ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 230 per jaar (excl. btw)

Rechtbank Den Haag 08-08-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15227

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheiding. Pensioenverweer treft geen doel. HVP kinderen bij vader, gezien allowances van diens werkgever. Bepaling KAl en PAL. Voortgezet gebruik echtelijke woning door moeder. Verdeling gemeenschap. Voorlopige zorgregeling in afwachting bevindingen Raad. Recht vrouw op pensioenverevening, maar zij verkrijgt met betrekking tot pensioen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling geen recht op uitbetaling deel pensioen jegens het buitenlands uitvoeringsorgaan, maar slechts recht op uitbetaling jegens echtgenoot.


Datum publicatie28-08-2025
ZaaknummerC/09/660174 / FA RK 24-456
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDen Haag
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen;
Alimentatie;
Familievermogensrecht;
Pensioen; Pensioenverweer; Pensioenverevening
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Pensioenverweer slaagt niet. Voorlopige zorgregeling bepaald, RvdK gevraagd onderzoek te doen naar zorgregeling. Hoofdverblijfplaats bij vader bepaald. Kinderalimentatie aan moeder, in verband met tekort om de verblijfskosten te voldoen. Partneralimentatie bepaald en wijze van de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vastgesteld.

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 24-456 (echtscheiding)

FA RK 24-6497 (verdeling)

Zaaknummers: C/09/660174 (echtscheiding)

C/09/672248 (verdeling)

Datum beschikking: 8 augustus 2025

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 19 januari 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.W. Morot te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: voorheen mr. W.A. van der Stroom-Willemsen, nu zonder advocaat.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • het verzoekschrift, met producties 1 tot en met 8, van de zijde van de man;

  • de brief van 29 januari 2024, met de huwelijksakte en geboorteakten, van de zijde van de man;

  • het op 3 april 2024 ingekomen verweerschrift met zelfstandige verzoeken, met producties 1 tot en met 8, van de zijde van de vrouw;

  • het op 29 mei 2024 ingekomen verweer tegen de zelfstandige verzoeken, tevens verandering c.q. vermeerdering van de verzoeken, met producties 9 tot en met 27, van de zijde van de man;

  • het op 14 augustus 2024 ingekomen verweerschrift tegen de verandering c.q. vermeerdering van de verzoeken en aanvulling zelfstandige verzoeken, met producties 9 tot en met 12, van de zijde van de vrouw;

  • het op 5 september 2024 ingekomen verweerschrift tegen de aanvullende verzoeken, tevens verandering verzoeken, met producties 28 tot en met 30, van de zijde van de man;

  • de op 1 juli 2025 ingekomen verandering c.q. vermeerdering van de verzoeken, met producties 31 tot en met 47, van de zijde van de man.

De minderjarige [minderjarige 1] heeft in een brief aan de kinderrechter haar mening gegeven over het verzoek, welke brief op 7 juli 2025 bij de rechtbank is binnengekomen. De minderjarige [minderjarige 2] heeft ook in een brief aan de kinderrechter haar mening gegeven over het verzoek, welke brief door de vrouw tijdens de zitting is overgelegd.

Op 11 juli 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • de man, bijgestaan door zijn advocaat en C.M. Corcelle als tolk in de Franse taal;

  • de vrouw;

  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Door de advocaat van de man zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd en (gedeeltelijk) voorgedragen. Daarnaast is tijdens de zitting namens de man een nieuwe alimentatieberekening overgelegd.

Door de vrouw is tijdens de zitting een origineel document overgelegd uit het Oekraïense eigendomsregister, waarvan na de zitting een kopie aan het dossier is toegevoegd. Het originele stuk retour is gezonden aan de vrouw.

Feiten

  • De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2010 te [plaats 1] .

  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] , [geboorteland] , en

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .

  • De man en de vrouw oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit.

  • In de Basisregistratie personen is opgenomen dat de man de Franse nationaliteit en de vrouw de Oekraïense en Franse nationaliteit heeft.

  • Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.

  • Deze rechtbank heeft op 22 december 2023 voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende een vaststelling van de volgende tussen de man en de vrouw gemaakte afspraken:

  • De kinderen zullen in de vorm van een week-op-week-af regeling bij partijen verblijven (co­ouderschap). De wissel is op vrijdagmiddag uit school en beide ouders brengen de kinderen naar de naschoolse activiteiten van de kinderen. De zorgregeling zal na drie maanden door partijen worden geëvalueerd;

  • De schoolvakanties worden bij helfte verdeeld waarbij de kinderen afwisselend de eerste helft van de schoolvakanties bij de ene ouder verblijven en de tweede helft van de vakanties bij de andere ouder, derhalve jaarlijks alternerend. Voor het resterende deel van 2023 verblijven de kinderen de eerste helft bij de man en de tweede helft bij de vrouw, hetgeen voor 2024 andersom zal zijn, enzovoorts. De wissel zal op zaterdag plaatsvinden;

  • Voor de rest van 2023 inclusief de kerstvakantie zijn partijen de volgende verdeling van de zorg overeengekomen:

 Van donderdag 14 december uit school tot donderdag 21 december naar school: de kinderen verblijven bij de vrouw;

 Van donderdag 21 december tot vrijdag 29 december: de kinderen verblijven bij de man;

 Van vrijdag 29 december tot zaterdag 6 januari: de kinderen verblijven bij de vrouw;

 Van zaterdag 6 januari tot vrijdag 12 januari uit school: de kinderen verblijven bij de man;

 Enzovoorts;

  • De kinderen zullen met de andere ouder bellen op zondag, dinsdag en donderdag om 19.30 uur;

  • De man zal op 20 december 2023 een bijdrage in de kosten van huishouding aan de vrouw betalen van € 1 .550 netto;

  • De man zal met ingang van 1 januari 2024 voor het eerste van de maand een kinderalimentatie aan de vrouw betalen van€ 1.000 per kind per maand;

  • De man zal met ingang van 1 januari 2024 voor het eerste van de maand een partneralimentatie aan de vrouw betalen van € 2.665 per maand en de vaste lasten van de echtelijke woning, te weten: hypotheekrente, aflossing, opstalverzekering, erfpacht, gemeentelijke belastingen.

Verzoeken

Het verzoek van de man, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

  1. vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de man;

  2. vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , in die zin dat zij met ingang van 31 augustus 2025 een keer per veertien dagen van donderdag uit school tot maandagochtend naar school bij de vrouw (4 nachten) verblijven en de rest van de tijd bij de man verblijven (10 nachten);

  3. bepaling dat de schoolvakanties van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij helfte tussen partijen worden verdeeld, en daarbij te bepalen dat:

  • Voorjaarsvakantie (vacances d'hiver): de kinderen de oneven jaren bij de man verblijven en de even jaren bij de vrouw verblijven;

  • Meivakantie (vacances de printemps): de kinderen de oneven jaren bij de vrouw verblijven en de even jaren bij de man verblijven;

  • Zomervakantie: in twee gelijke blokken wordt opgedeeld waarbij de kinderen in de oneven jaren de eerste helft bij de man verblijven en de tweede helft bij de vrouw verblijven met de wissel halverwege de vakantie en voor de even jaren geldt het omgekeerde;

  • Herfstvakantie (vacances de la Toussaint): de kinderen de oneven jaren bij de vrouw verblijven en de even jaren bij de man verblijven;

  • Kerstvakantie (vacances de Noël): de kinderen de oneven jaren bij de man verblijven en de even jaren bij de vrouw verblijven;

bepaling ten aanzien van de feestdagen dat wanneer een feestdag midden in de week valt, [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de ouder verblijven bij wie ze die week volgens het reguliere schema verblijven, en waarbij in het geval van een lang weekend de feestdag wordt toegewezen aan de ouder die de kinderen volgens het schema dat weekend bij zich heeft;

bepaling dat de man de Franse paspoorten en de vrouw de Oekraïense paspoorten van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in beheer zal hebben;

bepaling dat de man de echtelijke woning aan het adres [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats 1] kan overnemen dan wel dat de woning dient te worden verkocht volgens het door de man voorgestelde spoorboekje;

bepaling dat de vrouw de woning aan het adres [adres 2] te [plaats 1] kan overnemen dan wel dat de woning dient te worden verkocht volgens het door de man voorgestelde spoorboekje;

de (wijze van de) afwikkeling van de ontbonden gemeenschap van goederen van partijen te bepalen conform een nader door de man in te dienen verzoek;

het bevel dat de vrouw binnen een week na de in deze af te geven (echtscheidings)beschikking de eigendomsakte van het appartement op naam van de vrouw te [plaats 2] aan de [adres 3] in de procedure dient in te brengen voorzien van een beëdigde vertaling naar het Engels, Frans of Nederlands;

het bevel dat de vrouw binnen een week na de in deze af te geven (echtscheidings)beschikking de saldi van al haar privé bankrekeningen op of rond 18 januari 2024 in het geding dient in te brengen;

toedeling van de Volvo XC 90 voor € 44.100 en de Renault Captur voor € 19.950 aan de vrouw onder de verplichting van de vrouw om € 32.025 aan de man te betalen vanuit haar aandeel in de overwaarde van de echtelijke woning op het moment van de notariële levering aan de man dan wel aan de koper via de derdenrekening van de notaris;

bepaling dat de man een dagdeel in de echtelijke woning kan doorbrengen om een overzicht te maken van de te verdelen inboedel om vervolgens samen met de vrouw tot een lijst van inboedelgoederen te komen die dan bij helfte moeten worden gedeeld tussen partijen;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De vrouw heeft na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

