ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Gerechtshof Den Haag 29-09-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2903

Essentie (gemaakt door AI)

Ontvankelijkheid hoger beroep tegen erfgenamen waarin, ondanks benoeming van executeurs, ontvankelijkheid wordt aangenomen omdat executeurs feitelijk betrokken zijn en niet in belangen geschaad zijn art. 4:145 lid 2 BW. Inhoudelijk: op Iraans recht moet vaststaan dat Otjiaha en erflater wisten of moesten weten dat met door Otjiaha geleverde SOCl2 mosterdgas zou worden gemaakt. Dat is niet bewezen; geen onderzoeksplicht onder omstandigheden. Vorderingen worden afgewezen; vonnissen bekrachtigd; proceskostenveroordeling van appellanten.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Executeur vertegenwoordigt erfgenamen in en buiten rechte - erfgenamen toch ontvankelijk in appel
Zolang het beheer van de executeur voortduurt, is een erfgenaam niet bevoegd om zonder toestemming van de executeur in rechte op te treden, hetzij als eiser hetzij als gedaagde. Toch ontvankelijk, o.a. gelet op lastgevingsovereenkomst.

Datum publicatie29-09-2026
Zaaknummer200.341.271/01
ProcedureHoger beroep
ZittingsplaatsDen Haag
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2022:7462, (niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl) Bekrachtiging/bevestiging; Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2023:17263, (niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl) Bekrachtiging/bevestiging
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenErfrecht;
Familieprocesrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Ontvankelijkheid hoger beroep ingesteld tegen erfgenamen als executeurs-testamentair zijn benoemd. Nederlands bedrijf zou in de jaren '80 grondstof voor de productie van mosterdgas aan Irak hebben geleverd. Is dat bedrijf aansprakelijk jegens Iraanse slachtoffers van aanvallen met mosterdgas door Irak? Iraans recht.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Zaaknummer hof : 200.341.271/01

Zaaknummers rechtbank : C/09/621323/HA ZA 21-1041 en

C/09/624251/HA ZA 22-93

Arrest van 29 september 2026

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

wonende in [woonplaats 1] (Iran),

hierna ook: [appellant 1] ,

2 [appellant 2] ,

wonende in [woonplaats 2] (Iran),

hierna ook: [appellant 2] ,

3de gezamenlijke erven van [appellant [wijlen]] ,

voorheen wonende in [woonplaats 3] (Iran),

hierna ook: [appellant [wijlen]] ,

4 [appellant 4] ,

wonende in Iran,

hierna ook: [appellant 4] ,

5 [appellant 5] ,

wonende in Iran,

hierna ook: [appellant 5] ,

appellanten,

advocaat: mr. L. Zegveld in Amsterdam,

tegen

1Otjiaha B.V.,

gevestigd in Arnhem,

2de gezamenlijke erven van [geïntimeerde [wijlen]] ,

voorheen wonende in [woonplaats 4] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. C.J. Knoops-Hamburger.

Het hof zal partijen hierna ook noemen:

- appellanten onder 1 t/m 5: [appellant 1] c.s.,

- geïntimeerde onder 1: Otjiaha of Melchemie 1,

- geïntimeerden onder 2: de erven [geïntimeerde [wijlen]] ,

- erflater [geïntimeerde [wijlen]] : [geïntimeerde [wijlen]] ,

- geïntimeerden onder 1 en 2 gezamenlijk: Otjiaha c.s.

1De zaak in het kort

1.1

In de eerste helft van de jaren ’80 van de vorige eeuw waren Irak en Iran met elkaar in oorlog. Irak, destijds onder leiding van Saddam Hoessein, heeft in die strijd verboden chemische wapens ingezet, waaronder mosterdgas. [appellant 1] c.s. zeggen dat zij deel uitmaakten van het Iraanse leger en als gevolg van mosterdgasaanvallen door Irak zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. In deze procedure stellen zij Otjiaha en haar (inmiddels overleden) directeur-grootaandeelhouder [geïntimeerde [wijlen]] aansprakelijk voor de door hen geleden schade. Hun verwijt aan Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] is dat zij indertijd een grondstof voor mosterdgas (thionylchloride of kortweg SOCI2) aan het regime van Saddam Hoessein hebben geleverd.

1.2

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant 1] c.s. afgewezen. Het hof komt in hoger beroep tot dezelfde conclusie. Voor aansprakelijkheid van Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] moet vast komen te staan dat Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] ten tijde van de leveringen van SOCI2 aan Irak wisten dan wel hadden moeten weten dat Irak met de door Otjiaha geleverde grondstof mosterdgas zou maken. Dit hebben [appellant 1] c.s. echter niet aangetoond. Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] zijn dus niet aansprakelijk voor eventuele door [appellant 1] c.s. geleden schade.

2De procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 24 januari 2024, waarmee [appellant 1] c.s. in hoger beroep zijn gekomen van:

1. het tussenvonnis van 20 juli 2022 en het eindvonnis van 15 november 2023 van de rechtbank Den Haag, onder zaaknummer C/09/621323/HA ZA 21-1041 gewezen tussen [appellant 1] c.s. als eisers en Otjiaha als gedaagde;

2. het tussenvonnis van 20 juli 2022 en het eindvonnis van 15 november 2023 van de rechtbank Den Haag, onder zaaknummer C/09/624251/HA ZA 22-93 gewezen tussen [appellant 1] c.s. als eisers en Capital Support Bewind en Executele B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [geïntimeerde [wijlen]] ; 2

- de memorie van grieven van [appellant 1] c.s. (met producties 68 tot en met 81);

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel van Otjiaha en de erven [geïntimeerde [wijlen]] (met producties G11 tot en met G18);

- de memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel appel van [appellant 1] c.s.;

- de Akte overlegging producties van [appellant 1] c.s. (met producties 82 t/m 113);

- de Akte inbreng aanvullende producties van [appellant 1] c.s. (met producties 114-116);

- de Akte inbreng aanvullende productie 115A van [appellant 1] c.s. (met productie 115A);

- de Akte overlegging aanvullende producties van Otjiaha c.s. (met producties G19 t/m G21);

- de Akte overlegging aanvullende producties van Otjiaha c.s. (met productie G22);

- de pleitnota’s die mrs. L. Zegveld en T.J.R. van der Sommen namens [appellant 1] c.s. en mrs. L. Authier en J. de Koning namens Otjiaha en de erven [geïntimeerde [wijlen]] hebben overgelegd bij gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling.

2.2

Otjiaha heette tot 28 december 2010 Melchemie Holland B.V. Hoewel deze zaak gaat over het optreden van Otjiaha in de jaren ’80 van de vorige eeuw, toen zij nog Melchemie Holland B.V. heette, zal Otjiaha hierna in beginsel steeds ‘Otjiaha’ worden genoemd. Het gaat immers om dezelfde rechtspersoon. Als dit gezien de context duidelijker is of de stellingen van partijen dit meebrengen zal Otjiaha af en toe ook als ‘Melchemie’ worden aangeduid als het gaat over de periode waarin Otjiaha nog Melchemie Holland B.V. heette. Inhoudelijk is geen verschil beoogd.

3Schets van het procesverloop en de diverse betrokken partijen

3.1

[appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 4] en [appellant 5] zijn Iraans staatsburger en stellen in de jaren ’80 van de vorige eeuw onderdeel te hebben uitgemaakt van het Iraanse leger, dat toen verwikkeld was in een oorlog met het Irak van Saddam Hoessein. Hetzelfde geldt voor [appellant [wijlen]] toen hij nog in leven was.

3.2

[appellant 1] c.s. stellen in de loop van die oorlog op Iranees grondgebied in 1984, 1985 en 1986 te zijn aangevallen door het Iraakse leger met mosterdgas en daardoor ernstig verwond en blijvend in hun gezondheid aangetast te zijn.

3.3

[appellant 1] c.s. zijn van mening dat drie Nederlandse partijen medeverantwoordelijkheid dragen voor het gebruik van mosterdgas tegen hen en aansprakelijk zijn voor de daardoor door hen geleden schade. Het gaat om Forafina Beleggingen I B.V. (‘Forafina’), Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] , omdat deze partijen ( [geïntimeerde [wijlen]] in zijn hoedanigheid van toenmalig directeur-grootaandeelhouder van Otjiaha) betrokken zouden zijn geweest bij de levering van één van de grondstoffen (te weten SOCI2) voor mosterdgas aan Irak. Volgens [appellant 1] c.s. wisten Forafina, Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] dat Irak deze grondstof voor de fabricage van mosterdgas zou gebruiken, althans hadden zij dat – zo nodig na onderzoek – moeten weten en hadden zij daarom van levering moeten afzien.

3.4

[appellant 1] c.s. hebben deze drie partijen voor de rechtbank Den Haag gedaagd en, naast een verklaring voor recht, gevorderd hen te veroordelen tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat. De rechtbank heeft op 15 november 2023 tegen de drie gedaagden één eindvonnis gewezen, wat Forafina en Otjiaha betreft onder zaaknummer C/09/621323/HA ZA 21-1041 en wat [geïntimeerde [wijlen]] betreft onder zaaknummer C/09/624251/HA ZA 22-93.

