ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3584

Essentie (gemaakt door AI)

Hoger beroep van vader en GI tegen afwijzing 50/50-zorgregeling en incidenteel hoger beroep van moeder om BOR II. Hof stelt wijziging van omstandigheden vast door stopzetten contact. Signaleringen over onveiligheid bij vader (letsels, agressieregulatie, NICHD-interview over seksueel grensoverschrijdend gedrag stiefzus) maken nader onderzoek noodzakelijk. Hof gelast kortdurend BOR II-traject, laat invulling aan aanbieder, draagt GI op actualiseren veiligheidsplan en nader onderzoek. Dwangsom jegens moeder voor meewerken BOR.

Datum publicatie09-01-2026
Zaaknummer200.358.432_01 en 200.358.492_01
ProcedureHoger beroep
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Begeleide omgang (BOR);
Jeugdbescherming / Jeugdwet
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Verwijzing naar BOR II-regeling vanwege signalen van onveiligheid van de kinderen in de thuissituatie van de vader. Dwangsom nakoming BOR II-regeling door de moeder. Aanhouding iedere verdere beslissing op de aan het hof voorliggende verzoeken.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 9 december 2025

Zaaknummers: 200.358.432/01 en 200.358.492/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/01/410263 / FA RK 24-4739

C/01/412752 / JE RK 25-194

in de zaak in hoger beroep met zaaknummer 200.358.432/01 van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. D.J.P.H. Stoelhorst,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G.A.P. Avontuur.

Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg ,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),

advocaat: mr. I.J.M. Gelissen.

alsmede in de zaak in hoger beroep met zaaknummer 200.358.492/01 van:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg ,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),

advocaat: mr. I.J.M. Gelissen.

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G.A.P. Avontuur,

en

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. D.J.P.H. Stoelhorst.

Beide zaken gaan over de minderjarigen:

  • [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ;

  • [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in beide procedures gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Limburg, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg in beide zaken naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 22 mei 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.358.432/01 (hoger beroep vader):

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 augustus 2025, heeft de vader verzocht, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in de door haar gedane verzoeken (zowel in de hoofdzaak als in de voorlopige voorzieningen) dan wel deze verzoeken af te wijzen als zijnde onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd en:

- primair: ten aanzien van het verzoek van de GI in de hoofdzaak tot uitbreiding van de zorgregeling tussen vader en de kinderen, inhoudende dat:

Reguliere zorgregeling: de kinderen zullen één week bij de vader verblijven en één

week bij de moeder in een tweewekelijks schema.

o de kinderen worden in de even weken op vrijdag op school opgehaald door de vader aan het einde van de schooldag tot de vrijdag erna start schooldag, de vader brengt de kinderen naar school. Bij ziekte/geen school worden de kinderen om 12.00 uur opgehaald door de vader bij de moeder;

o de moeder haalt de kinderen in de oneven weken op van school aan het einde van de schooldag tot de vrijdag erna start schooldag. Bij ziekte/geen school worden de kinderen om 12.00 uur opgehaald door de moeder bij de vader.

Overdracht:

Voor de overdracht in geval van ziekte/geen school geldt dat de moeder haar netwerk inschakelt om de kinderen bij de vader op te halen. De vader brengt de kinderen naar de moeder, waarbij de overdracht plaatsvindt op de parkeerplaats bij de woning van de moeder. De ouder waar de kinderen verblijven brengt de kinderen naar de andere ouder, dan wel schakelt het netwerk hiervoor in.

Vakantieregeling:

o de vakantie start op de vrijdag na school. Als er geen school is, start de vakantie op de vrijdag om 12.00 uur;

o voor het laatste weekeinde van de vakantie geldt de reguliere zorgregeling.

* Zomervakantie:

In de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste drie weken van de zomervakantie

bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder. In de even jaren verblijven de

kinderen de eerste drie weken van de zomervakantie bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader. De zorgregeling inzake de zomervakantie start op de vrijdag dat de kinderen van school zomervakantie krijgen en eindigt zes weken later op vrijdag om 12.00 uur. De vakantie start vrijdag na school, dan wel op vrijdag om 12.00 uur wanneer er die (vrij)dag geen school is.

Aan het einde van de zomervakantie, zijnde het laatste weekend voordat de school

weer begint, wordt de reguliere zorgregeling weer hervat. Dit betekent dat de kinderen, indien er sprake is van een even week, vanaf vrijdag 12.00 uur weer bij de vader zijn en, indien er sprake is van een oneven week, vanaf vrijdag 12.00 uur weer bij de moeder zijn.

Overige vakanties:

De overige vakanties worden bij helfte verdeeld. Dit behelst de navolgende

verdeling:

* Herfstvakantie:

De kinderen verblijven in de even jaren van vrijdag na school, of als er geen school is op vrijdag vanaf 12.00 uur tot dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) bij de vader en van dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zaterdagochtend 09.00 uur bij de moeder. In de oneven jaren verblijven de kinderen van vrijdag na school, of als er geen school is op vrijdag vanaf 12.00 uur tot dinsdagavond 19.00 (na het eten) bij de moeder en van dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zaterdagochtend 09.00 uur bij de vader. In het laatste weekeinde van de herfstvakantie geldt de reguliere zorgregeling.

* Kerstvakantie:

In de even jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader. In de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. De eerste week van de kerstvakantie start op vrijdag na school. Wanneer er geen school is die (vrij)dag, dan start de vakantie op vrijdag om 12.00 uur en eindigt de week erop op vrijdag 12.00 uur waarna de tweede week aanvangt die eindigt op de daaropvolgende vrijdag om 12.00 uur.

* Carnavalsvakantie:

In de even jaren verblijven de kinderen van vrijdag na school, of als er geen school is, op vrijdag 12.00 uur tot dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) bij de moeder en vanaf dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zaterdagochtend 09.00 uur bij de vader. In de oneven jaren verblijven de kinderen van zaterdagochtend 09.00 uur tot dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) bij de vader en van dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zaterdagochtend 09.00 uur bij de moeder.

* Meivakantie:

In de even jaren verblijven de kinderen de eerste vakantieweek bij de vader en de tweede vakantieweek bij de moeder. In de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste vakantieweek bij de moeder en de tweede vakantieweek bij de vader.

De eerste vakantieweek vangt aan op vrijdag na school of op vrijdag om 12.00 uur

als er geen school is en eindigt de week erop op vrijdag 12.00 uur waarna de tweede

week aanvangt die eindigt op de daaropvolgende vrijdag 12.00 uur.

Voor alle vakanties geldt dat de reguliere zorgregeling weer wordt hervat aan het

einde van de vakantieregeling van die betreffende vakantie (laatste weekeinde van

de vakantie). Dit betekent dat de kinderen in het laatste weekend van een vakantie

in een even week vanaf vrijdag/zaterdag weer bij de vader zullen verblijven en in een oneven week vanaf vrijdag/ zaterdag bij de moeder zullen verblijven zulks conform de reguliere zorgregeling.

Bijzondere (feest)dagen:

* Vaderdag: op Vaderdag zijn de kinderen bij de vader van zaterdagavond 19.00 uur

(na het eten) tot zondagavond 19.00 uur (na het eten). Vanaf zondagavond 19.00 uur geldt de reguliere zorgregeling weer.

* Moederdag: op Moederdag zijn de kinderen bij de moeder van zaterdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zondagavond 19.00 uur (na het eten). Vanaf zondagavond

19.00

uur geldt de reguliere zorgregeling weer.

* Verjaardag kinderen: de kinderen verblijven bij de ouder bij wie zij conform de reguliere zorgregeling zijn.

* Overige feestdagen: voor de overige feestdagen die niet in het bovenstaande zijn

opgenomen, geldt dat de reguliere zorgregeling wordt nageleefd en de te geven

beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren,

dat verzoek van de GI toe te wijzen met instandhouding van de eerder bepaalde dwangsom, dan wel, voor zover nodig, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of dagdeel dat de moeder de in deze vast te leggen/te bepalen zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 25.000,-;

- subsidiair: te bepalen dat het hoofdverblijf van de kinderen met ingang van de door het hof af te geven beschikking bij de vader zal zijn en er alsdan een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen wordt vastgesteld waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur bij de moeder zullen verblijven,

met veroordeling van de moeder in de proceskosten aan de zijde van de vader in beide instanties.

2.2.

Op 13 oktober 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift met producties van de GI ingekomen.