  1. vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de vrouw;

  2. de volgende verdeling van de vakanties en feestdagen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] vast te stellen:

  • Zomervakantie: 2-2-2-2-1,5, waarbij in de even jaren de vrouw start met de eerste twee weken en in de oneven jaren de man start met de eerste twee weken van de vakantie;

  • Herfstvakantie (Vacances de la Toussaint): in de even jaren bij de man in de oneven jaren bij de vrouw;

  • Kerstvakantie (Vacances de Noël) - eerste week bij de vrouw, tweede week bij de man;

  • Voorjaarsvakantie (Vacances d'hiver): in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;

  • Meivakantie (Vacances de printemps): in de even jaren eerste week bij de vrouw, tweede week bij de man, in de oneven jaren eerste week bij de man tweede week bij de vrouw;

  • Contact tijdens vakanties: de kinderen hebben drie keer per week contact tijdens de vakantie met de andere ouder op vaste dagen en tijdstip, te weten op dinsdag, donderdag en zaterdag om 19:00 uur;

  • Weekend Russische Pasen: bij de vrouw;

  • Kerstmis en Oud en Nieuw: conform vakantieregeling;

  • Pasen: In de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;

  • Hemelvaart (donderdag + weekend): bij de vrouw;

  • Pinksteren (weekend + maandag): bij de man;

  • Prinsjesdag: conform zorgregeling;

  • Moederdag: bij de vrouw (indien afwijkend van zorgregeling: van 9.00 uur tot 18.00 uur);

  • Vaderdag: bij de man (indien afwijkend van zorgregeling: van 9.00 uur tot 18.00 uur);

  • Verjaardag ouder: bij jarige ouder (indien afwijkend van zorgregeling vanaf 9.30 uur althans na school tot volgende dag 9.30 althans in school);

  • Verjaardag kind: iedere ouder moet in staat gesteld worden om op de verjaardag tijd met het betreffende kind door te brengen;

vaststelling van kinderalimentatie van € 1.825,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen vóór iedere eerste van de maand, althans een nader in goede justitie door de rechtbank te bepalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;

vaststelling van de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten van levensonderhoud op € 11.695,- per maand, jaarlijks te indexeren krachtens art. 1:402 BW, met ingang van 1 januari 2025;

vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 5.195,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen vóór iedere eerste van de maand, althans een nader in goede justitie door de rechtbank te bepalen onderhoudsbijdrage;

vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw onder randnummer 38 en verder van het verweerschrift, en:

bepaling dat de man de echtelijke woning aan het adres [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats 1] kan overnemen dan wel dient te worden verkocht volgens het door de vrouw voorgestelde spoorboekje;

bepaling dat aan de vrouw het voortgezet gebruik toekomt van de echtelijke woning aan het adres [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats 1] gedurende zes maanden vanaf de datum dat de echtscheiding definitief is geworden door inschrijving van de beschikking in de daartoe bestemde registers;

bepaling op welk deel van het tijdens het huwelijk van partijen door de man opgebouwde ouderdomspensioen bij [bedrijfsnaam] de vrouw recht heeft, met ingang van de datum dat de man met pensioen gaat en de man te gelasten alle relevante gegevens met betrekking tot zijn pensioen zo snel mogelijk over te leggen opdat een pensioendeskundige, zo nodig een berekening kan maken, indien partijen het niets eens worden over de vraag welk deel van het ouderdomspensioen van de man aan de vrouw toekomt en vervolgens de man te veroordelen dit bedrag maandelijks aan de vrouw te betalen vermeerderd met de door [bedrijfsnaam] toegepaste indexatie;

vaststelling van de compensatie die de man aan de vrouw dient te betalen wegens het dreigend verlies van haar recht op partnerpensioen krachtens art.1:153 BW;

bepaling dat de vrouw de woning aan het adres [adres 2] te [plaats 1] kan overnemen dan wel dat de woning dient te worden verkocht volgens het door de vrouw voorgestelde spoorboekje;

bepaling dat de Volvo XC 90 zal worden getaxeerd bij de garage waar de auto in onderhoud is, waarna de auto aan de vrouw wordt toegedeeld tegen de betreffende taxatiewaarde, onder de verplichting om de helft van de taxatiewaarde aan de man te vergoeden;

bepaling dat de Renault Captur zal worden verkocht door de garage waar de auto in onderhoud is en waarbij partijen de verkoopopbrengst bij helfte zullen verdelen;

bepaling dat de schadevrije jaren in de autoverzekering van partijen bij helfte tussen partijen verdeeld wordt en de man binnen twee weken na de te wijzen beschikking zijn medewerking verleent bij het berichten van de verzekeraar;

bepaling dat de vrouw een overzicht aanlevert van de inboedel van partijen, welke inboedel partijen aan de hand van de lijst verdelen. Als het partijen niet lukt om samen de inboedel in onderling overleg te verdelen kiezen partijen één voor één een goed van de lijst, waarbij de vrouw de eerste keuze heeft;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu zowel de man als de vrouw hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal op grond van het eerste lid van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Ontbreken ouderschapsplan

Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen op grond van artikel 815 Rv. Partijen hebben dat niet gedaan.

De rechtbank stelt vast dat het partijen niet is gelukt om ten aanzien van de minderjarige kinderen afspraken te maken in een gezamenlijk ouderschapsplan. De rechtbank zal partijen, ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan, ontvangen in de verzoeken tot echtscheiding met nevenvoorzieningen en deze verzoeken beoordelen.

Pensioenverweer

De door de man gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is door de vrouw niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding – in beginsel – als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

De vrouw heeft echter een pensioenverweer opgeworpen. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie het pensioenverweer van de vrouw een preliminair verweer is, waarop moet worden beslist voordat eventueel de echtscheiding kan worden uitgesproken. Het pensioenverweer ziet bovendien blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 1:153 BW uitsluitend op pensioenuitkeringen bij vooroverlijden van de partij die de echtscheiding verzoekt, dus op nabestaandenpensioen.

De vrouw heeft ten aanzien van het pensioenverweer gesteld te vrezen dat zij, als gevolg van de verzochte echtscheiding, een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan haar na vooroverlijden van de man, verliest. De man dient een passende compensatie aan te bieden, omdat de vrouw niet in staat is om zelf een passende voorziening te treffen.

De man heeft het door de vrouw gestelde betwist. Als al sprake zou zijn van teloorgaan dan wel ernstig verminderen van het uitzicht op uitkeringen, dan kan zij hiervoor zelf voldoende voorzieningen treffen. De vrouw heeft haar hele leven gewerkt en is nog in staat om te werken. Zij bouwt heeft pensioen opgebouwd en komt in aanmerking voor een AOW-uitkering. Nergens blijkt volgens de man uit dat de vrouw slecht verzorgd achterblijft na de echtscheiding.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 1:153 lid 1 BW kan, indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert, deze niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. In lid 2 is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is indien a) redelijkerwijs te verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende voorzieningen kan treffen, of b) indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate te wijten is aan de andere echtgenoot.

De rechtbank ziet geen aanleiding om, alvorens de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, een nadere termijn te stellen teneinde de man in de gelegenheid te stellen een voorziening te (doen) treffen voor het wegvallen van dit deel van de pensioenvoorziening die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. Artikel 1:153 lid 1 BW schrijft niet dwingend een volledige compensatie voor het gemis van het verwachte nabestaandenpensioen voor, maar noopt slechts tot het, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, treffen van een redelijke voorziening die voorkomt dat de echtgenoot die het verweer voert na de ontbinding van het huwelijk slecht verzorgd achterblijft. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat verlies van een uitkeringsbedrag leidt tot de conclusie dat een voorziening ter compensatie nodig is. De vrouw heeft niet toegelicht welke omvang het bedrag aan potentiële uitkeringen zij verliest. De vrouw wordt bovendien geacht eigen inkomsten uit arbeid te genieten. Daarnaast ontvangt ze bedragen vanuit de verdeling en partneralimentatie. De rechtbank is daarbij van oordeel dat het door de vrouw zelf te realiseren inkomen, ook in het geval van overlijden van de man, voldoende is om zelfstandig in de kosten van haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Om deze reden behoeft – mede gelet op het bepaalde in artikel 1:153 lid 2 aanhef en onder a BW – geen nadere voorziening te worden getroffen.

Het bovenstaande in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat het pensioenverweer van de vrouw geen doel treft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de echtscheiding tussen partijen kan worden uitgesproken en zal het verzoek daartoe daarom toewijzen.

Hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in Nederland is, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van de EU-verordening Brussel II-ter (Nr. 2019/1111) bevoegd om te beslissen op de verzoeken die betrekking hebben op [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .

Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 is Nederlands recht van toepassing.

Relevante feiten en omstandigheden

Partijen zijn eind juni 2023 feitelijk uit elkaar gegaan, nadat zij enkele maanden apart van elkaar hadden gewoond. Voor de vrouw kwam de echtscheiding als een verrassing; zij dacht dat partijen een periode van rust zouden nemen. Dit heeft tot een vertrouwensbreuk bij de vrouw geleid, omdat zij er achter kwam dat de man al enkele maanden zonder haar medeweten een woning huurde. In diezelfde periode is Veilig Thuis betrokken geraakt bij het gezin nadat de politie een zorgmelding heeft gedaan, waarna [instelling 1] (voorheen: [instelling 2] ) is ingezet. Ondanks dat partijen onder begeleiding van hun advocaten voorlopige afspraken met elkaar hebben gemaakt, wordt een Verzoek Tot Onderzoek gedaan bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) in december 2023 in verband met de fragiele situatie. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een beschermingsonderzoek door de RvdK, waarvan het rapport is verschenen op 24 juni 2024 (met kenmerk [kenmerk] ). Kort samengevat concludeert de RvdK dat wel sprake is van een ernstige bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , waarbij de grootste zorg ligt in de onderlinge strijd tussen de ouders en het effect daarvan op de mentale en fysieke toestand van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , maar dat er nog voldoende mogelijkheden in het vrijwillig kader worden gezien om die bedreiging weg te nemen. De ouders en de kinderen zijn toen verwezen naar de reeds betrokken psychologen en hulpverlening vanuit – inmiddels – [instelling 3] . Naar aanleiding van een zorgmelding bij Veilig Thuis, heeft er op 10 juli 2025 een driegesprek plaatsgevonden tussen Veilig Thuis, [instelling 3] en de vrouw. Verder staan partijen op de wachtlijst bij [instelling 4] voor het traject Parallel Solo Ouderschap (PSO). Partijen geven nog steeds uitvoering aan de overeengekomen voorlopige zorgregeling, inhoudende een week-op-week-af-regeling (co­ouderschap), met de wissel op vrijdagmiddag uit school.

Hoofdverblijfplaats

De man heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen. Volgens de man deelden partijen de zorg voor de kinderen tijdens het huwelijk. De man stelt dat hij alle administratie rondom de kinderen regelt en de verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen betaalt, ook nu de vrouw voorlopige kinderalimentatie ontvangt en gehouden is die kosten te voldoen. Om alle ‘allowances’ voor de kinderen vanuit zijn werkgever voort te kunnen zetten na de echtscheiding, dient de man de kinderen “voortdurend en hoofdzakelijk te onderhouden”. Dit alles maakt dat het volgens de man in het belang van de kinderen is om de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen.

De vrouw heeft verweer gevoerd en verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De vrouw was en is de hoofdverzorgster van de kinderen; zij is er als de kinderen uit school komen, brengt ze naar naschoolse activiteiten en brengt ze naar bed. De vrouw heeft geen baan op dit moment en heeft daarom alle tijd voor de kinderen, ze heeft bovendien meer recht op kindgebonden budget. De vrouw heeft navraag gedaan bij de werkgever van de man over de allowances die hij ontvangt en daaruit blijkt niet dat het noodzakelijk is dat de kinderen bij hem ingeschreven staan.

De rechtbank overweegt als volgt. Voorop staat dat beide ouders belangrijk zijn in het leven van de kinderen, en dat op dit moment (nog) sprake is van een gelijke zorgverdeling. De stelling van de man dat hij de praktische zaken rondom de kinderen regelt, met name de financiële zaken, is door de vrouw niet betwist. Ook heeft de vrouw niet betwist dat niet alle verblijfsoverstijgende kosten door haar worden betaald, zoals dat wel zou horen omdat zij kinderalimentatie ontvangt. Op basis van de overgelegde stukken kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen of de man al dan niet de allowances van zijn werkgever blijft ontvangen als de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw wordt bepaald. De rechtbank acht het echter in het belang van de kinderen dat daarover geen onduidelijkheid bestaat, nu deze allowances de kinderen ten goede komen. Dit alles maakt dat de rechtbank bepaling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man het meest in hun belang acht, zodat hij de praktische zaken voor de kinderen kan blijven regelen, de verblijfs-overstijgende kosten voor de kinderen kan dragen en daarmee de stabiliteit voor de kinderen op dat vlak kan waarborgen.

Zorgregeling

De man heeft een zorgregeling verzocht waarbij de kinderen, met ingang van 31 augustus 2025, eens per veertien dagen van donderdag uit school tot maandagochtend naar school bij de vrouw verblijven en de rest van de tijd bij de man. De man maakt zich zorgen over de situatie bij de vrouw, omdat de kinderen uitlatingen doen bij hem over fysieke en psychologische mishandeling door de vrouw. De afgelopen periode hebben er veel incidenten plaatsgevonden en heeft [minderjarige 2] veel schooldagen gemist als zij bij de vrouw was. De zorgmelding bij Veilig Thuis afgelopen juni is volgens de man door de school van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gedaan. Daarnaast heeft de psycholoog van [minderjarige 2] recent een zorgmelding gedaan. Volgens de man wordt op de gemelde zorgen door de hulpverlening lakmoedig gereageerd, en moet er nu iets veranderen in het belang van de kinderen.

De vrouw voert verweer en stelt dat er geen reden is om de huidige zorgregeling te wijzigen. De door de man gestelde zorgen over fysieke en psychologische mishandeling worden door de vrouw betwist. De vrouw erkent dat zij hard kan praten en zij de kinderen hard vast kan pakken, maar stelt dat zij de kinderen nooit zou slaan en dat ook nooit heeft gedaan. Als de kinderen bij haar zijn heeft zij alle aandacht voor hen en onderneemt ze leuke dingen met hen, terwijl de kinderen volgens de vrouw bij de man alleen maar achter de computer zitten. De vrouw stelt dat de kinderen ook moeite hebben met de nieuwe partner van de man. De door de man voorgestelde regeling is volgens de vrouw niet in het belang van de kinderen, en is met name nadelig voor [minderjarige 2] .

Op basis van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat sprake is van een complexe gezinssituatie, waarbij de ouders in een hevige strijd verwikkeld zijn. De ouders geven er allebei blijk van het goede te willen doen voor de kinderen, maar de hevige strijd tussen de ouders zorgt ervoor dat de kinderen op dit moment in een hele lastige situatie zitten. De rechtbank maakt zich met name zorgen over de mate waarin de ouders de kinderen bij de strijd betrekken, over de negatieve kijk die de ouders op elkaar hebben en wat de kinderen daarvan meekrijgen. Tijdens de zitting is gebleken dat de vrouw de man de schuld geeft van de echtscheiding en dat zij die mening ook uit. Het kan niet anders dan dat de kinderen de weerstand voelen die de vrouw tegen de man heeft. De rechtbank maakt zich er zorgen over dat de vrouw terug blijft kijken naar wat tussen partijen is voorgevallen t, niet bereid lijkt te zijn om naar haar huidige eigen aandeel te kijken en zich daarbij te focussen op wat in het belang van de kinderen is. Ook maakt de rechtbank zich zorgen over de uitlatingen die de kinderen bij de psycholoog en op school hebben gedaan, wat aanleiding heeft gegeven voor zorgmeldingen bij Veilig Thuis. De vrouw heeft aangegeven dat de zorgen in een driegesprek op 10 juli 2025 met haar zijn besproken en is medegedeeld dat opnieuw hulpverlening zal worden ingezet. De inhoud van de zorgmeldingen is de rechtbank niet bekend en evenmin is duidelijk wat precies met de moeder is besproken.

Mogelijk dat een wijziging in de zorgregeling passend is, echter acht de rechtbank het vanwege de huidige onrust in het belang van de kinderen dat daar eerst goed naar gekeken wordt. De rechtbank acht zich, mede gelet op het gebrek aan zicht op de inhoud van de gedane zorgmeldingen, op dit moment onvoldoende voorgelicht om daarover een beslissing te kunnen nemen. Zoals op de zitting is besproken zal de rechtbank de RvdK daarom vragen om (aanvullend) onderzoek te doen naar welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen te achten is.

Omdat er hulpverlening betrokken is, gaat de rechtbank ervan uit dat zij zullen handelen als sprake is van een acute bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. De rechtbank zal in afwachting van het raadsrapport daarom nu (nog) geen wijziging aanbrengen in de huidige zorgregeling. De rechtbank verwacht in dat kader wel van beide ouders dat zij de overeengekomen en vastgelegde zorgregeling strikt nakomen. De rechtbank zal de huidige zorgregeling opnemen als voorlopige regeling, waarbij zij op zal nemen dat op de vrijdagen dat er geen school is, het wisselmoment om 15.00 uur zal zijn. De beslissing zal voor het overige worden aangehouden in afwachting van het onderzoek door de RvdK.

Vakanties en feestdagen

Beide partijen hebben een concrete verdeling van de vakanties en feestdagen verzocht. In de voorlopige voorzieningenprocedure zijn partijen een regeling overeengekomen waarbij de vakanties bij helfte worden verdeeld, zonder een duidelijk schema. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat daarover nu - voorlopig – meer duidelijkheid komt. Dit is mede ingegeven doordat de vrouw de huidige zomervakantieregeling niet is nagekomen en [minderjarige 2] zonder overleg met de man bij zich heeft gehouden en heeft meegenomen op vakantie naar Griekenland. Ook de wisselmomenten – die volgens de man veel spanningen met zich meebrengen – dienen te worden beperkt.