3.4

Tegen Forafina heeft de rechtbank de vordering bij verstek toegewezen. Forafina speelt in dit hoger beroep geen rol.

3.5

De vordering tegen Otjiaha heeft de rechtbank op inhoudelijke gronden afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat op de vorderingen van [appellant 1] c.s. tegen Otjiaha Iraans recht van toepassing is. In de kern komt het oordeel van de rechtbank erop neer dat niet is komen vast te staan dat Otjiaha wist dan wel had moeten weten dat Irak het door Otjiaha geleverde SOCI2 zou gebruiken voor de fabricage van mosterdgas dat zou worden ingezet bij de oorlog van Irak met Iran. Volgens de rechtbank zijn onvoldoende feiten gebleken op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat op Otjiaha een onderzoeksplicht rustte.

3.6

Terwijl de procedure bij de rechtbank liep is het vermogen van [geïntimeerde [wijlen]] bij beschikking van de kantonrechter te Zutphen van 21 maart 2023 onder bewind gesteld, met benoeming van Capital Support Bewind en Executele B.V. tot bewindvoerder (hierna: de bewindvoerder). De bewindvoerder heeft de procedure tegen [geïntimeerde [wijlen]] voortgezet en het eindvonnis is in zoverre dan ook gewezen tegen de bewindvoerder.

3.7

De rechtbank heeft in haar eindvonnis (van 15 november 2023) de vorderingen tegen de bewindvoerder afgewezen, waarbij de rechtbank in het midden heeft gelaten of Iraans of Nederlands recht moet worden toegepast. De rechtbank verwijst naar haar oordeel in de zaak tegen Otjiaha (zie 3.5. hierboven) en constateert dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde [wijlen]] ten tijde van de leveranties van SOCI2 aan Irak in 1982, 1983 en 1984 wist dan wel had moeten weten dat Irak van het door Otjiaha geleverde SOCI2 mosterdgas zou maken dat zou worden ingezet bij de oorlog van Irak met Iran.

3.8

[geïntimeerde [wijlen]] is op [overlijdensdatum] overleden. De erfgenamen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. Op 1 december 2023 zijn mr. R.H. Meppelink en prof. dr. S. Perrick benoemd tot executeurs testamentair (hierna: de Executeurs).

3.9

Bij appeldagvaarding van 24 januari 2024 hebben [appellant 1] c.s. hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank van 20 juli 2022 en 15 november 2023. [appellant 1] c.s. hebben deze dagvaarding laten betekenen aan Otjiaha (ten kantore van de advocaat bij wie zij in vorige instantie laatstelijk woonplaats had gekozen) en aan:

“de gezamenlijke erven van wijlen de heer [geïntimeerde [wijlen]] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en overleden op [overlijdensdatum] , bij leven woonachtig in [plaats] ’ aan de [plaats] te [woonplaats 4] ( [postcode] ) nader te noemen geïntimeerde 2, die voor deze procedure woonplaats kiezen aan het kantooradres van hun advocaten mr. C.J. Hamburger-Knoops en/of mr. G.G.J.A. Knoops (….).”

In een voetnoot is in de appeldagvaarding nog vermeld dat [geïntimeerde [wijlen]] in de eerste aanleg onder bewind kwam te staan van Capital Support Bewind en Executele B.V. die in hoedanigheid van bewindvoerder van [geïntimeerde [wijlen]] door de rechtbank in het eindvonnis als procespartij is aangemerkt.

3.10

Op 21 mei 2024 is verstek verleend tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] .

3.11

Op 17 december 2024 is een lastgevingsovereenkomst gesloten tussen enerzijds de erven [geïntimeerde [wijlen]] en anderzijds de Executeurs 3 (hierna: de Lastgevingsovereenkomst). In de Lastgevingsovereenkomst, waarin wordt geconstateerd dat [appellant 1] c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] , geven de Executeurs aan de erven de last (i) om voor rekening van de Executeurs en op eigen naam aan Knoops’ advocaten opdracht te geven zich te stellen voor de erven [geïntimeerde [wijlen]] en een memorie van antwoord in te dienen, waarin primair wordt geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkheid van [het hof leest: het hoger beroep tegen] de erven [geïntimeerde [wijlen]] en wordt gereageerd op de onderwerpen waarover door [appellant 1] c.s. is gegriefd, en (ii) om voor rekening van de Executeurs en op eigen naam en op naam van de Executeurs in voorwaardelijk incidenteel appel voor de Executeurs als procespartij op te treden en incidenteel appel te doen instellen tegen twee oordelen van de rechtbank die in de Lastgevingsovereenkomst nader zijn omschreven.

3.12

Het verstek tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] is op 25 februari 2025 gezuiverd doordat mr. C.J. Knoops-Hamburger zich alsnog als advocaat voor de erven [geïntimeerde [wijlen]] heeft gesteld.

3.13

Bij memorie van grieven hebben [appellant 1] c.s. zes grieven tegen het eindvonnis aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof de vonnissen waarvan beroep vernietigt en hun vorderingen alsnog toewijst.

3.14

De memorie van antwoord is ingediend namens Otjiaha en de erven [geïntimeerde [wijlen]] . Daarin wordt onder meer betoogd dat [appellant 1] c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] , omdat zij niet hen, maar de Executeurs in rechte hadden moeten betrekken. Voor het geval het hoger beroep tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] wel ontvankelijk zou worden geoordeeld hebben de Executeurs bij de Lastgevingsovereenkomst de erven de last gegeven (in de woorden van de memorie):

“om zich voor de erven te doen stellen en een memorie van antwoord te doen indienen en eveneens om op eigen naam en op naam van de executeurs, en aldus in voorwaardelijk incidenteel appel voor de executeurs als procespartij op te treden, een voorwaardelijk incidenteel appel te doen instellen.” 4

In de memorie van antwoord hebben Otjiaha en de erven [geïntimeerde [wijlen]] de grieven in het principaal hoger beroep bestreden en voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld. De voorwaarde waaronder het incidenteel appel is ingesteld is kennelijk dat een of meer grieven van [appellant 1] c.s. tot vernietiging van het eindvonnis van de rechtbank leiden en de grieven van Otjiaha en de erven [geïntimeerde [wijlen]] hebben de strekking op te komen tegen de verwerping door de rechtbank van enkele van hun verweren. 5 Kort gezegd gaat het om de stellingen van Otjiaha c.s. dat Nederlands recht van toepassing is (en dat de vorderingen van [appellant 1] c.s. naar Nederlands recht zijn verjaard) en dat de Nederlandse openbare orde zich ertegen verzet dat het recht van Iran geen verjaring kent. Wat betreft de erven [geïntimeerde [wijlen]] komt daar blijkens het voorgaande nog bij dat het incidenteel appel is ingesteld onder de voorwaarde dat het hof van oordeel is dat [appellant 1] c.s. ontvankelijk zijn in hun hoger beroep tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] . De erven [geïntimeerde [wijlen]] concluderen dat het hof de vorderingen van [appellant 1] c.s. jegens hen niet-ontvankelijk verklaart, althans het bestreden vonnis bevestigt en de vorderingen jegens hen afwijst, met veroordeling van [appellant 1] c.s. in de kosten van het geding in beide instanties. Otjiaha verzoekt het bestreden vonnis te bevestigen, eveneens met veroordeling van [appellant 1] c.s. in de kosten van het geding in beide instanties.

3.15

Bij memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel appel hebben [appellant 1] c.s. beargumenteerd dat zij ontvankelijk zijn in het hoger beroep tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] en de grieven van Otjiaha c.s. in incidenteel appel bestreden.

3.16

Op 15 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling in deze zaak plaatsgevonden. Daar hebben mrs. L. Zegveld en T.J.R. van der Sommen het woord gevoerd namens [appellant 1] c.s., en mrs. L. Authier en J. de Koning namens Otjiaha en de erven [geïntimeerde [wijlen]] . Op de zitting waren tevens aanwezig mr. R.H. Meppelink en mr. S. Perrick, de executeurs testamentair van de inmiddels overleden [geïntimeerde [wijlen]] . Mr. Perrick heeft kort het woord gevoerd.

4De feiten

4.1

In de jaren tachtig van de vorige eeuw waren Irak en Iran van 22 september 1980 tot 20 augustus 1988 met elkaar in oorlog. Irak stond toen onder leiding van Saddam Hoessein.

4.2

Op 3 november 1983 heeft Iran zich bij de Verenigde Naties beklaagd over aanvallen door Irak met chemische wapens en de secretaris-generaal gevraagd om daarnaar een onderzoek in te stellen.

4.3

Naar het gebruik van chemische wapens door Irak, waaronder mosterdgas, is een onderzoek ingesteld door de Iraq Survey Group, een onderzoeksgroep die na de invasie van Irak in 2003 was ingesteld om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak en die onder leiding stond van het Pentagon en de CIA. De Iraq Survey Group heeft in haar rapport van 30 september 2004 onder meer geschreven dat volgens Irak zelf zij (naast andere gifgassen) ongeveer 1.800 ton mosterdgas had gebruikt en dat ongeveer twee derde van de door haar gebruikte chemische wapens in de laatste 18 maanden van de oorlog was aangewend.

