31 oktober 2025, houdende een akte overleggen nadere producties 21 en 22 van [eiser]

- de mondelinge behandeling van 13 november 2025, waarbij de advocaten van partijen gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3De feiten

3.1.

[gedaagde 1] is advocaat en geregistreerd mediatior bij de Nederlandse vereniging Familie- en erfrecht Advocaten Scheidingsmediators (vFAS) en maat bij [gedaagde 2].

3.2.

[eiser] en [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) zijn op 21 mei 2005 met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Uit het huwelijk zijn (op [geboortedatum 1] 2006 en [geboortedatum 2] 2009) twee kinderen geboren. Uit de huwelijkse voorwaarden volgt dat een gemeenschap van goederen zal bestaan tussen partijen met uitzondering van het ondernemingsvermogen en de daaraan gekoppelde schulden.

3.3.

[eiser] is onderneemster. [betrokkene] is werkzaam in loondienst.

3.4.

In de periode van 2004 tot 2006 hebben [eiser] en [betrokkene] een huis in [plaats 1] laten bouwen, alwaar zij samen met hun twee kinderen hebben gewoond.

3.5.

In 2013 heeft [eiser] een deel van de aandelen van de werkmaatschappijen van de onderneming van haar vader ([bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V.) overgenomen. De aandelen zijn ondergebracht bij de persoonlijke houdstermaatschappij van [eiser], genaamd [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3]).

De koopsom voor de aandelen van in totaal € 767.000 is door de vader van [eiser] aan haar geschonken.

3.6.

[bedrijf 3] heeft een 100% deelneming in een paardenpension (Puur Stallen B.V.).

3.7.

Op 20 april 2016 zijn de huwelijkse voorwaarden gewijzigd. In de gewijzigde huwelijkse voorwaarden is onder meer een jaarlijkse verrekening overeengekomen van de waarde van [bedrijf 3], waarbij [betrokkene] de helft van de waardevermeerdering van de onderneming zou ontvangen vanaf een waarde van € 767.000. In verband hiermee is in artikel 8 van de nieuwe huwelijkse voorwaarden een vervalbeding opgenomen, dat voor zover hier van belang luidt als volgt:

(...) 2. De onderneming als hiervoor bedoeld zal jaarlijks worden gewaardeerd. De waardering zal door partijen in onderling overleg worden vastgesteld. Bij gebreke van vaststelling binnen zes maanden na afloop van het boekjaar en bij gebreke van onderlinge overeenstemming over de waardering, zullen partijen een terzake onafhankelijke deskundige in de waardering van ondernemingen opdracht verlenen, die namens partijen de waarde bindend zal vaststellen. Indien geen opdracht wordt verleend binnen gemelde periode van zes maanden, worden partijen geacht geen verrekening te zijn overeengekomen.(…)

3.8.

Omdat tussen [eiser] en [betrokkene] discussies waren ontstaan als gevolg van de financiële verwevenheid tussen hen, hebben zij zich medio 2023 tot [gedaagde 2] gewend met de wens om door middel van mediation hun huwelijk te beëindigen en tot een financiële ontvlechting te komen, waarbij de affectieve relatie niet beëindigd zou worden. Daarbij was het de bedoeling dat zij in de huidige woning zouden blijven samenwonen en dat de woning formeel eigendom van [betrokkene] zou worden.

3.9.

Op 27 juli 2023 heeft een (intake)gesprek plaatsgevonden tussen [eiser], [betrokkene] en [gedaagde 1]. Tijdens dit gesprek is het onderstaande door [betrokkene] op voorhand ingestuurde overzicht van het vermogen en de verdeling daarvan besproken:

{Afbeelding 1}

3.10.

Van de bespreking is een (door [eiser] en [betrokkene] geaccordeerd) verslag opgemaakt, dat, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

(…)

1. Inleiding

(…)

Op de vraag van de mediator wat de verwachting van de mediaton betreft van beiden, geeft [betrokkene] aan dat hij een bevredigende uitkomst voor beide partijen wenst, waarbij de insteek de financiële ontvlechting betreft. [eiser] kreeg ‘jeuk’ van de ingeschakelde echtscheidingsadvocaat, nu van een relationele scheiding geen sprake is. Ook zij wil graag een bevredigende uitkomst voor beiden.

(…)

2. Relatiecrisis

(…)

Ook tijdens de mediation geeft [eiser] aan dat zij angst heeft dat de man - net als de vorige keer - allereerst een financiële afwikkeling wenst en vervolgens de relatie toch zal beëindigen. In 2016 heeft de man aangekondigd te willen scheiden, nadat de huwelijkse voorwaarden waren aangepast.

(…)

Afgesproken wordt dat [eiser] (en ook [betrokkene]) de financiële afwikkeling zal behandelen alsof de relatie daadwerkelijk over zou zijn, om te voorkomen dat zij nu iets zouden tekenen waar zij zich in de toekomst door benadeeld zouden voelen.

(…)

4. Huwelijkse voorwaarden

(…)

De mediator stelt de vraag wat de reden is dat [betrokkene] tot een financiële ontvlechting wil komen. Hij geeft aan dat [eiser] ongeveer 2 jaar geleden haar bedrijf heeft verkocht en dat zij de stal met manege wilde aankopen voor 1,4 miljoen euro. [betrokkene] was het niet eens met deze beslissing, nu hij vindt dat hier veel tijd en energie in gaat zitten die ten koste gaan van het gezin, dat de inkomsten waarschijnlijk terug de stal in zullen gaan en dat dit zou inhouden dat er geen pensioen overblijft voor over 15 jaar (nu hij geen/weinig pensioen opbouwt). Immers, het geld zit dan in stenen. Hij wil echter geen belemmering voor mevrouw vormen en vindt dat ze moet doen wat ze wil, maar wil dan wel een financiële scheiding hebben om over zijn gelden te kunnen beschikken, zonder dat deze in de stal vast zouden zitten.

Vervolgens heeft [betrokkene] - nu hij tot financiële ontvlechting wilde komen - een overzicht gemaakt met alle vermogensbestanddelen met de geschatte waarde daarvan en een voorstel gedaan aan [eiser] om tot afwikkeling te komen, waarbij sprake zou zijn van een afkoop van partneralimentatie. Hij heeft in een Excel overzicht berekend dat hij bij overname van de woning en uitkering van de helft van de overwaarde aan [eiser] een bedrag van afgerond € 90.000,-- van haar dient te ontvangen, nu de waarde in haar bedrijf veel hoger is dan de overwaarde van € 370.000,-- die hij aan [eiser] moet voldoen. Hij is bereid om van dit bedrag van € 90.000,-- af te zien en een bedrag van € 120.000,-- te voldoen (een totaal bedrag van € 600.000,-- inclusief de lening van de B.V. van de vrouw ad € 479.000,--).

Dit bedrag voldoet hij dan onverplicht. Hij gaf aan met zijn advocaat mr. Zillikens te hebben besproken dat geen aanleiding bestaat voor partneralimentatie, gezien het eigen inkomen en vermogen van [eiser] alsmede het feit dat hij alle kosten van de kinderen betaalt. Omdat dit - gezien zijn hoge inkomen - niet goed voelt, wil hij het bedrag van in totaal € 210.000,-- aan mevrouw schenken (door 90.000,-- niet te incasseren en € 120.000,-- te betalen).

Omgerekend zou dit dan uitkomen op een nettobedrag van € 3.500,-- per maand, en bruto € 7.000,-- per maand aan partneralimentatie.

De mediator geeft aan de huwelijkse voorwaarden nog te willen ontvangen om te controleren of de juridische uitgangspunten zoals hierboven genoemd staan correct zijn.

(…)

5. Echtelijke woning

Betrokkenen geven aan dat de woning in [plaats 2] op 30 mei 2023 is gewaardeerd op
€ 1.350.000,-- en dat betrokkenen van die waarde willen uitgaan.(…)

Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij ING Bank van € 140.000,-- en partijen hebben een lening van de B.V. van de vrouw van € 479.000,--. De overwaarde die [eiser] bij overname van de woning (…) zou moeten krijgen betreft aldus € 370.000,-- volgens betrokkenen.

6. Overige vermogensbestanddelen

(…)

[betrokkene] geeft aan dat hij het voorstel heeft gedaan uitgaande van de cijfers van 2021 met als voorbehoud dat hij de cijfers van 2022 er nog naast wilde houden om uit te sluiten dat zijn voorstel door een wijziging heel onredelijk zou worden. Betrokkenen zijn als peildatum overeengekomen 31 december 2022 voor zowel de samenstelling als de waardering van de vermogensbestanddelen, waarvan zijn uitgezonderd de echtelijke woning (…).

[betrokkene] geeft aan dat hij zich financieel benadeeld voelt door [eiser], nu zij hem niet heeft verteld dat de waarde van de bedrijfspanden die op de balans opgenomen staan tegen de boekwaarde een forse meerwaarde vertegenwoordigen (de stille reserves). Hij denkt dat [eiser] dit bewust heeft achtergehouden.

[eiser] geeft aan dat zij bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden in 2016 ook zijn uitgegaan van de boekwaarde om de hoogte te bepalen van het vermogen dat alleen aan haar toekomt nu zij dit heeft overgenomen van haar vader. In geval toen ook al zou zijn uitgegaan van de waarde van de panden destijds, zou een hoger bedrag zijn afgesproken tussen partijen waarboven [betrokkene] de helft zou krijgen. Zij heeft dus niet vreemd gevonden dat opnieuw een voorstel is gedaan uitgaande van de boekwaarde, nu je anders appels met peren vergelijkt.

[betrokkene] geeft aan dat dit alsnog niet eerlijk is, nu de panden vanaf 2016 ook jaarlijks worden afgeschreven en dat dit ongeveer € 25.000,-- per jaar zou betreffen, wat dan ook uit zou komen op € 175.000,-- verschil t.o.v. 2016. [eiser] geeft aan dat dit onjuist is, nu slechts een jaarlijkse afschrijving van 3% mogelijk is. Bovendien is duidelijk voor beiden dat de panden die in die B.V. opgenomen zijn al voor 2016 zijn aangekocht.

[betrokkene] geeft aan het niet redelijk te vinden dat het bedrijfspand voor € 280.000,-- op de balans staat, lager dan de WOZ-waarde, terwijl dit pand voor € 725.000,-- wordt verkocht. [eiser] geeft aan dat dit voor een boekwinst zal zorgen, waarover ook nog 25% belasting moet worden betaald.

[eiser] geeft aan dat zij kan leven met het laatste voorstel van [betrokkene], dat hij - inclusief schuld aan de B.V. - een bedrag van € 525.000,-- voldoet, al is zij het niet eens met de rekenwijze en heeft zij niet kunnen controleren of zijn stelling dat zij geen partneralimentatie zou krijgen klopt. Zij vindt dat het meer stuk maakt dan betrokkenen lief is om hierop door te gaan, terwijl de bedoeling is dat zij met elkaar verder gaan.

7. Vergoedingsrecht

(…) Nu betrokkenen een algehele regeling hebben kunnen treffen, zijn zij bereid om dit geschilpunt te laten voor wat het is. De mediator heeft aangestipt dat voor zover sprake zou zijn van een gemeenschap van goederen volgens de huwelijkse voorwaarden, dit geldbedrag niet teruggestort zou hoeven te worden. Dat is alleen anders als sprake is van een uitsluitingsclausule bij de schenking, maar daarvan is volgens beiden geen sprake.

8. Partneralimentatie

De partner die niet in zijn/haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien doordat deze niet voldoende inkomen heeft, noch in redelijkheid kan verwerven, kan aanspraak maken op een alimentatiebijdrage. Onder “niet voldoende inkomen” moet worden verstaan: niet voldoende om het welstandsniveau tijden het huwelijk te kunnen voortzetten. (…)

De maximale periode dat alimentatie dient te worden betaald, is de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaar. Nu geen uitzondering zich voordoet, zou ook in dit geval betekenen dat alimentatie moet worden betaald tot uiterlijk vijf jaar na de echtscheiding. (…) Betrokkenen menen dat een alimentatieverplichting - in de zin van een maandelijks te betalen bedrag - niet wenselijk is. In het gedane voorstel van [betrokkene] zou dit betekenen dat de partneralimentatie is afgekocht en dus geen (extra/nadere) bijdrage meer kan worden gevraagd in het levensonderhoud van [eiser].

9. Voortgang

Partijen spreken af dat zij het besprekingsverslag afwachten, de stukken zullen aanleveren en vervolgens een nieuwe afspraak zullen inplannen om een concept convenant door te nemen.

3.11.

Na het (intake)gesprek op 27 juli 2023 hebben [eiser], [betrokkene] en [gedaagde 1] een mediationovereenkomst (hierna: de mediationovereenkomst) getekend. Deze overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Algemeen

(…)

1.2

De partijen verklaren dat zij een exemplaar van de Gedragsregels alsmede, indien toepasselijk, van de door het kantoor van de advocaat-mediator gehanteerde Algemene Voorwaarden, hebben ontvangen als aanhangsel van deze overeenkomst.

(…)

3. Verantwoordelijkheden van de partijen

(…)

De partijen kunnen zich desgewenst in de mediation laten adviseren en/of bijstaan door een advocaat of andere adviseur,(…)

6. Vertrouwelijkheid en verschoningsrecht

(…)

het staat partijen vrij tijdens de mediation advies in te winnen van derden, bijvoorbeeld een andere advocaat of adviseur,(…)

3.12.

[betrokkene] heeft op 27 juli 2023 de (concept)jaarrekening van [bedrijf 3] van 2022 en de huwelijkse voorwaarden naar [gedaagde 1] gezonden.

3.13.

Bij e-mail van 27 juli 2023 heeft [gedaagde 1] aan [eiser] en [betrokkene] een opdrachtbevestiging, de algemene voorwaarden, een door [gedaagde 1], [eiser] en [betrokkene] getekende mediationovereenkomst, een (standaard)lijst met benodigde stukken, het besprekingsverslag en een leeg ouderschapsplan toegezonden en, voor zover hier van belang, het volgende meegedeeld:

(…)

Naar aanleiding van onze bespreking heb ik ook even nagekeken of het eigenlijk wel mogelijk is om te spreken van een afkoop van partneralimentatie in fiscale zin. Dit nu de bedoeling is dat jullie in dezelfde woning blijven samenwonen (dus niet duurzaam gescheiden gaan leven), waardoor ondanks de straks verkregen echtscheiding, toch nog sprake zal zijn van fiscaal partnerschap.(…)

Kortom, het lijkt me dan toch onverstandig om het als afkoopsom in het convenant op te nemen (dan krijg je een bedrag belast zonder dat daar een aftrekpost tegenover staat). We zullen dit bij het volgende gesprek verder bespreken, maar het leek me goed dit al wel alvast aan jullie te melden.