De door de vrouw voorgestelde verdeling van de zomervakantie volgens het ritme
2-2-2-2-1,5 acht de rechtbank te onrustig. Voor de zomervakantie zal de rechtbank daarom bepalen dat de kinderen de eerste helft bij de ene ouder verblijven en de andere helft bij de andere ouder, zoals de ouders dat nu ook doen. Voor de overige vakanties zal de rechtbank voorlopig overeenkomstig het verzoek van de man beslissen dat de kinderen tijdens de gehele vakantie bij één ouder verblijven, jaarlijks alternerend. Voor de feestdagen ziet de rechtbank nu geen aanleiding om daarvoor een concrete verdeling te bepalen. Daarvoor geldt voorlopig dat de kinderen tijdens feestdagen bij de ouder zijn bij wie zij volgens de reguliere zorgregeling of vakantieregeling (als de betreffende feestdagen in de vakantie valt) verblijven.

Paspoorten

De man heeft verzocht te bepalen dat de Franse paspoorten van de kinderen in zijn beheer zullen zijn en de Oekraïense paspoorten van de kinderen in beheer van de vrouw. De rechtbank zal – overeenkomstig het voorstel van de vrouw – bepalen dat de Franse paspoorten zich bevinden bij de ouder bij wie zij de hoofdverblijfplaats hebben (in dit geval de man), waarbij de paspoorten op het eerste verzoek zullen worden afgegeven aan de andere ouder (in dit geval de vrouw). De man heeft op de zitting toegezegd dat ook te zullen doen. De Oekraïense paspoorten kunnen in beheer blijven bij de vrouw. De rechtbank zal het verzoek van de man dus toewijzen.

Kinderalimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de onderhoudsgerechtigde in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding.

Op het verzoek tot vaststelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw heeft verzocht een door de man aan haar te betalen kinderalimentatie vast te stellen. De man heeft opgemerkt dat hij geen kinderalimentatie van de vrouw hoeft.

De rechtbank stelt voorop dat doorgaans kinderalimentatie wordt betaald aan de ouder bij wie een kind de hoofdverblijfplaats heeft. Het uitgangspunt hierbij is dat de ouder waar het kind in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven, alle verblijfsoverstijgende kosten van het kind betaalt en dat de andere ouder de kosten die samenhangen met het verblijf bij die ouder, de zogenoemde zorgkosten, voor zijn of haar rekening neemt. De niet-verzorgende ouder kan onder omstandigheden in aanmerking komen voor een bijdrage in de zorgkosten door de andere ouder. Een dergelijke situatie doet zich voornamelijk voor als de niet-verzorgende ouder onvoldoende draagkracht heeft om de zorgkosten van het kind te voldoen. De vraag of en, zo ja, in hoeverre de ouder bij wie het kind meer dan incidenteel verblijft, maar niet zijn hoofdverblijf heeft, tegenover de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, aanspraak kan maken op een bijdrage in de kosten die zijn gemoeid met verzorging en opvoeding van het kind gedurende dat meer dan incidentele verblijf, moet worden beantwoord aan de hand van de wettelijke maatstaven van draagkracht en behoefte als bedoeld in titel 17 van Boek 1 BW (artikel 1:397 leden 1 en 2 BW en artikel 1:404 lid 1 BW) . Voor het opleggen van een verplichting aan de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, om bij te dragen in de zorgkosten van de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijf heeft, is niet vereist dat sprake is van bijzondere omstandigheden (ECLI:NL:HR:2022:1924).

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke mate partijen kunnen voorzien in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en in hoeverre de vrouw in aanmerking komt voor een bijdrage in de zorgkosten.

Behoefte

Tussen partijen is niet in geschil dat de basisbehoefte van de kinderen, op basis van een gemaximeerd netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van € 6.000,-, € 1.460,- per maand bedroeg in 2023. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de basisbehoefte van de kinderen € 1.651,- per maand, en dus (afgerond) € 826,- per kind per maand.

Evenmin is tussen partijen in geschil dat de basisbehoefte van de kinderen moet worden vermeerderd met bijzondere kosten. De man heeft de volgende bijzondere kosten gesteld:

  • Russische les [minderjarige 1] van € 72,- per maand;

  • Schilderles van € 128,- per maand;

  • Kosten kantine van € 171,- per maand;

  • Samedis Malins [minderjarige 1] van € 116,- per maand;

  • Schoolreis [minderjarige 1] van € 25,- per maand.

De vrouw heeft deze kosten niet betwist. De eerder door de vrouw opgevoerde oppaskosten hebben partijen niet meer, zodat daarmee geen rekening zal worden gehouden. Daarom zal de rechtbank uitgaan van de door de man gestelde totale behoefte van € 2.163,- per maand, bestaande uit een behoefte van € 1.188,- per maand voor [minderjarige 1] en van € 975,- per maand voor [minderjarige 2] .

Draagkracht man

De man is werkzaam bij de [bedrijfsnaam] ([bedrijfsnaam]) en is daarom in Nederland niet belastingplichtig voor wat betreft de inkomstenbelasting. De rechtbank zal voor de berekening van zijn draagkracht daarom een netto berekening maken.

Voor de bepaling van de draagkracht van de man rekent de rechtbank met het door de man in zijn berekening opgenomen inkomen in 2025 van € 197.891,- netto per jaar, welk inkomen ook af te leiden is uit de door hem overgelegde stukken. In de eerder door de voormalige advocaat van de vrouw overgelegde draagkrachtberekening is gerekend met een (geschat) netto inkomen van € 200.000,- per jaar aan de zijde van de man, wat nagenoeg overeenkomt met dit inkomen. Dat de man recent een promotie zou hebben gemaakt, zoals de vrouw op de zitting naar voren heeft gebracht, is door de man betwist en heeft de vrouw verder niet onderbouwd. De man heeft bovendien zijn salarisspecificaties tot en met juni 2025 overgelegd, waarin geen bonus of salarisverhoging naar voren is gekomen.

Op basis hiervan berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man in 2025 op € 16.491,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de man (en de vrouw) moet worden uitgegaan van de werkelijke woonlasten in plaats van het gebruikelijke woonbudget. De vrouw stelt dat de werkelijke woonlast van de man lager is dan het woonbudget, waar tegenover de man juist stelt dat sprake is van een overschrijding van het woonbudget. De rechtbank overweegt dat op dit moment duidelijk is dat de man dubbele woonlasten heeft, welke lasten zullen voortduren tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking omdat het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw zal worden toegewezen. Hoe de financiële situatie er dan uit zal zien en wat de precieze woonlasten van de man (en de vrouw) hierna zullen zijn is nog onduidelijk. Immers zal nog moeten blijken of de man de vrouw kan uitkopen, waardoor hij mogelijk een hogere hypotheeklast zal krijgen, of dat de echtelijke woning zal worden verkocht en beide partijen elders zullen gaan wonen. De rechtbank kan daarom nu niet vaststellen dat sprake is van een duurzaam aanmerkelijk hogere of lagere woonlast van de man (en de vrouw). In de omstandigheid dat de werkelijke woonlasten nu afwijken van het woonbudget, terwijl nog onduidelijk is hoe de woonlasten er over enkele maanden uit zal komen te zien, ziet de rechtbank daarom nu geen aanleiding om van het woonbudget af te wijken. De rechtbank gaat daarom zowel bij de berekening van de draagkracht van de man als bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uit van het woonbudget.

De man heeft nog een kind uit een eerdere relatie, [jongmeerderjarige] van 21 jaar, aan wie hij een bijdrage voldoet van in totaal € 835,- per maand. Uit de door de man overgelegde stukken is voldoende gebleken dat de man een onderhoudsverplichting heeft en dat hij die kosten daadwerkelijk betaalt. De rechtbank passeert de stelling van de vrouw dat de man in het licht van deze procedure pas is begonnen met betalingen, nu de man ook oude bankafschriften heeft overgelegd die deze stelling weerleggen. De rechtbank zal daarom rekening houden met deze extra last bij de berekening van de draagkracht van de man.

Gelet op het voorgaande rekent de rechtbank met een extra last aan de zijde van de man van € 835,- per maand, zodat de formule hierop wordt aangepast. De formule die de rechtbank gebruikt is dan 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,- + € 835,-)]. De draagkracht van de man is dan € 6.329,- per maand.

Draagkracht vrouw

Uit de door de vrouw overgelegde producties is gebleken dat haar dienstverband bij het [organisatie] ( [organisatie] ) op 30 juni 2024 is geëindigd, waar zij – net als de man – in Nederland niet belastingplichtig was voor wat betreft de inkomstenbelasting. De vrouw heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij in de tussentijd nog geen nieuwe baan heeft gezocht, omdat zij niet in staat was om te werken na de klap van de scheiding en de tijd heeft genomen voor de kinderen. Zij heeft verder genoemd dat zij voornemens is om in het najaar weer te gaan solliciteren. De man heeft gesteld dat moet worden gerekend met een verdiencapaciteit van de vrouw van geïndexeerd € 63.240,- netto per jaar, het is immers haar eigen keuze geweest om het afgelopen jaar niet te werken.

De rechtbank overweegt dat vaststaat dat de vrouw sinds 30 juni 2024 geen baan meer heeft en dus geen inkomsten heeft op dit moment. Gelet op wat de vrouw hierover zelf naar voren heeft gebracht, namelijk dat het haar eigen keuze is geweest om het afgelopen jaar niet te werken en zij na de zomer weer aan de slag wil gaan, acht de rechtbank het redelijk om met een verdiencapaciteit van de vrouw rekening te houden. Gelet op het opleidingsniveau en de werkervaring van de vrouw, acht de rechtbank het aannemelijk dat de vrouw binnen afzienbare tijd een vergelijkbaar inkomen zal kunnen genereren als haar meest recente inkomen bij het [organisatie] . De rechtbank ziet geen aanleiding om het inkomen te indexeren, zoals de man heeft gedaan, en zal voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw daarom uitgaan van haar laatstverdiende inkomen van € 60.276,- netto per jaar.

Op basis van hiervan berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 5.023,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 1.544,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 7.873,- per maand (€ 6.329 + € 1.544). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen van in totaal € 2.163,- te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 6.329 / 7.873 x 2.163 = € 1.739

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.544 / 7.873 x 2.163 = € 424

samen € 2.163

Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 1.739,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 424,- per maand komt voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

Gelet op de (nog) geldende co-ouderschapsregeling, geldt een zorgkorting van 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 757,- per maand (35% van € € 2.163).

Conclusie

Gelet op het aandeel van de vrouw van € 424,- in de kosten van de kinderen, is er een tekort van € 333,- per maand (€ 757 -/- € 424) om de verblijfskosten van de kinderen bij de vrouw te voldoen. Dit betekent dat de vrouw aanspraak maakt op een door de man te betalen bijdrage van € 333,- per maand in de verblijfskosten van de kinderen bij haar. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot dit bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen. De ingangsdatum van de te betalen kinderalimentatie zal de rechtbank bepalen op de datum van deze beschikking.

Partneralimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie kennis te nemen.

De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

Behoefte van de vrouw

De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen

Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar gezinsinkomen € 21.171,- bedroeg in 2023, op basis van een NBI van de man van € 16.148,- en een NBI van de vrouw van € 5.023,-. De rechtbank zal daarom ook van dit NBGI uitgaan. Hiervan moeten de kosten van de kinderen worden afgetrokken (€ 2.163,- en de bijdrage voor [jongmeerderjarige] van
€ 835,- per maand), zodat een bedrag van € 18.173,- per maand (€ 21.171 -/- € 2.163 -/-
€ 835) beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond € 10.904,- netto per maand (60% van € 18.173 per maand).

Het verzoek van de vrouw om deze huwelijksgerelateerde vast te leggen in het dictum van deze beslissing zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen.

Aanvullende behoefte

Ter bepaling van de aanvullende behoefte van de vrouw dient haar eigen inkomen van haar totale behoefte te worden afgetrokken. Zoals reeds overwogen in het kader van de kinderalimentatie heeft de vrouw een NBI van € 5.023,- per maand. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van de vrouw van € 5.881,- netto per maand. Dat is € 10.676,- bruto per maand.

Draagkracht man

Bij de berekening van de financiële draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van dezelfde gegevens als bij de draagkracht ten behoeve van de kinderalimentatie, zodat de rechtbank ook hier uitgaat van een NBI van de man van € 16.491,- per maand.

De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding om – zoals de man heeft gesteld – de dependant allowance en de education allowance van zijn jaarinkomen af te trekken bij de berekening van de partneralimentatie. Immers wordt bij de berekening van de draagkracht van de man in het kader van de partneralimentatie ook rekening gehouden met de op het inkomen van de man drukkende kosten van de kinderen, die voor een groot deel worden voldaan uit voornoemde allowances.

De rechtbank zal, in lijn met het rapport van 2025, de draagkracht vaststellen aan de hand van de formule 60% [NBI – (0,3 x NBI + 1310)]. Hierbij wordt – net als bij de kinderalimentatie – rekening gehouden met een woonbudget van 30% van het NBI.

Dat sprake is van niet verwijtbare en vermijdbare lasten in verband met de leningen die de man heeft moeten afsluiten voor de aanschaf van een nieuwe auto is door de man onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank hiermee geen rekening zal houden. Bovendien heeft de man niet gesteld – en is ook niet gebleken – dat de man deze kosten niet kan voldoen uit zijn draagkrachtloos inkomen.

Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 6.140,- per maand (60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1310)]). Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen (€ 1.739 + € 835,-) van in totaal € 2.574,- per maand in mindering gebracht. De man heeft daarom nog een draagkracht beschikbaar van € 3.566,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

Omdat de draagkracht van de man lager is dan de aanvullende behoefte van de vrouw, wordt de vast te stellen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw begrensd tot de hoogte van de draagkracht van de man.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat met ingang van de inschrijving van de beschikking van echtscheiding de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 3.566,- per maand zal betalen. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.

Voortgezet gebruik echtelijke woning

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het voortgezet gebruik van deze woning.

De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw heeft het voortgezet gebruik van de echtelijke woning verzocht gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

De man heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, mits daarvoor een duidelijk spoorboekje wordt opgenomen.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking toewijzen. Zoals hierna onder de verdeling wordt overwogen, zal de rechtbank zal bij de verdeling van de echtelijke woning een spoorboekje opnemen.

Verdeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de verzoeken tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).

Aangezien partijen op [datum] 2010 zijn getrouwd, moet de vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen door de Nederlandse rechter worden beantwoord aan de hand van de regels van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (HVV 1978). Partijen hebben geen (geldige) rechtskeuze gedaan voor of tijdens het huwelijk. Op grond van artikel 4, eerste lid, HHV 1978 wordt het huwelijksvermogens-regime daarom beheerst door het interne recht van de Staat op welk grondgebied partijen hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk hebben gevestigd (geen van de in artikel 4, tweede lid, HVV 1978 genoemde uitzonderingen doet zich voor). Op het huwelijksvermogensregime van partijen is dan ook Nederlands recht van toepassing.

Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW, zoals dat gold voor 1 januari 2018, moet worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de huwelijksgemeenschap ingevolge artikel 1:100 BW bij helfte tussen de echtgenoten wordt verdeeld.

Peildatum omvang en samenstelling

De rechtbank overweegt dat voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap als peildatum 19 januari 2024, de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, heeft te gelden. Voor de waardering heeft – voor zover de echtgenoten niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.

Omvang

De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen opgevoerd die (eventueel) in de verdeling dienen te worden betrokken:

  1. de (voormalige) echtelijke woning aan het adres [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats 1] , met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij ING Bank;

  2. de woning aan het adres [adres 2] te ( [postcode 2] ) [plaats 1] , met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij Florius;

  3. het appartement aan het adres [adres 3] in [plaats 2] , Oekraïne;

  4. de inboedel;

  5. de bank- en spaarrekeningen;

  6. de auto’s;

  7. de schadevrije jaren.

Ad 1. de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening

De man wenst de echtelijke woning over te nemen en verzoekt daartoe het door hem voorgestelde spoorboekje op te nemen in de beschikking. Volgens de vrouw is de man niet in staat de woning over te nemen en zij is van mening dat de woning moet worden verkocht.

De rechtbank acht het redelijk om de man een termijn te gunnen zodat hij kan onderzoeken of hij financieel in staat is om de echtelijke woning over te nemen. De rechtbank zal daarom ten aanzien van de echtelijke woning en de hypothecaire geldlening de wijze van verdeling vaststellen overeenkomstig het door de man in zijn gewijzigde verzoekschrift van 5 september 2024 opgenomen spoorboekje. In afwijking van dit spoorboekje zal de rechtbank het volgende bepalen. Omdat ter zitting duidelijk is geworden dat partijen daar samen niet uit gaan komen, zal de rechtbank BVL Makelaars aanwijzen als makelaar voor het uitvoeren van de taxatie van de woning. De opdracht tot taxatie dient uiterlijk binnen twee weken na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te worden gegeven en de taxatie dient uiterlijk twee maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te zijn uitgevoerd in aanwezigheid van beide partijen. De kosten voor de taxatie komen voor rekening van beide partijen. De vrouw is verplicht om aan die taxatie mee te werken. Als zij daaraan niet meewerkt dan kan voor de waarde van de woning worden uitgegaan van de door de man gestelde Funda waarde van € 1.062.000,-. Beide partijen worden geacht hun volledige medewerking te verlenen aan de taxatie, dan wel – in geval van verkoop – aan de verkoop van de woning.

Ad 2. de woning aan het adres [adres 2] in [plaats 1] en de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen

Gebleken is dat de woning aan de [adres 2] wordt verhuurd aan een derde. De vrouw regelt de verhuur, ontvangt de huurpenningen en betaalt de lasten. De vrouw wil deze woning onverdeeld laten tot het huurcontract met de huurder rechtsgeldig kan worden opgezegd, zodat het daarna kan worden verkocht. Tijdens de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij de woning niet wenst over te nemen, maar schriftelijk heeft zij wel verzocht om haar de gelegenheid te geven de mogelijkheid tot overname te onderzoeken. De man wil de woning niet onverdeeld laten en verzoekt te bepalen dat de woning dient te worden verkocht volgens het door hem voorgestelde spoorboekje.

Mede omdat de vrouw tijdens de zitting niet werd bijgestaan door een advocaat, acht de rechtbank het redelijk om de vrouw nog de gelegenheid te geven om de woning over te nemen. Als zij dat niet wil of kan, moet de woning worden verkocht. De woning kan ook in verhuurde staat worden verkocht, daarvoor hoeft niet de afloop van het huurcontract te worden afgewacht. Ook ten aanzien van deze woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen zal de rechtbank daarom de wijze van verdeling vaststellen overeenkomstig het door de man in zijn gewijzigde verzoekschrift van 5 september 2024 opgenomen spoorboekje. Ook ten aanzien van deze woning geldt dat partijen worden geacht hun volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van deze woning.

Ad 3. het appartement in [plaats 2] , Oekraïne

De man heeft gesteld dat de vrouw een appartement in [plaats 2] , Oekraïne op haar naam heeft staan dat moet worden betrokken in de verdeling. Volgens de man heeft de vrouw het appartement van haar ouders geschonken gekregen in de jaren ’90. Als partijen op vakantie waren in Oekraïne deed de vrouw contante betalingen voor de aan het appartement gerelateerde lokale belastingen. De man heeft de waarde van het appartement geschat tussen USD 300.000 en USD 400.000. De vrouw heeft betwist dat dit appartement op haar naam staat. Na het overlijden van haar vader heeft de moeder van de vrouw het appartement geërfd, aldus de vrouw.

De rechtbank overweegt als volgt. Nadat de vrouw ter zitting stukken aan de man en zijn advocaat heeft laten zien met betrekking tot het appartement waarop – volgens de man en zijn advocaat – stond dat de vrouw samen met haar moeder eigenaar is van het appartement, heeft zij erkend dat de woning zo’n tien jaar geleden op naam van haar en haar moeder samen stond. De vrouw heeft gesteld dat het appartement nu niet meer op haar naam staat. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft zij ter zitting een (ander) document overgelegd uit het Oekraïense eigendomsregister, waarvan een kopie is toegevoegd aan het dossier. Uit dit stuk kan afgeleid dat er op 8 oktober 2024 in Oekraïne geen registraties op haar naam stonden. De stelling van de vrouw dat het appartement, dat op naam van haar en haar moeder stond, nadien door haar vader aan haar moeder is geschonken kan de rechtbank niet volgen.. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de vrouw met haar haar moeder eigenaar was van het appartement. Uit het door de vrouw overgelegde stuk kan niet worden afgeleid dat de vrouw op de peildatum geen mede-eigenaar meer was van het appartement. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de vrouw in elk geval op dat moment nog mede-eigenaar was, waarmee het aandeel van de vrouw in het appartement tot het huwelijksvermogen van partijen behoort en in de verdeling moet worden betrokken. Omdat er verder geen stukken zijn overgelegd ten aanzien van de waarde van het appartement, gaat de rechtbank uit van de door de man gestelde en door de vrouw onbetwiste (gemiddelde) waarde van USD 350.000. De rechtbank zal het aandeel van de vrouw in het appartement toedelen aan de vrouw, onder de verplichting van de vrouw om de helft van haar aandeel in de waarde (de helft van de helft, dus USD 87.500) aan de man te voldoen.

Ad 4. de inboedel

Tussen partijen is niet in geschil dat de inboedel bij helfte dient te worden verdeeld. Gelet op de verstandhouding tussen partijen acht de rechtbank het niet haalbaar om te bepalen dat de man zelf nog door de woning loopt om samen met de vrouw tot een inboedellijst te komen, zoals hij heeft verzocht. Omdat de vrouw in de echtelijke woning verblijft zal de rechtbank daarom bepalen dat de vrouw een inboedellijst zal opstellen, waarbij partijen om en om een inboedelgoed mogen kiezen en waarbij de vrouw als eerst mag kiezen. De man wordt geacht ook zonder in de woning rond te lopen de inboedellijst eventueel aan te kunnen vullen.

Ad 5. de bank- en spaarrekeningen

De man heeft inzicht gegeven in zijn bankrekeningen en de daarbij behorende saldi op de peildatum. De rechtbank houdt geen rekening met de stelling van de vrouw dat er nog een spaarrekening zou zijn op naam van de man in Frankrijk, nu daarvoor geen aanwijzingen zijn. De vrouw heeft inzicht gegeven in de saldi op de peildatum van de op haar naam staande Nederlandse bankrekeningen, maar niet van de op haar naam staande buitenlandse bankrekeningen. Uit de stellingen van de vrouw blijkt echter dat de saldi op haar bankrekeningen beperkt zijn. De man is bereid met gesloten beurzen af te rekenen, waarbij beide partijen de eigen bank- en spaarrekeningen behouden met de daarbij behorende saldi zonder nadere verrekening. De rechtbank zal dat verzoek van de man toewijzen en gaat er er gelet op de stellingen van partijen vanuit dat dit niet leidt tot over- of onderbedeling van één van partijen.

Ten overvloede wijst de rechtbank nog op het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW: een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.

Ad 6. de auto’s

Partijen hebben twee auto’s, van het merk Volvo en van het merk Renault, die allebei in bezit van de vrouw zijn op dit moment. Niet in geschil is dat beide auto’s aan de vrouw kunnen worden toegedeeld, maar partijen zijn het niet eens over de waarde.

De man stelt op basis van de door hem overgelegde ANWB-koerslijsten dat de Volvo € 44.100,- waard is en dat de Renault € 19.950,- waard is. Volgens de vrouw zijn de auto’s minder waard, in verband met schade aan beide auto’s. De vrouw stelt dat de Volvo € 20.549,- waard is en dat de Renault € 10.800,- waard is. De man stelt dat hij niet mee wil betalen aan de door de vrouw zelf veroorzaakte schade.

De rechtbank overweegt dat uit de stellingen is gebleken dat de schade aan de auto’s gedeeltelijk vóór en gedeeltelijk na de peildatum is ontstaan. De rechtbank zal de waarde van de auto’s daarom schattenderwijs vaststelling op het gemiddelde van de door beide partijen gestelde waarden. Dit betekent dat de rechtbank de Volvo aan de vrouw zal toedelen tegen een waarde van ([€ 44.100 + € 20.549] / 2) € 32.349,- en de Renault tegen een waarde van ([€ 19.950 + € 10.800] / 2) € 15.375,- onder de verplichting aan de vrouw om de helft daarvan (€ 23.862,-) aan de man te voldoen.

Ad 7. de schadevrije jaren

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat partijen de opgebouwde schadevrije jaren van de autoverzekering, die is afgesloten op naam van de man, bij helfte zullen delen. De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat de hoogte van de premie van een autoverzekering onder andere afhangt van het aantal schadevrije jaren, zodat de schadevrije jaren in de onderlinge verhouding tussen partijen een waarde vertegenwoordigen. Bij echtscheiding kunnen schadevrije jaren worden verdeeld, waarbij degene met de schadevrije jaren (in dit geval de man) bepaalt wat de verdeelsleutel wordt en een afstandsverklaring moet aanleveren bij de verzekeraar. Gesteld noch gebleken is hoeveel schadevrije jaren de man heeft opgebouwd. De rechtbank zal daarom gelasten dat de man een afstandsverklaring dient aan te leveren bij zijn autoverzekeraar, waarbij hij de helft van de door hem opgebouwde schadevrije jaren overdraagt aan de vrouw.

Pensioen

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De rechtbank overweegt dat artikel 10:51 BW bepaalt dat de vraag of een echtgenoot bij scheiding recht heeft op een deel van de door de ander opgebouwde pensioenaanspraken, in beginsel wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten. In de onderhavige zaak is zoals hiervoor is overwogen het Nederlandse recht van toepassing.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw heeft verzocht vast te stellen op welk deel van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde ouderdomspensioen bij [bedrijfsnaam] de vrouw recht heeft, en daartoe zo nodig een pensioendeskundige te benoemen. Volgens de man geldt ditzelfde voor het door de vrouw opgebouwde ouderdomspensioen, en dienen partijen dit zelf te berekenen en hierover in overleg te gaan.

De rechtbank overweegt dat de man werkzaam is bij een internationale organisatie, en dat de vrouw tijdens het huwelijk ook voor internationale organisaties heeft gewerkt. Daardoor hebben zij tijdens het huwelijk beiden geen pensioen opgebouwd bij een reguliere (Nederlandse) pensioenverzekeraar. Op grond van artikel 1 lid 8 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS) , is deze wet ook van toepassing op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling indien Nederlands recht het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten beheerst. De echtgenoot die recht op verevening heeft, verkrijgt met betrekking tot een pensioen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling geen recht op uitbetaling van een deel van dat pensioen jegens het buitenlands uitvoeringsorgaan, maar slechts een recht op uitbetaling jegens de andere echtgenoot. De vrouw verkrijgt door de echtscheiding dus jegens de man een recht op uitbetaling van een deel van het door de man opgebouwde pensioen.

De vrouw verzoekt de rechtbank de omvang van dat recht vast te stellen. Omdat de rechtbank geen inzicht heeft in het door de man opgebouwde pensioen kan de rechtbank de exacte bedragen niet vaststellen, maar zal volstaan met verwijzing naar hetgeen in artikel 3 WVPS over de omvang van het recht van de vrouw is bepaald en de man veroordelen tot betaling van dat bedrag, vanaf het moment van ingaan van zijn pensionering.

Van de man kan worden verlangd gegevens over het door hem opgebouwde pensioen aan de vrouw te verschaffen, teneinde de vrouw in staat te stellen haar aandeel in zijn pensioen te (laten) berekenen. In zoverre zal het verzoek van de vrouw worden toegewezen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, gehuwd op [datum] 2010 te [plaats 1] ;

*

bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats] , [geboorteland] , en [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] , [geboorteland] , de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de man;

*

bepaalt in het kader van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken voorlopig dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de vorm van een week-op-week-af regeling bij partijen verblijven (co-ouderschap), met het wisselmoment op vrijdagmiddag uit school of om 15.00 uur als er geen school is;

*

stelt de volgende voorlopige regeling vast ten aanzien van de vakanties en feestdagen:

  • Voorjaarsvakantie (vacances d'hiver): [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven in de oneven jaren bij de man verblijven en in de even jaren bij de vrouw;

  • Meivakantie (vacances de printemps): [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;

  • Zomervakantie (vanances d’été): wordt opgedeeld in twee gelijke blokken waarbij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de oneven jaren de eerste helft bij de man verblijven en de tweede helft bij de vrouw verblijven met de wissel halverwege de vakantie en voor de even jaren geldt het omgekeerde;

  • Herfstvakantie (vacances de la Toussaint): [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;

  • Kerstvakantie (vacances de Noël): [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;

  • Feestdagen: [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn bij de ouder bij wie zij op de betreffende feestdag volgens de reguliere zorgregeling of vakantieregeling (als de betreffende feestdagen in de vakantie valt) verblijven;

*

bepaalt dat de Franse paspoorten van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in beheer zullen zijn bij de man en dat de Oekraïense paspoorten van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in beheer zullen zijn bij de vrouw;

*

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;

houdt de behandeling aan tot 1 februari 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;

bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;

*

bepaalt dat de man met ingang van vandaag, voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 333,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 3.566,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning aan het adres [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats 1] voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

*

stelt de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vast onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

1de echtelijke woning aan het adres [adres 1] in [plaats 1]

1.1.

de woning gelegen aan het adres [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats 1] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij ING Bank met nummer [rekeningnummer 1] worden toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

  1. de woning wordt door BVL Makelaars ( [adres 4] te [postcode 3] [plaats 1] ) getaxeerd tegen de marktwaarde middels een door de NWWI gevalideerd rapport.
    Partijen verstrekken binnen twee weken na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. De taxatie zal plaatsvinden in aanwezigheid van beide partijen en dient binnen twee maanden na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te zijn uitgevoerd;

  2. de man krijgt tot uiterlijk drie maanden nadat het taxatierapport aan partijen is verstrekt de tijd om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen tegen de taxatiewaarde volgend uit het taxatierapport – dan wel tegen een waarde van € 1.062.000,- indien de vrouw niet binnen de onder a) gestelde termijn meewerkt aan de taxatie – onder gelijktijdig ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw uit de hypotheek en de verplichting de helft van de overwaarde aan de vrouw te vergoeden op de leveringsdatum, welke leveringsdatum uiterlijk een maand na het eindigen van de periode van het voortgezet gebruik door de vrouw van de echtelijke woning ex art. 1:165 BW zal zijn;

  3. de kosten van taxatie komen voor rekening van beide partijen en bij overname van de woning door de man komen de notariële leveringskosten voor rekening van de man;

1.2.

indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

  1. partijen geven binnen zeven dagen na ommekomst van voornoemde termijn van drie maanden gezamenlijk opdracht geven aan een NVM-makelaar tot verkoop van de woning;

  2. indien partijen niet binnen de onder a) genoemde termijn gezamenlijk opdracht hebben gegeven aan een NVM-makelaar, is ieder van partijen afzonderlijk, mede namens de andere partij bevoegd tot het verstrekken van een opdracht tot verkoop van de woning aan BVL Makelaars;

  3. partijen worden veroordeeld tot het in stand laten van deze verkoopopdracht. De benodigde (voortdurende) instemming van de andere partij kan zo nodig worden vervangen met deze beschikking ex artikel 3:300 BW;

  4. beide partijen dienen volledig en onverwijld medewerking te verlenen aan verkoop door het verrichten van alles wat daartoe nodig is waaronder:

1. het opvolgen van adviezen van de makelaar met betrekking tot opruimen, schoonmaak, kleine herstelwerkzaamheden en styling;

2. het zo vaak als nodig toegang verschaffen tot de woning aan de makelaar, de fotograaf, bouwkundigen, aspirant-kopers en hun adviseur alsmede derden wiens bezoek aan de woning naar het oordeel van de makelaar noodzakelijk is;
op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag(deel) dat de andere partij aan de veroordelingen onder 1 en/of 2 niet voldoet;

partijen dienen, indien een potentiële koper naar het oordeel van de makelaar op redelijk te achten voorwaarden bereid is tot aankoop van de woning over te gaan, binnen een week na een daartoe strekkend (schriftelijk) verzoek van de makelaar of de andere partij het (voorlopig)koopcontract te ondertekenen;

partijen dienen, in geval van verkoop van de woning, binnen een week na een daartoe strekkend (schriftelijk) verzoek van de andere partij of de instrumenterende notaris, haar of zijn volledige medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht van haar of zijn aandeel in de woning - en voor zover daartoe rechtens noodzakelijk is - te verschijnen voor de instrumenterende notaris, zulks op een door de notaris te bepalen datum en plaats, en haar of zijn medewerking te verlenen aan het doen verlijden van een notariële akte strekkende tot eigendomsoverdracht;

wanneer een van partijen in gebreke blijft aan het onder e) of f) verzochte te voldoen, treedt deze beschikking in de plaats van haar of zijn medewerking aan, toestemming voor of ondertekening van het koopcontract en/of de notariële leveringsakte;

de kosten van de verkoop, waaronder de kosten van de makelaar en de notaris, worden tussen partijen bij helfte gedragen;

de verkoopopbrengst wordt na aflossing van de op de woning rustende hypotheek en de voldoening van de overige met de verkoop gemoeide kosten bij helfte tussen partijen gedeeld;

beide partijen dienen de woning in geval van verkoop uiterlijk 48 uur voor de dag van de eigendomsoverdracht onder afgifte van de sleutels aan de instrumenterende notaris ontruimd te hebben met alle daarin aanwezige personen en zaken;

2de woning aan het adres [adres 2] in [plaats 1]

2.1.

[adres 2] te ( [postcode 2] ) [plaats 1] , met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij Florius met nummers [rekeningnummer 2] , [rekeningnummer 3] , [rekeningnummer 4] en [rekeningnummer 5] wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a. de woning wordt door BVL Makelaars ( [adres 4] te [postcode 3] ) getaxeerd tegen de marktwaarde (dus als de woning nog verhuurd is, de waarde in verhuurde staat) middels een door de NWWI gevalideerd rapport.
Partijen verstrekken binnen twee weken na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. De taxatie zal plaatsvinden in aanwezigheid van beide partijen en dient binnen twee maanden na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te zijn uitgevoerd;

de vrouw krijgt tot uiterlijk drie maanden nadat het taxatierapport aan partijen is verstrekt de tijd om te onderzoeken of zij de woning kan overnemen tegen de taxatiewaarde volgend uit het taxatierapport – dan wel tegen een waarde van € 483.000,- indien de vrouw niet binnen de onder a) gestelde termijn meewerkt aan de taxatie – onder gelijktijdig ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man uit de hypotheek en de verplichting de helft van de overwaarde aan de man te vergoeden op de leveringsdatum, welke leveringsdatum uiterlijk een maand na het eindigen van de periode van het voortgezet gebruik door de vrouw van de echtelijke woning ex art. 1:165 BW zal zijn;

de kosten van taxatie komen voor rekening van beide partijen en bij overname van de woning door de vrouw komen de notariële leveringskosten voor rekening van de vrouw;

2.2.

indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder de bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

  1. partijen geven binnen zeven dagen na ommekomst van voornoemde termijn van drie maanden gezamenlijk opdracht geven aan een NVM-makelaar tot verkoop van de woning;

  2. indien partijen niet binnen de onder a) genoemde termijn gezamenlijk opdracht hebben gegeven aan een NVM-makelaar, is ieder van partijen afzonderlijk, mede namens de andere partij bevoegd tot het verstrekken van een opdracht tot verkoop van de woning aan BVL Makelaars;

  3. partijen worden veroordeeld tot het in stand laten van deze verkoopopdracht. De benodigde (voortdurende) instemming van de andere partij kan zo nodig worden vervangen met deze beschikking ex artikel 3:300 BW;

  4. beide partijen dienen volledig en onverwijld medewerking te verlenen aan verkoop door het verrichten van alles wat daartoe nodig is waaronder:

1. het opvolgen van adviezen van de makelaar met betrekking tot opruimen, schoonmaak, kleine herstelwerkzaamheden en styling;

2. het zo vaak als nodig toegang verschaffen tot de woning aan de makelaar, de fotograaf, bouwkundigen, aspirant-kopers en hun adviseur alsmede derden wiens bezoek aan de woning naar het oordeel van de makelaar noodzakelijk is;
op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag(deel) dat de andere partij aan de veroordelingen onder 1 en/of 2 niet voldoet;

partijen dienen, indien een potentiële koper naar het oordeel van de makelaar op redelijk te achten voorwaarden bereid is tot aankoop van de woning over te gaan, binnen een week na een daartoe strekkend (schriftelijk) verzoek van de makelaar of de andere partij het (voorlopig)koopcontract te ondertekenen;

partijen dienen, in geval van verkoop van de woning, binnen een week na een daartoe strekkend (schriftelijk) verzoek van de andere partij of de instrumenterende notaris, haar of zijn volledige medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht van haar of zijn aandeel in de woning - en voor zover daartoe rechtens noodzakelijk is - te verschijnen voor de instrumenterende notaris, zulks op een door de notaris te bepalen datum en plaats, en haar of zijn medewerking te verlenen aan het doen verlijden van een notariële akte strekkende tot eigendomsoverdracht;

wanneer een van partijen in gebreke blijft aan het onder e) of f) verzochte te voldoen, treedt deze beschikking in de plaats van haar of zijn medewerking aan, toestemming voor of ondertekening van het koopcontract en/of de notariële leveringsakte;

de kosten van de verkoop, waaronder de kosten van de makelaar en de notaris, worden tussen partijen bij helfte gedragen;

de verkoopopbrengst wordt na aflossing van de op de woning rustende hypotheek en de voldoening van de overige met de verkoop gemoeide kosten bij helfte tussen partijen gedeeld;

beide partijen dienen de woning in geval van verkoop uiterlijk 48 uur voor de dag van de eigendomsoverdracht onder afgifte van de sleutels aan de instrumenterende notaris ontruimd te hebben met alle daarin aanwezige personen en zaken;

3het appartement in [plaats 2]

het aandeel van de vrouw in het appartement aan het adres [adres 3] in [plaats 2] , Oekraïne, wordt toegedeeld aan de vrouw, onder de verplichting aan de vrouw om USD 87.500 aan de man te voldoen;

4de inboedel

bepaalt dat partijen de inboedelgoederen in onderling overleg bij helfte zullen verdelen, op de wijze zoals is omschreven in het lichaam van deze beschikking onder het kopje ‘ad 4. de inboedel’;

5de bank- en spaarrekeningen

ieder houdt de op zijn/haar naam staande bank- en spaarrekeningen, zonder nadere verrekening;

6de auto’s

de auto van het merk Volvo XC90 met kenteken [kenteken 1] en de auto van het merk Renault Captur met kenteken [kenteken 2] worden aan de vrouw toegedeeld, onder de verplichting aan de vrouw om € 23.862,- aan de man te voldoen;

7de schadevrije jaren

gelast dat de man een afstandsverklaring zal aanleveren bij zijn autoverzekeraar, waarbij hij de helft van de door hem opgebouwde schadevrije jaren overdraagt aan de vrouw;

*

stelt vast dat de vrouw jegens de man recht heeft op uitbetaling van het in artikel 3 WVPS bepaalde deel van het door de man opgebouwde pensioen en veroordeelt de man om maandelijkse dat deel van het pensioen aan de vrouw af te dragen vanaf het moment van ingaan van zijn pensionering;

gelast de man alle relevante gegevens over het door hem opgebouwde pensioen aan de vrouw te verschaffen;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

*

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling en de verdeling van de vakanties en feestdagen aan tot 1 februari 2026 pro forma;

*

wijst het meer of anders verzochte ten aanzien van de overige verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.I. Noordegraaf als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 augustus 2025.

meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Meer fiscale opties pensioenverrekening samenwoners
Mr. Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 06-05-2025
Jasper Horsthuis en Rob Welling gaan in gesprek over een recente uitbreiding van de fiscale mogelijkheden voor pensioenverrekening door samenwoners. Zij bepleiten een verdere verruiming van de regeling.
Podcastgesprek: Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente (II)
Mr. Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 22-04-2025
De Belastingdienst heeft - opnieuw - een standpunt gepubliceerd over de fiscale afwikkeling van een lijfrentepolis bij echtscheiding. Rob Welling en Jasper Horsthuis bespreken de gevolgen hiervan.
Podcastgesprek: Breaking! Vóórhuwelijks vergoedingsrecht halveert niet!
Drs. Jasper Horsthuis en Mr. Rob Welling, 08-04-2025
Onze redacteur Jasper Horsthuis en scheidingsfiscalist Rob Welling gingen in gesprek over de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad op 21-03-2025. Super heldere uitleg over inhoud en gevolgen van de uitspraak!
Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
×

Rapport alimentatienormen versie 2025

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beoogt de expertgroep de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

Gebruik van het rapport

Dit rapport is geschreven door rechters met het doel de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van aan hen voorgelegde alimentatiegeschillen. Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandig- heden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. Bij de meeste alimentatiekwesties maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij. Belangrijk is dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.
Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2025

De tabellen Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 gewijzigd. In de tabellen is het hoogste inkomen opgehoogd van € 6.000 naar € 7.500 met de bijbehorende tussenkolommen (van € 6.500 en van € 7.000). Het laagste inkomen is verhoogd van € 1.500 naar € 2.000 euro omdat het sociaal minimum inclusief zorgtoeslag meer dan € 2.000 bedraagt.

De bedragen voor lage en voor hoge inkomens vallen iets lager uit dan in de tabellen voor 2024: bij de lage inkomens hangt dat samen met de nieuwe definitie van de armoedegrens. De procentuele kosten van kinderen bij een hoog inkomen zijn lager op basis van de (voorlaatste) CBS-publicatie over kosten van kinderen.

In paragraaf 4.3.5 is een aanbeveling opgenomen voor de situatie dat de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft.

Den Haag, december 2024

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

De editie van 2024 bevat een belangrijke wijziging. Met ingang van 2023 is ook voor de bepaling van de draagkracht voor partneralimentatie het forfaitaire systeem van toepassing. Uitgangspunt daarbij is dat de onderhoudsplichtige een budget voor de eigen lasten heeft. Voor bijzondere lasten die volgens de onderhoudsplichtige niet uit dat budget kunnen worden bestreden (bijvoorbeeld herinrichtingskosten, advocaatkosten etc.) gelden nu zowel voor kinderalimentatie als voor partneralimentatie dezelfde uitgangspunten (zie hoofdstuk 4.6).

Den Haag, december 2023

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretarisLeeuwarden, december 2022

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.125 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

  

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.930 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel op basis van dat hogere inkomen van die ouder opnieuw.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2025, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.345  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 197  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.148
Premie Zvw  € 176  
Normpremie Zvw € 63  
Totaal ziektekosten   € 113
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.310

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.501 (2025, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.465.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2025: € 2.025) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.875 (2025) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige recht heeft op deze persoonsgebonden aftrek dan neemt zijn betaalcapaciteit in feite toe, zodat die persoon per saldo meer kan missen dan het bedrag van de berekende draagkracht. Indien een onderhoudsplichtige daadwerkelijk aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel, is dus sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens, te weten de inkomens onder € 1.400 bruto per maand inclusief vakantietoeslag (ongeveer € 1.090 netto), laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al geen inkomsten- belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een onderhoudsplichtige ouder die is toegelaten tot de Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen kan de rechter-commissaris verzoeken bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van

deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2025 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2025.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.310  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.030
Draagkrachtruimte   € 370
Draagkracht 70% (afgerond)   € 259
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.310  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.290
Draagkrachtruimte   € 310
Draagkracht 70% (afgerond)   € 217

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 450.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 259 + € 217 =) € 476.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

259 / 476 x 450 = 245

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

217 / 476 x 450 = 205

Samen € 450

Eigen Aandeel   € 450
Draagkracht Ouder I € 259  
Draagkracht Ouder II € 217  
Totale draagkracht    € 476
Ouder I draagt  € 245  
Ouder II draagt  € 205  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 205
Zorgkorting 15%  € 68
Ouder II betaalt  € 138

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 268
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 339
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 268
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 339
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 607
Waarvan de helft  € 304

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 600
Zorgkorting 15%  € 90  
Draagkracht Ouder I  € 259  
Draagkracht Ouder II  € 217  
Totale draagkracht    € 476
Draagkrachttekort    € 124
Helft tekort    € 62
     
Draagkracht Ouder II    € 217
Zorgkorting  € 90  
Af: helft tekort  € 62  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 23
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 189

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 800
zorgkorting 15%  € 120  
Draagkracht Ouder I  € 259  
Draagkracht Ouder II  € 217  
Totale draagkracht    € 476
draagkrachttekort    € 324
helft tekort    € 162
     
Draagkracht Ouder II    € 217
zorgkorting  € 120  
af: helft tekort  € 162  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 217

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.380
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.620
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.772

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.772 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 1.100

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.310  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.510
Draagkrachtruimte    € 1.490
Draagkracht 60% (afgerond)    € 894

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 894
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 444

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 3.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 5.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.000
Draagrkracht Partner I voor PAL 2025  € 474  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 2.500
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 500

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 474 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 500 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 2.500 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.700
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk      € 5.800
Behoefte volgens hofnorm     € 3.480 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.533 € 504  
Aandeel kosten kinderen  € 1.279 € 421  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 21  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.459 
Draagkracht PAL 2025  € 1.314    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € 35 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.721 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 621 

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

In dit geval beperken we de partneralimentatie tot € 35, de grens van de draagkrcht van Partner I.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.310  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.260
Draagkrachtruimte    € 240
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 168
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 144

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.310   € 1.310  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.510   € 2.610
Draagkrachtruimte    € 290   € 890
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 203   € 623
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 400 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 1.775 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De aanvaardbaarheidstoets leidt tot een verlaging van de kinderalimentatie tot € 31 per maand.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 1.775
Bijstandsnorm alleenstaande 2025  € 1.345    
Af: wooncomponent 2025  € 197    
Af: nominale premie ZVW 2025  € 63    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 1.085  
       
95% daarvan    € 1.031  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 100    
overige last (2)  € 125    
overige last (3)  € 175    
Overige (verwijtbare) lasten    € 400  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.744
Resteert      €­ 31
       
Draagkracht (tabel)      €­ 50
Te betalen      € 31
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN