ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Rechtbank Noord-Holland 31-12-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15646

Essentie (gemaakt door AI)

Vader vordert verklaring voor recht dat Veilig Thuis en gemeente (1.Hoorn) onrechtmatig handelen wegens schending zorgplicht rond meldingen huiselijk geweld en gevreesde onveiligheid kind, met schadevergoeding. Rechtbank oordeelt dat vader onvoldoende concreet stelt welke fouten per instantie en wanneer zijn gemaakt. Inspectierapporten zien op leerdoelen en zijn niet beslissend voor civiele aansprakelijkheid. Gezien takenkaders en informatie destijds was geen opschaling vereist. Geen onrechtmatige daad; vorderingen worden af

Datum publicatie23-01-2026
ZaaknummerC/15/360681 / HA ZA 25-10
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsAlkmaar
RechtsgebiedenCiviel recht; Burgerlijk procesrecht
TrefwoordenTuchtrecht / aansprakelijkheid;
Jeugdbescherming / Jeugdwet
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Beoordeling van aansprakelijkheidsvraag na gezinsdrama: zelfdoding moeder en kinddoding door moeder. Vader houdt Veilig Thuis en gemeente Hoorn aansprakelijk voor de door hem geleden schade. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) wegens schending van de zorgplicht door Veilig Thuis en 1.Hoorn.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/360681 / HA ZA 25-10

Vonnis van 31 december 2025

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. B.D.W. Martens,

tegen

1GEMEENTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST HOLLANDS NOORDEN, AFDELING VEILIG THUIS,

te Alkmaar,

hierna te noemen: Veilig Thuis,

advocaat: mr. H.M. Kruitwagen,
2. GEMEENTE HOORN,

te Hoorn,

hierna te noemen: 1.Hoorn,

advocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen,

gedaagde partijen.

De zaak in het kort

Deze zaak gaat over een gezinsdrama. De ex-partner van [eiser] heeft op 21 mei 2016 hun tweejarige dochter en daarna zichzelf verdronken in het Markermeer. [eiser] vindt dat Veilig Thuis en 1.Hoorn, die bij de begeleiding van het gezin betrokken waren, aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de daad van zijn ex-partner. Volgens [eiser] zijn Veilig Thuis en 1.Hoorn in hun zorgplicht tekortgeschoten. Hij wil dat de rechtbank voor recht verklaart dat Veilig Thuis en 1.Hoorn onrechtmatig hebben gehandeld en dat de rechtbank hen hoofdelijk veroordeelt tot het betalen van schadevergoeding. De rechtbank ziet hoe groot de emotionele uitwerking is die het trieste voorval en de nasleep ervan op [eiser] hebben gehad. Zij oordeelt in dit vonnis echter dat van een onrechtmatige daad wegens schending van de zorgplicht door Veilig Thuis en 1.Hoorn geen sprake is. Veilig Thuis en 1.Hoorn zijn daarom niet schadeplichtig. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen van 17 en 19 december 2024 met producties 1-19;

- de conclusie van antwoord van Veilig Thuis met producties 1-10;

- de conclusie van antwoord van 1.Hoorn met producties 1-26;

- het tussenvonnis van 30 april 2025, waarbij de rechtbank een mondelinge behandeling heeft bevolen;

- de akte overlegging producties van [eiser] met producties 20-22.

1.2.

Op 25 november 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Op de zitting is [eiser] verschenen, bijgestaan door mr. B.D.W. Martens. Daarnaast zijn verschenen namens Veilig Thuis [manager] , manager bij Veilig Thuis NHN, en [directiesecretaresse] , directiesecretaris bij GGD Hollands Noorden, bijgestaan door mr. H.M. Kruitwagen. Namens 1.Hoorn zijn verschenen [procesadviseur] , procesadviseur bij gemeente Hoorn, en [naam] , bijgestaan door mr. J. Kruijswijk Jansen.

1.3.

De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mrs. Martens en Kruitwagen hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij ter zitting aan de rechtbank hebben overgelegd en die daarmee onderdeel zijn geworden van de processtukken.

1.4.

Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat op 31 december 2025 vonnis zal worden gewezen.

2De feiten

2.1.

[eiser] is op 1 augustus 2013 getrouwd met zijn toenmalige partner [moeder] (hierna: moeder). Moeder had de Iraanse nationaliteit. Zij is kort na het huwelijk zwanger geraakt en gaan samenwonen met [eiser] in Hoorn. Op [geboortedatum] 2014 is dochter [dochter] geboren (hierna: [dochter] ).

2.2.

Op 5 februari 2015 heeft Veilig Thuis 1een eerste zorgmelding ontvangen van de politie. Er vonden tussen [eiser] en moeder hoogoplopende ruzies plaats in het bijzijn van [dochter] . Veilig Thuis is vervolgens een onderzoek gestart.

2.3.

Op 9 februari 2015 heeft [eiser] Veilig Thuis in paniek gebeld dat er iets moest gebeuren, omdat moeder volgens hem gek was geworden. De politie is ter plaatse gekomen. Diezelfde middag hebben een medewerker en vertrouwensarts van Veilig Thuis een drie uur durend huisbezoek verricht. Daarover heeft Veilig Thuis in haar digitale dossier (logboek) onder meer genoteerd dat [eiser] aangaf dat moeder een keer heeft gedreigd met suïcide en met teruggaan naar Iran. Hij zag nog wel perspectief in de relatie, mits moeder hulp zou krijgen voor haar depressieve klachten. Moeder vertelde dat zij de situatie wilde veranderen door de relatie te beëindigen en een eigen leven op te bouwen. Zij gaf aan het lastig te hebben met de interculturele verschillen en met de onzekerheid over haar verblijfsstatus. Volgens moeder had zij relationele problemen met [eiser] en is [dochter] niet fysiek in gevaar geweest. Veilig Thuis heeft verder in haar digitale dossier genoteerd geen signalen vanuit moeder te hebben gekregen ten aanzien van een actieve depressie, dat er met beide ouders veiligheidsafspraken waren gemaakt en dat Veilig Thuis de huisarts en psycholoog zou raadplegen.

2.4.

Op 11 februari 2015 heeft Veilig Thuis het gezin aangemeld bij Stichting Parlan (jeugdhulp en jeugd-ggz) voor ambulante spoedhulp. In het aanmeldformulier is onder meer vermeld dat de conflicten lijken te komen door een integratie-/aanpassingsprobleem en een vorm van heimwee, dat [eiser] aan iets fysieks denkt bij moeder, maar dat dit volgens moeder niet speelt en dat sprake is van een interactieprobleem tussen haar en [eiser] .

2.5.

Op 13 februari 2015 heeft tussen Parlan, Veilig Thuis, [eiser] en moeder een gesprek plaatsgevonden. Daarbij kwam aan de orde dat [eiser] en moeder definitief hadden besloten uit elkaar te gaan, dat [eiser] tijdelijk elders verbleef en dat er afspraken over omgang waren gemaakt.

2.6.

Op 17 februari 2015 heeft Veilig Thuis de casus overgedragen aan team Sociaal van 1.Hoorn, een wijkteam van de gemeente Hoorn. In het aanmeldformulier is vermeld dat ouders aangeven dat zij er voor gaan zorgen dat de spanning niet oploopt in de thuissituatie en dat dit goed gaat’. Verder is vermeld dat ‘ouders een grote bereidwillendheid ten opzichte van elkaar hebben’.

2.7.

Op 30 maart 2015 heeft Veilig Thuis aan [eiser] en het wijkteam van 1.Hoorn een afsluitbrief gestuurd. Veilig Thuis heeft in de afsluitbrief een aantal aandachtspunten voor het gebiedsteam van 1.Hoorn opgesomd en daaraan toegevoegd dat ze na drie en twaalf maanden contact zullen opnemen met het gebiedsteam om te kijken of de hulpverlening goed verloopt.

2.8.

Op 1 april 2015 heeft Veilig Thuis een tweede zorgmelding ontvangen van de politie in verband met fysiek geweld gepleegd door [eiser] tegen moeder in het bijzijn van [dochter] .

Veilig Thuis heeft het wijkteam van 1.Hoorn hiervan op de hoogte gesteld.

2.9.

Op 2 april 2015 heeft [eiser] telefonisch bij Veilig Thuis zijn zorgen gemeld over dreigementen van ontvoering van [dochter] door moeder. Veilig Thuis heeft hierover op kantoor een gesprek gevoerd met [eiser] , in aanwezigheid van een medewerker van 1.Hoorn. [eiser] meende dat zijn zorgen niet werden opgepakt door Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft in haar digitale dossier genoteerd dat er nogmaals geen concrete aanwijzingen lijken te zijn voor kidnap’.

2.10.

Veilig Thuis heeft op 13 april 2015 de zorgmelding overgedragen aan 1.Hoorn, omdat deze al betrokken was bij het gezin. In het digitale dossier van Veilig Thuis is hierover het volgende vermeld: “Wij gaan ervan uit dat het Gebiedsteam de melding verder bespreekt met ouders. (…) Volgens protocol nemen wij over drie maanden contact op om te vragen naar het verloop van de hulpverlening na de overdracht van de melding betreffende dit gezin”.

2.11.

Op 17 april 2015 heeft team Sociaal van 1.Hoorn een gesprek gehad met [eiser] en moeder. Toen is afgesproken om het gezin naar team Jeugd van 1.Hoorn over te dragen voor verdere ondersteuning bij het opstellen van een ouderschapsplan. 1.Hoorn heeft dit aan Veilig Thuis per e-mail doorgegeven.

2.12.

Op 12 mei 2015 heeft 1.Hoorn per e-mail aan moeder informatie gezonden over onder meer de inburgeringscursus; het vinden van werk en maatschappelijke ondersteuning. Verder is in die e-mail [eiser] en moeder een voorbeeld van een ouderschapsplan toegestuurd ter voorbereiding op hun afspraak op 20 mei 2015. Wegens ziekte van [eiser] heeft 1.Hoorn op 20 mei 2015 alleen gesproken met moeder. Het ouderschapsplan is niet ingevuld.

2.13.

Op 20 juli 2015 heeft [eiser] Veilig Thuis gebeld in verband met zijn acute zorgen over een dreigende ontvoering van [dochter] naar Iran door moeder. Veilig Thuis heeft hierover in haar digitale dossier genoteerd dat [eiser] zei dat hij wilde dat moeder onderzocht zou worden door een psycholoog/psychiater om te zien of zij daadwerkelijk gek was geworden. Veilig Thuis heeft intern en bij 1.Hoorn navraag gedaan. Veilig Thuis heeft vervolgens het volgende in haar digitale dossier genoteerd: “In overleg met collega (…) wat de stand van zaken is omtrent deze zaak. (…) geeft aan destijds de zaak met spoed binnen is gekomen bij VT, het is daarom opvallend dat er vanuit het wijkteam tot op heden het minimale in deze zaak is gedaan, uitgaande van het verhaal van vader.”

2.14.

Op 21 juli 2015 heeft Veilig Thuis een derde zorgmelding ontvangen van de politie. De politie heeft gemeld dat moeder op het bureau was voor aangifte van mishandeling door [eiser] . Bij moeder was letsel zichtbaar in de vorm van blauwe plekken, bijtwonden en schaafwonden.

Veilig Thuis heeft moeder en [dochter] vervolgens geplaatst in het Oranje Huis voor crisisopvang ‘vanwege de aanwezigheid van dreiging en het kleine kind’. Veilig Thuis heeft op de vraag “Wat is de grootste zorg/angst van VT over wat er kan gebeuren als we niets doen?” in haar digitale dossier geantwoord: “Dat ouders elkaar fysiek te lijf gaan en het kind hier ook tussen inzit.”.

2.15.

Regiemedewerker [regiemedewerker] (hierna: [regiemedewerker] ) van 1.Hoorn heeft diezelfde dag Veilig Thuis gesproken over de zaak en aangegeven deze vanuit het wijkteam verder op te zullen pakken. In het digitale dossier van 1.Hoorn is genoteerd dat [regiemedewerker] contact heeft gehad met het Oranje Huis, dat het Oranje Huis aangaf dat het goed ging met moeder en [dochter] en dat het een zorgzame moeder zag. Verder is genoteerd dat [regiemedewerker] met beide ouders om de tafel zou gaan voor oplossingen in het vrijwillig kader.

2.16.

Op 26 juli 2015 heeft [regiemedewerker] aan [eiser] en moeder een opzet van een veiligheidsplan toegestuurd die kort daarna met hen is besproken en aangevuld. In het veiligheidsplan is vermeld dat de grootste zorgen zijn ‘kindermishandeling door de strijd/ruzie tussen ouders’ en dat de gevaarlijke momenten de overdrachtsmomenten zijn als ouders bij elkaar in de buurt komen. Daarnaast is in het veiligheidsplan vermeld dat een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming zou worden gedaan als [eiser] en moeder niet in staat zouden zijn in het belang van [dochter] te denken/handelen.

2.17.

Op 7 augustus 2015 heeft Veilig Thuis een vierde zorgmelding van de politie ontvangen. Moeder had de politie gebeld in verband met verbaal geweld van [eiser] tegen haar in het bijzijn van [dochter] . Veilig Thuis heeft hierover in haar digitale dossier onder meer genoteerd dat haar grootste zorg was escalaties door spanningen en ruzies tussen ouders en dat er geen sprake was van direct gevaar.

2.18.

Veilig Thuis heeft de zorgmelding wederom overgedragen aan 1.Hoorn, omdat deze al betrokken was bij het gezin. Veilig Thuis heeft 1.Hoorn verzocht om de zorgmelding mee te nemen in de hulpverlening en daarbij meegedeeld dat zij in het kader van de monitoring na drie maanden contact op zou nemen. 1.Hoorn (in de persoon van [regiemedewerker] ) heeft bevestigd dat zij de zorgmelding met [eiser] en moeder zou bespreken en dat een veiligheids- en ouderschapsplan zou worden gemaakt. Daarbij heeft [regiemedewerker] gezegd dat, wanneer dit niet van de grond zou komen en de zorgen zouden blijven, zij een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming zou doen. [eiser] en moeder zijn daarvan op de hoogte gesteld. Op
19 augustus 2015 heeft Veilig Thuis hen een afsluitbrief gestuurd.

2.19.

[regiemedewerker] heeft kort daarna met [eiser] en moeder gesproken. Op 21 augustus 2015 heeft [regiemedewerker] [eiser] en moeder gemaild over het nog te ondertekenen veiligheidsplan, het voorstel tot omgang van moeder en het door beiden nog te maken ouderschapsplan. Daarbij heeft [regiemedewerker] benadrukt dat [eiser] en moeder zich aan de afspraken moeten houden en dat zij [eiser] een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming zal moeten doen.

2.20.

In de periode tussen oktober tot en met december 2015 is er diverse keren contact geweest tussen met name [eiser] en [regiemedewerker] .

2.21.

Bij besluit van 2 december 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van gemeente Hoorn een aanvraag voor Ouderschap Blijft bij Parlan toegekend. De aanvraag is volgens 1. Hoorn in overleg met [eiser] en moeder gedaan ‘vanwege de moeizame onderlinge communicatie en het niet komen tot afspraken’. Het doel van de hulp door Parlan was om ervoor te zorgen dat [eiser] en moeder in staat zouden zijn in samenwerking met elkaar het ouderschap op een goede manier te kunnen vormgeven voor [dochter] .

2.22.

In januari 2016 zijn er tussen [eiser] en [regiemedewerker] vele (honderden) berichten via WhatsApp uitgewisseld. Daarbij heeft [eiser] op 8 januari 2016 onder meer het volgende geschreven: “Ik denk er serieus over na om [moeder] met [dochter] naar Iran te laten reizen eind februari”(…) Afgelopen kerst hebben wij de verhouding tussen ons aangepakt. De afgelopen twee maanden gaat het veel beter. Ik ben nu ook eindelijk met sollicitaties bezig en met het plan rondom jeugdzorg. Ik geloof dat de neergaande spiraal nu opwaarts gaat.”

Tien dagen later heeft [eiser] 1.Hoorn van faal- en wanbeleid beticht. [regiemedewerker] heeft daarop aangegeven deze omslag niet te begrijpen.

2.23.

[regiemedewerker] heeft [eiser] vanwege zijn financiële problemen doorverwezen naar een collega bij 1.Hoorn voor financiële en juridische hulp. Die hulp is vervolgens aan [eiser] gegeven.

2.24.

Op 3 februari 2016 heeft [eiser] aan [regiemedewerker] bericht dat hij alle zorgtrajecten wil stoppen en meegedeeld dat [dochter] met moeder naar Iran zal vertrekken en hij zijn eigen weg zal gaan.

2.25.

Op 16 februari 2016 heeft [regiemedewerker] aan [eiser] en moeder het volgende gemaild, voor zover van belang: “Inmiddels heb ik jullie de laatste periode met enige regelmaat gesproken. Beiden hebben jullie je zorgen uitgesproken over de toekomst. Jullie proberen elkaar tegemoet te komen in belang van [dochter] wat ik erg knap van jullie beiden vind. Naast dat ik het knap vind, vind ik het ook noodzakelijk gezien de situatie waarin hebben gezeten en nog zitten.” [regiemedewerker] heeft daarbij gezegd het voor het proces van belang te vinden dat [eiser] ondersteuning heeft en dat moeder haar opnieuw heeft gevraagd om een therapeut/psycholoog te vinden. Verder vermeldt [regiemedewerker] dat er duidelijkheid moet komen over het al dan niet volgen van het traject bij Parlan.

2.26.

[regiemedewerker] heeft dezelfde dag aan [eiser] en moeder gemaild dat Ouderschap Blijft bij Parlan wordt uitgesteld, omdat [eiser] naar aanleiding van de vorige mail haar had gebeld, en zei hard met zichzelf aan de slag te moeten en dat er daarnaast sprake was van ‘regelzaken die prioriteit’ hadden. [regiemedewerker] schrijft verder dat er voor de tussentijd een plan voor praktische zaken de komende 2/3 maanden moet komen waarvoor [eiser] ‘een format’ zou sturen.

2.27.

Op 22 februari 2016 heeft [regiemedewerker] aan [eiser] en moeder gemaild dat er opnieuw onrust is ontstaan tussen hen over de omgang. [regiemedewerker] heeft aangegeven begrip te hebben voor de praktische en psychische factoren die het volgen van het traject van Ouderschap Blijft in de weg staan, maar dat [eiser] en moeder in het belang van [dochter] snel met concrete plannen moeten komen hoe de zorg voor [dochter] gaat worden ingevuld en hoe zij als ouders aan hun proces gaan werken. [eiser] heeft op deze e-mail boos gereageerd en het contact verbroken onder de aanzegging dit nog slechts per advocaat te willen onderhouden.

2.28.

Op 1 maart 2016 heeft [eiser] aan [regiemedewerker] een drie maanden plan voor [dochter] , een jaaroverzicht voor de omgangsregeling en een format ‘project initiation document’ gemaild.

2.29.

Op 14 maart 2016 heeft Veilig Thuis op verzoek van 1.Hoorn een schriftelijke samenvatting gegeven van de contacten die er met [eiser] en moeder zijn geweest, met het oog op een inbreng van het gezin door 1.Hoorn in het zogenoemde Schakeloverleg (met ketenpartners).

2.30.

Bij e-mail van 15 maart 2016 heeft [regiemedewerker] aan [eiser] en moeder het volgende gemaild: “Eerder heb ik aangegeven een inbreng in het schakeloverleg te gaan doen gezien de zorgen die ik heb over de huidige situatie. Inmiddels heeft [eiser] een gesprek met mij gehad waarin hij aangaf nog een kans te willen met elkaar dit plan vorm te geven en daarna Ouderschap Blijft op te gaan starten. Ik wil dit een kans geven, temeer omdat jullie beiden gemotiveerd zijn dit plan te maken, uit te werken en openstaan voor Ouderschap Blijft waardoor ik de melding met de huidige stand van zaken er niet door zal krijgen.”

2.31.

Op 29 maart 2016 heeft [regiemedewerker] aan [eiser] en moeder een concept 1Gezin1Plan toegestuurd.

2.32.

Op 14 april 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen 1.Hoorn, [eiser] en moeder waarin beide ouders hebben aangegeven dat een overbruggingsplan - een 1Gezin1Plan zoals door [regiemedewerker] gemaakt - niet nodig was omdat er voldoende was veranderd om direct te kunnen starten met Ouderschap Blijft. 1.Hoorn heeft hierover in haar digitale dossier het volgende genoteerd: “Vader is emotioneel rustiger, heeft psychische ondersteuning en kan zijn woning naar alle waarschijnlijkheid behouden. Beide ouders staan open voor hulp. Beide ouders geven aan dat de onderlinge communicatie voldoende verloopt voor nu en dat er geen reden is voor overbrugging vanuit 1.Hoorn wat wel is aangeboden en er zijn vanuit beide ouders geen zorgen omtrent de veiligheid [dochter] . Vader geeft aan blij te zijn met de plek waar moeder en dochter nu verblijven.”

2.33.

[regiemedewerker] heeft op 18 mei 2016 in het digitale dossier onder ‘stand van zaken’ het volgende genoteerd, voor zover van belang: “Momenteel staan ouders op de wachtlijst voor Ouderschap Blijft. (…) Mdr geeft aan nog steeds open te staan voor hulp, en graag geholpen te willen worden met t vinden van een woning. Dit heb ik met haar gedaan. Moeder heeft ook aangegeven psychische ondersteuning te hebben gezocht. (…) Ik regelmatig gesprekken met vader, moeder en oma de veiligheid van het meisje geverifieerd. Telkens gaven alle partijen aan geen directe zorgen te hebben over de veiligheid van het meisje.”

2.34.

Op 21 mei 2016 heeft moeder zichzelf en de tweejarige [dochter] verdronken in het Markermeer.

2.35.

Naar aanleiding van deze calamiteit hebben de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Inspectie Jeugdzorg en de Inspectie Veiligheid en Justitie (hierna: de inspecties) onderzoek gedaan. Hun bevindingen zijn neergelegd in een rapport van mei 2017. Volgens dit rapport was het doel van het onderzoek om ‘na te gaan wat er speelde in de zorg- en hulpverlening aan het gezin en dit te relateren aan de kwaliteit van de geleverde hulpverlening, zodat alle betrokken hulpverleners hiervan kunnen leren’. De inspecties hebben het volgende geconcludeerd:

“De betrokken organisaties hebben de zorg en ondersteuning aan het gezin onvoldoende in samenhang geboden, waardoor de veiligheid en de ontwikkeling van het kind buiten beeld zijn geraakt.”

2.36.

De Wmo-toezichthouder van gemeente Hoorn heeft naar aanleiding van de calamiteit op 21 mei 2016 een Wmo-onderzoek verricht. Doel van dit onderzoek was - aldus het opgestelde rapport - het opleveren van leerpunten ter verbetering van de (jeugd)hulp aan kinderen en hun gezinnen in de gemeente Hoorn. De belangrijkste conclusies uit dit onderzoek zijn de volgende:
“• er was geen speciale alertheid voor aanmeldingen die via Veilig Thuis bij 1.Hoorn binnenkwamen; de complexiteit van de zorgvraag in deze casus werd sterk onderschat;

• de werkwijze van 1.Hoorn liet veel ruimte aan de professional om zelf te beoordelen wat er nodig was, wanneer consult gewenst was. Er was nauwelijks sprake van sturing en toezicht op de aanpak en de voortgang. De mogelijkheden van een (generalistische) hulpverlener werden overschat;

• er is door de medewerker geen gebruik gemaakt van de aanpak 1Gezin, 1Plan, 1Regisseur, die stuurt op samenwerking tussen alle betrokken hulpverleners en de ouders; door 1.Hoorn is geen regie gevoerd.”

2.37.

Veilig Thuis en 1.Hoorn hebben naar aanleiding van beide onderzoeken verbetertrajecten ingezet.

2.38.

[eiser] heeft op 11 april 2018 aangifte gedaan van dood door schuld tegen Veilig Thuis en 1.Hoorn. Het openbaar ministerie heeft beslist om deze instanties niet strafrechtelijk te vervolgen. [eiser] heeft vervolgens een klacht ingediend op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering bij het gerechtshof Amsterdam. Bij beschikking van 18 april 2023 heeft het gerechtshof het beklag van [eiser] afgewezen. Daartoe heeft het gerechtshof, gelet op het door de politie nader verrichte onderzoek, het volgende geoordeeld, voor zover van belang:
“Het hof constateert dat uit het nader onderzoek niet naar voren komt dat uit hetgeen waarneembaar was voor de betrokken organisaties (en personen) kan worden afgeleid dat zij zich ervan bewust hadden kunnen en moeten zijn, dat er sprake was van een levensbedreigende situatie voor [dochter] of dat verandering in het gedrag van klagers ex-vrouw aanleiding had moeten geven [eiser] te handelen dan zij hebben gedaan. Op grond van de inhoud van de meldingen die zijn gedaan is naar het oordeel van het hof niet vast te stellen dat de instanties reeds vóór het noodlottige feit hadden moeten vermoeden of weten dat de ex-vrouw van klager zichzelf en [dochter] iets aan zou doen of dat [dochter] concreet gevaar liep.

Het hof is van oordeel dat ook het geheel van de door klager aan de beklaagden gemaakte verwijten, voor zover die bewezen kunnen worden, in onderling (tijds)verband en samenhang bezien en gelet op de aard en de ernst daarvan onvoldoende concrete aanwijzingen bevat dat de beklaagden [dochter] in een hulpeloze toestand hebben gelaten of gebracht ofwel in strafrechtelijke zin nalatig hebben gehandeld.

De strafrechter zal uit de reeks van gebeurtenissen naar het oordeel van het hof dan ook hoogstwaarschijnlijk niet een oorzakelijk verband af kunnen leiden tussen het handelen door de beklaagden en de dood van [dochter] . De tragische dood van [dochter] staat daarmee naar het oordeel van het hof in een te ver verwijderd causaal verband met het handelen of nalaten van de beklaagden, zodat een gerede kans op veroordeling bij voorlegging van de zaak aan de strafrechter ontbreekt.”

2.39.

Bij brief van 5 december 2019 heeft [eiser] Veilig Thuis en 1.Hoorn aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade als gevolg van het voorval op 21 mei 2016. Veilig Thuis en 1.Hoorn hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen. Een poging om de kwestie minnelijk te regelen heeft begin 2022 geen resultaat opgeleverd.

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat Veilig Thuis en 1.Hoorn een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben gepleegd en hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens hem en gehouden zijn alle daartoe veroorzaakte schade te vergoeden;

II. de zaak verwijst naar de schadestaatprocedure teneinde het beloop en het bedrag van de schade vast te stellen;

III. Veilig Thuis en 1.Hoorn hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten aan [eiser] , gemaakt vanaf mei 2016, te vermeerderen met de wettelijke rente;
IV. Veilig Thuis en 1.Hoorn veroordeelt in de (na)kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag.

Veilig Thuis en 1.Hoorn hebben een onrechtmatige daad jegens [dochter] en jegens hem gepleegd door vanuit hun (wettelijke) taakstelling onvoldoende zorg, bijstand en toezicht op het gezin te houden en om de veiligheid van [dochter] te waarborgen. Met de vele, door [eiser] geuite zorgen is op cruciale momenten niets, althans onvoldoende gedaan. Veilig Thuis en 1.Hoorn hebben geen (tijdige) actie ondernomen, terwijl [eiser] vele malen had gewaarschuwd dat ingrijpen noodzakelijk was. Zo is er niet opgeschaald naar het Schakeloverleg noch is de Raad voor de Kinderbescherming direct ingeschakeld voor het uitvoeren van een onderzoek naar een gezagsbeperkende maatregel in het belang van [dochter] . De ernst van de situatie waarop de zorgmeldingen betrekking hadden gaf daartoe wel aanleiding. Veilig Thuis en 1.Hoorn zijn de op hun rustende zorgverplichtingen niet nagekomen. Dit is vastgesteld in de rapporten van de inspecties en de Wmo-toezichthouder. Daarmee hebben Veilig Thuis en 1.Hoorn in strijd met hun wettelijke plicht en maatschappelijk onzorgvuldig gehandeld. Door het verzaken van hun zorgplicht heeft het kunnen gebeuren dat moeder de noodlottige daad heeft kunnen uitvoeren. [eiser] heeft hierdoor materiële en immateriële schade geleden, waaronder verlies aan inkomsten en shockschade. Veilig Thuis en 1.Hoorn zijn voor die schade hoofdelijk aansprakelijk, aldus [eiser] .

3.3.

Veilig Thuis en 1.Hoorn voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn vorderingen dan wel afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Standpunt Veilig Thuis

3.4.

Veilig Thuis betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Kort samengevat voert zij het volgende aan.

3.4.1.

Veilig Thuis biedt zelf geen hulp. Naar aanleiding van meldingen over huiselijk geweld of kindermishandeling beoordeelt, adviseert en besteedt Veilig Thuis uit. Na het afwikkelen van een melding heeft Veilig Thuis nog een beperkte monitoringstaak. Zij heeft voorts geen bevoegdheden om zelfstandig kinderbeschermingsmaatregelen te treffen.

3.4.2.

Veilig Thuis was bij het gezin betrokken in de periode februari – augustus 2015. In die periode was sprake van vier zorgmeldingen. Veilig Thuis heeft op die meldingen binnen haar rol en bevoegdheden juist en conform haar protocollen en beleid gehandeld. Het was destijds op basis van de haar beschikbare informatie niet voorzienbaar/waarneembaar dat moeder zichzelf en/of [dochter] iets aan zou doen en/of dat [dochter] concreet gevaar liep. Veilig Thuis mocht gerechtvaardigd afgaan op de door haar verkregen informatie van de huisarts, de psycholoog van moeder, de (ervaren) vertrouwensarts en de medewerkers van 1.Hoorn en Parlan. Uit die informatie volgden geen (objectieve) aanwijzingen voor depressiviteit of suïcidaliteit bij moeder respectievelijk voor de door [eiser] geduide risico’s. [eiser] en moeder hadden zich voorts bereid verklaard om met hun relatieproblemen aan de slag te gaan. Conform het advies van Parlan en in samenspraak met [eiser] en moeder is het gezin aan 1.Hoorn overgedragen. Omdat 1.Hoorn in staat was om de zorgmeldingen over te nemen en beide ouders aangaven mee te willen werken was er geen enkele reden voor Veilig Thuis om de Raad voor de Kinderbescherming in kennis te stellen of om anderszins op te schalen naar een ketenpartner.

3.4.3.

[eiser] stelt niet wat Veilig Thuis op welk moment en om welke reden [eiser] had moeten doen. Dat blijkt ook niet uit de rapporten van de inspecties en de Wmo-toezichthouder waarop [eiser] zich beroept. Daarmee heeft [eiser] de gestelde schending van de norm strekkende tot bescherming van [dochter] onvoldoende onderbouwd. Zelfs indien Veilig Thuis jegens [dochter] wél onrechtmatig zou hebben gehandeld - wat wordt betwist - levert dat geen onrechtmatig handelen jegens [eiser] op. [eiser] heeft in dat geval slechts aanspraak op overlijdensschade op grond van artikel 6:108 BW. Bovendien komt [eiser] niet met succes een shockschadevordering ex artikel 6:162 BW toe, omdat aan de daarvoor geldende vereisten niet is voldaan. Tot slot betwist Veilig Thuis het bestaan van enig causaal verband tussen haar handelwijze en het (ontstaan van het) voorval op 21 mei 2016.

Standpunt 1.Hoorn

3.5. 1.

Hoorn betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Kort samengevat voert zij het volgende aan.

3.5.1.

De vraag of 1.Hoorn onrechtmatig heeft gehandeld moet worden beoordeeld naar het moment waarop dit plaatsvond. In 2015 is de decentralisatie van de jeugdhulp naar gemeenten ingezet. De visie van de wetgever over de jeugdzorg was om de autonomie en de verantwoordelijkheid bij de ouders te leggen wat betreft het verzorgen en opvoeden van hun kinderen. De overheid zou pas in beeld komen voor zorg, hulp of ondersteuning bij onoverkomelijke problemen. Hierbij werd ruimte, vrijheid en verantwoordelijkheid geboden aan de professional om naar bevind van zaken te handelen en het interventietraject af te stemmen op de specifieke situatie.

3.5.2. 1.

Hoorn heeft binnen haar mogelijkheden en de visie en uitgangspunten van de wetgever alles gedaan wat zij kon doen voor [eiser] , moeder en [dochter] . 1.Hoorn kon niet voorzien dat de veiligheid van [dochter] zodanig in gevaar zou komen dat moeder haar zou doden. Er waren geen concrete aanwijzingen die daarop wezen, wat tot actie van 1.Hoorn had moeten leiden. [eiser] verwijst naar de rapporten van de inspecties en de Wmo-toezichthouder, maar hij stelt niet - en dat blijkt ook niet uit deze rapporten - wat 1.Hoorn op basis van welke kennis op bepaalde momenten [eiser] had moeten doen, hoe de hulpverlening er dan verder uit zou hebben gezien en dat daarmee het overlijden van [dochter] zou zijn voorkomen. Deze rapporten zijn gericht op het onderzoeken van de geboden hulpverlening en de leerpunten ter verbetering van de jeugdhulp. Zij zijn niet bedoeld om het handelen van 1.Hoorn civielrechtelijk te duiden. De bevindingen van de inspecties en de Wmo-toezichthouder kunnen daarom niet de conclusie dragen dat 1.Hoorn onvoldoende zorg heeft betracht of onrechtmatig heeft gehandeld.

3.5.3. 1.

Hoorn wijst er daarbij op dat zij veel en actief aandacht heeft besteed en hulp heeft geboden aan [eiser] , moeder en [dochter] . Zo zijn er verschillende gesprekken geweest, is met [eiser] en moeder een veiligheidsplan opgesteld en zijn [eiser] en moeder gestimuleerd om een ouderschapsplan op te stellen en om mee te werken aan een begeleidingsplan. [eiser] en moeder waren welwillend en vroegen ook zelf om hulp. Zo heeft 1.Hoorn aan moeder hulp aangeboden - die zij accepteerde - op het gebied van taallessen, inburgering, woonruimte, werk en therapie. Ook heeft 1.Hoorn aan [eiser] financiële en juridische ondersteuning verleend toen hij zonder werk zat en zijn huis dreigde te verliezen (januari/februari 2016). Verder heeft 1.Hoorn [eiser] en moeder aangemeld voor specialistische hulp via Ouderschap Blijft van Parlan. In 2015 en 2016 heeft 1.Hoorn diverse keren de veiligheid van [dochter] geverifieerd, waarop [eiser] en moeder steeds aangaven dat [dochter] bij hen allebei veilig was. Daarbij heeft regiemedewerker [regiemedewerker] veelvuldig per mail, telefoon, WhatsApp of sms contact onderhouden met beide ouders.

3.5.4.

[eiser] en moeder hadden weliswaar moeite met het nakomen van de afspraken en hadden ieder hun eigen problemen die aandacht vroegen, zij bleven bereidwillig en welwillend. Voor 1.Hoorn was er daarom geen reden om de situatie voor te leggen aan het Schakeloverleg. 1.Hoorn had ook geen aanleiding te veronderstellen dat de situatie van [dochter] niet veilig was.

3.5.5.

Voor zover 1.Hoorn wél onrechtmatig zou hebben gehandeld, is de vordering van [eiser] beperkt tot overlijdensschade op grond van artikel 6:108 BW. 1.Hoorn betwist, tot slot, de shockschadevordering van [eiser] en het bestaan van causaal verband tussen de handelwijze van 1.Hoorn en de schade van [eiser] wegens het overlijden van [dochter] .

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

Inleiding

4.1.

Aan deze zaak ligt de zelfdoding en kinddoding van [dochter] door moeder ten grondslag. Dat heeft een enorme impact (gehad) op alle betrokkenen, in het bijzonder op [eiser] . De rechtbank ziet dat [eiser] er stellig van overtuigd is dat Veilig Thuis en 1.Hoorn niet adequaat hebben gereageerd op zijn zorgen en dat hij vindt dat hem groot onrecht is aangedaan, omdat door de betrokken personen en instanties geen verantwoording wordt afgelegd. De rechtbank begrijpt dat dit laatste een belangrijke drijfveer is van [eiser] om Veilig Thuis en 1.Hoorn in rechte te betrekken. De vraag die de rechtbank in deze procedure echter dient te beantwoorden is of er een feitelijke en juridische grondslag bestaat om Veilig Thuis en 1.Hoorn op grond van een onrechtmatige daad (hoofdelijk) aansprakelijk te houden voor de door [eiser] gestelde schade als gevolg van het trieste voorval op 21 mei 2016.

Fout als bedoeld in artikel 6:162 BW

4.2.

In het kader van de aansprakelijkheidsvraag moet allereerst worden beoordeeld of Veilig Thuis en 1.Hoorn een wettelijke plicht of civielrechtelijke zorgvuldigheidsnorm hebben geschonden, met andere woorden of zij een fout hebben gemaakt als bedoeld in artikel 6:162 BW. Het ligt op de weg van [eiser] , op wie in deze de stelplicht en bij gemotiveerde betwisting ook de bewijslast rust 2, om concreet en feitelijk onderbouwd aan te geven dat Veilig Thuis en 1.Hoorn een dergelijke fout hebben gemaakt.

4.3.

In de kern betoogt [eiser] dat Veilig Thuis en 1.Hoorn de op hun rustende zorgplicht hebben geschonden door vanuit hun wettelijke taakstelling onvoldoende zorg, bijstand en toezicht op het gezin te houden en om de veiligheid van [dochter] te waarborgen. Volgens [eiser] is er op cruciale momenten niets althans onvoldoende gedaan, terwijl ingrijpen noodzakelijk was. Veilig Thuis en 1.Hoorn hebben een en ander betwist.

4.4.

[eiser] heeft ervoor gekozen om in de processtukken de door hem gemaakte verwijten aan Veilig Thuis en 1.Hoorn niet per instantie uit te splitsen. Dat had naar het oordeel van de rechtbank wel op zijn weg gelegen. Het gaat hier immers om de beoordeling van handelingen van Veilig Thuis en van 1.Hoorn in het kader van hun eigen wettelijk opgedragen taken. Veilig Thuis en 1.Hoorn hebben ook elk hun eigen bevoegdheden. Tegen die achtergrond kunnen alleen concreet verweten handelingen per instantie worden beoordeeld. Het handelen van Veilig Thuis en 1.Hoorn van destijds (in 2015/2016) moet ook worden beoordeeld in het destijds geldende kader.

Het oordeel van de rechtbank

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat en op welk moment Veilig Thuis en 1.Hoorn in de uitoefening van hun specifieke wettelijke taken en bevoegdheden, zoals zij die destijds hadden, niet rechtmatig hebben gehandeld. De rechtbank komt daarom niet toe aan bewijslevering. Dit oordeel licht de rechtbank hierna toe.

De rapporten van de inspecties en de Wmo-toezichthouder

4.6.

[eiser] leunt blijkens zijn stellingen zwaar op het negatieve oordeel in de onder 2.35 en 2.36 vermelde rapporten van de inspecties en de Wmo-toezichthouder over bepaalde facetten van het optreden van Veilig Thuis en 1.Hoorn bij de zorg en ondersteuning aan het gezin. De rechtbank hecht voor de beoordeling van de civiele aansprakelijkheidsvraag echter geen doorslaggevende betekenis aan deze rapporten. Daarbij is van belang dat de onderzoeken van de Wmo-toezichthouder en de inspecties niet strekten tot beantwoording van de schuldaansprakelijkheidsvraag, maar erop gericht waren om te beoordelen of de zorgstructuur zoals de gemeente Hoorn die had ingericht voldeed voor de kwetsbare inwoners respectievelijk om de werkwijze te verbeteren voor alle betrokken organisaties. De gegeven oordelen over het optreden van Veilig Thuis en 1.Hoorn en de geformuleerde verbeterpunten in de rapporten leiden, [eiser] dan [eiser] kennelijk meent, niet zonder meer en één op één tot het oordeel dat Veilig Thuis en 1.Hoorn onrechtmatig hebben gehandeld. Daarbij tekent de rechtbank nog aan dat het enkele feit dat Veilig Thuis en 1.Hoorn verbetertrajecten hebben ingezet geen erkenning van civielrechtelijke aansprakelijkheid impliceert.

4.7.

De rechtbank zal hierna ingaan op de rol, taken en bevoegdheden van Veilig Thuis en 1.Hoorn in 2015 en 2016 en op hun handelingen in deze zaak.

Vorderingen jegens Veilig Thuis

4.8.

Veilig Thuis was in 2015 (en is nog steeds) een meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling voor de regio Hollands Noorden waartoe gemeente Hoorn behoort.

Het wettelijk kader

4.9.

Ten tijde van de hierna onder 4.14 vermelde meldingen ontleende de destijds als AMHK 3 maar nu als Veilig Thuis aangeduide organisatie haar bevoegdheden aan artikel 4.1.1 Wmo, zoals dat destijds luidde. Per 1 juli 2020 is de Wmo in die zin gewijzigd dat alle verwijzingen naar het AMHK zijn vervangen door verwijzingen naar Veilig Thuis.

4.10.

Artikel 4.1.1 lid 2 Wmo bevat de opgedragen taken van Veilig Thuis. Uit de volgorde van die taken volgt een duidelijk, op concrete werkzaamheden gericht stappenplan: de Veilig Thuis-organisatie moet allereerst (a.) meldingen ontvangen van vermoedens van onder andere kindermishandeling, dan (b.) die melding op haar realiteitsgehalte onderzoeken, en vervolgens (c.) in kaart brengen welke stappen genomen kunnen worden om het gemelde probleem op te lossen, om vervolgens aan de hand van die beoordeling (d.) een passende hulpverlener dan wel (e.) de politie of de Raad voor de Kinderbescherming te verwittigen, in beide gevallen met een evenredigheidstoets. Na afloop van dat proces moet de Veilig Thuis-organisatie (g.) de melder op de hoogte stellen van de stappen die naar aanleiding van zijn of haar melding zijn genomen.

4.11.

Veilig Thuis heeft een zekere mate van beleidsvrijheid en beoordelingsruimte bij de uitoefening van haar taken. Het Handelingsprotocol Veilig Thuis 2014 (hierna: het Handelingsprotocol) gaf daar destijds een nadere invulling aan. Daaruit blijkt dat een overdracht naar het lokale veld (in dit geval 1.Hoorn) het uitgangspunt was in het geval dat betrokkenen bereid waren om hulp te accepteren. Voor het direct betrekken van de Raad voor de Kinderbescherming stonden in het Handelingsprotocol de volgende criteria:

“ - er is een redelijk vermoeden dat er sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van een minderjarige waardoor de inzet van een kinderbeschermingsmaatregel moet worden overwogen, en/of,
- de onmogelijkheden om de bedreigde ontwikkeling met behulp van vrijwillige hulpverlening af te wenden, waardoor overheidsingrijpen noodzakelijk wordt, en/of,
- er is sprake van een gezagsvacuüm.”

4.12.

Daarnaast gold voor Veilig Thuis het actieplan Veilig Thuis van november 2014 (hierna: actieplan Veilig Thuis). Dat gaat onder meer over de samenwerking en taakverdeling tussen Veilig Thuis en zeven West-Friese gemeenten. Uitgangspunt in dat plan is ook dat de regie in de lokale teams van de gemeenten ligt ‘omdat zij verantwoordelijk zijn voor het herstel en borgen van de veiligheid indien er geen kinderbeschermingsmaatregel of huisverbod is uitgesproken’.

4.13.

In het licht van deze context moet het handelen van Veilig Thuis worden beoordeeld.

Meldingen

4.14.

Veilig Thuis was bij [eiser] en moeder betrokken in de periode van 5 februari 2015 tot en met 19 augustus 2015. In die periode was sprake van vier zorgmeldingen, te weten op 5 februari 2015, 1 april 2015, 20/21 juli 2015 en 7 augustus 2015.

4.15.

Het verwijt van [eiser] dat Veilig Thuis die meldingen niet adequaat heeft opgepakt en dat zij niet tijdig heeft ingrepen slaagt niet. In algemene zin heeft [eiser] gesteld dat er door Veilig Thuis opgeschaald had moeten worden naar de Raad voor de Kinderbescherming (via het Schakeloverleg), maar [eiser] heeft niet concreet gesteld en feitelijk onderbouwd dat en wanneer er voldoende aanleiding voor Veilig Thuis bestond zich ernstige zorgen te maken over psychische problematiek van moeder en dat daarin een reëel gevaar voor [dochter] was gelegen.

4.16.

Ten tijde van de eerste melding op 5 februari 2015 heeft [eiser] weliswaar uitspraken geuit over de geestestoestand van moeder en over zijn vrees dat zij suïcide zou plegen, maar tijdens het onderzoek dat Veilig Thuis vervolgens verrichtte (zie 2.3 tot en met 2.7) bleek dat de zorgen van [eiser] door ter zake deskundigen niet werden gedeeld. Ook bleek dat er afspraken over de veiligheid en omgang waren gemaakt om nieuw huiselijk geweld te voorkomen en dat [eiser] en moeder zich akkoord hadden verklaard met ambulante spoedhulpverlening door Parlan. Veilig Thuis heeft het gezin daarna overgedragen naar 1.Hoorn, omdat de problematiek passend was voor het hulpaanbod van 1.Hoorn. De rechtbank vindt dat Veilig Thuis binnen de beoordelingsruimte die zij had en gelet op het actieplan Veilig Thuis en op de ernst van de situatie, in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Er was op dat moment geen sprake van acuut (fysiek) gevaar voor [dochter] en [eiser] en moeder waren bereidwillig mee te werken aan hulpverlening. Nu daarmee aan de voor opschaling geldende criteria uit het Handelingsprotocol niet was voldaan, was er geen reden voor Veilig Thuis voor het direct betrekken van de Raad voor de Kinderbescherming. Dat was er ook niet na de tweede, derde en vierde zorgmelding. Die meldingen zagen op fysiek respectievelijk verbaal geweld van [eiser] jegens moeder waar [dochter] getuige van was geweest. Veilig Thuis heeft daarop gehandeld door triage uit te voeren, afspraken te maken en noodopvang voor moeder en [dochter] te regelen.

4.17.

Veilig Thuis heeft alle meldingen - na haar veiligheidsbeoordeling en het uitvoeren van acties - doorgezet naar 1.Hoorn als hulpverlenende instantie. Desgevraagd heeft Veilig Thuis vanuit haar monitoringsrol een terugkoppeling ontvangen. Dat Veilig Thuis op 20 juli 2015 van [eiser] te horen kreeg dat 1.Hoorn vrijwel niets deed - wat daar ook van zij - maakt naar het oordeel van de rechtbank niet, [eiser] dan de inspecties kennelijk menen, dat Veilig Thuis de casus met het oog op de veiligheid van [dochter] had moeten terugnemen. Bij 1.Hoorn lag de regie en uitvoering van de hulpverlening. 1.Hoorn heeft op 21 juli 2015 en ook naar aanleiding van de zorgmelding op 7 augustus 2015 aan Veilig Thuis bevestigd dat er zicht werd gehouden op de veiligheid, dat ondersteuning werd geboden in de vorm van hulp bij het opstellen van een veiligheids- en ouderschapsplan en dat er bij blijvende zorgen een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming zou worden gedaan. Veilig Thuis mocht daar in redelijkheid op afgaan, gelet op de haar destijds toekomende bevoegdheden en in het licht van wat haar toen bekend was over de (fysieke) veiligheid van [dochter] .

4.18.

Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk een consistent beeld dat [dochter] volgens verklaringen van [eiser] , moeder en de betrokken hulpverleners in 2015 geen concreet gevaar liep, [eiser] dan het door [eiser] gestelde gevaar van ontvoering. In dat licht is het betoog van [eiser] dat hij steeds heeft aangegeven dat [dochter] wél in gevaar was onvoldoende feitelijk onderbouwd. Uit zijn overgelegde tekstberichten blijkt niet dat sprake was van een levensbedreigende situatie voor [dochter] of dat een verandering in het gedrag van moeder Veilig Thuis aanleiding had moeten geven [eiser] te handelen dan zij heeft gedaan. Veilig Thuis heeft onweersproken aangevoerd dat zij van anderen evenmin aanwijzingen heeft ontvangen waaruit de fysieke onveiligheid van [dochter] in één-op-één situaties met moeder naar voren kwam.

Conclusie

4.19.

Gelet op het wettelijk kader en de in dit vonnis geschetste omstandigheden concludeert de rechtbank dan ook dat niet kan worden vastgesteld dat Veilig Thuis haar zorgplicht heeft geschonden door de manier waarop zij haar taken heeft uitgevoerd. Veilig Thuis heeft niet onrechtmatig gehandeld en is daarom niet schadeplichtig jegens [eiser] . De tegenover Veilig Thuis gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen. De nevenvorderingen van [eiser] jegens Veilig Thuis delen in het lot van de afwijzing.

Vorderingen jegens 1.Hoorn

4.20. 1.

Hoorn is van 17 februari 2015 tot en met 21 mei 2016 als hulpverlenende instantie bij het gezin betrokken geweest.

Het wettelijk kader

4.21.

Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van jeugdhulp. Op grond van Jeugdwet heeft een gemeente een jeugdhulpplicht indien zij van oordeel is dat een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Uitgangspunt is volgens de wetgever de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders. Een gemeente behoeft alleen een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er niet op eigen kracht uitkomen. De wetgever heeft toegelicht dat is ‘(…) gekozen voor een inspanningsverplichting waarbij de gemeente zich de moeite moet getroosten om een zo goed mogelijk resultaat te bereiken’ 4.

4.22.

Bij de vormgeving van haar jeugdhulpplicht heeft een gemeente beleidsvrijheid. Deze wordt begrensd door de Jeugdwet en mag niet zodanig worden ingevuld dat strijd ontstaat met internationale verdragen. Een gemeente kan in een verordening bepalen voor welke vormen van hulp een besluit nodig is en volgens welke procedure. Dat heeft de gemeente Hoorn gedaan in haar Verordening Zorg voor Jeugd gemeente Hoorn 2015. Nadere (beleids)regels heeft de gemeente Hoorn vastgelegd in het Besluit nadere regels Zorg voor Jeugd 2015 en 1.Hoorn in het Handboek 1.Hoorn. Volgens het Handboek 1.Hoorn biedt 1.Hoorn: “…laagdrempelige (opvoed en zorg) ondersteuning, faciliteert, werkt preventief, verbindt, signaleert, zet specialistische hulp in waar nodig, voert zorgcoördinatie uit, werkt volgens het principe 1 gezin/huishouden, 1 plan. 1 regisseur, houdt de vinger aan de pols, gaat erop af waar nodig, is netwerkpartner en verzorgt de toegang tot een groot deel van de (jeugd) hulp/zorg.”

4.23.

Daarnaast golden voor 1.Hoorn in 2015 en 2016 het actieplan Veilig Thuis en de Samenwerkingsafspraken Schakeloverleg West-Friesland december 2015 (hierna: Samenwerkingsafspraken Schakeloverleg). In de Samenwerkingsafspraken Schakeloverleg, die op 1 maart 2015 in werking zijn getreden, zijn de volgende criteria voor inbreng in het Schakeloverleg opgenomen:
“1. Het lukt niet om samen met het gezin een plan te maken en/of uit te voeren, terwijl de zorgen m.b.t. de ontwikkeling van het kind onverminderd groot zijn.

2. Het lukt niet om de veiligheid en de ontwikkeling van het kind duurzaam te borgen.

3. In het voortraject zijn in vrijwillig kader alle mogelijkheden uitputtend geprobeerd.
Lukt het niet, ondanks intensieve pogingen, om binnen de gestelde tijd de veiligheid voor het kind/de kinderen te herstellen dan bespreekt de hulpverlener met de ouders dat de casus ingebracht wordt ter bespreking in het Schakeloverleg.”

4.24.

In het licht van deze context moet het handelen van 1.Hoorn worden beoordeeld.

Het handelen van 1.Hoorn

4.25.

[eiser] verwijt 1.Hoorn - net als Veilig Thuis - dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door vanuit haar (wettelijke) taakstelling onvoldoende zorg, bijstand en toezicht op het gezin te houden en om de veiligheid van [dochter] te waarborgen. 1.Hoorn betwist dat en heeft aangevoerd dat zij binnen de visie en uitgangspunten van de wetgever en haar mogelijkheden alles heeft gedaan wat zij kon doen. Volgens 1.Hoorn waren er geen concrete aanwijzingen dat moeder zichzelf iets zou aandoen en/of dat [dochter] concreet gevaar liep. [eiser] heeft niet gesteld wat wanneer [eiser] had gemoeten, aldus 1.Hoorn.

4.26.

De rechtbank volgt 1.Hoorn hierin. Uit de stukken blijkt dat er na de overdracht op 17 februari 2015 van de casus door Veilig Thuis tussen 1.Hoorn, [eiser] en moeder contactmomenten zijn geweest, maar dat het niet was gelukt om in gezamenlijkheid de hulpverlening vanuit 1.Hoorn goed op gang te brengen. Na kennisname van de op 20/21 juli 2015 bij Veilig Thuis ingediende zorgmeldingen heeft regiemedewerker [regiemedewerker] zich vervolgens actief met de zaak beziggehouden. Zoals hiervoor overwogen werd er vanuit 1.Hoorn zicht gehouden op de veiligheid, ondersteuning geboden in de vorm van hulp bij het opstellen van een veiligheids- en ouderschapsplan en zou bij blijvende zorgen een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming worden gedaan. Op dat moment werkten beide ouders mee en waren zij bereidwillig, zodat in het vrijwillig kader alle mogelijkheden nog niet uitputtend waren geprobeerd. Het paste ook in de visie van de wetgever dat 1.Hoorn probeerde de ouders zoveel mogelijk zelf een plan te laten opstellen. Voor 1.Hoorn was er daarom, gelet op de voor haar geldende kaders, medio 2015 geen aanleiding om de Raad voor de Kinderbescherming in kennis te stellen of om anderszins op te schalen met het oog op de fysieke veiligheid van [dochter] . Van belang daarbij is dat concrete aanwijzingen dat [dochter] vanwege de geestestoestand van moeder gevaar liep ontbraken. De rechtbank verwijst in dit verband verder naar wat zij daarover onder 4.18 heeft overwogen.

4.27.

Voor de periode van eind 2015 - begin 2016 geldt eveneens dat geen sprake was van een levensbedreigende situatie voor [dochter] of dat een verandering in het gedrag van moeder 1.Hoorn aanleiding had moeten geven [eiser] te handelen dan zij heeft gedaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.27.1. 1.

Hoorn heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij in die periode veel en actief aandacht heeft gehad voor [eiser] , moeder en [dochter] . Volgens 1.Hoorn heeft zij de zorgen van [eiser] serieus genomen en op veel gebieden hulp ingeschakeld, toen bleek dat [eiser] en moeder er zelf niet uitkwamen. De rechtbank ziet voor dit betoog steun in de hiervoor onder 2.22 tot en met 2.28 vermelde feiten, evenals uit de veelvuldig gevoerde contacten via Whatsapp met [regiemedewerker] . Daaruit blijkt ook dat de contacten tussen [eiser] en moeder veel beter verliepen, dat zij beiden gemotiveerd waren en dat zij open stonden voor het volgen van het traject Ouderschap Blijft bij Parlan waarvoor 1.Hoorn hen had aangemeld.

4.27.2.

Toen bleek dat Ouderschap Blijft niet tot stand kwam vanwege andere prioriteiten van [eiser] en moeder, heeft 1.Hoorn de hulpverlening bijgesteld waarbij aan de orde is gekomen op te schalen naar het Schakeloverleg en voor de tussentijd een overbruggingsplan (een 1Gezin1Plan) te maken. [eiser] heeft vervolgens op 15 maart 2016 zelf aan 1.Hoorn gevraagd om nog een kans - en die gekregen - om met moeder en 1.Hoorn dit plan vorm te geven en daarna Ouderschap Blijft op te gaan starten. Op 14 april 2016 hebben [eiser] en moeder aan 1.Hoorn te kennen gegeven dat een overbruggingsplan niet nodig was, omdat er voldoende was veranderd om direct te kunnen starten met Ouderschap Blijft. Daarbij hebben zij beiden zowel in april 2016 als half mei 2016 aan 1.Hoorn desgevraagd aangegeven over de veiligheid van [dochter] geen zorgen te hebben.

4.27.3.

Kortom, [eiser] en moeder waren welwillend en bereid om hulp te accepteren zodat 1.Hoorn ervan mocht uitgaan dat er in het vrijwillig kader nog hulpverleningsmogelijkheden waren. Gelet op de Samenwerkingsafspraken Schakeloverleg heeft 1.Hoorn dan ook in redelijkheid kunnen afzien van het indienen van een verzoek tot bespreking in het Schakeloverleg of tot het direct in kennis stellen van de Raad voor de Kinderbescherming. Van belang daarbij is dat 1.Hoorn ermee bekend was dat moeder woonruimte en een baan had gevonden, taallessen volgde, een nieuwe relatie had en contact onderhield met de huisarts en een therapeut. Er waren toen geen concrete aanwijzingen die erop wezen dat moeder [dochter] iets zou aandoen of dat [dochter] concreet gevaar liep, naar aanleiding waarvan 1.Hoorn actie had moeten ondernemen. [eiser] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om van het tegendeel uit te kunnen gaan.

Conclusie

4.28.

Gelet op het wettelijk kader en de in dit vonnis geschetste omstandigheden concludeert de rechtbank dan ook dat niet kan worden vastgesteld dat 1.Hoorn de zorgplicht heeft geschonden door de manier waarop zij haar taken heeft uitgevoerd. Dat 1.Hoorn pas in een laat stadium een aanvang heeft gemaakt met de aanpak 1Gezin1Plan1Regisseur is niet toereikend om (onrechtmatig) verwijtbaar onzorgvuldig handelen aan te kunnen nemen. Ook de enkele verwijzing naar de kritiekpunten uit de rapporten van de inspecties en de Wmo-toezichthouder rechtvaardigt dit oordeel niet. Zoals gezegd lag het, gelet op het gemotiveerde verweer van 1.Hoorn, op de weg van [eiser] om concreet te stellen en feitelijk te onderbouwen hoe en wanneer 1.Hoorn de op haar rustende zorgverplichtingen niet is nagekomen. Dat heeft [eiser] niet gedaan.

4.29. 1.

Hoorn heeft dus niet onrechtmatig gehandeld en is daarom niet schadeplichtig jegens [eiser] . De tegenover 1.Hoorn gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen. De nevenvorderingen van [eiser] jegens 1.Hoorn delen in het lot van de afwijzing.

Slotsom

4.30.

De slotsom is dat alle vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Wat voor het overige nog is aangevoerd, onder andere ten aanzien van shockschade en het causaal verband, behoeft geen bespreking.

Proceskosten

4.31.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.

De proceskosten van Veilig Thuis worden begroot op:

- griffierecht

688,00

- salaris advocaat

1.228,00

(2 punten × € 614,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.094,00

De proceskosten van 1.Hoorn worden begroot op:

- griffierecht

688,00

- salaris advocaat

1.228,00

(2 punten × € 614,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.094,00

4.32.

De rechtbank zal de door Veilig Thuis en 1.Hoorn gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing. De rechtbank zal verder de door Veilig Thuis gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring toewijzen.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Veilig Thuis van € 2.094,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de onder 5.2 vermelde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.4.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van 1.Hoorn van € 2.094,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.5.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de onder 5.4 vermelde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de beslissingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid, mr. N. Boots en mr. W. Paping-Kool en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.

ST

1

de organisatie in de zin van artikel 4.1.1 lid 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) voor de regio Hollands Noorden waartoe gemeente Hoorn behoort.

2

op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

3

Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK)

4

Kamerstukken II 33 684, nr. 3, p. 135.


meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Meer fiscale opties pensioenverrekening samenwoners
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 06-05-2025
Jasper Horsthuis en Rob Welling gaan in gesprek over een recente uitbreiding van de fiscale mogelijkheden voor pensioenverrekening door samenwoners. Zij bepleiten een verdere verruiming van de regeling.
Podcastgesprek: Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente (II)
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 22-04-2025
De Belastingdienst heeft - opnieuw - een standpunt gepubliceerd over de fiscale afwikkeling van een lijfrentepolis bij echtscheiding. Rob Welling en Jasper Horsthuis bespreken de gevolgen hiervan.
Podcastgesprek: Breaking! Vóórhuwelijks vergoedingsrecht halveert niet!
Drs. Jasper Horsthuis en Rob Welling, 08-04-2025
Onze redacteur Jasper Horsthuis en scheidingsfiscalist Rob Welling gingen in gesprek over de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad op 21-03-2025. Super heldere uitleg over inhoud en gevolgen van de uitspraak!
Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN