Terug naar de uitspraak

Rechtbank Amsterdam 24-12-2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10898

Datum publicatie24-02-2026
Zaaknummer738347
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen. Gezag. Zorgregeling / omgang / informatie. Overig. Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Gezag en omgang. Waardering door rechtbank van rapportages deskundigen terzake intieme terreur en kindsignalen minderjarige. Waardering door rechtbank van onderzoek door Raad voor de Kinderbescherming en vaststelling feiten. Rechtbank wijkt af van advies Raad voor de Kinderbescherming, beëindigt gezag vader, geeft Raad voor de Kinderbescherming opdracht alsnog volledig onderzoek te doen en advies uit te brengen over mogelijkheden omgang met vader en noodzakelijke interventies. Rechtbank schorst tijdelijke omgangsregeling in verband met draagkracht minderjarige.

Volledige uitspraak


RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugdzaken

zaaknummer / rekestnummer: C/13/738347 / FA RK 23-5521

Beschikking van 24 december 2025 betreffende gezag, zorgregeling en informatieregeling

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.G. M . ter Avest ,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J. M . Wigman.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
locatie [locatie 1] ,
hierna te noemen: de Raad.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank van 23 oktober 2024 en de daarin genoemde stukken, waaronder het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 21 augustus 2023;

- het F9-formulier van de man, ingediend op 14 juli 2025;

- het Raadsrapport van 15 juli 2025, ingekomen op 16 juli 2025;

- het F8-formulier van de vrouw, ingediend op 17 juli 2025;

- de brief van de man met producties (A-C), ingediend op 29 oktober 2025;

de akte wijziging verzoek met bijlagen van de vrouw, ingediend op 29 oktober 2025;

- het F9-formulier met producties (99-137) van de vrouw, ingediend op 30 oktober 2025;

- het F9-formulier (met usb-stick) van de man, ingediend op 30 oktober 2025;

- de brief van de man, ingediend op 30 oktober 2025;

- het F9-formulier met aanvullende producties (121 en 138-142) van de vrouw, ingediend op 31 oktober 2025;

- het aanvullend verzoek met productie (D) van de man, ingekomen op 4 november 2025.

1.2.

De mondelinge behandelingen achter gesloten deuren hebben plaatsgevonden op 3 september 2024 en op 6 november 2025. Tijdens de laatste behandeling zijn verschenen:

  • de vrouw en haar advocaat;

  • de man en zijn advocaat;

  • mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad.

Mr. Ter Avest en mr. Wigman hebben pleitnota’s overgelegd en aan de hand daarvan het woord gevoerd. De vrouw heeft het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen, die zij aan de rechtbank heeft overgelegd.

1.3.

Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank ontvangen:

  • een e-mail van de man d.d. 6 november 2025

  • een e-mail van de vrouw d.d. 7 november 2025;

  • een e-mail van de man met bijlage d.d. 10 november 2025;

  • de brief van de vrouw d.d. 17 november 2025, met bijlage;

  • een e-mail van de man d.d. 21 november 2025.

2De feiten

2.1.

De rechtbank verwijst voor de feiten allereerst naar de beschikking van 23 oktober 2024, die hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Bij die beschikking heeft de rechtbank onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de (nu driejarige) dochter van partijen, [minderjarige] , haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. Ook heeft de rechtbank vervangende toestemming verleend aan de vrouw om met [minderjarige] op vakantie te gaan, en de Raad om advies gevraagd ten aanzien van het gezag over [minderjarige] , de verdeling van de zorgtaken en de vaststelling van een informatieregeling.

2.2.

[minderjarige] en de vrouw hebben sinds het uiteengaan van partijen hun verblijfplaats bij de ouders van de vrouw in [woonplaats 1] .

2.3.

Het huwelijk van partijen is op 19 november 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 23 oktober 2024 in de registers van de burgerlijke stand.

2.4.

Op dit moment geldt op grond van de beschikking van deze rechtbank van 23 april 2024 een voorlopige zorgregeling die inhoudt dat de vader en [minderjarige] omgang met elkaar hebben eenmaal per week, gedurende twee uur, onder begeleiding van een medewerker van jeugdhulpverleningsorganisatie “ [naam organisatie] ” op de locatie van [samenwerkingsverband] .

2.5.

Op 6 november 2025 heeft [naam organisatie] te kennen gegeven de begeleiding van de omgang niet meer te zullen bieden.

3De openstaande verzoeken

3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank – na aanvulling van haar verzoek – bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen:

  • dat zij met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] wordt belast en het gezag van de man wordt beëindigd;

  • de man de omgang met [minderjarige] te ontzeggen voor de duur van vijf jaren.

3.2.

De man voert verweer en verzoekt de rechtbank bij zelfstandig verzoek – na wijziging van zijn verzoek – bij beschikking:

primair

- te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] wordt gewijzigd, in die zin dat [minderjarige] per direct althans per datum beschikking haar hoofdverblijf bij de man heeft, uitvoerbaar bij voorraad;

subsidiair

- een zorgregeling te bepalen die inhoudt dat [minderjarige] bij hem zal zijn:

o elke woensdag van 09:00 uur tot 11:00 uur;

o elk weekend van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur;

o gedurende zes weken vakantie verdeeld over het kalenderjaar, (één week in februari, mei, oktober en de kerstperiode en twee weken in de zomervakantie;

o op de verjaardag van [minderjarige] in de even jaren;

o waarbij de ouder waar [minderjarige] verblijft, haar naar de andere ouder brengt;

o althans een redelijke zorgregeling te bepalen;

  • een informatieregeling te bepalen waarbij de vrouw de man regelmatig, maar in ieder geval wekelijks, per e-mail/app informeert over de belangrijke ontwikkelingen van [minderjarige] , zoals cognitieve ontwikkelingen, lichamelijke ontwikkelingen, medische aangelegenheden, leuke en minder leuke gebeurtenissen en dat de vrouw hem per direct betrekt in spoedeisende (medische) kwesties en zij hem op grond van het gezamenlijk gezag tijdig betrekt in te nemen gezamenlijke beslissingen;

  • zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer dat de vrouw in gebreke blijft om aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen, uitvoerbaar bij voorraad.

4De verdere standpunten

De vrouw

4.1.

De vrouw legt in essentie aan haar verzoeken ten grondslag dat de man zich gedurende de relatie van partijen heeft schuldig gemaakt aan gedrag dat moet worden gekenmerkt als intieme terreur, een ernstige vorm van huiselijk geweld. Deze intieme terreur heeft zich na het verbreken van de relatie tot op heden op verschillende manieren voortgezet. De vrouw stelt dat het gedragspatroon van de man grote onveiligheid voor haarzelf en [minderjarige] heeft veroorzaakt, en dat de vrouw en [minderjarige] hiervan tot op heden ernstige nadelige gevolgen ervaren. Het patroon zet zich tot op heden voort, en op grond daarvan bestaat toekomstige onveiligheid voor de vrouw en voor [minderjarige] bij iedere vorm van omgang met de man. De vrouw heeft haar stellingen onderbouwd door een uitgebreide feitelijke en chronologische beschrijving van het gestelde gedragspatroon van de man, onder verwijzing naar in totaal 142 producties. Onder die producties bevinden zich drie rapporten van, aldus de vrouw, gerenommeerde deskundigen op het gebied van intieme terreur, respectievelijk de effecten daarvan op kinderen. Zij stelt dat het rapport van de Raad van 15 juli 2025 niet leidend kan zijn bij enige beslissing in deze zaak omdat het onderzoek van de Raad niet voldoet aan minimale professionele en methodologische standaarden.

De man

4.2.

De man betwist dat ooit sprake is geweest van de door de vrouw gestelde intieme terreur. Hij stelt dat de vrouw een beeld van hem schetst dat aantoonbaar onjuist is. De vrouw uit bij herhaling vergaande en ingrijpende insinuaties en beschuldigingen. Het ligt op haar weg om die aan te tonen en aannemelijk te maken en daarin is zij niet geslaagd. De vrouw voert een enorme strijd tegen de man en alle instanties die haar visie niet delen. Zij is in een tunnelvisie beland waar zij niet meer uit kan. De man schaart zich achter het door de Raad uitgebrachte advies. Hij stelt dat [minderjarige] en hem onrecht is aangedaan doordat zij elkaar gedurende zo’n lange tijd, sinds april 2024, onder begeleiding in een kantoorruimte hebben moeten zien. Dat contact verloopt zonder uitzondering positief. Als [minderjarige] een negatieve reactie geeft na de omgangsmomenten, ligt dat niet aan de omgang zelf maar aan het feit dat [minderjarige] haar vader mist en/of spanning bij de moeder rondom de contactmomenten aanvoelt, zoals de Raad ook als mogelijke verklaring heeft benoemd in het rapport. Het is volgens de man in het belang van [minderjarige] dat het contact tussen haar en de man wordt genormaliseerd. Nu de vrouw de omgang wederom heeft stopgezet, ziet de man geen andere mogelijkheid dan het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen. Anders dan de vrouw, is de man wel in staat het contact met de andere ouder te ondersteunen en faciliteren.

5De door de vrouw ingebrachte rapporten

5.1.

Voordat de rechtbank inhoudelijk ingaat op de stellingen van partijen en het advies van de Raad, zal eerst een weergave worden gegeven van de conclusies van door de vrouw ingebrachte rapporten.

Analyse door professor [naam 1] , hoogleraar openbare veiligheid aan de Universiteit van Gloucestershire, met een specialisatie in moord, zelfdoding, dwingende controle en stalking.

(…)

2.0.

Instructies

2.1.

Dit rapport is opgesteld op verzoek van Jolande ter Avest . Mij is opgedragen een rapport op te stellen dat ingaat op de volgende kwesties:

(i) de aanwezigheid (of het ontbreken daarvan) van intieme terreur/dwingende controle in de relatie tussen [de vrouw] en [de man]

(ii) de identificatie van typische of specifieke gedragspatronen

(iii) het volgen van risico-escalatie

(iv) typische slachtoffer-reacties op intieme terreur/dwingende controle en stalking

(v) typisch dadergedrag

Ik heb mij gebaseerd op de informatie die mij verstrekt is en in het Engels vertaald is. Deze bestaat grotendeels uit feitelijk bewijs en verklaringen van [de vrouw] , evenals een interview met [de vrouw] dat ik heb afgenomen. Ik heb mij daarom voornamelijk gericht op specifieke informatie die verifieerbaar is aan de hand van documentatie, getuigenverklaringen of elektronische gegevens.

8.0.

Conclusies

8.1.

Het is mijn mening dat er binnen de relatie tussen [de vrouw] en [de man] sprake is van patronen van intieme terreur/dwingende controle, die na de scheiding escaleerden. De informatie wijst erop dat deze patronen escaleerden bij het begin van de zwangerschap en vervolgens opnieuw bij de scheiding, waarbij zij veranderden in stalking-patronen, intimidatie en ex-partnergeweld. De intimidatie en de controle tactieken zijn voornamelijk voortgezet in de context van vijandige juridische procedures over gezag en omgang met het kind.

(…)

8.10.

De huidige positie van [de vrouw] - dat zij verder contact met [de man] als risicovol beschouwt voor haarzelf en haar kind - is terecht. (…)

8.11.

De omgang tussen [de man] en zijn kind is een overweging voor professionals waarbij de aanwezigheid van intieme terreur/dwingende controle in acht moet worden genomen.

8.12.

