Essentie (gemaakt door AI)
Hoger beroep van vader en GI tegen afwijzing 50/50-zorgregeling en incidenteel hoger beroep van moeder om BOR II. Hof stelt wijziging van omstandigheden vast door stopzetten contact. Signaleringen over onveiligheid bij vader (letsels, agressieregulatie, NICHD-interview over seksueel grensoverschrijdend gedrag stiefzus) maken nader onderzoek noodzakelijk. Hof gelast kortdurend BOR II-traject, laat invulling aan aanbieder, draagt GI op actualiseren veiligheidsplan en nader onderzoek. Dwangsom jegens moeder voor meewerken BOR.| Datum publicatie | 09-01-2026 |
| Zaaknummer | 200.358.432_01 en 200.358.492_01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | 's-Hertogenbosch |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
| Trefwoorden | Kinderen; Begeleide omgang (BOR); Jeugdbescherming / Jeugdwet |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Verwijzing naar BOR II-regeling vanwege signalen van onveiligheid van de kinderen in de thuissituatie van de vader. Dwangsom nakoming BOR II-regeling door de moeder. Aanhouding iedere verdere beslissing op de aan het hof voorliggende verzoeken.Volledige uitspraak
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 9 december 2025
Zaaknummers: 200.358.432/01 en 200.358.492/01
Zaaknummers eerste aanleg: C/01/410263 / FA RK 24-4739
C/01/412752 / JE RK 25-194
in de zaak in hoger beroep met zaaknummer 200.358.432/01 van:
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. D.J.P.H. Stoelhorst,
tegen
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur.
Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
advocaat: mr. I.J.M. Gelissen.
alsmede in de zaak in hoger beroep met zaaknummer 200.358.492/01 van:
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
advocaat: mr. I.J.M. Gelissen.
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur,
en
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. D.J.P.H. Stoelhorst.
Beide zaken gaan over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ) , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ; -
[minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ) , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in beide procedures gekend:
regio Limburg, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
1Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg in beide zaken naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 22 mei 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
2Het geding in hoger beroep
In de zaak met zaaknummer 200.358.432/01 (hoger beroep vader):
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 augustus 2025, heeft de vader verzocht, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in de door haar gedane verzoeken (zowel in de hoofdzaak als in de voorlopige voorzieningen) dan wel deze verzoeken af te wijzen als zijnde onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd en:
- primair: ten aanzien van het verzoek van de GI in de hoofdzaak tot uitbreiding van de zorgregeling tussen vader en de kinderen, inhoudende dat:
Reguliere zorgregeling: de kinderen zullen één week bij de vader verblijven en één
week bij de moeder in een tweewekelijks schema.
o de kinderen worden in de even weken op vrijdag op school opgehaald door de vader aan het einde van de schooldag tot de vrijdag erna start schooldag, de vader brengt de kinderen naar school. Bij ziekte/geen school worden de kinderen om 12.00 uur opgehaald door de vader bij de moeder;
o de moeder haalt de kinderen in de oneven weken op van school aan het einde van de schooldag tot de vrijdag erna start schooldag. Bij ziekte/geen school worden de kinderen om 12.00 uur opgehaald door de moeder bij de vader.
Overdracht:
Voor de overdracht in geval van ziekte/geen school geldt dat de moeder haar netwerk inschakelt om de kinderen bij de vader op te halen. De vader brengt de kinderen naar de moeder, waarbij de overdracht plaatsvindt op de parkeerplaats bij de woning van de moeder. De ouder waar de kinderen verblijven brengt de kinderen naar de andere ouder, dan wel schakelt het netwerk hiervoor in.
Vakantieregeling:
o de vakantie start op de vrijdag na school. Als er geen school is, start de vakantie op de vrijdag om 12.00 uur;
o voor het laatste weekeinde van de vakantie geldt de reguliere zorgregeling.
* Zomervakantie:
In de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste drie weken van de zomervakantie
bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder. In de even jaren verblijven de
kinderen de eerste drie weken van de zomervakantie bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader. De zorgregeling inzake de zomervakantie start op de vrijdag dat de kinderen van school zomervakantie krijgen en eindigt zes weken later op vrijdag om 12.00 uur. De vakantie start vrijdag na school, dan wel op vrijdag om 12.00 uur wanneer er die (vrij)dag geen school is.
Aan het einde van de zomervakantie, zijnde het laatste weekend voordat de school
weer begint, wordt de reguliere zorgregeling weer hervat. Dit betekent dat de kinderen, indien er sprake is van een even week, vanaf vrijdag 12.00 uur weer bij de vader zijn en, indien er sprake is van een oneven week, vanaf vrijdag 12.00 uur weer bij de moeder zijn.
Overige vakanties:
De overige vakanties worden bij helfte verdeeld. Dit behelst de navolgende
verdeling:
* Herfstvakantie:
De kinderen verblijven in de even jaren van vrijdag na school, of als er geen school is op vrijdag vanaf 12.00 uur tot dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) bij de vader en van dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zaterdagochtend 09.00 uur bij de moeder. In de oneven jaren verblijven de kinderen van vrijdag na school, of als er geen school is op vrijdag vanaf 12.00 uur tot dinsdagavond 19.00 (na het eten) bij de moeder en van dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zaterdagochtend 09.00 uur bij de vader. In het laatste weekeinde van de herfstvakantie geldt de reguliere zorgregeling.
* Kerstvakantie:
In de even jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader. In de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. De eerste week van de kerstvakantie start op vrijdag na school. Wanneer er geen school is die (vrij)dag, dan start de vakantie op vrijdag om 12.00 uur en eindigt de week erop op vrijdag 12.00 uur waarna de tweede week aanvangt die eindigt op de daaropvolgende vrijdag om 12.00 uur.
* Carnavalsvakantie:
In de even jaren verblijven de kinderen van vrijdag na school, of als er geen school is, op vrijdag 12.00 uur tot dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) bij de moeder en vanaf dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zaterdagochtend 09.00 uur bij de vader. In de oneven jaren verblijven de kinderen van zaterdagochtend 09.00 uur tot dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) bij de vader en van dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zaterdagochtend 09.00 uur bij de moeder.
* Meivakantie:
In de even jaren verblijven de kinderen de eerste vakantieweek bij de vader en de tweede vakantieweek bij de moeder. In de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste vakantieweek bij de moeder en de tweede vakantieweek bij de vader.
De eerste vakantieweek vangt aan op vrijdag na school of op vrijdag om 12.00 uur
als er geen school is en eindigt de week erop op vrijdag 12.00 uur waarna de tweede
week aanvangt die eindigt op de daaropvolgende vrijdag 12.00 uur.
Voor alle vakanties geldt dat de reguliere zorgregeling weer wordt hervat aan het
einde van de vakantieregeling van die betreffende vakantie (laatste weekeinde van
de vakantie). Dit betekent dat de kinderen in het laatste weekend van een vakantie
in een even week vanaf vrijdag/zaterdag weer bij de vader zullen verblijven en in een oneven week vanaf vrijdag/ zaterdag bij de moeder zullen verblijven zulks conform de reguliere zorgregeling.
Bijzondere (feest)dagen:
* Vaderdag: op Vaderdag zijn de kinderen bij de vader van zaterdagavond 19.00 uur
(na het eten) tot zondagavond 19.00 uur (na het eten). Vanaf zondagavond 19.00 uur geldt de reguliere zorgregeling weer.
* Moederdag: op Moederdag zijn de kinderen bij de moeder van zaterdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zondagavond 19.00 uur (na het eten). Vanaf zondagavond
uur geldt de reguliere zorgregeling weer.
* Verjaardag kinderen: de kinderen verblijven bij de ouder bij wie zij conform de reguliere zorgregeling zijn.
* Overige feestdagen: voor de overige feestdagen die niet in het bovenstaande zijn
opgenomen, geldt dat de reguliere zorgregeling wordt nageleefd en de te geven
beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren,
dat verzoek van de GI toe te wijzen met instandhouding van de eerder bepaalde dwangsom, dan wel, voor zover nodig, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of dagdeel dat de moeder de in deze vast te leggen/te bepalen zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 25.000,-;
- subsidiair: te bepalen dat het hoofdverblijf van de kinderen met ingang van de door het hof af te geven beschikking bij de vader zal zijn en er alsdan een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen wordt vastgesteld waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur bij de moeder zullen verblijven,
met veroordeling van de moeder in de proceskosten aan de zijde van de vader in beide instanties.