4.4

Mosterdgas, dat voor het eerst op grote schaal werd ingezet in de Eerste Wereldoorlog, kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel en tot een vermindering van de levensverwachting. Tussen partijen is niet in geschil dat Irak door mosterdgas tegen Iran te gebruiken het humanitaire oorlogsrecht schond omdat het gebruik van mosterdgas op grond van het ook destijds geldende internationale recht verboden was.

4.5

Er zijn verschillende methodes om mosterdgas te maken. Meestal wordt daarbij het proces van chlorering toegepast en in dat geval kan mosterdgas niet zonder thiodiglycol (hierna: TDG) worden gemaakt. TDG wordt daarom als ‘precursor’ (voorloper) voor mosterdgas beschouwd.

4.6

Thionylchloride (SOCl2) is één van de stoffen die in combinatie met TDG kan worden gebruikt als chloreringsmiddel (chlorinating agent) voor de productie van mosterdgas. In plaats van SOCl2 kunnen daarvoor ook andere chlorinating agents worden gebruikt, zoals fosfortrichloride en waterstofchloride (zoutzuur). SOCl2 wordt daarnaast ook voor andere (geoorloofde) toepassingen gebruikt, zoals voor de vervaardiging van plastics en pesticiden.

4.7

In juni 1992 heeft Irak bij de United Nations Special Commission (hierna: UNSCOM) de eerste versie ingediend van een rapport genaamd “Iraq’s Full, Final and Complete Disclosure regarding chemical weapons” (hierna: FFCD-rapport). In de daarop volgende jaren heeft Irak nog verschillende nieuwe, steeds verder aangevulde versies van dit rapport ingediend.

4.8

Irak kocht voor de productie van mosterdgas onder meer SOCI2 in. Otjiaha heeft drie keer een partij SOCI2 aan Irak geleverd, telkens in opdracht van The State Establishment for Pesticide Production (‘SEPP’), een onderdeel van het Irakese Ministry of Industry State Organization for Chemical Industries. Wanneer de bestellingen zijn geplaatst of wanneer de leveringen hebben plaatsgevonden is niet steeds precies bekend. Uit het FFCD-rapport blijken wel de nummers van de letters of credit (L/C) 6 die door SEPP voor de levering door Otjiaha van de desbetreffende partijen SOCI2 zijn afgegeven: 7

L/C 82/3/1015 100 ton

L/C 83/3/535 750 ton

L/C 84/3/425 1.000 ton

4.9

Dr. Imad Hoessein, die betrokken is geweest bij de totstandkoming van het FFCD-rapport, heeft in 2005 een verklaring afgelegd als getuige in de Nederlandse strafzaak tegen Van Anraat. In deze verklaring heeft hij de volgende toelichting gegeven op de codering van de L/C’s. Het eerste getal in geeft het jaar aan waarin de L/C is afgegeven. Het vervolgens vermelde cijfer “3” staat voor de locatie, Al Muthanna. Dat is een locatie in Irak waar TDG werd omgezet in mosterdgas. Voor het daarna genoemde getal geldt dat hoe lager dit is, hoe vroeger in het jaar de L/C voor de desbetreffende levering is afgegeven.

4.10

In het voorjaar van 1984 was bij de Nederlandse regering het vermoeden gerezen dat drie Nederlandse bedrijven betrokken waren bij de doorvoer van grote hoeveelheden voorlopers van chemische wapens naar Irak. Binnen de (toenmalige) Europese Gemeenschap kon geen overeenstemming bereikt worden over de vraag voor welke stoffen een uitvoerverbod zou moeten gelden. Nederland heeft daarom besloten tot een nationale maatregel (zie hierna: 4.12).

4.11

De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), een ambtenaar en chemisch wapenspecialist op het Ministerie van Buitenlandse Zaken, heeft in de eerste helft van 1984 de drie bedrijven die mogelijk grondstoffen voor chemische wapens leverden aan Irak, waaronder Otjiaha, telefonisch benaderd en verzocht van dergelijke leveringen aan Irak af te zien

4.12

Op 15 november 1984 is in het Staatsblad gepubliceerd het Besluit houdende regelen ten aanzien van de uitvoer van bepaalde strategische goederen (tiende wijziging Uitvoerbesluit strategische goederen 1963) van de Staatsecretaris van Economische Zaken en de Minister van Buitenlandse Zaken. In verband met het spoedeisende karakter was al bij een ministeriële regeling van 18 april 1984 een voorlopige voorziening getroffen met een met het definitieve besluit overeenkomende inhoud. De Nota van Toelichting bij het definitieve besluit vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

“Het is noodzakelijk gebleken de totstandkoming te bevorderen van een maatregel welke ten doel heeft de uitvoer van bepaalde produkten die geschikt zijn voor de fabricage van chemische strijdmiddelen onder controle te brengen en zo nodig te verhinderen. Daartoe dient het Uitvoerbesluit strategische goederen 1963 (Stb. 128) te worden gewijzigd in dier voege dat aan de bij dit besluit behorende bijlage de bedoelde produkten worden toegevoegd. Het onderhavige besluit strekt daartoe. Op grond hiervan zal voor de uitvoer van deze produkten een vergunning van de Minister van Economische Zaken zijn vereist. Het voorgaande houdt verband met het geconstateerde gebruik van chemische strijdmiddelen in oorlogvoering. Aangezien zodanig gebruik in strijd is met het Protocol van Genève nopens den chemischen en bacteriologischen oorlog van 17 juni 1925 (Stb. 1930, 422) is besloten de uitvoer van de betrokken stoffen aan een vergunningplicht te binden. Van geval tot geval zal in het licht van de internationale rechtsorde worden bezien of een vergunning kan worden verleend dan wel moet worden geweigerd.”

4.13

Dit besluit bevat een lijst van elf chemische stoffen waarvoor een exportvergunning vereist is. TDG is in deze lijst opgenomen, SOCl2 niet.

4.14

Bij brief van 9 maart 1985 heeft SEPP onder meer het volgende aan Otjiaha geschreven:

“We learned that your government may consider actions against your company as they accuse you for being involved in supply for chemical products which may be used for chemical weapons.

As explained before our government also countersigned the international u.n. agreement for not using chemical weapons.

our government strictly follows this agreement. We take such accusation very serious.

As far as the products bought from you are concerned: these products will be used for various industries and most of them are even still stored with the plants. Also see enclosures. As far as POC13 consignments are concerned : these two containers are still in the port and may be returned , if such would satisfy you, and you compensate us with other products.

In case your government not stopping actions against our country, blocking our economy and endangering our good reputation, we foresee serious consequences for our bilateral relationship between our two countries.”

Als bijlage bij de brief is een “Analytical report” gevoegd. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“Chemicals Qty./tons Production

1. Thionyl Chloride 1000 Engineering Plastics/insecticides”

4.15

In 1986 heeft Melchemie op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken afgezien van een voorgenomen levering van SOCl2 aan Irak.

4.16

In september 1986 heeft de politierechter Otjiaha veroordeeld tot een boete van f 100.000 in combinatie met een voorwaardelijke stillegging voor de duur van een jaar met een proeftijd van twee jaar voor de verkoop van POCl3 in een periode dat deze verkoop vergunningsplichtig was. POCI3 is een stof die stond vermeld op de hiervoor onder 4.12 genoemde lijst en die kon worden gebruikt voor de productie van zenuwgas.

4.17

Bij besluit van 20 juli 1987 is SOCl2 opgenomen in de bijlage van het Uitvoeringsbesluit strategische goederen 1963. Dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant van 21 augustus 1987 en een dag later in werking getreden. Vanaf die datum was in Nederland voor de uitvoer van SOCl2 een vergunning nodig.

4.18

Sinds 29 april 1997 valt SOCl2 onder internationale controle en is de stof opgenomen in bijlage 3 bij het Verdrag inzake chemische wapens (CWC). Er gelden voor het verdrag geen beperkingen voor de hoeveelheid of het gebruik van chemische stoffen in bijlage 3, maar er zijn aangifteverplichtingen. Chemische stoffen van bijlage 3 kunnen worden verhandeld met staten die geen partij zijn bij het CWC, mits een eindgebruikerscertificaat wordt verkregen.

5De ontvankelijkheid van het appel tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]]

5.1

De erven [geïntimeerde [wijlen]] hebben aangevoerd dat [appellant 1] c.s. in het tegen hen ingestelde appel niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Volgens de erven [geïntimeerde [wijlen]] hadden [appellant 1] c.s. in hoger beroep de Executeurs moeten dagvaarden.

5.2

Op grond van art. 4:145 lid 2 BW vertegenwoordigt een executeur de erfgenamen in en buiten rechte. Gedurende de tijd dat het beheer van de executeur duurt is een erfgenaam dus niet bevoegd om zonder toestemming van de executeur in rechte op te treden, hetzij als eiser hetzij als gedaagde. 8 Dit betekent dat [appellant 1] c.s. niet de erven [geïntimeerde [wijlen]] maar de Executeurs in hoger beroep hadden moeten dagvaarden. De vraag is of dit verzuim tot niet-ontvankelijkheid van [appellant 1] c.s. in hun hoger beroep tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] moet leiden. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend om de volgende, onderling samenhangende redenen.

5.3

De appeldagvaarding vermeldt dat de erven [geïntimeerde [wijlen]] woonplaats kiezen aan het kantooradres van hun advocaten en betekening heeft blijkens de dagvaarding aan dat kantoor plaatsgevonden. [appellant 1] c.s. stellen dat voorafgaand aan deze betekening mr. Knoops-Hamburger heeft bevestigd dat de appeldagvaarding voor de erven [geïntimeerde [wijlen]] aan haar kantoor kon plaatsvinden. Hoewel niet blijkt dat de Executeurs daar woonplaats hadden gekozen lag het, juist in verband met de exclusieve bevoegdheid van de Executeurs op dit gebied, op de weg van de erven [geïntimeerde [wijlen]] en hun advocaat om de Executeurs van de uitgebrachte appeldagvaarding op de hoogte te stellen. Kennelijk is dat ook gebeurd, want uit de Lastgevingsovereenkomst blijkt dat de Executeurs op de hoogte waren van het hoger beroep. Zij waren ook aanwezig op de zitting in hoger beroep.

5.4

De erven [geïntimeerde [wijlen]] hebben het tegen hen verleende verstek gezuiverd en zijn in het geding verschenen.

5.5

De erven [geïntimeerde [wijlen]] en de Executeurs zijn niet twee los van elkaar staande partijen. Hoewel de Executeurs op grond van de wet eigen bevoegdheden hebben, vertegenwoordigen zij uiteindelijk de erfgenamen. 9

5.6

Niet is gesteld of gebleken dat de erven [geïntimeerde [wijlen]] door hun optreden in dit geding in enig opzicht tegen de wens van de Executeurs zijn ingegaan. Dat ligt ook daarom niet voor de hand, nu het wat de erven [geïntimeerde [wijlen]] betreft gaat om het voeren van verweer tegen een vordering die oorspronkelijk tegen [geïntimeerde [wijlen]] (de erflater) was ingesteld en die [appellant 1] c.s. naar moet worden aangenomen op de boedel zouden willen verhalen. Uit de Lastgevingsovereenkomst blijkt ook dat de Executeurs de erven [geïntimeerde [wijlen]] last hebben gegeven om voor rekening van de Executeurs verweer te voeren en incidenteel appel in te stellen, en bovendien dat de Executeurs ermee instemden dat Knoops advocaten namens de erven [geïntimeerde [wijlen]] zou optreden. De Executeurs zijn door de verkeerd uitgebrachte appeldagvaarding dan ook niet, laat staan onredelijk, in hun belangen geschaad. Op dergelijke belangen heeft mr. Perrick ter zitting ook geen beroep gedaan.

5.7

Gelet op het voorgaande ziet het hof ook geen aanleiding om [appellant 1] c.s. in de gelegenheid te stellen de Executeurs alsnog in het geding op te roepen. De Executeurs zijn immers op zijn laatst ten tijde van de Lastgevingsovereenkomst van het hoger beroep op de hoogte geraakt. Hoewel de Lastgevingsovereenkomst een (beperkte) mogelijkheid biedt voor de erven [geïntimeerde [wijlen]] om ook op naam van de Executeurs te procederen (zie hiervoor 3.11), hebben zij van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

5.8

Dit neemt niet weg dat het in het belang van [appellant 1] c.s. zou kunnen zijn indien de Executeurs alsnog in het geding worden opgeroepen, om te verzekeren dat hun vordering, indien toegewezen, (ook) tegen de Executeurs ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. [appellant 1] c.s. hebben – onder voorwaarde(n) - aangeboden de Executeurs alsnog in het geding op te roepen, maar aan die voorwaarde(n) is niet voldaan (het appel tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] is ook ontvankelijk zonder een dergelijke oproep). Het hof ziet ook overigens geen aanleiding om [appellant 1] c.s. in de gelegenheid te stellen de Executeurs in het geding op te roepen, want zoals hierna zal blijken zullen de vorderingen van [appellant 1] c.s. tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] op inhoudelijke gronden worden afgewezen zodat [appellant 1] c.s. daarbij geen belang hebben.

5.9

De conclusie is dat [appellant 1] c.s. ontvankelijk zijn in het door hen tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] ingestelde appel.

6Algemene overwegingen over het tijdsverloop

6.1

Otjiaha c.s. stellen zich op het standpunt dat de door [appellant 1] c.s. op hen gepretendeerde vorderingen beheerst worden door Nederlands recht en dat dit betekent dat die vorderingen zijn verjaard. Voor zover Iraans recht van toepassing zou worden geacht zijn Otjiaha c.s. van mening dat de regel van Iraans recht dat (behoudens bij hoge uitzondering) geen verjaring bestaat geen toepassing behoort te vinden, omdat deze regel in strijd is met de Nederlandse openbare orde. De rechtbank heeft overwogen dat Iraans recht van toepassing is en dat de vraag of het ontbreken van de verjaring in strijd is met de Nederlandse openbare orde geen bespreking behoeft. Otjiaha c.s. hebben voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld en grieven over deze twee onderwerpen geformuleerd.

6.2

Aangezien, zoals hierna zal blijken, het principaal appel niet slaagt komt het hof niet toe aan de grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel en dus ook niet aan het betoog van Otjiaha c.s. dat de regel van Iraans recht dat in beginsel geen verjaring plaatsvindt in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Dat neemt niet weg dat het hof, ook ambtshalve, ervoor moet zorgdragen dat partijen een eerlijk proces krijgen. In dat kader neemt het hof in aanmerking dat de vorderingen die in deze zaak aan de orde zijn betrekking hebben op feiten die in de eerste helft van de jaren ’80 van de vorige eeuw hebben plaatsgevonden, nu dus meer dan 40 jaar geleden. Het ligt voor de hand dat dit tijdsverloop betekent dat het moeilijker is om vast te stellen wat er in die tijd precies is gebeurd of had kunnen gebeuren, of over welke wetenschap een onderneming als Otjiaha indertijd geacht moet worden te hebben beschikt. Het hof zal dan ook bij de waardering van het bewijs waar dat aangewezen is oog hebben voor het feit dat Otjiaha c.s. door het tijdsverloop in hun verdediging kunnen zijn geschaad.

7Bespreking van de grieven in het principaal appel

7.1.1

De grieven richten zich alle tegen het oordeel van de rechtbank dat bij Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] de – op grond van Iraans recht – voor toerekening en onrechtmatigheid vereiste kennis niet aanwezig was. In grief 1 voeren [appellant 1] c.s. in de eerste plaats aan dat de rechtbank een onjuiste, want te nauwe maatstaf heeft aangelegd. De overige grieven richten zich meer in het bijzonder tegen verschillende feiten en omstandigheden die de rechtbank bij haar oordeel over onrechtmatigheid en toerekening in aanmerking heeft genomen.

7.1.2

Het hof zal in dit hoofdstuk 7 eerst de grieven voor zover gericht tegen Otjiaha bespreken. In hoofdstuk 8 gaat het hof in op de positie van de erven [geïntimeerde [wijlen]] .

Grief 1; het door de rechtbank toegepaste criterium

7.2

De rechtbank heeft overwogen dat vast moet komen te staan dat Otjiaha ten tijde van de leveranties in 1982, 1983 en 1984 wist dan wel had moeten weten dat Irak van de door haar geleverde SOCI2 mosterdgas zou maken, dat zou worden ingezet in de oorlog tussen Irak en Iran (rov. 5.11). Naar het oordeel van de rechtbank is niet voldoende dat komt vast te staan dat Otjiaha wist of kon weten dat Irak met SOCI2 mosterdgas zou gaan maken, want dat zou de levering van chemische stoffen met een duaal gebruik praktisch onmogelijk maken (rov. 5.12).

7.3

[appellant 1] c.s. zijn van mening dat hetgeen de rechtbank overweegt in rov. 5.11 innerlijk tegenstrijdig is aan rov. 5.12. Van tegenstrijdigheid is echter geen sprake. De rechtbank heeft tot uitdrukking gebracht dat voor onrechtmatigheid essentieel is dat Otjiaha wist (of moest weten) dat Irak met de door Otjiaha geleverde SOCI2 mosterdgas zou maken en dat niet voldoende is dat Otjiaha wist (of moest weten) dat Irak met SOCI2 mosterdgas zou maken. Het is ook duidelijk waarom de rechtbank deze extra eis stelt. Met SOCI2 kunnen ook onschuldige producten (zoals plastics en pesticiden) worden gemaakt. De export van SOCI2 voor de fabricage van (bijvoorbeeld) pesticiden zou onmogelijk worden gemaakt indien dergelijke export onrechtmatig zou worden geacht op de enkele grond dat het land van bestemming met (door andere partijen geleverde) SOCI2 mosterdgas maakt. De rechtbank vindt dit terecht te ver gaan. Van innerlijke tegenstrijdigheid is al helemaal geen sprake.