Er moet een risicobeoordeling worden uitgevoerd rond [de man] , waarin zijn huidige tactieken en motivaties worden onderzocht, om te waarborgen dat moeder en kind veilig zijn.

Rapport d.d. 26 maart 2024 van anonieme rapporteur

5.1.1.

De rechtbank merkt op dat in het hierna te noemen rapport van dr. [naam 4] en prof. dr. [naam 7] , beiden verbonden aan de Universiteit Leiden, staat vermeld dat zij bekend zijn met de opsteller van dit rapport, en dat deze opsteller een wetenschapper betreft die bekend staat als een zeer ervaren en erkende Nederlandse deskundige binnen dit vakgebied, en dat dr. [naam 4] contact heeft gehad met deze deskundige ter bevestiging van het rapport. Ook merkt de rechtbank op dat de vrouw het verzoek van de politie om informatie, zoals vermeld in het rapport, heeft onderbouwd met een emailbericht van de politie terzake.

In het rapport wordt het volgende vermeld:

1Introductie, aanleiding en vraag

Op verzoek van mr. ter Avest , advocaat gespecialiseerd in de problematiek van dwingende

controle, is eind februari 2024 vertrouwelijk en vanwege de veiligheid, een niet nader bij

naam te noemen expert benaderd, om voor de politie aan te tonen of er sprake is geweest

van intieme terreur tijdens het huwelijk van een cliënt van de advocaat.

(…)

2. Werkwijze en bronnen

(…)

Er is gebruik gemaakt van verschillende bronnen. Uit de omvangrijke documentatie en

onderbouwing van de advocaat is een scherpe keuze gemaakt. (…) Er zijn twee gesprekken van meerdere uren gevoerd met de vrouw. Het eerste gesprek richtte zich meer op de context en het geheel, het tweede gesprek vooral op het verloop van de relatie, met de factsheet intieme terreur als leidraad.

(…)

10.Conclusie en beantwoording vraag

De vraag van de politie of er tijdens de relatie en het huwelijk sprake was van psychisch

geweld en intiem terreur kan beide met ja worden beantwoord. Zeven van de tien

kenmerken van intieme terreur kunnen worden gescoord (kenmerk 1,2,3,4,5,6 en 8; (…)

Rapport dr. [naam 4] , Universiteit Leiden, Instituut Psychologie en prof. dr. [naam 7] Universiteit Leiden, Instituut Pedagogische Wetenschappen

5.2.

In dit rapport staat onder andere het volgende vermeld, waarbij de rechtbank opmerkt dat de conclusies uit de hiervoor genoemde rapporten terzake de aanwezigheid van intieme terreur als uitgangspunt worden genomen:

1Vraagstelling

In opdracht van advocaat J. ter Avest zijn we gevraagd een analyse te verrichten en een rapport op te stellen rondom de impact van intieme terreur op het kind.

Hierbij hebben wij als opdracht gekregen de volgende twee vragen te beantwoorden:

- Wat is volgens de wetenschappelijke literatuur de lange termijn impact van intieme terreur op een (jong) kind?

- Welke psychische en fysieke gezondheidsrisico’s kunnen er als gevolg van intieme terreur

geïdentificeerd worden bij [minderjarige] ?

2Verkregen informatie

Voor het opstellen van dit verslag hebben wij de volgende materialen en documenten ontvangen:

Rondom de aanwezigheid van intieme terreur:

- Twee expertverslagen (1 geanonimiseerd maar waarvan de auteur bij ons bekend is, 1 door

Prof. dr. [naam 1] ) waarin wordt geconcludeerd dat er sprake is van intieme

terreur/dwingende controle (coercive control) van [de man] richting [de vrouw]

- Documentatie met bewijsmaterialen waarop deze expertverslagen zijn gebaseerd ( o.a. whatsapp conversaties en emails)

- Kopie van “Het verweerschrift op een verzoek tot ondertoezichtstelling” (d.d. 06/09/2024)

- Conclusie van Antwoord in Kort Geding, wijziging voorlopige zorgregeling tevens eis in

reconventie (zaaknummer C/131767573) en producties 1-20 bij CvA

Rondom de signalen bij [minderjarige] :

- Een tijdslijn met gebeurtenissen en de zorg-signalen bij [minderjarige] vanaf de zwangerschap, welke zijn bijgehouden in een dagboek nadat [de vrouw] (met [minderjarige] ) gevlucht is uit de relatie met [de man]

- Omgangsverslagen gedateerd tussen mei 2024 tot en met september 2025

- Videobeelden van [minderjarige] waaronder dat zij met kaartjes speelt (d.d. 06/06/2025) en in bed ligt

(meerdere video’s tussen januari en oktober 2025), waarop haar spraak en gedragingen zijn

vastgelegd.

- Beeld- en geluidsopnamen van meerdere overdrachtsmomenten (tot en met oktober 2025),

waarop gedrag en woorden van [minderjarige] zijn vastgelegd.

- Actigraph rapport van ProCare over slaapgedrag.

(…) 5. Interpretatie

Als we alle verkregen stukken in acht nemen, de literatuurstudie en de analyse van de signalen van [minderjarige] , komen we tot de volgende situatieschets: Sinds de zwangerschap is er een chronisch patroon van intieme terreur van [de man] richting [de vrouw] , waarbij [minderjarige] regelmatig is blootgesteld aan woede-uitbarstingen en emotionele intimidatie van vader richting moeder. Dit is gevolgd door een vlucht uit de relatie, een echtscheiding en veranderende omgangsregelingen, waarbij de overdrachten van [minderjarige] niet op een ontspannen manier plaatsvinden. [de vrouw] en [minderjarige] ondervinden stelselmatig bedreigend, onvoorspelbaar en

ondermijnend gedrag rondom de overdrachten. Daarnaast is er sprake van stalking door [de man] en voortdurende intimidatie en zwartmaken van [de vrouw] door [de man] en andere leden uit zijn gezin van herkomst. Deze situatie sinds de geboorte kan gezien worden als een opeenstapeling van ingrijpende jeugdervaringen (de zogenaamde ACE’s) voor [minderjarige] . Dit betekent dat [minderjarige] een sterk verhoogd risico loopt op psychosociale problemen» negatieve gezondheidsuitkomsten, een kortere levensverwachting en het doorgeven van ACE’S aan een volgende generatie. Als we kijken naar de signalen die worden opgemerkt bij [minderjarige] » zien we dat de psychische en fysieke stresssignalen en emotionele problematiek van [minderjarige] zoals beschreven in 4.4 passen bij de gevolgen van stressvolle levenservaringen in de vroege jeugd

zoals deze uit de literatuur bekend zijn (4.2 en 4.3).

Uit de documentatie blijkt daarnaast dat [minderjarige] tegenstrijdige ervaringen heeft opgedaan tijdens de omgang met vader en zijn ouders. Deze lopen uiteen van verwaarlozend gedrag, verbale agressie en intimidatie naar moeder en omstanders tot overenthousiast en overbezorgd gedrag tijdens de begeleide omgangsmomenten. Zo is [minderjarige] zeer vaak getuige geweest van intimidatie van [de man] richting [de vrouw] of haar ouders tijdens de overdrachten bij het huis van [de vrouw] en was zij ook meermaals getuige van verbale agressie richting de omgangsbegeleidster. Ook heeft [de man] meerdere keren in het bijzijn van [minderjarige] gedreigd om haar niet terug te geven als [de vrouw] niet persoonlijk de overdracht wilde doen. Daarentegen laat [de man] tijdens de begeleide omgangsmomenten overbezorgd, enthousiast en kwetsbaar gedrag zien en verwent [minderjarige] met cadeautjes. Dit tegenstrijdige gedrag past bij het gedrag dat plegers van intieme terreur

naar kinderen laten zien (Katz et al., 2020). De kans hierbij is dat [de man] de loyaliteit probeert te kopen van [minderjarige] en haar tegen moeder probeert op te zetten door zich als slachtoffer op te stellen, wat uit bepaalde bewoordingen in de omgangsverslagen ook naar voren lijkt te komen en bijvoorbeeld door te huilen in het bijzijn van [minderjarige] . Deze tegenstrijdigheid en onvoorspelbaarheid dragen bij aan stress en kunnen ook bijdragen aan problemen in de ontwikkeling (Davis & Glynn, 2024; Doom et al., 2024).

Verder blijkt uit de documenten dat deze onvoorspelbaarheid ook al aanwezig was tijdens de eerdere onbegeleide omgangsregeling, waarbij [minderjarige] aan meerdere verschillende zorgfiguren overhandigd werd en heimelijk naar een kinderdagverblijf werd gebracht. Ondertussen probeert moeder toch zo goed mogelijk met vertrouwen [minderjarige] naar de omgang te laten gaan, ondanks het vele huilen, het aangeven dat ze niet naar de omgang wil en de overige stresssignalen die moeder bij [minderjarige] opmerkt. Ook dit kan verwarring oproepen bij [minderjarige] en mogelijk het vertrouwen in en de hechting met moeder schaden omdat zij als primaire verzorgende ouder de stresssignalen van [minderjarige] feitelijk moet negeren door haar naar de

omgang mee te geven. [minderjarige] is op een eerder moment gestopt met huilen rondom de overdrachten, wat mogelijk aangeeft dat zij gewend was geraakt aan de situatie, maar mogelijk ook dat zij had opgegeven, omdat de stress-signalen niet erkend werden. Dit is de zogenaamde ‘learned helplessness’ reactie als iemand ervaart dat het geen controle heeft over een situatie (Mohanty et al., 2015). De signalen in de dagen na de omgang nemen toe, waardoor deze laatste interpretatie plausibel lijkt. Uit het aangeleverde beeld- en geluidsmateriaal komt verder naar voren dat [minderjarige] nog steeds signalen van verzet afgeeft

wanneer zij wordt opgehaald voor de omgang.

Daarnaast is [minderjarige] door de blootstelling aan intieme terreur van [de man] naar [de vrouw] , ook zelf slachtoffer van dit intieme terreur, door de chronische stress die dit met zich meebrengt. Tevens zijn er signalen in de rapporten dat [de man] de emotionele en dwingende controle ook direct richting [minderjarige] voortzet. Dit blijkt onder andere uit het opstellen als slachtoffer tijdens de omgangsregelingen, het overmatig uiten van zorgen, bijvoorbeeld over plekjes, kleding, het gewicht en temperatuur bij [minderjarige] , en twijfel zaaien over moeder, wat als manipulatief gedrag kan worden gezien. Evenals het verwennen met cadeaus tijdens de begeleide omgangsmomenten, terwijl [de man] tijdens de zwangerschap en eerste levensmaanden de

financiële mogelijkheden van [de vrouw] voor de zorg voor [minderjarige] tot een minimum beperkte. Naar de toekomst toe is er ook het risico dat [de man] onwaarheden over [de vrouw] gaat uiten richting [minderjarige] , zoals die ook zijn verspreid in het netwerk van [de vrouw] en richting instanties, wat tot loyaliteitsconflicten kan leiden. Hiermee wordt het kind ingezet als middel in de intieme terreur tegen moeder.

Zowel de blootstelling van [minderjarige] aan intieme terreur tijdens de zwangerschap en als jong kind, het inconsistente, intimiderende en verbaal agressieve gedrag van vader kunnen hebben bijgedragen aan de kind-signalen van [minderjarige] . Het zwartmaken van moeder naar buitenstaanders, zoals betrokken instanties, de rechtbank en in de sociale omgeving, en recent ook naar [minderjarige] toe door FVI-I indiceren dat het controlerende gedrag mogelijk ook naar [minderjarige] wordt doorgezet. Dit is kenmerkend voor plegers van intieme terreur, die veelal dwingend en controlerend zijn in al hun relaties, ook richting hun kinderen, waardoor deze vorm van geweld vaak een intergenerationeel karakter heeft.

6Conclusie

(…) Het gedrag en de signalen van [minderjarige] , zoals beschreven in de stukken die wij ontvangen hebben en zoals getoond in de video’s, zijn indicaties dat [minderjarige] een hoge mate van stress ervaart in de huidige situatie. De stressvolle tijd sinds conceptie heeft plaatsgevonden in een belangrijke fase in de hersenontwikkeling; in de zogenaamde eerste 1000 dagen. Stress in die tijd heeft een grote impact op de ontwikkeling, zoals beschreven door Aguayo & Britto (2024). De auteurs geven echter ook aan hoe belangrijk de daaropvolgende levensjaren zijn voor de vooruitgang in de groei en ontwikkeling, door beschermende factoren te bevorderen en belastende omgevingsrisico’s te beperken om zo de groei en ontwikkeling te verbeteren in gebieden waar in de eerste 1000 dagen problemen zijn ontwikkeld.

(…)

7. Aanbevelingen voor de rechtbank

Gezien de lange termijn impact van intieme terreur op kinderen, zoals bekend uit de literatuur, en waarvoor indicaties bij [minderjarige] aanwezig zijn, is het van belang dat deze blootstelling aan intieme terreur en de bijkomende stress van de huidige omgangsregeling zo spoedig mogelijk stopt.

Het is van groot belang dat [minderjarige] zo spoedig mogelijk onder het volledige gezag van haar moeder komt en in een stabiele en rustige gezinssituatie terechtkomt zonder omgangsregeling met vader, zodat zij in de komende jaren niet wordt blootgesteld aan, of ingezet wordt voor, intieme terreur door vader, en waarin zij kan profiteren van een veilige, voorspelbare en consistente opvoeding.

6Overwegingen ten aanzien van de ingebrachte rapporten

6.1.

De rechtbank stelt vast dat de hiervoor genoemde onderzoeken van professor [naam 1] en de anonieme rapporteur enkel hebben plaatsgevonden op basis van interviews met de vrouw, en dat de rapporteurs de man niet hebben gesproken, geen wederhoor hebben gepleegd en hem ook niet in de gelegenheid hebben gesteld zelf stukken in te brengen ten behoeve van het onderzoek. Deze werkwijze is later door de anonieme onderzoeker ook toegelicht. De rapporten dienen in deze procedure dan ook te worden aangemerkt als een deskundige analyse van het relaas van de vrouw en enkel als zodanig te worden meegewogen in de beoordeling. De rapporten zullen door de rechtbank dus niet als uitgangspunt kunnen worden genomen voor de vaststelling van de feiten. Daarbij merkt de rechtbank op dat in het rapport van professor [naam 1] op punten staat vermeld dat de stellingen van de vrouw zijn “gestaafd” aan de hand van de stukken, maar dat de rechtbank dit niet kan toetsen. In het rapport noch in andere stukken wordt vermeld op welke specifieke stukken bij de verschillende stellingen wordt gedoeld; er is enkel een algemene opsomming van het verstrekte materiaal gegeven.

6.2.

Ten aanzien van het rapport van dr. [naam 4] en prof. dr. [naam 7] stelt de rechtbank vast dat daarin de juistheid van de analyse van intieme terreur door de eerdergenoemde twee rapporteurs als uitgangspunt is genomen en dat alle interpretaties van het waargenomen gedrag van [minderjarige] daarop vervolgens zijn geënt. Gelet op wat hiervoor is overwogen over die rapporten, kunnen de interpretaties van het gedrag van [minderjarige] dus niet worden overgenomen door de rechtbank, voor zover deze een oorzakelijk verband vaststellen tussen de intieme terreur en de gedragingen van [minderjarige] . Dit neemt niet weg dat de kwalificaties van het gedrag op zichzelf wel door de rechtbank zullen worden meegewogen, op de wijze zoals hierna onder de verdere beoordeling vermeld.

7Het rapport van de Raad

7.1.

De Raad adviseert de rechtbank een verdeling van de zorg- en opvoedtaken tussen beide ouder(s) vast te leggen waarin [minderjarige] na een opbouw van twaalf weken om het weekend van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur naar de man gaat, en daarnaast om de week een dagdeel op de woensdag (van 10.00 uur tot 14.00 uur of na de middag wanneer [minderjarige] te zijner tijd naar de basisschool gaat). De overdracht kan gedaan worden door een derde. Deze zorgregeling is in het belang van [minderjarige] omdat zij dan structureel en meer substantieel (dan nu het geval is) contact zal hebben met haar vader, wat de Raad in haar belang vindt. [minderjarige] geniet volgens de Raad van het contact met vader, vader kan haar naar de inschatting van de Raad veel liefde bieden en op deze manier ook verzorgingstaken uitvoeren, wat goed is voor de band en de ouder-kindrelatie tussen [minderjarige] en de man.

7.1.1.

Daarnaast adviseert de Raad een informatieregeling te bepalen waarbij de vrouw tenminste eenmaal per maand de man informeert over [minderjarige] .

7.1.2.

De Raad adviseert tot slot geen wijziging in het gezag over [minderjarige] , van gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag bij de vrouw, omdat het belangrijk is dat de man mede-opvoeder is van [minderjarige] . Volgens de Raad is niet gebleken dat hij gezagsbeslissingen tegenhoudt, en houdt de man zich op dit moment zelfs afzijdig van de dagelijkse opvoeding van [minderjarige] door de vrouw. De man heeft ook aangegeven dat hij vindt dat de vrouw goed voor [minderjarige] zorgt. Verder is de Raad bezorgd dat, gezien de eisen van de vrouw betreffende het contact tussen de man en [minderjarige] , wat dan zeer beperkt zou zijn, de kans reëel is dat de man in de toekomst helemaal geen rol meer zal spelen in [minderjarige] ’s leven. De Raad zou dat zeer onwenselijk vinden. Tenslotte is, nu de man zich afzijdig houdt van de opvoeding van de vrouw en de man niet negatief over de vrouw spreekt tegenover [minderjarige] , er geen sprake van dat [minderjarige] klem of verloren is geraakt, aldus de Raad.

Geen intieme terreur

7.2.

De Raad komt in het rapport van 15 juli 2025 tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat in het hier en nu sprake is van intieme terreur en overweegt daartoe in het rapport als volgt.

7.3.

De Raad heeft kennis heeft genomen van het rapport van professor [naam 1] . Dit rapport is gelezen en beoordeeld door de gedragsdeskundige van het multidisciplinair onderzoeksteam van de Raad (bestaande uit raadsonderzoeker, gedragsdeskundige en jurist). Na bestudering is volgens de Raad gebleken dat het rapport bijna uitsluitend is gebaseerd op informatie van moeder. Daarnaast geeft de hoogleraar in haar rapport van tijd tot tijd aan dat opmerkingen/ conclusies zijn ‘gestaafd’, maar er is niet benoemd of beschreven op welke manier deze opmerkingen zijn gestaafd of door middel van welke gegevens, en van wie die gegevens eventueel afkomstig zijn. Deze opmerkingen/conclusies zijn hierom door de Raad niet te controleren. Er is tenslotte geen wederhoor gepleegd; vader is in het geheel niet gesproken. Er worden in het rapport (kwade) bedoelingen aan vader toegeschreven die niet zijn besproken met vader. De hoogleraar plaatst wat moeder verteld heeft in een ‘frame’ van intieme terreur, zonder op enig moment alternatieve verklaringen te overwegen of te onderzoeken. De Raad heeft op grond van deze overwegingen zorgen over de kwaliteit van dit onderzoek. De Raad heeft hierom in eerste instantie overwogen om het onderzoek niet te gebruiken. Omdat professor [naam 1] een bekend hoogleraar is, én omdat er in haar rapport een gedetailleerde tijdlijn staat beschreven (op basis van informatie van moeder) heeft de Raad besloten om zelf aanvullend onderzoek te doen door de tijdlijn in het rapport na te lopen, en alsnog zelf wederhoor te plegen bij vader over de belangrijkste zaken die over zijn gedrag en over zijn intenties worden genoemd in het rapport van professor [naam 1] . Verder heeft de Raad zaken die genoemd worden in het rapport van professor [naam 1] die zorgelijk (zouden kunnen) zijn (geweest) omdat ze eventueel de veiligheid van [minderjarige] en/of moeder betreffen (of hebben betroffen), en waarvan het voor de Raad onduidelijk is hoe deze beweringen zijn ‘gestaafd’ in het rapport van professor [naam 1] , onderzocht door de politie te benaderen. Ook heeft de Raad de Justitiële Documentatie (het JDS) van vader opgevraagd. Tenslotte heeft de Raad aan moeder willen vragen door welke informatie, de uitspraken in het rapport zijn ‘gestaafd’, maar de gewenste informatie ontbreekt nu het niet is gelukt om met de moeder in gesprek te komen.

7.4.

De Raad heeft van de vrouw ook het hiervoor genoemde rapport van 26 maart 2024 ontvangen, en vermeldt dat de vrouw te kennen heeft gegeven dat de auteur een autoriteit op

het gebied van intieme terreur in Nederland is. De Raad constateert dat ook deze wetenschapper er volgens het rapport specifiek voor heeft gekozen om geen wederhoor bij vader toe te passen en dat hij/zij vanwege de veiligheid geen personalia blootgeeft, maar dat zijn/haar contactgegevens bekend zijn bij de advocaat van moeder, De Raad heeft het rapport opgenomen in het dossier, maar heeft ervoor gekozen om geen nader contact te zoeken met deze wetenschapper nu de keuze is gemaakt om geen wederhoor toe te passen.

7.5.

De Raad heeft op 16 juni 2025 bij de vader een MASIC-screeningslijst afgenomen. Op 24 juni 2025 heeft de Raad aanvullend zelfstandig onderzoek verricht door contact op te nemen met de Waag, Ambulante forensische geestelijke gezondheidszorg, [locatie 2] , om enkele algemene aspecten van intieme terreur te bespreken met een externe en onbevooroordeelde deskundige naar aanleiding van onderzoeksbevindingen in de onderhavige casus. Deze aspecten van de casus zijn anoniem en niet-herleidbaar besproken. De gedragwetenschapper van de Raad heeft gesproken met [naam 3] , GZ-psycholoog/

systeemtherapeut, programmamanager zorglijn partnergeweld en kindermishandeling de Waag Nederland. [naam 3] geeft aan dat een van de kenmerken van intieme terreur is dat het (psychische en/of fysieke geweld) eenzijdig van de ene (ex-)partner naar de ander is gericht. Geweld over-en-weer is niet typerend voor intieme terreur. Dit geldt voor fysiek geweld maar ook voor psychisch geweld of het uitoefenen van controle. Voor een goede beoordeling van de relatiedynamiek is het in onderzoek naar individuele situaties, belangrijk om beide (ex-) partners te horen; dus zowel het (vermeende) slachtoffer als de (vermeende) pleger. Ook is het in [naam 3] optiek nodig om beide (ex-) partners niet alleen te bevragen op het eventuele geweld dat hun is aangedaan, maar ook naar wat zij zelf in de dynamiek hebben gedaan. Angst bij de ene (ex-)partner voor de (vermeende) ‘pleger’ staat voorop. Vaak wordt gezien dat het slachtoffer zich terugtrekt, niet durft te vertellen over, of in de openbaarheid durft te treden met (meestal-) haar verhaal, uit angst voor repercussies. Kenmerkend voor intieme terreur is verder dat de ‘pleger’ contact blijft zoeken met het slachtoffer, ook nog nadat de relatie is beëindigd. Ook al heeft een (vermeend) slachtoffer mogelijk de relatie in het verleden als onprettig ervaren, of de (vermeende) ‘pleger’ zelfs als dwingend; als er geen contact meer wordt gezocht door de (vermeende) ‘pleger’, kan gesteld worden dat er geen aanwijzingen zijn dat er sprake is van controlerend gedrag door de ‘pleger’ in het hier en nu.

7.6.

De Raad is op basis van de tijdlijn van moeder in het rapport van professor [naam 1] , ingegaan op enkele aspecten van mogelijke intieme terreur, en daarnaast op vaders ouderrol en de eventuele impact die bepaald gedrag of gebeurtenissen op [minderjarige] zouden kunnen hebben (gehad) en waarover de Raad vragen heeft. Concreet gaat het dan om:

1. de periode van de relatie, waarin moeder, in het rapport van professor [naam 1] , vaders gedrag omschrijft als dwingend en agressief;

2. de periode na de relatie, van juli 2023 tot mei 2024, waarin vader volgens moeder haar gestalkt zou hebben, moeder heeft hiervan aangifte gedaan, waaronder: vader zou informatie over moeder hebben opgevraagd bij haar huisarts, en vader zou volgens moeder een ‘lastercampagne’ zijn gestart door berichten over moeder aan anderen te sturen.

3. dat vader volgens moeder, [minderjarige] in de periode vanaf september 2023 niet zou hebben willen zien voor omgang als moeder niet zelf de overdracht zou doen;

4. dat vader [minderjarige] vanaf december 2023 zonder overleg met moeder, enige tijd tijdens de omgang naar een kinderdagverblijf bracht.

5. dat vader op 11 april 2025 in het dorp was waar moeder woont (waar hij volgens

mevrouw [naam 1] niets te zoeken had.)

7.6.1.

Ten aanzien van punt 1 overweegt de Raad dat vader stelt dat sprake was van een liefdevolle relatie, en dat hij zich soms wel enige zorgen maakte over moeder, omdat ze weinig de deur uit kwam. Volgens vader stimuleerde hij haar om te gaan werken, maar wilde moeder dat niet. De aangiftes tegen de vader van huiselijk geweld, bedrog/oplichting en de andere aangiftes van moeder tegen vader zijn na uitgebreid onderzoek door de politie in juli 2024 geseponeerd. De Raad ziet op grond hiervan geen reden om aan te nemen dat er sprake was van agressie of intimidatie, of isolatie van moeder door vader, tijdens de relatie, hoewel moeder dat, zoals ook blijkt uit het rapport van hoogleraar [naam 1] , wel zo ervaren heeft.

7.6.2.

Ten aanzien van punt 2 overweegt de Raad dat de vader op 4 juli 2023, nadat moeder met [minderjarige] vertrokken was naar haar ouders, naar moeder en [minderjarige] is toegegaan en daar over de poort is geklommen. Het is volgens de Raad voorstelbaar dat dit voor moeder een hele nare en onverwachte actie van vader was. Vader zegt ook dat hij zich dat later ook wel

realiseerde, aldus de Raad. Vader heeft verder bij navraag in dit onderzoek verteld dat hij inderdaad in de periode na het vertrek van moeder contact heeft gezocht met moeders huisarts, naar zijn zeggen niet om moeders dossier op te vragen of door te laten sturen,

maar om kennis te maken, aangezien [minderjarige] daar toen door moeder ingeschreven was. Vader heeft in het onderzoek aangegeven destijds informatie over [minderjarige] te hebben gevraagd, maar niet over moeder. De Raad vindt dit een plausibel verhaal en heeft geen bewijzen gezien dat vader bij de huisarts om moeders dossier zou hebben gevraagd. Verder heeft vader bij navraag aangegeven dat hij nooit informatie over moeder met derden of via social media heeft gedeeld. De Raad heeft geen bewijs gezien van de, ook in het rapport van hoogleraar [naam 1] genoemde ‘lastercampagne’ door vader. De aangifte van moeder betreffende laster is op 24 juli 2024 geseponeerd. Vader ontkent dat hij na het incident van 4 juli 2023 nog contact heeft gezocht met moeder, afgezien van een Whatsapp-bericht van december 2023 toen vader een vraag had aan moeder over de omgang de volgende dag. In november 2023 hebben vader en moeder elkaar gezien op een tentoonstelling. De Raad heeft ook in het rapport van hoogleraar [naam 1] , geen aanwijzingen gezien dat vader na die tijd nog contact heeft gezocht met moeder. De aangifte van moeder betreffende stalking door vader is op 24 juli 2024 geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. De Raad vindt het op grond van het voorgaande aannemelijk dat er in ieder geval sinds december 2023, geen direct contact meer is geweest tussen ouders en heeft geen aanwijzingen dat vader nog direct contact gezocht heeft. Vader heeft verder aangegeven dat hij nooit toestemming voor vakanties van moeder met [minderjarige] heeft geweigerd. Volgens vader heeft moeder hem nooit om toestemming gevraagd. Moeder heeft aangegeven dat zij bij het laatste kort geding geen toestemming heeft gevraagd aan vader omdat ze dacht dat vader toch geen toestemming zou geven.

7.6.3.

Mocht vanwege de veelheid aan stukken die door moeder zijn aangeleverd, sommige van moeders bewijzen voor het door haar beschreven gedrag van vader door de Raad over het hoofd zijn gezien, dan is de conclusie wat dit betreft van de Raad toch dat dit een periode betreft vlak na de breuk van ouders. Na december 2023 lijkt vader geen contact meer te hebben gezocht met moeder en is er ook geen rechtstreeks contact meer geweest tussen ouders met uitzondering van de rechtszittingen. Mede op grond van de informatie van de Waag over kenmerken van intieme terreur, vindt de Raad het met name hierom niet aannemelijk dat er in het hier en nu sprake is van intieme terreur. Dit, ook als moeder tijdens de relatie vader mogelijk als dwingend heeft ervaren.

7.6.4.

Ten aanzien van punt 3 stelt de Raad vast dat vader ontkent dat hij erop stond dat [minderjarige] werd overgedragen door moeder. Het leek hem wel prettig voor [minderjarige] , zo heeft hij aangegeven. Dat moeder [minderjarige] zelf moest overdragen is eerder in een vonnis in augustus 2023 door de rechtbank gesteld. De Raad heeft geen stukken gezien waaruit is gebleken dat vader dit eiste. Op een gegeven moment (voorjaar 2024) is de overdracht door oma moederszijde verzorgd. Vader heeft in dit onderzoek nadrukkelijk aangegeven dat er op dit moment geen belemmeringen, beperkingen of eisen zijn van zijn kant wat betreft wie de overdracht zal doen.

7.6.5.

De Raad stelt vast dat vader [minderjarige] vanaf december 2023 een aantal keer tijdens

de omgang naar een kinderdagverblijf heeft gebracht, zonder dat hij dit aan moeder

had verteld. Moeder zegt dat vader [minderjarige] op 5 december daar heeft aangemeld, vader zegt dat beide ouders [minderjarige] daar eerder samen hadden aangemeld. Vader heeft de Raad gezegd dat hij dit deed omdat het hem goed leek als [minderjarige] met leeftijdsgenootjes zou leren omgaan. De Raad snapt dat moeder dit niet prettig heeft gevonden en vindt dit niet handig en niet correct van vader. Gezien de beperkte tijd die hij samen met [minderjarige] kon doorbrengen in die periode had de prioriteit op dat moment beter bij (de opbouw van) [minderjarige] ’s contact met haar vader

kunnen liggen, ook al begrijpt de Raad dat vader het belangrijk vindt dat [minderjarige] contact heeft met leeftijdgenootjes. Ook waren er in die periode dan veel wisselmomenten tegelijkertijd en contacten met onbekenden bij het kinderdagverblijf voor [minderjarige] , wat beangstigend voor haar zou kunnen zijn. Vader heeft, door dit niet met moeder te bespreken, daarnaast moeders vertrouwen geschaad. Vader heeft tijdens dit onderzoek aangegeven aan de Raad dat hij

inziet dat dit niet juist van hem is geweest.

7.6.6.

Wat betreft punt 5 heeft vader de Raad verteld dat hij op 11 april 2025 in [woonplaats 1] , waar moeder woont, was om boodschappen te doen voor zijn oma die in

een naburig dorp woont waar geen supermarkt is. Volgens vader is opa moederszijde toen

op vader afgekomen en heeft foto’s van vader gemaakt. In tegenstelling tot de

bewering van professor [naam 1] lijkt het erop dat vader dus wel iets te zoeken

had in [woonplaats 1] . Daarnaast heeft vader geen gebiedsverbod en mag hij daar komen, aldus de Raad.

7.7.

Ten aanzien van het deel van het onderzoek van de Raad dat gericht is geweest op wat vaders gedrag betekent voor [minderjarige] , is naar voren gekomen uit de informatie van [naam organisatie]

dat de contacten van vader met [minderjarige] goed verlopen. [minderjarige] laat ook zien dat zij graag bij vader is en dat zij het moeilijk vindt om afscheid te nemen van vader. Vader pakt adviezen goed op en sluit goed aan bij [minderjarige] . In de gesprekken bij de Raad is te zien dat vader veel liefde heeft voor [minderjarige] . Afgezien van het feit dat vader haar destijds een aantal keer naar het kinderdagverblijf heeft gebracht, heeft de Raad geen zorgen over hoe vader met [minderjarige] omgaat.

7.8.

De Raad heeft tenslotte zorgen over moeders functioneren en handelen. Moeder lijkt, tot op de dag van vandaag, veel tijd en energie te steken in het bewijzen dat er sprake is geweest (en nog steeds is) van intieme terreur van vader jegens haar. Zij heeft de afgelopen jaren verschillende deskundigen benaderd om rapporten te schrijven waarin dit ‘bewezen’ wordt (aanhalingstekens van de Raad). In januari-februari 2024 heeft zij, volgens vader, twee privédetectives ingezet om vader te volgen als [minderjarige] bij hem was. Ook zou moeder, volgens vader, beeld- en geluidsopnamen hebben, mogelijk gemaakt door deze privédetectives die vader en [minderjarige] hebben geobserveerd. Als dit klopt, vindt de Raad dit heel zorgelijk. [minderjarige] zou immers vrijelijk moeten kunnen bewegen zonder dat zij gefilmd wordt of dat haar geluid wordt opgenomen en dat geldt ook voor vader wanneer hij bij [minderjarige] is. De Raad vindt ook bovengenoemd gedrag van moeder niet passen bij de criteria van De Waag van intieme terreur, waarin zij stellen dat bij intieme terreur sprake is van eenzijdig (psychisch en/of fysiek) geweld of controle van de (vermeende) pleger tegenover het (vermeende) slachtoffer. In dit geval lijkt ook moeder controle uit te willen oefenen, ook doordat vader [minderjarige] niet méér mag zien, en vader bijvoorbeeld geen toestemming van moeder heeft gekregen om zijn

grootouders (vaderszijde), die [minderjarige] goed kennen, bij het contactmoment dat op [minderjarige] ’s verjaardag viel, te laten zijn. Daarnaast lijkt moeder, volgens de begeleiding van [naam organisatie] , geen emotionele toestemming te geven aan [minderjarige] voor het contact met vader. Zo

reageerde moeder niet toen [minderjarige] ‘papa’ zei, en vertelt zij weinig over [minderjarige] aan de begeleider, waardoor vader ook niet veel weet over [minderjarige] . Ook informeert moeder vader niet over [minderjarige] . Moeders houding in deze kan het contact met vader voor [minderjarige] moeilijk maken, wat de Raad zeer zorgelijk vindt. [minderjarige] voelt waarschijnlijk op haar jonge leeftijd al aan dat moeder niet positief staat tegenover contact van [minderjarige] met haar vader. Dit kan leiden tot een loyaliteitsconflict, waarbij [minderjarige] het gevoel krijgt geen positief contact met vader te mogen hebben. De Raad kan zich ook voorstellen dat [minderjarige] hierdoor onzeker wordt en dat dit ook haar sociaalemotionele ontwikkeling kan verstoren. De Raad vindt het op basis van het bovenstaande een zorg dat [minderjarige] al ruim een jaar haar vader twee uurtjes per week onder begeleiding in een kantoorruimte ziet en dat er verder geen enkel contact is tussen [minderjarige] en haar vader of tussen [minderjarige] en haar grootouders vaderszijde of andere familie vaderszijde.

8De beoordeling van het Raadsrapport

8.1.

De rechtbank zal eerst ingaan op de bruikbaarheid van het advies van de Raad van 15 juli 2025 voor de beoordeling, mede gelet op de daartegen geuite inhoudelijke bezwaren door de vrouw.

8.2.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de Raad de vrouw niet heeft gesproken als informant. Bij de vrouw is, anders dan bij de man, door de Raad geen MASIC afgenomen en de Raad heeft de vrouw niet gesproken over [minderjarige] en evenmin over de actuele situatie tussen partijen. Dit leidt ertoe dat een belangrijke bron van informatie voor de beoordeling door de Raad mist, niet in het minst omdat de vrouw de hoofdverzorger van [minderjarige] is. Een en ander is het gevolg van het feit dat de Raad ervoor heeft gekozen om niet mee te gaan met de wens van de vrouw om de afspraak met de Raad te laten plaatsvinden na de mondelinge behandeling van de door de ouders van de man gestarte procedure over omgang met [minderjarige] , die plaatsvond op 3 juli 2025. Gelet op het zeer nadelige gevolg hiervan voor de inhoudelijke waarde van het rapport, kan de rechtbank de afweging en prioritering van de Raad in deze niet volgen, met name nu het volgen van de wens van de vrouw slechts een vertraging van enkele weken betrof. Daarbij was begrip aan de zijde van de Raad voor de belasting van de door de ouders van de man gestarte procedure voor de vrouw – in het licht van de zeven procedures die daarvoor al hadden plaatsgevonden in een periode van twee jaren – op zijn plaats geweest.

8.3.

De rechtbank stelt ook vast dat de Raad naar aanleiding van de door de vrouw ingebrachte rapporten wederhoor heeft gepleegd bij de man, maar heeft nagelaten de mededelingen van de man in het kader van die wederhoor vervolgens te toetsen aan het onderliggende dossier. Dit is problematisch omdat uit dat dossier op meerdere punten blijkt dat de mededelingen van de man onwaar zijn, zoals uit het hiernavolgende zal blijken. De stellingen van de man hebben er echter wel toe geleid dat de Raad de door de vrouw ingebrachte rapporten verder terzijde heeft geschoven, terwijl de deskundigheid van de rapporteurs terzake van dwingende controle / intieme terreur door de Raad op zichzelf niet ter discussie is gesteld. Weliswaar heeft de Raad een eigen deskundige van De Waag terzake intieme terreur geraadpleegd, maar vast staat dat deze deskundige geen kennis heeft genomen van het dossier, niet met partijen heeft gesproken en enkel algemene vragen van de Raad over het patroon van intieme terreur heeft beantwoord. De Raad heeft op basis van de antwoorden op die algemene vragen geconcludeerd dat geen sprake is van intieme terreur, waarbij kennelijk doorslaggevend is geweest voor de Raad dat niet is gebleken dat de man sinds december 2023 nog rechtstreeks contact heeft gezocht met de vrouw. De Raad stelt dat daarom geen sprake kan zijn van intieme terreur, omdat een kenmerk daarvan is dat deze steeds doorgaat. De Raad heeft deze conclusie echter niet kunnen trekken, alleen al omdat de Raad de vrouw niet heeft gesproken en dus niet van haar heeft kunnen vernemen hoe de intieme terreur zich volgens de vrouw na december 2023 tot het hier en nu voortzet. Dat het voeren van juridische procedures onderdeel kan zijn van een patroon van intieme terreur, heeft de Raad bovendien niet onderkend.

8.4.

Tot slot heeft de Raad zich in het rapport niet uitgelaten over het rapport van dr. [naam 4] en prof. dr. [naam 7] , Universiteit Leiden.

8.5.

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank het advies van de Raad niet zonder meer zal volgen.

9De verdere beoordeling

9.1.

De rechtbank ziet zich geconfronteerd met een zaak waarin standpunten van partijen, geraadpleegde rapporteurs en de Raad diametraal tegenover elkaar staan. De focus ligt daarbij op de beantwoording van de vraag of wel of niet sprake is van intieme terreur.

9.2.

De rechtbank acht het voor een goede beoordeling van de zaak noodzakelijk om te beginnen bij de beantwoording van de vragen die in iedere familierechtelijke zaak betreffende gezag en omgang het uitgangspunt zijn, te weten: wie heeft wat gedaan, welk effect heeft dit op hun ouderschap en op hun kind, en wat is ten aanzien van de omgang en gezag mogelijk en noodzakelijk in de toekomst om het kind in staat te stellen zich naar behoren te kunnen ontwikkelen. Deze vragen moeten worden beantwoord aan de hand van de stellingen van partijen, de betwisting daarvan en de daaraan door partijen gegeven onderbouwing. Daarbij merkt de rechtbank – in het licht van het belang dat door de Raad en de man wordt toegekend aan de sepotbeslissingen op de aangiftes van de vrouw – dat op grond van artikel 161 Rv enkel dwingende bewijskracht moet worden toegekend aan door de strafrechter bewezenverklaarde feiten. Voor de feiten waarop een sepotbeslissing betrekking heeft, zijn dus de standaard bewijsregels van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.

9.3.

In het hiernavolgende zal de rechtbank een weergave geven van feiten die in deze zaak kunnen worden vastgesteld, waarbij de rechtbank benadrukt dat deze vaststellingen – gelet op de omvang van het dossier – verre van uitputtend zijn maar een opsomming van enkele relevante gebeurtenissen om te kunnen duiden wat zich tijdens de relatie en daarna tussen partijen heeft afgespeeld.

Wat is er gebeurd?

9.4.

Partijen hebben in 2018 een relatie gekregen, zij zijn op 11 juni 2022 getrouwd terwijl de vrouw zwanger was en op [geboortedatum] 2022 is zij bevallen van hun dochter [minderjarige] . Uit de door de vrouw ingebrachte en door de man niet betwiste Whatsapp correspondentie, schriftelijke goede voornemens van de man, foto’s en opnames van de man, en verklaringen van derden kan worden opgemaakt dat de relatie van partijen sinds de zwangerschap voor haar zeer belastend is geweest door de wijze waarop de man zich jegens haar heeft gedragen. Gebleken is dat onder andere sprake was van ongecontroleerde woede-uitbarstingen, steeds gevolgd door liefdesbetuigingen en (daarmee samenhangend) alcohol- en drugsgebruik door de man (de man spreekt zelf over zijn “boze dronk”). De vrouw was zeer ongelukkig tijdens de relatie en heeft gedurende haar zwangerschap veel stress en ook zwangerschapspijnen ervaren na confrontaties met de man. Zij had vanwege het gedrag van de man grote twijfels over het aangaan van een huwelijk met hem en heeft dit ook tegen hem geuit. Van een liefdevolle relatie, zoals de man stelt, was aldus geen sprake. Na de geboorte van [minderjarige] zijn de woede-uitbarstingen van de man doorgegaan, ook in het bijzijn van [minderjarige] . Daarnaast heeft de vrouw tegenover de man haar zorgen geuit over de financiële keuzes en uitgaven van de man, het feit dat zij daarbij onvoldoende werd betrokken, en het ontbreken van geld op de gemeenschappelijke rekening voor het voldoen van de kosten voor [minderjarige] en de gemeenschappelijke huishouding, ondanks een ruim inkomen aan de zijde van de man. De vrouw werkte zelf niet, was financieel afhankelijk van de man en heeft zich in die periode tot haar ouders moeten wenden om te kunnen voldoen in de kosten voor [minderjarige] .

9.4.1.

De vrouw besluit op 4 juli 2023 bij de man weg te gaan en vertrekt samen met [minderjarige] naar haar ouders. Zij schrijft de man op 4 juli per e-mail dat zij wil dat de man haar met rust laat, dat zij op een rustig moment moeten bespreken wat geregeld moet worden, waarbij goede afspraken over contact tussen de man en [minderjarige] horen en dat zij hoopt dat zij ondanks de grote veranderingen plezierig met elkaar om kunnen blijven gaan. Diezelfde dag gaat de man naar de woning van de ouders van de vrouw en klimt over de omheining, belt langdurig aan, loopt luidkeels roepend om de woning, bonst op ramen en deuren en vertrekt uiteindelijk niet eerder dan op verzoek van de politie. In de dagen daarna gaat meermaals het alarm van de woning van de ouders in de nacht af.

9.4.2.

De vrouw schrijft de man op 13 juli 2023 een e-mail waarin zij hem vertelt dat zij heeft begrepen dat hij behoefte heeft aan duidelijkheid voor haar vertrek. Zij schrijft hem dat zij zijn gedrag het jaar daarvoor meermalen aan de orde heeft gesteld, dat hij dat niet accepteerde en dat zij hem daarom meermalen heeft gewaarschuwd dat zij weg zou gaan als de man zijn gedrag niet zou veranderen. Zij schrijft de man dat hij zich sinds haar zwangerschap totaal anders heeft gedragen dan aan het begin van hun relatie en dat hij achter de voordeur een zeer destructief en agressief karakter heeft getoond. Zij schrijft de man dat hij hulp nodig heeft voor zijn drank- en drugsgebruik en zijn gedrag. Nadat hij dit accepteert en er iets aan doet, kan volgens de vrouw gesproken worden over een bezoekregeling. Zij spreekt de hoop uit dat partijen samen tot een discrete oplossing kunnen komen.

9.4.3.

Partijen hebben in de periode na het vertrek van de vrouw contact met elkaar, waarbij de vrouw de man in overleg mogelijkheden biedt om [minderjarige] te zien maar er niet mee akkoord gaat dat de man [minderjarige] meeneemt, waarbij zij hem duidelijk maakt dat dit het gevolg is van haar zorgen over zijn gedrag. De man ziet [minderjarige] in die periode meermalen in en om de woning van de ouders van de vrouw.

9.4.4.

Op 27 juli 2023 wordt namens de man een dagvaarding in kort geding uitgebracht. De man verzoekt daarin om vaststelling van een zorgregeling met [minderjarige] . In de kort geding dagvaarding benoemt de man dat hij en de vrouw verschillend denken over het volgen van het Rijksvaccinatieprogramma, dat de ouders van de vrouw daar een uitgesproken mening over hebben en dat hij vermoedt dat de vrouw daardoor een druk heeft ervaren die een grote rol lijkt te spelen bij haar besluit om te vertrekken en de onheuse manier waarop zij hem beticht. De man zegt daarover in de dagvaarding dat hij meermalen aan de vrouw heeft laten weten hierover in gesprek te willen gaan met de vrouw en het onderwerp vaccinatie nu even te parkeren.

9.4.5.

Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt echter dat partijen voor het vertrek van de vrouw overeenstemming hadden over een te volgen schema van vaccinatie van [minderjarige] , iets afwijkend van het Rijksvaccinatieprogramma. De man heeft de vrouw zelfs bedankt voor haar constructieve houding en het uitzoeken en heeft gezegd blij te zijn met het voorgestelde vaccinatieplan en het ermee eens te zijn dat dit het beste is voor [minderjarige] . Niettemin schrijft de man de vrouw na haar vertrek per e-mail in het kader van de vaccinatie:

“ [de vrouw] , het is verschrikkelijk voor je dat jouw moeder zoveel druk op jou uitoefent met deze alternatieve homeopathische toestanden. Ik smeek je in het belang van [minderjarige] geen overhaaste beslissingen te maken onder druk van [naam 5] . (…) Mocht het jou rust geven (…) stel ik voor de vaccinatiediscussie voor de korte termijn te parkeren. (…)”

9.4.6.

Op 20 juli 2023 stond een afspraak gepland voor vaccinatie van [minderjarige] bij de GGD. De vrouw heeft deze vervroegd naar 18 juli 2023 en is daar met [minderjarige] naartoe gegaan. De vaccinatie vond geen doorgang omdat de GGD, in tegenstelling tot eerdere berichten, niet over het betreffende vaccin bleek te beschikken. De vrouw heeft daarop getracht de vaccinatie alsnog eerst via de huisarts van de man te regelen, en toen dat niet lukte, via haar eigen huisarts. Dit is niet gelukt omdat de man hiervoor geen toestemming gaf. Vervolgens heeft zij de man op 31 juli 2023 een mail gestuurd met daarbij een door de jeugdarts van de GGD opgesteld vaccinatieschema met het verzoek om toestemming van de man, waarop hij niet heeft gereageerd. Op 7 augustus 2023 vond de zitting van het door de man gestarte kort geding plaats. Daarbij heeft de man het handelen van de vrouw ten aanzien van de vaccinatie van [minderjarige] door de man als problematisch gepresenteerd. Op 8 augustus 2023 reageert de man dan voor het eerst op de mail van de vrouw van 31 juli 2023 en stelt voor gezamenlijk een afspraak voor vaccinatie in te plannen, waarop de vrouw laat weten alleen te willen gaan. Op 10 augustus 2023 laat hij de vrouw per e-mail weten dat hij “opgelucht” is om te horen dat de vrouw “nu toch wel bereid is om [minderjarige] te laten vaccineren”. De vrouw spreekt de man meermalen aan op zijn manipulatieve manier van communiceren en handelen, stelt dat hij daarmee probeert een onjuist beeld van haar neer te zetten, bewijs te creëren voor procedures en daarvoor de gezondheid van [minderjarige] aangrijpt.

9.4.7.

Op 8 augustus 2023 komt de man samen met zijn moeder naar de woning van de ouders van de vrouw om [minderjarige] te zien. Uit de niet betwiste opnames daarvan blijkt dat de vrouw de moeder van de man herhaaldelijk en duidelijk te kennen geeft dat haar aanwezigheid niet is afgesproken, dat ze niet welkom is en haar verzoekt om te vertrekken. Daarbij blijkt dat de moeder van de man in discussie gaat, weigert gevolg te geven aan het verzoek te vertrekken en de vrouw sussend toespreekt alsof ze angstig is en gerustgesteld moet worden. Dit alles speelt zich af in de aanwezigheid van [minderjarige] . Uiteindelijk vertrekt de moeder van de man toch.

9.4.8.

Bij vonnis van 14 augustus 2023 wordt door de voorzieningenrechter een zorgregeling vastgesteld, mede op advies van de Raad voor de Kinderbescherming, op grond waarvan de man voorlopig omgang heeft met [minderjarige] , deels bij de ouders van de vrouw, deels in [locatie 1] onder begeleiding van zijn eigen ouders, dus niet onbegeleid. Daarbij is beslist dat de moeder de overdracht in de woning van haar ouders dient te doen.

9.4.9.

Op 16 augustus 2023 plaatst de zus van de man op [sociale media] (nadat zij een jaar niets heeft geplaatst) een serie berichten over post partum psychoses en angsten, waarbij symptomen worden genoemd als “confusion/disorganised”, “fear of partner or familymembers harming you or your baby”, “lack of self-awareness”. De vrouw wordt hierop door meerdere vrienden en kennissen aangesproken, in de veronderstelling dat dit bericht betrekking heeft op de vrouw. De andere zus van de man repost deze berichten. Enkele weken later worden de berichten weer verwijderd en wordt vervolgens weer geen gebruik gemaakt van het account.

9.4.10.

Uit de door de vrouw overgelegde verklaringen van de kraamhulp en haar huisarts blijkt dat bij de vrouw geen sprake is geweest van postnatale depressie of een gecompliceerd verloop van de postnatale periode.

9.4.11.

Op 23 augustus 2023 stuurt de man het volgende appbericht naar in elk geval tientallen mensen uit de sociale omgeving van hem en de vrouw:

“Zoals de meesten van jullie weten is – tot mijn verdriet en verbazing - [de vrouw] plotseling met onze dochter [minderjarige] vertrokken naar haar ouders. Dit is natuurlijk een zaak die slechts [de vrouw] en mij aangaat en waarbij [minderjarige] onze eerste prioriteit moet en zal zijn. Echter hebben mijn schoonouders [naam 6] en [naam 5] ervoor gekozen om grove leugens en valse beschuldigingen over mij te verspreiden. Als gevolg hiervan zijn er hooglopende emoties in onze omgeving. Hierdoor ben ik helaas genoodzaakt toch enige feiten met jullie te delen.

Feit is dat [de vrouw] na een drukke en bewogen tijd – waarin zij herstelde van een burn-out, we een mooie reis van enige maanden maakten, we getrouwd en verhuisd zijn en bovenal onze lieve [minderjarige] hebben gekregen – allemaal teveel geworden is. In plaats van psychologische hulp te zoeken en er samen uit te komen heeft [de vrouw] , maar waar het naar lijkt vooral mijn schoonouders, ervoor gekozen om drie weken lang [minderjarige] van mij weg te houden, alle communicatie te verbreken en min vaderschapsrol volledig te ontnemen.

Na zes zware weken is er inmiddels dankzij de rechter een tijdelijke zorgregeling mogelijk gemaakt met [minderjarige] . De rechter heeft de valse beschuldigingen terzijde gelegd en gehandeld in het belang van [minderjarige] . Alle aantijgingen die je over mij gehoord kan hebben staan volledig los van de werkelijkheid. Bijvoorbeeld de bizarre leugen dat ik drugsverslaafd zou zijn, is allereerst middels testen bewezen onwaar en bovendien ook terzijde geschoven in de rechtszaak die ik tot mijn grote verdriet heb moeten voeren om weer voor [minderjarige] te kunnen zorgen. Daarnaast is [minderjarige] na 8 maanden eindelijk deze week voor het eerst gevaccineerd tegen kinderziektes, naar mijn mening van groot belang voor haar gezondheid.

Hopelijk zijn dit de eerste stappen op weg naar herstel van normale verhoudingen en staat het welzijn van [minderjarige] nu voor alle betrokkenen op de eerste plaats. [minderjarige] heeft twee stabiele en liefdevolle ouders nodig. In het belang van [de vrouw] , [minderjarige] en mijzelf hoop ik dat jullie ons steunen in het de-escaleren van de situatie door een en ander te laten voor wat het is en de verspreide leugens volledig te negeren. Graag jullie begrip hiervoor, [de man] .”

9.4.12.

De man heeft dit bericht met behulp van een PR adviseur opgesteld en terzake is een memo opgesteld, waaruit blijkt dat de vertrouwelijkheid in het bericht bewust in het midden wordt gelaten omdat het “juist wel fijn” is als het bericht wordt doorgestuurd, en wordt gesproken over verspreiding in een “eerste en tweede schil”. Ook wordt daarin gesteld dat het de bedoeling is te benadrukken dat de vrouw zich volledig afhankelijk heeft gesteld van haar ouders, dat de man ongerust is dat [minderjarige] niet deelneemt aan het Rijksvaccinatie-programma en “impliciet” dat de vrouw de lijn van haar ouders als anti-vaxxers wil volgen. Daarbij heeft de adviseur de suggestie gegeven om de wenselijkheid van psychologische hulp voor de vrouw te benoemen, met daarbij de opmerking dat als de vrouw dit ontkent, dat zinloos is en gezien zal worden als jij-bak.

9.4.13.

Dat de ouders van de vrouw tegen vaccineren zijn, blijkt niet uit het dossier. Wel blijkt dat zij en hun kinderen allen zijn ingeënt. Evenmin blijkt uit het dossier dat de ouders van de vrouw lasterlijk over de man hebben gesproken, of dat de vrouw ooit een burn-out heeft gehad.

9.4.14.

Het bericht van de man is ruim verspreid binnen de sociale kringen van de vrouw en haar ouders. Op 1 september 2023 heeft de politie een zogenoemd stopgesprek, gebruikelijk bij vermoedens van stalking, gevoerd met de man.

9.4.15.

Op 6 september 2023 stuurt de beste vriend van de man een e-mailbericht aan de organisator van een expositie waar werken van de moeder van de vrouw worden tentoongesteld, waarin wordt gesteld dat sprake is van plagiaat door de moeder van de vrouw. Uit de zoekgeschiedenis op de Ipad van de man blijken zoekslagen naar de naam van de organisator van deze expositie. De organisator van de tentoonstelling betwist de beschuldigingen en wijst daarbij op de vriendschap tussen de afzender van het bericht en de man.

9.4.16.

Op 7 september 2023 laat de vrouw via haar advocaat weten dat zij zich neerlegt bij de in kort geding vastgelegde zorgregeling, hoewel zij die wel iets te uitgebreid vindt, en dat zij daarom geen hoger beroep heeft ingesteld. Zij geeft daarbij te kennen dat zij de overdrachten in persoon met de man als onveilig en ondermijnend ervaart en niet in het belang van [minderjarige] . Zij stelt daarom voor dat de overdrachten door een vertrouwde derde worden gedaan. De man gaat hier niet mee akkoord. Niettemin voert de vrouw de overdrachten vanaf dat moment niet meer zelf uit maar laat zij dit door haar vader doen. Op niet betwiste opnames van de man is te zien dat hij meermalen bij aankomst bij de woning van de ouders van de vrouw om de woning heen loopt, naar binnen kijkt, luidkeels en herhaaldelijk de naam van de vrouw roept en in discussie gaat met de aanwezige vader van de vrouw. [minderjarige] is op dat moment in de woning aanwezig.

9.4.17.

Op 26 september 2023 weigert de man toestemming voor een vakantie van de vrouw met [minderjarige] .

9.4.18.

Op 16 oktober 2023 is vanuit de huisartsenpraktijk van de man in [plaats] een verzoek gedaan aan de huisarts van de vrouw om haar dossier naar hen over te zetten. Dit verzoek is geweigerd door de huisarts van de vrouw.

9.4.19.

Op 17 oktober 2023 weigert de man toestemming aan de vrouw om met [minderjarige] op vakantie te gaan.

9.4.20.

Op 25 november 2023 is de vrouw jarig. Zij heeft enkele vrienden op bezoek om dit te vieren. Die avond komt de man [minderjarige] terugbrengen. Op door de man niet betwiste opnames is te zien dat hij uit zijn auto stapt, desgevraagd van de vader van de vrouw weer te horen krijgt dat de vrouw de overdracht niet zal doen en dat de vader van de vrouw [minderjarige] zal overnemen. De man stapt daarop weer in de auto en belt, waarop de politie zo kort daarna ter plaatse is dat het niet anders kan dat de man de politie vooraf heeft ingeseind. De man toont de politie de uitspraak in kort geding en vertelt de politie dat hij door de vader van de vrouw wordt bedreigd. Van bedreigingen door de vader van de vrouw blijkt echter niet uit de opname noch uit enig ander onderdeel van het dossier. De politie verifieert vervolgens of de vrouw in de woning aanwezig is, en geeft vervolgens te kennen dat [minderjarige] aan de vader van de vrouw kan worden overgedragen. Gedurende deze gang van zaken bevindt [minderjarige] zich steeds in de auto van de man en moet zij wachten tot ze uit de auto mag.

9.4.21.

Op 23 oktober 2023 verzoekt de man de rechtbank in een voorlopige voorzieningenprocedure om uitbreiding van de zorgregeling. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 5 december 2023 heeft de vrouw de omgang stopgezet en te kennen gegeven dat deze wat haar betreft in het vervolg op een neutrale plek zal moeten plaatsvinden, nu de aanwezigheid van de man in haar woning volgens haar tot onveiligheid leidt.

9.4.22.

Tijdens de mondelinge behandeling op 5 december 2023 verklaart de man dat hij alleen [minderjarige] wil zien en dat hij de vrouw niet hoeft te zien. Op 5 december 2023 heeft de rechtbank, gelet op de escalatie van de situatie, de rechtbank de zorgregeling in kort geding geschorst tot de uitspraak.

9.4.23.

Op 5 december 2023 sluit de man een overeenkomst voor kinderopvang voor [minderjarige] zonder medeweten en toestemming van de vrouw. Dat de vrouw en de man samen [minderjarige] bij deze kinderopvangorganisatie hebben ingeschreven, is niet gebleken.

9.4.24.

Bij beschikking van 14 december 2023 wordt een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de overdracht via een onafhankelijke derde zal plaatsvinden, onder verwijzing naar het belang van hechting tussen de man en [minderjarige] .

9.4.25.

Op 27 december 2023 vordert de man in kort geding nakoming van de beschikking omdat de begeleide overdracht nog niet is gestart, op straffe van een dwangsom. Hoewel de hulpverlening is geregeld en de man is medegedeeld dat deze op 29 december 2023 zal aanvangen, weigert de man desgevraagd zijn dagvaarding in te trekken. Na indiening van de conclusie van antwoord door de vrouw, trekt de man op 3 januari 2024 alsnog de dagvaarding in, een dag voor de zitting. De vrouw heeft daarom advocaatkosten moeten maken voor een conclusie van antwoord. De man zegt vervolgens de geplande omgang met [minderjarige] op 5 januari 2024 af omdat hij verhinderd is.

9.4.26.

Met ingang van 29 december 2023 is stichting [naam organisatie] gestart met de uitvoering van de overdracht van [minderjarige] en is de omgang hervat. Omdat de vrouw opmerkt dat [minderjarige] erg moe en huilerig is na de omgangen en zij op basis van waarnemingen van haar bekende auto’s bij de overdracht vermoedens heeft dat de man niet zelf de omgang uitvoert, schakelt zij persoonsbeveiliging in. Uit observaties van een privé detective blijkt dat de vader [minderjarige] herhaaldelijk ophaalt bij [naam organisatie] , met haar wegrijdt in zijn eigen auto, en dan kort daarna aan de kant van de weg stopt en [minderjarige] aan zijn moeder overdraagt. Hetzelfde gebeurt omgekeerd bij terugkomst. Ook komt het voor dat de vader de overdracht in het geheel niet zelf doet maar overlaat aan zijn ouders. Tot slot blijkt dat de vader [minderjarige] tijdens zijn omgangstijd naar het voor de vrouw onbekende kinderdagverblijf brengt.

9.4.27.

Op 22 februari 2024 verzoekt de vrouw om toestemming voor een vakantie met [minderjarige] . De man reageert niet op dit verzoek.

9.4.28.

Op 14 maart 2024 verzoekt de vrouw in verband met de observaties terzake van de omgang tussen [minderjarige] en de man wijziging van de voorlopige voorziening in die zin dat wordt bepaald dat de omgang tussen de man en [minderjarige] enkel begeleid zal plaatsvinden. Op 15 maart 2024 stopt de vrouw de lopende omgang.

9.4.29.

Op 19 maart 2024 vordert de man in kort geding nakoming van de zorgregeling door de vrouw, op straffe van een dwangsom van € 500 euro per keer dat de vrouw in gebreke blijft, waarbij de man onder andere vordert dat de vrouw de overdracht zelf uitvoert.

9.4.30.

Op 8 april 2024 veroordeelt de rechtbank de vrouw tot nakoming van de zorgregeling.

9.4.31.

Op 9 april 2024 vindt de mondelinge behandeling van het verzoek van de moeder plaats. De Raad adviseert op basis van multi-disciplinair overleg om de omgang tussen de vader en [minderjarige] te stoppen in verband met grote zorgen over het handelen van de man, dat niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht. De rechtbank besluit tot uitsluitend begeleide omgang , wekelijks te verzorgen door [naam organisatie] en gelast een Raadsonderzoek.

9.4.32.

Op 6 mei 2024 is de man bij het consultatiebureau aanwezig op het moment dat een vaccinatie voor [minderjarige] staat gepland, zonder dat de vrouw hiervan weet heeft. De vrouw belt bij het zien van de man de politie, en nadat de vader op verzoek van de politie vertrekt, krijgt [minderjarige] haar vaccinatie.

9.4.33.

Op 19 juli 2024 komt de moeder van de man mee naar de begeleide omgang. Vader vertelt aan de vervangende omgangsbegeleidster dat de vaste omgangsbegeleidster daarmee akkoord is gegaan. In het omgangsverslag van die dag vermeldt de omgangsbegeleidster dat zij er na de omgang achter komt dat niet met de vaste omgangsbegeleidster is afgesproken om oma op die dag mee te nemen.

9.4.34.

Op 5 augustus 2024 brengt de Raad rapport uit. In het rapport valt te lezen dat de man de Raad heeft gezegd dat de ouders van de vrouw in complottheorieën geloven en een panic room hebben in hun huis. De vrouw was volgens de man tegen vaccinaties, haar familie had beweerd dat zij en haar broer een onbewezen genetische afwijking zouden hebben en dat [minderjarige] dit ook zou hebben. De man zegt bezorgd te zijn geweest dat [minderjarige] door de vrouw en haar familie zonder sociale contacten en geïsoleerd zou opgroeien. Dat de man en de vrouw overeenstemming hadden over de vaccinaties van [minderjarige] , vertelt de man niet.

9.4.35.

De man zegt verder tegen de Raad dat de vrouw is vertrokken drie dagen na de vaccinatieafspraak die de vrouw had afgezegd. Op basis van het dossier staat echter vast dat de vrouw op 4 juli 2023 is vertrokken, dat de vaccinatieafspraak daarna stond gepland op 20 juli 2023 en dat de vrouw die niet heeft afgezegd maar vervroegd naar 18 juli 2023.

9.4.36.

De man vertelt de Raad dat de vrouw een lastercampagne is gestart tegen de man. De rechtbank stelt vast dat hiervan uit het dossier niet blijkt, maar wel dat de man bewust de vrouw en de familie van de vrouw in hun sociale kringen in een kwaad daglicht heeft geplaatst, zoals hiervoor vermeld.

9.4.37.

De man vertelt de Raad dat de moeder na haar vertrek niets in het overdrachtsschriftje schreef. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat zij dit wel deed en zijn vragen beantwoordde.

9.4.38.

De ouders van de man zijn ook door de Raad als informanten bevraagd. Zij hebben de Raad blijkens het rapport gezegd dat zij na de geboorte van [minderjarige] net op loopafstand woonden en goed en regelmatig contact hadden. De rechtbank stelt vast dat is gebleken dat de grootouders in die periode in Spanje woonden. Dat zij dit aan de Raad hebben verteld, blijkt niet. De grootouders hebben ook verklaard dat de moeder is ingestort toen [minderjarige] drie maanden was, en dat zij toen de zorg hebben moeten overnemen. De rechtbank stelt vast dat dit niet blijkt uit het dossier. De grootouders typeren de vrouw als onstabiel en benoemen dat de ouders van de vrouw anti-vaxxers zijn. De grootouders benoemen dat het gezin van de vrouw waanideeën heeft over de buitenwereld, achtervolgingswaanzin. Daardoor is volgens de grootouders de stap naar het huwelijk met de vader en het moederschap voor de vrouw te groot geweest. De vader van de vrouw zou een lastercampagne jegens de man zijn gestart. De vrouw heeft volgens de grootouders sloten op haar klerenkast. Ook verzorgt de vrouw [minderjarige] niet goed, blijft [minderjarige] achter in haar ontwikkeling, krijgt ze geen vast voedsel terwijl zij daar wel aan toe is en heeft de vader in dat verband het OKT moeten benaderen. De moeder van de vrouw lijdt volgens de grootouders aan een eetstoornis. De grootouders hebben gezegd dat [minderjarige] altijd een blauwe plek op haar hoofd heeft, en dat de man daarvan een uitgebreide fotoreeks naar het OKT heeft gestuurd. De vrouw is volgens de grootouders niet in staat om voor [minderjarige] te zorgen, zij heeft hulp nodig voor zichzelf maar dit zal naar verwachting van de grootouders niet worden ingezet vanwege wantrouwen in de reguliere gezondheidszorg.

9.4.39.

De rechtbank stelt vast dat voor de aantijgingen van de grootouders aan het adres van de vrouw en haar familie in het dossier geen ondersteuning te vinden is.

9.4.40.

Uit het Raadsrapport blijkt dat de man het consultatiebureau een mail heeft gestuurd met de mededeling dat [minderjarige] volgens hem teveel melkvoeding krijg. Daarop heeft de vrouw direct gereageerd met de mededeling dat de informatie van de man niet klopt, dat [minderjarige] allang vast eten krijgt en dat de man niet zulke berichten moest sturen.

9.4.41.

Uit het Raadsrapport blijkt dat [minderjarige] volgens het consultatiebureau groeit conform de groeicurve.

9.4.42.

Bij beschikking van 23 oktober 2024 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en opnieuw een Raadsonderzoek gelast. Daarbij heeft de rechtbank de begeleide omgangsregeling in stand gelaten. De rechtbank geeft de vrouw vervangende toestemming voor een vakantie met [minderjarige] .

9.4.43.

Op 14 februari 2025 verzoeken de grootouders de rechtbank een omgangsregeling tussen hen en [minderjarige] vast te stellen.

9.4.44.

In mei 2025 brengt de man een dagvaarding uit in kort geding, waarin hij vordert de voorlopige zorgregeling uit te breiden op straffe van een dwangsom. De vordering wordt bij beschikking van 14 mei 2025 afgewezen. De rechtbank verleent de vrouw vervangende toestemming voor een vakantie met [minderjarige] voor drie weken in de periode van mei/juni/juli 2025, de periode waarin het Raadsonderzoek plaatsvindt.

9.4.45.

Op 3 juli 2025 vond de mondelinge behandeling van het verzoek van de grootouders plaats. Dit verzoek is bij beschikking van door de rechtbank afgewezen.

9.4.46.

Op 11 april 2025 treft de vader van de vrouw de man aan in [woonplaats 1] waar de vrouw woont. De man heeft daarover verklaard dat hij daar is om boodschappen te doen voor zijn oma die in een naburig dorp woont waar geen supermarkt is. De vrouw heeft vervolgens onbetwist gesteld dat de oma van de man in een ander dorp woont en dat er supermarkten veel dichterbij zijn.

Conclusies

9.5.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de vaststellingen van de Raad ten aanzien van de vijf punten van zorg, zoals benoemd in het rapport, niet kunnen worden gevolgd. Gedurende de relatie van partijen was wel degelijk sprake was van agressie door de man, hetgeen onder andere de reden is geweest dat de vrouw de relatie heeft beëindigd. Daarbij is gebleken dat de vrouw na de relatiebreuk goede afspraken wilde maken over het contact tussen de man en [minderjarige] , maar dat zij zich daarover ook zorgen maakte, gelet op het gedrag van de man gedurende de relatie. Die zorgen waren naar het oordeel van de rechtbank terecht. In plaats van bezinning, erkenning en het nemen van verantwoordelijkheid voor zijn gedrag, heeft de man vervolgens de aanval gekozen. Daarbij lijkt het voorkomen van gezichtsverlies voor hem een zeer belangrijke drijfveer te zijn geweest. Gebleken is dat de man, zijn familie en ook een persoonlijke vriend er met dat doel voor hebben gekozen de vrouw en haar familie ten onrechte structureel in een kwaad daglicht te stellen, zoals uit het voorgaande weergegeven. De man heeft zich in zijn handelen meermalen zeer manipulatief getoond, waarbij hij herhaaldelijk onwaarheden heeft verklaard om zijn doel te bereiken. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de wijze waarop de man de vaccinaties van [minderjarige] zonder grond heeft ingezet om de vrouw te diskwalificeren en doelbewust onder een grote groep personen een bericht heeft verspreid waarin hij vermeldt dat de vrouw psychisch niet in orde is en hulp nodig heeft. Een ander voorbeeld daarvan ziet de rechtbank in de gebeurtenissen op de verjaardag van de vrouw. Terwijl de vrouw al enige tijd de overdracht niet meer deed en deze overliet aan haar ouders, koos de man ervoor om uitgerekend op haar verjaardag, die zij vierde in het bijzijn van vrienden, de politie te laten komen. Deze keuze kan niet anders kan worden gezien dan een manier om de vrouw publiekelijk te bestraffen en vernederen. De man heeft [minderjarige] daarbij alleen in de auto laten zitten in een voor haar onzekere situatie, waarin zij verwachtte naar haar moeder te gaan maar dat niet gebeurde.

9.6.

De man is in een periode van twee jaren in totaal zes procedures gestart, waarbij de rechtbank ook de door zijn ouders gestarte procedure meetelt. Daarbij heeft de rechtbank de noodzakelijke echtscheidingsprocedure niet meegeteld. De man heeft zonder meer een reëel belang bij omgang met zijn kind en het kan hem op zichzelf niet verweten worden dat hij zich tot de rechtbank wendt op het moment dat die omgang hem wordt onthouden. Tegelijkertijd is gebleken dat de man nodeloos een procedure aanhangig heeft gehouden in december 2023, met een hoog bedrag aan advocaatkosten voor de vrouw als gevolg, en dat hij ook in maart 2024 na het starten van de wijzigingsprocedure door de vrouw een kort geding procedure is gestart terwijl de vrouw reeds een verzoekschrift tot wijziging voorlopige voorzieningen had ingediend. Opvallend is verder dat de man in december 2023 tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat het hem enkel om [minderjarige] gaat en dat hij de vrouw niet hoeft te zien, maar vervolgens wel keer op keer in procedures eist dat de vrouw de overdracht verzorgt, op straffe van een dwangsom. Gebleken is dat de man meermaals een scène schopt bij het huis van de vrouw op het moment dat hij constateert dat niet zijzelf maar haar vader [minderjarige] aan hem overdraagt.

Gevolgen voor ouderschap partijen

9.7.

Wanneer de rechtbank de gevolgen van al het voorgaande voor het ouderschap van partijen beziet, leidt dat tot de conclusie dat de vrouw vanaf haar zwangerschap tot op heden structureel stress, onveiligheid en onvoorspelbaarheid heeft ervaren. Zij is in toenemende mate hyperalert en angstig geworden. Haar leven wordt in beslag genomen door de procedures over de omgang. Zij heeft als ouder [minderjarige] steeds in woord en daad moeten steunen in de omgang met de man, waardoor zij ten opzichte van [minderjarige] als ouder dus tegenstrijdige signalen heeft moeten tonen.

9.8.

De man heeft zich tegenover [minderjarige] als ouder onvoorspelbaar en ook tegenstrijdig getoond. Enerzijds toonde hij zich liefdevol, anderzijds creëerde hij door zijn gedrag, mede in haar bijzijn, herhaaldelijk onveiligheid op voor haar niet te voorziene momenten. In de periode na 29 december 2023 heeft de man [minderjarige] in een voor haar belastende situatie gebracht door haar herhaaldelijk aan meerdere mensen te laten overdragen en naar een voor haar onbekend kinderdagverblijf te laten gaan, terwijl [minderjarige] dacht naar haar vader te gaan. [minderjarige] kon op dat moment onvoldoende praten om dit te vertellen.

Gevolgen voor [minderjarige]

9.9.

Wanneer gekeken wordt naar wat dat voor [minderjarige] betekent, is voorstelbaar dat deze situatie haar gevoel van veiligheid in de basis heeft aantast. De rechtbank verwijst naar de bevindingen van [naam 4] en [naam 7] , waarin de zorgelijke kindsignalen duidelijk worden beschreven.

De beslissingen in deze zaak

Eenhoofdig gezag

9.10.

Vaststaat dat de huidige situatie al erg lang voortduurt. De rechtbank acht niet aannemelijk dat in deze situatie op korte termijn verandering zal komen, mede omdat de man vooralsnog geen verantwoordelijkheid neemt wat betreft zijn eigen aandeel in het ontstaan, het voortduren en de toename van de angst bij de vrouw. De man geeft geen blijk van enige zelfreflectie maar wijst uitsluitend alle beschuldigingen resoluut van de hand, terwijl, zoals uit de weergave door de rechtbank van de feiten blijkt, de situatie het gevolg is van zijn handelen. De chronische angst bij de vrouw heeft onmiskenbaar een weerslag op [minderjarige] en het is in haar belang noodzakelijk dat de vrouw in een situatie wordt gebracht waarin zij niet langer door middel van gezamenlijk gezag is verbonden aan de man. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie een doorbraak behoeft. De rechtbank acht het daarom in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en dat de vrouw met het eenhoofdig gezag zal worden belast. Hieruit vloeit voort dat het verzoek om het bepalen van het hoofdverblijf bij de man zal worden afgewezen.

Omgangsregeling

9.11.

Gelet op de hiervoor onder rechtsoverwegingen 8.1. en verder genoemde gebreken in het Raadsonderzoek acht de rechtbank zichzelf nog onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen ten aanzien van een – al dan niet begeleide – omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] en zal daarom een definitieve beslissing daarover aanhouden.

9.12.

De rechtbank geeft de Raad opdracht om, met inachtneming van deze uitspraak en de daarin vastgestelde feiten, aanvullend onderzoek te doen ter beantwoording van de vraag of, en zo ja, op welke wijze [minderjarige] veilig omgang kan hebben met de man, en welke interventies daarvoor eventueel noodzakelijk en mogelijk zijn. Daarbij heeft het de nadrukkelijke voorkeur van de rechtbank dat de Raad het nadere onderzoek laat verrichten door een ander team, nu de rechtbank tot andere conclusies is gekomen dan in het huidige Raadsrapport en het dus noodzakelijk is dat vanuit een nieuw perspectief naar deze zaak wordt gekeken. De rechtbank verzoekt de Raad alsnog een MASIC bij de vrouw af te nemen en haar als informant te raadplegen. Ook verzoekt de rechtbank de Raad te onderzoeken in hoeverre de Veilige Hulp Methodiek zoals geboden door het Expertisecentrum Dwingende Controle passend is voor partijen, waarbij voor de hand ligt dat de man terzake wordt gehoord door de Raad.

9.13.

De rechtbank gaat er vanuit dat de Raad deze zaak met spoed zal oppakken. De rechtbank ziet zich in de tussentijd geconfronteerd met een situatie waarin het onderzoek door de Raad nog onvolledig is, maar waarin wel duidelijk is dat de huidige situatie voor [minderjarige] heel zwaar is en haar draagkracht te buiten lijkt te gaan. Zolang de huidige dynamiek niet is doorbroken, acht de rechtbank het daarom niet in het belang van [minderjarige] dat, gedurende de periode waarin de Raad aanvullend onderzoek zal doen, omgang tussen [minderjarige] en de man zal plaatsvinden. Daarbij komt dat de begeleidende instantie heeft laten weten de begeleiding niet meer op zich te nemen en dat niet helder is welke instantie de omgang wel zal kunnen uitvoeren op de korte termijn. Dit kan en zal naar verwachting weer een bron vormen voor opvolgende conflicten en procedures, wat niet in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank zal daarom de omgang tussen de man en [minderjarige] schorsen in afwachting van de resultaten van het aanvullende onderzoek door de Raad.

Informatieregeling

9.14

De Raad adviseert de rechtbank om moeder op te leggen dat zij vader minimaal maandelijks relevante schriftelijke informatie verstrekt over de sociale ontwikkeling van [minderjarige] , haar gezondheid (artsbezoeken, bezoeken consultatiebureau) en in de toekomst over schoolse zaken en haar vrijetijdsbesteding. Dit kan bijvoorbeeld via mail, aldus de Raad.

9.15.

De rechtbank zal, conform het advies van de Raad, een maandelijkse informatieregeling vastleggen. Indien gewenst door de vrouw, kan deze informatie door tussenkomst van derden worden verschaft.

10De beslissing

De rechtbank:

10.1.

beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders en bepaalt dat het gezag over:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] ,

aan de moeder alleen toekomt;

10.2.

wijst het verzoek van de man om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen af;

10.3.

schorst de voorlopige zorgregeling zoals is vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van 23 april 2024 totdat er in deze bodemprocedure een beslissing over de omgangsregeling is genomen;

10.4.

bepaalt dat de vrouw – indien gewenst door tussenkomst van derden – de man maandelijks per e-mail informeert over belangrijke aangelegenheden aangaande [minderjarige] , waaronder haar gezondheid en in de toekomst over schoolse zaken en haar vrijetijds-besteding;

10.5.

draagt de Raad op nader onderzoek te verrichten zoals genoemd in rechtsoverweging 9.12. en houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van de resultaten van dat onderzoek;

10.6.

houdt de behandeling van de verzoeken van partijen over de omgang pro forma aan tot 23 februari 2026 voor uitlating partijen en Raad over stand van zaken en de door hen gewenste voortgang procedure;

10.7.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.P. Lauwaars, mr. V. Zuiderbaan en mr. A. van Luijck rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.E. Luijckx op 24 december 2025.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733