Op 13 oktober 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift met producties van de GI ingekomen.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2025, heeft de moeder verzocht om het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren.
Tevens heeft de moeder bij genoemd verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld. De moeder verzoekt in het incidenteel hoger beroep, zoals tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevuld en verduidelijkt, haar hoger beroep gegrond te verklaren en voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 8 juni 2023, voor wat betreft de daarbij vastgestelde zorgregeling wordt gewijzigd, omdat deze tot stand is gekomen op basis van onjuiste en onvolledige gegevens en te bepalen dat er begeleide omgang (BOR II) zal zijn tussen de vader en de kinderen.
In de zaak met zaaknummer 200.358.492/01 (hoger beroep GI):
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 augustus 2025, heeft de GI verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de door de GI in eerste aanleg verzochte zorgregeling uit te spreken, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 oktober 2025, heeft de moeder verzocht om het hoger beroep van de GI ongegrond te verklaren.
Tevens heeft de moeder bij genoemd verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld. De moeder verzoekt in het incidenteel hoger beroep, zoals tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep aangevuld en verduidelijkt, haar hoger beroep gegrond te verklaren en voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 8 juni 2023, voor wat betreft de daarbij vastgestelde zorgregeling wordt gewijzigd, omdat deze tot stand is gekomen op basis van onjuiste en onvolledige gegevens en te bepalen dat er begeleide omgang (BOR II) zal zijn tussen de vader en de kinderen en de GI in de proceskosten van deze procedure te veroordelen.
Samenhang zaken 200.358.432/01, 200.358.492/01 en 200.359.855/01:
Gelet op de samenhang in de zaken met zaaknummers 200.358.432/01 en 200.358.492/01 heeft het hof deze zaken tegelijkertijd behandeld en zal het hof in één beschikking beslissen.
Tevens heeft het hof – gelet op de samenhang – tegelijkertijd het hoger beroep van de moeder tegen het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant van 25 augustus 2025 behandeld, bij het hof bekend onder zaaknummer 200.359.855/01.
Gelet op het feit dat die zaak een dagvaardingsprocedure betreft, zal het hof in die zaak een afzonderlijk arrest wijzen.
De mondelinge behandeling in alle zaken heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-
de vader, bijgestaan door mr. Stoelhorst;
-
de moeder, bijgestaan door mr. Avontuur;
-
de GI, vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
-
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
Het hof heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt. De voorzitter van de kamer heeft op 20 oktober 2025 buiten aanwezigheid van de ouders, de GI en de raad met [minderjarige 1] gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
Ook heeft [minderjarige 1] samen met de medewerkers van [instantie 1] een kindbrief geschreven. Deze kindbrief is tezamen met een tekening van [minderjarige 1] ,
op 28 oktober 2025 ter griffie van het hof ingekomen.
Het hof heeft in de zaak met zaaknummer 200.358.432/01 verder nog kennisgenomen van de inhoud van:
-
het V8-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 26 september 2025;
-
het bericht van mr. Stoelhorst aan de rechtbank van 1 mei 2025, ingekomen ter griffie van het hof op 14 oktober 2025;
-
het V6-formulier met als bijlagen de producties 1 tot en met 13 bij het verweerschrift in hoger beroep, ingediend door de advocaat van de moeder op 17 oktober 2025;
-
het V6-formulier met als bijlage de volledige versie van productie 11 bij het verweerschrift in hoger beroep, ingediend door de advocaat van de moeder op 17 oktober 2025;
-
productie 10, ingediend door de advocaat van de moeder op 20 oktober 2025;
-
de brief met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 27 oktober 2025, waarin hij aan het hof mededeelt dat hij geen enkele reden ziet om de zaken door te verwijzen naar een ander gerechtshof;
-
de brief van de GI d.d. 28 oktober 2025, waarin de GI aan het hof mededeelt zich voor wat betreft de verwijzing van de zaken naar een ander gerechtshof te refereren aan het oordeel van het hof in dezen.
Het hof heeft in de zaak met zaaknummer 200.358.492/01 verder nog kennisgenomen van de inhoud van:
-
producties E1 tot en met E8, ingediend door de advocaat van de GI op 5 september 2025;
-
het V8-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 26 september 2025;
-
het V6-formulier met als bijlagen de producties 1 tot en met 13 bij het verweerschrift in hoger beroep, ingediend door de advocaat van de moeder op 17 oktober 2025;
-
het V6-formulier met als bijlage de volledige versie van productie 11 bij het verweerschrift in hoger beroep, ingediend door de advocaat van de moeder op 17 oktober 2025;
-
productie 10, ingediend door de advocaat van de moeder op 20 oktober 2025;
-
producties 9 en 10, ingediend door de advocaat van de GI op 27 oktober 2025;
-
de brief met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 27 oktober 2025, waarin hij aan het hof mededeelt dat hij geen reden ziet om de zaken door te verwijzen naar een ander gerechtshof;
-
de brief van de GI d.d. 28 oktober 2025, waarin de GI aan het hof mededeelt zich voor wat betreft de verwijzing van de zaken naar een ander gerechtshof te refereren aan het oordeel van het hof in dezen.
3De beoordeling
In het principaal en incidenteel hoger beroep:
De feiten in beide zaken:
De moeder en de vader zijn op 7 maart 2020 te [plaats] met elkaar gehuwd.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn voor het huwelijk van de moeder en de vader geboren.
De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit.
De vader heeft een nieuwe relatie en woont samen met zijn nieuwe partner
en haar zevenjarige dochter [stiefzus] .
Uit die relatie is halfbroer [halfbroer] geboren.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 25 april 2022 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd.
Bij beschikking van 8 juni 2023 heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 20 juli 2023 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, bepaald:
-
dat de kinderen hun hoofverblijfplaats bij de moeder zullen hebben;
-
dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:
o de kinderen verblijven één keer per twee weken van vrijdag na school dan wel na het kinderdagverblijf tot woensdag voor school dan wel voor het
kinderdagverblijf bij de vader;
o zomervakantie: de kinderen verblijven in de even jaren de 1e week bij de
moeder, de 2e week bij de vader, de 3e week bij de moeder, de 4e week bij de vader, de 5e week bij de moeder en de 6e week bij de vader en in de oneven jaren andersom;
o herfstvakantie: de kinderen verblijven in de even jaren van zondagavond tot
woensdagavond bij de vader en in de oneven jaren verblijven ze van
zondagavond tot woensdagavond bij de moeder;
o kerstvakantie: in de even jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de
moeder en in de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de
vader;
o carnavalsvakantie: in de even jaren verblijven de kinderen van zondagavond
tot woensdagavond bij de moeder en in de oneven jaren verblijven ze van
zondagavond tot woensdagavond bij de vader;
o meivakantie: in de even jaren verblijven de kinderen de eerste helft van de
vakantie bij de vader en in de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste
helft van de vakantie bij de moeder;
o Vaderdag: de kinderen verblijven bij de vader;
o Moederdag: de kinderen verblijven bij de moeder;
o verjaardag kinderen: de kinderen verblijven bij de ouder bij wie zij conform
het reguliere schema zijn;
- dat de moeder aan de vader een dwangsom van € 1.000,- dient te voldoen voor
iedere keer dat zij de zorgregeling niet nakomt, zulks tot een maximum van € 25.000,-.
De procedure in eerste aanleg met zaaknummer C/01/410263 / FA RK 24-4739
De moeder heeft in eerste aanleg, voor zover thans nog van belang, verzocht om de bij genoemde beschikking van 8 juni 2023 vastgestelde zorgregeling tussen de vader en de kinderen te wijzigen en te bepalen dat:
-
primair: er een begeleide zorgregeling tussen de vader en de kinderen zal zijn;
-
subsidiair: er een zorgregeling zal gelden tussen de vader en de kinderen, waarbij zij in de even weekenden van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur naar de vader gaan, alsmede in de even weken op dinsdag uit school tot 18.00 uur ’s avonds.
De vader heeft hiertegen verweer gevoerd en verzocht om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in de door haar gedane verzoeken, dan wel deze verzoeken af te wijzen als zijnde onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd, met veroordeling van de moeder in de proceskosten aan de zijde van de vader.
De procedure in eerste aanleg met zaaknummer C/01/412752 / JE RK 25-194
De GI heeft in eerste aanleg, na wijziging van haar verzoek bij bericht van 25 maart. 2025, verzocht om op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 8 juni 2023 te wijzigen, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 3.3. van de bestreden beschikking.
Het hof stelt vast dat het inleidend verzoek van de GI volledig overeenkomt met het primaire verzoek van de vader in hoger beroep, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 2.1. van deze beschikking.
De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd en verzocht om de verzoeken van de GI af te wijzen.
De vader heeft in eerste aanleg verzocht om de verzoeken van de GI toe te wijzen, met
instandhouding van de eerder bepaalde dwangsom, dan wel voor zover nodig, onder
oplegging van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer dat de moeder de in deze vast
te leggen zorgregeling niet nakomt.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover van belang, in de zaken met zaaknummers C/01/410263 / FA RK 24-4739 en
C/01/412752 / JE RK 25-194 de beschikking van de rechtbank van 8 juni 2023 gewijzigd, voor wat betreft de reguliere zorgreling en een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de even weekenden van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur naar de vader gaan, alsmede in de even weken op dinsdag uit school tot 18.00 uur ’s avonds.
Bij die beschikking heeft de rechtbank verder genoemde beschikking van 8 juni 2023, voor wat betreft de zorgregeling tijdens de vakanties en feestdagen, als volgt gewijzigd:
Vakantieregeling:
-
de vakantie start op de vrijdag na school. Als er geen school is, start de vakantie op de vrijdag om 12.00 uur.
-
voor het laatste weekend van de vakantie geldt de reguliere zorgregeling.
Herfstvakantie:
- de kinderen verblijven in de even jaren van vrijdag na school, of als er geen school is op vrijdag vanaf 12.00 uur, tot dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) bij de vader en van dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zaterdagochtend 09.00 uur bij de moeder. In de oneven jaren verblijven de kinderen van vrijdag na school, of als er geen school is op vrijdag vanaf 12.00 uur tot dinsdagavond 19.00 (na het eten) bij de moeder en van dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zaterdagochtend 09.00 uur bij de vader.
Kerstvakantie:
- in de even jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader. In de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder. De eerste week van de kerstvakantie start op vrijdag na school. Wanneer er geen school is die (vrij)dag, start de vakantie op vrijdag om 12.00 uur en eindigt de week erop op vrijdag 12.00 uur waarna de tweede week aanvangt die eindigt op de daaropvolgende vrijdag om 12.00 uur.
Carnavalsvakantie:
- in de even jaren verblijven de kinderen van vrijdag na school, of als er geen school is, op vrijdag 12.00 uur tot dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) bij de moeder en vanaf dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zaterdagochtend 09.00 uur bij de vader. In de oneven jaren verblijven de kinderen van zaterdagochtend 09.00 uur tot dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) bij de vader en van dinsdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zaterdagochtend 09.00 uur bij de moeder.
Meivakantie:
- in de even jaren verblijven de kinderen de eerste vakantieweek bij de vader en de tweede vakantieweek bij de moeder. In de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste vakantieweek bij de moeder en de tweede vakantieweek bij de vader. De eerste vakantieweek vangt aan op vrijdag na school of op vrijdag om 12.00 uur als geen school is en eindigt de week erop op vrijdag 12.00 uur waarna de tweede week aanvangt die eindigt op de daaropvolgende vrijdag 12.00 uur.
Bijzondere feestdagen:
-
Vaderdag: op Vaderdag zijn de kinderen bij de vader van zaterdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zondagavond 19.00 uur (na het eten). Vanaf zondagavond 19.00 uur geldt de reguliere zorgregeling weer.
-
Moederdag: op Moederdag zijn de kinderen bij de moeder van zaterdagavond 19.00 uur (na het eten) tot zondagavond 19.00 uur (na het eten). Vanaf zondagavond 19.00 uur geldt de reguliere zorgregeling weer.
-
verjaardag kinderen: de kinderen verblijven bij de ouder bij wie zij conform regulier schema zorgregeling zijn.
-
overige feestdagen: voor overige feestdagen die niet in het bovenstaande zijn
opgenomen, geldt dat de reguliere zorgregeling wordt nageleefd.
De procedures in hoger beroep
De vader en de GI kunnen zich met deze beslissingen van de rechtbank niet verenigen en zij zijn hiervan ieder afzonderlijk in hoger beroep gekomen.
De ontwikkelingen na de bestreden beschikking
De vader heeft naast onderhavig hoger beroep een procedure in kort geding opgestart. De vader heeft daarbij gevorderd om de moeder te veroordelen om de zorgregeling zoals opgenomen in de bestreden beschikking correct en onvoorwaardelijk na te komen op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft.
De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd en in die procedure in reconventie gevorderd de zorgregeling zoals die in de bestreden beschikking is vastgesteld te schorsen hangende een nog door de moeder aanhangig te maken bodemprocedure.
Verder heeft de moeder gevorderd om aan haar vervangende toestemming te verlenen voor het inzetten van hulpverlening van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door [instantie 2] te [plaats] .
De voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant heeft bij vonnis in kort geding van 25 augustus 2025 in conventie de moeder veroordeeld tot correcte en onvoorwaardelijke nakoming van de zorgregeling, zoals die door de rechtbank is gewijzigd in de bestreden beschikking van 22 mei 2025, met inachtneming van de voorwaarden die de GI daaraan stelt.
Verder heeft de voorzieningenrechter in conventie de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor iedere keer dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,-.
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van de moeder in reconventie afgewezen.
Bij beschikking van 19 november 2025 heeft de rechtbank Oost-Brabant de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van één jaar verlengd, derhalve met ingang van 23 november 2025 tot 23 november 2026.
De rechtbank heeft bij die beschikking verder het verzoek van de GI tot vervanging van de GI door een andere GI, afgewezen.
De standpunten in de zaak met zaaknummer 200.358.432/01 (hoger beroep vader):
De vader voert – samengevat – het volgende aan.
De rechtbank heeft ten onrechte het verzoek van de GI om te komen tot een 50-50 zorgregeling tussen ouders afgewezen. Ook de door de moeder in incidenteel hoger beroep verzochte begeleide omgangsregeling (BOR II) dient te worden afgewezen. Er zijn geen signalen over mogelijke onveiligheid bij de vader thuis. Tussen de kinderen en [stiefzus] (de zevenjarige stiefdochter van de vader) is niets grensoverschrijdends gebeurd. Het initiatief kwam van beide kanten. De vader heeft wel met hen gesproken over wat er is voorgevallen en regels gesteld. Het NICHD-interview heeft enkele weken na het voorval pas plaatsgevonden; ook hierbij zijn de kinderen in de tussentijd door de moeder beïnvloed. Er bestaan ook geen zorgen over de opvoedkundige kwaliteiten van de vader. De rechtbank heeft ten onrechte geen, dan wel te weinig gewicht toegekend aan de goede intenties van de vader om hulpverlening te accepteren, samen te werken en een veilig opvoedingsklimaat voor de kinderen te realiseren. De rechtbank heeft ten onrechte een eindoordeel gegeven over het verzoek van de GI, zonder de GI de kans te geven dit verzoek nader te onderbouwen en zonder eerst een deskundigenonderzoek te gelasten naar de door de GI uitgewerkte vier hypotheses aan de hand waarvan de GI haar verzoek heeft gedaan.
De rechtbank heeft vervolgens ten onrechte de moeder in haar verzoeken in hoger beroep ontvankelijk verklaard en het subsidiaire verzoek van de moeder om te komen tot een beperking van het contact tussen de vader en de kinderen toegewezen. Er is geen sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. De vader betwist dat de partnerstrijd is verergerd; die strijd is onveranderd (heftig). De vader betwist ook dat de moeder slachtoffer is van agressie of intieme terreur door de vader. Er zijn wel dingen tussen ouders voorgevallen, maar die worden door de moeder ‘opgeblazen’. Bovendien was er geen sprake van eenrichtingsverkeer, maar van een ‘toxische relatie’ tussen de ouders. Ook de moeder liet agressie of geweld zien in het bijzijn van de kinderen. Er zijn hiervan meldingen bij Veilig Thuis (VT) gedaan en de vader heeft ook aangifte tegen de moeder bij de politie gedaan. De rechtbank heeft het eigen handelen van de moeder onvoldoende kritisch beoordeeld.
