Terug naar de uitspraak

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-02-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:307

Datum publicatie12-02-2026
Zaaknummer20-001860-22
RechtsgebiedenStrafrecht
TrefwoordenTuchtrecht / aansprakelijkheid. Tuchtrecht/aansprakelijkheid notaris. Erfrecht. Testamentair erfrecht. Wilsonbekwaamheid erflater
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Opzettelijk gebruik maken van een akte als bedoeld in artikel 227, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid. Veroordeling tot 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

Volledige uitspraak


Parketnummer : 20-001860-22

Uitspraak : 12 februari 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 29 juli 2022, in de strafzaak met parketnummer 03-702630-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en voorts, ten aanzien van het beslag, de drie authentieke akten ex artikel 356 van het Wetboek van Strafvordering geheel vals zal verklaren dan wel dat het hof op die akten de delen zal aangeven die vals zijn.

Namens de verdachte is integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is bepleit dat ten aanzien van de verdachte artikel 9a Sr wordt toegepast dan wel dat geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

1.
zij in of omstreeks de periode van 15 december 2015 tot en met 13 juni 2016 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een of meer authentieke akte(n), te weten:

- een testament op naam van mevrouw [betrokkene 1] , gedateerd 13 juni 2016 en/of

- een algehele volmacht op naam van mevrouw [betrokkene 1] , gedateerd 13 juni 2016 en/of

- een levenstestament op naam ven mevrouw [betrokkene 1] , gedateerd 13 juni 2016,

zijnde telkens (een) authentieke akte(n) die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken, zulks met het oogmerk om die akte(n) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, als ware haar/hun opgave(s) in overeenstemming met de waarheid,

en bestaande die valsheid hierin dat zij, verdachte, en/of haar mededader(s) in het testament en de algehele volmacht voornoemd, heeft/hebben opgenomen dan wel laten opnemen dat:

(onder het kopje “Herroeping” in het testament) [betrokkene 1] verklaart alle vroeger door haar gemaakte uiterste wilsbeschikkingen te herroepen, terwijl op geen enkel moment de (laatste) wilsbepaling van mevrouw [betrokkene 1] onafhankelijk en deugdelijk is vastgesteld en/of

[betrokkene 1] wenste dat [verdachte] als (enig) erfgenaam en/of gevolmachtigde werd aangewezen, terwijl op geen enkel moment de (laatste) wilsbepaling van mevrouw [betrokkene 1] onafhankelijk en deugdelijk is vastgesteld en/of

(in de aanhef van genoemde akte(n)), dat mevrouw [betrokkene 1] woonachtig was op [adres 2] , terwijl zij blijkens de gegevens uit de Gemeentelijke Basisadministratie sinds 23 mei 2016 was ingeschreven op het adres [adres 3] ( [verpleeghuis] ) en/of

(onder het kopje "Geen tolk/vertaling") van genoemde akte(n) dat mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal voldoende verstaat, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist/wisten dat mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerste en/of

(bij de afsluiting in de algehele volmacht) comparante [betrokkene 1] tijdig voor het verlijden van de algehele volmacht een ontwerpakte heeft ontvangen en van de inhoud daarvan heeft kennisgenomen, terwijl van toezending van zodanige ontwerpakte van de algehele volmacht in het geheel geen sprake is geweest en terwijl deze passage dus in strijd met de waarheid en werkelijkheid was en/of

bestaande die valsheid hierin dat zij, verdachte, en/of haar mededader(s) in het levenstestament voornoemd, heeft/hebben opgenomen dan wel laten opnemen dat:

[betrokkene 1] wenste dat [verdachte] als algemeen gevolmachtigde (inclusief medische aangelegenheden) werd aangewezen en voor het geval [verdachte] geen gebruik kan of wil maken van haar volmacht, de heer [betrokkene 2] werd aangewezen tot algemeen gevolmachtigde (inclusief medische aangelegenheden), terwijl op geen enkel moment de (laatste) wilsbepaling van mevrouw [betrokkene 1] onafhankelijk en deugdelijk is vastgesteld en/of

(onder het kopje "doel van dit levenstestament") dat mevrouw [betrokkene 1] de maatregelen genoemd in het levenstestament treft om te voorkomen dat over haar goederen beschermingsbewind of ten behoeve van haar persoon mentorschap wordt ingesteld, terwijl zij op 13 juni 2016 reeds onder bewindvoering en mentorschap was geplaatst en/of

(onder het kopje "Woning") dat mevrouw [betrokkene 1] zo lang mogelijk thuis wilde blijven wonen, zulks terwijl zij op 13 juni 2016 reeds woonachtig was in het verpleeghuis [verpleeghuis] , en/of

(onder het kopje "medische aangelegenheden) dat de volmacht ook geldt voor "beslissingen over plaatsing in. Medische en/of verzorginstellingen", zulks terwijl zij op 13 juni 2016 reeds woonachtig was in het verpleeghuis [verpleeghuis] en/of

(in de aanhef van genoemde akte(n)), dat mevrouw [betrokkene 1] woonachtig was op [adres 2] , terwijl zij blijkens de gegevens uit de Gemeentelijke Basisadministratie sinds 23 mei 2016 was ingeschreven op het adres [adres 3] ( [verpleeghuis] ) en/of

(onder het kopje "Geen tolk/vertaling") van genoemde akte(n) dat mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal voldoende verstaat, terwijl zij, verdachte en/of haar mededader(s) wist(en) dat mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal niet voldoende beheerste;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[notaris 1] in of omstreeks de periode van 15 december 2015 tot en met 13 juni 2016 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, een of meer authentieke akte(n), te weten:

- een testament op naam van mevrouw [betrokkene 1] , gedateerd 13 juni 2016 en/of

- een algehele volmacht op naam van mevrouw [betrokkene 1] , gedateerd 13juni 2016 en/of

- een levenstestament op naam van mevrouw [betrokkene 1] , gedateerd 13 juni 2016,

zijnde telkens (een) authentieke akte(n) die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken, zulks met het oogmerk om die akte(n) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, als ware zijn/hun opgave(s) in overeenstemming met de waarheid, en bestaande die valsheid hierin dat hij, [notaris 1] . in het testament en de algehele volmacht voornoemd,

heeft opgenomen dan wel laten opnemen dat:

(onder het kopje “Herroeping” in het testament) [betrokkene 1] verklaart alle vroeger door haar gemaakte uiterste wilsbeschikkingen te herroepen, terwijl op geen enkel moment de (laatste) wilsbepaling van mevrouw [betrokkene 1] onafhankelijk en deugdelijk is vastgesteld en/of

[betrokkene 1] wenste dat [verdachte] als (enig) erfgenaam en/of gevolmachtigde werd aangewezen, terwijl op geen enkel moment de (laatste) wilsbepaling van mevrouw [betrokkene 1] onafhankelijk en deugdelijk is vastgesteld en/of

(in de aanhef van genoemde akte(n)) dat mevrouw [betrokkene 1] woonachtig was op [adres 2] , terwijl zij blijkens de gegevens uit de Gemeentelijke Basisadministratie sinds 23 mei 2016 was ingeschreven op het adres [adres 3] ( [verpleeghuis] ) en/of

(onder het kopje “Geen tolk/vertaling”) van genoemde akte(n) dat mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal voldoende verstaat, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist/wisten dat mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerste en/of

(bij de afsluiting in de algehele volmacht) comparante [betrokkene 1] tijdig voor het verlijden van de algehele volmacht een ontwerpakte heeft ontvangen en van de inhoud daarvan heeft kennisgenomen, terwijl van toezending van zodanige ontwerpakte van de algehele volmacht in het geheel geen sprake is geweest en terwijl deze passage dus in strijd met de waarheid en werkelijkheid was en/of

bestaande die valsheid hierin dat hij, [notaris 1] , in het levenstestament voornoemd, heeft opgenomen dan wel laten opnemen dat:

[betrokkene 1] wenste dat [verdachte] als algemeen gevolmachtigde (inclusief medische aangelegenheden) werd aangewezen en voor het geval [verdachte] geen gebruik kan of wil maken van haar volmacht, de heer [betrokkene 2] werd aangewezen tot algemeen gevolmachtigde (inclusief medische aangelegenheden), terwijl op geen enkel moment de (laatste) wilsbepaling van mevrouw [betrokkene 1] onafhankelijk en deugdelijk is vastgesteld en/of

(onder het kopje ‘doel van dit levenstestament’) dat mevrouw [betrokkene 1] de maatregelen genoemd in het levenstestament treft om te voorkomen dat over haar goederen beschermingsbewind of ten behoeve van haar persoon mentorschap wordt ingesteld. terwijl zij op 13 juni 2016 reeds onder bewindvoering en mentorschap was geplaatst, en/of

(onder het kopje “Woning”) dat mevrouw [betrokkene 1] zo lang mogelijk thuis wilde blijven wonen, zulks terwijl zij op 13juni 2016 reeds woonachtig was in het verpleeghuis [verpleeghuis] en/of

(onder het kopje “medische aangelegenheden”) dat de volmacht ook geldt voor “beslissingen over plaatsing in en overplaatsing van en naar medische en/of verzorginstellingen”, zulks terwijl zij op 13 juni 2016 reeds woonachtig was in het verpleeghuis [verpleeghuis] en/of

(in de aanhef van genoemde akte(n)). dat mevrouw [betrokkene 1] woonachtig was op [adres 2] , terwijl zij blijkens de gegevens uit de Gemeentelijke Basisadministratie sinds 23 mei 2016 was ingeschreven op het adres [adres 3] ( [verpleeghuis] ) en/of

(onder het kopje “Geen tolk/vertaling’) van genoemde akte(n) dat mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal voldoende verstaat, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal niet voldoende beheerste;

welk bovenomschreven strafbaar feit zij, verdachte, in of omstreeks de periode van 15 december 2015 tot en met 13 juni 2016 in de gemeente Maastricht. althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk heeft uitgelokt door misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, door tezamen en in vereniging met haar mededader(s), althans alleen, die [notaris 1] te benaderen met het oog op het (valselijk) opmaken van die bedoelde authentieke akte(n) en/of die [notaris 1] daarbij/daartoe bovenbedoelde valse inlichtingen te verschaffen/verstrekken en/of die [betrokkene 1] te vergezellen bij het bezoek aan [notaris 1] op 13 juni 2016 terwijl op geen enkel moment de (laatste) wilsbepaling van mevrouw [betrokkene 1] onafhankelijk en deugdelijk is vastgesteld en/of terwijl mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerste;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[notaris 1] in of omstreeks de periode van 15 december 2015 tot en met 13 juni 2016 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland een of meer authentieke akte(n), te weten:

- een testament op naam van mevrouw [betrokkene 1] , gedateerd 13juni 2016 en/of

- een algehele volmacht op naam van mevrouw [betrokkene 1] gedateerd 13 juni 2016 en/of

- een levenstestament op naam van mevrouw [betrokkene 1] , gedateerd 13 juni 2016,

zijnde telkens (een) authentieke akte(n) die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken, zulks met het oogmerk om die akte(n) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, als ware zijn/hun opgave(s) in overeenstemming met de waarheid,

en bestaande die valsheid hierin dat hij, [notaris 1] , in het testament en de algehele volmacht voornoemd, heeft opgenomen dan wel laten opnemen dat:

(onder het kopje “Herroeping” in het testament) [betrokkene 1] verklaart alle vroeger door haar gemaakte uiterste wilsbeschikkingen te herroepen, terwijl op geen enkel moment de (laatste) wilsbepaling van mevrouw [betrokkene 1] onafhankelijk en deugdelijk is vastgesteld en/of

[betrokkene 1] wenste dat [verdachte] als (enig) erfgenaam en/of gevolmachtigde werd aangewezen, terwijl op geen enkel moment de (laatste) wilsbepaling van mevrouw [betrokkene 1] onafhankelijk en deugdelijk is vastgesteld en/of

(in de aanhef van genoemde akte(n)) dat mevrouw [betrokkene 1] woonachtig was op [adres 2] . terwijl zij blijkens de gegevens uit de Gemeentelijke Basisadministratie sinds 23 mei 2016 was ingeschreven op het adres [adres 3] ( [verpleeghuis] ) en/of

(onder het kopje ‘Geen tolk/vertaling’) van genoemde akte(n) dat mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal voldoende verstaat, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist/wisten dat mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerste en/of

(bij de afsluiting in de algehele volmacht) comparante [betrokkene 1] tijdig voor het verlijden van de algehele volmacht een ontwerpakte heeft ontvangen en van de inhoud daarvan heeft kennisgenomen, terwijl van toezending van zodanige ontwerpakte van de algehele volmacht in het geheel geen sprake is geweest en terwijl deze passage dus in strijd met de waarheid en werkelijkheid was en/of

bestaande die valsheid hierin dat hij, [notaris 1] , in het levenstestament voornoemd, heeft opgenomen dan wel laten opnemen dat:

[betrokkene 1] wenste dat [verdachte] als algemeen gevolmachtigde (inclusief medische aangelegenheden) werd aangewezen en voor het geval [verdachte] geen gebruik kan of wil maken van haar volmacht, de heer [betrokkene 2] werd aangewezen tot algemeen gevolmachtigde (inclusief medische aangelegenheden), terwijl op geen enkel moment de (laatste) wilsbepaling van mevrouw [betrokkene 1] onafhankelijk en

deugdelijk is vastgesteld en/of

(onder het kopje “doel van dit levenstestament”) dat mevrouw [betrokkene 1] de maatregelen genoemd in het levenstestament treft om te voorkomen dat over haar goederen beschermingsbewind of ten behoeve van haar persoon mentorschap wordt ingesteld, terwijl zij op 13 juni 2016 reeds onder bewindvoering en mentorschap was geplaatst, en/of

(onder het kopje “Woning’) dat mevrouw [betrokkene 1] zo lang mogelijk thuis wilde blijven wonen, zulks terwijl zij op 13 juni 2016 reeds woonachtig was in het verpleeghuis [verpleeghuis] , en/of

(onder het kopje ‘medische aangelegenheden”) dat de volmacht ook geldt voor “beslissingen over plaatsing in en overplaatsing van en naar medische en/of verzorginstellingen”, zulks terwijl zij op 13 juni 2016 reeds woonachtig was in het verpleeghuis [verpleeghuis] en/of

(in de aanhef van genoemde akte(n)), dat mevrouw [betrokkene 1] woonachtig was op [adres 2] , terwijl zij blijkens de gegevens uit de Gemeentelijke Basisadministratie sinds 23 mei 2016 was ingeschreven op het adres [adres 3] ( [verpleeghuis] ) en/of

(onder het kopje ‘Geen tolk/vertaling”) van genoemde akte(n) dat mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal voldoende verstaat, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal niet voldoende beheerste

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, in of omstreeks de periode van 15 december 2015 tot en met 13 juni 2016 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen. opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door tezamen en in vereniging met haar mededader(s). althans alleen, die [notaris 1] te benaderen met het oog op het (valselijk) opmaken van die bedoelde authentieke akte(n) en/of die [notaris 1] daarbij/daartoe bovenbedoelde valse inlichtingen te verschaffen/verstrekken en/of die [betrokkene 1] te vergezellen bij het bezoek aan [notaris 1] op 13 juni 2016 terwijl op geen enkel moment de (laatste) wilsbepaling van mevrouw [betrokkene 1] onafhankelijk en deugdelijk is vastgesteld en/of terwijl mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerste;

2.

zij in of omstreeks de periode van 13 juni 2016 tot en met heden, althans 29 juni 2017, in de gemeente Maastricht, althans in Nederland en/of Frankrijk, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer authentieke akte(n), waarin valse opgave is gedaan aangaande een feit van welks waarheid de akte(n) moet(en) doen blijken, te weten

  • een testament op naam van mevrouw [betrokkene 1] , gedateerd 13 juni 2016 en gepasseerd door mr. [notaris 1] , notaris te Maastricht en/of

  • een levenstestament op naam van mevrouw [betrokkene 1] , gedateerd 13 juni 2016 en gepasseerd door mr. [notaris 1] , notaris te Maastricht en/of

  • een algehele volmacht op naam van mevrouw [betrokkene 1] , gedateerd 13 juni 2016 en gepasseerd door mr. [notaris 1] , notaris te Maastricht

als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid, bestaande dat gebruik maken hierin dat zij voornoemde akte(n) heeft ingebracht als bewijsstuk(ken) voor het handelen bij algemene volmacht (inclusief medische aangelegenheden) en/of in de afhandeling van de nalatenschap van mevrouw [betrokkene 1] , en/of in de afhandeling van de nalatenschap van mevrouw [betrokkene 1] en/of op basis van het testament een verklaring van erfrecht heeft laten opstellen

en bestaande die valse opgave hierin dat

I.H. wenste dat [verdachte] als (enig) erfgenaam en/of gevolmachtigde werd aangewezen,

terwijl op geen enkel moment de (laatste) wilsbepaling van mevrouw [betrokkene 1]

onafhankelijk en deugdelijk is vastgesteld en/of

(in de aanhef van genoemde akte(n)), dat mevrouw [betrokkene 1] woonachtig was op [adres 2]

, terwijl zij blijkend de gegevens uit de

Gemeentelijke Basisadministratie sinds 23 mei 2016 was ingeschreven op het adres [adres 3] ( [verpleeghuis] ) en/of

(onder het kopje "Geen tolk/vertaling") van genoemde akte(n) dat mevrouw [betrokkene 1]

de Nederlandse taal voldoende verstaat, terwijl zij, verdachte wist dat mevrouw

[betrokkene 1] de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerste en/of

bestaande die valsheid hierin dat zij, verdachte het levenstestament voornoemd, heeft opgenomen dan wel laten opnemen dat:

[betrokkene 1] wenste dat [verdachte] als algemeen gevolmachtigde (inclusief medische

aangelegenheden) werd aangewezen en voor het geval [verdachte] geen gebruik kan

of wil maken van haar volmacht, de heer [betrokkene 2] werd aangewezen tot

algemeen gevolmachtigde (inclusief medische aangelegenheden), terwijl op geen

enkel moment de (laatste) wilsbepaling van mevrouw [betrokkene 1] onafhankelijk en

deugdelijk is vastgesteld en/of

(onder het kopje "doel van dit levenstestament'') dat mevrouw [betrokkene 1] de

maatregelen genoemd in het levenstestament treft om te voorkomen dat over haar

goederen beschermingsbewind of ten behoeve van haar persoon mentorschap

wordt ingesteld, terwijl zij op 13 juni 2016 reeds onder bewindvoering en

mentorschap was geplaatst

subsidiair, voor zover het onder feit 2 primair ten laste gelegde niet leidt tot een bewezenverklaring:

zij in of omstreeks de periode van 13 juni 2016 tot en met heden in de gemeente Maastricht,

althans in Nederland en/of Frankrijk, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer

valse geschriften, te weten

  • een testament op naam van mevrouw [betrokkene 1] , gedateerd 13 juni 2016 en gepasseerd door mr. [notaris 1] , notaris te Maastricht en/of

  • een levenstestament op naam van mevrouw [betrokkene 1] , gedateerd 13 juni 2016 en gepasseerd door mr. [notaris 1] , notaris te Maastricht en/of

  • een algehele volmacht op naam van mevrouw [betrokkene 1] , gedateerd 13 juni 2016 en

gepasseerd door mr. [notaris 1] , notaris te Maastricht,

als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid, bestaande dat gebruik maken

hierin dat zij voornoemde akte(n) heeft ingebracht als bewijsstuk(ken) voor het handelen bij

algemene volmacht (inclusief medische aangelegenheden) en/of in de afhandeling van de

nalatenschap van mevrouw [betrokkene 1] en/of op basis van het testament een verklaring van

erfrecht heeft laten opstellen,

en bestaande die valsheid hierin dat

[betrokkene 1] wenste dat [verdachte] als (enig) erfgenaam en/of gevolmachtigde werd

aangewezen, terwijl op geen enkel moment de (laatste) wilsbepaling van mevrouw

[betrokkene 1] onafhankelijk en deugdelijk is vastgesteld en/of

(in de aanhef van genoemde akte(n)), dat mevrouw [betrokkene 1] woonachtig was op

[adres 2] , terwijl zij blijkens de gegevens uit

de Gemeentelijke Basisadministratie sinds 23 mei 2016 was ingeschreven op het

adres [adres 3] ( [verpleeghuis] ) en/of

(onder het kopje "Geen tolk/vertaling") van genoemde akte(n) dat mevrouw [betrokkene 1]

de Nederlandse taal voldoende verstaat, terwijl zij, verdachte wist dat mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerste en/of

bestaande die valsheid hierin dat zij, verdachte in het levenstestament voornoemd, heeft opgenomen dan wel laten opnemen dat:

[betrokkene 1] wenste dat [verdachte] als algemeen gevolmachtigde (inclusief medische

aangelegenheden) werd aangewezen en voor het geval [verdachte] geen gebruik kan

of wil maken van haar volmacht, de heer [betrokkene 2] werd aangewezen tot

algemeen gevolmachtigde (inclusief medische aangelegenheden), terwijl op geen

enkel moment de (laatste) wilsbepaling van mevrouw [betrokkene 1] onafhankelijk en

deugdelijk is vastgesteld en/of

(onder het kopje "doel van dit levenstestament") dat mevrouw [betrokkene 1] de

maatregelen genoemd in het levenstestament treft om te voorkomen dat over haar

goederen beschermingsbewind of ten behoeve van haar persoon mentorschap

wordt ingesteld, terwijl zij op 13 juni 2016 reeds onder bewindvoering en

mentorschap was geplaatst

althans (telkens) opzettelijk die geschriften heeft afgeleverd en/of voorhanden

gehad en/of heeft doen afleveren, terwijl zij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest

vermoeden dat die akte(n) bestemd was/waren voor zodanig gebruik.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Het hof, met de rechtbank, overweegt ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde als volgt.

Aan de verdachte wordt onder dit feit verweten zich al dan niet samen met notaris [notaris 1] schuldig te hebben gemaakt aan het valselijk opmaken van een drietal authentieke akten, te weten een testament, een levenstestament en een algehele volmacht op naam van [betrokkene 1] . Een akte is pas een authentieke akte als die door een daartoe bevoegd ambtenaar is opgemaakt, in casu een notaris. Dit brengt met zich dat het in deze zaak voor de verdachte, niet zijnde notaris, niet mogelijk is zelfstandig een drietal authentieke akten valselijk op te maken, maar slechts in samenwerking met notaris [notaris 1] . Er dient aldus sprake te zijn geweest van een samenwerking tussen de verdachte en notaris [notaris 1] die juridisch gezien kan worden gekwalificeerd als medeplegen.

Het hof, met de rechtbank, stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit eerst als medeplegen kan worden bewezenverklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Het hof, met de rechtbank, stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat het initiatief tot het laten opmaken van de drietal akten bij de verdachte heeft gelegen. De input die geleid heeft tot de opgestelde concepten werd geleverd door de verdachte. Op basis van deze informatie heeft notaris [notaris 1] de conceptakten en daarna de definitieve akten opgesteld, zonder dat mevrouw [betrokkene 1] voorafgaand aan het verlijden van de akten de mogelijkheid is geboden om van die inhoud (die haar wil diende te weerspiegelen) kennis te nemen. Op 13 juni 20l6 zijn de akten in het bijzijn van de verdachte en haar echtgenoot met [betrokkene 1] besproken en gepasseerd. De verdachte heeft naar het oordeel van het hof dan ook een initiërende en sturende rol gehad bij de totstandkoming van de notariële akten.

Het hof stelt vast dat met het onherroepelijke veroordelende vonnis van de rechtbank Limburg, d.d. [datum vonnis] in de zaak tegen [notaris 1] , is komen vast te staan dat notaris [notaris 1] de in de tenlastelegging van de onderhavige strafzaak genoemde notariële akten valselijk heeft opgemaakt.

Is er nu sprake van het medeplegen van dit valselijk opmaken? Voor medeplegen is weliswaar niet vereist dat sprake was van een gezamenlijke uitvoering of van het vervullen van eenzelfde rol (die er hier ook niet is, omdat het opmaken van een authentieke akte is voorbehouden aan een notaris), maar de verdachte moet wel opzet hebben gehad op de samenwerking met zijn medepleger. Met andere woorden: medeplegers werken willens en wetens samen bij het verrichten van de delicieuze gedraging. Naar het oordeel van het hof biedt het dossier onvoldoende feiten en omstandigheden waaruit die bewuste samenwerking in dit geval is af te leiden, voorafgaand aan noch na afloop van het opmaken van de akten. Niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een gezamenlijk vooropgezet plan, zodat naar het oordeel van het hof het voor medeplegen vereiste bewijs van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking in dit geval ontbreekt.

De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken voor het onder 1 primair tenlastegelegde.

Het hof zal de verdachte eveneens vrijspreken van het onder 1 subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde, nu uit het dossier onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren komen waaruit zou kunnen volgen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan uitlokking van dan wel medeplichtigheid aan het door de notaris valselijk opmaken van de in de tenlastelegging genoemde akten.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat zij:

in de periode van 13 juni 2016 tot en met heden in Nederland opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een authentieke akte, waarin valse opgave is gedaan aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, te weten

een testament op naam van mevrouw [betrokkene 1] , gedateerd 13 juni 2016 en gepasseerd door mr. [notaris 1] , notaris te Maastricht, en als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid, bestaande dat gebruik maken hierin dat zij voornoemde akte heeft ingebracht als bewijsstuk voor de afhandeling van de nalatenschap van mevrouw [betrokkene 1] en op basis van het testament een verklaring van erfrecht heeft laten opstellen en bestaande die valse opgave hierin dat [betrokkene 1] wenste dat [verdachte] als (enig) erfgenaam werd aangewezen, terwijl de (laatste) wilsbepaling van mevrouw [betrokkene 1] niet is vastgesteld en (onder het kopje "Geen tolk/vertaling") van genoemde akte dat mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal voldoende verstaat, terwijl zij, verdachte, wist dat mevrouw [betrokkene 1] de Nederlandse taal niet (voldoende) beheerste.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring zijn opgenomen in een bijlage die aan dit arrest is gehecht.

Bewijsoverweging

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Het hof overweegt, grotendeels conform de door de rechtbank in haar vonnis opgenomen bewijsoverweging, als volgt.

Wetenschap aan de zijde van de verdachte

De eerste vraag die het hof dient te beantwoorden is of de verdachte wist of op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het om valse opgaven in

authentieke akten ging.

Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte het

initiatief tot het laten opmaken van de drie akten heeft genomen en dat zij in dat kader

informatie aan notaris [notaris 1] heeft verstrekt. De conceptakten zijn vervolgens niet naar

[betrokkene 1] zelf, maar naar de verdachte gestuurd en het was de verdachte die samen met haar

echtgenoot op 13 juni 2016 aanwezig was bij het bespreken en het passeren van de akten. Uit het dossier blijkt niet dat [betrokkene 1] op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het

inschakelen van een notaris en de totstandkoming van de akten. Wat wel blijkt, is dat de

verdachte op de hoogte was van de verslechterende gezondheidstoestand van haar moeder.

De moeder van de verdachte verbleef vanaf 10 november 2015 bij [verpleeghuis] te Maastricht, een verpleegtehuis gespecialiseerd in ouderen met dementie. De verdachte heeft voor haar moeder bewindvoering en mentorschap aangevraagd, omdat haar moeder ten gevolge van haar dementie (duurzaam) niet meer in staat was ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Ook was de verdachte op de hoogte van de inhoud van de brieven aan de rechtbank in verband met de procedure tot het aanvragen van bewindvoering en mentorschap van haar echtgenoot als behandelend huisarts en de brief van de locatiemanager van [verpleeghuis] , waaruit blijkt dat [betrokkene 1] de Nederlandse taal niet machtig was, dat haar dementie in januari 2016 zodanig vergevorderd was dat ze niets meer zou kunnen verklaren dat de rechtbank van verdere feiten en inschattingen van dienst kon zijn en dat zij als gevolg van haar medische toestand niet meer in staat was om een zitting bij te wonen of gehoord te worden.

Naar aanleiding van de inhoudelijke behandeling van de zaak op de terechtzittingen van 21 en 22 augustus 2024 heeft het hof door de deskundige [deskundige] een onderzoek laten verrichten naar de wils(on)bekwaamheid van mevrouw [betrokkene 1] . Aan hem is gevraagd om achteraf in termen van waarschijnlijkheid een oordeel te geven over de wilsbekwaamheid van erflaatster ten tijde van het verlijden van de akten (op 13 juni 2016) en daarover aan het hof te rapporteren.

De deskundige is blijkens zijn rapportage d.d. 16 april 2025 op basis van het procesdossier in de onderhavige zaak en dat in de strafzaak tegen verdachte´s partner [betrokkene 2] tot de conclusie gekomen

“dat met een hoge mate van waarschijnlijkheid kan worden gesteld dat mevrouw [betrokkene 1] op 13 juni 2016 niet meer wilsbekwaam was ter zake het nemen van besluiten over haar testament. Zowel de ernst van haar dementie alsook haar psychiatrische co-morbiditeit (met name haar psychotische symptomen) zijn beide op zichzelf al voldoende om aan te nemen dat mevrouw redelijkerwijs geacht moet worden op 13 juni 2016 niet meer wilsbekwaam te zijn geweest ter zake de keuze van haar testament. Omdat beide echter tegelijkertijd op 13 juni 2016 aan de orde waren, kan naar mijn beoordeling over een hoge mate van waarschijnlijkheid worden gesproken.”

De deskundige geeft verder aan dat wanneer de notaris het gesprek op 13 juni 2016 zorgvuldig volgens de hierboven beschreven regels had gevoerd (het hof begrijpt: door middel van het stellen van open vragen, ten minste voor een deel zonder de aanwezigheid van derden) de conclusie geen andere was geweest dan dat mevrouw niet meer wilsbekwaam was ter zake het voorliggende besluit over haar testament.

Hetgeen de deskundige schrijft in verband met het testament geldt, gezien de vraagstelling van het hof en het meermaals door de deskundige gebruiken in de rapportage van het woord ‘akten’, tevens voor de overige op 13 juni 2016 gepasseerde akten, namelijk het levenstestament op naam van [betrokkene 1] en een algehele volmacht voor de verdachte op naam van [betrokkene 1] .

De verdediging heeft ter terechtzitting van 29 januari 2026 het verweer gevoerd dat het rapport van de deskundige [deskundige] niet tot het bewijs mag worden gebezigd, en heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat:

  1. de deskundige zijn rapportage heeft aangepast na feedback van zijn partner (een derde die niet door de raadsheer-commissaris werd aangewezen als deskundige);

  2. de deskundige zijn rapportage in een te korte tijdspanne heeft opgesteld om een deugdelijke/volledige analyse van een zeer omvangrijk en complex dossier te (kunnen) maken;

  3. het onvoldoende duidelijke is van welke stukken de deskundige kennis heeft genomen;

  4. de deskundige geen/onvoldoende gebruik heeft gemaakt van bronvermelding, waardoor de rapportage onvoldoende toetsbaar en transparant is;

  5. het onvoldoende duidelijk is van welke methode(n) de deskundige gebruik heeft gemaakt en/of dat er geen (goede) methode bestaat voor een retrospectieve beoordeling van wils(on)bekwaamheid;

  6. de deskundige zeer stellige conclusies trekt, zonder andersluidende verklaringen, observaties en bevindingen die duiden op herstel, vooruitgang en wilsbekwaamheid van mevr. [betrokkene 1] in de periode rondom het verlijden van de akten te noemen en/of te wegen;

  7. de rapportage feitelijke onjuistheden, onvolledigheden of eenzijdige informatie bevat, waaraan vervolgens wel (stellige en verregaande) conclusies worden verbonden;

  8. de deskundige zijn oordeel over de wilsbekwaamheid van mevr. [betrokkene 1] mede heeft gebaseerd op basis van gedragingen en medische observaties die dateren van ná het relevante toets-moment: het verlijden van de akten op 13 juni 2016 en

  9. de deskundige een alternatieve verklaring voor de (snelle) achteruitgang van mevr. [betrokkene 1] eind juni/juli 2016 (lees: haar hartfalen) niet/onvoldoende heeft besproken.

Hetgeen de verdediging ter nadere onderbouwing van voornoemde punten heeft aangevoerd, staat verwoord in de door haar op 29 januari 2026 overgelegde nadere pleitnota, die in het dossier is gevoegd.

De verdediging is van oordeel dat de rapportage van dhr. [deskundige] en zijn verklaring ter terechtzitting niet c.q. onvoldoende betrouwbaar zijn, waardoor deze van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Het hof overweegt omtrent de door de verdediging genoemde punten als volgt.

  1. De deskundige [deskundige] heeft in zijn rapport opgemerkt dat de feedback van zijn partner gericht was op de leesbaarheid en consistentie van het rapport. Het hof heeft geen enkele reden om aan te nemen dat de feedback van de partner heeft geleid tot aanpassing van het rapport op inhoudelijke punten aangaande de aan de deskundige voorgelegde vraag of anderszins de beantwoording van de vraagstelling door de deskundige heeft geregardeerd;

  2. Het hof is van oordeel, dat de inschatting van de tijd die benodigd is om in het onderhavige vakgebied een goed onderbouwde rapportage in een complexe zaak uit te brengen, geheel is voorbehouden aan de rapporteur, die immers deskundig is op dat vakgebied;

  3. Uit het rapport en de nadere toelichting daarop van de deskundige ter terechtzitting van 10 december 2025 blijkt naar het oordeel van het hof voldoende van welke stukken de deskundige kennis heeft genomen;

  4. Uit het rapport en de nadere toelichting daarop van de deskundige ter terechtzitting van 10 december 2025 blijkt naar het oordeel van het hof voldoende van welke bronnen de deskundige gebruik heeft gemaakt; het is het hof bekend dat het gehele procesdossier in de zaken [verdachte] en [verdachte] naar de deskundige is toegezonden.

  5. Weliswaar bestaat er geen gevalideerde juridisch-medische methodiek voor een postume beoordeling van wilsbekwaamheid, maar de deskundige heeft naar het oordeel van het hof ter terechtzitting van 10 december 2025 voldoende duidelijk gemaakt van welke methode/best practice hij gebruik heeft gemaakt en voldoende de wetenschappelijke basis van die best practice van een internationaal expert op het gebied van het retrospectief beoordelen van wilsbekwaamheid aangetoond;

  6. De deskundige heeft naar het oordeel van het hof in zijn rapport en toelichting ter terechtzitting van 10 december 2025 voldoende duidelijk gemaakt welke stukken uit het dossier hij heeft gebruikt en waarom andere stukken, met name verklaringen van bepaalde getuigen die zijn afgelegd ruim na het overlijden van mevrouw [verdachte] niet zijn gebruikt. Het hof heeft geen reden om, gelet op de deskundigheid van de heer [deskundige] , aan zijn onderbouwde keuzes te twijfelen;

  7. Anders dan door de verdediging gesteld, is het hof niet gebleken van feitelijke onjuistheden in het rapport;

  8. Hoewel de deskundige in zijn feitelijke opsomming van de gezondheidstoestand van mevrouw [betrokkene 1] ook gebeurtenissen ná het verlijden van de akten op 13 juni 2016 noemt, blijkt naar het oordeel van het hof uit de overwegingen met betrekking tot de geestelijke gezondheidstoestand en de wilsbekwaamheid niet dat zijn oordeel hieromtrent mede is gebaseerd op die gedragingen en medische observaties die hebben plaatsgevonden na het verlijden van de akten;

  9. Naar het oordeel van het hof heeft de deskundige ter terechtzitting van 10 december 2025 zijn oordeel over het alternatieve scenario van hartfalen als mogelijke verklaring voor de (snelle) achteruitgang van mevrouw [betrokkene 1] eind juni/juli 2016 voldoende toegelicht. Bovendien heeft dit betrekking op de periode van na het verlijden van de akten zodat dit voor de beoordeling van de wilsbekwaamheid ten tijde van het verlijden van de akten niet van belang is.

Door de verdediging is aangevoerd dat er sprake was van herstel van mevrouw [betrokkene 1] in de periode kort voor het verlijden van de akten. Aangevoerd is dat uit diverse verklaringen blijkt dat mevrouw toen goed bij zinnen was en op het moment van verlijden van de akten dan ook wel handelingsbekwaam was. Ter gelegenheid van de zitting van 10 december 2025 heeft de deskundige [deskundige] hierover ter zitting het volgende naar voren gebracht:

“Mevrouw leed aan vasculaire dementie. Dat is een progressieve degeneratieve ziekte, waarbij steeds meer hersenweefsel verloren gaat waardoor steeds meer cognitieve functies uitvallen. Je verliest letterlijk langzaam je verstand.

De advocaat-generaal geeft aan dat hij begrijpt dat dementie een opgaande lijn is in die zin dat het steeds erger wordt. Het proces wordt niet onderbroken.

Dat klopt. Ik zou het een neergaande lijn noemen. Het onderliggende ziekteproces van dementie gaat gewoon door. Dat proces is een afbraak van hersencellen en hersenfuncties. Het is een progressief proces en gaat gewoon door. Het wordt nooit beter, alleen slechter.”

Het hof neemt deze stellingen van de deskundige over en gaat om die reden aan dit verweer voorbij.

Het hof verenigt zich met de conclusie van de deskundige [deskundige] zoals weergegeven in zijn rapportage en maakt die tot de zijne.

Concluderend acht het hof het rapport van de heer [deskundige] , in samenhang bezien met zijn verklaring ter terechtzitting d.d. 10 december 2025, voldoende toetsbaar, transparant en betrouwbaar. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Voorwaardelijk verzoek:

De verdediging heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan – in het geval dat het hof niet tot de slotsom zou komen dat het rapport en de verklaringen van de deskundige [deskundige] niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd – tot het benoemen van een deskundige die – mede ook aan de hand van de verklaringen van personen die mevr. [betrokkene 1] bij leven hebben gezien en gesproken (ook op 13 juni 2016), en met bestudering van álle processtukken, inclusief het rapport van [deskundige] – een rapport opstelt over de vraag óf er (überhaupt) postuum een objectief oordeel kan worden gegeven over de wilsbekwaamheid en zo ja: of dat in deze casus mogelijk zou zijn.

De verdediging acht het – in dat geval – voor de goede beoordeling van deze zaak en voor de volledigheid van het onderzoek noodzakelijk dat de deskundige op basis van álle stukken een rapport opstelt.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof acht zich voldoende voorgelicht omtrent de wils(on)bekwaamheid van mevr. [betrokkene 1] ten tijde van het verlijden van de akten op 13 juni 2016. Ook overigens ziet het hof geen aanleiding om een nieuwe deskundige op dit punt te benoemen. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.

Voorts wordt meer subsidiair door de verdediging opgemerkt dat, mocht het hof oordelen dat er wel voldoende bewijs zou zijn voor de (postume) vaststelling dat mevrouw [betrokkene 1] wilsonbekwaam was ten tijde van het verlijden van de akten, het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de verdachte hiervan op de hoogte was.

Dit verweer vindt zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

Ook de overige door de verdediging ter terechtzittingen van 22 augustus 2024 en 29 januari 2026 gevoerde verweren vinden hun weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

Alles overwegende is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat [betrokkene 1] op 13 juni 2016 niet in staat was haar wil te bepalen, omdat zij niet in staat was tot een redelijke waardering van haar belangen ter zake en dat de verdachte dit wist. De verdachte wist dus ook dat de opgaven in de akten die zagen op een vertolking van de wil van haar moeder vals waren.

Ook wist de verdachte dat in de (Nederlandstalige) akten een feitelijke onjuistheid was

opgenomen, te weten de opgave dat [betrokkene 1] zou hebben verklaard dat zij de taal van de

akten voldoende verstond en geen vertaling nodig had. De verdachte wist immers dat haar

moeder de Nederlandse taal niet voldoende machtig was, daarom sprak zij – net als de

notaris – Duits met haar moeder. De verdachte wist aldus ook ten aanzien van deze opgave

dat het een valse opgave betrof.

Partiële vrijspraken

Voor wat betreft het in de aanhef van de akten opgenomen adres [adres 2]

overweegt het hof, met de rechtbank, dat dit weliswaar een feitelijke onjuistheid betreft, maar dat uit het dossier niet blijkt dat deze opgave opzettelijk vals in de akten is opgenomen en de akten anderzijds ook niet bestemd zijn om ten bewijze van het woonadres van [betrokkene 1] te worden gebruikt. De verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden

vrijgesproken.

Het opzettelijk gebruik maken door de verdachte

De tweede vraag die het hof dient te beantwoorden is of de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer van deze valse authentieke akten.

Het hof, met de rechtbank, stelt op basis van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, vast dat de verdachte in het kader van de afhandeling van de nalatenschap van [betrokkene 1] in Frankrijk aan de aldaar werkzame notaris [notaris 2] een gewaarmerkte kopie van een erfrechtverklaring, opgesteld door notaris [notaris 1] op 21 april 2017, heeft overhandigd, die zij kennelijk op grond van het testament heeft laten opmaken en waarna onder andere het fiscale gedeelte van de nalatenschap is geregeld.

Dit maakt dat het hof, met de rechtbank, van oordeel is dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een authentieke akte, zijnde een testament op naam van [betrokkene 1] , door deze akte in te brengen als bewijsstuk in de

afhandeling van de nalatenschap van [betrokkene 1] en op basis van het testament een verklaring

van erfrecht te laten opstellen, welke verklaring vervolgens is gebruikt door een gewaarmerkte kopie toe te sturen naar notaris [notaris 2] in Frankrijk. Nu door het gebruik van de akte sprake was van misleiding met als doel te bewerkstelligen dat de verdachte als enige erfgenaam alle eigendommen van [betrokkene 1] zou erven, is daarmee het opzet op het gebruik gegeven.

Partiële vrijspraak

Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een

levenstestament op naam van [betrokkene 1] of een algehele volmacht op naam van [betrokkene 1] . De

verdachte zal van deze onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk gebruik maken van een akte als bedoeld in artikel 227, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en voorts, ten aanzien van het beslag, dat het hof de drie authentieke akten ex artikel 356 van het Wetboek van Strafvordering geheel vals zal verklaren dan wel dat het hof op die akten de delen zal aangeven die vals zijn.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, in het geval van een bewezenverklaring, bepleit dat artikel 9a Sr wordt toegepast dan wel dat aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf wordt opgelegd.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van een vals

testament. Op initiatief van met name de verdachte is door een bevriende notaris een testament op naam van haar moeder opgemaakt, zijnde een 76-jarige dementerende vrouw. De verdachte wist dat de gezondheidssituatie van haar moeder ernstig was aangetast, dat zij dementerend was en dat zij de taal waarin de akte was opgemaakt niet sprak of kon lezen. Ook wist de verdachte dat de akte slechts eenmaal door de notaris met haar moeder was besproken, waarbij de verdachte nota bene zelf aanwezig was geweest. Na het overlijden van haar moeder heeft de verdachte het testament, waarin zij als enige begunstigde werd genoemd, gebruikt om de nalatenschap van haar moeder af te handelen.

De verdachte heeft onvoldoende oog gehad voor de kwetsbaarheid van haar eigen moeder. Haar moeder, over wie de zorg op verzoek van de verdachte door de rechtbank aan

haar was toevertrouwd als mentor en bewindvoerder. Juist omdat zij volgens de verdachte

niet meer in staat was om haar belangen ten volle te overzien en wier dementie volgens de

huisarts en partner van de verdachte zodanig ver gevorderd was dat hij de rechtbank berichtte dat hij niet merkte dat zij nog iets kon verklaren dat de rechtbank van verdere feiten en inschattingen van dienst kon zijn. Dat onder dergelijke omstandigheden alsnog een testament wordt verleden, dat vervolgens door de verdachte wordt gebruikt om als begunstigde de nalatenschap afte handelen, is niet de bescherming die [betrokkene 1] in de laatste levensfase van haar bewindvoerder mocht verwachten. Daarnaast heeft de verdachte door haar handelen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de opgaven opgenomen in een authentieke akte.

Het hof heeft acht geslagen op het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof de persoonlijke omstandigheden van de verdachte meegewogen die door haar ter terechtzitting naar voren zijn gebracht, en dan met name de impact die alle publiciteit rondom de strafzaken tegen haar en haar partner heeft gehad op zowel de verdachte als haar gezin.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat in beginsel oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uren passend en geboden is.

Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 6 februari 2018, de dag waarop de verdachte voor de eerste keer door de politie is verhoord. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 29 juli 2022. In eerste aanleg is derhalve sprake van een schending van de redelijke termijn met een periode van 2 jaar en bijna 6 maanden. Verdachte heeft op 12 augustus 2022 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 12 februari 2026, 3 jaar en zes maanden na het instellen van het hoger beroep. De behandeling in hoger beroep wordt dan ook niet afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het ingestelde hoger beroep. In hoger beroep is derhalve tevens sprake van een schending van de redelijke termijn en wel met een periode van 1 jaar en 6 maanden. Het hof ziet hierin aanleiding om een lagere straf op te leggen dan het zou hebben gedaan zonder die termijnoverschrijding.

Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een taakstraf voor de duur van 120 uren op zijn plaats zou zijn. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting zal het hof enkel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden opleggen.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 227 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. C.P.J. Scheele en mr. G.C. Bos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.E.M. de Ridder, griffier,

en op 12 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. C.P.J. Scheele en mr. G.C. Bos zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733