Essentie (gemaakt door AI)
Echtscheiding. Pensioenverweer treft geen doel. HVP kinderen bij vader, gezien allowances van diens werkgever. Bepaling KAl en PAL. Voortgezet gebruik echtelijke woning door moeder. Verdeling gemeenschap. Voorlopige zorgregeling in afwachting bevindingen Raad. Recht vrouw op pensioenverevening, maar zij verkrijgt met betrekking tot pensioen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling geen recht op uitbetaling deel pensioen jegens het buitenlands uitvoeringsorgaan, maar slechts recht op uitbetaling jegens echtgenoot.
Datum publicatie | 28-08-2025 |
Zaaknummer | C/09/660174 / FA RK 24-456 |
Procedure | Eerste aanleg - enkelvoudig |
Zittingsplaats | Den Haag |
Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht |
Trefwoorden | Kinderen; Alimentatie; Familievermogensrecht; Pensioen; Pensioenverweer; Pensioenverevening |
Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Pensioenverweer slaagt niet. Voorlopige zorgregeling bepaald, RvdK gevraagd onderzoek te doen naar zorgregeling. Hoofdverblijfplaats bij vader bepaald. Kinderalimentatie aan moeder, in verband met tekort om de verblijfskosten te voldoen. Partneralimentatie bepaald en wijze van de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vastgesteld.Volledige uitspraak
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummers: FA RK 24-456 (echtscheiding)
FA RK 24-6497 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/660174 (echtscheiding)
C/09/672248 (verdeling)
Datum beschikking: 8 augustus 2025
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 19 januari 2024 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.W. Morot te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. W.A. van der Stroom-Willemsen, nu zonder advocaat.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-
het verzoekschrift, met producties 1 tot en met 8, van de zijde van de man;
-
de brief van 29 januari 2024, met de huwelijksakte en geboorteakten, van de zijde van de man;
-
het op 3 april 2024 ingekomen verweerschrift met zelfstandige verzoeken, met producties 1 tot en met 8, van de zijde van de vrouw;
-
het op 29 mei 2024 ingekomen verweer tegen de zelfstandige verzoeken, tevens verandering c.q. vermeerdering van de verzoeken, met producties 9 tot en met 27, van de zijde van de man;
-
het op 14 augustus 2024 ingekomen verweerschrift tegen de verandering c.q. vermeerdering van de verzoeken en aanvulling zelfstandige verzoeken, met producties 9 tot en met 12, van de zijde van de vrouw;
-
het op 5 september 2024 ingekomen verweerschrift tegen de aanvullende verzoeken, tevens verandering verzoeken, met producties 28 tot en met 30, van de zijde van de man;
-
de op 1 juli 2025 ingekomen verandering c.q. vermeerdering van de verzoeken, met producties 31 tot en met 47, van de zijde van de man.
De minderjarige [minderjarige 1] heeft in een brief aan de kinderrechter haar mening gegeven over het verzoek, welke brief op 7 juli 2025 bij de rechtbank is binnengekomen. De minderjarige [minderjarige 2] heeft ook in een brief aan de kinderrechter haar mening gegeven over het verzoek, welke brief door de vrouw tijdens de zitting is overgelegd.
Op 11 juli 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat en C.M. Corcelle als tolk in de Franse taal;
-
de vrouw;
-
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Door de advocaat van de man zijn tijdens de zitting pleitnotities overgelegd en (gedeeltelijk) voorgedragen. Daarnaast is tijdens de zitting namens de man een nieuwe alimentatieberekening overgelegd.
Door de vrouw is tijdens de zitting een origineel document overgelegd uit het Oekraïense eigendomsregister, waarvan na de zitting een kopie aan het dossier is toegevoegd. Het originele stuk retour is gezonden aan de vrouw.
Feiten
-
De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2010 te [plaats 1] .
-
Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] , [geboorteland] , en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats] , [geboorteland] .
-
De man en de vrouw oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit.
-
In de Basisregistratie personen is opgenomen dat de man de Franse nationaliteit en de vrouw de Oekraïense en Franse nationaliteit heeft.
-
Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.
-
Deze rechtbank heeft op 22 december 2023 voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende een vaststelling van de volgende tussen de man en de vrouw gemaakte afspraken:
-
De kinderen zullen in de vorm van een week-op-week-af regeling bij partijen verblijven (coouderschap). De wissel is op vrijdagmiddag uit school en beide ouders brengen de kinderen naar de naschoolse activiteiten van de kinderen. De zorgregeling zal na drie maanden door partijen worden geëvalueerd;
-
De schoolvakanties worden bij helfte verdeeld waarbij de kinderen afwisselend de eerste helft van de schoolvakanties bij de ene ouder verblijven en de tweede helft van de vakanties bij de andere ouder, derhalve jaarlijks alternerend. Voor het resterende deel van 2023 verblijven de kinderen de eerste helft bij de man en de tweede helft bij de vrouw, hetgeen voor 2024 andersom zal zijn, enzovoorts. De wissel zal op zaterdag plaatsvinden;
-
Voor de rest van 2023 inclusief de kerstvakantie zijn partijen de volgende verdeling van de zorg overeengekomen:
Van donderdag 14 december uit school tot donderdag 21 december naar school: de kinderen verblijven bij de vrouw;
Van donderdag 21 december tot vrijdag 29 december: de kinderen verblijven bij de man;
Van vrijdag 29 december tot zaterdag 6 januari: de kinderen verblijven bij de vrouw;
Van zaterdag 6 januari tot vrijdag 12 januari uit school: de kinderen verblijven bij de man;
Enzovoorts;
-
De kinderen zullen met de andere ouder bellen op zondag, dinsdag en donderdag om 19.30 uur;
-
De man zal op 20 december 2023 een bijdrage in de kosten van huishouding aan de vrouw betalen van € 1 .550 netto;
-
De man zal met ingang van 1 januari 2024 voor het eerste van de maand een kinderalimentatie aan de vrouw betalen van€ 1.000 per kind per maand;
-
De man zal met ingang van 1 januari 2024 voor het eerste van de maand een partneralimentatie aan de vrouw betalen van € 2.665 per maand en de vaste lasten van de echtelijke woning, te weten: hypotheekrente, aflossing, opstalverzekering, erfpacht, gemeentelijke belastingen.
Verzoeken
Het verzoek van de man, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
-
vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de man;
-
vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , in die zin dat zij met ingang van 31 augustus 2025 een keer per veertien dagen van donderdag uit school tot maandagochtend naar school bij de vrouw (4 nachten) verblijven en de rest van de tijd bij de man verblijven (10 nachten);
-
bepaling dat de schoolvakanties van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij helfte tussen partijen worden verdeeld, en daarbij te bepalen dat:
-
Voorjaarsvakantie (vacances d'hiver): de kinderen de oneven jaren bij de man verblijven en de even jaren bij de vrouw verblijven;
-
Meivakantie (vacances de printemps): de kinderen de oneven jaren bij de vrouw verblijven en de even jaren bij de man verblijven;
-
Zomervakantie: in twee gelijke blokken wordt opgedeeld waarbij de kinderen in de oneven jaren de eerste helft bij de man verblijven en de tweede helft bij de vrouw verblijven met de wissel halverwege de vakantie en voor de even jaren geldt het omgekeerde;
-
Herfstvakantie (vacances de la Toussaint): de kinderen de oneven jaren bij de vrouw verblijven en de even jaren bij de man verblijven;
-
Kerstvakantie (vacances de Noël): de kinderen de oneven jaren bij de man verblijven en de even jaren bij de vrouw verblijven;
bepaling ten aanzien van de feestdagen dat wanneer een feestdag midden in de week valt, [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de ouder verblijven bij wie ze die week volgens het reguliere schema verblijven, en waarbij in het geval van een lang weekend de feestdag wordt toegewezen aan de ouder die de kinderen volgens het schema dat weekend bij zich heeft;
bepaling dat de man de Franse paspoorten en de vrouw de Oekraïense paspoorten van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in beheer zal hebben;
bepaling dat de man de echtelijke woning aan het adres [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats 1] kan overnemen dan wel dat de woning dient te worden verkocht volgens het door de man voorgestelde spoorboekje;
bepaling dat de vrouw de woning aan het adres [adres 2] te [plaats 1] kan overnemen dan wel dat de woning dient te worden verkocht volgens het door de man voorgestelde spoorboekje;
de (wijze van de) afwikkeling van de ontbonden gemeenschap van goederen van partijen te bepalen conform een nader door de man in te dienen verzoek;
het bevel dat de vrouw binnen een week na de in deze af te geven (echtscheidings)beschikking de eigendomsakte van het appartement op naam van de vrouw te [plaats 2] aan de [adres 3] in de procedure dient in te brengen voorzien van een beëdigde vertaling naar het Engels, Frans of Nederlands;
het bevel dat de vrouw binnen een week na de in deze af te geven (echtscheidings)beschikking de saldi van al haar privé bankrekeningen op of rond 18 januari 2024 in het geding dient in te brengen;
toedeling van de Volvo XC 90 voor € 44.100 en de Renault Captur voor € 19.950 aan de vrouw onder de verplichting van de vrouw om € 32.025 aan de man te betalen vanuit haar aandeel in de overwaarde van de echtelijke woning op het moment van de notariële levering aan de man dan wel aan de koper via de derdenrekening van de notaris;
bepaling dat de man een dagdeel in de echtelijke woning kan doorbrengen om een overzicht te maken van de te verdelen inboedel om vervolgens samen met de vrouw tot een lijst van inboedelgoederen te komen die dan bij helfte moeten worden gedeeld tussen partijen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vrouw heeft na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
-
vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de vrouw;
-
de volgende verdeling van de vakanties en feestdagen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] vast te stellen:
-
Zomervakantie: 2-2-2-2-1,5, waarbij in de even jaren de vrouw start met de eerste twee weken en in de oneven jaren de man start met de eerste twee weken van de vakantie;
-
Herfstvakantie (Vacances de la Toussaint): in de even jaren bij de man in de oneven jaren bij de vrouw;
-
Kerstvakantie (Vacances de Noël) - eerste week bij de vrouw, tweede week bij de man;
-
Voorjaarsvakantie (Vacances d'hiver): in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;
-
Meivakantie (Vacances de printemps): in de even jaren eerste week bij de vrouw, tweede week bij de man, in de oneven jaren eerste week bij de man tweede week bij de vrouw;
-
Contact tijdens vakanties: de kinderen hebben drie keer per week contact tijdens de vakantie met de andere ouder op vaste dagen en tijdstip, te weten op dinsdag, donderdag en zaterdag om 19:00 uur;
-
Weekend Russische Pasen: bij de vrouw;
-
Kerstmis en Oud en Nieuw: conform vakantieregeling;
-
Pasen: In de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw;
-
Hemelvaart (donderdag + weekend): bij de vrouw;
-
Pinksteren (weekend + maandag): bij de man;
-
Prinsjesdag: conform zorgregeling;
-
Moederdag: bij de vrouw (indien afwijkend van zorgregeling: van 9.00 uur tot 18.00 uur);
-
Vaderdag: bij de man (indien afwijkend van zorgregeling: van 9.00 uur tot 18.00 uur);
-
Verjaardag ouder: bij jarige ouder (indien afwijkend van zorgregeling vanaf 9.30 uur althans na school tot volgende dag 9.30 althans in school);
-
Verjaardag kind: iedere ouder moet in staat gesteld worden om op de verjaardag tijd met het betreffende kind door te brengen;
vaststelling van kinderalimentatie van € 1.825,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen vóór iedere eerste van de maand, althans een nader in goede justitie door de rechtbank te bepalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;
vaststelling van de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten van levensonderhoud op € 11.695,- per maand, jaarlijks te indexeren krachtens art. 1:402 BW, met ingang van 1 januari 2025;
vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 5.195,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen vóór iedere eerste van de maand, althans een nader in goede justitie door de rechtbank te bepalen onderhoudsbijdrage;
vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw onder randnummer 38 en verder van het verweerschrift, en:
bepaling dat de man de echtelijke woning aan het adres [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats 1] kan overnemen dan wel dient te worden verkocht volgens het door de vrouw voorgestelde spoorboekje;
bepaling dat aan de vrouw het voortgezet gebruik toekomt van de echtelijke woning aan het adres [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats 1] gedurende zes maanden vanaf de datum dat de echtscheiding definitief is geworden door inschrijving van de beschikking in de daartoe bestemde registers;
bepaling op welk deel van het tijdens het huwelijk van partijen door de man opgebouwde ouderdomspensioen bij [bedrijfsnaam] de vrouw recht heeft, met ingang van de datum dat de man met pensioen gaat en de man te gelasten alle relevante gegevens met betrekking tot zijn pensioen zo snel mogelijk over te leggen opdat een pensioendeskundige, zo nodig een berekening kan maken, indien partijen het niets eens worden over de vraag welk deel van het ouderdomspensioen van de man aan de vrouw toekomt en vervolgens de man te veroordelen dit bedrag maandelijks aan de vrouw te betalen vermeerderd met de door [bedrijfsnaam] toegepaste indexatie;
vaststelling van de compensatie die de man aan de vrouw dient te betalen wegens het dreigend verlies van haar recht op partnerpensioen krachtens art.1:153 BW;
bepaling dat de vrouw de woning aan het adres [adres 2] te [plaats 1] kan overnemen dan wel dat de woning dient te worden verkocht volgens het door de vrouw voorgestelde spoorboekje;
bepaling dat de Volvo XC 90 zal worden getaxeerd bij de garage waar de auto in onderhoud is, waarna de auto aan de vrouw wordt toegedeeld tegen de betreffende taxatiewaarde, onder de verplichting om de helft van de taxatiewaarde aan de man te vergoeden;
bepaling dat de Renault Captur zal worden verkocht door de garage waar de auto in onderhoud is en waarbij partijen de verkoopopbrengst bij helfte zullen verdelen;
bepaling dat de schadevrije jaren in de autoverzekering van partijen bij helfte tussen partijen verdeeld wordt en de man binnen twee weken na de te wijzen beschikking zijn medewerking verleent bij het berichten van de verzekeraar;
bepaling dat de vrouw een overzicht aanlevert van de inboedel van partijen, welke inboedel partijen aan de hand van de lijst verdelen. Als het partijen niet lukt om samen de inboedel in onderling overleg te verdelen kiezen partijen één voor één een goed van de lijst, waarbij de vrouw de eerste keuze heeft;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu zowel de man als de vrouw hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal op grond van het eerste lid van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontbreken ouderschapsplan
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen op grond van artikel 815 Rv. Partijen hebben dat niet gedaan.
De rechtbank stelt vast dat het partijen niet is gelukt om ten aanzien van de minderjarige kinderen afspraken te maken in een gezamenlijk ouderschapsplan. De rechtbank zal partijen, ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan, ontvangen in de verzoeken tot echtscheiding met nevenvoorzieningen en deze verzoeken beoordelen.
Pensioenverweer
De door de man gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is door de vrouw niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding – in beginsel – als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.
De vrouw heeft echter een pensioenverweer opgeworpen. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie het pensioenverweer van de vrouw een preliminair verweer is, waarop moet worden beslist voordat eventueel de echtscheiding kan worden uitgesproken. Het pensioenverweer ziet bovendien blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 1:153 BW uitsluitend op pensioenuitkeringen bij vooroverlijden van de partij die de echtscheiding verzoekt, dus op nabestaandenpensioen.
De vrouw heeft ten aanzien van het pensioenverweer gesteld te vrezen dat zij, als gevolg van de verzochte echtscheiding, een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan haar na vooroverlijden van de man, verliest. De man dient een passende compensatie aan te bieden, omdat de vrouw niet in staat is om zelf een passende voorziening te treffen.
De man heeft het door de vrouw gestelde betwist. Als al sprake zou zijn van teloorgaan dan wel ernstig verminderen van het uitzicht op uitkeringen, dan kan zij hiervoor zelf voldoende voorzieningen treffen. De vrouw heeft haar hele leven gewerkt en is nog in staat om te werken. Zij bouwt heeft pensioen opgebouwd en komt in aanmerking voor een AOW-uitkering. Nergens blijkt volgens de man uit dat de vrouw slecht verzorgd achterblijft na de echtscheiding.
De rechtbank overweegt als volgt.
Op grond van artikel 1:153 lid 1 BW kan, indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert, deze niet worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. In lid 2 is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is indien a) redelijkerwijs te verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat geval voldoende voorzieningen kan treffen, of b) indien de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate te wijten is aan de andere echtgenoot.
De rechtbank ziet geen aanleiding om, alvorens de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, een nadere termijn te stellen teneinde de man in de gelegenheid te stellen een voorziening te (doen) treffen voor het wegvallen van dit deel van de pensioenvoorziening die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. Artikel 1:153 lid 1 BW schrijft niet dwingend een volledige compensatie voor het gemis van het verwachte nabestaandenpensioen voor, maar noopt slechts tot het, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, treffen van een redelijke voorziening die voorkomt dat de echtgenoot die het verweer voert na de ontbinding van het huwelijk slecht verzorgd achterblijft. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat verlies van een uitkeringsbedrag leidt tot de conclusie dat een voorziening ter compensatie nodig is. De vrouw heeft niet toegelicht welke omvang het bedrag aan potentiële uitkeringen zij verliest. De vrouw wordt bovendien geacht eigen inkomsten uit arbeid te genieten. Daarnaast ontvangt ze bedragen vanuit de verdeling en partneralimentatie. De rechtbank is daarbij van oordeel dat het door de vrouw zelf te realiseren inkomen, ook in het geval van overlijden van de man, voldoende is om zelfstandig in de kosten van haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Om deze reden behoeft – mede gelet op het bepaalde in artikel 1:153 lid 2 aanhef en onder a BW – geen nadere voorziening te worden getroffen.
Het bovenstaande in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat het pensioenverweer van de vrouw geen doel treft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de echtscheiding tussen partijen kan worden uitgesproken en zal het verzoek daartoe daarom toewijzen.
Hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in Nederland is, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van de EU-verordening Brussel II-ter (Nr. 2019/1111) bevoegd om te beslissen op de verzoeken die betrekking hebben op [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 is Nederlands recht van toepassing.
Relevante feiten en omstandigheden
Partijen zijn eind juni 2023 feitelijk uit elkaar gegaan, nadat zij enkele maanden apart van elkaar hadden gewoond. Voor de vrouw kwam de echtscheiding als een verrassing; zij dacht dat partijen een periode van rust zouden nemen. Dit heeft tot een vertrouwensbreuk bij de vrouw geleid, omdat zij er achter kwam dat de man al enkele maanden zonder haar medeweten een woning huurde. In diezelfde periode is Veilig Thuis betrokken geraakt bij het gezin nadat de politie een zorgmelding heeft gedaan, waarna [instelling 1] (voorheen: [instelling 2] ) is ingezet. Ondanks dat partijen onder begeleiding van hun advocaten voorlopige afspraken met elkaar hebben gemaakt, wordt een Verzoek Tot Onderzoek gedaan bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) in december 2023 in verband met de fragiele situatie. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een beschermingsonderzoek door de RvdK, waarvan het rapport is verschenen op 24 juni 2024 (met kenmerk [kenmerk] ). Kort samengevat concludeert de RvdK dat wel sprake is van een ernstige bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , waarbij de grootste zorg ligt in de onderlinge strijd tussen de ouders en het effect daarvan op de mentale en fysieke toestand van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , maar dat er nog voldoende mogelijkheden in het vrijwillig kader worden gezien om die bedreiging weg te nemen. De ouders en de kinderen zijn toen verwezen naar de reeds betrokken psychologen en hulpverlening vanuit – inmiddels – [instelling 3] . Naar aanleiding van een zorgmelding bij Veilig Thuis, heeft er op 10 juli 2025 een driegesprek plaatsgevonden tussen Veilig Thuis, [instelling 3] en de vrouw. Verder staan partijen op de wachtlijst bij [instelling 4] voor het traject Parallel Solo Ouderschap (PSO). Partijen geven nog steeds uitvoering aan de overeengekomen voorlopige zorgregeling, inhoudende een week-op-week-af-regeling (coouderschap), met de wissel op vrijdagmiddag uit school.
Hoofdverblijfplaats
De man heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen. Volgens de man deelden partijen de zorg voor de kinderen tijdens het huwelijk. De man stelt dat hij alle administratie rondom de kinderen regelt en de verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen betaalt, ook nu de vrouw voorlopige kinderalimentatie ontvangt en gehouden is die kosten te voldoen. Om alle ‘allowances’ voor de kinderen vanuit zijn werkgever voort te kunnen zetten na de echtscheiding, dient de man de kinderen “voortdurend en hoofdzakelijk te onderhouden”. Dit alles maakt dat het volgens de man in het belang van de kinderen is om de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen.
De vrouw heeft verweer gevoerd en verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De vrouw was en is de hoofdverzorgster van de kinderen; zij is er als de kinderen uit school komen, brengt ze naar naschoolse activiteiten en brengt ze naar bed. De vrouw heeft geen baan op dit moment en heeft daarom alle tijd voor de kinderen, ze heeft bovendien meer recht op kindgebonden budget. De vrouw heeft navraag gedaan bij de werkgever van de man over de allowances die hij ontvangt en daaruit blijkt niet dat het noodzakelijk is dat de kinderen bij hem ingeschreven staan.
De rechtbank overweegt als volgt. Voorop staat dat beide ouders belangrijk zijn in het leven van de kinderen, en dat op dit moment (nog) sprake is van een gelijke zorgverdeling. De stelling van de man dat hij de praktische zaken rondom de kinderen regelt, met name de financiële zaken, is door de vrouw niet betwist. Ook heeft de vrouw niet betwist dat niet alle verblijfsoverstijgende kosten door haar worden betaald, zoals dat wel zou horen omdat zij kinderalimentatie ontvangt. Op basis van de overgelegde stukken kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen of de man al dan niet de allowances van zijn werkgever blijft ontvangen als de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw wordt bepaald. De rechtbank acht het echter in het belang van de kinderen dat daarover geen onduidelijkheid bestaat, nu deze allowances de kinderen ten goede komen. Dit alles maakt dat de rechtbank bepaling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man het meest in hun belang acht, zodat hij de praktische zaken voor de kinderen kan blijven regelen, de verblijfs-overstijgende kosten voor de kinderen kan dragen en daarmee de stabiliteit voor de kinderen op dat vlak kan waarborgen.
Zorgregeling
De man heeft een zorgregeling verzocht waarbij de kinderen, met ingang van 31 augustus 2025, eens per veertien dagen van donderdag uit school tot maandagochtend naar school bij de vrouw verblijven en de rest van de tijd bij de man. De man maakt zich zorgen over de situatie bij de vrouw, omdat de kinderen uitlatingen doen bij hem over fysieke en psychologische mishandeling door de vrouw. De afgelopen periode hebben er veel incidenten plaatsgevonden en heeft [minderjarige 2] veel schooldagen gemist als zij bij de vrouw was. De zorgmelding bij Veilig Thuis afgelopen juni is volgens de man door de school van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gedaan. Daarnaast heeft de psycholoog van [minderjarige 2] recent een zorgmelding gedaan. Volgens de man wordt op de gemelde zorgen door de hulpverlening lakmoedig gereageerd, en moet er nu iets veranderen in het belang van de kinderen.
De vrouw voert verweer en stelt dat er geen reden is om de huidige zorgregeling te wijzigen. De door de man gestelde zorgen over fysieke en psychologische mishandeling worden door de vrouw betwist. De vrouw erkent dat zij hard kan praten en zij de kinderen hard vast kan pakken, maar stelt dat zij de kinderen nooit zou slaan en dat ook nooit heeft gedaan. Als de kinderen bij haar zijn heeft zij alle aandacht voor hen en onderneemt ze leuke dingen met hen, terwijl de kinderen volgens de vrouw bij de man alleen maar achter de computer zitten. De vrouw stelt dat de kinderen ook moeite hebben met de nieuwe partner van de man. De door de man voorgestelde regeling is volgens de vrouw niet in het belang van de kinderen, en is met name nadelig voor [minderjarige 2] .
Op basis van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank gebleken dat sprake is van een complexe gezinssituatie, waarbij de ouders in een hevige strijd verwikkeld zijn. De ouders geven er allebei blijk van het goede te willen doen voor de kinderen, maar de hevige strijd tussen de ouders zorgt ervoor dat de kinderen op dit moment in een hele lastige situatie zitten. De rechtbank maakt zich met name zorgen over de mate waarin de ouders de kinderen bij de strijd betrekken, over de negatieve kijk die de ouders op elkaar hebben en wat de kinderen daarvan meekrijgen. Tijdens de zitting is gebleken dat de vrouw de man de schuld geeft van de echtscheiding en dat zij die mening ook uit. Het kan niet anders dan dat de kinderen de weerstand voelen die de vrouw tegen de man heeft. De rechtbank maakt zich er zorgen over dat de vrouw terug blijft kijken naar wat tussen partijen is voorgevallen t, niet bereid lijkt te zijn om naar haar huidige eigen aandeel te kijken en zich daarbij te focussen op wat in het belang van de kinderen is. Ook maakt de rechtbank zich zorgen over de uitlatingen die de kinderen bij de psycholoog en op school hebben gedaan, wat aanleiding heeft gegeven voor zorgmeldingen bij Veilig Thuis. De vrouw heeft aangegeven dat de zorgen in een driegesprek op 10 juli 2025 met haar zijn besproken en is medegedeeld dat opnieuw hulpverlening zal worden ingezet. De inhoud van de zorgmeldingen is de rechtbank niet bekend en evenmin is duidelijk wat precies met de moeder is besproken.
Mogelijk dat een wijziging in de zorgregeling passend is, echter acht de rechtbank het vanwege de huidige onrust in het belang van de kinderen dat daar eerst goed naar gekeken wordt. De rechtbank acht zich, mede gelet op het gebrek aan zicht op de inhoud van de gedane zorgmeldingen, op dit moment onvoldoende voorgelicht om daarover een beslissing te kunnen nemen. Zoals op de zitting is besproken zal de rechtbank de RvdK daarom vragen om (aanvullend) onderzoek te doen naar welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen te achten is.
Omdat er hulpverlening betrokken is, gaat de rechtbank ervan uit dat zij zullen handelen als sprake is van een acute bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. De rechtbank zal in afwachting van het raadsrapport daarom nu (nog) geen wijziging aanbrengen in de huidige zorgregeling. De rechtbank verwacht in dat kader wel van beide ouders dat zij de overeengekomen en vastgelegde zorgregeling strikt nakomen. De rechtbank zal de huidige zorgregeling opnemen als voorlopige regeling, waarbij zij op zal nemen dat op de vrijdagen dat er geen school is, het wisselmoment om 15.00 uur zal zijn. De beslissing zal voor het overige worden aangehouden in afwachting van het onderzoek door de RvdK.
Vakanties en feestdagen
Beide partijen hebben een concrete verdeling van de vakanties en feestdagen verzocht. In de voorlopige voorzieningenprocedure zijn partijen een regeling overeengekomen waarbij de vakanties bij helfte worden verdeeld, zonder een duidelijk schema. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat daarover nu - voorlopig – meer duidelijkheid komt. Dit is mede ingegeven doordat de vrouw de huidige zomervakantieregeling niet is nagekomen en [minderjarige 2] zonder overleg met de man bij zich heeft gehouden en heeft meegenomen op vakantie naar Griekenland. Ook de wisselmomenten – die volgens de man veel spanningen met zich meebrengen – dienen te worden beperkt.
De door de vrouw voorgestelde verdeling van de zomervakantie volgens het ritme
2-2-2-2-1,5 acht de rechtbank te onrustig. Voor de zomervakantie zal de rechtbank daarom bepalen dat de kinderen de eerste helft bij de ene ouder verblijven en de andere helft bij de andere ouder, zoals de ouders dat nu ook doen. Voor de overige vakanties zal de rechtbank voorlopig overeenkomstig het verzoek van de man beslissen dat de kinderen tijdens de gehele vakantie bij één ouder verblijven, jaarlijks alternerend. Voor de feestdagen ziet de rechtbank nu geen aanleiding om daarvoor een concrete verdeling te bepalen. Daarvoor geldt voorlopig dat de kinderen tijdens feestdagen bij de ouder zijn bij wie zij volgens de reguliere zorgregeling of vakantieregeling (als de betreffende feestdagen in de vakantie valt) verblijven.
Paspoorten
De man heeft verzocht te bepalen dat de Franse paspoorten van de kinderen in zijn beheer zullen zijn en de Oekraïense paspoorten van de kinderen in beheer van de vrouw. De rechtbank zal – overeenkomstig het voorstel van de vrouw – bepalen dat de Franse paspoorten zich bevinden bij de ouder bij wie zij de hoofdverblijfplaats hebben (in dit geval de man), waarbij de paspoorten op het eerste verzoek zullen worden afgegeven aan de andere ouder (in dit geval de vrouw). De man heeft op de zitting toegezegd dat ook te zullen doen. De Oekraïense paspoorten kunnen in beheer blijven bij de vrouw. De rechtbank zal het verzoek van de man dus toewijzen.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de onderhoudsgerechtigde in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding.
Op het verzoek tot vaststelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft verzocht een door de man aan haar te betalen kinderalimentatie vast te stellen. De man heeft opgemerkt dat hij geen kinderalimentatie van de vrouw hoeft.
De rechtbank stelt voorop dat doorgaans kinderalimentatie wordt betaald aan de ouder bij wie een kind de hoofdverblijfplaats heeft. Het uitgangspunt hierbij is dat de ouder waar het kind in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven, alle verblijfsoverstijgende kosten van het kind betaalt en dat de andere ouder de kosten die samenhangen met het verblijf bij die ouder, de zogenoemde zorgkosten, voor zijn of haar rekening neemt. De niet-verzorgende ouder kan onder omstandigheden in aanmerking komen voor een bijdrage in de zorgkosten door de andere ouder. Een dergelijke situatie doet zich voornamelijk voor als de niet-verzorgende ouder onvoldoende draagkracht heeft om de zorgkosten van het kind te voldoen. De vraag of en, zo ja, in hoeverre de ouder bij wie het kind meer dan incidenteel verblijft, maar niet zijn hoofdverblijf heeft, tegenover de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, aanspraak kan maken op een bijdrage in de kosten die zijn gemoeid met verzorging en opvoeding van het kind gedurende dat meer dan incidentele verblijf, moet worden beantwoord aan de hand van de wettelijke maatstaven van draagkracht en behoefte als bedoeld in titel 17 van Boek 1 BW (artikel 1:397 leden 1 en 2 BW en artikel 1:404 lid 1 BW) . Voor het opleggen van een verplichting aan de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, om bij te dragen in de zorgkosten van de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijf heeft, is niet vereist dat sprake is van bijzondere omstandigheden (ECLI:NL:HR:2022:1924).
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke mate partijen kunnen voorzien in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en in hoeverre de vrouw in aanmerking komt voor een bijdrage in de zorgkosten.
Behoefte
Tussen partijen is niet in geschil dat de basisbehoefte van de kinderen, op basis van een gemaximeerd netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van € 6.000,-, € 1.460,- per maand bedroeg in 2023. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de basisbehoefte van de kinderen € 1.651,- per maand, en dus (afgerond) € 826,- per kind per maand.
Evenmin is tussen partijen in geschil dat de basisbehoefte van de kinderen moet worden vermeerderd met bijzondere kosten. De man heeft de volgende bijzondere kosten gesteld:
-
Russische les [minderjarige 1] van € 72,- per maand;
-
Schilderles van € 128,- per maand;
-
Kosten kantine van € 171,- per maand;
-
Samedis Malins [minderjarige 1] van € 116,- per maand;
-
Schoolreis [minderjarige 1] van € 25,- per maand.
De vrouw heeft deze kosten niet betwist. De eerder door de vrouw opgevoerde oppaskosten hebben partijen niet meer, zodat daarmee geen rekening zal worden gehouden. Daarom zal de rechtbank uitgaan van de door de man gestelde totale behoefte van € 2.163,- per maand, bestaande uit een behoefte van € 1.188,- per maand voor [minderjarige 1] en van € 975,- per maand voor [minderjarige 2] .
Draagkracht man
De man is werkzaam bij de [bedrijfsnaam] ([bedrijfsnaam]) en is daarom in Nederland niet belastingplichtig voor wat betreft de inkomstenbelasting. De rechtbank zal voor de berekening van zijn draagkracht daarom een netto berekening maken.
Voor de bepaling van de draagkracht van de man rekent de rechtbank met het door de man in zijn berekening opgenomen inkomen in 2025 van € 197.891,- netto per jaar, welk inkomen ook af te leiden is uit de door hem overgelegde stukken. In de eerder door de voormalige advocaat van de vrouw overgelegde draagkrachtberekening is gerekend met een (geschat) netto inkomen van € 200.000,- per jaar aan de zijde van de man, wat nagenoeg overeenkomt met dit inkomen. Dat de man recent een promotie zou hebben gemaakt, zoals de vrouw op de zitting naar voren heeft gebracht, is door de man betwist en heeft de vrouw verder niet onderbouwd. De man heeft bovendien zijn salarisspecificaties tot en met juni 2025 overgelegd, waarin geen bonus of salarisverhoging naar voren is gekomen.
Op basis hiervan berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man in 2025 op € 16.491,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de man (en de vrouw) moet worden uitgegaan van de werkelijke woonlasten in plaats van het gebruikelijke woonbudget. De vrouw stelt dat de werkelijke woonlast van de man lager is dan het woonbudget, waar tegenover de man juist stelt dat sprake is van een overschrijding van het woonbudget. De rechtbank overweegt dat op dit moment duidelijk is dat de man dubbele woonlasten heeft, welke lasten zullen voortduren tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking omdat het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw zal worden toegewezen. Hoe de financiële situatie er dan uit zal zien en wat de precieze woonlasten van de man (en de vrouw) hierna zullen zijn is nog onduidelijk. Immers zal nog moeten blijken of de man de vrouw kan uitkopen, waardoor hij mogelijk een hogere hypotheeklast zal krijgen, of dat de echtelijke woning zal worden verkocht en beide partijen elders zullen gaan wonen. De rechtbank kan daarom nu niet vaststellen dat sprake is van een duurzaam aanmerkelijk hogere of lagere woonlast van de man (en de vrouw). In de omstandigheid dat de werkelijke woonlasten nu afwijken van het woonbudget, terwijl nog onduidelijk is hoe de woonlasten er over enkele maanden uit zal komen te zien, ziet de rechtbank daarom nu geen aanleiding om van het woonbudget af te wijken. De rechtbank gaat daarom zowel bij de berekening van de draagkracht van de man als bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uit van het woonbudget.
De man heeft nog een kind uit een eerdere relatie, [jongmeerderjarige] van 21 jaar, aan wie hij een bijdrage voldoet van in totaal € 835,- per maand. Uit de door de man overgelegde stukken is voldoende gebleken dat de man een onderhoudsverplichting heeft en dat hij die kosten daadwerkelijk betaalt. De rechtbank passeert de stelling van de vrouw dat de man in het licht van deze procedure pas is begonnen met betalingen, nu de man ook oude bankafschriften heeft overgelegd die deze stelling weerleggen. De rechtbank zal daarom rekening houden met deze extra last bij de berekening van de draagkracht van de man.
Gelet op het voorgaande rekent de rechtbank met een extra last aan de zijde van de man van € 835,- per maand, zodat de formule hierop wordt aangepast. De formule die de rechtbank gebruikt is dan 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,- + € 835,-)]. De draagkracht van de man is dan € 6.329,- per maand.
Draagkracht vrouw
Uit de door de vrouw overgelegde producties is gebleken dat haar dienstverband bij het [organisatie] ( [organisatie] ) op 30 juni 2024 is geëindigd, waar zij – net als de man – in Nederland niet belastingplichtig was voor wat betreft de inkomstenbelasting. De vrouw heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij in de tussentijd nog geen nieuwe baan heeft gezocht, omdat zij niet in staat was om te werken na de klap van de scheiding en de tijd heeft genomen voor de kinderen. Zij heeft verder genoemd dat zij voornemens is om in het najaar weer te gaan solliciteren. De man heeft gesteld dat moet worden gerekend met een verdiencapaciteit van de vrouw van geïndexeerd € 63.240,- netto per jaar, het is immers haar eigen keuze geweest om het afgelopen jaar niet te werken.
De rechtbank overweegt dat vaststaat dat de vrouw sinds 30 juni 2024 geen baan meer heeft en dus geen inkomsten heeft op dit moment. Gelet op wat de vrouw hierover zelf naar voren heeft gebracht, namelijk dat het haar eigen keuze is geweest om het afgelopen jaar niet te werken en zij na de zomer weer aan de slag wil gaan, acht de rechtbank het redelijk om met een verdiencapaciteit van de vrouw rekening te houden. Gelet op het opleidingsniveau en de werkervaring van de vrouw, acht de rechtbank het aannemelijk dat de vrouw binnen afzienbare tijd een vergelijkbaar inkomen zal kunnen genereren als haar meest recente inkomen bij het [organisatie] . De rechtbank ziet geen aanleiding om het inkomen te indexeren, zoals de man heeft gedaan, en zal voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw daarom uitgaan van haar laatstverdiende inkomen van € 60.276,- netto per jaar.
Op basis van hiervan berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 5.023,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 1.544,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 7.873,- per maand (€ 6.329 + € 1.544). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen van in totaal € 2.163,- te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 6.329 / 7.873 x 2.163 = € 1.739
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.544 / 7.873 x 2.163 = € 424
samen € 2.163
Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 1.739,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 424,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Gelet op de (nog) geldende co-ouderschapsregeling, geldt een zorgkorting van 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 757,- per maand (35% van € € 2.163).
Conclusie
Gelet op het aandeel van de vrouw van € 424,- in de kosten van de kinderen, is er een tekort van € 333,- per maand (€ 757 -/- € 424) om de verblijfskosten van de kinderen bij de vrouw te voldoen. Dit betekent dat de vrouw aanspraak maakt op een door de man te betalen bijdrage van € 333,- per maand in de verblijfskosten van de kinderen bij haar. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot dit bedrag toewijzen en voor het overige afwijzen. De ingangsdatum van de te betalen kinderalimentatie zal de rechtbank bepalen op de datum van deze beschikking.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie kennis te nemen.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Behoefte van de vrouw
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen
Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar gezinsinkomen € 21.171,- bedroeg in 2023, op basis van een NBI van de man van € 16.148,- en een NBI van de vrouw van € 5.023,-. De rechtbank zal daarom ook van dit NBGI uitgaan. Hiervan moeten de kosten van de kinderen worden afgetrokken (€ 2.163,- en de bijdrage voor [jongmeerderjarige] van
€ 835,- per maand), zodat een bedrag van € 18.173,- per maand (€ 21.171 -/- € 2.163 -/-
€ 835) beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond € 10.904,- netto per maand (60% van € 18.173 per maand).
Het verzoek van de vrouw om deze huwelijksgerelateerde vast te leggen in het dictum van deze beslissing zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen.
Aanvullende behoefte
Ter bepaling van de aanvullende behoefte van de vrouw dient haar eigen inkomen van haar totale behoefte te worden afgetrokken. Zoals reeds overwogen in het kader van de kinderalimentatie heeft de vrouw een NBI van € 5.023,- per maand. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van de vrouw van € 5.881,- netto per maand. Dat is € 10.676,- bruto per maand.
Draagkracht man
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van dezelfde gegevens als bij de draagkracht ten behoeve van de kinderalimentatie, zodat de rechtbank ook hier uitgaat van een NBI van de man van € 16.491,- per maand.
De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding om – zoals de man heeft gesteld – de dependant allowance en de education allowance van zijn jaarinkomen af te trekken bij de berekening van de partneralimentatie. Immers wordt bij de berekening van de draagkracht van de man in het kader van de partneralimentatie ook rekening gehouden met de op het inkomen van de man drukkende kosten van de kinderen, die voor een groot deel worden voldaan uit voornoemde allowances.
De rechtbank zal, in lijn met het rapport van 2025, de draagkracht vaststellen aan de hand van de formule 60% [NBI – (0,3 x NBI + 1310)]. Hierbij wordt – net als bij de kinderalimentatie – rekening gehouden met een woonbudget van 30% van het NBI.
Dat sprake is van niet verwijtbare en vermijdbare lasten in verband met de leningen die de man heeft moeten afsluiten voor de aanschaf van een nieuwe auto is door de man onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank hiermee geen rekening zal houden. Bovendien heeft de man niet gesteld – en is ook niet gebleken – dat de man deze kosten niet kan voldoen uit zijn draagkrachtloos inkomen.
Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 6.140,- per maand (60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1310)]). Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen (€ 1.739 + € 835,-) van in totaal € 2.574,- per maand in mindering gebracht. De man heeft daarom nog een draagkracht beschikbaar van € 3.566,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Omdat de draagkracht van de man lager is dan de aanvullende behoefte van de vrouw, wordt de vast te stellen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw begrensd tot de hoogte van de draagkracht van de man.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat met ingang van de inschrijving van de beschikking van echtscheiding de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 3.566,- per maand zal betalen. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Voortgezet gebruik echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het voortgezet gebruik van deze woning.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft het voortgezet gebruik van de echtelijke woning verzocht gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
De man heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, mits daarvoor een duidelijk spoorboekje wordt opgenomen.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking toewijzen. Zoals hierna onder de verdeling wordt overwogen, zal de rechtbank zal bij de verdeling van de echtelijke woning een spoorboekje opnemen.
Verdeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de verzoeken tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Aangezien partijen op [datum] 2010 zijn getrouwd, moet de vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen door de Nederlandse rechter worden beantwoord aan de hand van de regels van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (HVV 1978). Partijen hebben geen (geldige) rechtskeuze gedaan voor of tijdens het huwelijk. Op grond van artikel 4, eerste lid, HHV 1978 wordt het huwelijksvermogens-regime daarom beheerst door het interne recht van de Staat op welk grondgebied partijen hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk hebben gevestigd (geen van de in artikel 4, tweede lid, HVV 1978 genoemde uitzonderingen doet zich voor). Op het huwelijksvermogensregime van partijen is dan ook Nederlands recht van toepassing.
Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW, zoals dat gold voor 1 januari 2018, moet worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de huwelijksgemeenschap ingevolge artikel 1:100 BW bij helfte tussen de echtgenoten wordt verdeeld.
Peildatum omvang en samenstelling
De rechtbank overweegt dat voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap als peildatum 19 januari 2024, de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, heeft te gelden. Voor de waardering heeft – voor zover de echtgenoten niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang
De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen opgevoerd die (eventueel) in de verdeling dienen te worden betrokken:
-
de (voormalige) echtelijke woning aan het adres [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats 1] , met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij ING Bank;
-
de woning aan het adres [adres 2] te ( [postcode 2] ) [plaats 1] , met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij Florius;
-
het appartement aan het adres [adres 3] in [plaats 2] , Oekraïne;
-
de inboedel;
-
de bank- en spaarrekeningen;
-
de auto’s;
-
de schadevrije jaren.
Ad 1. de echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening
De man wenst de echtelijke woning over te nemen en verzoekt daartoe het door hem voorgestelde spoorboekje op te nemen in de beschikking. Volgens de vrouw is de man niet in staat de woning over te nemen en zij is van mening dat de woning moet worden verkocht.
De rechtbank acht het redelijk om de man een termijn te gunnen zodat hij kan onderzoeken of hij financieel in staat is om de echtelijke woning over te nemen. De rechtbank zal daarom ten aanzien van de echtelijke woning en de hypothecaire geldlening de wijze van verdeling vaststellen overeenkomstig het door de man in zijn gewijzigde verzoekschrift van 5 september 2024 opgenomen spoorboekje. In afwijking van dit spoorboekje zal de rechtbank het volgende bepalen. Omdat ter zitting duidelijk is geworden dat partijen daar samen niet uit gaan komen, zal de rechtbank BVL Makelaars aanwijzen als makelaar voor het uitvoeren van de taxatie van de woning. De opdracht tot taxatie dient uiterlijk binnen twee weken na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te worden gegeven en de taxatie dient uiterlijk twee maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te zijn uitgevoerd in aanwezigheid van beide partijen. De kosten voor de taxatie komen voor rekening van beide partijen. De vrouw is verplicht om aan die taxatie mee te werken. Als zij daaraan niet meewerkt dan kan voor de waarde van de woning worden uitgegaan van de door de man gestelde Funda waarde van € 1.062.000,-. Beide partijen worden geacht hun volledige medewerking te verlenen aan de taxatie, dan wel – in geval van verkoop – aan de verkoop van de woning.
Ad 2. de woning aan het adres [adres 2] in [plaats 1] en de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen
Gebleken is dat de woning aan de [adres 2] wordt verhuurd aan een derde. De vrouw regelt de verhuur, ontvangt de huurpenningen en betaalt de lasten. De vrouw wil deze woning onverdeeld laten tot het huurcontract met de huurder rechtsgeldig kan worden opgezegd, zodat het daarna kan worden verkocht. Tijdens de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij de woning niet wenst over te nemen, maar schriftelijk heeft zij wel verzocht om haar de gelegenheid te geven de mogelijkheid tot overname te onderzoeken. De man wil de woning niet onverdeeld laten en verzoekt te bepalen dat de woning dient te worden verkocht volgens het door hem voorgestelde spoorboekje.
Mede omdat de vrouw tijdens de zitting niet werd bijgestaan door een advocaat, acht de rechtbank het redelijk om de vrouw nog de gelegenheid te geven om de woning over te nemen. Als zij dat niet wil of kan, moet de woning worden verkocht. De woning kan ook in verhuurde staat worden verkocht, daarvoor hoeft niet de afloop van het huurcontract te worden afgewacht. Ook ten aanzien van deze woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen zal de rechtbank daarom de wijze van verdeling vaststellen overeenkomstig het door de man in zijn gewijzigde verzoekschrift van 5 september 2024 opgenomen spoorboekje. Ook ten aanzien van deze woning geldt dat partijen worden geacht hun volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van deze woning.
Ad 3. het appartement in [plaats 2] , Oekraïne
De man heeft gesteld dat de vrouw een appartement in [plaats 2] , Oekraïne op haar naam heeft staan dat moet worden betrokken in de verdeling. Volgens de man heeft de vrouw het appartement van haar ouders geschonken gekregen in de jaren ’90. Als partijen op vakantie waren in Oekraïne deed de vrouw contante betalingen voor de aan het appartement gerelateerde lokale belastingen. De man heeft de waarde van het appartement geschat tussen USD 300.000 en USD 400.000. De vrouw heeft betwist dat dit appartement op haar naam staat. Na het overlijden van haar vader heeft de moeder van de vrouw het appartement geërfd, aldus de vrouw.
De rechtbank overweegt als volgt. Nadat de vrouw ter zitting stukken aan de man en zijn advocaat heeft laten zien met betrekking tot het appartement waarop – volgens de man en zijn advocaat – stond dat de vrouw samen met haar moeder eigenaar is van het appartement, heeft zij erkend dat de woning zo’n tien jaar geleden op naam van haar en haar moeder samen stond. De vrouw heeft gesteld dat het appartement nu niet meer op haar naam staat. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft zij ter zitting een (ander) document overgelegd uit het Oekraïense eigendomsregister, waarvan een kopie is toegevoegd aan het dossier. Uit dit stuk kan afgeleid dat er op 8 oktober 2024 in Oekraïne geen registraties op haar naam stonden. De stelling van de vrouw dat het appartement, dat op naam van haar en haar moeder stond, nadien door haar vader aan haar moeder is geschonken kan de rechtbank niet volgen.. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de vrouw met haar haar moeder eigenaar was van het appartement. Uit het door de vrouw overgelegde stuk kan niet worden afgeleid dat de vrouw op de peildatum geen mede-eigenaar meer was van het appartement. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de vrouw in elk geval op dat moment nog mede-eigenaar was, waarmee het aandeel van de vrouw in het appartement tot het huwelijksvermogen van partijen behoort en in de verdeling moet worden betrokken. Omdat er verder geen stukken zijn overgelegd ten aanzien van de waarde van het appartement, gaat de rechtbank uit van de door de man gestelde en door de vrouw onbetwiste (gemiddelde) waarde van USD 350.000. De rechtbank zal het aandeel van de vrouw in het appartement toedelen aan de vrouw, onder de verplichting van de vrouw om de helft van haar aandeel in de waarde (de helft van de helft, dus USD 87.500) aan de man te voldoen.
Ad 4. de inboedel
Tussen partijen is niet in geschil dat de inboedel bij helfte dient te worden verdeeld. Gelet op de verstandhouding tussen partijen acht de rechtbank het niet haalbaar om te bepalen dat de man zelf nog door de woning loopt om samen met de vrouw tot een inboedellijst te komen, zoals hij heeft verzocht. Omdat de vrouw in de echtelijke woning verblijft zal de rechtbank daarom bepalen dat de vrouw een inboedellijst zal opstellen, waarbij partijen om en om een inboedelgoed mogen kiezen en waarbij de vrouw als eerst mag kiezen. De man wordt geacht ook zonder in de woning rond te lopen de inboedellijst eventueel aan te kunnen vullen.
Ad 5. de bank- en spaarrekeningen
De man heeft inzicht gegeven in zijn bankrekeningen en de daarbij behorende saldi op de peildatum. De rechtbank houdt geen rekening met de stelling van de vrouw dat er nog een spaarrekening zou zijn op naam van de man in Frankrijk, nu daarvoor geen aanwijzingen zijn. De vrouw heeft inzicht gegeven in de saldi op de peildatum van de op haar naam staande Nederlandse bankrekeningen, maar niet van de op haar naam staande buitenlandse bankrekeningen. Uit de stellingen van de vrouw blijkt echter dat de saldi op haar bankrekeningen beperkt zijn. De man is bereid met gesloten beurzen af te rekenen, waarbij beide partijen de eigen bank- en spaarrekeningen behouden met de daarbij behorende saldi zonder nadere verrekening. De rechtbank zal dat verzoek van de man toewijzen en gaat er er gelet op de stellingen van partijen vanuit dat dit niet leidt tot over- of onderbedeling van één van partijen.
Ten overvloede wijst de rechtbank nog op het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW: een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.
Ad 6. de auto’s
Partijen hebben twee auto’s, van het merk Volvo en van het merk Renault, die allebei in bezit van de vrouw zijn op dit moment. Niet in geschil is dat beide auto’s aan de vrouw kunnen worden toegedeeld, maar partijen zijn het niet eens over de waarde.
De man stelt op basis van de door hem overgelegde ANWB-koerslijsten dat de Volvo € 44.100,- waard is en dat de Renault € 19.950,- waard is. Volgens de vrouw zijn de auto’s minder waard, in verband met schade aan beide auto’s. De vrouw stelt dat de Volvo € 20.549,- waard is en dat de Renault € 10.800,- waard is. De man stelt dat hij niet mee wil betalen aan de door de vrouw zelf veroorzaakte schade.
De rechtbank overweegt dat uit de stellingen is gebleken dat de schade aan de auto’s gedeeltelijk vóór en gedeeltelijk na de peildatum is ontstaan. De rechtbank zal de waarde van de auto’s daarom schattenderwijs vaststelling op het gemiddelde van de door beide partijen gestelde waarden. Dit betekent dat de rechtbank de Volvo aan de vrouw zal toedelen tegen een waarde van ([€ 44.100 + € 20.549] / 2) € 32.349,- en de Renault tegen een waarde van ([€ 19.950 + € 10.800] / 2) € 15.375,- onder de verplichting aan de vrouw om de helft daarvan (€ 23.862,-) aan de man te voldoen.
Ad 7. de schadevrije jaren
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat partijen de opgebouwde schadevrije jaren van de autoverzekering, die is afgesloten op naam van de man, bij helfte zullen delen. De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank overweegt dat de hoogte van de premie van een autoverzekering onder andere afhangt van het aantal schadevrije jaren, zodat de schadevrije jaren in de onderlinge verhouding tussen partijen een waarde vertegenwoordigen. Bij echtscheiding kunnen schadevrije jaren worden verdeeld, waarbij degene met de schadevrije jaren (in dit geval de man) bepaalt wat de verdeelsleutel wordt en een afstandsverklaring moet aanleveren bij de verzekeraar. Gesteld noch gebleken is hoeveel schadevrije jaren de man heeft opgebouwd. De rechtbank zal daarom gelasten dat de man een afstandsverklaring dient aan te leveren bij zijn autoverzekeraar, waarbij hij de helft van de door hem opgebouwde schadevrije jaren overdraagt aan de vrouw.
Pensioen
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De rechtbank overweegt dat artikel 10:51 BW bepaalt dat de vraag of een echtgenoot bij scheiding recht heeft op een deel van de door de ander opgebouwde pensioenaanspraken, in beginsel wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten. In de onderhavige zaak is zoals hiervoor is overwogen het Nederlandse recht van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft verzocht vast te stellen op welk deel van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde ouderdomspensioen bij [bedrijfsnaam] de vrouw recht heeft, en daartoe zo nodig een pensioendeskundige te benoemen. Volgens de man geldt ditzelfde voor het door de vrouw opgebouwde ouderdomspensioen, en dienen partijen dit zelf te berekenen en hierover in overleg te gaan.
De rechtbank overweegt dat de man werkzaam is bij een internationale organisatie, en dat de vrouw tijdens het huwelijk ook voor internationale organisaties heeft gewerkt. Daardoor hebben zij tijdens het huwelijk beiden geen pensioen opgebouwd bij een reguliere (Nederlandse) pensioenverzekeraar. Op grond van artikel 1 lid 8 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS) , is deze wet ook van toepassing op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling indien Nederlands recht het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten beheerst. De echtgenoot die recht op verevening heeft, verkrijgt met betrekking tot een pensioen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling geen recht op uitbetaling van een deel van dat pensioen jegens het buitenlands uitvoeringsorgaan, maar slechts een recht op uitbetaling jegens de andere echtgenoot. De vrouw verkrijgt door de echtscheiding dus jegens de man een recht op uitbetaling van een deel van het door de man opgebouwde pensioen.
De vrouw verzoekt de rechtbank de omvang van dat recht vast te stellen. Omdat de rechtbank geen inzicht heeft in het door de man opgebouwde pensioen kan de rechtbank de exacte bedragen niet vaststellen, maar zal volstaan met verwijzing naar hetgeen in artikel 3 WVPS over de omvang van het recht van de vrouw is bepaald en de man veroordelen tot betaling van dat bedrag, vanaf het moment van ingaan van zijn pensionering.
Van de man kan worden verlangd gegevens over het door hem opgebouwde pensioen aan de vrouw te verschaffen, teneinde de vrouw in staat te stellen haar aandeel in zijn pensioen te (laten) berekenen. In zoverre zal het verzoek van de vrouw worden toegewezen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen de man en de vrouw, gehuwd op [datum] 2010 te [plaats 1] ;
*
bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats] , [geboorteland] , en [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] , [geboorteland] , de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de man;
*
bepaalt in het kader van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken voorlopig dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de vorm van een week-op-week-af regeling bij partijen verblijven (co-ouderschap), met het wisselmoment op vrijdagmiddag uit school of om 15.00 uur als er geen school is;
*
stelt de volgende voorlopige regeling vast ten aanzien van de vakanties en feestdagen:
-
Voorjaarsvakantie (vacances d'hiver): [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven in de oneven jaren bij de man verblijven en in de even jaren bij de vrouw;
-
Meivakantie (vacances de printemps): [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;
-
Zomervakantie (vanances d’été): wordt opgedeeld in twee gelijke blokken waarbij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de oneven jaren de eerste helft bij de man verblijven en de tweede helft bij de vrouw verblijven met de wissel halverwege de vakantie en voor de even jaren geldt het omgekeerde;
-
Herfstvakantie (vacances de la Toussaint): [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;
-
Kerstvakantie (vacances de Noël): [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
-
Feestdagen: [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn bij de ouder bij wie zij op de betreffende feestdag volgens de reguliere zorgregeling of vakantieregeling (als de betreffende feestdagen in de vakantie valt) verblijven;
*
bepaalt dat de Franse paspoorten van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in beheer zullen zijn bij de man en dat de Oekraïense paspoorten van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in beheer zullen zijn bij de vrouw;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
houdt de behandeling aan tot
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
*
bepaalt dat de man met ingang van vandaag, voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 333,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 3.566,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning aan het adres [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats 1] voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
*
stelt de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vast onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1de echtelijke woning aan het adres [adres 1] in [plaats 1]
de woning gelegen aan het adres [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats 1] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij ING Bank met nummer [rekeningnummer 1] worden toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
-
de woning wordt door BVL Makelaars ( [adres 4] te [postcode 3] [plaats 1] ) getaxeerd tegen de marktwaarde middels een door de NWWI gevalideerd rapport.
Partijen verstrekken binnen twee weken na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. De taxatie zal plaatsvinden in aanwezigheid van beide partijen en dient binnen twee maanden na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te zijn uitgevoerd; -
de man krijgt tot uiterlijk drie maanden nadat het taxatierapport aan partijen is verstrekt de tijd om te onderzoeken of hij de woning kan overnemen tegen de taxatiewaarde volgend uit het taxatierapport – dan wel tegen een waarde van € 1.062.000,- indien de vrouw niet binnen de onder a) gestelde termijn meewerkt aan de taxatie – onder gelijktijdig ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vrouw uit de hypotheek en de verplichting de helft van de overwaarde aan de vrouw te vergoeden op de leveringsdatum, welke leveringsdatum uiterlijk een maand na het eindigen van de periode van het voortgezet gebruik door de vrouw van de echtelijke woning ex art. 1:165 BW zal zijn;
-
de kosten van taxatie komen voor rekening van beide partijen en bij overname van de woning door de man komen de notariële leveringskosten voor rekening van de man;
indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
-
partijen geven binnen zeven dagen na ommekomst van voornoemde termijn van drie maanden gezamenlijk opdracht geven aan een NVM-makelaar tot verkoop van de woning;
-
indien partijen niet binnen de onder a) genoemde termijn gezamenlijk opdracht hebben gegeven aan een NVM-makelaar, is ieder van partijen afzonderlijk, mede namens de andere partij bevoegd tot het verstrekken van een opdracht tot verkoop van de woning aan BVL Makelaars;
-
partijen worden veroordeeld tot het in stand laten van deze verkoopopdracht. De benodigde (voortdurende) instemming van de andere partij kan zo nodig worden vervangen met deze beschikking ex artikel 3:300 BW;
-
beide partijen dienen volledig en onverwijld medewerking te verlenen aan verkoop door het verrichten van alles wat daartoe nodig is waaronder:
1. het opvolgen van adviezen van de makelaar met betrekking tot opruimen, schoonmaak, kleine herstelwerkzaamheden en styling;
2. het zo vaak als nodig toegang verschaffen tot de woning aan de makelaar, de fotograaf, bouwkundigen, aspirant-kopers en hun adviseur alsmede derden wiens bezoek aan de woning naar het oordeel van de makelaar noodzakelijk is;
op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag(deel) dat de andere partij aan de veroordelingen onder 1 en/of 2 niet voldoet;
partijen dienen, indien een potentiële koper naar het oordeel van de makelaar op redelijk te achten voorwaarden bereid is tot aankoop van de woning over te gaan, binnen een week na een daartoe strekkend (schriftelijk) verzoek van de makelaar of de andere partij het (voorlopig)koopcontract te ondertekenen;
partijen dienen, in geval van verkoop van de woning, binnen een week na een daartoe strekkend (schriftelijk) verzoek van de andere partij of de instrumenterende notaris, haar of zijn volledige medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht van haar of zijn aandeel in de woning - en voor zover daartoe rechtens noodzakelijk is - te verschijnen voor de instrumenterende notaris, zulks op een door de notaris te bepalen datum en plaats, en haar of zijn medewerking te verlenen aan het doen verlijden van een notariële akte strekkende tot eigendomsoverdracht;
wanneer een van partijen in gebreke blijft aan het onder e) of f) verzochte te voldoen, treedt deze beschikking in de plaats van haar of zijn medewerking aan, toestemming voor of ondertekening van het koopcontract en/of de notariële leveringsakte;
de kosten van de verkoop, waaronder de kosten van de makelaar en de notaris, worden tussen partijen bij helfte gedragen;
de verkoopopbrengst wordt na aflossing van de op de woning rustende hypotheek en de voldoening van de overige met de verkoop gemoeide kosten bij helfte tussen partijen gedeeld;
beide partijen dienen de woning in geval van verkoop uiterlijk 48 uur voor de dag van de eigendomsoverdracht onder afgifte van de sleutels aan de instrumenterende notaris ontruimd te hebben met alle daarin aanwezige personen en zaken;
2de woning aan het adres [adres 2] in [plaats 1]
[adres 2] te ( [postcode 2] ) [plaats 1] , met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij Florius met nummers [rekeningnummer 2] , [rekeningnummer 3] , [rekeningnummer 4] en [rekeningnummer 5] wordt toegedeeld aan de vrouw op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a. de woning wordt door BVL Makelaars ( [adres 4] te [postcode 3] ) getaxeerd tegen de marktwaarde (dus als de woning nog verhuurd is, de waarde in verhuurde staat) middels een door de NWWI gevalideerd rapport.
Partijen verstrekken binnen twee weken na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. De taxatie zal plaatsvinden in aanwezigheid van beide partijen en dient binnen twee maanden na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te zijn uitgevoerd;
de vrouw krijgt tot uiterlijk drie maanden nadat het taxatierapport aan partijen is verstrekt de tijd om te onderzoeken of zij de woning kan overnemen tegen de taxatiewaarde volgend uit het taxatierapport – dan wel tegen een waarde van € 483.000,- indien de vrouw niet binnen de onder a) gestelde termijn meewerkt aan de taxatie – onder gelijktijdig ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man uit de hypotheek en de verplichting de helft van de overwaarde aan de man te vergoeden op de leveringsdatum, welke leveringsdatum uiterlijk een maand na het eindigen van de periode van het voortgezet gebruik door de vrouw van de echtelijke woning ex art. 1:165 BW zal zijn;
de kosten van taxatie komen voor rekening van beide partijen en bij overname van de woning door de vrouw komen de notariële leveringskosten voor rekening van de vrouw;
indien de vrouw de woning niet kan overnemen onder de bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
-
partijen geven binnen zeven dagen na ommekomst van voornoemde termijn van drie maanden gezamenlijk opdracht geven aan een NVM-makelaar tot verkoop van de woning;
-
indien partijen niet binnen de onder a) genoemde termijn gezamenlijk opdracht hebben gegeven aan een NVM-makelaar, is ieder van partijen afzonderlijk, mede namens de andere partij bevoegd tot het verstrekken van een opdracht tot verkoop van de woning aan BVL Makelaars;
-
partijen worden veroordeeld tot het in stand laten van deze verkoopopdracht. De benodigde (voortdurende) instemming van de andere partij kan zo nodig worden vervangen met deze beschikking ex artikel 3:300 BW;
-
beide partijen dienen volledig en onverwijld medewerking te verlenen aan verkoop door het verrichten van alles wat daartoe nodig is waaronder:
1. het opvolgen van adviezen van de makelaar met betrekking tot opruimen, schoonmaak, kleine herstelwerkzaamheden en styling;
2. het zo vaak als nodig toegang verschaffen tot de woning aan de makelaar, de fotograaf, bouwkundigen, aspirant-kopers en hun adviseur alsmede derden wiens bezoek aan de woning naar het oordeel van de makelaar noodzakelijk is;
op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag(deel) dat de andere partij aan de veroordelingen onder 1 en/of 2 niet voldoet;
partijen dienen, indien een potentiële koper naar het oordeel van de makelaar op redelijk te achten voorwaarden bereid is tot aankoop van de woning over te gaan, binnen een week na een daartoe strekkend (schriftelijk) verzoek van de makelaar of de andere partij het (voorlopig)koopcontract te ondertekenen;
partijen dienen, in geval van verkoop van de woning, binnen een week na een daartoe strekkend (schriftelijk) verzoek van de andere partij of de instrumenterende notaris, haar of zijn volledige medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht van haar of zijn aandeel in de woning - en voor zover daartoe rechtens noodzakelijk is - te verschijnen voor de instrumenterende notaris, zulks op een door de notaris te bepalen datum en plaats, en haar of zijn medewerking te verlenen aan het doen verlijden van een notariële akte strekkende tot eigendomsoverdracht;
wanneer een van partijen in gebreke blijft aan het onder e) of f) verzochte te voldoen, treedt deze beschikking in de plaats van haar of zijn medewerking aan, toestemming voor of ondertekening van het koopcontract en/of de notariële leveringsakte;
de kosten van de verkoop, waaronder de kosten van de makelaar en de notaris, worden tussen partijen bij helfte gedragen;
de verkoopopbrengst wordt na aflossing van de op de woning rustende hypotheek en de voldoening van de overige met de verkoop gemoeide kosten bij helfte tussen partijen gedeeld;
beide partijen dienen de woning in geval van verkoop uiterlijk 48 uur voor de dag van de eigendomsoverdracht onder afgifte van de sleutels aan de instrumenterende notaris ontruimd te hebben met alle daarin aanwezige personen en zaken;
3het appartement in [plaats 2]
het aandeel van de vrouw in het appartement aan het adres [adres 3] in [plaats 2] , Oekraïne, wordt toegedeeld aan de vrouw, onder de verplichting aan de vrouw om USD 87.500 aan de man te voldoen;
4de inboedel
bepaalt dat partijen de inboedelgoederen in onderling overleg bij helfte zullen verdelen, op de wijze zoals is omschreven in het lichaam van deze beschikking onder het kopje ‘ad 4. de inboedel’;
5de bank- en spaarrekeningen
ieder houdt de op zijn/haar naam staande bank- en spaarrekeningen, zonder nadere verrekening;
6de auto’s
de auto van het merk Volvo XC90 met kenteken [kenteken 1] en de auto van het merk Renault Captur met kenteken [kenteken 2] worden aan de vrouw toegedeeld, onder de verplichting aan de vrouw om € 23.862,- aan de man te voldoen;
7de schadevrije jaren
gelast dat de man een afstandsverklaring zal aanleveren bij zijn autoverzekeraar, waarbij hij de helft van de door hem opgebouwde schadevrije jaren overdraagt aan de vrouw;
*
stelt vast dat de vrouw jegens de man recht heeft op uitbetaling van het in artikel 3 WVPS bepaalde deel van het door de man opgebouwde pensioen en veroordeelt de man om maandelijkse dat deel van het pensioen aan de vrouw af te dragen vanaf het moment van ingaan van zijn pensionering;
gelast de man alle relevante gegevens over het door hem opgebouwde pensioen aan de vrouw te verschaffen;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling en de verdeling van de vakanties en feestdagen aan
*
wijst het meer of anders verzochte ten aanzien van de overige verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.I. Noordegraaf als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 augustus 2025. |
© Copyright 2009 - 2025 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733