7.4

De kritiek van [appellant 1] c.s. op de door de rechtbank toegepaste maatstaf gaat dus niet op. [appellant 1] c.s. maken verder ook niet duidelijk welke andere maatstaf de rechter dan zou moeten aanleggen. Het hof is van oordeel dat het door de rechtbank in rov. 5.11 geformuleerde criterium juist is en ook in overeenstemming is met Iraans recht, op grond waarvan de basis voor civiele aansprakelijkheid het begrip “fault” is. 10 Overigens leidt het hof uit het deskundigenbericht van dr. Safai af dat het Iraanse recht op dit punt niet wezenlijk verschilt van het Nederlandse begrip onrechtmatige daad.

7.5

[appellant 1] c.s. hebben in het kader van grief 1 ook aangevoerd dat onder de omstandigheden van deze zaak op Otjiaha een zorgplicht rustte en dat zij onderzoek had moeten doen naar het gebruik dat Irak van het door Otjiaha geleverde SOCI2 zou maken. Zoals [appellant 1] c.s. zelf al stellen heeft de rechtbank dit niet miskend maar heeft zij in de omstandigheden van het geval onvoldoende aanleiding gezien om te oordelen dat Otjiaha nader onderzoek had moeten doen (rov. 5.41). Het hof zal de klachten van [appellant 1] c.s. over dit oordeel verderop behandelen in het kader van de bespreking van de stelling van [appellant 1] c.s. dat Otjiaha wist of had moeten weten dat Irak met de door haar geleverde SOCI2 mosterdgas zou maken.

Grief 2; wanneer hebben de leveringen plaatsgevonden

7.6

Met grief 2 betogen [appellant 1] c.s. dat de rechtbank zou hebben miskend wanneer de leveringen door Otjiaha aan Irak hebben plaatsgevonden. [appellant 1] c.s. stellen zich dienaangaande op het volgende standpunt:

L/C 82/3/1015

Deze order (100 ton SOCI2) is laat in 1982 geplaatst en de levering vond vermoedelijk pas in 1983 plaats.

L/C 83/3/535

Deze order (750 ton SOCI2) zal medio 1983 zijn geplaatst en uiterlijk eind 1983 zijn geleverd.

L/C 84/3/425

De bevestiging van deze order (voor 1.000 ton SOCI2, onderdeel van een omvangrijker ‘megaorder’) dateert van 19 april 1984. Uit de memorie van grieven nr. 128 blijkt dat [appellant 1] c.s. met ‘bevestiging’ doelen op het moment waarop de order bij Otjiaha werd geplaatst. 11 Volgens [appellant 1] c.s. vond levering van de 1.000 ton SOCI2 plaats tussen de tweede helft van augustus en de tweede helft van oktober 1984.

[appellant 1] c.s. baseren zich voor deze dateringen op hetgeen Dr. Imad Hossein over de nummering van de L/C’s heeft verklaard (zie hierboven nr. 4.9) en op diens verklaring dat feitelijke levering nagenoeg altijd 4 tot 6 maanden na het opstellen van de L/C plaatsvond.

7.7

Otjiaha heeft tegen deze grief geen (gemotiveerd) verweer gevoerd. Het hof zal er dus vanuit gaan dat de door [appellant 1] c.s. genoemde tijdstippen voor plaatsing van de orders en de levering van de desbetreffende partijen juist zijn. Grief 2 slaagt in zoverre. Op de vraag welke consequenties dit heeft voor de vordering van [appellant 1] c.s. ( [appellant 1] c.s. lopen daar aan het slot van grief 2 op vooruit) en wat Otjiaha op de verschillende tijdstippen wist of had moeten weten over de productie van mosterdgas in Irak gaat het hof hierna in bij de bespreking van de volgende grieven.

Grieven 3, 4 en 5; de wetenschap van Otjiaha

7.8

De grieven 3, 4 en 5 hebben alle betrekking op de vraag welke wetenschap er bij Otjiaha in 1982, 1983 en 1984 (meer in het bijzonder: op de tijdstippen waarop de leveringen van SOCI2 aan Irak plaatsvonden) aanwezig was of – desnoods na onderzoek door Otjiaha – had moeten zijn omtrent de inzet door Irak van mosterdgas op het slagveld en de rol die SOCI2 bij de fabricage van mosterdgas speelde. [appellant 1] c.s. voeren in deze grieven aan dat die wetenschap zodanig was dat Otjiaha zich van deze leveringen had moeten onthouden. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

7.9

Het hof stelt voorop dat het deze grieven zal behandelen aan de hand van het criterium waaraan het handelen van Otjiaha moet worden getoetst, namelijk de vraag of Otjiaha ten tijde van de leveranties in 1982, 1983 en 1984 wist dan wel had moeten weten dat Irak van de door haar geleverde SOCI2 mosterdgas zou maken, dat zou worden ingezet in de oorlog tussen Irak en Iran (zie hiervoor nrs. 7.2-7.4). Het hof benadrukt dat voor toerekening aan en onrechtmatigheid van Otjiaha dus niet voldoende is dat Otjiaha op de relevante tijdstippen wist dat Irak mosterdgas op het slagveld inzette en ook niet dat Irak dat deed met mosterdgas dat geproduceerd was met SOCI2. Het gaat erom of Otjiaha wist of behoorde te weten dat Irak mosterdgas produceerde met het door haar (Otjiaha) geleverde SOCI2. De bewijslast hiervan rust op [appellant 1] c.s.

7.10

Over de wetenschap van Otjiaha merkt het hof allereerst het volgende op. Indien Otjiaha inderdaad wist of – na onderzoek – had moeten weten dat met de door haar geleverde SOCI2 mosterdgas werd gemaakt dat op het slagveld werd ingezet, is dat toerekenbaar onrechtmatig naar Iraans recht en is verder niet van belang dat de uitvoer van SOCI2 toentertijd door de Nederlandse overheid niet verboden of vergunningsplichtig was. Dat neemt niet weg dat het feit dat uitvoer van SOCI2 (in tegenstelling tot andere stoffen) niet verboden was wel van invloed is op de vraag wat Otjiaha wist of moest weten over deze stof en de levering daarvan aan Irak. Het is op zichzelf niet onbegrijpelijk dat een bedrijf als Otjiaha, een handelaar in diverse chemische grondstoffen, zich voor de vraag welke stoffen zij zonder vergunning mag uitvoeren in de eerste plaats oriënteert op de in Nederland geldende regelgeving. Die regelgeving is en was er immers juist (ook) op gericht te voorkomen dat vanuit Nederland chemische stoffen worden geëxporteerd die voor de fabricage van chemische oorlogsvoering worden gebruikt.

7.11

[appellant 1] c.s. hebben aangevoerd dat Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] ervaren handelaren waren in chemische stoffen en dat van hen had mogen worden verwacht dat zij wisten dat SOCI2 een (al dan niet belangrijke) grondstof voor de productie van mosterdgas was. Het hof is daarvan niet overtuigd. [appellant 1] c.s. hebben onvoldoende onderbouwd welke specifieke kennis bij Otjiaha c.s. op dit punt aanwezig was. Het enkele feit dat Otjiaha wereldwijd als ‘broker’ (tussenhandelaar) in (niet door haarzelf geproduceerde) chemische grondstoffen optrad maakt nog niet dat zij kennis had of had moeten hebben van alle mogelijke toepassingen van de door haar verhandelde grondstoffen, waaronder SOCI2. Meer in het bijzonder maakt het niet dat zij kennis had of had moeten hebben van het feit dat deze stof gebruikt kon worden voor de productie van mosterdgas. [appellant 1] c.s. hebben over eventuele daadwerkelijk bij Otjiaha of [geïntimeerde [wijlen]] aanwezige deskundigheid, bijvoorbeeld aan de hand van opleiding of expertise van [geïntimeerde [wijlen]] of andere werknemers van Otjiaha, niets gesteld. Het feit dat bij experts op het gebied van chemische oorlogsvoering (al sinds jaren twintig) algemeen bekend was dat SOCI2 kon worden gebruikt voor de productie van mosterdgas, betekent – zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt – nog niet dat die kennis ook bij Otjiaha of [geïntimeerde [wijlen]] aanwezig was of had moeten zijn. Het hof is het ook niet eens met de stelling dat het enkele feit dat Otjiaha in chemische stoffen handelde, betekent dat dergelijke kennis bij haar mag worden verondersteld of dat het ontbreken daarvan voor haar risico komt. In ieder geval voor ‘dual use’ grondstoffen zoals SOCI2, dat dus ook voor niet-militaire doeleinden kan worden gebruikt, in tegenstelling tot grondstoffen die alleen voor de fabricage van chemische wapens kunnen worden gebruikt, mag dergelijke kennis niet zonder meer worden verondersteld; die kennis moeten [appellant 1] c.s. aannemelijk maken maar dat hebben zij niet gedaan.

7.12

In grief 3 voeren [appellant 1] c.s. aan dat SOCI2 van groot belang was voor de productie in Irak van mosterdgas en dat tot 1987 daarvoor, naast TDG, geen andere grondstof dan SOCI2 werd gebruikt. Wat hier ook van zij, dat Otjiaha dit laatste wist hebben [appellant 1] c.s. niet aangetoond. Het volgt ook niet zonder meer uit het feit dat Otjiaha een vestiging in Irak had en al jarenlang zaken met Irak deed. Uit het dossier blijkt dat Irak zich moeite getroostte de productie van mosterdgas te verhullen, bijvoorbeeld door voor te wenden dat de fabriek in Mutaha gericht was op de fabricage van insecticiden (zie ook memorie van grieven nr. 103). [appellant 1] c.s. hebben niet duidelijk gemaakt hoe de aanwezigheid van Otjiaha in Irak of de ervaring van Otjiaha met handel met Irak tot concrete kennis of vermoedens ten aanzien van de productie van mosterdgas met door Otjiaha geleverd SOCI2 heeft geleid of kon leiden.

7.13

Volgens [appellant 1] c.s. was SOCI2 de te prefereren grondstof voor de productie van mosterdgas en was SOCI2 een cruciale voorloper van mosterdgas. Ook voor deze stellingen geldt dat [appellant 1] c.s. onvoldoende hebben aangetoond dat Otjiaha over dit soort kennis omtrent de fabricage van een specifiek chemisch wapen beschikte. Zelfs als deze stellingen juist zouden zijn doet dat er niet aan af dat SOCI2 in ieder geval óók civiele toepassingen kende en dat het aan [appellant 1] c.s. is om aan te tonen dat Otjiaha er niet van mocht uitgaan dat de door haar aan Irak geleverde SOCI2 een vreedzame toepassing zou kennen. [appellant 1] c.s. stellen wel dat Irak begin jaren tachtig geen pesticide industrie had, maar zij onderbouwen niet waarom dit volgens hen “binnen de branche waarin Melchemie en wijlen [geïntimeerde [wijlen]] bedrijfsmatig opereerden, bekend kon worden geacht”. Otjiaha was niet een producent van insecticiden en hiervoor is er al op gewezen dat Irak de productie van mosterdgas als de productie van pesticiden camoufleerde. Concrete aanwijzingen dat Otjiaha door deze camouflage heen had moeten prikken (of hoe Otjiaha dat had moeten doen) hebben [appellant 1] c.s. niet aangevoerd.

7.14

[appellant 1] c.s. hebben vele producties in het geding gebracht van nationale en internationale media waaruit volgens hen zou moeten worden afgeleid dat Otjiaha over zodanige kennis beschikte of had moeten beschikken dat zij in 1982, 1983 maar in ieder geval in 1984, van levering van SOCI2 had moeten afzien. Voor zover [appellant 1] c.s. zich in dat verband beroepen op internationale publicaties (zoals Newsweek of The Times) of op publicaties van of bestemd voor de Verenigde Naties, gaat het hof daaraan voorbij. Dat dergelijke publicaties ter attentie van Otjiaha zijn gekomen is niet aannemelijk gemaakt, te meer niet nu dit speelde in een tijd dat internet niet bestond. [appellant 1] c.s. hebben daarnaast vele artikelen (van november 1983 tot en met maart 1984) uit Nederlandse kranten in het geding gebracht. Daaruit valt wel af te leiden dat het in die periode (in Nederland) in toenemende mate een feit van algemene bekendheid was dat Irak chemische wapens, waaronder mosterdgas, gebruikte, maar daarmee is nog niet aangetoond wat [appellant 1] c.s. voor het slagen van hun vordering zouden moeten aantonen, namelijk dat Otjiaha ten tijde van de leveranties in 1982, 1983 en 1984 wist dan wel had moeten weten dat Irak van de door haar geleverde SOCI2 mosterdgas zou maken, dat zou worden ingezet in de oorlog tussen Irak en Iran (zie hiervoor nr. 7.9). Dat volgt niet uit de door [appellant 1] c.s. in het geding gebrachte publicaties.

7.15

[appellant 1] c.s. hebben daarnaast een beroep gedaan op de contacten die [naam 1] , destijds chemische wapens specialist op het Ministerie van Buitenlandse Zaken had met Otjiaha. [naam 1] heeft op 2 april 1984 telefonisch gesproken met de heer [naam 2] ( [naam 2] ) van Otjiaha, op een later tijdstip met [geïntimeerde [wijlen]] en op 27 april 1984 met de heer [naam 3] van Otjiaha. [appellant 1] c.s. hebben een schriftelijke verklaring van [naam 1] gedateerd 31 mei 2026 in het geding gebracht waarin hij verklaart over het telefoongesprek met Otjiaha dat op 2 april 1984 plaatsvond. 12 Verder bevinden zich in het dossier interne memo’s van [naam 1] van 2 en 5 april 1984 waarin op zijn contacten met (onder andere) Otjiaha is ingegaan. 13 [naam 1] heeft ook een verklaring afgelegd in de strafzaak tegen Van Anraat die [appellant 1] c.s. in het geding hebben gebracht. 14 Ten slotte hebben [appellant 1] c.s. een intern memo van [naam 2] in het geding gebracht waarbij een verslag is gevoegd van het gesprek dat [naam 2] op 2 april 1984 met [naam 1] had gevoerd. 15

7.16

In de verklaring van [naam 1] van 31 mei 2026 staat dat [naam 1] op 2 april 1984 tegen [naam 2] van Otjiaha heeft gezegd dat Irak op grote schaal chemische wapens gebruikte, dat het de grondstoffen daarvoor onder het mom van bestrijdingsmiddelen voor de landbouw onder meer via Nederlandse bedrijven probeerde aan te kopen en dat, hoewel sommige van de gewraakte grondstoffen ook civiele toepassingen hebben, de bestelde hoeveelheden en de combinatie met andere voorlopers er geen twijfel over laat dat zij bestemd zijn voor de productie van chemische wapens. [naam 1] deed blijkens deze verklaring een dringend beroep op Otjiaha om verdachte leveranties aan Irak te stoppen.

7.17

De verklaring van [naam 1] is in overeenstemming met het memo van [naam 2] (prod. 114), waarin wordt bevestigd dat [naam 1] heeft gezegd dat de buitensporig grote hoeveelheden alsmede een combinatie van bestellingen indicaties vormen voor Otjiaha dat grondstoffen voor de productie van chemische wapens worden gebruikt . Verder blijkt uit dit memo dat [naam 1] op 2 april 1984 heeft gezegd dat Irak intussen mosterdgas heeft gebruikt en dat er bewijs is verkregen dat zich in Irak vijf fabriekjes van zenuwgassen in aanbouw bevinden.

7.18

De vraag is of hieruit de gevolgtrekking moet worden gemaakt dat Otjiaha vanaf 2 april 1984 of kort daarna wist dan wel had moeten weten dat Irak van de door haar geleverde SOCI2 mosterdgas zou maken en om die reden van de laatste levering, die van 1.000 ton SOCI2, had moeten afzien. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. In de eerste plaats omdat [naam 1] kennelijk niet met zoveel woorden SOCI2 als verdachte grondstof tegenover Otjiaha heeft genoemd. Dat [naam 1] op de hoogte was van de ‘megaorder’ (of de samenstelling daarvan) die op dat moment bij Otjiaha in de pijplijn zat is niet gesteld of gebleken. Kennelijk liet [naam 1] het aan Otjiaha over om zelf te bepalen welke orders als ‘verdacht’ moesten worden aangemerkt aan de hand van de daarvoor door hem aangereikte handvatten: de bestelde hoeveelheden en de combinatie met andere voorlopers.

7.19

Het hof is van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om vast te kunnen stellen dat de in 1984 bij Otjiaha bestelde hoeveelheid SOCI2 dermate omvangrijk was dat deze voor geen ander doel kon dienen dan de productie van mosterdgas. Volgens [appellant 1] c.s. was de bestelling van 1.000 ton SOCI2 11,11% van de wereldproductie, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat Otjiaha daaruit had moeten afleiden dat de bestelde SOCI2 voor de fabricage van mosterdgas zou worden gebruikt. [appellant 1] c.s. hebben hun stellingen omtrent de ongebruikelijk grote hoeveelheden niet onderbouwd met gegevens over hoeveel SOCI2 nodig is om pesticiden te produceren en waarom Otjiaha, bezien tegen de achtergrond van de omvang van de landbouw in Irak, in redelijkheid niet kon menen dat de bestelde SOCI2 niet voor de fabricage van pesticiden kon worden gebruikt. Otjiaha hoefde de in 1984 bestelde hoeveelheid ook niet op te tellen bij de twee eerdere leveringen van SOCI2 in voorgaande jaren want het was heel goed denkbaar dat Irak die leveranties inmiddels had gebruikt voor een legitiem doel zoals de fabricage van pesticiden.