Tenslotte heb ik zojuist naar de huwelijkse voorwaarden gekeken. Mij viel op - en het leek me goed dit jullie beiden wel mee te geven - dat daarin is opgenomen dat jullie jaarlijks de waarde van de B.V. zouden verrekenen. Er is zelfs opgenomen dat de waarde jaarlijks wordt vastgesteld binnen zes maanden na afloop van het boekjaar. ‘indien geen opdracht wordt verleend binnen gemelde periode van zes maanden, worden partijen geacht geen verrekening te zijn overeengekomen’. Wellicht dat dit niets voor jullie verandert, maar ik wil jullie hier tijdens ons volgende gesprek niet mee overvallen.

Dus ik hoop dat jullie alvast willen nadenken wat hiermee is bedoeld en wat jij hier zelf mee zou willen, zodat we dit tijdens het volgende gesprek kunnen bespreken.

3.14.

De bij voormelde e-mail meegezonden opdrachtbevestiging luidt, voor zover hier belang, als volgt:

Naar aanleiding van ons mediation gesprek van vandaag bij mij op kantoor bevestig ik hierbij de gemaakte afspraken, waarbij ik jullie als mediator zal bijstaan bij de beëindiging van jullie huwelijk.

Hierbij bevestig ik, namens [gedaagde 2], de opdracht om jullie als advocaat-mediator bij de op handen zijnde echtscheiding.

Jullie zijn naar ons kantoor toegekomen met het verzoek om - middels mediation - het huwelijk te beëindigen en de vermogensrechtelijke aspecten op de juiste wijze af te wikkelen, zodat jullie financieel ontvlochten zijn. De (affectieve) relatie wordt niet beëindigd en jullie zullen in de huidige woning blijven samenwonen. De bedoeling is wel dat de woning formeel eigendom zal worden van [betrokkene]. Aldus willen jullie bezien of de irritaties die het gevolg zijn van financiële verwevenheid zullen afnemen.

(…)

Op mijn dienstverlening zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden van [gedaagde 2], van welke voorwaarden een exemplaar bij deze brief is gevoegd.

Tevens stuur ik jullie een besprekingsverslag toe waarin inhoudelijk wordt ingegaan op hetgeen tijdens het gesprek naar voren is gekomen.

3.15.

Artikel 2 van de Algemene voorwaarden van [gedaagde 2] luidt als volgt:

2. Alle opdrachten worden, met uitsluiting van de artikelen 7:404 BW en 7:407 lid 2 BW, uitsluitend aanvaard en uitgevoerd door de [gedaagde 2]. De leden van de maatschap alsmede degenen die voor de maatschap werkzaam zijn, zijn niet persoonlijk gebonden of aansprakelijk.

3.16.

Nadat tussen [eiser] en [betrokkene] discussie is ontstaan over voormeld vervalbeding, heeft op 28 juli 2023 tussen [gedaagde 1], [betrokkene] en [eiser] een tweede (spoed)gesprek plaatsgevonden. Het (door [eiser] en [betrokkene] geaccordeerde) gespreksverslag luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

(…)

[betrokkene] geeft aan de huwelijkse voorwaarden sinds dit e-mailbericht meerdere malen te hebben gelezen. Hij geeft aan dat bij hem ‘het licht uitging’ nadat hij hoorde dat [eiser] de desbetreffende passage anders interpreteerde dan hij, nu hij vindt dat de huwelijkse voorwaarden overduidelijk zijn en dat betrokkenen al afspraken hebben gemaakt. Hij vond het juist een fijn gesprek gisteren en voelt zich ontzettend boos dat [eiser] daarop terug wil komen en het e-mailbericht als opening ziet om onder de gemaakte afspraken uit te komen. Ook is hij boos op de mediator dat zij dit t.a.v. de huwelijkse voorwaarden heeft benoemd, nu zij toch al overeenstemming hebben bereikt.

(…)

[eiser] geeft aan dat zij naar aanleiding van het vorige gesprek heeft onthouden dat zij moet doen alsof een ‘echte’ echtscheiding plaatsvindt, waarbij ook de relatie wordt verbroken, zodat zij in die situatie anders naar het geheel kijkt. Zij zou zich benadeeld voelen als zij nu klakkeloos akkoord gaat met hetgeen tijdens het vorige gesprek aan de orde is gekomen, ingeval de relatie toch beëindigd wordt. Ingeval zij daadwerkelijk uit elkaar zouden gaan, zou zij mogelijk een ander standpunt innemen. Zij meent dat de zin zo kan worden opgevat dat in het geheel geen verrekening meer hoeft plaats te vinden, nu niet binnen een halfjaar een opdracht is verleend om de waarde te laten vaststellen, zodat geacht wordt geen verrekening te zijn overeengekomen.

(…)

[betrokkene] geeft nogmaals aan dat overduidelijk is dat deze bewuste zin is opgenomen door de notaris om een en ander dicht te timmeren, maar niet uit de koker van betrokkenen is gekomen. [eiser] geeft aan dat klopt dat deze zin niet door betrokkenen is bedacht, maar dat de notaris deze zin waarschijnlijk vanwege fiscale/juridische redenen zal hebben opgenomen. Zij meent dat jaarlijks een schuld had moeten worden opgenomen in de aangifte IB van haar aan [betrokkene], welk bedrag zij dan jaarlijks aan hem schuldig zou blijven.

De mediator geeft aan dat uitgaande van hetgeen betrokkenen nu aangeven - dat deze zin door de notaris is opgemaakt - alsmede de vormgeving van de rest van de huwelijkse voorwaarden (waarbij verwezen wordt naar e-mailberichten van betrokkenen) voor betrokkenen duidelijk is geweest dat zij de meerwaarde wilden verrekenen en daarbij niet een vervalbeding hebben willen opnemen waarbij dit recht geheel zou vervallen ingeval de waarde niet (tijdig) zou worden vastgesteld. Het lag zo geven zij zelf aan voor de hand dat betrokkenen een eventuele verrekening pas zouden vaststellen ingeval van een echtscheiding sprake zou zijn.

Als advocaat van [eiser] zou haar standpunt in rechte kunnen worden ingenomen, dat geen verrekening meer hoeft plaats te vinden en zou de discussie bij een rechtbank worden wat partijen nu eigenlijk bedoeld hebben af te spreken. Ingeval de notaris dan zou bevestigen dat deze zinssnede door hem is opgenomen en niet uit de koker van betrokkenen kwam, is de vraag of zij daaruit beiden hebben mogen begrijpen dat hiermee de verrekening mogelijk zou komen te vervallen. Naar de mening van beide betrokkenen is dit niet de bedoeling geweest bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden en willen zij vasthouden aan de gemaakte afspraken.

3.17.

Afgesproken is dat partijen het besprekingsverslag afwachten, stukken zullen aanleveren en een nieuwe afspraak zullen inplannen om een concept convenant door te nemen.

3.18.

[gedaagde 1] heeft vervolgens een concept-echtscheidingsconvenant opgesteld. Op 31 augustus 2023 zijn de bepalingen hiervan met partijen besproken. In het concept heeft [gedaagde 1] als aandachtspunt onder meer het volgende opgenomen en geel gemarkeerd over de rekening-courantschuld:

Overige schulden?

(…)

Rekening courant schuld [bedrijf 3] B.V. ad € 121.803 (zie aangifte IB)

(…)

3.19.

Op 4 september 2023 heeft [gedaagde 1] het finale conceptconvenant gemaild naar [eiser] en [betrokkene]. Na doorvoering van enkele door [eiser] en [betrokkene] gewenste aanpassingen hebben zij op 5 september 2023 het definitieve echtscheidingsconvenant getekend, dat, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

(…)

Artikel 2 PARTNERALIMENTATIE

2.1

Partijen komen overeen dat ná de ontbinding van hun huwelijk de één tegenover de ander niet tot betaling van partneralimentatie gehouden zal zijn. Zij doen afstand, voor nu en in de toekomst om partneralimentatie van de ander te vorderen. De afstand is gebaseerd op het feit dat beide partijen op het tijdstip van ondertekening van het convenant (dus na afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden) in staat zijn om in het eigen levensonderhoud te voorzien uit arbeid en/of vermogen.

2.2

Daarbij komt dat beide partijen principieel bezwaar hebben tegen de betaling van kosten van het levensonderhoud van de ander.

2.3

Partijen zijn ervan op de hoogte dat de alimentatieplicht volgens de wettelijke bepalingen gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaren te rekenen vanaf de datum van inschrijving van de ontbindingsbeschikking.

Voor partijen betekent dit een duur van vijf jaren. De afstand ziet op de gehele periode.

2.4

Ondanks dat de toekomstige omstandigheden mogelijk een verschil tussen inkomen en/of vermogen kan geven, weten partijen dat ook in dat geval de gedane afstand betekent dat zij geen alimentatie van de ander kunnen vorderen. Zij kiezen bewust voor het doen van afstand, in plaats van een nihilbeding voor dit moment.(…)

Artikel 4 AFWIKKELING HUWELIJKSE VOORWAARDEN EN VERDELING EENVOUDIGE GEMEENSCHAPPEN

(…)

Peildatum samenstelling en omvang te verrekenen vermogen

4.2

In de voorwaarden is overeengekomen dat jaarlijks de waardevermeerdering die aan beide partijen toekomt zou moeten worden bepaald en dat dit bedrag te betalen door de vrouw aan de man schuldig kan worden gebleven en bij echtscheiding verrekend kon worden met hetgeen de vrouw toekomt. Partijen komen overeen in afwijking hiervan als peildatum voor de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen te nemen 31 december 2022 .

(...)

4.7

Aandelen [bedrijf 3] B.V. (…)

(...) Partijen hebben de waarde van de aandelen van [bedrijf 3] B.V. conform de jaarrekening per december 2022 vastgesteld op € 1.830.458. Dat betekent dat - na aftrek van € 767.000,-- in beginsel een bedrag van € 1.063.458 voor verrekening in aanmerking komt, zodat daarvan aan de man een bedrag van € 531.729,-- toekomt.

De vrouw zal de schuld (in rekening-courant) aan [bedrijf 3] B.V. ter grootte van € 121.803,-- voor haar rekening nemen en geheel als eigen schuld voldoen. De vrouw verklaart middels ondertekening van dit convenant in haar hoedanigheid van directeur van [bedrijf 3] B.V. dat de man niet aansprakelijk is voor de vordering(en) die [bedrijf 3] B. V. op de man heeft c.q. mocht hebben, op de vordering genoemd in artikel 3.5 na.

Uit hoofde van de hiervoor genoemde verrekening dient de vrouw aan de man te voldoen
€ 471.336,50. Voldoening vindt plaats op de wijze zoals hierna vermeld bij de totale verrekenvordering. (...)

Totale verrekenvordering

4.9

Partijen verschillen met elkaar van mening over de hoogte van de aan elkaar verschuldigde bedrag ter zake van voormelde afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden (meer in het bijzonder over de bepaling van de verrekening van de jaarlijkse meerwaarde van de B.V. (...) en tenslotte de waarde van de echtelijke woning). Ter beëindiging van onzekerheid c.q. geschillen omtrent het bedrag stellen partijen deze vast op een bedrag van € 46.000,-- te betalen door de man aan de vrouw.

Dit is een vaststellingsovereenkomst. (...)

Artikel 5. FISCALE REGELING

5.1

Fiscale toetsing

De in dit artikel opgenomen regeling is geen vervanging voor fiscaal advies. Partijen verklaren door ondertekening van dit convenant dat zij zich hebben laten informeren over de fiscale gevolgen van de regeling dan wel dat zij ervoor kiezen geen advies in te winnen en de gevolgen daarvan nadrukkelijk zelf dragen.

5.2

Fiscaal partnerschap en afstemming aangiftes.

(…)

5.3

Onderlinge draagplicht heffingen

(…)

5.4.

Overige bepalingen

(…)

3.20.

De echtscheiding is op 19 oktober 2023 uitgesproken door deze rechtbank.

3.21.

[eiser] en [betrokkene] zijn in februari 2024 daadwerkelijk uit elkaar gegaan.

3.22.

Bij e-mail van 28 maart 2024 aan [eiser] en [betrokkene] (naar aanleiding van vragen van de financieel adviseur van [eiser] over een latente belastingclaim over het Aanmerkelijk Belang bij het verrekenen van de aandelen in [bedrijf 3], de zogenaamde AB-claim) heeft [gedaagde 1], voor zover hier van belang, het volgende meegedeeld:

(…)

Naar aanleiding van de door jullie aangeleverde informatie, op basis waarvan de verdeling van de aandelen tot stand is gekomen, heb ik kunnen vaststellen dat over de AB-claim niets is opgenomen.

Ik kan concluderen dat daar geen rekening mee is gehouden. Het is een feit dat deze heffing in de toekomst zal moeten worden betaald, zodat je daar rekening mee dient te houden bij de toedeling van de aandelen aan één van de partijen, omdat anders slechts één van beiden de volledige belasting in zijn portemonnee voelt, terwijl het jullie bedoeling is geweest om een verdeling bij helfte te laten plaatsvinden.

(…)

3.23.

Bij brief van 8 augustus 2024 heeft (de advocaat van) [eiser] [gedaagde 2] aansprakelijk gesteld.

3.24.

Bij brief van 8 oktober 2024 heeft (de advocaat van) [gedaagde 2] gereageerd en aansprakelijkheid van de hand gewezen.

Tekst

4Het geschil

4.1.

[eiser] vordert, bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een bedrag van € 531.729, te vermeerderen met de wettelijke rente;

II. Verwijzing naar de schadestaatprocedure ter zake van de overige schade (misgelopen alimentatie);

Subsidiair

III. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een bedrag van € 355.516,81, te vermeerderen met de wettelijke rente;

Primair en subsidiair

IV. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten conform toepasselijke staffel, te vermeerderen met de wettelijke rente;

V. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

[eiser] legt – samengevat – aan haar vordering te grondslag dat [gedaagden] tekort zijn geschoten in de nakoming van de tussen [eiser] en [betrokkene] gesloten mediationovereenkomst. [gedaagden] hebben hun zorgplicht geschonden en niet gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelende professionele mediator had moeten handelen, primair omdat [gedaagde 1] de mediation niet heeft beëindigd, dan wel [eiser] niet heeft geadviseerd om een jurist of advocaat in de arm te nemen om het convenant te controleren en subsidiair omdat [gedaagde 1] twee beroepsfouten heeft gemaakt. [eiser] heeft hierdoor zeer substantiële schade geleden, die [gedaagden] dienen te vergoeden, aldus [eiser].

4.3.