2.3.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2025, heeft de moeder verzocht om het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren.

2.3.1.

Tevens heeft de moeder bij genoemd verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld. De moeder verzoekt in het incidenteel hoger beroep, zoals tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevuld en verduidelijkt, haar hoger beroep gegrond te verklaren en voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 8 juni 2023, voor wat betreft de daarbij vastgestelde zorgregeling wordt gewijzigd, omdat deze tot stand is gekomen op basis van onjuiste en onvolledige gegevens en te bepalen dat er begeleide omgang (BOR II) zal zijn tussen de vader en de kinderen.

In de zaak met zaaknummer 200.358.492/01 (hoger beroep GI):

2.4.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 augustus 2025, heeft de GI verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de door de GI in eerste aanleg verzochte zorgregeling uit te spreken, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden.

2.5.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2025, heeft de moeder verzocht om het hoger beroep van de GI ongegrond te verklaren.

2.5.1.

Tevens heeft de moeder bij genoemd verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld. De moeder verzoekt in het incidenteel hoger beroep, zoals tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevuld en verduidelijkt, haar hoger beroep gegrond te verklaren en voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 8 juni 2023, voor wat betreft de daarbij vastgestelde zorgregeling wordt gewijzigd, omdat deze tot stand is gekomen op basis van onjuiste en onvolledige gegevens en te bepalen dat er begeleide omgang (BOR II) zal zijn tussen de vader en de kinderen en de GI in de proceskosten van deze procedure te veroordelen.

Samenhang zaken 200.358.432/01, 200.358.492/01 en 200.359.855/01:

2.6.

Gelet op de samenhang in de zaken met zaaknummers 200.358.432/01 en 200.358.492/01 heeft het hof deze zaken tegelijkertijd behandeld en zal het hof in één beschikking beslissen.

2.6.1.

Tevens heeft het hof – gelet op de samenhang – tegelijkertijd het hoger beroep van de moeder tegen het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant van 25 augustus 2025 behandeld, bij het hof bekend onder zaaknummer 200.359.855/01.

Gelet op het feit dat die zaak een dagvaardingsprocedure betreft, zal het hof in die zaak een afzonderlijk arrest wijzen.

2.7.

De mondelinge behandeling in alle zaken heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • de vader, bijgestaan door mr. Stoelhorst;

  • de moeder, bijgestaan door mr. Avontuur;

  • de GI, vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

  • de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.7.1.

Het hof heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt. De voorzitter van de kamer heeft op 20 oktober 2025 buiten aanwezigheid van de ouders, de GI en de raad met [minderjarige 1] gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

Ook heeft [minderjarige 1] samen met de medewerkers van [instantie 1] een kindbrief geschreven. Deze kindbrief is tezamen met een tekening van [minderjarige 1] ,

op 28 oktober 2025 ter griffie van het hof ingekomen.

2.8.

Het hof heeft in de zaak met zaaknummer 200.358.432/01 verder nog kennisgenomen van de inhoud van:

  • het V8-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 26 september 2025;

  • het bericht van mr. Stoelhorst aan de rechtbank van 1 mei 2025, ingekomen ter griffie van het hof op 14 oktober 2025;

  • het V6-formulier met als bijlagen de producties 1 tot en met 13 bij het verweerschrift in hoger beroep, ingediend door de advocaat van de moeder op 17 oktober 2025;

  • het V6-formulier met als bijlage de volledige versie van productie 11 bij het verweerschrift in hoger beroep, ingediend door de advocaat van de moeder op 17 oktober 2025;

  • productie 10, ingediend door de advocaat van de moeder op 20 oktober 2025;

  • de brief met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 27 oktober 2025, waarin hij aan het hof mededeelt dat hij geen enkele reden ziet om de zaken door te verwijzen naar een ander gerechtshof;

  • de brief van de GI d.d. 28 oktober 2025, waarin de GI aan het hof mededeelt zich voor wat betreft de verwijzing van de zaken naar een ander gerechtshof te refereren aan het oordeel van het hof in dezen.

2.9.

Het hof heeft in de zaak met zaaknummer 200.358.492/01 verder nog kennisgenomen van de inhoud van:

  • producties E1 tot en met E8, ingediend door de advocaat van de GI op 5 september 2025;

  • het V8-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 26 september 2025;

  • het V6-formulier met als bijlagen de producties 1 tot en met 13 bij het verweerschrift in hoger beroep, ingediend door de advocaat van de moeder op 17 oktober 2025;

  • het V6-formulier met als bijlage de volledige versie van productie 11 bij het verweerschrift in hoger beroep, ingediend door de advocaat van de moeder op 17 oktober 2025;

  • productie 10, ingediend door de advocaat van de moeder op 20 oktober 2025;

  • producties 9 en 10, ingediend door de advocaat van de GI op 27 oktober 2025;

  • de brief met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 27 oktober 2025, waarin hij aan het hof mededeelt dat hij geen reden ziet om de zaken door te verwijzen naar een ander gerechtshof;

  • de brief van de GI d.d. 28 oktober 2025, waarin de GI aan het hof mededeelt zich voor wat betreft de verwijzing van de zaken naar een ander gerechtshof te refereren aan het oordeel van het hof in dezen.

3De beoordeling

In het principaal en incidenteel hoger beroep:

De feiten in beide zaken:

3.1.

De moeder en de vader zijn op 7 maart 2020 te [plaats] met elkaar gehuwd.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn voor het huwelijk van de moeder en de vader geboren.

De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit.

3.1.1.

De vader heeft een nieuwe relatie en woont samen met zijn nieuwe partner

en haar zevenjarige dochter [stiefzus] .

Uit die relatie is halfbroer [halfbroer] geboren.

3.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 25 april 2022 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd.

3.3.

Bij beschikking van 8 juni 2023 heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 20 juli 2023 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.1.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald:

  • dat de kinderen hun hoofverblijfplaats bij de moeder zullen hebben;

  • dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

o de kinderen verblijven één keer per twee weken van vrijdag na school dan wel na het kinderdagverblijf tot woensdag voor school dan wel voor het

kinderdagverblijf bij de vader;

o zomervakantie: de kinderen verblijven in de even jaren de 1e week bij de

moeder, de 2e week bij de vader, de 3e week bij de moeder, de 4e week bij de vader, de 5e week bij de moeder en de 6e week bij de vader en in de oneven jaren andersom;

o herfstvakantie: de kinderen verblijven in de even jaren van zondagavond tot

woensdagavond bij de vader en in de oneven jaren verblijven ze van

zondagavond tot woensdagavond bij de moeder;

o kerstvakantie: in de even jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de

moeder en in de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de

vader;

o carnavalsvakantie: in de even jaren verblijven de kinderen van zondagavond

tot woensdagavond bij de moeder en in de oneven jaren verblijven ze van

zondagavond tot woensdagavond bij de vader;

o meivakantie: in de even jaren verblijven de kinderen de eerste helft van de

vakantie bij de vader en in de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste

helft van de vakantie bij de moeder;

o Vaderdag: de kinderen verblijven bij de vader;

o Moederdag: de kinderen verblijven bij de moeder;

o verjaardag kinderen: de kinderen verblijven bij de ouder bij wie zij conform

het reguliere schema zijn;

- dat de moeder aan de vader een dwangsom van € 1.000,- dient te voldoen voor

iedere keer dat zij de zorgregeling niet nakomt, zulks tot een maximum van € 25.000,-.

De procedure in eerste aanleg met zaaknummer C/01/410263 / FA RK 24-4739

3.4.

De moeder heeft in eerste aanleg, voor zover thans nog van belang, verzocht om de bij genoemde beschikking van 8 juni 2023 vastgestelde zorgregeling tussen de vader en de kinderen te wijzigen en te bepalen dat:

  • primair: er een begeleide zorgregeling tussen de vader en de kinderen zal zijn;

  • subsidiair: er een zorgregeling zal gelden tussen de vader en de kinderen, waarbij zij in de even weekenden van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur naar de vader gaan, alsmede in de even weken op dinsdag uit school tot 18.00 uur ’s avonds.

3.5.

De vader heeft hiertegen verweer gevoerd en verzocht om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in de door haar gedane verzoeken, dan wel deze verzoeken af te wijzen als zijnde onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd, met veroordeling van de moeder in de proceskosten aan de zijde van de vader.

De procedure in eerste aanleg met zaaknummer C/01/412752 / JE RK 25-194

3.6.