7.20

Hiervoor is al overwogen dat niet is komen vast te staan dat bij Otjiaha voldoende kennis over de productie van chemische wapens, met name van mosterdgas, aanwezig was. Zelfs de bestelling van een ongebruikelijke hoeveelheid SOCI2 hoefde op zichzelf dus nog niet tot de conclusie te leiden dat het dus moest gaan om de productie van mosterdgas. In de memorie van grieven nr. 108 stellen [appellant 1] c.s. nog dat het Ministerie van Economische Zaken in een brief van 17 maart 1986 aan Otjiaha had bevestigd dat de bestelling door Irak van 500 ton SOCI2 het ministerie met grote zorg vervulde en dat de desbetreffende hoeveelheid te groot is voor normaal industrieel gebruik. Deze brief dateert van ruim na de litigieuze leveringen van SOCI2 aan Irak. Productie 30, waarnaar [appellant 1] c.s. op deze plek verwijzen is echter van 18 maart 1986 en bevat niet de passage over normaal industrieel gebruik die [appellant 1] c.s. hier citeren. In deze brief wordt overigens bevestigd dat thionylchloride (SOCI2) als zodanig niet als sleutelvoorloper voor de productie van chemische wapens kan worden aangemerkt (‘en daarom niet onder vergunning is gebracht’) maar wel in combinatie met thiodiglycol (TDG). Irak kocht echter geen TDG van Otjiaha. De partijdeskundige Terzić heeft (gemotiveerd) verklaard dat kwalificaties als “remarkably high” of “regular” voor hoeveelheden SOCI2 technisch niet verdedigbaar zijn. 16 Hiervoor is reeds overwogen dat niet is komen vast te staan dat Otjiaha wist of behoorde te weten dat Irak niet over een pesticide-industrie beschikte.

7.21

De tweede indicatie die [naam 1] noemde is de combinatie van chemische stoffen. Voor de productie van mosterdgas door middel van chlorering is (naast een chloreringsmiddel als SOCI2) in ieder geval TDG nodig. Irak bestelde echter geen TDG bij Otjiaha, zoals hierboven (7.20) al vermeld, en deze stof maakte dan ook geen deel uit van de ‘megaorder’ van voorjaar 1984. De combinatie van de in deze megaorder bestelde stoffen hoefde voor Otjiaha dan ook geen aanleiding te zijn voor een vermoeden dat de bij haar bestelde SOCI2 zou worden gebruikt voor de productie van mosterdgas. Dat Otjiaha wist welke stoffen Irak van andere bedrijven betrok is niet gesteld of gebleken. Het feit dat dit inmiddels wel bekend is (vgl. memorie van grieven nr. 125) doet daar niet aan af.

7.22

De conclusie is dat Otjiaha uit de gesprekken met [naam 1] niet hoefde op te maken dat Irak de bestelde SOCI2 zou gebruiken om mosterdgas mee te maken. [appellant 1] c.s. hebben nog wel een beroep gedaan op een verklaring van ambassadeur [naam 4] , die ‘ergens in 1982’ tegenover een werknemer van Otjiaha een ‘toespeling’ zou hebben gemaakt ‘op het feit dat er natuurlijk chemicaliën bij die gifgasaanvallen werd gebruikt’. 17 Deze (behoorlijk vage) verklaring rechtvaardigt niet de conclusie (memorie van grieven nr. 137) dat [naam 4] een vertegenwoordiger van Otjiaha in Bagdad ‘op de man af’ informeerde ‘over het risico van gebruik van de door Otjiaha aan Irak geleverde chemicaliën’. Hoe dit ook zij, dat de mededeling van [naam 4] specifiek betrekking had op de levering van SOCI2 of de productie van mosterdgas blijkt niet.

7.23

[appellant 1] c.s. hebben aangevoerd dat op Otjiaha in ieder geval de plicht rustte om terdege onderzoek te doen naar de vraag of Irak geen mosterdgas zou maken met de bestelde SOCI2. [appellant 1] c.s. hebben echter niet gesteld, laat staan onderbouwd, welk onderzoek Otjiaha precies had moeten instellen en waarom de uitslag van dat onderzoek, indien het was ingesteld, zou zijn geweest dat Irak inderdaad mosterdgas maakte met de van Otjiaha gekochte SOCI2. Het enkele feit dat thans bekend is dat Irak de door Otjiaha geleverde SOCI2 daarvoor gebruikte betekent niet dat onderzoek van Otjiaha dit toentertijd aan het licht zou hebben gebracht. Vast staat dat Irak de fabricage van mosterdgas verhulde. Dat Otjiaha van Irak een eerlijk antwoord zou hebben gekregen indien zij specifiek had geïnformeerd waarvoor Irak de SOCI2 zou gebruiken is niet aannemelijk. Welk ander onderzoek Otjiaha had moeten instellen en waarom dat wel resultaat zou hebben opgeleverd hebben [appellant 1] c.s. niet duidelijk gemaakt.

7.24

Het hof laat in het midden of het Iraanse recht (van de jaren ’80) in algemene zin een onderzoeksplicht voor een bedrijf als Otjiaha kende. Ook indien dat zo zou zijn is het hof van oordeel dat onder de omstandigheden van dit specifieke geval geen onderzoeksplicht op Otjiaha rustte. De export van SOCI2 was niet, zoals andere stoffen met ingang van 18 april 1984 wel, aan een vergunning onderworpen (zie hiervoor nr. 4.12). Het is niet onbegrijpelijk dat een bedrijf als Otjiaha zich daarop mede oriënteerde, zoals hierboven (7.10) al overwogen. Otjiaha heeft bovendien naar aanleiding van de gesprekken met [naam 1] geïnformeerd bij de Vereniging Nederlandse Chemische Industrie (VNCI). De VNCI heeft aan Otjiaha een lijst van 21 grondstoffen voor de productie van chemische wapens gegeven. Op die lijst kwam SOCI2 niet voor. 18 Otjiaha was niet gehouden verdergaand onderzoek te doen. De hiervoor besproken omstandigheden van het geval vormden, op de hiervoor genoemde gronden, onvoldoende concrete aanleiding voor Otjiaha om een verdergaand onderzoek in te stellen (daargelaten de mogelijkheden daartoe).

7.25

[appellant 1] c.s. hebben gewezen op het feit dat Otjiaha in 1986 strafrechtelijk is veroordeeld voor de uitvoer van POCI3 zonder de vereiste vergunning. Dit is volgens [appellant 1] c.s. van belang omdat deze stof deel uitmaakte van dezelfde megaorder in 1984 waarbij ook SOCI2 werd besteld en omdat het inzicht zou verschaffen in de werkwijze van Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] (‘list en bedrog’ volgens [appellant 1] c.s.). Wat er van deze veroordeling of de daaruit door [appellant 1] c.s. getrokken conclusies ook zij, het valt niet in te zien dat dit enige relevantie heeft voor de vraag of Otjiaha had mogen overgaan tot de levering van SOCI2 aan Irak, alleen al omdat POCI3 een andere stof is waarvoor wél een exportvergunning nodig was.

7.26

[appellant 1] c.s. gaan ook nog in op de ‘Dear gentlemen’-brief van 9 maart 1985 19. Daaruit zou volgens [appellant 1] c.s. zijn af te leiden dat Otjiaha de SOCI2-levering van 1.000 ton in maart 1985 nog (deels) hadden kunnen terughalen. Ook zou deze brief illustreren dat Otjiaha er niet voor terugdeinsde om zich van schriftelijke stukken te voorzien om onrechtmatige praktijken af te dekken. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat deze brief niet relevant is voor dit geding. Hiervoor is overwogen dat Otjiaha door de bestelde SOCI2 te leveren niet onrechtmatig handelde. [appellant 1] c.s. maken niet duidelijk waarom er tegen die achtergrond toch nog aanleiding zou zijn de geleverde SOCI2 in 1985 ‘terug te halen’. Dat er tussen het plaatsen van de order in april 1984 en maart 1985 essentiële informatie voor Otjiaha beschikbaar kwam die aanleiding had moeten zijn voor Otjiaha om deze partij SOCI2 terug te halen hebben [appellant 1] c.s. niet aangevoerd. Bovendien volgt uit het enkele feit dat SEPP zich in deze brief bereid verklaarde een partij POCI3 terug te zenden niet dat Irak ook bereid was de door Otjiaha geleverde SOCI2 (anders dan POCI3 niet een in Nederland vergunningsplichtige stof) te retourneren. Of Otjiaha de bewuste brief van SEPP aan zich heeft laten schrijven om zich te disculperen, zoals [appellant 1] c.s. suggereren maar niet onderbouwen, is niet relevant, omdat het hof deze brief buiten beschouwing laat en deze ook niets aantoont over de wetenschap van Otjiaha over de productie van mosterdgas met de door Otjiaha geleverde SOCI2.

7.27

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grieven 3, 4 en 5 falen.

Grief 6; opstelling Nederlandse regering

7.28

Grief 6 richt zich tegen het feit dat de rechtbank gewicht heeft toegekend aan de opstelling van de Nederlandse regering, die begin jaren tachtig onder meer de handel met Irak stimuleerde en terughoudend zou zijn geweest met het opleggen van vergaande handelsbeperkingen. De bedoelde overwegingen van de rechtbank zijn echter niet dragend geweest voor het oordeel van de rechtbank. Ook voor het oordeel van het hof is de opstelling van de Nederlandse regering in deze zaak niet relevant (afgezien van het feit dat SOCI2 niet vergunningsplichtig was gemaakt, zie daarover hiervoor nr. 7.10). [appellant 1] c.s. stellen terecht dat het gaat om de objectieve en subjectieve kennis van Otjiaha c.s. en het hof beoordeelt de vorderingen ook in dat licht. [appellant 1] c.s. hebben dus geen belang bij deze grief en het hof hoeft daarop dus niet verder in te gaan.

Bewijsaanbod

7.29

[appellant 1] c.s. hebben aangeboden om, behalve zichzelf, [naam 1] en de heer [naam 5] (hierna: [naam 5] ), begin jaren tachtig leidinggevende van [naam 1] , als getuigen te horen. Het hof passeert dit bewijsaanbod om de volgende redenen. Over de gesprekken die [naam 1] voerde met medewerkers van Otjiaha zijn de hiervoor onder 7.15 vermelde stukken beschikbaar, waarbij het onder meer gaat om stukken die rond 2 april 1984 zijn opgesteld. Daarnaast is een recente schriftelijke verklaring van [naam 1] in het geding gebracht, die op de relevante punten overeenstemt met het interne verslag van dat gesprek dat [naam 2] op of kort na 2 april 1984 heeft opgesteld. Dat [naam 1] als getuige meer of anders zou verklaren dan uit deze stukken blijkt hebben [appellant 1] c.s. niet gesteld, laat staan dat zij hebben gemotiveerd waarom dat meer of andere relevant voor deze procedure zou zijn. Hetzelfde geldt voor [naam 5] , want waarom, naast hetgeen daarover al uit het dossier blijkt, een nadere toelichting op ‘de opstelling van de Nederlandse regering met betrekking tot de handel in chemicaliën met Irak’ relevant zou zijn is niet duidelijk. Dat de regering zorgen had over het Iraakse chemische wapenprogramma en dat dit de achtergrond was van de gesprekken die [naam 1] met onder meer Otjiaha voerde staat wel vast. Nader bewijs op dit punt is dus niet nodig. [appellant 1] c.s. stellen ook niet dat [naam 5] zelf contact heeft gehad met Otjiaha.

7.30

[appellant 1] c.s. bieden deskundigenbewijs aan in de vorm van een door het hof aan te stellen onafhankelijke (landbouw)deskundige om, als het hof het goed begrijpt, aan te tonen dat Otjiaha (en [geïntimeerde [wijlen]] ) ten tijde van de litigieuze SOCI2-leveringen zonder meer hebben geweten dat de hoeveelheden die Irak daarvan inkocht hoe dan ook te groot waren om ‘dat doel’ (kennelijk is bedoeld: de (agrarische) industrie) exclusief te kunnen dienen. Het hof acht het hoogst twijfelachtig of een deskundige zou kunnen verklaren over dat wat Otjiaha (of [geïntimeerde [wijlen]] ) begin jaren ’80 wisten aangezien dat een grotendeels feitelijke kwestie is. Ook als [appellant 1] c.s. bedoelen dat de deskundige zijn of haar licht zou kunnen laten schijnen over hetgeen Otjiaha (en [geïntimeerde [wijlen]] ) indertijd hadden moeten weten, vindt het hof dat niet een vraag waarop een (landbouw)deskundige een zinvol antwoord zal kunnen geven, te meer niet nu het gaat om (veronderstelde) wetenschap ten aanzien van een situatie van meer dan 40 jaar geleden. Het hof heeft geen behoefte aan een deskundigenbericht.

7.31

[appellant 1] c.s. (uitgezonderd [appellant [wijlen]] ) hebben ook zichzelf als getuigen aangeboden en geven aan dat zij kunnen worden gehoord over hetgeen hen is overkomen en de gevolgen daarvan. Nu het hof niet toekomt aan de door [appellant 1] c.s. geleden schade of het causaal verband met het handelen van Otjiaha gaat het hof ook aan dit bewijsaanbod voorbij.

7.32

De conclusie is dat de grieven tegen het vonnis voor zover gewezen tussen [appellant 1] c.s. en Otjiaha niet leiden tot vernietiging van de vonnissen van de rechtbank.

8De erven [geïntimeerde [wijlen]]

8.1

De rechtbank heeft in het midden gelaten of op de vorderingen van [appellant 1] c.s. tegen [geïntimeerde [wijlen]] Nederlands of Iraans recht van toepassing is (rov. 5.48). De rechtbank heeft overwogen dat hetgeen zij heeft overwogen in de zaak tegen Otjiaha van overeenkomstige toepassing is in de zaak tegen [geïntimeerde [wijlen]] en dat de vordering tegen [geïntimeerde [wijlen]] zal worden afgewezen omdat [appellant 1] c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld die de conclusie kunnen dragen dat [geïntimeerde [wijlen]] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Tegen dit oordeel hebben [appellant 1] c.s. geen afzonderlijke grief aangevoerd.

8.2

Het hof onderschrijft dit oordeel van de rechtbank. Nu de vordering van [appellant 1] c.s. tegen Otjiaha faalt brengt dit mee dat ook de vordering tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] moet worden afgewezen. Dat [geïntimeerde [wijlen]] over meer kennis of informatie beschikte dan Otjiaha is niet aangevoerd en dat is ook nauwelijks voorstelbaar nu [geïntimeerde [wijlen]] directeur grootaandeelhouder van Otjiaha was.

8.3

Voor zover de grieven van [appellant 1] c.s. tevens tegen het oordeel van de rechtbank in de zaak tegen [geïntimeerde [wijlen]] zijn gericht kunnen zij evenmin tot vernietiging van de rechtbankvonnissen leiden.

9Conclusie

9.1

De grieven in het principaal appel falen. Het hof zal de vonnissen van de rechtbank van 20 juli 2022 en 15 november 2023 bekrachtigen en [appellant 1] c.s. veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.

9.2

Aan de grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel komt het hof niet toe, nu niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder het incidenteel appel is ingesteld. Het hof zal [appellant 1] c.s. veroordelen in de kosten van het incidenteel appel.

Beslissing

Het hof:

in het principaal appel:

  • bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank van 20 juli 2022 en 15 november 2023;

  • veroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Otjiaha c.s. begroot op € 987 (€ 798 griffierecht en € 189 nakosten) en € 3.870 (3 punten in tarief II à € 1.290) voor salaris van de advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant 1] c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;

  • bepaalt dat als [appellant 1] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant 1] c.s. de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant 1] c.s. deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;

  • verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidenteel appel:

- verstaat dat het incidenteel appel niet aan de orde is;

  • veroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Otjiaha c.s. begroot op € 1.935 voor salaris van de advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant 1] c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;

  • verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, E.M. Dousma-Valk en C. Mak, en op 29 september 2026 in het openbaar uitgesproken, in aanwezigheid van de griffier.

1

Zie hierna onder 2.3.

2

ECLI:NL:RBDHA:2022:7462 (tussenvonnis) en ECLI:NL:RBDHA:2023:17263 (eindvonnis).

3

Productie G11.

4

Memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel nr. 10.

5

Memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel nr. 12-13.

6

Documentair krediet.

7

Zie rov. 3.11 van het eindvonnis van de rechtbank en memorie van grieven nr. 53. Dat Melchemie deze drie partijen SOCI2 aan Irak heeft geleverd staat tussen partijen vast.

8

Asser/Perrick 4 2025/ 692; HR 1 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:495; NJ 2022, 151 rov. 3.3.

9

Asser/Perrick 4 2025/692; Schols, in: T&C BW, art. 4:145, aant. 4.

10

Deskundigenbericht van prof. Dr. S.H. Safai van 7 oktober 2012 pag. 3 (prod. 54 [appellant 1] c.s.).

11

Tijdens de zitting in hoger beroep hebben [appellant 1] c.s. overigens gesteld dat Otjiaha deze order op 9 maart 1984 kreeg (pleitnota mr. Zegveld nr. 23 (viii) en nr. 36). Het hof zal ervan uitgaan dat de order pas definitief werd op 19 april 1984.

12

Prod. 116.

13

Producties 91 en 63 [appellant 1] c.s.

14

Prod. 44.

15

Prod. 114.

16

Productie 3 Otjiaha c.s. pag. 10-11.

17

Memorie van grieven voetnoot 140.

18

Memorie van antwoord nr. 116; productie 114 (memo [naam 2] ).

19

Productie 34 [appellant 1] c.s.

meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Meer fiscale opties pensioenverrekening samenwoners
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 06-05-2025
Jasper Horsthuis en Rob Welling gaan in gesprek over een recente uitbreiding van de fiscale mogelijkheden voor pensioenverrekening door samenwoners. Zij bepleiten een verdere verruiming van de regeling.
Podcastgesprek: Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente (II)
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 22-04-2025
De Belastingdienst heeft - opnieuw - een standpunt gepubliceerd over de fiscale afwikkeling van een lijfrentepolis bij echtscheiding. Rob Welling en Jasper Horsthuis bespreken de gevolgen hiervan.
Podcastgesprek: Breaking! Vóórhuwelijks vergoedingsrecht halveert niet!
Drs. Jasper Horsthuis en Rob Welling, 08-04-2025
Onze redacteur Jasper Horsthuis en scheidingsfiscalist Rob Welling gingen in gesprek over de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad op 21-03-2025. Super heldere uitleg over inhoud en gevolgen van de uitspraak!
Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dat bij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

€ ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN