Rechtbank Noord-Holland 31-12-2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15646

Essentie (gemaakt door AI)

Vader vordert verklaring voor recht dat Veilig Thuis en gemeente (1.Hoorn) onrechtmatig handelen wegens schending zorgplicht rond meldingen huiselijk geweld en gevreesde onveiligheid kind, met schadevergoeding. Rechtbank oordeelt dat vader onvoldoende concreet stelt welke fouten per instantie en wanneer zijn gemaakt. Inspectierapporten zien op leerdoelen en zijn niet beslissend voor civiele aansprakelijkheid. Gezien takenkaders en informatie destijds was geen opschaling vereist. Geen onrechtmatige daad; vorderingen worden af

Datum publicatie23-01-2026
ZaaknummerC/15/360681 / HA ZA 25-10
ProcedureEerste aanleg - meervoudig
ZittingsplaatsAlkmaar
RechtsgebiedenCiviel recht; Burgerlijk procesrecht
TrefwoordenTuchtrecht / aansprakelijkheid;
Jeugdbescherming / Jeugdwet
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Beoordeling van aansprakelijkheidsvraag na gezinsdrama: zelfdoding moeder en kinddoding door moeder. Vader houdt Veilig Thuis en gemeente Hoorn aansprakelijk voor de door hem geleden schade. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) wegens schending van de zorgplicht door Veilig Thuis en 1.Hoorn.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/360681 / HA ZA 25-10

Vonnis van 31 december 2025

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. B.D.W. Martens,

tegen

1GEMEENTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST HOLLANDS NOORDEN, AFDELING VEILIG THUIS,

te Alkmaar,

hierna te noemen: Veilig Thuis,

advocaat: mr. H.M. Kruitwagen,
2. GEMEENTE HOORN,

te Hoorn,

hierna te noemen: 1.Hoorn,

advocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen,

gedaagde partijen.

De zaak in het kort

Deze zaak gaat over een gezinsdrama. De ex-partner van [eiser] heeft op 21 mei 2016 hun tweejarige dochter en daarna zichzelf verdronken in het Markermeer. [eiser] vindt dat Veilig Thuis en 1.Hoorn, die bij de begeleiding van het gezin betrokken waren, aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de daad van zijn ex-partner. Volgens [eiser] zijn Veilig Thuis en 1.Hoorn in hun zorgplicht tekortgeschoten. Hij wil dat de rechtbank voor recht verklaart dat Veilig Thuis en 1.Hoorn onrechtmatig hebben gehandeld en dat de rechtbank hen hoofdelijk veroordeelt tot het betalen van schadevergoeding. De rechtbank ziet hoe groot de emotionele uitwerking is die het trieste voorval en de nasleep ervan op [eiser] hebben gehad. Zij oordeelt in dit vonnis echter dat van een onrechtmatige daad wegens schending van de zorgplicht door Veilig Thuis en 1.Hoorn geen sprake is. Veilig Thuis en 1.Hoorn zijn daarom niet schadeplichtig. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen van 17 en 19 december 2024 met producties 1-19;

- de conclusie van antwoord van Veilig Thuis met producties 1-10;

- de conclusie van antwoord van 1.Hoorn met producties 1-26;

- het tussenvonnis van 30 april 2025, waarbij de rechtbank een mondelinge behandeling heeft bevolen;

- de akte overlegging producties van [eiser] met producties 20-22.

1.2.

Op 25 november 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Op de zitting is [eiser] verschenen, bijgestaan door mr. B.D.W. Martens. Daarnaast zijn verschenen namens Veilig Thuis [manager] , manager bij Veilig Thuis NHN, en [directiesecretaresse] , directiesecretaris bij GGD Hollands Noorden, bijgestaan door mr. H.M. Kruitwagen. Namens 1.Hoorn zijn verschenen [procesadviseur] , procesadviseur bij gemeente Hoorn, en [naam] , bijgestaan door mr. J. Kruijswijk Jansen.

1.3.

De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mrs. Martens en Kruitwagen hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij ter zitting aan de rechtbank hebben overgelegd en die daarmee onderdeel zijn geworden van de processtukken.

1.4.

Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat op 31 december 2025 vonnis zal worden gewezen.

2De feiten

2.1.

[eiser] is op 1 augustus 2013 getrouwd met zijn toenmalige partner [moeder] (hierna: moeder). Moeder had de Iraanse nationaliteit. Zij is kort na het huwelijk zwanger geraakt en gaan samenwonen met [eiser] in Hoorn. Op [geboortedatum] 2014 is dochter [dochter] geboren (hierna: [dochter] ).

2.2.

Op 5 februari 2015 heeft Veilig Thuis 1een eerste zorgmelding ontvangen van de politie. Er vonden tussen [eiser] en moeder hoogoplopende ruzies plaats in het bijzijn van [dochter] . Veilig Thuis is vervolgens een onderzoek gestart.

2.3.

Op 9 februari 2015 heeft [eiser] Veilig Thuis in paniek gebeld dat er iets moest gebeuren, omdat moeder volgens hem gek was geworden. De politie is ter plaatse gekomen. Diezelfde middag hebben een medewerker en vertrouwensarts van Veilig Thuis een drie uur durend huisbezoek verricht. Daarover heeft Veilig Thuis in haar digitale dossier (logboek) onder meer genoteerd dat [eiser] aangaf dat moeder een keer heeft gedreigd met suïcide en met teruggaan naar Iran. Hij zag nog wel perspectief in de relatie, mits moeder hulp zou krijgen voor haar depressieve klachten. Moeder vertelde dat zij de situatie wilde veranderen door de relatie te beëindigen en een eigen leven op te bouwen. Zij gaf aan het lastig te hebben met de interculturele verschillen en met de onzekerheid over haar verblijfsstatus. Volgens moeder had zij relationele problemen met [eiser] en is [dochter] niet fysiek in gevaar geweest. Veilig Thuis heeft verder in haar digitale dossier genoteerd geen signalen vanuit moeder te hebben gekregen ten aanzien van een actieve depressie, dat er met beide ouders veiligheidsafspraken waren gemaakt en dat Veilig Thuis de huisarts en psycholoog zou raadplegen.

2.4.

Op 11 februari 2015 heeft Veilig Thuis het gezin aangemeld bij Stichting Parlan (jeugdhulp en jeugd-ggz) voor ambulante spoedhulp. In het aanmeldformulier is onder meer vermeld dat de conflicten lijken te komen door een integratie-/aanpassingsprobleem en een vorm van heimwee, dat [eiser] aan iets fysieks denkt bij moeder, maar dat dit volgens moeder niet speelt en dat sprake is van een interactieprobleem tussen haar en [eiser] .

2.5.

Op 13 februari 2015 heeft tussen Parlan, Veilig Thuis, [eiser] en moeder een gesprek plaatsgevonden. Daarbij kwam aan de orde dat [eiser] en moeder definitief hadden besloten uit elkaar te gaan, dat [eiser] tijdelijk elders verbleef en dat er afspraken over omgang waren gemaakt.

2.6.

Op 17 februari 2015 heeft Veilig Thuis de casus overgedragen aan team Sociaal van 1.Hoorn, een wijkteam van de gemeente Hoorn. In het aanmeldformulier is vermeld dat ouders aangeven dat zij er voor gaan zorgen dat de spanning niet oploopt in de thuissituatie en dat dit goed gaat’. Verder is vermeld dat ‘ouders een grote bereidwillendheid ten opzichte van elkaar hebben’.

2.7.

Op 30 maart 2015 heeft Veilig Thuis aan [eiser] en het wijkteam van 1.Hoorn een afsluitbrief gestuurd. Veilig Thuis heeft in de afsluitbrief een aantal aandachtspunten voor het gebiedsteam van 1.Hoorn opgesomd en daaraan toegevoegd dat ze na drie en twaalf maanden contact zullen opnemen met het gebiedsteam om te kijken of de hulpverlening goed verloopt.

2.8.

Op 1 april 2015 heeft Veilig Thuis een tweede zorgmelding ontvangen van de politie in verband met fysiek geweld gepleegd door [eiser] tegen moeder in het bijzijn van [dochter] .

Veilig Thuis heeft het wijkteam van 1.Hoorn hiervan op de hoogte gesteld.

2.9.

Op 2 april 2015 heeft [eiser] telefonisch bij Veilig Thuis zijn zorgen gemeld over dreigementen van ontvoering van [dochter] door moeder. Veilig Thuis heeft hierover op kantoor een gesprek gevoerd met [eiser] , in aanwezigheid van een medewerker van 1.Hoorn. [eiser] meende dat zijn zorgen niet werden opgepakt door Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft in haar digitale dossier genoteerd dat er nogmaals geen concrete aanwijzingen lijken te zijn voor kidnap’.

2.10.

Veilig Thuis heeft op 13 april 2015 de zorgmelding overgedragen aan 1.Hoorn, omdat deze al betrokken was bij het gezin. In het digitale dossier van Veilig Thuis is hierover het volgende vermeld: “Wij gaan ervan uit dat het Gebiedsteam de melding verder bespreekt met ouders. (…) Volgens protocol nemen wij over drie maanden contact op om te vragen naar het verloop van de hulpverlening na de overdracht van de melding betreffende dit gezin”.

2.11.

Op 17 april 2015 heeft team Sociaal van 1.Hoorn een gesprek gehad met [eiser] en moeder. Toen is afgesproken om het gezin naar team Jeugd van 1.Hoorn over te dragen voor verdere ondersteuning bij het opstellen van een ouderschapsplan. 1.Hoorn heeft dit aan Veilig Thuis per e-mail doorgegeven.

2.12.

Op 12 mei 2015 heeft 1.Hoorn per e-mail aan moeder informatie gezonden over onder meer de inburgeringscursus; het vinden van werk en maatschappelijke ondersteuning. Verder is in die e-mail [eiser] en moeder een voorbeeld van een ouderschapsplan toegestuurd ter voorbereiding op hun afspraak op 20 mei 2015. Wegens ziekte van [eiser] heeft 1.Hoorn op 20 mei 2015 alleen gesproken met moeder. Het ouderschapsplan is niet ingevuld.

2.13.

Op 20 juli 2015 heeft [eiser] Veilig Thuis gebeld in verband met zijn acute zorgen over een dreigende ontvoering van [dochter] naar Iran door moeder. Veilig Thuis heeft hierover in haar digitale dossier genoteerd dat [eiser] zei dat hij wilde dat moeder onderzocht zou worden door een psycholoog/psychiater om te zien of zij daadwerkelijk gek was geworden. Veilig Thuis heeft intern en bij 1.Hoorn navraag gedaan. Veilig Thuis heeft vervolgens het volgende in haar digitale dossier genoteerd: “In overleg met collega (…) wat de stand van zaken is omtrent deze zaak. (…) geeft aan destijds de zaak met spoed binnen is gekomen bij VT, het is daarom opvallend dat er vanuit het wijkteam tot op heden het minimale in deze zaak is gedaan, uitgaande van het verhaal van vader.”

2.14.

Op 21 juli 2015 heeft Veilig Thuis een derde zorgmelding ontvangen van de politie. De politie heeft gemeld dat moeder op het bureau was voor aangifte van mishandeling door [eiser] . Bij moeder was letsel zichtbaar in de vorm van blauwe plekken, bijtwonden en schaafwonden.

Veilig Thuis heeft moeder en [dochter] vervolgens geplaatst in het Oranje Huis voor crisisopvang ‘vanwege de aanwezigheid van dreiging en het kleine kind’. Veilig Thuis heeft op de vraag “Wat is de grootste zorg/angst van VT over wat er kan gebeuren als we niets doen?” in haar digitale dossier geantwoord: “Dat ouders elkaar fysiek te lijf gaan en het kind hier ook tussen inzit.”.

2.15.

Regiemedewerker [regiemedewerker] (hierna: [regiemedewerker] ) van 1.Hoorn heeft diezelfde dag Veilig Thuis gesproken over de zaak en aangegeven deze vanuit het wijkteam verder op te zullen pakken. In het digitale dossier van 1.Hoorn is genoteerd dat [regiemedewerker] contact heeft gehad met het Oranje Huis, dat het Oranje Huis aangaf dat het goed ging met moeder en [dochter] en dat het een zorgzame moeder zag. Verder is genoteerd dat [regiemedewerker] met beide ouders om de tafel zou gaan voor oplossingen in het vrijwillig kader.

2.16.

Op 26 juli 2015 heeft [regiemedewerker] aan [eiser] en moeder een opzet van een veiligheidsplan toegestuurd die kort daarna met hen is besproken en aangevuld. In het veiligheidsplan is vermeld dat de grootste zorgen zijn ‘kindermishandeling door de strijd/ruzie tussen ouders’ en dat de gevaarlijke momenten de overdrachtsmomenten zijn als ouders bij elkaar in de buurt komen. Daarnaast is in het veiligheidsplan vermeld dat een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming zou worden gedaan als [eiser] en moeder niet in staat zouden zijn in het belang van [dochter] te denken/handelen.

2.17.

Op 7 augustus 2015 heeft Veilig Thuis een vierde zorgmelding van de politie ontvangen. Moeder had de politie gebeld in verband met verbaal geweld van [eiser] tegen haar in het bijzijn van [dochter] . Veilig Thuis heeft hierover in haar digitale dossier onder meer genoteerd dat haar grootste zorg was escalaties door spanningen en ruzies tussen ouders en dat er geen sprake was van direct gevaar.

2.18.

Veilig Thuis heeft de zorgmelding wederom overgedragen aan 1.Hoorn, omdat deze al betrokken was bij het gezin. Veilig Thuis heeft 1.Hoorn verzocht om de zorgmelding mee te nemen in de hulpverlening en daarbij meegedeeld dat zij in het kader van de monitoring na drie maanden contact op zou nemen. 1.Hoorn (in de persoon van [regiemedewerker] ) heeft bevestigd dat zij de zorgmelding met [eiser] en moeder zou bespreken en dat een veiligheids- en ouderschapsplan zou worden gemaakt. Daarbij heeft [regiemedewerker] gezegd dat, wanneer dit niet van de grond zou komen en de zorgen zouden blijven, zij een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming zou doen. [eiser] en moeder zijn daarvan op de hoogte gesteld. Op
19 augustus 2015 heeft Veilig Thuis hen een afsluitbrief gestuurd.

2.19.

[regiemedewerker] heeft kort daarna met [eiser] en moeder gesproken. Op 21 augustus 2015 heeft [regiemedewerker] [eiser] en moeder gemaild over het nog te ondertekenen veiligheidsplan, het voorstel tot omgang van moeder en het door beiden nog te maken ouderschapsplan. Daarbij heeft [regiemedewerker] benadrukt dat [eiser] en moeder zich aan de afspraken moeten houden en dat zij [eiser] een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming zal moeten doen.

2.20.

In de periode tussen oktober tot en met december 2015 is er diverse keren contact geweest tussen met name [eiser] en [regiemedewerker] .

2.21.

Bij besluit van 2 december 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van gemeente Hoorn een aanvraag voor Ouderschap Blijft bij Parlan toegekend. De aanvraag is volgens 1. Hoorn in overleg met [eiser] en moeder gedaan ‘vanwege de moeizame onderlinge communicatie en het niet komen tot afspraken’. Het doel van de hulp door Parlan was om ervoor te zorgen dat [eiser] en moeder in staat zouden zijn in samenwerking met elkaar het ouderschap op een goede manier te kunnen vormgeven voor [dochter] .

2.22.

In januari 2016 zijn er tussen [eiser] en [regiemedewerker] vele (honderden) berichten via WhatsApp uitgewisseld. Daarbij heeft [eiser] op 8 januari 2016 onder meer het volgende geschreven: “Ik denk er serieus over na om [moeder] met [dochter] naar Iran te laten reizen eind februari”(…) Afgelopen kerst hebben wij de verhouding tussen ons aangepakt. De afgelopen twee maanden gaat het veel beter. Ik ben nu ook eindelijk met sollicitaties bezig en met het plan rondom jeugdzorg. Ik geloof dat de neergaande spiraal nu opwaarts gaat.”

Tien dagen later heeft [eiser] 1.Hoorn van faal- en wanbeleid beticht. [regiemedewerker] heeft daarop aangegeven deze omslag niet te begrijpen.

2.23.

[regiemedewerker] heeft [eiser] vanwege zijn financiële problemen doorverwezen naar een collega bij 1.Hoorn voor financiële en juridische hulp. Die hulp is vervolgens aan [eiser] gegeven.

2.24.

Op 3 februari 2016 heeft [eiser] aan [regiemedewerker] bericht dat hij alle zorgtrajecten wil stoppen en meegedeeld dat [dochter] met moeder naar Iran zal vertrekken en hij zijn eigen weg zal gaan.

2.25.

Op 16 februari 2016 heeft [regiemedewerker] aan [eiser] en moeder het volgende gemaild, voor zover van belang: “Inmiddels heb ik jullie de laatste periode met enige regelmaat gesproken. Beiden hebben jullie je zorgen uitgesproken over de toekomst. Jullie proberen elkaar tegemoet te komen in belang van [dochter] wat ik erg knap van jullie beiden vind. Naast dat ik het knap vind, vind ik het ook noodzakelijk gezien de situatie waarin hebben gezeten en nog zitten.” [regiemedewerker] heeft daarbij gezegd het voor het proces van belang te vinden dat [eiser] ondersteuning heeft en dat moeder haar opnieuw heeft gevraagd om een therapeut/psycholoog te vinden. Verder vermeldt [regiemedewerker] dat er duidelijkheid moet komen over het al dan niet volgen van het traject bij Parlan.

2.26.

[regiemedewerker] heeft dezelfde dag aan [eiser] en moeder gemaild dat Ouderschap Blijft bij Parlan wordt uitgesteld, omdat [eiser] naar aanleiding van de vorige mail haar had gebeld, en zei hard met zichzelf aan de slag te moeten en dat er daarnaast sprake was van ‘regelzaken die prioriteit’ hadden. [regiemedewerker] schrijft verder dat er voor de tussentijd een plan voor praktische zaken de komende 2/3 maanden moet komen waarvoor [eiser] ‘een format’ zou sturen.

2.27.

Op 22 februari 2016 heeft [regiemedewerker] aan [eiser] en moeder gemaild dat er opnieuw onrust is ontstaan tussen hen over de omgang. [regiemedewerker] heeft aangegeven begrip te hebben voor de praktische en psychische factoren die het volgen van het traject van Ouderschap Blijft in de weg staan, maar dat [eiser] en moeder in het belang van [dochter] snel met concrete plannen moeten komen hoe de zorg voor [dochter] gaat worden ingevuld en hoe zij als ouders aan hun proces gaan werken. [eiser] heeft op deze e-mail boos gereageerd en het contact verbroken onder de aanzegging dit nog slechts per advocaat te willen onderhouden.

2.28.

Op 1 maart 2016 heeft [eiser] aan [regiemedewerker] een drie maanden plan voor [dochter] , een jaaroverzicht voor de omgangsregeling en een format ‘project initiation document’ gemaild.

2.29.

Op 14 maart 2016 heeft Veilig Thuis op verzoek van 1.Hoorn een schriftelijke samenvatting gegeven van de contacten die er met [eiser] en moeder zijn geweest, met het oog op een inbreng van het gezin door 1.Hoorn in het zogenoemde Schakeloverleg (met ketenpartners).

2.30.

Bij e-mail van 15 maart 2016 heeft [regiemedewerker] aan [eiser] en moeder het volgende gemaild: “Eerder heb ik aangegeven een inbreng in het schakeloverleg te gaan doen gezien de zorgen die ik heb over de huidige situatie. Inmiddels heeft [eiser] een gesprek met mij gehad waarin hij aangaf nog een kans te willen met elkaar dit plan vorm te geven en daarna Ouderschap Blijft op te gaan starten. Ik wil dit een kans geven, temeer omdat jullie beiden gemotiveerd zijn dit plan te maken, uit te werken en openstaan voor Ouderschap Blijft waardoor ik de melding met de huidige stand van zaken er niet door zal krijgen.”

2.31.

Op 29 maart 2016 heeft [regiemedewerker] aan [eiser] en moeder een concept 1Gezin1Plan toegestuurd.

2.32.

Op 14 april 2016 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen 1.Hoorn, [eiser] en moeder waarin beide ouders hebben aangegeven dat een overbruggingsplan - een 1Gezin1Plan zoals door [regiemedewerker] gemaakt - niet nodig was omdat er voldoende was veranderd om direct te kunnen starten met Ouderschap Blijft. 1.Hoorn heeft hierover in haar digitale dossier het volgende genoteerd: “Vader is emotioneel rustiger, heeft psychische ondersteuning en kan zijn woning naar alle waarschijnlijkheid behouden. Beide ouders staan open voor hulp. Beide ouders geven aan dat de onderlinge communicatie voldoende verloopt voor nu en dat er geen reden is voor overbrugging vanuit 1.Hoorn wat wel is aangeboden en er zijn vanuit beide ouders geen zorgen omtrent de veiligheid [dochter] . Vader geeft aan blij te zijn met de plek waar moeder en dochter nu verblijven.”

2.33.

[regiemedewerker] heeft op 18 mei 2016 in het digitale dossier onder ‘stand van zaken’ het volgende genoteerd, voor zover van belang: “Momenteel staan ouders op de wachtlijst voor Ouderschap Blijft. (…) Mdr geeft aan nog steeds open te staan voor hulp, en graag geholpen te willen worden met t vinden van een woning. Dit heb ik met haar gedaan. Moeder heeft ook aangegeven psychische ondersteuning te hebben gezocht. (…) Ik regelmatig gesprekken met vader, moeder en oma de veiligheid van het meisje geverifieerd. Telkens gaven alle partijen aan geen directe zorgen te hebben over de veiligheid van het meisje.”

2.34.

Op 21 mei 2016 heeft moeder zichzelf en de tweejarige [dochter] verdronken in het Markermeer.

2.35.

Naar aanleiding van deze calamiteit hebben de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Inspectie Jeugdzorg en de Inspectie Veiligheid en Justitie (hierna: de inspecties) onderzoek gedaan. Hun bevindingen zijn neergelegd in een rapport van mei 2017. Volgens dit rapport was het doel van het onderzoek om ‘na te gaan wat er speelde in de zorg- en hulpverlening aan het gezin en dit te relateren aan de kwaliteit van de geleverde hulpverlening, zodat alle betrokken hulpverleners hiervan kunnen leren’. De inspecties hebben het volgende geconcludeerd:

“De betrokken organisaties hebben de zorg en ondersteuning aan het gezin onvoldoende in samenhang geboden, waardoor de veiligheid en de ontwikkeling van het kind buiten beeld zijn geraakt.”

2.36.

De Wmo-toezichthouder van gemeente Hoorn heeft naar aanleiding van de calamiteit op 21 mei 2016 een Wmo-onderzoek verricht. Doel van dit onderzoek was - aldus het opgestelde rapport - het opleveren van leerpunten ter verbetering van de (jeugd)hulp aan kinderen en hun gezinnen in de gemeente Hoorn. De belangrijkste conclusies uit dit onderzoek zijn de volgende:
“• er was geen speciale alertheid voor aanmeldingen die via Veilig Thuis bij 1.Hoorn binnenkwamen; de complexiteit van de zorgvraag in deze casus werd sterk onderschat;

• de werkwijze van 1.Hoorn liet veel ruimte aan de professional om zelf te beoordelen wat er nodig was, wanneer consult gewenst was. Er was nauwelijks sprake van sturing en toezicht op de aanpak en de voortgang. De mogelijkheden van een (generalistische) hulpverlener werden overschat;

• er is door de medewerker geen gebruik gemaakt van de aanpak 1Gezin, 1Plan, 1Regisseur, die stuurt op samenwerking tussen alle betrokken hulpverleners en de ouders; door 1.Hoorn is geen regie gevoerd.”

2.37.

Veilig Thuis en 1.Hoorn hebben naar aanleiding van beide onderzoeken verbetertrajecten ingezet.

2.38.

[eiser] heeft op 11 april 2018 aangifte gedaan van dood door schuld tegen Veilig Thuis en 1.Hoorn. Het openbaar ministerie heeft beslist om deze instanties niet strafrechtelijk te vervolgen. [eiser] heeft vervolgens een klacht ingediend op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering bij het gerechtshof Amsterdam. Bij beschikking van 18 april 2023 heeft het gerechtshof het beklag van [eiser] afgewezen. Daartoe heeft het gerechtshof, gelet op het door de politie nader verrichte onderzoek, het volgende geoordeeld, voor zover van belang:
“Het hof constateert dat uit het nader onderzoek niet naar voren komt dat uit hetgeen waarneembaar was voor de betrokken organisaties (en personen) kan worden afgeleid dat zij zich ervan bewust hadden kunnen en moeten zijn, dat er sprake was van een levensbedreigende situatie voor [dochter] of dat verandering in het gedrag van klagers ex-vrouw aanleiding had moeten geven [eiser] te handelen dan zij hebben gedaan. Op grond van de inhoud van de meldingen die zijn gedaan is naar het oordeel van het hof niet vast te stellen dat de instanties reeds vóór het noodlottige feit hadden moeten vermoeden of weten dat de ex-vrouw van klager zichzelf en [dochter] iets aan zou doen of dat [dochter] concreet gevaar liep.

Het hof is van oordeel dat ook het geheel van de door klager aan de beklaagden gemaakte verwijten, voor zover die bewezen kunnen worden, in onderling (tijds)verband en samenhang bezien en gelet op de aard en de ernst daarvan onvoldoende concrete aanwijzingen bevat dat de beklaagden [dochter] in een hulpeloze toestand hebben gelaten of gebracht ofwel in strafrechtelijke zin nalatig hebben gehandeld.

De strafrechter zal uit de reeks van gebeurtenissen naar het oordeel van het hof dan ook hoogstwaarschijnlijk niet een oorzakelijk verband af kunnen leiden tussen het handelen door de beklaagden en de dood van [dochter] . De tragische dood van [dochter] staat daarmee naar het oordeel van het hof in een te ver verwijderd causaal verband met het handelen of nalaten van de beklaagden, zodat een gerede kans op veroordeling bij voorlegging van de zaak aan de strafrechter ontbreekt.”

2.39.

Bij brief van 5 december 2019 heeft [eiser] Veilig Thuis en 1.Hoorn aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade als gevolg van het voorval op 21 mei 2016. Veilig Thuis en 1.Hoorn hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen. Een poging om de kwestie minnelijk te regelen heeft begin 2022 geen resultaat opgeleverd.

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat Veilig Thuis en 1.Hoorn een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben gepleegd en hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens hem en gehouden zijn alle daartoe veroorzaakte schade te vergoeden;

II. de zaak verwijst naar de schadestaatprocedure teneinde het beloop en het bedrag van de schade vast te stellen;

III. Veilig Thuis en 1.Hoorn hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten aan [eiser] , gemaakt vanaf mei 2016, te vermeerderen met de wettelijke rente;
IV. Veilig Thuis en 1.Hoorn veroordeelt in de (na)kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag.

Veilig Thuis en 1.Hoorn hebben een onrechtmatige daad jegens [dochter] en jegens hem gepleegd door vanuit hun (wettelijke) taakstelling onvoldoende zorg, bijstand en toezicht op het gezin te houden en om de veiligheid van [dochter] te waarborgen. Met de vele, door [eiser] geuite zorgen is op cruciale momenten niets, althans onvoldoende gedaan. Veilig Thuis en 1.Hoorn hebben geen (tijdige) actie ondernomen, terwijl [eiser] vele malen had gewaarschuwd dat ingrijpen noodzakelijk was. Zo is er niet opgeschaald naar het Schakeloverleg noch is de Raad voor de Kinderbescherming direct ingeschakeld voor het uitvoeren van een onderzoek naar een gezagsbeperkende maatregel in het belang van [dochter] . De ernst van de situatie waarop de zorgmeldingen betrekking hadden gaf daartoe wel aanleiding. Veilig Thuis en 1.Hoorn zijn de op hun rustende zorgverplichtingen niet nagekomen. Dit is vastgesteld in de rapporten van de inspecties en de Wmo-toezichthouder. Daarmee hebben Veilig Thuis en 1.Hoorn in strijd met hun wettelijke plicht en maatschappelijk onzorgvuldig gehandeld. Door het verzaken van hun zorgplicht heeft het kunnen gebeuren dat moeder de noodlottige daad heeft kunnen uitvoeren. [eiser] heeft hierdoor materiële en immateriële schade geleden, waaronder verlies aan inkomsten en shockschade. Veilig Thuis en 1.Hoorn zijn voor die schade hoofdelijk aansprakelijk, aldus [eiser] .

3.3.

Veilig Thuis en 1.Hoorn voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn vorderingen dan wel afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Standpunt Veilig Thuis

3.4.

Veilig Thuis betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Kort samengevat voert zij het volgende aan.

3.4.1.

Veilig Thuis biedt zelf geen hulp. Naar aanleiding van meldingen over huiselijk geweld of kindermishandeling beoordeelt, adviseert en besteedt Veilig Thuis uit. Na het afwikkelen van een melding heeft Veilig Thuis nog een beperkte monitoringstaak. Zij heeft voorts geen bevoegdheden om zelfstandig kinderbeschermingsmaatregelen te treffen.

3.4.2.

Veilig Thuis was bij het gezin betrokken in de periode februari – augustus 2015. In die periode was sprake van vier zorgmeldingen. Veilig Thuis heeft op die meldingen binnen haar rol en bevoegdheden juist en conform haar protocollen en beleid gehandeld. Het was destijds op basis van de haar beschikbare informatie niet voorzienbaar/waarneembaar dat moeder zichzelf en/of [dochter] iets aan zou doen en/of dat [dochter] concreet gevaar liep. Veilig Thuis mocht gerechtvaardigd afgaan op de door haar verkregen informatie van de huisarts, de psycholoog van moeder, de (ervaren) vertrouwensarts en de medewerkers van 1.Hoorn en Parlan. Uit die informatie volgden geen (objectieve) aanwijzingen voor depressiviteit of suïcidaliteit bij moeder respectievelijk voor de door [eiser] geduide risico’s. [eiser] en moeder hadden zich voorts bereid verklaard om met hun relatieproblemen aan de slag te gaan. Conform het advies van Parlan en in samenspraak met [eiser] en moeder is het gezin aan 1.Hoorn overgedragen. Omdat 1.Hoorn in staat was om de zorgmeldingen over te nemen en beide ouders aangaven mee te willen werken was er geen enkele reden voor Veilig Thuis om de Raad voor de Kinderbescherming in kennis te stellen of om anderszins op te schalen naar een ketenpartner.

3.4.3.

[eiser] stelt niet wat Veilig Thuis op welk moment en om welke reden [eiser] had moeten doen. Dat blijkt ook niet uit de rapporten van de inspecties en de Wmo-toezichthouder waarop [eiser] zich beroept. Daarmee heeft [eiser] de gestelde schending van de norm strekkende tot bescherming van [dochter] onvoldoende onderbouwd. Zelfs indien Veilig Thuis jegens [dochter] wél onrechtmatig zou hebben gehandeld - wat wordt betwist - levert dat geen onrechtmatig handelen jegens [eiser] op. [eiser] heeft in dat geval slechts aanspraak op overlijdensschade op grond van artikel 6:108 BW. Bovendien komt [eiser] niet met succes een shockschadevordering ex artikel 6:162 BW toe, omdat aan de daarvoor geldende vereisten niet is voldaan. Tot slot betwist Veilig Thuis het bestaan van enig causaal verband tussen haar handelwijze en het (ontstaan van het) voorval op 21 mei 2016.

Standpunt 1.Hoorn

3.5. 1.

Hoorn betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Kort samengevat voert zij het volgende aan.

3.5.1.

De vraag of 1.Hoorn onrechtmatig heeft gehandeld moet worden beoordeeld naar het moment waarop dit plaatsvond. In 2015 is de decentralisatie van de jeugdhulp naar gemeenten ingezet. De visie van de wetgever over de jeugdzorg was om de autonomie en de verantwoordelijkheid bij de ouders te leggen wat betreft het verzorgen en opvoeden van hun kinderen. De overheid zou pas in beeld komen voor zorg, hulp of ondersteuning bij onoverkomelijke problemen. Hierbij werd ruimte, vrijheid en verantwoordelijkheid geboden aan de professional om naar bevind van zaken te handelen en het interventietraject af te stemmen op de specifieke situatie.

3.5.2. 1.

Hoorn heeft binnen haar mogelijkheden en de visie en uitgangspunten van de wetgever alles gedaan wat zij kon doen voor [eiser] , moeder en [dochter] . 1.Hoorn kon niet voorzien dat de veiligheid van [dochter] zodanig in gevaar zou komen dat moeder haar zou doden. Er waren geen concrete aanwijzingen die daarop wezen, wat tot actie van 1.Hoorn had moeten leiden. [eiser] verwijst naar de rapporten van de inspecties en de Wmo-toezichthouder, maar hij stelt niet - en dat blijkt ook niet uit deze rapporten - wat 1.Hoorn op basis van welke kennis op bepaalde momenten [eiser] had moeten doen, hoe de hulpverlening er dan verder uit zou hebben gezien en dat daarmee het overlijden van [dochter] zou zijn voorkomen. Deze rapporten zijn gericht op het onderzoeken van de geboden hulpverlening en de leerpunten ter verbetering van de jeugdhulp. Zij zijn niet bedoeld om het handelen van 1.Hoorn civielrechtelijk te duiden. De bevindingen van de inspecties en de Wmo-toezichthouder kunnen daarom niet de conclusie dragen dat 1.Hoorn onvoldoende zorg heeft betracht of onrechtmatig heeft gehandeld.

3.5.3. 1.

Hoorn wijst er daarbij op dat zij veel en actief aandacht heeft besteed en hulp heeft geboden aan [eiser] , moeder en [dochter] . Zo zijn er verschillende gesprekken geweest, is met [eiser] en moeder een veiligheidsplan opgesteld en zijn [eiser] en moeder gestimuleerd om een ouderschapsplan op te stellen en om mee te werken aan een begeleidingsplan. [eiser] en moeder waren welwillend en vroegen ook zelf om hulp. Zo heeft 1.Hoorn aan moeder hulp aangeboden - die zij accepteerde - op het gebied van taallessen, inburgering, woonruimte, werk en therapie. Ook heeft 1.Hoorn aan [eiser] financiële en juridische ondersteuning verleend toen hij zonder werk zat en zijn huis dreigde te verliezen (januari/februari 2016). Verder heeft 1.Hoorn [eiser] en moeder aangemeld voor specialistische hulp via Ouderschap Blijft van Parlan. In 2015 en 2016 heeft 1.Hoorn diverse keren de veiligheid van [dochter] geverifieerd, waarop [eiser] en moeder steeds aangaven dat [dochter] bij hen allebei veilig was. Daarbij heeft regiemedewerker [regiemedewerker] veelvuldig per mail, telefoon, WhatsApp of sms contact onderhouden met beide ouders.

3.5.4.

[eiser] en moeder hadden weliswaar moeite met het nakomen van de afspraken en hadden ieder hun eigen problemen die aandacht vroegen, zij bleven bereidwillig en welwillend. Voor 1.Hoorn was er daarom geen reden om de situatie voor te leggen aan het Schakeloverleg. 1.Hoorn had ook geen aanleiding te veronderstellen dat de situatie van [dochter] niet veilig was.

3.5.5.

Voor zover 1.Hoorn wél onrechtmatig zou hebben gehandeld, is de vordering van [eiser] beperkt tot overlijdensschade op grond van artikel 6:108 BW. 1.Hoorn betwist, tot slot, de shockschadevordering van [eiser] en het bestaan van causaal verband tussen de handelwijze van 1.Hoorn en de schade van [eiser] wegens het overlijden van [dochter] .

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

Inleiding

4.1.

Aan deze zaak ligt de zelfdoding en kinddoding van [dochter] door moeder ten grondslag. Dat heeft een enorme impact (gehad) op alle betrokkenen, in het bijzonder op [eiser] . De rechtbank ziet dat [eiser] er stellig van overtuigd is dat Veilig Thuis en 1.Hoorn niet adequaat hebben gereageerd op zijn zorgen en dat hij vindt dat hem groot onrecht is aangedaan, omdat door de betrokken personen en instanties geen verantwoording wordt afgelegd. De rechtbank begrijpt dat dit laatste een belangrijke drijfveer is van [eiser] om Veilig Thuis en 1.Hoorn in rechte te betrekken. De vraag die de rechtbank in deze procedure echter dient te beantwoorden is of er een feitelijke en juridische grondslag bestaat om Veilig Thuis en 1.Hoorn op grond van een onrechtmatige daad (hoofdelijk) aansprakelijk te houden voor de door [eiser] gestelde schade als gevolg van het trieste voorval op 21 mei 2016.

Fout als bedoeld in artikel 6:162 BW

4.2.

In het kader van de aansprakelijkheidsvraag moet allereerst worden beoordeeld of Veilig Thuis en 1.Hoorn een wettelijke plicht of civielrechtelijke zorgvuldigheidsnorm hebben geschonden, met andere woorden of zij een fout hebben gemaakt als bedoeld in artikel 6:162 BW. Het ligt op de weg van [eiser] , op wie in deze de stelplicht en bij gemotiveerde betwisting ook de bewijslast rust 2, om concreet en feitelijk onderbouwd aan te geven dat Veilig Thuis en 1.Hoorn een dergelijke fout hebben gemaakt.

4.3.

In de kern betoogt [eiser] dat Veilig Thuis en 1.Hoorn de op hun rustende zorgplicht hebben geschonden door vanuit hun wettelijke taakstelling onvoldoende zorg, bijstand en toezicht op het gezin te houden en om de veiligheid van [dochter] te waarborgen. Volgens [eiser] is er op cruciale momenten niets althans onvoldoende gedaan, terwijl ingrijpen noodzakelijk was. Veilig Thuis en 1.Hoorn hebben een en ander betwist.

4.4.

[eiser] heeft ervoor gekozen om in de processtukken de door hem gemaakte verwijten aan Veilig Thuis en 1.Hoorn niet per instantie uit te splitsen. Dat had naar het oordeel van de rechtbank wel op zijn weg gelegen. Het gaat hier immers om de beoordeling van handelingen van Veilig Thuis en van 1.Hoorn in het kader van hun eigen wettelijk opgedragen taken. Veilig Thuis en 1.Hoorn hebben ook elk hun eigen bevoegdheden. Tegen die achtergrond kunnen alleen concreet verweten handelingen per instantie worden beoordeeld. Het handelen van Veilig Thuis en 1.Hoorn van destijds (in 2015/2016) moet ook worden beoordeeld in het destijds geldende kader.

Het oordeel van de rechtbank

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat en op welk moment Veilig Thuis en 1.Hoorn in de uitoefening van hun specifieke wettelijke taken en bevoegdheden, zoals zij die destijds hadden, niet rechtmatig hebben gehandeld. De rechtbank komt daarom niet toe aan bewijslevering. Dit oordeel licht de rechtbank hierna toe.

De rapporten van de inspecties en de Wmo-toezichthouder

4.6.

[eiser] leunt blijkens zijn stellingen zwaar op het negatieve oordeel in de onder 2.35 en 2.36 vermelde rapporten van de inspecties en de Wmo-toezichthouder over bepaalde facetten van het optreden van Veilig Thuis en 1.Hoorn bij de zorg en ondersteuning aan het gezin. De rechtbank hecht voor de beoordeling van de civiele aansprakelijkheidsvraag echter geen doorslaggevende betekenis aan deze rapporten. Daarbij is van belang dat de onderzoeken van de Wmo-toezichthouder en de inspecties niet strekten tot beantwoording van de schuldaansprakelijkheidsvraag, maar erop gericht waren om te beoordelen of de zorgstructuur zoals de gemeente Hoorn die had ingericht voldeed voor de kwetsbare inwoners respectievelijk om de werkwijze te verbeteren voor alle betrokken organisaties. De gegeven oordelen over het optreden van Veilig Thuis en 1.Hoorn en de geformuleerde verbeterpunten in de rapporten leiden, [eiser] dan [eiser] kennelijk meent, niet zonder meer en één op één tot het oordeel dat Veilig Thuis en 1.Hoorn onrechtmatig hebben gehandeld. Daarbij tekent de rechtbank nog aan dat het enkele feit dat Veilig Thuis en 1.Hoorn verbetertrajecten hebben ingezet geen erkenning van civielrechtelijke aansprakelijkheid impliceert.

4.7.

De rechtbank zal hierna ingaan op de rol, taken en bevoegdheden van Veilig Thuis en 1.Hoorn in 2015 en 2016 en op hun handelingen in deze zaak.

Vorderingen jegens Veilig Thuis

4.8.

Veilig Thuis was in 2015 (en is nog steeds) een meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling voor de regio Hollands Noorden waartoe gemeente Hoorn behoort.

Het wettelijk kader

4.9.

Ten tijde van de hierna onder 4.14 vermelde meldingen ontleende de destijds als AMHK 3 maar nu als Veilig Thuis aangeduide organisatie haar bevoegdheden aan artikel 4.1.1 Wmo, zoals dat destijds luidde. Per 1 juli 2020 is de Wmo in die zin gewijzigd dat alle verwijzingen naar het AMHK zijn vervangen door verwijzingen naar Veilig Thuis.

4.10.

Artikel 4.1.1 lid 2 Wmo bevat de opgedragen taken van Veilig Thuis. Uit de volgorde van die taken volgt een duidelijk, op concrete werkzaamheden gericht stappenplan: de Veilig Thuis-organisatie moet allereerst (a.) meldingen ontvangen van vermoedens van onder andere kindermishandeling, dan (b.) die melding op haar realiteitsgehalte onderzoeken, en vervolgens (c.) in kaart brengen welke stappen genomen kunnen worden om het gemelde probleem op te lossen, om vervolgens aan de hand van die beoordeling (d.) een passende hulpverlener dan wel (e.) de politie of de Raad voor de Kinderbescherming te verwittigen, in beide gevallen met een evenredigheidstoets. Na afloop van dat proces moet de Veilig Thuis-organisatie (g.) de melder op de hoogte stellen van de stappen die naar aanleiding van zijn of haar melding zijn genomen.

4.11.

Veilig Thuis heeft een zekere mate van beleidsvrijheid en beoordelingsruimte bij de uitoefening van haar taken. Het Handelingsprotocol Veilig Thuis 2014 (hierna: het Handelingsprotocol) gaf daar destijds een nadere invulling aan. Daaruit blijkt dat een overdracht naar het lokale veld (in dit geval 1.Hoorn) het uitgangspunt was in het geval dat betrokkenen bereid waren om hulp te accepteren. Voor het direct betrekken van de Raad voor de Kinderbescherming stonden in het Handelingsprotocol de volgende criteria:

“ - er is een redelijk vermoeden dat er sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van een minderjarige waardoor de inzet van een kinderbeschermingsmaatregel moet worden overwogen, en/of,
- de onmogelijkheden om de bedreigde ontwikkeling met behulp van vrijwillige hulpverlening af te wenden, waardoor overheidsingrijpen noodzakelijk wordt, en/of,
- er is sprake van een gezagsvacuüm.”

4.12.

Daarnaast gold voor Veilig Thuis het actieplan Veilig Thuis van november 2014 (hierna: actieplan Veilig Thuis). Dat gaat onder meer over de samenwerking en taakverdeling tussen Veilig Thuis en zeven West-Friese gemeenten. Uitgangspunt in dat plan is ook dat de regie in de lokale teams van de gemeenten ligt ‘omdat zij verantwoordelijk zijn voor het herstel en borgen van de veiligheid indien er geen kinderbeschermingsmaatregel of huisverbod is uitgesproken’.

4.13.

In het licht van deze context moet het handelen van Veilig Thuis worden beoordeeld.

Meldingen

4.14.

Veilig Thuis was bij [eiser] en moeder betrokken in de periode van 5 februari 2015 tot en met 19 augustus 2015. In die periode was sprake van vier zorgmeldingen, te weten op 5 februari 2015, 1 april 2015, 20/21 juli 2015 en 7 augustus 2015.

4.15.

Het verwijt van [eiser] dat Veilig Thuis die meldingen niet adequaat heeft opgepakt en dat zij niet tijdig heeft ingrepen slaagt niet. In algemene zin heeft [eiser] gesteld dat er door Veilig Thuis opgeschaald had moeten worden naar de Raad voor de Kinderbescherming (via het Schakeloverleg), maar [eiser] heeft niet concreet gesteld en feitelijk onderbouwd dat en wanneer er voldoende aanleiding voor Veilig Thuis bestond zich ernstige zorgen te maken over psychische problematiek van moeder en dat daarin een reëel gevaar voor [dochter] was gelegen.

4.16.

Ten tijde van de eerste melding op 5 februari 2015 heeft [eiser] weliswaar uitspraken geuit over de geestestoestand van moeder en over zijn vrees dat zij suïcide zou plegen, maar tijdens het onderzoek dat Veilig Thuis vervolgens verrichtte (zie 2.3 tot en met 2.7) bleek dat de zorgen van [eiser] door ter zake deskundigen niet werden gedeeld. Ook bleek dat er afspraken over de veiligheid en omgang waren gemaakt om nieuw huiselijk geweld te voorkomen en dat [eiser] en moeder zich akkoord hadden verklaard met ambulante spoedhulpverlening door Parlan. Veilig Thuis heeft het gezin daarna overgedragen naar 1.Hoorn, omdat de problematiek passend was voor het hulpaanbod van 1.Hoorn. De rechtbank vindt dat Veilig Thuis binnen de beoordelingsruimte die zij had en gelet op het actieplan Veilig Thuis en op de ernst van de situatie, in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Er was op dat moment geen sprake van acuut (fysiek) gevaar voor [dochter] en [eiser] en moeder waren bereidwillig mee te werken aan hulpverlening. Nu daarmee aan de voor opschaling geldende criteria uit het Handelingsprotocol niet was voldaan, was er geen reden voor Veilig Thuis voor het direct betrekken van de Raad voor de Kinderbescherming. Dat was er ook niet na de tweede, derde en vierde zorgmelding. Die meldingen zagen op fysiek respectievelijk verbaal geweld van [eiser] jegens moeder waar [dochter] getuige van was geweest. Veilig Thuis heeft daarop gehandeld door triage uit te voeren, afspraken te maken en noodopvang voor moeder en [dochter] te regelen.

4.17.

Veilig Thuis heeft alle meldingen - na haar veiligheidsbeoordeling en het uitvoeren van acties - doorgezet naar 1.Hoorn als hulpverlenende instantie. Desgevraagd heeft Veilig Thuis vanuit haar monitoringsrol een terugkoppeling ontvangen. Dat Veilig Thuis op 20 juli 2015 van [eiser] te horen kreeg dat 1.Hoorn vrijwel niets deed - wat daar ook van zij - maakt naar het oordeel van de rechtbank niet, [eiser] dan de inspecties kennelijk menen, dat Veilig Thuis de casus met het oog op de veiligheid van [dochter] had moeten terugnemen. Bij 1.Hoorn lag de regie en uitvoering van de hulpverlening. 1.Hoorn heeft op 21 juli 2015 en ook naar aanleiding van de zorgmelding op 7 augustus 2015 aan Veilig Thuis bevestigd dat er zicht werd gehouden op de veiligheid, dat ondersteuning werd geboden in de vorm van hulp bij het opstellen van een veiligheids- en ouderschapsplan en dat er bij blijvende zorgen een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming zou worden gedaan. Veilig Thuis mocht daar in redelijkheid op afgaan, gelet op de haar destijds toekomende bevoegdheden en in het licht van wat haar toen bekend was over de (fysieke) veiligheid van [dochter] .

4.18.

Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk een consistent beeld dat [dochter] volgens verklaringen van [eiser] , moeder en de betrokken hulpverleners in 2015 geen concreet gevaar liep, [eiser] dan het door [eiser] gestelde gevaar van ontvoering. In dat licht is het betoog van [eiser] dat hij steeds heeft aangegeven dat [dochter] wél in gevaar was onvoldoende feitelijk onderbouwd. Uit zijn overgelegde tekstberichten blijkt niet dat sprake was van een levensbedreigende situatie voor [dochter] of dat een verandering in het gedrag van moeder Veilig Thuis aanleiding had moeten geven [eiser] te handelen dan zij heeft gedaan. Veilig Thuis heeft onweersproken aangevoerd dat zij van anderen evenmin aanwijzingen heeft ontvangen waaruit de fysieke onveiligheid van [dochter] in één-op-één situaties met moeder naar voren kwam.

Conclusie

4.19.

Gelet op het wettelijk kader en de in dit vonnis geschetste omstandigheden concludeert de rechtbank dan ook dat niet kan worden vastgesteld dat Veilig Thuis haar zorgplicht heeft geschonden door de manier waarop zij haar taken heeft uitgevoerd. Veilig Thuis heeft niet onrechtmatig gehandeld en is daarom niet schadeplichtig jegens [eiser] . De tegenover Veilig Thuis gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen. De nevenvorderingen van [eiser] jegens Veilig Thuis delen in het lot van de afwijzing.

Vorderingen jegens 1.Hoorn

4.20. 1.

Hoorn is van 17 februari 2015 tot en met 21 mei 2016 als hulpverlenende instantie bij het gezin betrokken geweest.

Het wettelijk kader

4.21.

Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van jeugdhulp. Op grond van Jeugdwet heeft een gemeente een jeugdhulpplicht indien zij van oordeel is dat een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Uitgangspunt is volgens de wetgever de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders. Een gemeente behoeft alleen een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er niet op eigen kracht uitkomen. De wetgever heeft toegelicht dat is ‘(…) gekozen voor een inspanningsverplichting waarbij de gemeente zich de moeite moet getroosten om een zo goed mogelijk resultaat te bereiken’ 4.

4.22.

Bij de vormgeving van haar jeugdhulpplicht heeft een gemeente beleidsvrijheid. Deze wordt begrensd door de Jeugdwet en mag niet zodanig worden ingevuld dat strijd ontstaat met internationale verdragen. Een gemeente kan in een verordening bepalen voor welke vormen van hulp een besluit nodig is en volgens welke procedure. Dat heeft de gemeente Hoorn gedaan in haar Verordening Zorg voor Jeugd gemeente Hoorn 2015. Nadere (beleids)regels heeft de gemeente Hoorn vastgelegd in het Besluit nadere regels Zorg voor Jeugd 2015 en 1.Hoorn in het Handboek 1.Hoorn. Volgens het Handboek 1.Hoorn biedt 1.Hoorn: “…laagdrempelige (opvoed en zorg) ondersteuning, faciliteert, werkt preventief, verbindt, signaleert, zet specialistische hulp in waar nodig, voert zorgcoördinatie uit, werkt volgens het principe 1 gezin/huishouden, 1 plan. 1 regisseur, houdt de vinger aan de pols, gaat erop af waar nodig, is netwerkpartner en verzorgt de toegang tot een groot deel van de (jeugd) hulp/zorg.”

4.23.

Daarnaast golden voor 1.Hoorn in 2015 en 2016 het actieplan Veilig Thuis en de Samenwerkingsafspraken Schakeloverleg West-Friesland december 2015 (hierna: Samenwerkingsafspraken Schakeloverleg). In de Samenwerkingsafspraken Schakeloverleg, die op 1 maart 2015 in werking zijn getreden, zijn de volgende criteria voor inbreng in het Schakeloverleg opgenomen:
“1. Het lukt niet om samen met het gezin een plan te maken en/of uit te voeren, terwijl de zorgen m.b.t. de ontwikkeling van het kind onverminderd groot zijn.

2. Het lukt niet om de veiligheid en de ontwikkeling van het kind duurzaam te borgen.

3. In het voortraject zijn in vrijwillig kader alle mogelijkheden uitputtend geprobeerd.
Lukt het niet, ondanks intensieve pogingen, om binnen de gestelde tijd de veiligheid voor het kind/de kinderen te herstellen dan bespreekt de hulpverlener met de ouders dat de casus ingebracht wordt ter bespreking in het Schakeloverleg.”

4.24.

In het licht van deze context moet het handelen van 1.Hoorn worden beoordeeld.

Het handelen van 1.Hoorn

4.25.

[eiser] verwijt 1.Hoorn - net als Veilig Thuis - dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door vanuit haar (wettelijke) taakstelling onvoldoende zorg, bijstand en toezicht op het gezin te houden en om de veiligheid van [dochter] te waarborgen. 1.Hoorn betwist dat en heeft aangevoerd dat zij binnen de visie en uitgangspunten van de wetgever en haar mogelijkheden alles heeft gedaan wat zij kon doen. Volgens 1.Hoorn waren er geen concrete aanwijzingen dat moeder zichzelf iets zou aandoen en/of dat [dochter] concreet gevaar liep. [eiser] heeft niet gesteld wat wanneer [eiser] had gemoeten, aldus 1.Hoorn.

4.26.

De rechtbank volgt 1.Hoorn hierin. Uit de stukken blijkt dat er na de overdracht op 17 februari 2015 van de casus door Veilig Thuis tussen 1.Hoorn, [eiser] en moeder contactmomenten zijn geweest, maar dat het niet was gelukt om in gezamenlijkheid de hulpverlening vanuit 1.Hoorn goed op gang te brengen. Na kennisname van de op 20/21 juli 2015 bij Veilig Thuis ingediende zorgmeldingen heeft regiemedewerker [regiemedewerker] zich vervolgens actief met de zaak beziggehouden. Zoals hiervoor overwogen werd er vanuit 1.Hoorn zicht gehouden op de veiligheid, ondersteuning geboden in de vorm van hulp bij het opstellen van een veiligheids- en ouderschapsplan en zou bij blijvende zorgen een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming worden gedaan. Op dat moment werkten beide ouders mee en waren zij bereidwillig, zodat in het vrijwillig kader alle mogelijkheden nog niet uitputtend waren geprobeerd. Het paste ook in de visie van de wetgever dat 1.Hoorn probeerde de ouders zoveel mogelijk zelf een plan te laten opstellen. Voor 1.Hoorn was er daarom, gelet op de voor haar geldende kaders, medio 2015 geen aanleiding om de Raad voor de Kinderbescherming in kennis te stellen of om anderszins op te schalen met het oog op de fysieke veiligheid van [dochter] . Van belang daarbij is dat concrete aanwijzingen dat [dochter] vanwege de geestestoestand van moeder gevaar liep ontbraken. De rechtbank verwijst in dit verband verder naar wat zij daarover onder 4.18 heeft overwogen.

4.27.

Voor de periode van eind 2015 - begin 2016 geldt eveneens dat geen sprake was van een levensbedreigende situatie voor [dochter] of dat een verandering in het gedrag van moeder 1.Hoorn aanleiding had moeten geven [eiser] te handelen dan zij heeft gedaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.27.1. 1.

Hoorn heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij in die periode veel en actief aandacht heeft gehad voor [eiser] , moeder en [dochter] . Volgens 1.Hoorn heeft zij de zorgen van [eiser] serieus genomen en op veel gebieden hulp ingeschakeld, toen bleek dat [eiser] en moeder er zelf niet uitkwamen. De rechtbank ziet voor dit betoog steun in de hiervoor onder 2.22 tot en met 2.28 vermelde feiten, evenals uit de veelvuldig gevoerde contacten via Whatsapp met [regiemedewerker] . Daaruit blijkt ook dat de contacten tussen [eiser] en moeder veel beter verliepen, dat zij beiden gemotiveerd waren en dat zij open stonden voor het volgen van het traject Ouderschap Blijft bij Parlan waarvoor 1.Hoorn hen had aangemeld.

4.27.2.

Toen bleek dat Ouderschap Blijft niet tot stand kwam vanwege andere prioriteiten van [eiser] en moeder, heeft 1.Hoorn de hulpverlening bijgesteld waarbij aan de orde is gekomen op te schalen naar het Schakeloverleg en voor de tussentijd een overbruggingsplan (een 1Gezin1Plan) te maken. [eiser] heeft vervolgens op 15 maart 2016 zelf aan 1.Hoorn gevraagd om nog een kans - en die gekregen - om met moeder en 1.Hoorn dit plan vorm te geven en daarna Ouderschap Blijft op te gaan starten. Op 14 april 2016 hebben [eiser] en moeder aan 1.Hoorn te kennen gegeven dat een overbruggingsplan niet nodig was, omdat er voldoende was veranderd om direct te kunnen starten met Ouderschap Blijft. Daarbij hebben zij beiden zowel in april 2016 als half mei 2016 aan 1.Hoorn desgevraagd aangegeven over de veiligheid van [dochter] geen zorgen te hebben.

4.27.3.

Kortom, [eiser] en moeder waren welwillend en bereid om hulp te accepteren zodat 1.Hoorn ervan mocht uitgaan dat er in het vrijwillig kader nog hulpverleningsmogelijkheden waren. Gelet op de Samenwerkingsafspraken Schakeloverleg heeft 1.Hoorn dan ook in redelijkheid kunnen afzien van het indienen van een verzoek tot bespreking in het Schakeloverleg of tot het direct in kennis stellen van de Raad voor de Kinderbescherming. Van belang daarbij is dat 1.Hoorn ermee bekend was dat moeder woonruimte en een baan had gevonden, taallessen volgde, een nieuwe relatie had en contact onderhield met de huisarts en een therapeut. Er waren toen geen concrete aanwijzingen die erop wezen dat moeder [dochter] iets zou aandoen of dat [dochter] concreet gevaar liep, naar aanleiding waarvan 1.Hoorn actie had moeten ondernemen. [eiser] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om van het tegendeel uit te kunnen gaan.

Conclusie

4.28.

Gelet op het wettelijk kader en de in dit vonnis geschetste omstandigheden concludeert de rechtbank dan ook dat niet kan worden vastgesteld dat 1.Hoorn de zorgplicht heeft geschonden door de manier waarop zij haar taken heeft uitgevoerd. Dat 1.Hoorn pas in een laat stadium een aanvang heeft gemaakt met de aanpak 1Gezin1Plan1Regisseur is niet toereikend om (onrechtmatig) verwijtbaar onzorgvuldig handelen aan te kunnen nemen. Ook de enkele verwijzing naar de kritiekpunten uit de rapporten van de inspecties en de Wmo-toezichthouder rechtvaardigt dit oordeel niet. Zoals gezegd lag het, gelet op het gemotiveerde verweer van 1.Hoorn, op de weg van [eiser] om concreet te stellen en feitelijk te onderbouwen hoe en wanneer 1.Hoorn de op haar rustende zorgverplichtingen niet is nagekomen. Dat heeft [eiser] niet gedaan.

4.29. 1.

Hoorn heeft dus niet onrechtmatig gehandeld en is daarom niet schadeplichtig jegens [eiser] . De tegenover 1.Hoorn gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen. De nevenvorderingen van [eiser] jegens 1.Hoorn delen in het lot van de afwijzing.

Slotsom

4.30.

De slotsom is dat alle vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Wat voor het overige nog is aangevoerd, onder andere ten aanzien van shockschade en het causaal verband, behoeft geen bespreking.

Proceskosten

4.31.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.

De proceskosten van Veilig Thuis worden begroot op:

- griffierecht

688,00

- salaris advocaat

1.228,00

(2 punten × € 614,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.094,00

De proceskosten van 1.Hoorn worden begroot op:

- griffierecht

688,00

- salaris advocaat

1.228,00

(2 punten × € 614,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.094,00

4.32.

De rechtbank zal de door Veilig Thuis en 1.Hoorn gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing. De rechtbank zal verder de door Veilig Thuis gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring toewijzen.

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Veilig Thuis van € 2.094,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de onder 5.2 vermelde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.4.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van 1.Hoorn van € 2.094,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.5.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de onder 5.4 vermelde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de beslissingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid, mr. N. Boots en mr. W. Paping-Kool en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.

ST

1

de organisatie in de zin van artikel 4.1.1 lid 1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) voor de regio Hollands Noorden waartoe gemeente Hoorn behoort.

2

op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

3

Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK)

4

Kamerstukken II 33 684, nr. 3, p. 135.



© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733