De GI heeft in eerste aanleg, na wijziging van haar verzoek bij bericht van 25 maart. 2025, verzocht om op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 8 juni 2023 te wijzigen, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 3.3. van de bestreden beschikking.

3.6.1.

Het hof stelt vast dat het inleidend verzoek van de GI volledig overeenkomt met het primaire verzoek van de vader in hoger beroep, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 2.1. van deze beschikking.

3.7.

De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd en verzocht om de verzoeken van de GI af te wijzen.

3.8.

De vader heeft in eerste aanleg verzocht om de verzoeken van de GI toe te wijzen, met

instandhouding van de eerder bepaalde dwangsom, dan wel voor zover nodig, onder

oplegging van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer dat de moeder de in deze vast

te leggen zorgregeling niet nakomt.

3.9.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover van belang, in de zaken met zaaknummers C/01/410263 / FA RK 24-4739 en

C/01/412752 / JE RK 25-194 de beschikking van de rechtbank van 8 juni 2023 gewijzigd, voor wat betreft de reguliere zorgreling en een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de even weekenden van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur naar de vader gaan, alsmede in de even weken op dinsdag uit school tot 18.00 uur ’s avonds.

3.9.1.

Bij die beschikking heeft de rechtbank verder genoemde beschikking van 8 juni 2023, voor wat betreft de zorgregeling tijdens de vakanties en feestdagen, als volgt gewijzigd:

Vakantieregeling:

  • de vakantie start op de vrijdag na school. Als er geen school is, start de vakantie op de vrijdag om 12.00 uur.

  • voor het laatste weekend van de vakantie geldt de reguliere zorgregeling.

Herfstvakantie:

- de kinderen verblijven in de even jaren van vrijdag na school, of als er geen school is op vrijdag vanaf 12.00 uur, tot dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) bij de vader en van dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zaterdagochtend 09.00 uur bij de moeder. In de oneven jaren verblijven de kinderen van vrijdag na school, of als er geen school is op vrijdag vanaf 12.00 uur tot dinsdagavond 19.00 (na het eten) bij de moeder en van dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zaterdagochtend 09.00 uur bij de vader.

Kerstvakantie:

- in de even jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader. In de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. De eerste week van de kerstvakantie start op vrijdag na school. Wanneer er geen school is die (vrij)dag, start de vakantie op vrijdag om 12.00 uur en eindigt de week erop op vrijdag 12.00 uur waarna de tweede week aanvangt die eindigt op de daaropvolgende vrijdag om 12.00 uur.

Carnavalsvakantie:

- in de even jaren verblijven de kinderen van vrijdag na school, of als er geen school is, op vrijdag 12.00 uur tot dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) bij de moeder en vanaf dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zaterdagochtend 09.00 uur bij de vader. In de oneven jaren verblijven de kinderen van zaterdagochtend 09.00 uur tot dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) bij de vader en van dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zaterdagochtend 09.00 uur bij de moeder.

Meivakantie:

- in de even jaren verblijven de kinderen de eerste vakantieweek bij de vader en de tweede vakantieweek bij de moeder. In de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste vakantieweek bij de moeder en de tweede vakantieweek bij de vader. De eerste vakantieweek vangt aan op vrijdag na school of op vrijdag om 12.00 uur als geen school is en eindigt de week erop op vrijdag 12.00 uur waarna de tweede week aanvangt die eindigt op de daaropvolgende vrijdag 12.00 uur.

Bijzondere feestdagen:

  • Vaderdag: op Vaderdag zijn de kinderen bij de vader van zaterdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zondagavond 19.00 uur (na het eten). Vanaf zondagavond 19.00 uur geldt de reguliere zorgregeling weer.

  • Moederdag: op Moederdag zijn de kinderen bij de moeder van zaterdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zondagavond 19.00 uur (na het eten). Vanaf zondagavond 19.00 uur geldt de reguliere zorgregeling weer.

  • verjaardag kinderen: de kinderen verblijven bij de ouder bij wie zij conform regulier schema zorgregeling zijn.

  • overige feestdagen: voor overige feestdagen die niet in het bovenstaande zijn

opgenomen, geldt dat de reguliere zorgregeling wordt nageleefd.

De procedures in hoger beroep

3.10.

De vader en de GI kunnen zich met deze beslissingen van de rechtbank niet verenigen en zij zijn hiervan ieder afzonderlijk in hoger beroep gekomen.

De ontwikkelingen na de bestreden beschikking

3.11.

De vader heeft naast onderhavig hoger beroep een procedure in kort geding opgestart. De vader heeft daarbij gevorderd om de moeder te veroordelen om de zorgregeling zoals opgenomen in de bestreden beschikking correct en onvoorwaardelijk na te komen op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft.

3.12.

De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd en in die procedure in reconventie gevorderd de zorgregeling zoals die in de bestreden beschikking is vastgesteld te schorsen hangende een nog door de moeder aanhangig te maken bodemprocedure.

Verder heeft de moeder gevorderd om aan haar vervangende toestemming te verlenen voor het inzetten van hulpverlening van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door [instantie 2] te [plaats] .

3.13.

De voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis in kort geding van 25 augustus 2025 in conventie de moeder veroordeeld tot correcte en onvoorwaardelijke nakoming van de zorgregeling, zoals die door de rechtbank is gewijzigd in de bestreden beschikking van 22 mei 2025, met inachtneming van de voorwaarden die de GI daaraan stelt.

Verder heeft de voorzieningenrechter in conventie de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor iedere keer dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,-.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van de moeder in reconventie afgewezen.

3.14.

Bij beschikking van 19 november 2025 heeft de rechtbank Oost-Brabant de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van één jaar verlengd, derhalve met ingang van 23 november 2025 tot 23 november 2026.

De rechtbank heeft bij die beschikking verder het verzoek van de GI tot vervanging van de GI door een andere GI, afgewezen.

De standpunten in de zaak met zaaknummer 200.358.432/01 (hoger beroep vader):

3.15.

De vader voert – samengevat – het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte het verzoek van de GI om te komen tot een 50-50 zorgregeling tussen ouders afgewezen. Ook de door de moeder in incidenteel hoger beroep verzochte begeleide omgangsregeling (BOR II) dient te worden afgewezen. Er zijn geen signalen over mogelijke onveiligheid bij de vader thuis. Tussen de kinderen en [stiefzus] (de zevenjarige stiefdochter van de vader) is niets grensoverschrijdends gebeurd. Het initiatief kwam van beide kanten. De vader heeft wel met hen gesproken over wat er is voorgevallen en regels gesteld. Het NICHD-interview heeft enkele weken na het voorval pas plaatsgevonden; ook hierbij zijn de kinderen in de tussentijd door de moeder beïnvloed. Er bestaan ook geen zorgen over de opvoedkundige kwaliteiten van de vader. De rechtbank heeft ten onrechte geen, dan wel te weinig gewicht toegekend aan de goede intenties van de vader om hulpverlening te accepteren, samen te werken en een veilig opvoedingsklimaat voor de kinderen te realiseren. De rechtbank heeft ten onrechte een eindoordeel gegeven over het verzoek van de GI, zonder de GI de kans te geven dit verzoek nader te onderbouwen en zonder eerst een deskundigenonderzoek te gelasten naar de door de GI uitgewerkte vier hypotheses aan de hand waarvan de GI haar verzoek heeft gedaan.

De rechtbank heeft vervolgens ten onrechte de moeder in haar verzoeken in hoger beroep ontvankelijk verklaard en het subsidiaire verzoek van de moeder om te komen tot een beperking van het contact tussen de vader en de kinderen toegewezen. Er is geen sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. De vader betwist dat de partnerstrijd is verergerd; die strijd is onveranderd (heftig). De vader betwist ook dat de moeder slachtoffer is van agressie of intieme terreur door de vader. Er zijn wel dingen tussen ouders voorgevallen, maar die worden door de moeder ‘opgeblazen’. Bovendien was er geen sprake van eenrichtingsverkeer, maar van een ‘toxische relatie’ tussen de ouders. Ook de moeder liet agressie of geweld zien in het bijzijn van de kinderen. Er zijn hiervan meldingen bij Veilig Thuis (VT) gedaan en de vader heeft ook aangifte tegen de moeder bij de politie gedaan. De rechtbank heeft het eigen handelen van de moeder onvoldoende kritisch beoordeeld.

Ten aanzien van het verzoek van de GI speelt de ontvankelijkheid niet. Aan dat verzoek wordt (mede) de rapportage van [instantie 3] van november 2024 ten grondslag gelegd. De inhoud daarvan kan als een wijziging van omstandigheden worden gezien.

De rechtbank heeft ten onrechte aan haar inhoudelijke beslissing feiten, omstandigheden en documenten (waarvan de betrouwbaarheid wordt betwist) uit een ver verleden ten grondslag gelegd. Daarbij heeft de rechtbank niet meegewogen wat er in de afgelopen jaren allemaal veranderd is en, al dan niet, verbeterd is. Ook de context van de documenten (zoals de e-mail van 22 juli 2021) is volledig genegeerd door de rechtbank. Hoewel de rechter op grond van artikel 149 Rv het bewijs vrij mag waarderen, moet die bewijswaardering wel begrijpelijk worden gemotiveerd. Het zwaar laten wegen van oude verklaringen uit de periode 2020-2022, terwijl recente rapportages van de GI en [instantie 3] buiten beschouwing worden gelaten, voldoet hier niet aan. Het oordeel van de rechtbank is ook onbegrijpelijk omdat genoemde feiten en omstandigheden in eerdere procedures reeds zijn benoemd en beoordeeld en nooit tot een inperking van het contact tussen de vader en de kinderen hebben geleid, maar juist iedere keer tot een uitbreiding daarvan. De rechtbank heeft ten onrechte de hypothese van de GI dat de kinderen door de moeder relationeel worden beïnvloed terzijde geschoven. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat een rustige situatie voor de kinderen alleen kan worden gecreëerd door het subsidiaire verzoek van de moeder toe te wijzen. Uit alle onderzoeken en situaties blijkt dat de kinderen door de moeder worden belast met volwassenenzaken, dat zij worden beïnvloed in het beeld dat zij van de vader hebben en dat zij niet de ruimte krijgen om een eigen beeld van de vader te vormen. De moeder belemmert structureel de band tussen de vader en de kinderen. Dit levert een schending op van artikel 1:247 lid 3 BW. Het brengen van evenwicht in de verzorging door beide ouders kan balans en rust voor de kinderen brengen. Een inperking van de zorgregeling niet, omdat dit de moeder alleen maar extra tijd geeft voor relationele beïnvloeding. Verder heeft de rechtbank bij de toewijzing van het subsidiaire verzoek van de moeder ten onrechte geen rekening gehouden met de eerdere uitgangspunten omtrent de overdrachten. De overdrachten tussen de ouders moeten zoveel mogelijk worden beperkt en moeten in een neutrale omgeving, zoals via de school, plaatsvinden. Door de gewijzigde zorgregeling verblijven de kinderen weliswaar korter bij de vader, maar worden er wel extra overdrachtsmomenten gecreëerd. Dit zorgt voor spanning bij de zowel de ouders als de kinderen. Dat de kinderen moeite hebben met landen bij de vader is meerdere keren met de hulpverlening en met de rechters besproken. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking niet duidelijk bepaald hoe de overdrachtsmomenten dienen plaats te vinden.

De vader ziet geen meerwaarde in een nieuw raadsonderzoek. Het is op basis van de reeds aanwezige stukken volstrekt helder wat er in deze zaak aan de hand is, te weten beïnvloeding door de moeder. Indien het hof toch een nieuw raadsonderzoek gelast, dan dient er – vanwege de duur van het onderzoek – in de tussentijd een voorlopige contactregeling tussen de vader en de kinderen te worden vastgesteld. Die voorlopige contactregeling moet dan minimaal de regeling zijn, zoals in de bestreden beschikking is vastgelegd.

De rechtbank heeft verder ten onrechte geoordeeld dat aan de nakoming van de zorgregeling niet langer een dwangsom verbonden dient te zijn, omdat er geen aanwijzingen zijn dat de moeder die regeling niet zal nakomen. De moeder werkt echter structureel niet mee aan de door de rechtbank vastgestelde zorgregelingen. Zij geeft een eigen invulling aan de gemaakte afspraken dan wel aan de beslissingen van de rechtbank. Sinds begin mei 2025 ontbreekt ieder contact tussen de vader en de kinderen. Een dwangsom is daarom noodzakelijk. Verder ziet de vader hierin aanleiding om zijn verzoek te wijzigen en subsidiair om wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen te verzoeken. Dit is geen zelfstandig verzoek in hoger beroep. Een structurele belemmering van contact kan een dergelijke wijziging – als ultimum remedium – rechtvaardigen. Van een (verdere) negatieve beïnvloeding van de kinderen door de moeder kan dan geen sprake meer zijn. De vader verzoekt in dat geval ook om een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen vast te stellen, waarbij de kinderen één weekend per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de moeder verblijven.

3.16.

De GI voert – samengevat – het volgende aan.

De veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader is in meerdere procedures aan de orde geweest. De GI noch andere instanties (zoals de raad) hebben kindermishandeling of onveiligheid in de thuissituatie bij de vader kunnen vaststellen. De GI ziet geen aanleiding om een BOR II vast te stellen tussen de vader en de kinderen. De vader staat open voor hulpverlening. Ook ziet de GI dat de vader een groei heeft doorgemaakt. Een 50-50 zorgregeling is in het belang van de zijnsontwikkeling kinderen. Op die manier krijgen de kinderen de kans om van beide ouders een gelijk beeld te vormen en komen zij minder klem te zitten tussen de ouders. De haalbaarheid van die 50-50 regeling is de verantwoordelijkheid van de ouders. De ouders moeten zich realiseren dat zij alleen verantwoordelijk zijn voor de situatie in hun eigen huis en dat zij de situatie bij de andere ouder los moeten leren laten.

Omstreeks 10 mei 2025 heeft de moeder eenzijdig de zorgregeling tussen de vader en de kinderen opgeschort, vanwege seksueel grensoverschrijdend gedrag van [stiefzus] (de zevenjarige stiefdochter van de vader) richting [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Veilig Thuis heeft geadviseerd om een kind interview conform het NICHD-protocol af te nemen. Dit kind interview heeft op 17 juni 2025 plaatsgevonden. Een van de conclusies uit dit kind interview was dat er een herstelgesprek dient plaats te vinden tussen de vader en de kinderen. De kinderen kunnen dan, onder begeleiding van de gezinsvoogden, met de vader delen wat zij hebben meegemaakt en hoe zij dit hebben ervaren. De moeder weigert echter om mee te werken aan dit herstelgesprek. Verder dient de laatste versie van het veiligheidsplan (februari 2024) te worden geactualiseerd; die actualisatie heeft nog niet plaatsgevonden.

De moeder geeft ten onrechte geen opvolging aan de zorgregeling, zoals vastgesteld in de bestreden beschikking. Dit terwijl de moeder tevens bij vonnis in kort geding van 25 augustus 2025 is veroordeeld tot nakoming van deze zorgregeling.

3.17.

De moeder voert in het principaal hoger beroep – samengevat – het volgende aan.

Alle factoren die van invloed kunnen zijn op omstandigheden rond de kinderen moeten in beeld worden gebracht (vgl. Richtlijn EU 2024/1385 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld). Het huiselijk geweld is een factor waarmee rekening dient te worden gehouden. De problemen binnen het nieuwe gezin van de vader leveren eveneens een veiligheidsrisico voor de kinderen op. De veiligheid van de kinderen dient centraal te staan en dat gebeurt thans niet. Het gedrag van de vader en daarmee het ontstaan van letsel bij de kinderen tijdens het contact met de vader wordt door de GI al jarenlang vergoelijkt. Vast staat dat er bij de vader sprake is van een persoonlijkheidsstoornis binnen het klinisch spectrum. De vader stelt – met verwijzing naar de verklaring van zijn therapeut – dat het goed met hem gaat. Nergens blijkt uit dat de therapeut heeft gesproken met andere personen uit de omgeving van de vader om hen te vragen of zij ook van mening zijn dat het beter gaat met de vader. Er kan daaruit niet de conclusie worden getrokken dat de vader geen problemen meer heeft in relaties. Er hebben ook nog meerdere incidenten plaatsgevonden gedurende de periode dat de vader in behandeling was bij deze psycholoog. De kinderen hebben geen onbelaste geschiedenis met de vader. Er is bij de vader een gebrek aan sensitiviteit, responsiviteit en veiligheid. Dat wordt door de GI ten onrechte afgedaan als beïnvloeding van de kinderen door de moeder. De bestreden beschikking is gebaseerd op objectieve feiten. Daar liggen weliswaar oudere stukken aan ten grondslag, maar de rechtbank is ook nadrukkelijk ingegaan op de incidenten die zich na de laatste beschikking hebben voorgedaan. Naar aanleiding hiervan heeft de GI opvoedondersteuning bij de vader ingezet. Nog voor de afgifte van de bestreden beschikking bleek ook nog dat bij de vader al maandenlang bekend was dat de kinderen onder dwang seksuele handelingen van stiefdochter [stiefzus] moesten verrichten en dulden. De vader heeft dit kennelijk niet besproken met de opvoedondersteuning. De moeder mist in de reactie van de GI welke stappen er moeten worden genomen om te gaan werken aan de structurele onveiligheid in de thuissituatie bij de vader. Zij heeft onder meer het TOP 3-model, hulpverlening van [instantie 2] en speltherapie geopperd. De GI wijst dat ten onrechte af omdat zij deze casus behandelt als een hoog-conflictscheiding in plaats van een situatie waarbij sprake is van structurele onveiligheid bij een ouder. De moeder betwist niet dat de vader zijn medewerking verleent aan de hulpverlening, maar de huidige hulpverlening volstaat volgens haar niet. Een nieuw raadsonderzoek heeft geen meerwaarde.

Indien het hof een zorgregeling tussen de vader en de kinderen vaststelt dan zal de moeder daaraan haar medewerking moeten verlenen. De moeder zal de kinderen dan wel moeten dwingen. [minderjarige 2] wil namelijk geen contact met de vader en [minderjarige 1] wil bewijs dat er geen vervelende dingen meer bij de vader thuis gebeuren.

De vader is niet-ontvankelijk in zijn subsidiaire verzoek in hoger beroep tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de door hem gevorderde dwangsom. De vader heeft in eerste aanleg geen zelfstandige verzoeken ingediend. De vader heeft zich bij de rechtbank beperkt tot het onderschrijven van het verzoek van de GI. De gevorderde dwangsom hangt samen met het verzoek dat de GI heeft ingediend en niet met een verzoek dat namens de vader is ingediend (artikel 611a lid 1 Rv) . Indien het hof het verzoek van de GI alsnog zou toewijzen, dan geldt dat slechts als een hoofdveroordeling in de zin van artikel 611a Rv in de zaak tussen de GI en de moeder.

3.17.1.

De moeder voert in het incidenteel hoger beroep – samengevat – ,onder verwijzing naar verschillende literatuur en artikelen omtrent achterliggende problematiek, naast hetgeen hierboven onder haar verweer is vermeld, het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte het verzoek van de moeder om de beschikking van de rechtbank van 8 juni 2023, voor wat betreft de zorgregeling te wijzigen, omdat deze tot stand is gekomen op basis van onjuiste of onvolledige gegevens afgewezen. In die beschikking heeft de rechtbank het uitgangspunt genomen dat het geweld stopt als de relatie eindigt. Het tegendeel is echter het geval. Het verleden zegt juist veel over de toekomstige risico’s die zich op het moment van uiteengaan al bij herhaling hadden gemanifesteerd in relatie tot [minderjarige 1] . Aan het oordeel in de bestreden beschikking legt de rechtbank mede stukken ten grondslag die reeds in eerdere procedures zijn overgelegd. Dit maakt dat bij de eerdere beschikkingen van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het is onduidelijk waarop de GI thans baseert dat een co-ouderschap in het belang van de kinderen is, temeer omdat de rechtbank in de beschikking van 8 juni 2023 het verzoek van de vader om een co-ouderschap nog heeft afgewezen. De door de rechtbank in die beschikking daarvoor genoemde argumenten zijn nog onverminderd aan de orde. Aan de essentiële voorwaarden voor een goed functionerend co-ouderschap wordt niet voldaan. Er is geen communicatie, overleg of afstemming tussen de ouders. De kinderen kampen met een loyaliteitsconflict. Ook is solo parallel ouderschap tussen de ouders niet praktisch uitvoerbaar.

De rechtbank heeft verder ten onrechte het primaire verzoek van de moeder, strekkende tot vaststelling van een begeleid contact tussen de vader en de kinderen (BOR II), afgewezen. De ontwikkelingen na de bestreden beschikking onderstrepen de noodzaak hiervan. Er moet daarbij ook worden ingezet op de structurele onveiligheid bij de vader.

De standpunten in de zaak met zaaknummer 200.358.492/01 (hoger beroep GI):

3.18.

De GI voert – samengevat –, naast hiervoor reeds onder 3.16 vermeld, het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat een rustige situatie voor de kinderen uitsluitend kan worden gecreëerd wanneer het contact tussen de vader en de kinderen wordt ingeperkt op de wijze zoals de moeder subsidiair heeft verzocht. De rechtbank heeft daarbij ten onrechte meegewogen dat het voor de kinderen lastig is om de overstap van de moeder naar de vader te maken. Het is een feit van algemene bekendheid dat veel kinderen in echtscheidingssituaties hier moeite mee hebben. Dat de kinderen de overstap van de moeder naar de vader lastig vinden, maakt niet dat zij meer tijd met de moeder en minder tijd met de vader dienen door te brengen. De door de rechtbank geciteerde en opgesomde verklaringen kunnen de inperking van de zorgregeling tussen de vader en de kinderen evenmin dragen. De rechtbank heeft te veel waarde gehecht aan de door de moeder ingebrachte verklaringen/ bronnen. Tegelijkertijd heeft de moeder in de periode waaruit deze verklaringen stammen een verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling ingediend omdat de kinderen niet langer in hun ontwikkeling zouden worden bedreigd. De GI vindt dat tegenstrijdig. Een zorgregeling waarbij de vader en de kinderen ook doordeweeks contact hebben en waarbij zo weinig mogelijk contact tussen de ouders plaatsvindt biedt de kinderen de meeste rust. Dit maakt tevens de inzet van opvoedondersteuning bij de vader mogelijk. De GI vindt een zorgregeling van 50-50 met parallel ouderschap het meest in het belang van de kinderen. De kinderen belanden door een gelijke verdeling minder in een loyaliteitsconflict.

De rechtbank heeft ten onrechte geen beslissing genomen c.q. geen regeling vastgesteld met betrekking tot de overdracht van de kinderen. De GI heeft de rechtbank verzocht om een regeling voor de overdracht vast te leggen, teneinde onduidelijkheid tussen de ouders te voorkomen. De rechtbank heeft echter – zonder motivatie – niet bepaald hoe de overdracht er uit moet zien. In de huidige zorgregeling vindt de overdracht niet (meer) via de school plaats, zodat de GI het van belang acht dat de overdracht wordt vastgelegd. In het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling heeft de rechtbank de GI de opdracht gegeven om tot werkafspraken met de ouders te komen, maar dit is niet gelukt. De insteek van de GI is om de situatie tussen de ouders te normaliseren, waarbij de ouder waar de kinderen op dat moment verblijven hen naar de andere ouder brengt. Op dit moment is dat niet haalbaar. De overdracht dient zoveel als mogelijk zonder confrontatie tussen de ouders plaats te vinden.

De overstap naar de andere ouder zal voor de kinderen makkelijker verlopen wanneer de overdracht na school of bij aanvang school plaatsvindt.

De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat voor de vader in de toekomst opvoedondersteuning zal worden ingezet. De opvoedondersteuning vanuit [instantie 4] is ruim voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank ingezet. Daarnaast heeft de vader ondersteuning vanuit [instantie 3] . Doordat de kinderen al enkele maanden niet bij de vader thuis zijn geweest, is er geen recente informatie vanuit de opvoedondersteuning over de vader beschikbaar.

3.19.

De moeder voert in het principaal hoger beroep – samengevat – het volgende aan.

De GI blijft ten onrechte – ook na de kritische kanttekeningen van de rechtbank hieromtrent – vasthouden aan de hypothesen-toetsing. De GI snapt de essentie van de hypothesen-toetsing niet. De GI meent dat wanneer een hypothese niet bewezen kan worden, dat hieruit dan volgt dat deze hypothese verworpen moet worden. Dit terwijl dan de conclusie zou moeten zijn dat een hypothese niet bevestigd maar ook niet verworpen kan worden. Ook verwijst de GI in hoger beroep ter onderbouwing van haar standpunt ten onrechte naar de rapportage van [instantie 3] , waar de rechtbank ook kritische kanttekeningen bij heeft geplaatst. In de rapportage van [instantie 3] wordt geen scheiding gemaakt tussen feiten, meningen en conclusies. Het is onduidelijk waar de hypothese dat sprake zou zijn van relationele beïnvloeding door de moeder op is gebaseerd. De rechtbank heeft in de beschikking van 26 augustus 2025 de schriftelijke aanwijzing aan de moeder op dit punt gedeeltelijk vervallen verklaard. De moeder verwijst verder naar het verslag van [instantie 5] . [instantie 5] heeft in 2024 maandenlang de overdrachten van de kinderen begeleid. Hieruit blijkt dat bij [instantie 5] niet de indruk bestaat dat de moeder de kinderen beïnvloedt. Wel volgt hieruit dat [minderjarige 2] zich tijdens de begeleide overdrachten hevig richting de vader verzette. Daarmee ontbreekt ook de grondslag voor de wijziging van de zorgregeling in een 50-50 regeling. Verder redeneert de GI ten onrechte dat uit het feit dat de door de moeder opgestarte artikel 12 Sv-procedure ongegrond is verklaard volgt dat de kindermishandeling door de vader niet bewezen is. In het strafrecht geldt een ander bewijsrecht dan in het civiele recht. Het is ook niet relevant onder het IVRK (vgl. General Comment no. 13 bij artikel 19 IVRK en EHRM M. en M. - Kroatië) of de kindermishandeling al dan niet opzettelijk plaatsvindt. De GI heeft de verklaringen van de kinderen omtrent de mishandelingen door de vader en het seksueel grensoverschrijdend gedrag in het gezin van de vader voor kennisgeving aangenomen, zonder nader onderzoek te doen naar datgene wat de kinderen verklaarden. De moeder heeft zich daarop genoodzaakt gevoeld om zich tot de zedenrecherche te wenden. De moeder betwist dat de geluidsopnames van het NICHD-interview ad verbatim zijn uitgewerkt. In de verklaring van [minderjarige 2] zijn zaken weggelaten of werd er een zodanige interpretatie aan gegeven om de geloofwaardigheid van de verklaring van [minderjarige 2] aan te tasten.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voldoende duidelijk is dat de vader heeft gekampt met agressieregulatieproblematiek. De moeder betwist dat geen acht kan worden geslagen op de door haar overgelegde verklaringen van derden; dit is een gewoon bewijsmiddel. Ook heeft de rechtbank in dit verband gewezen op een groot aantal andere stukken. Dit wordt door de GI niet betwist. Onduidelijk is of de GI van mening is dat de vader geen emotieregulatieproblematiek heeft. De GI verwijst in het beroepschrift ook naar een rapport van de raad van 22 maart 2022 waarin als één van de doelen is opgenomen dat de vader zich zal richten op zijn emotieregulatie. Voor zover de vader dit al heeft gedaan, heeft dat niet tot resultaat geleid. In de destijds gestelde doelen is ook gezegd dat sprake moet zijn van een veilig contact en dat er toezicht moet komen op de fysieke veiligheid van de kinderen, waarbij er geen sprake is van enige vorm van kindermishandeling. Aan die veiligheid ontbreekt het juist al jarenlang. Ook acht de GI opvoedondersteuning aan de zijde van de vader nodig omdat de vader kennelijk niet in staat is om rustig op de kinderen te reageren. De kinderen kampen al jaren met psychosomatische klachten. Er zijn eerder duidelijke signalen van school gekomen dat het niet goed met hen ging. Het door de GI noodzakelijk geachte herstelgesprek heeft geen zin omdat zonder aanpak van de structurele onveiligheid in het gezin van de vader het wachten is tot het volgende (ernstige) incident. De GI legt uitsluitend verplichtingen op aan de moeder en de kinderen, maar niet aan de vader.

Ten aanzien van de overdrachten hebben de ouders op uitdrukkelijk verzoek van de GI afspraken gemaakt tijdens het traject bij [instantie 3] . De afspraak is dat de overdracht plaatsvindt op de neutrale parkeerplaats nabij de woning van de moeder, waarbij de vader de kinderen haalt en brengt. Die afspraak is tot 2025 ook feitelijk zo uitgevoerd. Daarna is de vader die afspraak niet langer nagekomen en komt de vader naar de woning/tuin van de moeder.

3.19.1.

Het hof verwijst voor de grieven van de moeder in incidenteel hoger beroep in deze zaak naar rechtsoverweging 3.17.1. van deze beschikking, omdat deze grieven volledig overeenkomen met de incidentele grieven van de moeder in de zaak met zaaknummer 200.358.432/01.

3.20.

Het hof stelt vast dat het verzoek van de vader in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.358.432/01 volledig overeenkomt met het verzoek van de GI in hoger beroep in de onderhavige zaak. Het hof verwijst daarom voor het standpunt van de vader naar rechtsoverweging 3.15. van deze beschikking.

Het standpunt van de raad in beide zaken (200.358.432/01 en 200.358.492/01):

3.21.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – verklaard op dit moment geen vast advies te kunnen geven over hoe de zorgregeling tussen de vader en de kinderen er uit moet komen te zien. In 2023 heeft de raad een onderzoek naar de zorgregeling gedaan. Er zijn ontwikkelingen geweest door de jaren heen. De raad zou een nieuw onderzoek kunnen verrichten, maar de impact daarvan is groot op de kinderen. De tegenstellingen tussen de ouders zijn sindsdien alleen maar groter geworden. De kinderen moeten daar tussen bewegen. Bij beide ouders blijven zorgen bestaan over de situatie bij de andere ouder. De situatie tussen de ouders moet genormaliseerd worden, zodat de kinderen zich een eigen beeld van beide ouders kunnen vormen. De zorg van de raad is dat het niet lukt om dingen te herstellen. Het is de raad onduidelijk hoe de signalen van kindermishandeling geïnterpreteerd moeten worden. Het zou kunnen dat er sprake is van beïnvloeding door de moeder, maar wanneer dat niet zo is dan moet worden onderzocht wat aan die kindermishandeling ten grondslag ligt. Uit de stukken volgt dat de kans groter is dat bij de kinderen sprake is van toegebracht letsel dan dat sprake is van accidenteel letsel. De vader heeft daarvoor echter wel een verklaring gegeven. Er moet gekeken worden naar wat qua zorgregeling de minst slechte optie is voor de kinderen en wat voor effect die optie op de kinderen gaat hebben. Gedurende het raadsonderzoek moet er wel contact zijn tussen de vader en de kinderen. Voorafgaand aan dat contact dient het herstelgesprek plaats te vinden.

De motivering van de beslissing

3.22.

Het hof overweegt het volgende.

Het wettelijk kader in het hoger beroep de vader (zaaknummer 200.358.432/01)

3.22.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Het wettelijk kader in het hoger beroep van de GI (zaaknummer 200.358.492/01)

3.22.2.

De kinderen staan onder toezicht van de GI. Op grond van artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

Wijziging van omstandigheden

3.22.3.

Het hof moet gelet op het bepaalde in artikel 1:377e in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW en het bepaalde in artikel 1:265g lid 1 BW eerst beoordelen of er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. In de beschikking van 8 juni 2023 is een zorgregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld. Vast staat dat zowel de in die beschikking vastgestelde zorgregeling als de in de bestreden beschikking gewijzigde zorgregeling tussen de vader en de kinderen niet (meer) wordt uitgevoerd. De moeder heeft op 10 mei 2025 ieder contact tussen de vader en de kinderen stopgezet. Er is daarom – naar het oordeel van het hof – sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, zodat het hof aan een inhoudelijke beoordeling van beide zaken toekomt.

De omvang van het geschil

3.22.4.

Tussen partijen is in geschil op welke wijze de zorgregeling tussen de vader en de kinderen dient te worden vastgesteld.

De vader stelt zich in het principaal hoger beroep (in zaaknummer 200.358.432/01) – kort gezegd – primair op het standpunt dat er een co-ouderschapsregeling dient te worden vastgesteld en subsidiair dat het hoofdverblijf van de kinderen dient te worden gewijzigd en dat er een weekendregeling tussen de moeder en de kinderen dient te worden vastgesteld.

Ook de GI verzoekt in het principaal hoger beroep (in zaaknummer 200.358.492/01) om een co-ouderschapsregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen.

De moeder stelt zich in het incidenteel hoger beroep (in beide zaken) – kort gezegd – op het standpunt dat er om veiligheidsredenen een BOR II-regeling tussen de vader en de kinderen dient te worden vastgesteld.

Verzoek vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats

3.22.5.

Voor zover de vader in hoger beroep subsidiair het hof heeft verzocht om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen met ingang van de datum van de door het hof af te geven beschikking bij de vader zal zijn en er dan een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen dient te worden vastgesteld, waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur bij de moeder zullen verblijven, is het hof van oordeel dat dit verzoek niet is aan te merken als een zelfstandig verzoek in hoger beroep.

Het hof overweegt daartoe dat de vader in eerste aanleg in de door de GI aanhangig gemaakte procedure (met kenmerk C/01/412752 / JE RK 25-194) een zelfstandig verzoek heeft ingediend. De vader heeft de rechtbank daarbij verzocht om de verzoeken van de GI omtrent de zorgregeling tussen hem en de kinderen toe te wijzen, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,-, voor iedere keer dat de moeder de vast te leggen zorgregeling niet nakomt. Dit maakt – naar het oordeel van het hof – dat de vader in die procedure ook als verzoeker in eerste aanleg kan worden aangemerkt. Dit verzoek van de vader vertoont connexiteit met het door de GI gedane verzoek ter zake van de wijziging van de zorgregeling. De vader verzoekt immers de rechtbank om een extra waarborg om de kans te vergroten dat de door de rechtbank vast te stellen gewijzigde zorgregeling ook daadwerkelijk door de moeder zal worden nagekomen. Bovendien heeft de wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen in de onderhavige zaak – gelet op de inhoud van het subsidiaire verzoek in hoger beroep van de vader – naast de wijziging van het adres van de kinderen in de Basisregistratie Personen (BRP) tot gevolg dat er tussen de vader en de kinderen een veel ruimere zorgregeling zal gelden. De goede procesorde verzet zich – gelet op genoemde feiten en omstandigheden – niet tegen deze vermeerdering van het verzoek van de vader. De vader is daarom ontvankelijk in zijn subsidiaire verzoek in hoger beroep.

De inhoudelijke beoordeling in beide zaken

3.22.6.

De rechter moet bij het nemen van een beslissing over omgang met kinderen tevens het op 1 maart 2016 in werking getreden Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) in acht nemen. Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden. Ook besteedt het verdrag aandacht aan de maatregelen die nodig zijn voor de opvang en bescherming van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld. Uit de memorie van toelichting bij de goedkeuring van het Verdrag van Istanbul blijkt bij artikel 2 lid 2 dat het verdrag van toepassing is op alle slachtoffers van huiselijk geweld, inclusief mannen en kinderen. Bij artikel 31 (over voogdij, omgangsregeling en veiligheid) staat dat ingevolge het eerste lid van artikel 31 Verdragspartijen wetgevende of andere maatregelen moeten nemen teneinde te waarborgen dat bij de vaststelling van een omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag. Het tweede lid van artikel 31 verplicht Verdragspartijen te waarborgen dat de uitvoering van een omgangsregeling niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen.

3.22.7.

In de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag en omgang wordt niet expliciet genoemd dat geweld tegen vrouwen of huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, maar vanzelfsprekend is dat de Nederlandse rechter dat wel moet doen; de veiligheid van het kind en de ouder zal centraal moeten staan bij de beslissing of een zorgregeling in het belang van het kind is.

3.22.8.

Het hof stelt vast dat er in deze zaken tussen de GI en de vader enerzijds en de moeder anderzijds een enorme patstelling is ontstaan. De kinderen geven ernstige signalen af over onveiligheid bij de vader thuis, bestaande uit agressie vanuit de vader en (na de mondelinge behandeling bij de rechtbank) ook nog over seksueel grensoverschrijdend gedrag van stiefzus [stiefzus] . De GI en de vader leggen de door de kinderen geuite signalen van onveiligheid uit conform de eerder door de GI uitgewerkte hypotheses en de conclusie dat sprake is van hypothese vier: relationele beïnvloeding waarbij de kinderen worden beïnvloed door emotionele reacties vanuit de moeder die de kinderen vanuit loyaliteit en afhankelijkheid overnemen. Deze conclusie van de GI is gelet op de in het dossier aanwezige stukken – naar het oordeel van het hof – te kort door de bocht.

3.22.9.

Het hof constateert dat de door de moeder en de kinderen geuite signalen van onveiligheid in de thuissituatie van de vader niet enkel zijn gebaseerd op ‘blote stellingen’, maar ook steun vinden in de overgelegde stukken. Uit deze stukken volgt onder meer dat er aan de zijde van de vader in ieder geval in het verleden sprake is geweest van gedragsproblemen, agressieregulatieproblematiek en persoonlijkheidsproblematiek. Ook staat vast dat er bij de kinderen blauwe plekken zijn gesignaleerd. Uit de forensisch medisch letselrapportage van de GGD [regio] , de rapportage van het Landelijke Expertisecentrum Kindermishandeling (verder het LECK) van 9 mei 2023 en uit het journaal van de huisartsenpost van 14 juni 2023 volgt dat het iets waarschijnlijker is dat het op dat moment geconstateerde letsel van [minderjarige 1] onder de hypothese ‘toegebracht’ dan onder de hypothese ‘accidentele toedracht’ valt. De huisarts heeft hierin aanleiding gezien om van dit letsel melding te maken bij Veilig Thuis. Niet gesteld of gebleken is dat het letsel door de moeder zelf bij [minderjarige 1] is toegebracht, en er zijn aanwijzingen dat [minderjarige 1] dit letsel bij de vader heeft opgelopen.

3.22.10.

Daarbij komt dat er na de mondelinge behandeling in eerste aanleg nog een nieuwe ernstige zorg over de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie van de vader bij is gekomen, namelijk het gestelde (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van stiefzus [stiefzus] . De moeder heeft op 10 mei 2025 van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vernomen dat [stiefzus] geruime tijd seksuele handelingen met hen heeft verricht. Zij heeft per e-mail hierover contact opgenomen met de vader. De vader heeft daarop gereageerd dat sprake is van gedrag dat past bij de leeftijd en ontwikkelingsfase van de kinderen. Verder leek dit gedrag volgens de vader vooral voort te komen uit nieuwsgierigheid van de kinderen en zou [minderjarige 1] zelf het initiatief hebben genomen. De GI heeft vanwege de door de moeder geuite zorgen aanleiding gezien om hiervan een melding te doen bij Veilig Thuis [regio] . Veilig Thuis heeft naar aanleiding van die melding een gesprek met de kinderen gevoerd volgens het NICHD-protocol, een forensisch interviewprotocol. Uit dit interview komt naar voren dat er volgens de kinderen grensoverschrijdende dingen tussen hen en [stiefzus] zijn gebeurd, en in elk geval dingen die zij niet wilden. Ze hebben hier langere tijd niet over durven praten.

Naar aanleiding van dit afgenomen NICHD-interview is het advies gegeven:

“-Als eerste dient het veiligheidsplan te worden geactualiseerd (geformuleerd vanuit de behoeftes van de kinderen in beide opvoedsituaties) waarin duidelijk is vastgelegd hoe de veiligheid van de kinderen wordt gewaarborgd. Hierin is voldoende nabijheid en toezicht een voorwaarde.

- Het is belangrijk om met de kinderen stil te staan bij het gegeven dat niemand je mag dwingen om iets geheim te houden. Leuke geheimen zijn oké (bijv. een cadeautje kopen voor een van je ouders). Geheimen waar je je rot door voelt, zijn niet oké. Kinderen moeten weten dat ze dit altijd aan een volwassene kunnen vertellen die ze vertrouwen om te zorgen dat het stopt.

- Een belangrijke stap is hierbij het volgen van de Meldcode om ook de ‘nieuwe/andere signalen’ in het kindgesprek van [minderjarige 2] in kaart te brengen.

- Er is een herstelgesprek nodig tussen vader en de kinderen waarin ze mogen/kunnen delen wat ze hebben meegemaakt en hoe ze het hebben ervaren, onder begeleiding van de gezinsvoogden.

Het is van belang dat vader met de kinderen praat op een manier die past bij hun leeftijd en

ontwikkelingsniveau. Het is van belang dat er vooral wordt stil gestaan bij de beleving en

veiligheidsgevoelens van de kinderen. In dit gesprek wordt er o.a. stil gestaan bij de afspraken die nodig zijn om te voorkomen dat bovenstaande nogmaals gebeurt. Dit betekent niet zozeer dat de kinderen kunnen bepalen wie er wel/niet bij de omgang aanwezig is, maar ze hebben wel invloed op wat ze nodig hebben om zich veilig te voelen.[…]”

3.22.11.

De GI heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er volgens de GI eerst een herstelgesprek dient plaats te vinden en dat dan tijdens dit gesprek gekeken zal worden hoe het veiligheidsplan er uit zal moeten zien. De GI zal vervolgens maatregelen treffen om de veiligheid van de kinderen in het gezin van de vader te waarborgen. De GI heeft overigens geen enkele twijfel over de veiligheid van de kinderen in het gezin van de vader (en verzoekt mede op grond daarvan een 50/50 regeling). De GI heeft in de stukken en ook tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat er kindermishandeling heeft plaatsgevonden. Het hof stelt vast dat er toch meerdere zorgwekkende signalen door onafhankelijke instanties zijn benoemd en dat ook uit het NICHD interview blijkt dat de kinderen zich kennelijk in elk geval soms niet veilig voelen in het gezin van de vader. De toezegging dat de GI zal toezien op de veiligheid van de kinderen aldaar, terwijl de GI er steeds van uitgaat dat het daar niet aan schort, roept vraagtekens op bij het hof.

3.22.12.

Genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien maken – naar het oordeel van het hof – dat de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie van de vader toch nader door de GI moet worden onderzocht. Op dit moment kan daarom niet zonder meer worden geoordeeld dat de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling dan wel een nog ruimere zorgregeling, zoals door de vader en de GI verzocht, in het belang van de kinderen is. Wel dient er in de tussentijd enige vorm van contact tussen de vader en de kinderen plaats te vinden op een wijze waarop de veiligheid van de kinderen volledig gewaarborgd is. Het hof is daarom van oordeel dat de door de moeder in incidenteel hoger beroep verzochte BOR II-traject op dit moment het meest in het belang van de kinderen is. Het contactherstel tussen de vader en de kinderen kan op die manier in een veilige setting en onder begeleiding van professionals plaatsvinden.

3.22.13.

Op grond van het voorgaande zal het hof bepalen dat de GI – zo spoedig mogelijk – een verwijzing van de ouders naar een kortdurend BOR II-traject dient te realiseren, waarbij het hof uitdrukkelijk opmerkt dat deze verwijzing niet via het Uniform Hulpaanbod tot stand dient te komen. Reden hiervoor is de wachttijden die er voor de verwijzing via het Uniform Hulpaanbod gelden, in samenhang met de vrijwilligheid die voor deelname aan het Uniform Hulpaanbod is vereist Het hof laat de nadere invulling van het kortdurend BOR II-traject, waaronder de aard, de duur en de frequentie van het contact tussen de vader en de kinderen over aan de desbetreffende zorgaanbieder. Daarbij dient de GI de tussenliggende periode ook ten volle te benutten door allereerst het eerder opgestelde veiligheidsplan te actualiseren, het herstelgesprek tussen de vader en de kinderen voor te bereiden en (alleen als het BOR II traject naar tevredenheid is afgerond) te voeren en nader onderzoek te verrichten naar de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader. Deze zaken dient de GI echter niet te doen vanuit de eerder aangenomen eigen hypothese dat er sprake is van relationele beïnvloeding door de moeder, maar vanuit het oordeel van het hof dat er sprake is van meerdere (objectieve) signalen van onveiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader.

3.22.14.

Voordat het hof een eindbeslissing kan geven op de in hoger beroep voorliggende verzoeken dient de GI, als meest gerede partij, het eindrapport van het kortdurend BOR II-traject in het geding te brengen. Verder dient de GI een geactualiseerd veiligheidsplan en een nadere verslaglegging in het geding te brengen waaruit volgt op welke wijze de GI nader onderzoek heeft verricht naar de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader en de in dat kader gemaakte afspraken, alsmede over hoe het herstelgesprek tussen de vader en de kinderen is verlopen.

De ouders zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld om binnen twee weken schriftelijk hierop te reageren. De vader, de moeder en de GI dienen aan te geven wat de inhoud van de rapportage en het resultaat van het kortdurend BOR II-traject en de nadere verslaglegging van de GI betekent voor hun standpunten en verzoeken in hoger beroep.

3.22.15.

Het hof gaat er van uit dat mochten er voorafgaand en/of gedurende het kortdurend BOR II-traject problemen ontstaan waardoor het BOR II-traject niet kan worden opgestart, dan wel dat het BOR-traject voortijdig wordt beëindigd, het hof daarvan door de GI en de advocaten van partijen zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld.

3.22.16.

Het hof zal de verdere behandeling en beslissing van de zaak (omtrent de zorgregeling, de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de proceskosten) voor de duur van vier maanden aanhouden, derhalve tot 9 april 2026 PRO FORMA, teneinde de resultaten van het BOR II-traject en het nader onderzoek van de GI naar de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader af te wachten.

Dwangsom

3.22.17.

Gebleken is dat de moeder in het verleden meerdere keren de zorgregeling niet is nagekomen, ook niet nadat de voorzieningenrechter de moeder tot nakoming had veroordeeld en aan die nakoming dwangsommen had gekoppeld. Dit maakt dat – ondanks dat hof het incidentele verzoek van de moeder in beide zaken toewijst – toch aanleiding ziet om in elk geval aan de nakoming van de BOR II-traject een dwangsom te verbinden, zoals door de vader verzocht. Dat betekent concreet dat de moeder een dwangsom verschuldigd is van € 1.000,- voor iedere dag of dagdeel dat de moeder haar medewerking niet verleent aan het door het hof gelaste BOR II-traject dan wel de in dat kader vast te stellen begeleide contactmomenten tussen de vader en de kinderen niet nakomt, met een maximum van € 25.000,-.

De slotsom

3.23.

Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als hierna onder 4 vermeld.

4De beslissing

Het hof:

in de zaken met zaaknummers 200.358.432/01 en 200.358.492/01:

op het principaal en incidenteel appel:

bepaalt dat de vader en [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , voorlopig, tot nader wordt beslist, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in het kader van een kortdurend BOR II-traject bij een door de GI nog in te schakelen zorgaanbieder in de regio [regio] , waarbij de invulling van het BOR II-traject wordt overgelaten aan die zorgaanbieder;

veroordeelt de moeder tot correcte en onvoorwaardelijke medewerking aan het door het hof gelaste BOR II-traject en aan de in dat kader vast te stellen begeleide contactmomenten tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , op straffe van betaling van een dwangsom aan de vader van € 1.000,- per keer dat zij hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,-;

houdt iedere verdere beslissing omtrent de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de proceskosten aan tot 9 april 2026 PRO FORMA, in afwachting van het verloop van het BOR II-traject en in afwachting van de resultaten van het door de GI nog te verrichten nadere onderzoek naar de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader;

verzoekt de GI bij het hof tijdig vóór bovenstaande pro forma datum het eindrapport van het kortdurend BOR II-traject alsmede een geactualiseerd veiligheidsplan en een nadere verslaglegging waaruit volgt op welke wijze de GI nader onderzoek heeft verricht naar de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader in het geding te brengen, onder gelijktijdige verstrekking van afschriften daarvan aan de advocaten van de vader en de moeder en aan de raad;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, G.M. Goes en A.C. Van den Boogaard en is op 9 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Meer fiscale opties pensioenverrekening samenwoners
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 06-05-2025
Jasper Horsthuis en Rob Welling gaan in gesprek over een recente uitbreiding van de fiscale mogelijkheden voor pensioenverrekening door samenwoners. Zij bepleiten een verdere verruiming van de regeling.
Podcastgesprek: Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente (II)
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 22-04-2025
De Belastingdienst heeft - opnieuw - een standpunt gepubliceerd over de fiscale afwikkeling van een lijfrentepolis bij echtscheiding. Rob Welling en Jasper Horsthuis bespreken de gevolgen hiervan.
Podcastgesprek: Breaking! Vóórhuwelijks vergoedingsrecht halveert niet!
Drs. Jasper Horsthuis en Rob Welling, 08-04-2025
Onze redacteur Jasper Horsthuis en scheidingsfiscalist Rob Welling gingen in gesprek over de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad op 21-03-2025. Super heldere uitleg over inhoud en gevolgen van de uitspraak!
Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN