Terug naar de uitspraak

Parket bij de Hoge Raad 30-01-2026, ECLI:NL:PHR:2026:120

Datum publicatie05-02-2026
Zaaknummer25/00771
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenErfrecht. Testamentair erfrecht. Uitleg testament. Beperkingen op de testeervrijheid. Legitieme portie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Erfrecht. Legitieme portie. Tweetrapsmaking met ontbindende voorwaarde van faillissement. Verkrijging als bedoeld in art. 4:71 BW.

Volledige uitspraak


PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/00771

Zitting 30 januari 2026

CONCLUSIE

S.E. Bartels

In de zaak

1. [eiser 1] , in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [de minderjarige] als erfgenaam in de nalatenschap van haar grootvader [erflater] ,

2. [eiseres 2] , in haar hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van haar grootvader [erflater] ,

tegen

1. [de bewindvoerder] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in de wettelijke schuldsanering van [eiser 1] ,

2. [verweerster 2] , in haar hoedanigheid van executeur en erfgenaam in de nalatenschap van haar vader [erflater] .

Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eisers] in meervoud (eisers tot cassatie), de bewindvoerder (verweerder in cassatie onder 1) en [verweerster 2] (verweerster in cassatie onder 2).

1Inleiding

In deze erfrechtzaak staat art. 4:71 BW centraal: “De waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt, komt in mindering van zijn legitieme portie.” De casus is de volgende. Een erflater heeft bij uiterste wilsbeschikking zijn zoon en dochter tot zijn enige erfgenamen benoemd. Daarbij is voorzien in een zogenoemde ‘tweetrapsmaking’: een ‘bezwaarde’ verkrijgt dan onder één of meer ontbindende voorwaarden, een ‘verwachter’ onder corresponderende opschortende voorwaarden. Hier zijn beide kinderen bezwaarden en hun kinderen verwachters. Het gaat in deze zaak om de aan de making aan de zoon verbonden ontbindende voorwaarde dat deze failliet is/gaat. Op het moment dat de erflater overlijdt, verkeert zijn zoon in staat van faillissement. De vraag is nu of en hoe dit gegeven de aanspraak van de zoon op zijn legitieme portie beïnvloedt. Rechtbank en hof hebben – bij wijze van voorlopige voorziening – beslist dat de zus en de dochters van de zoon bij elkaar € 150.000,- aan de bewindvoerder moeten betalen in verband met de legitieme vordering van de zoon.

Het principaal cassatieberoep wordt ingesteld door de kleinkinderen van de erflater (de dochters van de zoon). Er wordt één rechtsklacht aangevoerd die zich richt op de waardering van hetgeen de zoon heeft verkregen, op de toepassing van art. 4:71 BW dus. De kleinkinderen menen dat het hof heeft miskend dat bij de beantwoording van de vraag hoe in het kader van art. 4:71 BW een voorwaardelijke erfrechtelijke making moet worden gewaardeerd, geen rekening moet worden gehouden met het waardedrukkende effect van de ontbindende dan wel opschortende voorwaarde die aan het erfdeel is verbonden.

Er wordt door de bewindvoerder voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Daarin staat de uitleg van de uiterste wilsbeschikking centraal. In het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep betoogt de bewindvoerder, kort gezegd, dat niet is in te zien dat de zoon niet is onterfd of erfgenaam is geweest of als erfgenaam wél rechten zou hebben verkregen. Indien de zoon geen erfgenaam is geweest, komt men aan waardering van het verkregene niet toe.

2Feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, die zijn ontleend aan r.o. 7 tot en met 16 van het bestreden arrest van het hof Den Haag van 3 december 2024. 1

2.1

Op 17 januari 2018 is [erflater] (hierna: erflater) overleden. Erflater heeft uit zijn door echtscheiding ontbonden huwelijk met [betrokkene 1] twee kinderen: [verweerster 2] en [eiser 1] (hierna: [eiser 1]).

2.2

[eiser 1] heeft uit zijn inmiddels beëindigde relatie met [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) twee dochters: de meerderjarige [eiseres 2] (hierna: [eiseres 2]) en [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]).

2.3

Erflater heeft bij testament van 19 april 2016 (hierna: het testament) over zijn nalatenschap beschikt. Daarin heeft hij [verweerster 2] en [eiser 1] tot zijn enige erfgenamen benoemd, onder opneming van een tweetrapsmaking. Het testament houdt onder meer in:

“III ERFSTELLING

Onder de verplichting van de (...) vermelde legaten, benoem ik tot mijn enige erfgenamen, gezamenlijk en voor gelijke delen:

1. mijn dochter [ [verweerster 2] ]; en

2. mijn zoon [ [eiser 1] ]

(...)

IV TWEETRAPSMAKING

1. Benoeming bezwaarde en verwachters

Eerste trap: bezwaarde.

Mijn zoon en mijn dochter – ieder van hen hierna ook te noemen “de bezwaarde” – is benoemd onder de hierna te vermelden ontbindende voorwaarde.

Tweede trap: verwachters.

Ik benoem de hierna te noemen verwachters tot erfgenamen onder de bij de ontbindende voorwaarde aansluitende opschortende voorwaarde.

Verwachters zijn de kinderen van de desbetreffende bezwaarde, gezamenlijk en voor gelijke delen.

(...)

2. Strekking van de tweetrapsmaking

Al wat de bezwaarde bij het einde van zijn recht van zijn verkrijging nalaat, zal, binnen het kader van het hierna bepaalde, toekomen aan de verwachters.

3. Overgang van de eerste naar de tweede trap

Het recht van de bezwaarde op de verkrijging eindigt door:

- (...)

- faillissement van de bezwaarde; of

- (...)

- bij het op de bezwaarde van toepassing worden van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

(...)

V EXECUTEUR

1. Ik benoem tot executeur: mijn dochter.”

2.4

Bij vonnis van 17 september 2013 heeft de rechtbank Den Haag het faillissement uitgesproken van [eiser 1] . Daarna heeft de rechtbank Den Haag bij vonnis van 15 maart 2018 het faillissement opgeheven en gelijktijdig de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van verweerder in cassatie onder 1 tot bewindvoerder.

2.5

In de verklaring van erfrecht en executele, opgemaakt op 15 maart 2018, is het volgende opgenomen:

“In gemeld testament heeft erflater tot zijn enige erfgenamen benoemd: zijn genoemde kinderen en wel voor ieder voor de helft van zijn nalatenschap. Aan dit erfgenaamschap is een zogenaamde “tweetrapsmaking” verbonden. Dat betekent dat de erfgenamen zijn benoemd onder een ontbindende voorwaarde. Deze ontbindende voorwaarde treedt in na het overlijden van de bezwaarde, bij faillissement van de bezwaarde, indien aan de bezwaarde surseance van betaling is verleend of op de bezwaarde de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard. Indien één van de voormelde ontbindende voorwaarden intreedt komt hetgeen de desbetreffende erfgenaam van erflater heeft geërfd toe aan de kinderen van de desbetreffende erfgenaam. (...)

Tengevolge van hetgeen is bepaald in het testament van erflater, (...) vindt ten aanzien van [ [eiser 1] ] voornoemd de overgang van de eerste naar de tweede trap plaats. Op grond van het vorenstaande laat erflater als zijn enige erfgenamen achter:

1. zijn dochter [verweerster 2] (…) voornoemd, voor de helft van de nalatenschap,

2. zijn kleindochter [eiseres 2] (...) voor één/vierde (1/4e) gedeelte van zijn nalatenschap; en

3. zijn kleindochter [de minderjarige] (...) voor één/vierde (1/4e) gedeelte van zijn nalatenschap.”

2.6

In de verklaring van erfrecht is verder nog het volgende opgenomen: [eiser 1] en [betrokkene 2] hebben als wettelijk vertegenwoordigers van hun toen nog twee minderjarige dochters de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard. [verweerster 2] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard en heeft ook haar benoeming tot executeur aanvaard. De nalatenschap behoeft niet wettelijk te worden vereffend omdat [verweerster 2] als executeur heeft verklaard dat de nalatenschap ruimschoots toereikend is om de schulden van de nalatenschap te voldoen.

2.7

De bewindvoerder heeft bij brief van 17 april 2018 aan [verweerster 2] gemeld dat hij de nalatenschap namens [eiser 1] beneficiair aanvaardt en hij heeft verzocht om een boedelbeschrijving en om de baten uit de nalatenschap aan hem, de bewindvoerder, over te maken.

2.8

[verweerster 2] heeft hierop in augustus 2018 aan de bewindvoerder meegedeeld dat [eiser 1] geen erfgenaam is door de tweetrapsmaking in het testament. Bij e-mail van 14 augustus 2018 heeft de bewindvoerder aanspraak gemaakt op de legitieme portie van [eiser 1] .

2.9

[verweerster 2] heeft de nalatenschap afgewikkeld door verdeling tussen haarzelf en [eiseres 2] en [de minderjarige] . Zij heeft geen enkele betaling aan de bewindvoerder gedaan.

2.10

De bewindvoerder heeft bij brief van 21 augustus 2021 de drie erfgenamen, [verweerster 2] , [eiseres 2] en [de minderjarige] , gesommeerd tot betaling van een voorschot op de legitieme portie van [eiser 1] van € 159.760,40.

3Procesverloop

In eerste aanleg
3.1

Bij inleidende dagvaarding van 24 maart 2022 heeft de bewindvoerder [verweerster 2] , [eiseres 2] , [eiser 1] (in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [de minderjarige] ) en [betrokkene 2] (in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [de minderjarige] ) gedagvaard voor de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank). Hij heeft, samengevat, gevorderd dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [verweerster 2] veroordeelt tot het verstrekken van inzage in en afgifte van afschriften van nader in de dagvaarding genoemde stukken en bescheiden, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

II. [verweerster 2] en [eiseres 2] , en [eiser 1] en [betrokkene 2] gezamenlijk (als wettelijk vertegenwoordigers van [de minderjarige] ), naar evenredigheid van hun erfdeel, veroordeelt tot betaling aan de bewindvoerder van een bedrag ter hoogte van de legitieme portie waarop de schuldsaneringsboedel van [eiser 1] aanspraak kan maken, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.

III. [verweerster 2] en [eiseres 2] , en [eiser 1] en [betrokkene 2] gezamenlijk (als wettelijk vertegenwoordigers van [de minderjarige] ), naar evenredigheid van hun erfdeel, veroordeelt tot betaling aan de bewindvoerder van een voorschot op het bedrag ter hoogte van de legitieme portie waarop de schuldsaneringsboedel van [eiser 1] aanspraak kan maken van € 159.760,40, althans een zodanig bedrag dat de rechtbank juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente.

IV. [verweerster 2] veroordeelt in de daadwerkelijke kosten van het geding, of subsidiair in de geliquideerde kosten van het geding, alsmede in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de volledige proceskosten.

V. [eiseres 2] , en [eiser 1] en [betrokkene 2] gezamenlijk (als wettelijk vertegenwoordigers van [de minderjarige] ), hoofdelijk veroordeelt in de geliquideerde kosten van het geding, alsmede in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de volledige proceskosten.

3.2

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 30 november 2022 een mondelinge behandeling gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 18 januari 2023.

3.3

Bij vonnis van 1 november 2023 heeft de rechtbank, samengevat, het door de bewindvoerder gevorderde voorschot op de betaling van de legitieme portie van [eiser 1] tot een bedrag van € 150.000,- toegewezen. De veroordeling, die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, houdt in dat [verweerster 2] € 75.000,- moet betalen aan de bewindvoerder en [eiseres 2] en (de wettelijk vertegenwoordigers van) [de minderjarige] ieder € 37.500,-. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden en instructies gegeven voor de verdere voortgang van de procedure.

3.4

De rechtbank heeft in r.o. 4.1 overwogen dat zij eerst de meest verstrekkende kernvraag zal beoordelen of – gelet op de tweetrapsmaking – een faillissementscurator en/of een bewindvoerder van een bezwaarde (in dit geval [eiser 1] ) wel of niet recht heeft op betaling van de legitieme portie ten koste van de erfdelen van de andere erfgenamen (in dit geval [verweerster 2] en de dochters/voorwaardelijk verwachters [eiseres 2] en [de minderjarige] ). De rechtbank heeft deze kernvraag bevestigend beantwoord. Daartoe is het volgende overwogen:

“4.2. Volgens tekst en strekking van wetsartikel 4:92 lid 2 BW kan in geval van faillissement of wettelijke schuldsanering van een legitimaris de curator in dat faillissement of de bewindvoerder in die schuldsanering de bevoegdheden van die legitimaris uitoefenen. De financieel-juridisch belangrijkste bevoegdheid van een legitimaris is in dit geval het desgewenst en zo nodig opeisen van de legitieme portie van een legitimaris als schuldeiser in een nalatenschap. [ [eiser 1] ] is ingevolge tekst en strekking van wetsartikel 4:63 lid 2 BW legitimaris in de nalatenschap van zijn vader […]. Volgens tekst en strekking van wetsartikel 4:63 lid 1 BW is de legitieme portie een dwingendrechtelijk wilsrecht en vorderingsrecht, waarop een legitimaris in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen van een erflater desgewenst aanspraak kan maken.

4.3.

Door de onderhavige voorwaardelijke tweetrapsmaking in dit testament van de erflater […] in geval van onder meer faillissement van een voorwaardelijk bezwaard erfgenaam in combinatie met het op de sterfdatum 13 januari 2018 bestaan van het faillissement van [ [eiser 1] ] werden zijn dochters [eiseres 2] en [de minderjarige] […] in plaats van de toen failliete [ [eiser 1] ] op 13 januari 2018 de mede-erfgenamen van hun grootvader […], ieder voor 1/4de deel, zulks dus naast hun tante, executeur en mede-erfgenaam [ [verweerster 2] ] voor haar 2/4de deel. Door die rechtens geldige tweetrapsmaking in combinatie met zijn faillissement werd de zoon en voorwaardelijk bezwaard erfgenaam [ [eiser 1] ] op de sterfdatum 13 januari 2018 van zijn vader feitelijk alsnog onterfd ten gunste van zijn twee dochters als voorwaardelijk verwachters van dat deel van de nalatenschap van hun grootvader.

4.4.

Zonder nadere relevante toelichting, die ontbreekt, valt civielrechtelijk niet in te zien dat en waarom ondanks de andersluidende tekst en strekking van de bovenstaande drie wettelijke bepalingen en ondanks de bovenstaande rechtsfeiten vanaf 13 januari 2018 eerst de curator […] in het toenmalige faillissement van de aldus feitelijk onterfde [ [eiser 1] ] en daarna vanaf 15 maart 2018 de bewindvoerder […] in zijn daarna gevolgde wettelijke schuldsanering desgewenst geen aanspraak zouden kunnen maken op de naar de bedoeling van de wetgever dwingendrechtelijke legitieme portie van de aldus feitelijk onterfde zoon [ [eiser 1] ], zulks ten behoeve van de schuldeisers in eerst het faillissement en daarna in de wettelijke schuldsanering van [ [eiser 1] ].

4.5.

De door mr. Frederiks […] daartoe aangevoerde argumenten […] vinden geen steun in het recht en/of in de feiten en omstandigheden van dit geval en brengen de rechtbank ook anderszins niet tot een ander oordeel. Het enkele feit dat de curator […] in de periode van 13 januari 2018 tot 15 maart 2018 blijkbaar (nog) geen aanspraak heeft gemaakt op de legitieme portie, betekent zonder bijkomende omstandigheden en nadere toelichting, die ontbreken, ook niet dat de hem vanaf 15 maart 2018 opvolgende bewindvoerder […] voor het eerst per email van 14 augustus 2018 geen aanspraak meer kon maken op de legitieme portie van de per 13 januari 2018 in dit geval feitelijk onterfde [ [eiser 1] ] ten behoeve van diens schuldeisers. Dit temeer omdat de vordering tot opeising van de legitieme portie ingevolge tekst en strekking van wetsartikel 4:81 BW pas opeisbaar is zes maanden na het overlijden van de erflater en in dit geval dus pas vanaf 13 juli 2018. Ook de door de executeur [ [verweerster 2] ] ter zitting nog genoemde andersluidende mening en de eventuele andersluidende adviezen van een notaris en de door de vader [ [eiser 1] ] ter zitting nog genoemde menselijke maat veranderen civielrechtelijk niets aan het bovenstaande oordeel van de rechtbank, hoe zuur dat in dit geval feitelijk wellicht ook uitpakt voor de erfgenamen en voor de executeur, die de erfenis feitelijk al geheel heeft verdeeld en afgewikkeld zonder daarbij echter rekening te houden met de schuld van de nalatenschap aan de bewindvoerder […] ter hoogte van de legitieme portie van haar feitelijke onterfde broer [ [eiser 1] ].

4.6.

De executeur [ [verweerster 2] ] is aldus naar het oordeel van de rechtbank ook toerekenbaar tekortgeschoten in haar specifieke taak als executeur om ook deze schuld van de nalatenschap ter hoogte van de legitieme portie aan de bewindvoerder van haar broer [ [eiser 1] ] te voldoen, voordat zij in 2019 na verdere afwikkeling […] de erfenis verdeelde door aan haarzelf en aan haar twee nichtjes [eiseres 2] en [de minderjarige] de per saldo nog resterende erfdelen uit te keren. De executeur had echter in 2019 civielrechtelijk beter moeten weten, in het bijzonder al na de email van de bewindvoerder van 14 augustus 2018. Zij had er zoals ter zitting is besproken achteraf bezien als executeur inderdaad ook veel verstandiger aan gedaan om de afwikkeling van deze nalatenschap tegen betaling zoveel mogelijk uit te besteden aan een ervaren en gespecialiseerd boedelnotaris.

4.7.

Gelet op al het bovenstaande beantwoordt de rechtbank de bovenstaande kernvraag dus bevestigend ten gunste van de bewindvoerder […] als eiser en ten nadele van de vier gedaagden in hun desbetreffende hoedanigheden. […]”

3.5

Op 22 december 2023 heeft mr. Frederiks, de advocaat van [verweerster 2] , [eiseres 2] en [eiser 1] (in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [de minderjarige] ), de rechtbank een e-mail gestuurd. De e-mail houdt de volgende drie verzoeken in: (i) een verzoek om toestemming te geven voor het instellen van tussentijds hoger beroep van het tussenvonnis van 1 november 2023, (ii) een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van dat tussenvonnis, en (iii) een verzoek om uitstel voor het nemen van een conclusie na tussenvonnis. Als bijlage bij de e-mail is een advies gevoegd van mr. De Bakker (de huidige cassatieadvocaat van [eisers] ).

3.6

Bij rolbeslissing van 14 februari 2024 heeft de rechtbank op het verzoek onder (i) onder meer geoordeeld:

“2.1.2. Zowel mr. Frederiks in haar verzoek als mr. De Bakker in zijn bijbehorend advies zien naar het oordeel van de rechtbank […] over het hoofd dat de veroordelingen van gedaagden in het tussenvonnis tot het betalen van een evenredig voorschot op de legitieme portie moeten worden gekwalificeerd als voorlopige voorzieningen op grond van wetsartikel 223 Rv. Dat heeft de rechtbank duidelijkheidshalve met zoveel woorden ook overwogen in de alinea’s 4.10 en 4.21 van haar tussenvonnis van 1 november 2023. Wetsartikel 337 lid 1 Rv bepaalt dat van (tussen)vonnissen waarbij een voorlopige voorziening is getroffen of geweigerd, hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen.

2.1.3.

Met andere woorden: mr. Frederiks heeft de toestemming van de rechtbank in het geheel niet nodig om (tijdig) hoger beroep in te stellen tegen de beslissingen in het tussenvonnis, waarin om de daarin vermelde redenen bij wijze van provisionele voorlopige voorzieningen voorschotten op de legitieme porties zijn toegewezen. Naar het primaire oordeel van de rechtbank is het naar de bedoeling van de wetgever in wetsartikel 337 Rv aldus ook niet aan de rechtbank om wel of geen toestemming te verlenen voor tussentijds hoger beroep van die toegewezen voorlopige voorzieningen. Daarom moet het eerste verzoek naar het primaire oordeel van de rechtbank op formele gronden worden afgewezen.

2.1.4.

Indien en voor zover het gerechtshof het bovenstaande echter anders beoordeelt, zal de rechtbank - alles afwegende en meer inhoudelijk - aan mr. Frederiks en haar cliënten subsidiair en zo nodig tussentijds hoger beroep toestaan op de voet van wetsartikel 337 lid 2 Rv. […]”

3.7

De rechtbank heeft mr. Frederiks – subsidiair en zo nodig – toestemming verleend om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen de beslissingen in het tussenvonnis van 1 november 2023, alles met verwijzing naar de inhoud van de alinea’s 2.1.1 t/m 2.1.6 van de rolbeslissing. De rechtbank heeft verder beslissingen gegeven op de verzoeken onder (ii) en (iii).

In hoger beroep

3.8

Eerder, op 4 januari 2024, waren [verweerster 2] , [eiseres 2] en [eiser 1] (in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [de minderjarige] ) onder aanvoering van twee grieven van het vonnis van 1 november 2023 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof). 2 Zij hebben geconcludeerd dat het hof het vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de bewindvoerder afwijst, met veroordeling van hem in de kosten van de procedures in beide instanties.

3.9

De bewindvoerder heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van 1 november 2023, met veroordeling van [verweerster 2] , [eiseres 2] en [eiser 1] (in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [de minderjarige] ) in de kosten van het hoger beroep.

3.10

Bij arrest van 3 december 2024 (hierna: het arrest) heeft het hof het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd. Het hof heeft bepaald dat elke partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt en heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.11

Het hof heeft eerst de stellingen van partijen weergegeven:

“21. […] Appellanten betogen dat [eiser 1] geen beroep op de legitieme in de nalatenschap van erflater toekomt, omdat als gevolg van de tweetrapsmaking in het testament het aan de bezwaarde [eiser 1] toekomende erfdeel volledig naar hem is overgegaan op het moment van overlijden van erflater. Dit erfdeel is op grond van het feit dat de in de tweetrapsmaking opgenomen voorwaarde meteen daarna is ingegaan, op hetzelfde moment overgegaan naar de verwachters, de beide kinderen van [eiser 1] .

Met de verkrijging door de bezwaarde van zijn volledig erfdeel, de eerste trap in de tweetrapsmaking, komt aan hem geen aanspraak op de legitieme meer toe, althans wordt zijn verkregen erfdeel in mindering gebracht op zijn legitieme aanspraak. Zijn legitieme aanspraak wordt dan op grond van art. 4:71 BW nihil. Daarmee komt de rechtsgrond onder de vorderingen van de bewindvoerder te vervallen en moeten deze worden afgewezen.

De lezing van de rechtbank dat [eiser 1] feitelijk alsnog onterfd zou zijn is onjuist. De rechtbank gaat ervan uit dat de beide afstammelingen van bezwaarde rechtstreeks van erflater - hun grootvader - hebben verkregen. Dit is in strijd met de wil van de erflater, die zijn beide kinderen voor gelijke delen tot erfgenaam heeft benoemd, en de juridische betekenis van de tweetrapsmaking in het testament van erflater, aldus nog steeds appellanten.

22. De bewindvoerder stelt hier tegenover dat de constructie die met de tweetrapsmaking getracht is op te zetten niet deugt. Het is een feitelijke onterving, immers de bedoeling van de tweetrapsmaking is dat de boedel niets zal ontvangen. Met de tweetrapsmaking wordt gepoogd dwingend recht ten aanzien van de legitieme portie terzijde te schuiven, en dat kan niet slagen. In de eerste trap van de tweetrapsmaking is immers niets verkregen, zodat nog steeds aanspraak op de legitieme portie kan worden gemaakt. De bewindvoerder betoogt verder […] dat ook als er vanuit wordt gegaan dat [eiser 1] in de eerste trap zijn erfdeel heeft verkregen, aan hem nog steeds een beroep op zijn legitieme toekomt. In de tweede trap van de tweetrapsmaking wordt alles wat door [eiser 1] is verkregen hem immers weer afgenomen en aan zijn kinderen gegeven. Als artikel 4:71 BW al van toepassing zou zijn, zal de imputatie dus moeten worden gewaardeerd op nihil.”

3.12

Het hof heeft als volgt geoordeeld:

“24. […] Aan de bewindvoerder komt […] nadat het faillissement was opgeheven en de schuldsaneringsregeling van toepassing was verklaard de bevoegdheid toe om aanspraak te maken op de legitieme portie.

25. Op grond van art. 4:71 BW komt de waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt in mindering van zijn legitieme portie.

26. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat [eiser 1] door de tweetrapsmaking feitelijk alsnog onterfd is ten gunste van zijn twee dochters. Het hof begrijpt deze overweging zo, dat [eiser 1] niets heeft verkregen uit de nalatenschap als gevolg van deze feitelijke onterving. De conclusie van de rechtbank is dat de bewindvoerder aanspraak kan maken op de (volledige) legitieme portie.

27. Het hof volgt de rechtbank niet in het oordeel met betrekking tot de onterving. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de tweetrapsmaking niet tot gevolg heeft dat [eiser 1] in het geheel geen erfgenaam is. Dit blijkt niet uit de bewoordingen van het testament, waarin [eiser 1] tot erfgenaam, samen met zijn zuster, is benoemd. Ook in de verklaring van erfrecht wordt [eiser 1] als erfgenaam vermeld. Het gebruik van de term onterving veronderstelt dat [eiser 1] nooit erfgenaam is geweest. [eiser 1] heeft echter als erfgenaam rechten verkregen, zij het onder ontbindende voorwaarde. Er is sprake van een zogenaamde inferieure making en van opvolgend erfgenaamschap. Nu [eiser 1] de nalatenschap niet heeft verworpen, komt zijn erfrechtelijke verkrijging in mindering van zijn legitieme portie in de zin van artikel 4:71 BW en ligt de vraag voor hoe de waarde van hetgeen [eiser 1] als erfgenaam uit de nalatenschap heeft verkregen moet worden gewaardeerd.

28. Vast staat dat de ontbindende voorwaarde direct na het overlijden in werking is getreden en dat de kinderen van [eiser 1] toen het volledige erfdeel van hem hebben ontvangen. Het peilmoment voor de waardering is het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflater. De heersende opvatting in de literatuur is dat de voorwaardelijkheid van een erfrechtelijke verkrijging een drukkend effect heeft op ‘de waarde van al hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt’ in de zin van artikel 4:71 BW. Het hof neemt hierbij als uitgangspunt dat de waarde van hetgeen de bezwaarde verkrijgt en de waarde van hetgeen de verwachters verkrijgen samen niet meer of minder dan 100% kunnen bedragen van de waarde van het deel van de nalatenschap dat onderwerp is van de tweetrapsmaking. Vast staat dat op grond van de tweetrapsmaking de kinderen van [eiser 1] het gehele erfdeel van [eiser 1] hebben verkregen. De waarde van de verkrijging van [eiser 1] kan in dat licht niet anders dan op nihil worden gewaardeerd: de waarde van de rechten van de bezwaarde en de verwachters kunnen immers niet meer dan 100% bedragen. Hieruit volgt dat de waarde van hetgeen op grond van art. 4:71 BW in mindering moet worden gebracht bij de vaststelling van de omvang van de legitieme ook nihil is. Dit betekent dat de bewindvoerder aanspraak kan maken op de volledige legitieme portie van [eiser 1] . Het hof komt dus tot dezelfde slotsom als de rechtbank in het bestreden vonnis, zij het op andere gronden. […]”

In cassatie

3.13

Bij procesinleiding van 28 februari 2025 hebben [eisers] ( [eiser 1] , in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [de minderjarige] , en [eiseres 2] ) – tijdig – bij de Hoge Raad cassatieberoep ingesteld van het arrest. De bewindvoerder heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principaal cassatieberoep (deels) gegrond wordt bevonden. Tegen [verweerster 2] is verstek verleend. [eisers] hebben in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep geconcludeerd tot verwerping. Partijen hebben hun standpunten vervolgens schriftelijk doen toelichten. [eisers] hebben gerepliceerd en de bewindvoerder heeft gedupliceerd.

3.14

Aandacht verdient nog het volgende. In de procesinleiding stellen [eisers] onder het kopje ‘Verlof voor instellen van tussentijds cassatieberoep’ dat het in de onderhavige zaak gaat om een uitspraak in hoger beroep van een tussenvonnis (voor welk hoger beroep door de rechtbank (voor zover nodig) verlof was verleend), en dat in dat geval geldt dat de uitspraak van het hof kwalificeert als een tussenuitspraak. [eisers] stellen verder dat zij binnen de cassatietermijn het hof hebben verzocht om verlof voor het instellen van tussentijds cassatieberoep. Als bijlage bij hun schriftelijke toelichting hebben zij een e-mail van het hof van 8 mei 2025 overgelegd. Daarin staat onder meer:

“U bent in hoger beroep gekomen van een vonnis waarin door de rechtbank een voorlopige voorziening is getroffen.

Op grond van artikel 401a Rv. kan tegen een dergelijke uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld voordat de einduitspraak is gewezen.

Verlof voor het instellen van cassatie is dan ook niet nodig.”

3.15

Het bericht van het hof is juist. Tegen een uitspraak waarbij een voorlopige voorziening als bedoeld in art. 223 Rv wordt getroffen of geweigerd (of een zodanige uitspraak wordt bekrachtigd), zoals een veroordeling tot betaling van een voorschot op de hoofdvordering, kan op grond van art. 401a lid 1 Rv cassatieberoep worden ingesteld voordat de einduitspraak is gewezen. In het vonnis van 1 november 2023 heeft de rechtbank [verweerster 2] en [eiseres 2] , en [eiser 1] en [betrokkene 2] gezamenlijk (als wettelijk vertegenwoordigers van [de minderjarige] ), veroordeeld tot betaling aan de bewindvoerder van een voorschot op de legitieme portie van [eiser 1] . Het hof heeft het vonnis van de rechtbank, voor zover aan diens oordeel onderworpen, bekrachtigd, zodat tegen het arrest tussentijds cassatieberoep kon worden ingesteld. [eisers] zijn dus ook zonder verlof ontvankelijk in hun cassatieberoep.

3.16

Ik zie aanleiding om nu eerst in te gaan op het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep, omdat uit de behandeling daarvan mijns inziens volgt dat er geen belang is bij het principale cassatieberoep.

4Het middel in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep

4.1

Het middel bevat een rechtsklacht tegen r.o. 27 en de eerste zin van r.o. 28. Ik herhaal dat het hof daar het volgende heeft overwogen:

“27. Het hof volgt de rechtbank niet in het oordeel met betrekking tot de onterving. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de tweetrapsmaking niet tot gevolg heeft dat [eiser 1] in het geheel geen erfgenaam is. Dit blijkt niet uit de bewoordingen van het testament, waarin [eiser 1] tot erfgenaam, samen met zijn zuster, is benoemd. Ook in de verklaring van erfrecht wordt [eiser 1] als erfgenaam vermeld. Het gebruik van de term onterving veronderstelt dat [eiser 1] nooit erfgenaam is geweest. [eiser 1] heeft echter als erfgenaam rechten verkregen, zij het onder ontbindende voorwaarde. Er is sprake van een zogenaamde inferieure making en van opvolgend erfgenaamschap. Nu [eiser 1] de nalatenschap niet heeft verworpen, komt zijn erfrechtelijke verkrijging in mindering van zijn legitieme portie in de zin van artikel 4:71 BW en ligt de vraag voor hoe de waarde van hetgeen [eiser 1] als erfgenaam uit de nalatenschap heeft verkregen moet worden gewaardeerd.

28. Vast staat dat de ontbindende voorwaarde direct na het overlijden in werking is getreden en dat de kinderen van [eiser 1] toen het volledige erfdeel van hem hebben ontvangen. […]”

4.2

Het middel bevat de klacht dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de wijze waarop het testament van erflater moet worden uitgelegd en/of omtrent het zijn van erfgenaam en/of erfrechtelijke verkrijging, althans dat het oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Dat wordt als volgt uitgewerkt:

- Het middel neemt tot uitgangspunt dat [eiser 1] al failliet was toen erflater op 19 april 2016 zijn testament opstelde en dat hij dit ook was op het moment dat erflater op 17 januari 2018 overleed.

- Volgens het middel is gelet op deze omstandigheden en “in aanmerking genomen dat erflater onmiskenbaar de erfrechtelijke verhouding wenste te regelen tussen hemzelf, zijn (gefailleerde) zoon [eiser 1] en diens kinderen [eiseres 2] en [de minderjarige] (ook) voor het (zich voordoende) geval van [eiser 1] (bij het openvallen van de nalatenschap nog voortdurende) faillissement, in welk geval [eiser 1] recht op de verkrijging op dat moment (reeds) zou zijn geëindigd dan wel zelfs nooit was aangevangen,” niet (zonder meer) in te zien dat [eiser 1] niet is onterfd, (daadwerkelijk) erfgenaam is (geweest) en/of als erfgenaam wél (daadwerkelijk) rechten zou hebben verkregen, zij het onder ontbindende voorwaarde, en/of dat de ontbindende voorwaarde (pas) direct na het overlijden van erflater in werking is getreden.

- Dit wordt, zo vervolgt het middel, niet (begrijpelijk) anders doordat erflater in zijn testament [eiser 1] (enkel) als erfgenaam heeft benoemd en evenmin door [eiser 1] vermelding als zodanig in de verklaring van erfrecht. Een en ander neemt volgens het middel niet weg dat de ontbindende voorwaarde waaronder [eiser 1] als erfgenaam was benoemd al in werking was getreden op het moment van opstellen van het testament en nog steeds was vervuld toen de nalatenschap openviel, zodat [eiser 1] vanwege zijn faillissement niet (daadwerkelijk) zou erven en ook niet (daadwerkelijk) erfde.

4.3

Voordat ik toekom aan een bespreking van het middel, merk ik eerst, inleidend, het volgende op.

Inleidende opmerkingen

4.4

Art. 4:1 lid 2 BW bepaalt dat van de erfopvolging bij versterf kan worden afgeweken bij een uiterste wilsbeschikking die een erfstelling of een onterving inhoudt. Als erfstelling wordt in art. 4:115 BW aangemerkt een uiterste wilsbeschikking krachtens welke de erflater aan één of meer daarbij aangewezen personen zijn gehele nalatenschap of een aandeel daarin nalaat. Een onterving kan niet alleen bestaan in een erfstelling (indirecte onterving) 3 maar kan ook voortvloeien uit een making die uitsluitend een onterving inhoudt van een persoon die anders op grond van het erfrecht bij versterf erfgenaam geweest zou zijn (directe onterving). In dat geval komt het erfdeel van de onterfde persoon toe aan de andere erfgenamen bij versterf. 4

4.5

Hoe de uiterste wilsbeschikking zoals neergelegd in het testament (wettelijke term: ‘uiterste wil’) moet worden begrepen, is een vraag van uitleg. Bij die uitleg dient gelet te worden op de verhoudingen die het testament kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt, terwijl daden of verklaringen van de erflater buiten het testament slechts dan voor uitlegging van een beschikking mogen worden gebruikt indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft (art. 4:46 leden 1 en 2 BW) . 5 Voor de uitleg is mijns inziens als gezichtspunt van belang dat het in het algemeen minder voor de hand ligt dat de erflater heeft willen beschikken op een wijze die in strijd is met het erfrecht; het heeft althans doorgaans weinig zin om tot een uitleg te komen die meebrengt dat de uiterste wilsbeschikking (ten dele) rechtens niet kan worden geëffectueerd.

4.6

Hier draait het om de uitleg en de rechtsgevolgen van een tweetrapsmaking. Ik zet daarover een en ander uiteen. Makingen kunnen met voorwaarden gepaard gaan, zo is geregeld in art. 4:137 t/m 4:141 BW. 6 Een uiterste wilsbeschikking wordt voorwaardelijk genoemd wanneer haar werking afhangt van een toekomstige en onzekere gebeurtenis; de werking van de voorwaarde kan een opschortende of een ontbindende zijn. 7 In zijn proefschrift over de voorwaarde in het vermogensrecht beklemtoont Stolz “dat voor het geldend recht onzekerheid essentieel is om van een voorwaarde te kunnen spreken. Of iets nauwkeuriger: ‘onzekerheid’ ten aanzien van de vraag of de gebeurtenis die de inhoud van de voorwaarde vormt al dan niet zal intreden.” Hij spreekt van het ‘dwingende vereiste van onzekerheid’. 8 Of de gebeurtenis die de voorwaarde vormt toekomstig of onzeker is, moet naar het ogenblik van het overlijden van de erflater beoordeeld worden. Een uiterste wilsbeschikking werkt immers eerst na het overlijden (lees: vanaf het tijdstip van overlijden) van een erflater (art. 4:42 lid 1 BW) . In het geval dat de gebeurtenis op het ogenblik van het maken van de uiterste wil nog een voor de erflater onzekere of nog een toekomstige was, maar dit niet meer is op het ogenblik van zijn overlijden, heeft men niet met een voorwaardelijke beschikking te doen, aldus Perrick. 9 In dezelfde zin lees ik Verstappen. 10

4.7

Bedacht zij dat het woord ‘voorwaarde’ in het vermogensrecht (en daarbuiten) meerzinnig wordt gebruikt. 11 Op deze plaats is met name van belang dat iets een voorwaarde kan zijn in de betekenis van een vereiste om ergens voor in aanmerking te komen of (min of meer hetzelfde) om een bepaald recht te hebben. Een evident voorbeeld hiervan uit het erfrecht is de bestaanseis van art. 4:56 lid 1 BW. 12 Een voorwaarde om te erven is dat je bestaat op het moment dat de erflater overlijdt. Besta je niet, dan ben je geen erfgenaam. In deze categorie van het begrip ‘voorwaarde’ valt ook de voorwaarde die in een uiterste wilsbeschikking wordt gesteld aan iemand om erfgenaam te (kunnen) zijn. Een aan de rechtspraak ontleend voorbeeld is het geval dat een erflater in zijn testament zijn toenmalige echtgenoot tot zijn enige erfgenaam benoemde onder de voorwaarde dat hun huwelijk nog bestaat op zijn sterfdag. 13 De erflater en zijn toenmalige echtgenoot zijn nadien gescheiden, zodat de ex-echtgenoot geen erfgenaam is. In beide gevallen is van een voorwaardelijk erfgenaamschap geen sprake en dus evenmin van een voorwaardelijke verkrijging als erfgenaam. Een ‘voorwaarde om erfgenaam te zijn’ is, kortom, iets anders dan ‘voorwaardelijk erfgenaam’ zijn. Beide betekenissen kunnen voorkomen in een uiterste wilsbeschikking.

4.8

Ik herneem de problematiek van de tweetrapsmaking die in het voorliggende geval aan de orde is. Bij de tweetrapsmaking benoemt de erflater iemand onder ontbindende voorwaarde tot erfgenaam. Deze erfgenaam wordt ‘bezwaarde’ genoemd. Daarbij aansluitend wijst de uiterste wilsbeschikking een erfgenaam onder opschortende voorwaarde aan. Deze erfgenaam wordt ‘verwachter’ genoemd. Een veel voorkomende tweetrapsvoorwaarde is het overlijden van de bezwaarde.

4.9

Mijns inziens geldt in deze context, mede gelet op het arrest Rabobank/[…], 14 het volgende. Stel erflater A heeft in zijn uiterste wilsbeschikking X benoemd tot erfgenaam onder ontbindende voorwaarde en Y tot erfgenaam onder (aansluitende) opschortende voorwaarde. X is dus de bezwaarde en Y de verwachter. De gestelde voorwaarde betreft op het moment van overlijden van de erflater een onzekere toekomstige gebeurtenis. Zowel X als Y zijn vanaf het moment van overlijden van A voorwaardelijke erfgenamen en uit dien hoofde voorwaardelijk gerechtigd tot (de goederen van) de nalatenschap. Ze erven gelijktijdig, zij het de één (X) onder ontbindende en de ander (Y) onder opschortende voorwaarde. 15

4.10

In de literatuur wordt niettemin op enkele plaatsen (met variaties op de woordkeuze) opgemerkt dat bij een tweetrapsmaking de bezwaarde en de verwachter ‘achtereenvolgens’ erven, dat de nalatenschap twee keer openvalt. 16 In vergelijkbare zin liet het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich uit in een zaak waarin de erflater zijn partner tot bezwaarde had benoemd en twee van zijn kinderen tot verwachters. Het hof drukte het zo uit dat de kinderen erfgenaam zijn geworden door het in vervulling gaan van de voorwaarde (r.o. 4.9). 17 Een en ander moet echter, zoals Subelack terecht opmerkt, vermogensrechtelijk niet te letterlijk worden opgevat. De nalatenschap valt maar één keer open en zowel de bezwaarde als de verwachter zijn direct erfgenaam en ook direct voorwaardelijk gerechtigd tot (de goederen van) de nalatenschap. 18 Ik haast me op te merken dat dit besef in de literatuur volop aanwezig is en dat de aanduidingen vaak meer een ‘als het ware’ zijn, doelend op de praktische effecten.

4.11

Uit het voorgaande volgt dat voor een effectieve tweetrapsmaking nodig is dat ‘de voorwaarde’ op het moment van overlijden toekomstig en onzeker is. Nodig is dat de bezwaarde wel erfgenaam wordt, wellicht maar voor heel even. Dat ‘heel even’ moet wel langer zijn dan ‘de juridische seconde van het ondeelbare tijdsmoment’, omdat anders rechtens op geen enkel moment toekomstig of onzeker is of de voorwaarde in vervulling gaat. Een ‘kans van 100%’ voldoet niet aan de voorwaarde om een onzekere voorwaarde te zijn. De vraag rijst natuurlijk wat de betekenis is van een in een uiterste wilsbeschikking gestelde ‘voorwaarde’ als deze ‘voorwaarde’ bij het overlijden van de erflater is ‘vervuld’. Perrick schrijft dat in die situatie sprake is van óf een onvoorwaardelijk geldige uiterste wilsbeschikking óf van een wilsbeschikking die geen effect heeft. 19 Onvoorwaardelijk geldig acht hij de wilsbeschikking indien op het ogenblik van overlijden de gestelde opschortende voorwaarde vervuld is. 20

Bespreking van de klachten

4.12

Terug naar de zaak, met inachtneming van het voorgaande. Vast staat dat [eiser 1] op het tijdstip van overlijden van erflater in staat van faillissement verkeerde (r.o. 24 van het arrest). De vraag die het hof – in het kader van de toepassing van art. 4:71 BW – diende te beantwoorden is waarin de uiterste wilsbeschikking voor dat geval voorziet: verkrijgt [eiser 1] dan toch als erfgenaam, of niet? Dit is een vraag van uitleg van de uiterste wilsbeschikking, die moet geschieden op basis van het in alinea 4.5 geschetste kader.

4.13

De uitleg die het hof blijkens r.o. 27 en 28 van het arrest kennelijk aan de tweetrapsmaking zoals blijkend uit artikel IV van het testament (zie alinea 2.3 hiervoor) heeft gegeven, is dat [eiser 1] ook indien hij in staat van faillissement verkeert op het moment van overlijden van erflater, toch als erfgenaam rechten verkrijgt, zij het onder ontbindende voorwaarde. De uitleg van het hof behelst dus – in mijn woorden - dat [eiser 1] een ‘ondeelbaar tijdsmoment’ voorwaardelijk erfgenaam is geweest. Een tijdsperiode die niet bestaat in het echt, maar wel voor het recht. Het wordt daarom ook wel een ‘juridische seconde’ genoemd.

4.14

Mijns inziens kon het hof niet begrijpelijkerwijs en niet zonder schending van het recht tot deze uitleg komen. Deze uitleg is namelijk niet te rijmen met het gegeven dat een making alleen als voorwaardelijk heeft te gelden indien er onzekerheid bestaat over de vervulling van die voorwaarde. Die onzekerheid ontbrak, nu [eiser 1] ten tijde van het overlijden van erflater in staat van faillissement verkeerde. De mijns inziens enige zinvolle duiding is dat er géén moment is geweest – ook geen ‘juridische seconde’ – waarop de ontbindende voorwaarde van faillissement nog niet werd vervuld, en bijgevolg heeft [eiser 1] dus ook niets verkregen als erfgenaam. De bewuste ‘voorwaarde’ in de tweetrapsmaking is eigenlijk alleen zinvol te begrijpen als ‘vereiste’ dat [eiser 1] op het moment van overlijden van erflater niet in staat van faillissement verkeert.

4.15

Het arrest is overigens ook met reserves ontvangen in de literatuur. Brinkman merkt op:

“De rechtbank oordeelt in het bestreden vonnis dat de zoon door de regeling in het testament feitelijk alsnog onterfd is. Het hof oordeelt echter dat de zoon wel erfgenaam is, maar dat het erfdeel onder ontbindende voorwaarde is verkregen. Blijkbaar is de zoon dan een onverdeeld moment erfgenaam geweest. Wie heeft gelijk? Mijns inziens de rechtbank.” 21

En vervolgens:

“Is in onze zaak nu sprake van een voorwaarde waaraan moet zijn voldaan om op het moment van overlijden van de erflater erfgenaam te zijn? Ja, mijns inziens wel. (…). In dit geval speelt geen vooroverlijden, maar wel iets anders waardoor de erfgenaam geen erfgenaam kon worden, namelijk het faillissement.” 22

4.16

F. Schols gelooft – volgens mij – ook niet dat zoon [eiser 1] erfgenaam is geweest. Hij schrijft:

“Belangrijk is dat de zoon op het tijdstip van overlijden van erflater al in staat van faillissement verkeerde. De voorwaarde was dus al op het moment van overlijden in werking getreden. De lezing van de rechtbank dat de zoon feitelijk alsnog is onterfd, lijkt mij niet gek. (…) Het hof maakt de zaak evenwel interessanter dan deze is en ziet wel een waarderingskwestie (…). Nu het hof een waarderingskwestie ontwaart, komt de vraag op hoe er dan gewaardeerd moet worden.” 23

4.17

Met het oog op de rechtspraktijk merk ik, na het voorgaande vermoedelijk ten overvloede, nog op dat als de erflater wil dat zijn nalatenschap zo min mogelijk valt in het faillissement van de beoogde erfgenaam, de tweetrapsmaking niet voor alle situaties een geschikt recept is. De ‘constructie’ past niet op de situatie dat het faillissement van de beoogde erfgenaam reeds aan de orde is op het moment van overlijden. 24 Daarbij past (slechts) een voorwaarde in de betekenis van een vereiste: ik benoem mijn zoon X tot erfgenaam, mits hij op het tijdstip van mijn overlijden niet failliet is. 25 Vergelijk de eerder genoemde casus waarin het nog bestaan van het huwelijk als voorwaarde werd gesteld. Uiteraard kan in de uiterste wilsbeschikking wel een tweetrap worden opgenomen voor het geval de beoogde erfgenaam op het moment van overlijden van de erflater nog niet failliet verklaard is.

4.18

Mijns inziens slaagt het middel dus.

4.19

Dan kom ik nu toe aan de bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep.

5Het middel in het principaal cassatieberoep

5.1

Het middel bevat één rechtsklacht. Die richt zich tegen de volgende overwegingen en oordelen in r.o. 28:

“28. […] De heersende opvatting in de literatuur is dat de voorwaardelijkheid van een erfrechtelijke verkrijging een drukkend effect heeft op ‘de waarde van al hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt’ in de zin van artikel 4:71 BW. […] Vast staat dat op grond van de tweetrapsmaking de kinderen van [eiser 1] het gehele erfdeel van [eiser 1] hebben verkregen. De waarde van de verkrijging van [eiser 1] kan in dat licht niet anders dan op nihil worden gewaardeerd […]”

5.2

Het middel bevat de klacht dat deze overwegingen en oordelen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het middel heeft het hof miskend dat bij de beantwoording van de vraag hoe in het kader van art. 4:71 BW een voorwaardelijke erfrechtelijke making (als in de onderhavige zaak) moet worden gewaardeerd:

- geen rekening dient te worden gehouden met het waardedrukkende effect van de ontbindende (dan wel opschortende) voorwaarde die aan het erfdeel is verbonden;

en/of

- niet van belang is hetgeen de verwachters daadwerkelijk hebben ontvangen (of zullen ontvangen).

5.3

Voordat ik overga tot een bespreking van het cassatiemiddel maak ik eerst enkele inleidende opmerkingen.

Inleidende opmerkingen

5.4

De legitieme portie geeft afstammelingen van de erflater (‘legitimarissen’) in beginsel een aanspraak op een minimumdeel van de waarde van de nalatenschap, óók de afstammelingen aan wie de erflater door middel van zijn uiterste wilsbeschikking minder (of niets) heeft willen toekennen (art. 4:63 leden 1 en 2 BW) . Omstreden is – ook in actuele discussies – of de legitieme portie wenselijk recht is. 26 Deze wenselijkheidsvraag is hier niet aan de orde; het gaat hier slechts erom hoe de regeling moet worden toegepast.

5.5

De achtergrond van de legitieme portie is in de huidige tijd, volgens de wetsgeschiedenis, te vinden in – wat ik noem – een redelijkheidsgedachte 27 en een verzorgingsgedachte. 28 In zoverre beperkt de legitieme portie dus de beschikkingsvrijheid van de erflater. 29 Gezegd kan worden dat de regeling resultaatgericht is: ontvangt de legitimaris niet wat hem of haar ten minste toekomt als legitieme portie, dan heeft hij of zij ter zake van het tekort een vorderingsrecht ten opzichte van – in beginsel – de gezamenlijke erfgenamen of de langstlevende echtgenoot (art. 4:79, aanhef en onder a, en art. 4:80 lid 1 BW) (de legitimaire vordering). De legitimaris komt uit hoofde van die regeling dus géén vermogensbestanddelen van de nalatenschap toe. 30 Men zou het ook zo kunnen zeggen dat de legitieme portie geen goederenrechtelijke maar alleen verbintenisrechtelijke rechtsgevolgen heeft, wat van invloed kan zijn op de wijze waarop de regeling moet worden geïnterpreteerd.

5.6

Vaststelling van het bedrag van de legitimaire vordering vergt een rekensom met plussen en minnen, die in bepaalde gevallen ingewikkeld kan uitpakken. 31 Ik beperk mij hier tot de hoofdlijnen die van belang (kunnen) zijn voor het voorliggende geval.

- De eerste stap is het vaststellen van het bedrag waarover de legitieme portie wordt berekend. Het gangbare begrip ‘legitimaire massa’ vertegenwoordigt de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met bepaalde schulden (art. 4:65, eerste volzin, BW) (zie nader hierna).

- De tweede stap is het vaststellen van het bedrag van de legitieme portie. De legitieme portie van een kind bedraagt de helft van de legitimaire massa, gedeeld door het aantal personen dat wordt gegeven door de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot samen met diens kinderen (art. 4:64 lid 1 i.v.m. art. 4:10 lid 1 onder a BW) . Dus indien de erflater een niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en twee kinderen had, dan is dat aantal drie en bedraagt de legitieme portie van een kind 1/6 van de legitimaire massa.

- De derde stap is het vaststellen van het bedrag van de legitimaire vordering. Daartoe wordt op de legitieme portie in mindering gebracht (ook wel: ‘geïmputeerd’ of ‘toegerekend’):

(a) de waarde van door de erflater aan een legitimaris gedane giften (art. 4:70 BW) ;

(b) de waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt (art. 4:71 BW) ;

(c) de waarde van hetgeen een legitimaris die verwerpt als erfgenaam had kunnen verkrijgen, tenzij het betreft een zogenoemde inferieure verkrijging 32 die binnen drie maanden door de legitimaris is verworpen (art. 4:72 BW) ; en

(d) de waarde van een verworpen legaat aan een legitimaris van een bepaalde geldsom of van niet in een vorderingsrecht bestaande goederen der nalatenschap, tenzij het betreft een zgn. inferieur’ legaat dat binnen drie maanden door de legitimaris is verworpen (art. 4:73 BW) . 33

5.7

In deze zaak draait het om art. 4:71 BW. In cassatie wordt ter discussie gesteld het oordeel dat de voorwaardelijkheid van een erfrechtelijke making een drukkend effect heeft op “de waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt” als bedoeld in art. 4:71 BW. Deze bepaling luidt:

“De waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt, komt in mindering van zijn legitieme portie.”

5.8

Een korte schets van de wetsgeschiedenis van deze bepaling is nuttig. Daaruit blijkt dat de regering oorspronkelijk voor ogen had dat alleen onvoorwaardelijke makingen in mindering zouden komen op de legitieme portie en dat pas later is voorzien in een ruimere regel die voorwaardelijke makingen omvat. Dat zit zo:

- In het Ontwerp Meijers stond in art. 4.3.3.8 lid 1:

“Voor inkorting vatbare giften die een legitimaris tijdens het leven van de erflater heeft ontvangen, alsmede de aan hem zuiver gemaakte erfstellingen en legaten komen in mindering van zijn wettelijk erfdeel.” 34

- De begeleidende toelichting luidde:

“Volgens het ontwerp zijn dit niet alleen de voor inkorting vatbare giften, die de legitimaris reeds tijdens het leven van de erflater ontvangen heeft, maar ook de zuiver gemaakte erfstellingen of legaten. Dit is in overeenstemming met het door de Tweede Kamer op het 39ste vraagpunt gegeven antwoord. Een erfstelling of legaat is zuiver, wanneer dit zonder tijdsbepaling, voorwaarde of last is gemaakt. Door deze regeling wordt verkregen, dat de erflater in zijn testament zijn goederen tussen zijn kinderen kan verdelen of dat hij de één zijn goederen en de ander een uitkering in geld toekent.” 35

- In het Gewijzigd Ontwerp van Wet pakte de regering het redactioneel anders aan. Art. 4.3.3.8a lid 1 werd toegevoegd en luidde voor zover van belang als volgt:

“De navolgende makingen aan een legitimaris komen in mindering van zijn legitieme portie, ook wanneer hij de making verwerpt:

a. zuiver gemaakte erfstellingen; (…).” 36

- In de eerste nota van wijziging kwam men weer tot een enigszins andere redactie. De wijziging in de redactie werd niet of nauwelijks toegelicht. Art. 4.3.3.8a lid 1 kwam te luiden:

“Een aan een legitimaris zuiver gemaakte erfstelling en al hetgeen hij verder als onvoorwaardelijk erfgenaam kan verkrijgen, komt in mindering van zijn legitieme portie, ook wanneer hij de nalatenschap verwerpt.” 37

- Mede in het kader van een vereenvoudigingsslag 38 werd de bepaling vergaand gewijzigd, met de huidige redactie als resultaat, waarbij geldt dat voorwaardelijke makingen de legitimaris bij aanvaarding binden en in mindering komen op de legitieme portie aangezien de legitimaris deze ook “ongestraft” kan verwerpen. Dit hangt ermee samen dat de legitieme portie bij deze wijziging slechts nog de vorm heeft van een geldvordering, die niet afdoet aan eventuele makingen zélf. Het gaat er in deze benadering om, zo begrijp ik het, of de legitimaris per saldo voldoende waarde ontvangt. Ik citeer:

“1. De waarde van alles wat de legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt, komt in mindering van zijn legitieme. Deze regel wordt thans in een nieuw artikel 8a uitdrukkelijk vooropgesteld. Hij vormt het complement van hetgeen artikel 8 lid 1 voor giften aan legitimarissen bepaalt.

(…)

2. De legitimaris heeft recht op een onbezwaarde legitieme, op een zuivere en onbelaste bate. De eenvoudigste wijze om dit recht te waarborgen is de legitimaris de bevoegdheid te geven andere dan zuivere en onbelaste makingen te verwerpen zonder zijn legitieme te verspelen. (…)

5. Zoals vermeld, heeft de legitimaris steeds recht op zijn onbezwaarde legitieme; verwerping van makingen die hem die onbezwaarde bate niet garanderen, laat zijn recht op de legitieme onaangetast. Het lijkt mij gerechtvaardigd om daaraan de consequentie te verbinden dat de legitimaris, zo hij niettemin aanvaarding van een making als voormeld verkiest, aan de inhoud daarvan zonder beperking is gebonden; hiermee wordt een in Boek 4 ingezette ontwikkeling ten einde gedacht. (…) Het resultaat hiervan is derhalve dat indien de waarde van de aanvaarde voorwaardelijke of anderszins onzuivere making gelijk is aan of groter dan die van de legitieme portie, de legitimaris geheel is voldaan; is de waarde kleiner dan die van de legitieme dan heeft hij voor het verschil een aanspraak op de (overige) erfgenamen; zie hierover nader onder 6.

6. De legitieme geeft slechts recht op betaling van een geldsom, niet meer – zoals in het huidige recht en in het vastgestelde Boek 4 – op goederen van de nalatenschap. (…) Met de transformering van de legitieme tot een aanspraak op een geldsbedrag wordt, naar het mij toeschijnt, de consequentie getrokken uit een reeds lang ingezette ontwikkeling. Men denke, wat Boek 4 betreft, aan de omschrijving van de legitieme portie als waarde (artikel 4.3.3.1 lid 1), aan de voormelde – daarmee nauw samenhangende – regel inzake het legaat in geld ter voldoening aan de legitieme, alsmede aan de inkorting bij giften zoals neergelegd in artikel 4.3.3.14 lid 1.” 39

5.9

Ik recapituleer. De legitimaris krijgt als erfgenaam – anders dan onder het oude recht en anders dan in het oorspronkelijk NBW-ontwerp – de makingen zoals zij zijn, dus met eventuele voorwaarden. De regeling van de legitieme portie doet niets af aan de inhoud van een making, waaronder dus eventuele voorwaarden. De legitimaris verkrijgt uit hoofde van die regeling een geldvordering op de gezamenlijke erfgenamen indien dat wat hij heeft verkregen (nog) niet correspondeert met de legitieme portie. Kortom, het gaat bij de legitieme portie om het resultaat in termen van waarde. Dit staat eigenlijk ook al in art. 4:63 lid 1 BW: “De legitieme portie van een legitimaris is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de erflater, waarop de legitimaris in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen van de erflater aanspraak kan maken.” 40 [mijn curs., A-G]

5.10

Gelet hierop moet (in beginsel) rekening worden gehouden met het waardedrukkende effect van eventuele voorwaarden aan een making, zoals in de literatuur algemeen wordt aangenomen. 41

5.11

Volgens mij is hiermee ook al de vraag beantwoord of bij de toepassing van art. 4:71 BW op voorwaardelijke makingen de zogenoemde außer Betracht-regel zou moeten toegepast. 42 Deze regel zou er in de kern op neerkomen dat de legitimaris een zogenoemde ‘inferieure making’ (zoals een voorwaardelijke making) kan ontlopen door verwerping van de nalatenschap, zodat het waardedrukkende effect van een voorwaarde bij aanvaarding voor rekening van de legitimaris komt. Dit is voor het Duitse erfrecht te vinden in § 2307 BGB. 43

5.12

De Nederlandse wet bevat geen bepaling als § 2307 BGB. Art. 4:71 BW is daarentegen tot stand gekomen vanuit het oorspronkelijke vertrekpunt dat alleen de waarde van een onvoorwaardelijke verkrijging in mindering komt op de legitieme portie (zie hiervoor in alinea 5.8). Nu is dit later bijgesteld, namelijk toen de legitieme portie in de loop van het wetgevingsproces werd beperkt tot een geldvordering, 44 maar het is wat mij betreft wel een grote stap verder om bij de waardering van een voorwaardelijke verkrijging die voorwaarde buiten beschouwing te laten. Daarmee wordt onder omstandigheden immers een resultaat bereikt waarbij de legitimaris – doordat hij de nalatenschap heeft aanvaard – feitelijk slechts een gering deel of zelfs niets van de legitieme portie ontvangt. Mij is niet gebleken dat een dergelijke logica aan art. 4:71 BW ten grondslag ligt. Art. 4:63 lid 1 BW wijst, als gezegd, op het tegendeel.

5.13

Weliswaar is in de wetsgeschiedenis (zie hiervoor) te vinden dat het de regering rechtvaardig voorkomt dat “de legitimaris, zo hij (…) aanvaarding van een making als voormeld verkiest, aan de inhoud daarvan zonder beperking is gebonden,” maar daar gaat het erom dat de legitimaris slechts een geldvordering verkrijgt en geen recht heeft op – in mijn woorden – ‘correctie’ van een making. Dit zegt wat mij betreft niets over de waardering van een niet-verworpen voorwaardelijke making. Verderop is immers te vinden dat “[h]et resultaat” van deze opzet is “dat indien de waarde van de aanvaarde voorwaardelijke of anderszins onzuivere making gelijk is aan of groter dan die van de legitieme portie, de legitimaris geheel is voldaan” en dat als “de waarde kleiner [is] dan die van de legitieme dan heeft hij voor het verschil een aanspraak op de (overige) erfgenamen.” Hieruit volgt niet dat van de voorwaarde moet worden geabstraheerd, wat onder omstandigheden vergaand nadelige gevolgen kan hebben voor de legitimaris. Mij wordt niet duidelijk waarom dit in de Nederlandse context in het algemeen rechtvaardig zou zijn. Dat er bijzondere gevallen zijn waarin toepassing van de außer Betracht-regel juist rechtvaardig kan uitpakken, 45 maakt dat niet anders.

5.14

Sommige auteurs stellen dat volgens art. 4:71 BW in mindering moet worden gebracht de waarde van alles wat de legitimaris werkelijk of daadwerkelijk krachtens erfrecht verkrijgt. 46 Gelet op wat ik hiervoor de resultaatgerichtheid van de legitieme portie noemde, kan ik mij hierin vinden. Maar ik zou het net anders willen zeggen gelet op wat hiervoor aan de orde kwam: in mindering komt de werkelijke waarde (dus niet zonder meer de nominale waarde) van wat iemand krachtens erfrecht verkrijgt.

5.15

Rechtspraak over de vraag of de voorwaardelijkheid van een erfrechtelijke making een drukkend effect heeft op de waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt als bedoeld in art. 4:71 BW, is schaars. Ik noem naast de bestreden uitspraak, waarin de vraag bevestigend is beantwoord, en Rb. Noord-Holland 5 april 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:3629, waarin de vraag (impliciet) ontkennend wordt beantwoord, 47 een niet op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2024. Ik citeer uit een andere, wel gepubliceerde bron: 48

“De vader van X is overleden. Hij heeft een testament gemaakt met daarin opgenomen een tweetrapsmaking met zijn tweede echtgenote als bezwaarde en X als verwachter. Het testament bevat ook een niet-opeisbaarheidsclausule als bedoeld in artikel 4:82 BW ten behoeve van zijn tweede echtgenote. X vordert in deze procedure dat zijn erfdeel en zijn legitieme portie worden vastgesteld. De rechtbank overweegt dat de tweede echtgenote momenteel de rechthebbende is tot de nalatenschap. X is dat (nog) niet. Omdat de tweede echtgenote de nalatenschap geheel of gedeeltelijk op kan maken en X als verwachter toekomt wat bij haar overlijden daarvan resteert, is op dit moment nog niet duidelijk wat zijn erfdeel zal zijn. X vordert dat de rechtbank zijn erfdeel niettemin vaststelt en, rekening houdend met de (mate van) waarschijnlijkheid dat de tweede echtgenote de goederen van de nalatenschap zal verteren, de waarde daarvan stelt op nihil of op 58 % van de omvang van de nalatenschap, waarbij hij aanknoopt bij het waardedrukkend effect van het vruchtgebruik en de leeftijd van de tweede echtgenote. De rechtbank gaat daarin niet mee en ziet geen grond om over de omvang van het erfdeel van X een uitspraak te doen. Volgens de rechtbank is het wel mogelijk de legitieme van X reeds vast te stellen met dien verstande dat daarbij geldt dat de waarde van hetgeen X krachtens erfrecht zal verkrijgen te zijner tijd op zijn legitieme portie in mindering zal worden gebracht.”

[onderstreping toegevoegd, A-G]

5.16

In de zaken die hebben geleid tot de hiervoor genoemde uitspraken van 5 april 2023 en 20 maart 2024 was de (tweede) partner van de erflater in het testament tot bezwaarde benoemd en was het kind (tevens legitimaris) tot verwachter benoemd. In die situatie is het voor het kind, indien het een beroep wil doen op de legitieme, van belang dat duidelijk wordt of de voorwaardelijkheid van de erfrechtelijke making in de omstandigheden van het geval een drukkend effect heeft op de waarde van al hetgeen hij krachtens erfrecht verkrijgt, en of daarmee rekening mag worden gehouden bij de waardering in het kader van de imputatie op grond van art. 4:71 BW (en zo ja, hoe). De situatie in de onderhavige zaak is anders. Daarin is een kind van erflater die tevens legitimaris is, [eiser 1] , bezwaarde en kunnen [eiseres 2] en [de minderjarige] , de verwachters, geen beroep doen op de legitieme. 49 Weliswaar kan ook in een dergelijke situatie waarin de legitimaris geen verwachter is, maar bezwaarde, de vraag aan de orde zijn of sprake is van een waardedrukkend effect van de ontbindende voorwaarde waaronder hij zijn erfdeel verkrijgt maar in de praktijk zal deze vraag denk ik aanmerkelijk minder vaak aan de orde zijn. De vraag die in cassatie aan de orde is, speelt met name in het geval dat de legitimaris verwachter is.

5.17

Tot zover het kader. De argumenten vóór het standpunt dat de voorwaardelijkheid van een erfrechtelijke making geen drukkend effect heeft op de waarde van wat een legitimaris krachtens erfrecht “verkrijgt” (als bedoeld in art. 4:71 BW) kan ik niet altijd even goed kan volgen. Ik sluit mij aan bij het standpunt van de meerderheid van de auteurs in de vakliteratuur dat met de auβer Betracht-regel de (waardedruk van de) beperkingen en lasten per saldo voor rekening van de legitimaris zouden komen en dat dit haaks staat op het uitgangspunt van de legitieme portie, neergelegd in art. 4:63 lid 1 BW, dat de legitieme portie in weerwil van uiterste wilsbeschikkingen kan worden verkregen. Met Perrick meen ik dat niet valt in te zien dat een legitimaris ‘dubbelop’ krijgt als de auβer Betracht-regel niet van toepassing zou zijn, ook niet ‘gevoelsmatig’. Naar mijn mening is toepassing van deze regel alleen mogelijk als de wetgever dat uitdrukkelijk heeft bepaald (zie bijvoorbeeld art. 4:6 BW, art. 4:75 lid 5 BW en art. 4:76 BW) . De rechtspraktijk zou ermee zijn gediend indien de Hoge Raad bevestigt dat de voorwaardelijkheid van een erfrechtelijke making een drukkend effect heeft op de waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt als bedoeld in art. 4:71 BW. Dit speelt overigens, ik herhaal dat, met name in het zich hier niet voordoende geval waarin de legitimaris verwachter is.

Bespreking van de klachten

5.18

Terug naar de onderhavige zaak. Het middel in het principaal cassatieberoep berust op de premisse dat, zoals het hof in r.o. 27 en 28 van het arrest heeft geoordeeld, [eiser 1] als erfgenaam rechten heeft verkregen, zij het onder ontbindende voorwaarde. Het middel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep komt mijns inziens met vrucht op tegen r.o. 27 en 28 van het arrest (zie paragraaf 4 hiervoor). Hieruit volgt dat, nu vorenbedoelde premisse niet zou kunnen standhouden als zou worden toegekomen aan het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, het principaal cassatieberoep belang mist en al daarom moet worden verworpen.

5.19

Ook als daarover anders wordt geoordeeld, moet het principaal cassatieberoep naar ik meen worden verworpen. Er is geen grond voor de in het middel verdedigde opvatting dat bij de toepassing van art. 4:71 BW, dus bij de vaststelling van de daar bedoelde “waarde”, in het algemeen zou moeten worden geabstraheerd van het waardedrukkende effect van eventuele voorwaarden die aan een making zijn verbonden. Uitgaande van de juistheid van de duiding van de verkrijging onder ontbindende voorwaarde door [eiser 1] is het hof daarom tot een juiste waardering gekomen.

5.20

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het principaal cassatieberoep moet worden verworpen.

6Slotsom

Gelet op de gegrondheid van het voorwaardelijk incidenteel middel van de bewindvoerder hebben [eisers] geen belang meer bij hun klachten in het principaal cassatieberoep, zodat hun beroep moet worden verworpen. Ook voor het geval de Hoge Raad met betrekking tot het incidenteel middel van de bewindvoerder op een ander spoor zou zitten, concludeer ik tot verwerping van het principaal cassatieberoep.

7Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1

Hof Den Haag 3 december 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2349, JERF 2025/34, m.nt. R.E. Brinkman, F.W.J.M. Schols, ‘Niets kun je niet imputeren. De ausser Betracht-discussie. Is er al een heersende leer?’, EstateTip 2025/5.

2

[betrokkene 2] is in de procedure bij de rechtbank niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

3

Denk daarbij aan het geval dat een erflater bij testament zijn partner tot enig erfgenaam benoemt. Dit heeft tot gevolg dat zijn kinderen geen erfgenaam meer zijn.

4

J.B. Vegter, Het Nederlandse erfrecht, WJS Uitgevers: Den Haag 2025, par. 1.1.

5

Zie over uitleg van de uiterste wilsbeschikking o.a. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531, r.o. 3.2.1 (met een heldere Conclusie van A-G Valk over de verhouding tot de algemene uitlegprincipes); HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:911, NJ 2014/127, m.nt. S. Perrick, r.o. 3.3.2; HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2595, NJ 2013/238, m.nt. S. Perrick, r.o. 3.3; HR 18 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9581, NJ 2011/353, m.nt. S. Perrick, r.o. 3.5.2-3.5.3 en HR 3 december 2004, ECLI:NL:HR:AR0196, NJ 2005/58, m.nt. W.M. Kleijn, r.o. 3.5

6

Zie hierover onder meer: Asser/Perrick 4 2025/5.8 en 5.9; Van Mourik & Schols, Erfrecht (Monografieën Privaatrecht nr. 1) 2021/48-50, F.W.J.M. Schols en F.J.P.G. van Haare, Erfrecht en Schenking, Boom Juridisch: Den Haag 2023, nrs. 31 en 32, Huijgen e.a., Compendium erfrecht 2022/180 e.v., L.C.A. Verstappen, ‘Makingen onder tijdsbepaling en onder voorwaarde’ (hoofdstuk IX), in: M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2020, J.B. Vegter, Het Nederlandse erfrecht, WJS Uitgevers: Den Haag 2025, par. 10.2-10.5, L.C.A. Verstappen, ‘Makingen onder tijdsbepaling en voorwaarde naar nieuw erfrecht, in het bijzonder fideï-commissaire voorwaardelijke makingen (I en II, slot)’, WPNR 2000/6398-6399, A.F. Mollema, ‘Erfstellingen en legaten onder tijdsbepaling of voorwaarde’, WPNR 2007/6698 en B.E. Reinhartz, ‘Makingen onder tijdsbepaling en onder voorwaarde, in het bijzonder het fideï-commis’, TE 2002/1. Zie voor de fiscale aspecten van makingen onder voorwaarde onder meer: B.M.E.M. Schols en F.W.J.M. Schols, ‘“Over de dood heen”; De tweetrapsmaking: een prima instrument’, FTV 2003/7 en J.A.M. Klinkert-Cino, ‘Fiscale aspecten van een making onder voorwaarde, het fideï-commis’, TE 2002/1. Zie voor de fiscale berekenmethode o.m. HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8780, BNB 2013/153, m.nt. I.J.F.A. van Vijfeijken, FED 2013/48, m.nt. J.W. Zwemmer.

7

Zie bronnen vermeld in de voorgaande voetnoot.

8

H. Stolz, De voorwaarde in het vermogensrecht (diss. Leiden) 2015/2.4.3.1 (en in vergelijkbare bewoordingen in par. 2.4.1). Hij wijst er ook op dat het vereiste van toekomstigheid in de literatuur als enigszins overbodig is gekenschetst, omdat in de eis van objectieve onzekerheid eigenlijk de toekomstigheid al besloten ligt. Zie par. 2.4.2. Zie aldus Asser/Sieburgh 6-I 2024/168. Toegespitst op de voorwaardelijke verbintenis (art. 6:21 BW) schrijft Sieburgh: “Eigenlijke voorwaarden zijn dus niet: a. de voorwaarde die een gebeurtenis betreft die in het heden of in het verleden ligt (…)” Zie Asser/Sieburgh 6-I 2024/169. Stolz noemt dit daarom een schijnvoorwaarde, met de kanttekening dat deze aanduiding misleidend is omdat (in de heersende leer) in het geheel geen sprake is van een voorwaarde.

9

Asser/Perrick 4 2025/193.

10

L.C.A. Verstappen, ‘Makingen onder tijdsbepaling en onder voorwaarde’ (hoofdstuk IX), in: M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 270 en 271.

11

Zie over de verschillende betekenissen van het woord ‘voorwaarde’ Asser/Sieburgh 6-I 2024/163.

12

Om aan een making onder opschortende voorwaarde een recht te kunnen ontlenen, moet men ook nog bestaan op het ogenblik dat de voorwaarde wordt vervuld, tenzij uit de uiterste wil of uit de aard van de beschikking het tegendeel voortvloeit (art. 4:137 BW) . In andere woorden: de beschikking vervalt, indien de erfgenaam of legataris vóór de vervulling van de voorwaarde overlijdt. Zie Asser/Perrick 4 2025/197.

13

Ontleend aan HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531, NJ 2024/145, m.nt. S. Perrick; AA 2024, p. 56 e.v., m.nt. A.J.M. Nuytinck.

14

HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1046, NJ 2016/290, m.nt. F.M.J. Verstijlen. Huijgen e.a., Compendium erfrecht 2022/184 en Huijgen & Reinhartz, Het Nederlandse Huwelijksvermogensrecht 2019/III.26 gaan terecht uit van relevantie van dit arrest.

15

Omdat X en Y bij een effectieve tweetrapsmaking gelijktijdig voorwaardelijk gerechtigd zijn tot de (goederen van) de nalatenschap, is het belangrijk – niet voor deze zaak, maar in het algemeen – te bepalen wie welke bevoegdheden toekomen. Volgens art. 4:138 lid 1 BW wordt, wanneer een erfstelling onder een voorwaarde is gemaakt, degene aan wie het vermaakte tot de vervulling der voorwaarde toekomt als de uitsluitend gerechtigde aangemerkt voor zover het betreft de door en tegen derden uit te oefenen rechten en rechtsvorderingen. Het gevolg van de voorwaarde is derhalve dat de bevoegdheden met betrekking tot de goederen van de nalatenschap vooralsnog alleen kunnen worden uitgeoefend door de erfgenaam onder ontbindende voorwaarde en (aan de passiefzijde) dat alleen de erfgenaam onder ontbindende voorwaarde kan worden aangesproken als schuldenaar van de schulden van de nalatenschap. De verwachter komen vooralsnog geen bevoegdheden toe ten aanzien van de goederen en kan ook niet tot betaling van schulden worden aangesproken. Wel kan de verwachter al over een hem voorwaardelijk toekomend goed beschikken (dat is dus geen beschikking bij voorbaat), mocht er voor dat onzekere recht een belangstellende zijn. Voor het overige vinden, zolang de vervulling der opschortende voorwaarde onzeker is, de wettelijke voorschriften betreffende het vruchtgebruik, zoals geregeld in Titel 3.8, overeenkomstige toepassing. Dientengevolge is de erfgenaam onder ontbindende voorwaarde verplicht het vermaakte gelijk een vruchtgebruiker te bewaren en in stand te houden, tenzij de erflater hem de bevoegdheid heeft toegekend om de goederen te verteren en onvoorwaardelijk te vervreemden (art. 4:138 lid 2 BW) . Art. 4:138 lid 3 BW bepaalt dat, in geval van een erfstelling onder een ontbindende voorwaarde zonder een daarbij aansluitende erfstelling onder opschortende voorwaarde, de (voorwaardelijk) erfgenaam jegens degene aan wie het vermaakte bij vervulling van de voorwaarde toekomt, bevoegd is de goederen te vervreemden en te verteren op dezelfde voet als een vruchtgebruiker aan wie deze bevoegdheid is gegeven, voor zover de erflater niet anders heeft bepaald.

16

Vgl. T.M. Subelack, De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024, p. 440, met verwijzingen in voetnoot 19.

17

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1673, JERF 2021/73, m.nt. J.M. van Anken.

18

Zo ook J.M. van Anken in zijn noot onder het genoemde arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, JERF 2021/73.

19

Asser/Perrick 4 2025/193.

20

Wanneer er sprake is van een tweetrapsmaking is uiteraard tevens de ‘ontbindende voorwaarde’ (die geen echte ontbindende voorwaarde is) vervuld. Er vindt directe onvoorwaardelijke verkrijging plaats.

21

JERF 2025/34, nr. 2.

22

JERF 2025/34, nr. 3.

23

F.W.J.M. Schols, Niets kun je niet imputeren. De ausser Betracht-discussie. Is er al een heersende leer? Estate Tip 2025-5. Zijn ‘waardering’ voor het arrest leid ik ook af uit de zin: “Hoewel het hof aan het waarderen slaat, wordt tot dezelfde conclusie gekomen als de rechtbank.”

24

Het feit dat de beoogde erfgenaam failliet is ten tijde van het maken van de uiterste wilsbeschikking is (op dit punt) niet relevant. Het is mogelijk dat dit faillissement ondertussen is geëindigd ten tijde van het overlijden van de erflater.

25

Zie ook Brinkman, JERF 2025/34, nr. 3 voor een alternatieve formulering.

26

Zie hierover bijvoorbeeld Asser/Perrick 4 2025/299. Zie ook bijvoorbeeld M.R. Beuker e.a., Draagvlak voor de legitieme portie (WODC-rapport), Rijksuniversiteit Groningen 2024.

27

Parl. Gesch. Boek 4 BW (2002), p. 341 (VV I).

28

Parl. Gesch. Boek 4 BW (2002), p. 341 (VV I) en Parl. Gesch. Invoering Boek 4 BW (2003), p. 1805 (VV II) en 1806 (MvA II). Asser/Perrick 4 2025/296-297 wijst op de Romeinsrechtelijke oorsprong en geschiedenis van de legitieme portie.

29

Bij de parlementaire behandeling werd het zo gezegd: “De wettelijke legitieme portie berust (…) op de grondgedachte dat bepaalde bloedverwanten in het erfrecht een gegarandeerde plaats behoren te hebben, ongeacht de wil van de erflater. Anders gezegd: de legitieme portie is een door de wetgever opgelegde beperking van de testeervrijheid van de erflater.” Zie Parl. Gesch. Invoering Boek 4 BW (2003), p. 1805 (VV II) en p. 1806-1809 (MvA II).

30

Anders dan voor 2003 wel het geval was op grond van art. 960 BW (oud) (“gedeelte der goederen”). Zie hierover bijvoorbeeld W. Heuff, Legitieme portie (Mon. Nieuw BW B20), Deventer: Kluwer 2004, p. 8-9.

31

Het draait daarbij namelijk niet uitsluitend om de nettowaarde van de nalatenschap; de wet verlangt dat sommige giften die bij leven zijn gedaan in aanmerking moeten worden genomen.

32

Een inferieure making is een making die de legitimaris zijn legitieme niet zuiver en onbelast verschaft. Zie: Tekst & Commentaar BW, 2025, art. 4:72 BW, aant. 2 (Mellema-Kranenburg). Inferieur zijn: a) goederen die onder een voorwaarde zijn nagelaten zoals bij een making onder fideï-commissair bezwaar, dan wel onder een last of een bewind zijn nagelaten; of b) ten laste van de legitimaris gemaakte legaten die verplichten tot iets anders dan betaling van een geldsom of overdracht van goederen der nalatenschap. Wanneer de legitimaris zich op de uitzondering van de toerekening wil beroepen, dan dient hij dit in beginsel binnen drie maanden te doen. De kantonrechter kan deze termijn eventueel verlengen (art. 4:77 BW) . Zie over inferieure verkrijgingen als erfgenaam o.a. Huijgen e.a., Compendium erfrecht 2022/89.

33

Zie: Van Mourik & Schols, Erfrecht (Monografieën Privaatrecht nr. 1) 2021/58 e.v.

34

Parl. Gesch. Boek 4 BW (2002), p. 439 (OM).

35

Parl. Gesch. Boek 4 BW (2002), p. 439 (TM).

36

Parl. Gesch. Boek 4 BW (2002), p. 454 (GO).

37

Parl. Gesch. Boek 4 BW (2002), p. 454 (NvW 1).

38

Parl. Gesch. Invoering Boek 4 BW (2003), p. 1803 (MvT) en p. 1881-1882 (MvT).

39

Parl. Gesch. Invoering Boek 4 BW (2003), p. 1882-1883 (MvT).

40

Daarop is terecht gewezen door W. Burgerhart, Waarde en Erfrecht, Beschouwingen over de waarde van een onderneming in het erfrecht en enige verwante wetten, Kluwer: Deventer 2008, par. 5.8.3.1. Zie ook W. Burgerhart en R.E. Brinkman, ‘Het fideicommis en de legitieme portie’, WPNR 2016/7132, p. 1083 (eerste deel), p. 1088-1089-1090.

41

Zie o.a. Asser/Perrick 4 2025/323, G.T.J. Hoff, ‘Außer Betracht-denken: een soort van MINDF*CK in het erfrecht?’, AdvoTip 2024/5, R.E. Brinkman, ‘Het fideicommis en de legitieme portie: verwerping, cautio Socini, aanvullende legitieme en inkorting’, FTV 2022/39 p. 11 (r.k.) en 12 (l.k.), G.G.B. Boelens in: Huijgen e.a., Compendium erfrecht 2022/88, L.C.A. Verstappen, ‘Aanvaarding en verwerping (Hoofdstuk XII), in: M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2020, p. 461, B.C.M. Waaijer, ‘De legitieme portie’ (hoofdstuk X), in: M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 341 en 345, W. Burgerhart & R.E. Brinkman, ‘Het fideicommis en de legitieme portie’, WPNR 2016/7132, W. Burgerhart, Waarde en Erfrecht, Beschouwingen over de waarde van een onderneming in het erfrecht en enige verwante wetten, Kluwer: Deventer 2008, par. 5.8.3.1.

42

Voorstander is B.M.E.M. Schols, ‘De legitieme portie driedimensionaal: abstract, concreet en fiscaal’, in: Nieuw erfrecht in de praktijk (Preadvies KNB 2006), Sdu Uitgevers: Den Haag 2006, p. 111 en 112, alsook Commissie Erfrecht KNB, ‘Concept-Eindverslag Commissie Erfrecht KNB inzake Boek 4 BW (I)’, WPNR 2010/6866, p. 879-890. Recenter, met nuances, is P.C. van Es, ‘Inferieure makingen en de ausser Betracht-regel’, WPNR 2025/7487.

43

Ist ein Pflichtteilsberechtigter mit einem Vermächtnis bedacht, so kann er den Pflichtteil verlangen, wenn er das Vermächtnis ausschlägt. Schlägt er nicht aus, so steht ihm ein Recht auf den Pflichtteil nicht zu, soweit der Wert des Vermächtnisses reicht; bei der Berechnung des Wertes bleiben Beschränkungen und Beschwerungen der in § 2306 bezeichneten Art außer Betracht.

44

Parl. Gesch. Invoering Boek 4 BW (2003), p. 1837 (MvT), p. 1883-1884 (onder 6) (MvT) en p. 1913-1914 (MvT).

45

Zoals geschetst in bijvoorbeeld P.C. van Es, ‘Inferieure makingen en de ausser Betracht-regel’, WPNR 2025/7487, p. 82-83.

46

Zie: Huijgen e.a., Compendium erfrecht 2022/88 en B.C.M. Waaijer, ‘De legitieme portie’ (hoofdstuk X), in: M.J.A. van Mourik e.a., Handboek Erfrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2020, par. 5.1. Vgl. A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, relatievermogensrecht en erfrecht, Wolters Kluwer: Deventer 2024, die op p. 467 schrijft: “Alleen de onterfde legitimaris die nimmer een gift heeft ontvangen en ook overigens niets krachtens erfrecht verkrijgt, heeft dus een legitimaire aanspraak die gelijk is aan de in de legitimaire massa berekende legitieme portie.”

47

Wellicht zonder dat de rechtbank zich bewust was van de uiteenlopende visies. Zie: G.T.J. Hoff, ‘Außer Betracht-denken: een soort van MINDF*CK in het erfrecht?’, AdvoTip 2024/5.

48

Notamail 2024/164 (12 juli 2024) en Groene Serie Erfrecht, art. 4:71 BW, aant. 2 (Mellema-Kranenburg). Het citaat komt uit laatstgenoemde bron.

49

[eiser 1] bestond ten tijde van het overlijden van erflater. Dit bracht mee dat [eiseres 2] en [de minderjarige] , de verwachters, als kleinkinderen geen beroep op de legitieme konden doen (art. 4:63 lid 2 BW) .

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733