[gedaagden] voeren verweer. Zij betogen dat [gedaagde 1] geen contractspartij is en dat [eiser] haar schadebeperkingsplicht heeft geschonden door niet [betrokkene] (op grond van artikel 3:196 Burgerlijk Wetboek (BW)) in rechte te betrekken. Daarnaast betwisten [gedaagden] dat [gedaagde 1] haar zorgplicht heeft geschonden, niet als redelijk handelend en redelijk bekwaam mediator heeft gehandeld en dat van beroepsfouten sprake is geweest. Tenslotte ontbreekt het causaal verband met de gestelde schade, is er sprake van eigen schuld en is de omvang van de door [eiser] voorgespiegelde schade niet juist. Zij concluderen dan ook tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten, en de wettelijke rente.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

Ten aanzien van [gedaagde 1]

5.1.

[eiser] vordert hoofdelijke veroordeling tot betaling van [gedaagde 1] naast [gedaagde 2] wegens een tekortkoming in de nakoming van de mediationovereenkomst. Volgens [eiser] heeft [gedaagde 1] de mediationovereenkomst persoonlijk ondertekend en zich daarmee persoonlijk verbonden tot de uitvoering van de mediation. Voor zover er geen overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 1] tot stand is gekomen, legt [eiser] subsidiair onrechtmatige daad aan haar vordering jegens [gedaagde 1] ten grondslag.

5.2.

[gedaagden] betwisten, onder verwijzing naar de algemene voorwaarden, dat de vorderingen jegens [gedaagde 1] kunnen slagen.

5.3.

Deze betwisting slaagt. [eiser] stelt zich op het standpunt dat in elk geval [gedaagde 2] haar contractspartij is, omdat de mediationopdracht in de opdrachtbevestiging van 27 juli 2023 formeel namens [gedaagde 2] is aanvaard. In de bij die opdrachtbevestiging gevoegde algemene voorwaarden (zie het hierboven geciteerde artikel 2) is de persoonlijke gebondenheid en aansprakelijkheid van [gedaagde 1] (als lid van de maatschap) uitgesloten. Dit brengt mee dat tussen [eiser] en [gedaagde 1] geen contractuele relatie bestaat, zodat de vorderingen van [eiser] jegens [gedaagde 1] reeds op die grond dienen te worden afgewezen. [eiser] legt subsidiair onrechtmatige daad aan haar vordering jegens [gedaagde 1] ten grondslag, maar dit slaagt ook niet op dezelfde gronden. [eiser] heeft er, met de acceptatie van de algemene voorwaarden als onderdeel van de mediationopdracht, immers mee ingestemd dat [gedaagde 1] als lid van de maatschap niet uit hoofde van onrechtmatige daad kan worden aangesproken. [gedaagde 1] is dus niet zelfstandig aansprakelijk jegens [eiser], zodat de vorderingen jegens haar zullen worden afgewezen. In het navolgende zal de rechtbank dan ook de vorderingen beoordelen als uitsluitend gericht tegen [gedaagde 2].

Ten aanzien van het primair gevorderde

5.4.

Volgens [eiser] is [gedaagde 2] tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Zij heeft haar zorgplicht geschonden en niet gehandeld zoals een redelijk bekwame en redelijk handelende professionele mediator had moeten handelen.

5.5.

Op grond van artikel 7:401 van het (BW geldt als uitgangspunt dat een opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht dient te nemen, hetgeen betekent dat gedaagde dient te handelen zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Op basis van de gedragsregels voor MfN-geregistreerde mediators, die bij de tussen partijen gesloten mediationovereenkomst van toepassing zijn verklaard, is [gedaagde 2] als mediator verantwoordelijk voor het mediationproces en dient zij het verloop daarvan te bewaken. Verder behoort een mediator zich ervan te vergewissen dat partijen tijdens een mediation beseffen wat hun keuzemogelijkheden zijn en inzicht hebben in de consequenties van de door hen te maken of gemaakte keuzen. Het is aan [eiser] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat [gedaagde 2] niet aan deze zorgplicht heeft voldaan.

Of voldoende zorgvuldigheid in acht is genomen door de mediator, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Het handelen van de mediator zal moeten worden beoordeeld naar het moment waarop het heeft plaatsgevonden. Verder heeft te gelden dat een suboptimaal optreden onvoldoende is om een beroepsfout aan te nemen. Het criterium is dus niet dat moet worden uitgegaan van de best denkbare prestatie; er zal sprake moet zijn van duidelijk ondermaats optreden.

5.6.

[eiser] stelt dat [gedaagde 1]/[gedaagde 2] haar zorgplicht heeft geschonden en niet heeft gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam mediator zou hebben gedaan, door (i) de mediation naar aanleiding van de bespreking op 28 juli 2023 niet te beëindigen en (ii) [eiser] niet te adviseren om een jurist of advocaat in de arm te nemen om het convenant te controleren, hetgeen ook volgt uit de toepasselijke gedragsregels.

In de eerste plaats had [gedaagde 1] nooit mogen laten gebeuren dat [eiser] tijdens één bespreking (op 28 juli 2023), waarbij [eiser] financieel afhankelijk was van [betrokkene], onder grote druk stond, kenbaar emotioneel was en bovendien niet werd bijgestaan door een advocaat terwijl [betrokkene] wel een advocaat had, afstand heeft gedaan van haar beroep op het vervalbeding. [betrokkene] was gebrand op het snel maken van een financiële afspraak en was boos op [eiser], hetgeen ook blijkt uit het besprekingsverslag. Dit zou voor iedere redelijk handelende en redelijke bekwame mediator aanleiding zijn geweest om de mediation te staken, en gelet op de voor [gedaagde 1] kenbare disbalans tussen [eiser] en [betrokkene] had [gedaagde 1] uitdrukkelijk moeten adviseren om een jurist of advocaat in de arm te nemen om het convenant te controleren. In dat geval was de mediation gestaakt en was het convenant niet gesloten. Dan had [eiser] zich jegens [betrokkene] kunnen beroepen op het vervalbeding, had [betrokkene] geen aanspraak kunnen maken op de overwaarde van de onderneming en zou de woning niet tegen WOZ-waarde naar [betrokkene] zijn overgegaan, maar tegen de reële waarde, aldus [eiser].

5.7.

[gedaagde 2] betwist dat [gedaagde 1] als redelijk handelend en redelijk bekwaam mediator meer had moeten doen dan zij heeft gedaan. Dat emoties worden getoond en over en weer worden besproken is juist regel en geen uitzondering bij echtscheidingsmediation. [gedaagde 1] heeft de emoties die bij beide echtelieden aanwezig waren als redelijk handelend en redelijk bekwaam mediator aan de kaak gesteld en hen het gesprek daarover laten voeren. Daarbij kwam niet - voor [gedaagde 1] objectief kenbaar - naar voren dat [eiser] onder druk stond c.q. niet uit vrije wil akkoord was met de afgesproken verdeling. [eiser] heeft in de mediationgesprekken zich niet (kenbaar) afhankelijk van [betrokkene] opgesteld, uitte haar eigen visie en meningen, had verstand van zaken (zij had een achtergrond in accounting en finance) en was duidelijk goed op de hoogte. [eiser] heeft ook niet op stel en sprong onvoorwaardelijk en definitief afstand gedaan van enig recht of met de verdeling ingestemd. De tweede bespreking heeft plaatsgevonden op 28 juli 2023. De ondertekening van het definitieve convenant vond plaats op 5 september 2023. Hiervoor is met [eiser] en [betrokkene] nog uitgebreid het conceptconvenant doorgesproken waarmee door [eiser] (wederom) is ingestemd. Voor zover [eiser] zich emotioneel en onder druk voelde tijdens het tweede gesprek op dat moment, had ze aldus van 28 juli 2023 tot 5 september 2023 de tijd om hierop terug te komen en/of haar achterban/een advocaat/derde te raadplegen. [eiser] is hier echter niet op teruggekomen. Ook het verwijt dat [eiser] niet als redelijk handelend en redelijk bekwaam mediator heeft gehandeld door [eiser] niet te wijzen op de inschakeling van een eigen advocaat, kan niet slagen. Al tijdens het eerste mediationgesprek is bij het doorspreken van de inhoud van de mediation(overeenkomst) benoemd dat partijen zich tijdens de mediation kunnen laten adviseren en/of bijstaan door een advocaat of eigen adviseur. Dat [eiser] zelf de keuze heeft gemaakt om dit niet te doen levert geen zorgplichtschending van [gedaagde 1] op. Dit is immers allesbehalve verplicht, aldus [gedaagde 2].

5.8.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit verweer. [gedaagde 1] heeft op eigen initiatief het vervalbeding te berde gebracht en vervolgens een tweede (spoed)bespreking geïnitieerd. In het verslag van deze bespreking op 28 juli 2023, waarvan [gedaagde 2] onweersproken heeft gesteld dat dit door partijen is geaccordeerd) staat dat [eiser] zelf verklaart: dat zij naar aanleiding van het vorige gesprek heeft onthouden dat zij moet doen alsof een ‘echte’ echtscheiding plaatsvindt, waarbij ook de relatie wordt verbroken, zodat zij in die situatie anders naar het geheel kijkt. Zij zou zich benadeeld voelen als zij nu klakkeloos akkoord gaat met hetgeen tijdens het vorige gesprek aan de orde is gekomen, ingeval de relatie toch beëindigd wordt. Ingeval zij daadwerkelijk uit elkaar zouden gaan, zou zij mogelijk een ander standpunt innemen. Zij meent dat de zin zo kan worden opgevat dat in het geheel geen verrekening meer hoeft plaats te vinden, nu niet binnen een halfjaar een opdracht is verleend om de waarde te laten vaststellen, zodat geacht wordt geen verrekening te zijn overeengekomen.

En verder:

Als advocaat van [eiser] zou haar standpunt in rechte kunnen worden ingenomen, dat geen verrekening meer hoeft plaats te vinden en zou de discussie bij een rechtbank worden wat partijen nu eigenlijk bedoeld hebben af te spreken. Ingeval de notaris dan zou bevestigen dat deze zinssnede door hem is opgenomen en niet uit de koker van betrokkenen kwam, is de vraag of zij daaruit beiden hebben mogen begrijpen dat hiermee de verrekening mogelijk zou komen te vervallen. Naar de mening van beide betrokkenen is dit niet de bedoeling geweest bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden en willen zij vasthouden aan de gemaakte afspraken.

5.9.

Uit deze citaten volgt dat [eiser] en [betrokkene] het er uiteindelijk over eens waren dat er verrekend en verdeeld moest worden en wilden vasthouden aan de gemaakte afspraken. Dat [eiser] onder grote druk stond en niet uit vrije wil akkoord is gegaan met de afgesproken verdeling, zoals door haar betoogd, strookt niet met voorgaande citaten en onvoldoende onderbouwd is dat dit voor [gedaagde 1] objectief kenbaar was. Van een disbalans tussen partijen, zoals door [eiser] betoogd, is onvoldoende gebleken, in ieder geval niet in die mate dat [gedaagde 1] had moeten besluiten tot staking van de mediation. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [eiser] desgevraagd niet kunnen onderbouwen hoe [gedaagde 1] had moeten weten dat [eiser] onder druk werd gezet of zich onder druk gezet voelde. De enkele stelling dat sprake was van verbale agressie van de zijde van [betrokkene] is hiervoor onvoldoende, temeer omdat de gespreksverslagen geen enkele aanleiding geven om te veronderstellen dat [eiser] zich de onderliggende partij voelde. Daar komt bij dat het definitieve convenant pas is getekend op 5 september 2023, zodat [eiser] meer dan anderhalve maand bedenktijd heeft gehad om terug te komen op de consequenties van het prijsgeven van het vervalbeding of een adviseur te raadplegen. Dit heeft zij echter niet gedaan. De stelling dat voormelde omstandigheden voor iedere redelijk handelende en redelijke bekwame mediator aanleiding zouden zijn geweest om de mediation te staken, slaagt daarom niet. Uit de omstandigheden blijkt juist dat [eiser] welbewust heeft vastgehouden aan de verdelingsafspraken waarvan de verrekening van de waarde van de onderneming onderdeel uitmaakte.

5.10.

Het verwijt dat [gedaagde 1] [eiser] niet heeft geadviseerd of erop heeft aangedrongen om een jurist of advocaat te raadplegen om het convenant te controleren slaagt evenmin. In artikel 3.3. van de mediationovereenkomst is opgenomen dat partijen zich desgewenst in de mediation kunnen laten adviseren en/of bijstaan door een advocaat of andere adviseur. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat zij deze bepaling bij het eerste mediationgesprek met [eiser] en [betrokkene] heeft besproken. Dat [eiser] op de hoogte was van die mogelijkheid, blijkt ook uit de ter zitting namens haar ingenomen stelling dat zij aarzelde om een advocaat in te schakelen omdat zij druk voelde vanuit [betrokkene]. Dat [eiser] geen eigen advocaat heeft ingeschakeld, dient dan ook voor haar eigen rekening te komen. Daarbij komt dat [eiser], in het licht van het verweer en haar eigen stelling dat zij aarzelde een advocaat in te schakelen, onvoldoende heeft onderbouwd dat zij ertoe was overgegaan een eigen advocaat in te schakelen als [gedaagde 1] daar destijds meer op had aangedrongen. Ook is onvoldoende onderbouwd dat een advocaat [eiser] onder de hiervoor vastgestelde omstandigheden zou hebben geadviseerd zich in een procedure op het vervalbeding te beroepen. Gelet op voorgaande citaten, waaruit volgt dat de bedoeling van partijen juist was om zich niet op het vervalbeding te beroepen, is dit niet aannemelijk.

5.11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde 2] op deze punten niet tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens [eiser], hetgeen meebrengt dat het primair sub I gevorderde dient te worden afgewezen.

Misgelopen partneralimentatie

5.12.

[eiser] vordert primair sub II schade in verband met misgelopen alimentatie met verwijzing naar de schadestaatprocedure. Zij legt hier aan ten grondslag dat het, gelet op de bepalingen van het convenant, niet mogelijk is om nu alsnog partneralimentatie te vorderen of het convenant open te breken. Gelet op deze verstrekkende gevolgen had het op de weg van [gedaagde 1] gelegen om [eiser] voldoende in te lichten over wat het afstand doen van de partneralimentatie inhield, de mediation te staken dan wel bij [eiser] aan te dringen om terzake een advocaat in te schakelen. Uit niets volgt dat [gedaagde 1] dit heeft gedaan, aldus [eiser].

5.13.

[gedaagde 1] betwist de stellingen van [eiser]. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] haar verwijt, in het licht van de betwisting door [gedaagde 1], onvoldoende heeft onderbouwd. [gedaagde 1] heeft [eiser] en [betrokkene] blijkens het eerste mediationverslag expliciet voorgehouden wat een partneralimentatieverplichting voor beide partijen inhoudt. Vervolgens hebben partijen tijdens dat gesprek aangegeven dat zij een alimentatieverplichting - in de zin van een maandelijks te betalen bedrag - niet wenselijk vinden en dat het door [betrokkene] gedane voorstel met zich brengt dat de partneralimentatie met het bedrag van € 210.000 is afgekocht, waarna [eiser] dus geen (extra/nadere) bijdrage meer kan vragen in haar levensonderhoud. Een en ander is ingegeven door het feit dat [eiser], hoewel zij niet heeft kunnen controleren of de stelling van [betrokkene] dat zij geen partneralimentatie zou krijgen klopt, vindt dat (…) het meer stuk maakt dan betrokkenen lief is om hierop door te gaan, terwijl de bedoeling is dat zij met elkaar verder gaan. Een en ander strookt met artikel 2.2. van het echtscheidingconvenant, waarin is vastgelegd: Daarbij komt dat beide partijen principieel bezwaar hebben tegen de betaling van kosten van het levensonderhoud van de ander.

Onder deze omstandigheden heeft [gedaagde 1] [eiser] voldoende ingelicht over de partneralimentatie en was er geen enkele aanleiding om de mediation te staken of er uitdrukkelijk bij [eiser] op aan te dringen om op dit punt een advocaat in te schakelen. De rechtbank acht het bovendien ook op dit punt niet aannemelijk dat [eiser] zich dan daadwerkelijk tot een advocaat zou hebben gewend voor advies c.q. dat de partneralimentatie voor haar destijds een breekpunt zou zijn geweest in de mediation.

5.14.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde 2] ook op dit punt niet tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens [eiser], hetgeen meebrengt dat ook het primair sub II gevorderde dient te worden afgewezen.

Ten aanzien van het subsidiair gevorderde

5.15.

[eiser] stelt zich subsidiair op het standpunt dat [gedaagde 1] twee beroepsfouten heeft gemaakt waarvoor [gedaagde 2] aansprakelijk is, namelijk: (i) zij heeft geen rekening gehouden met de latente AB-claim over de waarde van aandelen in [bedrijf 3]. Zij had [eiser], die zoals [gedaagde 1] wist, niet werd bijgestaan door een advocaat of fiscalist, erop moeten wijzen dat bij het verrekenen van de aandelen rekening moet worden gehouden met de AB-claim die op de aandelen rust. [gedaagde 1] had partijen hierover moeten bevragen en partijen hierop moeten wijzen. Iedere vFAS-advocaat en/of scheidingsmediator hoort bekend te zijn met een latente AB-claim bij een toedeling van een onderneming. In het modelconvenant van de vFAS (huwelijkse voorwaarden) staat dit expliciet opgenomen. Indien [gedaagde 1] partijen had gewezen op de latente AB-claim, had [eiser] (of desnoods de advocaat van [betrokkene]) een fiscalist kunnen raadplegen om de claim en de impact daarvan te onderzoeken. Daarnaast (ii) heeft [gedaagde 1] de rekening-courantschuld voor een te laag bedrag meegenomen in de financiële afwikkeling, omdat [gedaagde 1] voor de berekening van de rekening-courantschuld de datum 31 december 2021 heeft gehanteerd. De rekening-courantschuld op de peildatum 31 december 2022 bedroeg niet € 121.080 (zoals opgenomen in artikel 4.7 van het Convenant), maar € 216.893. Dit blijkt uit de jaarrekening 2022 die in het bezit was van [gedaagde 1] en waaruit zij, zo blijkt, ook de waarde van [bedrijf 3] per 31 december 2022 heeft gehaald, aldus [eiser].

5.16.

[gedaagden] voeren als verweer dat met betrekking tot de latente AB-claim geen sprake is van een beroepsfout die [eiser] aan [gedaagden] kan tegenwerpen en toerekenen. [gedaagden] verwijzen hiertoe naar artikel 5.1 (zie hierboven onder de feiten) van het echtscheidingsconvenant, waarin partijen verklaren dat gevolgen van het niet inwinnen van fiscaal advies door henzelf worden gedragen. De mogelijkheid (en het advies) om fiscaal advies in te winnen is door [gedaagde 1] niet alleen besproken met [eiser] en [betrokkene] in het kader van voormelde fiscale regeling in enge zin, maar juist ook in brede zin in het kader van de algehele regeling en door partijen gehanteerde waarderingen. Dit is door [gedaagde 1] reeds benoemd voordat zij aansprakelijk werd gesteld. Hier komt bij dat [gedaagde 1] hoe dan ook niet heeft geadviseerd over de waardering van het vermogen en de schulden behorend tot de gemeenschap. Het in detail op de financiën ingaan behoort niet tot de taken van een mediator. [eiser] en [betrokkene] hebben zelf gezamenlijk een vermogenslijst opgesteld en aangeleverd. Met deze waarderingen hebben zij beiden (al dan niet na uitwisseling van argumenten over en weer) ingestemd als waarderingen die zij ten grondslag legden aan hun verdeling.

Hetzelfde is gebeurd voor de tussen [eiser] en [betrokkene] te verrekenen waarde van de aandelen van [eiser]. Hiervoor hebben [eiser] en [betrokkene] eveneens een door hen afgesproken door [gedaagde 1] in het convenant op te nemen waardering aangeleverd.

Van de aandelen stond overigens van meet af aan vast dat deze niet zouden worden overgedragen of vervreemd maar bij [eiser] zouden blijven (en waarvoor dus ook geen belastingschuld zou ontstaan voor [eiser]).

Dat een redelijk handelend en redelijk bekwaam mediator desondanks gehouden was om spontaan, als niet-fiscalist, [eiser] en [betrokkene] erop te wijzen dat zij bij hun waardering mogelijk nog rekening moeten houden met een latente AB-claim valt onder voornoemde omstandigheden niet in te zien en wordt betwist. Dat geldt te meer nu [eiser], naast het feit dat het haar onderneming betrof waar zij het beste inzicht in had, accountant is (geweest), althans een achtergrond in accounting en finance heeft. Dat [eiser] kennis van zaken had en zich - net als [betrokkene] - bewust was van waarop de door haar en [betrokkene] gehanteerde waardering van de aandelen was gebaseerd, blijkt uit het eerste mediationverslag. Het verwijt dat [eiser] nu eerst achteraf aan [gedaagden] maakt, verbaast te meer nu [eiser] tijdens de mediation zelf de belastingdruk (‘circa 25%’) heeft benoemd als relevant aspect voor de waardering van de aandelen. Daartegenover stelde [betrokkene] echter dat het als uitgangspunt genomen groepsvermogen (fors) lager lag dan de economische waarde van de onderneming, aldus [gedaagden]

Ook ten aanzien van de rekening-courantschuld stellen [gedaagden] dat deze geen rol van betekenis heeft gespeeld bij de totale verdeling. Dat het opnemen van een hogere rekening courantschuld zou hebben geleid tot een andere verdeling is niet (gemotiveerd) gesteld door [eiser].

Latente AB-claim

5.17.

Vast staat dat [gedaagde 1] [eiser] en [betrokkene] voor het tekenen van het convenant niet heeft gewezen op de latente AB-claim bij de verrekening van de waarde van de aandelen van [bedrijf 3]. Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 2] een verwijt kan worden gemaakt doordat [gedaagde 1] niet heeft gewezen op de latente AB-claim en dat in zoverre kan worden gesproken van een beroepsfout. In het model echtscheidingsconvenant van de vFAS (huwelijkse voorwaarden) wordt immers expliciet gewaarschuwd om bedacht te zijn op latente AB-claims bij de waardering van aandelen. Toch leidt deze omissie niet tot aansprakelijkheid van [gedaagde 2]. Daarvoor is van belang dat partijen, toen zij bij [gedaagde 1] kwamen, al een concreet beeld hadden van hoe de afspraken tussen hen eruit moesten zien. Zij hadden een verdeling voor ogen waarbij voor de waardering van de aandelen werd uitgegaan van het eigen vermogen op het door [betrokkene] aangeleverde vermogensoverzicht (waarbij [betrokkene] dit eigen vermogen nog wilde checken aan de hand van de jaarrekening 2022), en het was duidelijk dat de daarin opgenomen waarde van de aandelen de boekwaarde en niet de economische waarde betrof. Partijen hebben bij [gedaagde 1] gesproken over de te realiseren meerwaarde bij verkoop van het bedrijfspand, waarbij [eiser] heeft aangegeven dat dit zal zorgen voor een boekwinst waarover 25% belasting wordt betaald. Zoals [eiser] heeft gesteld hebben partijen hierover nog onderhandeld, waarna [eiser] heeft ingestemd met een voorstel van [betrokkene]. Dit blijkt ook uit het verslag van het eerste mediationgesprek, waarin staat: “[betrokkene] geeft aan het niet redelijk te vinden dat het bedrijfspand voor € 280.000,-- op de balans staat, lager dan de WOZ-waarde, terwijl dit pand voor € 725.000,-- wordt verkocht. [eiser] geeft aan dat dit voor een boekwinst zal zorgen, waarover ook nog 25% belasting moet worden betaald.

[eiser] geeft aan dat zij kan leven met het laatste voorstel van [betrokkene], dat hij - inclusief schuld aan de B.V. - een bedrag van € 525.000,-- voldoet, al is zij het niet eens met de rekenwijze (…).” [gedaagde 1] mocht er op basis hiervan van uitgaan dat partijen kennis van zaken hadden, zich bewust waren van het bestaan van dit fiscale aspect en zich goed realiseerden dat zij afspraken maakten over een andere dan de economische waarde van de aandelen. Het concreet benoemen van een latente AB-claim is dan minder relevant. Bovendien heeft [gedaagde 1] gemotiveerd gesteld dat zij bij de bespreking van het concept-convenant alle bepalingen in dit concept met partijen heeft doorgesproken en hen in het kader van artikel 5.1. van het concept ook in bredere zin heeft geadviseerd de afspraken te laten controleren door een fiscalist, juist omdat het waarderen van aandelen en de fiscale gevolgen van de verrekening daarvan niet tot haar vakkennis behoorden. [eiser] heeft dit weliswaar ontkend, maar in het licht van het feit dat zij niet heeft betwist dat aan het doorspreken van het concept-convenant nog een hele bespreking is gewijd, heeft zij dit niet voldoende concreet weersproken. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat [eiser] een achtergrond in accounting en finance had waardoor ervan mag worden uitgegaan dat zij meer dan gemiddeld kennis had van zaken op fiscaal en financieel gebied (welk beeld ook uit de gespreksverslagen naar voren komt). De keuze van [eiser] om geen fiscalist te raadplegen past hierbij, en past ook bij haar wens om tot een gezamenlijke verdeling te komen en verder met elkaar te gaan op relationeel vlak, waarbij een volstrekt gelijke financiële verdeling niet de prioriteit had. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat indien [eiser] wel met zoveel woorden zou zijn gewezen op de latente AB-claim, dit niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Voor het aannemen van causaal verband tussen de fout en de gestelde schade is naar het oordeel van de rechtbank in het licht van het voorgaande onvoldoende gesteld.

Rekening-courantschuld

5.18.

Ook ten aanzien van de in artikel 4.7 van het convenant opgenomen rekening-courantschuld ad € 121.803 is de rechtbank met [eiser] van oordeel dat [gedaagde 2] een verwijt kan worden gemaakt. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat zij dit bedrag uit de IB-aangifte 2021 van [eiser] heeft overgenomen. Zij had echter de op de peildatum van 31 december 2022 meest actuele rekening-courantvordering op [eiser] zoals opgenomen in de jaarrekening van [bedrijf 3] per 31 december 2022 (productie E17) ad € 216.893 moeten opnemen. Ten tijde van het opstellen van het convenant had [gedaagde 1] al de beschikking over deze jaarrekening, hetgeen ook volgt uit het feit dat zij het eigen vermogen van de onderneming van [eiser] per 31 december 2022 hieruit heeft overgenomen. [gedaagde 1] heeft de rekening-courantschuld derhalve ten onrechte voor een verkeerd bedrag opgenomen. Desondanks leidt ook deze fout niet tot aansprakelijkheid van [gedaagde 2] voor de gestelde schade. [gedaagde 1] heeft het bedrag van € 121.803 opgenomen in het concept convenant en als aandachtspunt geel gemarkeerd (zie 3.18), zodat [eiser] en [betrokkene] dit nog nader konden uitzoeken, mede omdat de mediator niet beschikte over de aangiften IB 2022 van partijen. [eiser] heeft dit bedrag van € 121.803 desondanks laten staan. Dit terwijl [eiser] als bestuurder van de [bedrijf 3] op de hoogte kon zijn van het bestaan en de hoogte van de rekening-courantschuld per 31 december 2022. [gedaagde 1] heeft toegelicht dat toen zij melding maakte van de rekening-courantschuld, partijen haar te kennen hebben gegeven dat deze schuld voor rekening van [eiser] zou komen en dat die schuld niet relevant was voor de totaalregeling. Dit past bij het feit dat [eiser] de regeling met [betrokkene] als een soort package deal zag. Op het moment dat [eiser] aangaf dat zij “kan leven met het voorstel van [betrokkene], dat hij – inclusief schuld aan de B.V. – een bedrag van €525.000 voldoet (…) had de mediator nog geen bedrag aan de rekening-courantschuld gekoppeld; dat is pas gebeurd in het concept-convenant. Ook was die schuld niet opgenomen in het door [betrokkene] aan de mediator verstrekte vermogensoverzicht dat de basis vormde voor de afspraken tussen partijen. [eiser] heeft desgevraagd ter zitting ook niet concreet kunnen toelichten in welk opzicht het noemen door de mediator van de rekening-courantschuld invloed heeft gehad op de uitkomst van het bedrag van de package-deal. Het aanvankelijk afgesproken bedrag van € 120.000 dat [betrokkene] nog aan [eiser] zou betalen, is in het definitieve convenant verlaagd naar 46.000 in verband met de discussie over de stille reserves op de bedrijfspanden. De rekening-courantschuld is dus niet kenbaar van invloed geweest op het bedrag van de package deal. Aannemelijk is dan ook dat, indien [gedaagde 1] wel het juiste bedrag als rekening-courantschuld zou hebben opgenomen in het convenant, dit niet tot een andere uitkomst had geleid. Ook hier is, kortom, onvoldoende gesteld om te komen tot het oordeel dat causaal verband tussen de fout en de gestelde schade bestaat.

5.19.

Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. Hetgeen partijen ten aanzien van de schade(beperkingsplicht) naar voren hebben gebracht behoeft daarom geen bespreking meer.

5.20.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht

6.861,00

- salaris advocaat

3.502,00

(1 punt × € 3.502,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

10.541,00

5.21.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

6.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden] ten bedrage van € 10.541,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.3.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs, mr. M.P. de Valk en mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733