Ten aanzien van het verzoek van de GI speelt de ontvankelijkheid niet. Aan dat verzoek wordt (mede) de rapportage van [instantie 3] van november 2024 ten grondslag gelegd. De inhoud daarvan kan als een wijziging van omstandigheden worden gezien.
De rechtbank heeft ten onrechte aan haar inhoudelijke beslissing feiten, omstandigheden en documenten (waarvan de betrouwbaarheid wordt betwist) uit een ver verleden ten grondslag gelegd. Daarbij heeft de rechtbank niet meegewogen wat er in de afgelopen jaren allemaal veranderd is en, al dan niet, verbeterd is. Ook de context van de documenten (zoals de e-mail van 22 juli 2021) is volledig genegeerd door de rechtbank. Hoewel de rechter op grond van artikel 149 Rv het bewijs vrij mag waarderen, moet die bewijswaardering wel begrijpelijk worden gemotiveerd. Het zwaar laten wegen van oude verklaringen uit de periode 2020-2022, terwijl recente rapportages van de GI en [instantie 3] buiten beschouwing worden gelaten, voldoet hier niet aan. Het oordeel van de rechtbank is ook onbegrijpelijk omdat genoemde feiten en omstandigheden in eerdere procedures reeds zijn benoemd en beoordeeld en nooit tot een inperking van het contact tussen de vader en de kinderen hebben geleid, maar juist iedere keer tot een uitbreiding daarvan. De rechtbank heeft ten onrechte de hypothese van de GI dat de kinderen door de moeder relationeel worden beïnvloed terzijde geschoven. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat een rustige situatie voor de kinderen alleen kan worden gecreëerd door het subsidiaire verzoek van de moeder toe te wijzen. Uit alle onderzoeken en situaties blijkt dat de kinderen door de moeder worden belast met volwassenenzaken, dat zij worden beïnvloed in het beeld dat zij van de vader hebben en dat zij niet de ruimte krijgen om een eigen beeld van de vader te vormen. De moeder belemmert structureel de band tussen de vader en de kinderen. Dit levert een schending op van artikel 1:247 lid 3 BW. Het brengen van evenwicht in de verzorging door beide ouders kan balans en rust voor de kinderen brengen. Een inperking van de zorgregeling niet, omdat dit de moeder alleen maar extra tijd geeft voor relationele beïnvloeding. Verder heeft de rechtbank bij de toewijzing van het subsidiaire verzoek van de moeder ten onrechte geen rekening gehouden met de eerdere uitgangspunten omtrent de overdrachten. De overdrachten tussen de ouders moeten zoveel mogelijk worden beperkt en moeten in een neutrale omgeving, zoals via de school, plaatsvinden. Door de gewijzigde zorgregeling verblijven de kinderen weliswaar korter bij de vader, maar worden er wel extra overdrachtsmomenten gecreëerd. Dit zorgt voor spanning bij de zowel de ouders als de kinderen. Dat de kinderen moeite hebben met landen bij de vader is meerdere keren met de hulpverlening en met de rechters besproken. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking niet duidelijk bepaald hoe de overdrachtsmomenten dienen plaats te vinden.
De vader ziet geen meerwaarde in een nieuw raadsonderzoek. Het is op basis van de reeds aanwezige stukken volstrekt helder wat er in deze zaak aan de hand is, te weten beïnvloeding door de moeder. Indien het hof toch een nieuw raadsonderzoek gelast, dan dient er – vanwege de duur van het onderzoek – in de tussentijd een voorlopige contactregeling tussen de vader en de kinderen te worden vastgesteld. Die voorlopige contactregeling moet dan minimaal de regeling zijn, zoals in de bestreden beschikking is vastgelegd.
De rechtbank heeft verder ten onrechte geoordeeld dat aan de nakoming van de zorgregeling niet langer een dwangsom verbonden dient te zijn, omdat er geen aanwijzingen zijn dat de moeder die regeling niet zal nakomen. De moeder werkt echter structureel niet mee aan de door de rechtbank vastgestelde zorgregelingen. Zij geeft een eigen invulling aan de gemaakte afspraken dan wel aan de beslissingen van de rechtbank. Sinds begin mei 2025 ontbreekt ieder contact tussen de vader en de kinderen. Een dwangsom is daarom noodzakelijk. Verder ziet de vader hierin aanleiding om zijn verzoek te wijzigen en subsidiair om wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen te verzoeken. Dit is geen zelfstandig verzoek in hoger beroep. Een structurele belemmering van contact kan een dergelijke wijziging – als ultimum remedium – rechtvaardigen. Van een (verdere) negatieve beïnvloeding van de kinderen door de moeder kan dan geen sprake meer zijn. De vader verzoekt in dat geval ook om een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen vast te stellen, waarbij de kinderen één weekend per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de moeder verblijven.
De GI voert – samengevat – het volgende aan.
De veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader is in meerdere procedures aan de orde geweest. De GI noch andere instanties (zoals de raad) hebben kindermishandeling of onveiligheid in de thuissituatie bij de vader kunnen vaststellen. De GI ziet geen aanleiding om een BOR II vast te stellen tussen de vader en de kinderen. De vader staat open voor hulpverlening. Ook ziet de GI dat de vader een groei heeft doorgemaakt. Een 50-50 zorgregeling is in het belang van de zijnsontwikkeling kinderen. Op die manier krijgen de kinderen de kans om van beide ouders een gelijk beeld te vormen en komen zij minder klem te zitten tussen de ouders. De haalbaarheid van die 50-50 regeling is de verantwoordelijkheid van de ouders. De ouders moeten zich realiseren dat zij alleen verantwoordelijk zijn voor de situatie in hun eigen huis en dat zij de situatie bij de andere ouder los moeten leren laten.
Omstreeks 10 mei 2025 heeft de moeder eenzijdig de zorgregeling tussen de vader en de kinderen opgeschort, vanwege seksueel grensoverschrijdend gedrag van [stiefzus] (de zevenjarige stiefdochter van de vader) richting [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Veilig Thuis heeft geadviseerd om een kind interview conform het NICHD-protocol af te nemen. Dit kind interview heeft op 17 juni 2025 plaatsgevonden. Een van de conclusies uit dit kind interview was dat er een herstelgesprek dient plaats te vinden tussen de vader en de kinderen. De kinderen kunnen dan, onder begeleiding van de gezinsvoogden, met de vader delen wat zij hebben meegemaakt en hoe zij dit hebben ervaren. De moeder weigert echter om mee te werken aan dit herstelgesprek. Verder dient de laatste versie van het veiligheidsplan (februari 2024) te worden geactualiseerd; die actualisatie heeft nog niet plaatsgevonden.
De moeder geeft ten onrechte geen opvolging aan de zorgregeling, zoals vastgesteld in de bestreden beschikking. Dit terwijl de moeder tevens bij vonnis in kort geding van 25 augustus 2025 is veroordeeld tot nakoming van deze zorgregeling.
De moeder voert in het principaal hoger beroep – samengevat – het volgende aan.
Alle factoren die van invloed kunnen zijn op omstandigheden rond de kinderen moeten in beeld worden gebracht (vgl. Richtlijn EU 2024/1385 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld). Het huiselijk geweld is een factor waarmee rekening dient te worden gehouden. De problemen binnen het nieuwe gezin van de vader leveren eveneens een veiligheidsrisico voor de kinderen op. De veiligheid van de kinderen dient centraal te staan en dat gebeurt thans niet. Het gedrag van de vader en daarmee het ontstaan van letsel bij de kinderen tijdens het contact met de vader wordt door de GI al jarenlang vergoelijkt. Vast staat dat er bij de vader sprake is van een persoonlijkheidsstoornis binnen het klinisch spectrum. De vader stelt – met verwijzing naar de verklaring van zijn therapeut – dat het goed met hem gaat. Nergens blijkt uit dat de therapeut heeft gesproken met andere personen uit de omgeving van de vader om hen te vragen of zij ook van mening zijn dat het beter gaat met de vader. Er kan daaruit niet de conclusie worden getrokken dat de vader geen problemen meer heeft in relaties. Er hebben ook nog meerdere incidenten plaatsgevonden gedurende de periode dat de vader in behandeling was bij deze psycholoog. De kinderen hebben geen onbelaste geschiedenis met de vader. Er is bij de vader een gebrek aan sensitiviteit, responsiviteit en veiligheid. Dat wordt door de GI ten onrechte afgedaan als beïnvloeding van de kinderen door de moeder. De bestreden beschikking is gebaseerd op objectieve feiten. Daar liggen weliswaar oudere stukken aan ten grondslag, maar de rechtbank is ook nadrukkelijk ingegaan op de incidenten die zich na de laatste beschikking hebben voorgedaan. Naar aanleiding hiervan heeft de GI opvoedondersteuning bij de vader ingezet. Nog voor de afgifte van de bestreden beschikking bleek ook nog dat bij de vader al maandenlang bekend was dat de kinderen onder dwang seksuele handelingen van stiefdochter [stiefzus] moesten verrichten en dulden. De vader heeft dit kennelijk niet besproken met de opvoedondersteuning. De moeder mist in de reactie van de GI welke stappen er moeten worden genomen om te gaan werken aan de structurele onveiligheid in de thuissituatie bij de vader. Zij heeft onder meer het TOP 3-model, hulpverlening van [instantie 2] en speltherapie geopperd. De GI wijst dat ten onrechte af omdat zij deze casus behandelt als een hoog-conflictscheiding in plaats van een situatie waarbij sprake is van structurele onveiligheid bij een ouder. De moeder betwist niet dat de vader zijn medewerking verleent aan de hulpverlening, maar de huidige hulpverlening volstaat volgens haar niet. Een nieuw raadsonderzoek heeft geen meerwaarde.
Indien het hof een zorgregeling tussen de vader en de kinderen vaststelt dan zal de moeder daaraan haar medewerking moeten verlenen. De moeder zal de kinderen dan wel moeten dwingen. [minderjarige 2] wil namelijk geen contact met de vader en [minderjarige 1] wil bewijs dat er geen vervelende dingen meer bij de vader thuis gebeuren.
De vader is niet-ontvankelijk in zijn subsidiaire verzoek in hoger beroep tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de door hem gevorderde dwangsom. De vader heeft in eerste aanleg geen zelfstandige verzoeken ingediend. De vader heeft zich bij de rechtbank beperkt tot het onderschrijven van het verzoek van de GI. De gevorderde dwangsom hangt samen met het verzoek dat de GI heeft ingediend en niet met een verzoek dat namens de vader is ingediend (artikel 611a lid 1 Rv) . Indien het hof het verzoek van de GI alsnog zou toewijzen, dan geldt dat slechts als een hoofdveroordeling in de zin van artikel 611a Rv in de zaak tussen de GI en de moeder.
De moeder voert in het incidenteel hoger beroep – samengevat – ,onder verwijzing naar verschillende literatuur en artikelen omtrent achterliggende problematiek, naast hetgeen hierboven onder haar verweer is vermeld, het volgende aan.
De rechtbank heeft ten onrechte het verzoek van de moeder om de beschikking van de rechtbank van 8 juni 2023, voor wat betreft de zorgregeling te wijzigen, omdat deze tot stand is gekomen op basis van onjuiste of onvolledige gegevens afgewezen. In die beschikking heeft de rechtbank het uitgangspunt genomen dat het geweld stopt als de relatie eindigt. Het tegendeel is echter het geval. Het verleden zegt juist veel over de toekomstige risico’s die zich op het moment van uiteengaan al bij herhaling hadden gemanifesteerd in relatie tot [minderjarige 1] . Aan het oordeel in de bestreden beschikking legt de rechtbank mede stukken ten grondslag die reeds in eerdere procedures zijn overgelegd. Dit maakt dat bij de eerdere beschikkingen van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het is onduidelijk waarop de GI thans baseert dat een co-ouderschap in het belang van de kinderen is, temeer omdat de rechtbank in de beschikking van 8 juni 2023 het verzoek van de vader om een co-ouderschap nog heeft afgewezen. De door de rechtbank in die beschikking daarvoor genoemde argumenten zijn nog onverminderd aan de orde. Aan de essentiële voorwaarden voor een goed functionerend co-ouderschap wordt niet voldaan. Er is geen communicatie, overleg of afstemming tussen de ouders. De kinderen kampen met een loyaliteitsconflict. Ook is solo parallel ouderschap tussen de ouders niet praktisch uitvoerbaar.
De rechtbank heeft verder ten onrechte het primaire verzoek van de moeder, strekkende tot vaststelling van een begeleid contact tussen de vader en de kinderen (BOR II), afgewezen. De ontwikkelingen na de bestreden beschikking onderstrepen de noodzaak hiervan. Er moet daarbij ook worden ingezet op de structurele onveiligheid bij de vader.
De standpunten in de zaak met zaaknummer 200.358.492/01 (hoger beroep GI):
De GI voert – samengevat –, naast hiervoor reeds onder 3.16 vermeld, het volgende aan.
De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat een rustige situatie voor de kinderen uitsluitend kan worden gecreëerd wanneer het contact tussen de vader en de kinderen wordt ingeperkt op de wijze zoals de moeder subsidiair heeft verzocht. De rechtbank heeft daarbij ten onrechte meegewogen dat het voor de kinderen lastig is om de overstap van de moeder naar de vader te maken. Het is een feit van algemene bekendheid dat veel kinderen in echtscheidingssituaties hier moeite mee hebben. Dat de kinderen de overstap van de moeder naar de vader lastig vinden, maakt niet dat zij meer tijd met de moeder en minder tijd met de vader dienen door te brengen. De door de rechtbank geciteerde en opgesomde verklaringen kunnen de inperking van de zorgregeling tussen de vader en de kinderen evenmin dragen. De rechtbank heeft te veel waarde gehecht aan de door de moeder ingebrachte verklaringen/ bronnen. Tegelijkertijd heeft de moeder in de periode waaruit deze verklaringen stammen een verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling ingediend omdat de kinderen niet langer in hun ontwikkeling zouden worden bedreigd. De GI vindt dat tegenstrijdig. Een zorgregeling waarbij de vader en de kinderen ook doordeweeks contact hebben en waarbij zo weinig mogelijk contact tussen de ouders plaatsvindt biedt de kinderen de meeste rust. Dit maakt tevens de inzet van opvoedondersteuning bij de vader mogelijk. De GI vindt een zorgregeling van 50-50 met parallel ouderschap het meest in het belang van de kinderen. De kinderen belanden door een gelijke verdeling minder in een loyaliteitsconflict.
De rechtbank heeft ten onrechte geen beslissing genomen c.q. geen regeling vastgesteld met betrekking tot de overdracht van de kinderen. De GI heeft de rechtbank verzocht om een regeling voor de overdracht vast te leggen, teneinde onduidelijkheid tussen de ouders te voorkomen. De rechtbank heeft echter – zonder motivatie – niet bepaald hoe de overdracht er uit moet zien. In de huidige zorgregeling vindt de overdracht niet (meer) via de school plaats, zodat de GI het van belang acht dat de overdracht wordt vastgelegd. In het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling heeft de rechtbank de GI de opdracht gegeven om tot werkafspraken met de ouders te komen, maar dit is niet gelukt. De insteek van de GI is om de situatie tussen de ouders te normaliseren, waarbij de ouder waar de kinderen op dat moment verblijven hen naar de andere ouder brengt. Op dit moment is dat niet haalbaar. De overdracht dient zoveel als mogelijk zonder confrontatie tussen de ouders plaats te vinden.
De overstap naar de andere ouder zal voor de kinderen makkelijker verlopen wanneer de overdracht na school of bij aanvang school plaatsvindt.
De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat voor de vader in de toekomst opvoedondersteuning zal worden ingezet. De opvoedondersteuning vanuit [instantie 4] is ruim voor de mondelinge behandeling bij de rechtbank ingezet. Daarnaast heeft de vader ondersteuning vanuit [instantie 3] . Doordat de kinderen al enkele maanden niet bij de vader thuis zijn geweest, is er geen recente informatie vanuit de opvoedondersteuning over de vader beschikbaar.
De moeder voert in het principaal hoger beroep – samengevat – het volgende aan.
De GI blijft ten onrechte – ook na de kritische kanttekeningen van de rechtbank hieromtrent – vasthouden aan de hypothesen-toetsing. De GI snapt de essentie van de hypothesen-toetsing niet. De GI meent dat wanneer een hypothese niet bewezen kan worden, dat hieruit dan volgt dat deze hypothese verworpen moet worden. Dit terwijl dan de conclusie zou moeten zijn dat een hypothese niet bevestigd maar ook niet verworpen kan worden. Ook verwijst de GI in hoger beroep ter onderbouwing van haar standpunt ten onrechte naar de rapportage van [instantie 3] , waar de rechtbank ook kritische kanttekeningen bij heeft geplaatst. In de rapportage van [instantie 3] wordt geen scheiding gemaakt tussen feiten, meningen en conclusies. Het is onduidelijk waar de hypothese dat sprake zou zijn van relationele beïnvloeding door de moeder op is gebaseerd. De rechtbank heeft in de beschikking van 26 augustus 2025 de schriftelijke aanwijzing aan de moeder op dit punt gedeeltelijk vervallen verklaard. De moeder verwijst verder naar het verslag van [instantie 5] . [instantie 5] heeft in 2024 maandenlang de overdrachten van de kinderen begeleid. Hieruit blijkt dat bij [instantie 5] niet de indruk bestaat dat de moeder de kinderen beïnvloedt. Wel volgt hieruit dat [minderjarige 2] zich tijdens de begeleide overdrachten hevig richting de vader verzette. Daarmee ontbreekt ook de grondslag voor de wijziging van de zorgregeling in een 50-50 regeling. Verder redeneert de GI ten onrechte dat uit het feit dat de door de moeder opgestarte artikel 12 Sv-procedure ongegrond is verklaard volgt dat de kindermishandeling door de vader niet bewezen is. In het strafrecht geldt een ander bewijsrecht dan in het civiele recht. Het is ook niet relevant onder het IVRK (vgl. General Comment no. 13 bij artikel 19 IVRK en EHRM M. en M. - Kroatië) of de kindermishandeling al dan niet opzettelijk plaatsvindt. De GI heeft de verklaringen van de kinderen omtrent de mishandelingen door de vader en het seksueel grensoverschrijdend gedrag in het gezin van de vader voor kennisgeving aangenomen, zonder nader onderzoek te doen naar datgene wat de kinderen verklaarden. De moeder heeft zich daarop genoodzaakt gevoeld om zich tot de zedenrecherche te wenden. De moeder betwist dat de geluidsopnames van het NICHD-interview ad verbatim zijn uitgewerkt. In de verklaring van [minderjarige 2] zijn zaken weggelaten of werd er een zodanige interpretatie aan gegeven om de geloofwaardigheid van de verklaring van [minderjarige 2] aan te tasten.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voldoende duidelijk is dat de vader heeft gekampt met agressieregulatieproblematiek. De moeder betwist dat geen acht kan worden geslagen op de door haar overgelegde verklaringen van derden; dit is een gewoon bewijsmiddel. Ook heeft de rechtbank in dit verband gewezen op een groot aantal andere stukken. Dit wordt door de GI niet betwist. Onduidelijk is of de GI van mening is dat de vader geen emotieregulatieproblematiek heeft. De GI verwijst in het beroepschrift ook naar een rapport van de raad van 22 maart 2022 waarin als één van de doelen is opgenomen dat de vader zich zal richten op zijn emotieregulatie. Voor zover de vader dit al heeft gedaan, heeft dat niet tot resultaat geleid. In de destijds gestelde doelen is ook gezegd dat sprake moet zijn van een veilig contact en dat er toezicht moet komen op de fysieke veiligheid van de kinderen, waarbij er geen sprake is van enige vorm van kindermishandeling. Aan die veiligheid ontbreekt het juist al jarenlang. Ook acht de GI opvoedondersteuning aan de zijde van de vader nodig omdat de vader kennelijk niet in staat is om rustig op de kinderen te reageren. De kinderen kampen al jaren met psychosomatische klachten. Er zijn eerder duidelijke signalen van school gekomen dat het niet goed met hen ging. Het door de GI noodzakelijk geachte herstelgesprek heeft geen zin omdat zonder aanpak van de structurele onveiligheid in het gezin van de vader het wachten is tot het volgende (ernstige) incident. De GI legt uitsluitend verplichtingen op aan de moeder en de kinderen, maar niet aan de vader.
Ten aanzien van de overdrachten hebben de ouders op uitdrukkelijk verzoek van de GI afspraken gemaakt tijdens het traject bij [instantie 3] . De afspraak is dat de overdracht plaatsvindt op de neutrale parkeerplaats nabij de woning van de moeder, waarbij de vader de kinderen haalt en brengt. Die afspraak is tot 2025 ook feitelijk zo uitgevoerd. Daarna is de vader die afspraak niet langer nagekomen en komt de vader naar de woning/tuin van de moeder.
Het hof verwijst voor de grieven van de moeder in incidenteel hoger beroep in deze zaak naar rechtsoverweging 3.17.1. van deze beschikking, omdat deze grieven volledig overeenkomen met de incidentele grieven van de moeder in de zaak met zaaknummer 200.358.432/01.
Het hof stelt vast dat het verzoek van de vader in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.358.432/01 volledig overeenkomt met het verzoek van de GI in hoger beroep in de onderhavige zaak. Het hof verwijst daarom voor het standpunt van de vader naar rechtsoverweging 3.15. van deze beschikking.
Het standpunt van de raad in beide zaken (200.358.432/01 en 200.358.492/01):
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – verklaard op dit moment geen vast advies te kunnen geven over hoe de zorgregeling tussen de vader en de kinderen er uit moet komen te zien. In 2023 heeft de raad een onderzoek naar de zorgregeling gedaan. Er zijn ontwikkelingen geweest door de jaren heen. De raad zou een nieuw onderzoek kunnen verrichten, maar de impact daarvan is groot op de kinderen. De tegenstellingen tussen de ouders zijn sindsdien alleen maar groter geworden. De kinderen moeten daar tussen bewegen. Bij beide ouders blijven zorgen bestaan over de situatie bij de andere ouder. De situatie tussen de ouders moet genormaliseerd worden, zodat de kinderen zich een eigen beeld van beide ouders kunnen vormen. De zorg van de raad is dat het niet lukt om dingen te herstellen. Het is de raad onduidelijk hoe de signalen van kindermishandeling geïnterpreteerd moeten worden. Het zou kunnen dat er sprake is van beïnvloeding door de moeder, maar wanneer dat niet zo is dan moet worden onderzocht wat aan die kindermishandeling ten grondslag ligt. Uit de stukken volgt dat de kans groter is dat bij de kinderen sprake is van toegebracht letsel dan dat sprake is van accidenteel letsel. De vader heeft daarvoor echter wel een verklaring gegeven. Er moet gekeken worden naar wat qua zorgregeling de minst slechte optie is voor de kinderen en wat voor effect die optie op de kinderen gaat hebben. Gedurende het raadsonderzoek moet er wel contact zijn tussen de vader en de kinderen. Voorafgaand aan dat contact dient het herstelgesprek plaats te vinden.
De motivering van de beslissing
Het hof overweegt het volgende.
Het wettelijk kader in het hoger beroep de vader (zaaknummer 200.358.432/01)
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.
In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Het wettelijk kader in het hoger beroep van de GI (zaaknummer 200.358.492/01)
De kinderen staan onder toezicht van de GI. Op grond van artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
Wijziging van omstandigheden
Het hof moet gelet op het bepaalde in artikel 1:377e in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW en het bepaalde in artikel 1:265g lid 1 BW eerst beoordelen of er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. In de beschikking van 8 juni 2023 is een zorgregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld. Vast staat dat zowel de in die beschikking vastgestelde zorgregeling als de in de bestreden beschikking gewijzigde zorgregeling tussen de vader en de kinderen niet (meer) wordt uitgevoerd. De moeder heeft op 10 mei 2025 ieder contact tussen de vader en de kinderen stopgezet. Er is daarom – naar het oordeel van het hof – sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, zodat het hof aan een inhoudelijke beoordeling van beide zaken toekomt.
De omvang van het geschil
Tussen partijen is in geschil op welke wijze de zorgregeling tussen de vader en de kinderen dient te worden vastgesteld.
De vader stelt zich in het principaal hoger beroep (in zaaknummer 200.358.432/01) – kort gezegd – primair op het standpunt dat er een co-ouderschapsregeling dient te worden vastgesteld en subsidiair dat het hoofdverblijf van de kinderen dient te worden gewijzigd en dat er een weekendregeling tussen de moeder en de kinderen dient te worden vastgesteld.
Ook de GI verzoekt in het principaal hoger beroep (in zaaknummer 200.358.492/01) om een co-ouderschapsregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen.
De moeder stelt zich in het incidenteel hoger beroep (in beide zaken) – kort gezegd – op het standpunt dat er om veiligheidsredenen een BOR II-regeling tussen de vader en de kinderen dient te worden vastgesteld.
Verzoek vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats
Voor zover de vader in hoger beroep subsidiair het hof heeft verzocht om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen met ingang van de datum van de door het hof af te geven beschikking bij de vader zal zijn en er dan een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen dient te worden vastgesteld, waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur bij de moeder zullen verblijven, is het hof van oordeel dat dit verzoek niet is aan te merken als een zelfstandig verzoek in hoger beroep.
Het hof overweegt daartoe dat de vader in eerste aanleg in de door de GI aanhangig gemaakte procedure (met kenmerk C/01/412752 / JE RK 25-194) een zelfstandig verzoek heeft ingediend. De vader heeft de rechtbank daarbij verzocht om de verzoeken van de GI omtrent de zorgregeling tussen hem en de kinderen toe te wijzen, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,-, voor iedere keer dat de moeder de vast te leggen zorgregeling niet nakomt. Dit maakt – naar het oordeel van het hof – dat de vader in die procedure ook als verzoeker in eerste aanleg kan worden aangemerkt. Dit verzoek van de vader vertoont connexiteit met het door de GI gedane verzoek ter zake van de wijziging van de zorgregeling. De vader verzoekt immers de rechtbank om een extra waarborg om de kans te vergroten dat de door de rechtbank vast te stellen gewijzigde zorgregeling ook daadwerkelijk door de moeder zal worden nagekomen. Bovendien heeft de wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen in de onderhavige zaak – gelet op de inhoud van het subsidiaire verzoek in hoger beroep van de vader – naast de wijziging van het adres van de kinderen in de Basisregistratie Personen (BRP) tot gevolg dat er tussen de vader en de kinderen een veel ruimere zorgregeling zal gelden. De goede procesorde verzet zich – gelet op genoemde feiten en omstandigheden – niet tegen deze vermeerdering van het verzoek van de vader. De vader is daarom ontvankelijk in zijn subsidiaire verzoek in hoger beroep.
De inhoudelijke beoordeling in beide zaken
De rechter moet bij het nemen van een beslissing over omgang met kinderen tevens het op 1 maart 2016 in werking getreden Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) in acht nemen. Dit is een mensenrechtenverdrag waarin aan de overheid verplichtingen worden opgelegd om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden. Ook besteedt het verdrag aandacht aan de maatregelen die nodig zijn voor de opvang en bescherming van slachtoffers van geweld tegen vrouwen en van huiselijk geweld. Uit de memorie van toelichting bij de goedkeuring van het Verdrag van Istanbul blijkt bij artikel 2 lid 2 dat het verdrag van toepassing is op alle slachtoffers van huiselijk geweld, inclusief mannen en kinderen. Bij artikel 31 (over voogdij, omgangsregeling en veiligheid) staat dat ingevolge het eerste lid van artikel 31 Verdragspartijen wetgevende of andere maatregelen moeten nemen teneinde te waarborgen dat bij de vaststelling van een omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag. Het tweede lid van artikel 31 verplicht Verdragspartijen te waarborgen dat de uitvoering van een omgangsregeling niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen.
In de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag en omgang wordt niet expliciet genoemd dat geweld tegen vrouwen of huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, maar vanzelfsprekend is dat de Nederlandse rechter dat wel moet doen; de veiligheid van het kind en de ouder zal centraal moeten staan bij de beslissing of een zorgregeling in het belang van het kind is.
Het hof stelt vast dat er in deze zaken tussen de GI en de vader enerzijds en de moeder anderzijds een enorme patstelling is ontstaan. De kinderen geven ernstige signalen af over onveiligheid bij de vader thuis, bestaande uit agressie vanuit de vader en (na de mondelinge behandeling bij de rechtbank) ook nog over seksueel grensoverschrijdend gedrag van stiefzus [stiefzus] . De GI en de vader leggen de door de kinderen geuite signalen van onveiligheid uit conform de eerder door de GI uitgewerkte hypotheses en de conclusie dat sprake is van hypothese vier: relationele beïnvloeding waarbij de kinderen worden beïnvloed door emotionele reacties vanuit de moeder die de kinderen vanuit loyaliteit en afhankelijkheid overnemen. Deze conclusie van de GI is gelet op de in het dossier aanwezige stukken – naar het oordeel van het hof – te kort door de bocht.
Het hof constateert dat de door de moeder en de kinderen geuite signalen van onveiligheid in de thuissituatie van de vader niet enkel zijn gebaseerd op ‘blote stellingen’, maar ook steun vinden in de overgelegde stukken. Uit deze stukken volgt onder meer dat er aan de zijde van de vader in ieder geval in het verleden sprake is geweest van gedragsproblemen, agressieregulatieproblematiek en persoonlijkheidsproblematiek. Ook staat vast dat er bij de kinderen blauwe plekken zijn gesignaleerd. Uit de forensisch medisch letselrapportage van de GGD [regio] , de rapportage van het Landelijke Expertisecentrum Kindermishandeling (verder het LECK) van 9 mei 2023 en uit het journaal van de huisartsenpost van 14 juni 2023 volgt dat het iets waarschijnlijker is dat het op dat moment geconstateerde letsel van [minderjarige 1] onder de hypothese ‘toegebracht’ dan onder de hypothese ‘accidentele toedracht’ valt. De huisarts heeft hierin aanleiding gezien om van dit letsel melding te maken bij Veilig Thuis. Niet gesteld of gebleken is dat het letsel door de moeder zelf bij [minderjarige 1] is toegebracht, en er zijn aanwijzingen dat [minderjarige 1] dit letsel bij de vader heeft opgelopen.
Daarbij komt dat er na de mondelinge behandeling in eerste aanleg nog een nieuwe ernstige zorg over de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie van de vader bij is gekomen, namelijk het gestelde (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van stiefzus [stiefzus] . De moeder heeft op 10 mei 2025 van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vernomen dat [stiefzus] geruime tijd seksuele handelingen met hen heeft verricht. Zij heeft per e-mail hierover contact opgenomen met de vader. De vader heeft daarop gereageerd dat sprake is van gedrag dat past bij de leeftijd en ontwikkelingsfase van de kinderen. Verder leek dit gedrag volgens de vader vooral voort te komen uit nieuwsgierigheid van de kinderen en zou [minderjarige 1] zelf het initiatief hebben genomen. De GI heeft vanwege de door de moeder geuite zorgen aanleiding gezien om hiervan een melding te doen bij Veilig Thuis [regio] . Veilig Thuis heeft naar aanleiding van die melding een gesprek met de kinderen gevoerd volgens het NICHD-protocol, een forensisch interviewprotocol. Uit dit interview komt naar voren dat er volgens de kinderen grensoverschrijdende dingen tussen hen en [stiefzus] zijn gebeurd, en in elk geval dingen die zij niet wilden. Ze hebben hier langere tijd niet over durven praten.
Naar aanleiding van dit afgenomen NICHD-interview is het advies gegeven:
“-Als eerste dient het veiligheidsplan te worden geactualiseerd (geformuleerd vanuit de behoeftes van de kinderen in beide opvoedsituaties) waarin duidelijk is vastgelegd hoe de veiligheid van de kinderen wordt gewaarborgd. Hierin is voldoende nabijheid en toezicht een voorwaarde.
- Het is belangrijk om met de kinderen stil te staan bij het gegeven dat niemand je mag dwingen om iets geheim te houden. Leuke geheimen zijn oké (bijv. een cadeautje kopen voor een van je ouders). Geheimen waar je je rot door voelt, zijn niet oké. Kinderen moeten weten dat ze dit altijd aan een volwassene kunnen vertellen die ze vertrouwen om te zorgen dat het stopt.
- Een belangrijke stap is hierbij het volgen van de Meldcode om ook de ‘nieuwe/andere signalen’ in het kindgesprek van [minderjarige 2] in kaart te brengen.
- Er is een herstelgesprek nodig tussen vader en de kinderen waarin ze mogen/kunnen delen wat ze hebben meegemaakt en hoe ze het hebben ervaren, onder begeleiding van de gezinsvoogden.
Het is van belang dat vader met de kinderen praat op een manier die past bij hun leeftijd en
ontwikkelingsniveau. Het is van belang dat er vooral wordt stil gestaan bij de beleving en
veiligheidsgevoelens van de kinderen. In dit gesprek wordt er o.a. stil gestaan bij de afspraken die nodig zijn om te voorkomen dat bovenstaande nogmaals gebeurt. Dit betekent niet zozeer dat de kinderen kunnen bepalen wie er wel/niet bij de omgang aanwezig is, maar ze hebben wel invloed op wat ze nodig hebben om zich veilig te voelen.[…]”
De GI heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er volgens de GI eerst een herstelgesprek dient plaats te vinden en dat dan tijdens dit gesprek gekeken zal worden hoe het veiligheidsplan er uit zal moeten zien. De GI zal vervolgens maatregelen treffen om de veiligheid van de kinderen in het gezin van de vader te waarborgen. De GI heeft overigens geen enkele twijfel over de veiligheid van de kinderen in het gezin van de vader (en verzoekt mede op grond daarvan een 50/50 regeling). De GI heeft in de stukken en ook tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat er kindermishandeling heeft plaatsgevonden. Het hof stelt vast dat er toch meerdere zorgwekkende signalen door onafhankelijke instanties zijn benoemd en dat ook uit het NICHD interview blijkt dat de kinderen zich kennelijk in elk geval soms niet veilig voelen in het gezin van de vader. De toezegging dat de GI zal toezien op de veiligheid van de kinderen aldaar, terwijl de GI er steeds van uitgaat dat het daar niet aan schort, roept vraagtekens op bij het hof.
Genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien maken – naar het oordeel van het hof – dat de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie van de vader toch nader door de GI moet worden onderzocht. Op dit moment kan daarom niet zonder meer worden geoordeeld dat de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling dan wel een nog ruimere zorgregeling, zoals door de vader en de GI verzocht, in het belang van de kinderen is. Wel dient er in de tussentijd enige vorm van contact tussen de vader en de kinderen plaats te vinden op een wijze waarop de veiligheid van de kinderen volledig gewaarborgd is. Het hof is daarom van oordeel dat de door de moeder in incidenteel hoger beroep verzochte BOR II-traject op dit moment het meest in het belang van de kinderen is. Het contactherstel tussen de vader en de kinderen kan op die manier in een veilige setting en onder begeleiding van professionals plaatsvinden.
Op grond van het voorgaande zal het hof bepalen dat de GI – zo spoedig mogelijk – een verwijzing van de ouders naar een kortdurend BOR II-traject dient te realiseren, waarbij het hof uitdrukkelijk opmerkt dat deze verwijzing niet via het Uniform Hulpaanbod tot stand dient te komen. Reden hiervoor is de wachttijden die er voor de verwijzing via het Uniform Hulpaanbod gelden, in samenhang met de vrijwilligheid die voor deelname aan het Uniform Hulpaanbod is vereist Het hof laat de nadere invulling van het kortdurend BOR II-traject, waaronder de aard, de duur en de frequentie van het contact tussen de vader en de kinderen over aan de desbetreffende zorgaanbieder. Daarbij dient de GI de tussenliggende periode ook ten volle te benutten door allereerst het eerder opgestelde veiligheidsplan te actualiseren, het herstelgesprek tussen de vader en de kinderen voor te bereiden en (alleen als het BOR II traject naar tevredenheid is afgerond) te voeren en nader onderzoek te verrichten naar de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader. Deze zaken dient de GI echter niet te doen vanuit de eerder aangenomen eigen hypothese dat er sprake is van relationele beïnvloeding door de moeder, maar vanuit het oordeel van het hof dat er sprake is van meerdere (objectieve) signalen van onveiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader.
Voordat het hof een eindbeslissing kan geven op de in hoger beroep voorliggende verzoeken dient de GI, als meest gerede partij, het eindrapport van het kortdurend BOR II-traject in het geding te brengen. Verder dient de GI een geactualiseerd veiligheidsplan en een nadere verslaglegging in het geding te brengen waaruit volgt op welke wijze de GI nader onderzoek heeft verricht naar de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader en de in dat kader gemaakte afspraken, alsmede over hoe het herstelgesprek tussen de vader en de kinderen is verlopen.
De ouders zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld om binnen twee weken schriftelijk hierop te reageren. De vader, de moeder en de GI dienen aan te geven wat de inhoud van de rapportage en het resultaat van het kortdurend BOR II-traject en de nadere verslaglegging van de GI betekent voor hun standpunten en verzoeken in hoger beroep.
Het hof gaat er van uit dat mochten er voorafgaand en/of gedurende het kortdurend BOR II-traject problemen ontstaan waardoor het BOR II-traject niet kan worden opgestart, dan wel dat het BOR-traject voortijdig wordt beëindigd, het hof daarvan door de GI en de advocaten van partijen zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld.
Het hof zal de verdere behandeling en beslissing van de zaak (omtrent de zorgregeling, de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de proceskosten) voor de duur van vier maanden aanhouden,
Dwangsom
Gebleken is dat de moeder in het verleden meerdere keren de zorgregeling niet is nagekomen, ook niet nadat de voorzieningenrechter de moeder tot nakoming had veroordeeld en aan die nakoming dwangsommen had gekoppeld. Dit maakt dat – ondanks dat hof het incidentele verzoek van de moeder in beide zaken toewijst – toch aanleiding ziet om in elk geval aan de nakoming van de BOR II-traject een dwangsom te verbinden, zoals door de vader verzocht. Dat betekent concreet dat de moeder een dwangsom verschuldigd is van € 1.000,- voor iedere dag of dagdeel dat de moeder haar medewerking niet verleent aan het door het hof gelaste BOR II-traject dan wel de in dat kader vast te stellen begeleide contactmomenten tussen de vader en de kinderen niet nakomt, met een maximum van € 25.000,-.
De slotsom
Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als hierna onder 4 vermeld.
4De beslissing
Het hof:
in de zaken met zaaknummers 200.358.432/01 en 200.358.492/01:
op het principaal en incidenteel appel:
bepaalt dat de vader en [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , voorlopig, tot nader wordt beslist, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in het kader van een kortdurend BOR II-traject bij een door de GI nog in te schakelen zorgaanbieder in de regio [regio] , waarbij de invulling van het BOR II-traject wordt overgelaten aan die zorgaanbieder;
veroordeelt de moeder tot correcte en onvoorwaardelijke medewerking aan het door het hof gelaste BOR II-traject en aan de in dat kader vast te stellen begeleide contactmomenten tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , op straffe van betaling van een dwangsom aan de vader van € 1.000,- per keer dat zij hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,-;
houdt iedere verdere beslissing omtrent de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de proceskosten aan
verzoekt de GI bij het hof tijdig vóór bovenstaande pro forma datum het eindrapport van het kortdurend BOR II-traject alsmede een geactualiseerd veiligheidsplan en een nadere verslaglegging waaruit volgt op welke wijze de GI nader onderzoek heeft verricht naar de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader in het geding te brengen, onder gelijktijdige verstrekking van afschriften daarvan aan de advocaten van de vader en de moeder en aan de raad;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, G.M. Goes en A.C. Van den Boogaard en is op 9 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
