Essentie (gemaakt door AI)
Ontvankelijkheid hoger beroep tegen erfgenamen waarin, ondanks benoeming van executeurs, ontvankelijkheid wordt aangenomen omdat executeurs feitelijk betrokken zijn en niet in belangen geschaad zijn art. 4:145 lid 2 BW. Inhoudelijk: op Iraans recht moet vaststaan dat Otjiaha en erflater wisten of moesten weten dat met door Otjiaha geleverde SOCl2 mosterdgas zou worden gemaakt. Dat is niet bewezen; geen onderzoeksplicht onder omstandigheden. Vorderingen worden afgewezen; vonnissen bekrachtigd; proceskostenveroordeling van appellanten.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 29-09-2026 |
| Zaaknummer | 200.341.271/01 |
| Procedure | Hoger beroep |
| Zittingsplaats | Den Haag |
| Formele relaties | Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2022:7462, (niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl) Bekrachtiging/bevestiging; Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2023:17263, (niet gepubliceerd op Rechtspraak.nl) Bekrachtiging/bevestiging |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Trefwoorden | Erfrecht; Familieprocesrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid hoger beroep ingesteld tegen erfgenamen als executeurs-testamentair zijn benoemd. Nederlands bedrijf zou in de jaren '80 grondstof voor de productie van mosterdgas aan Irak hebben geleverd. Is dat bedrijf aansprakelijk jegens Iraanse slachtoffers van aanvallen met mosterdgas door Irak? Iraans recht.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zaaknummer hof : 200.341.271/01
Zaaknummers rechtbank : C/09/621323/HA ZA 21-1041 en
C/09/624251/HA ZA 22-93
Arrest van 29 september 2026
in de zaak van
1 [appellant 1] ,
wonende in [woonplaats 1] (Iran),
hierna ook: [appellant 1] ,
2 [appellant 2] ,
wonende in [woonplaats 2] (Iran),
hierna ook: [appellant 2] ,
3de gezamenlijke erven van [appellant [wijlen]] ,
voorheen wonende in [woonplaats 3] (Iran),
hierna ook: [appellant [wijlen]] ,
4 [appellant 4] ,
wonende in Iran,
hierna ook: [appellant 4] ,
5 [appellant 5] ,
wonende in Iran,
hierna ook: [appellant 5] ,
appellanten,
advocaat: mr. L. Zegveld in Amsterdam,
tegen
1Otjiaha B.V.,
gevestigd in Arnhem,
2de gezamenlijke erven van [geïntimeerde [wijlen]] ,
voorheen wonende in [woonplaats 4] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. C.J. Knoops-Hamburger.
Het hof zal partijen hierna ook noemen:
- appellanten onder 1 t/m 5: [appellant 1] c.s.,
- geïntimeerde onder 1: Otjiaha of Melchemie
1,
- geïntimeerden onder 2: de erven [geïntimeerde [wijlen]] ,
- erflater [geïntimeerde [wijlen]] : [geïntimeerde [wijlen]] ,
- geïntimeerden onder 1 en 2 gezamenlijk: Otjiaha c.s.
1De zaak in het kort
In de eerste helft van de jaren ’80 van de vorige eeuw waren Irak en Iran met elkaar in oorlog. Irak, destijds onder leiding van Saddam Hoessein, heeft in die strijd verboden chemische wapens ingezet, waaronder mosterdgas. [appellant 1] c.s. zeggen dat zij deel uitmaakten van het Iraanse leger en als gevolg van mosterdgasaanvallen door Irak zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. In deze procedure stellen zij Otjiaha en haar (inmiddels overleden) directeur-grootaandeelhouder [geïntimeerde [wijlen]] aansprakelijk voor de door hen geleden schade. Hun verwijt aan Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] is dat zij indertijd een grondstof voor mosterdgas (thionylchloride of kortweg SOCI2) aan het regime van Saddam Hoessein hebben geleverd.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant 1] c.s. afgewezen. Het hof komt in hoger beroep tot dezelfde conclusie. Voor aansprakelijkheid van Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] moet vast komen te staan dat Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] ten tijde van de leveringen van SOCI2 aan Irak wisten dan wel hadden moeten weten dat Irak met de door Otjiaha geleverde grondstof mosterdgas zou maken. Dit hebben [appellant 1] c.s. echter niet aangetoond. Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] zijn dus niet aansprakelijk voor eventuele door [appellant 1] c.s. geleden schade.
2De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 24 januari 2024, waarmee [appellant 1] c.s. in hoger beroep zijn gekomen van:
1. het tussenvonnis van 20 juli 2022 en het eindvonnis van 15 november 2023 van de rechtbank Den Haag, onder zaaknummer C/09/621323/HA ZA 21-1041 gewezen tussen [appellant 1] c.s. als eisers en Otjiaha als gedaagde;
2. het tussenvonnis van 20 juli 2022 en het eindvonnis van 15 november 2023 van de rechtbank Den Haag, onder zaaknummer C/09/624251/HA ZA 22-93 gewezen tussen [appellant 1] c.s. als eisers en Capital Support Bewind en Executele B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [geïntimeerde [wijlen]] ;
2
- de memorie van grieven van [appellant 1] c.s. (met producties 68 tot en met 81);
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel van Otjiaha en de erven [geïntimeerde [wijlen]] (met producties G11 tot en met G18);
- de memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel appel van [appellant 1] c.s.;
- de Akte overlegging producties van [appellant 1] c.s. (met producties 82 t/m 113);
- de Akte inbreng aanvullende producties van [appellant 1] c.s. (met producties 114-116);
- de Akte inbreng aanvullende productie 115A van [appellant 1] c.s. (met productie 115A);
- de Akte overlegging aanvullende producties van Otjiaha c.s. (met producties G19 t/m G21);
- de Akte overlegging aanvullende producties van Otjiaha c.s. (met productie G22);
- de pleitnota’s die mrs. L. Zegveld en T.J.R. van der Sommen namens [appellant 1] c.s. en mrs. L. Authier en J. de Koning namens Otjiaha en de erven [geïntimeerde [wijlen]] hebben overgelegd bij gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling.
Otjiaha heette tot 28 december 2010 Melchemie Holland B.V. Hoewel deze zaak gaat over het optreden van Otjiaha in de jaren ’80 van de vorige eeuw, toen zij nog Melchemie Holland B.V. heette, zal Otjiaha hierna in beginsel steeds ‘Otjiaha’ worden genoemd. Het gaat immers om dezelfde rechtspersoon. Als dit gezien de context duidelijker is of de stellingen van partijen dit meebrengen zal Otjiaha af en toe ook als ‘Melchemie’ worden aangeduid als het gaat over de periode waarin Otjiaha nog Melchemie Holland B.V. heette. Inhoudelijk is geen verschil beoogd.
3Schets van het procesverloop en de diverse betrokken partijen
[appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 4] en [appellant 5] zijn Iraans staatsburger en stellen in de jaren ’80 van de vorige eeuw onderdeel te hebben uitgemaakt van het Iraanse leger, dat toen verwikkeld was in een oorlog met het Irak van Saddam Hoessein. Hetzelfde geldt voor [appellant [wijlen]] toen hij nog in leven was.
[appellant 1] c.s. stellen in de loop van die oorlog op Iranees grondgebied in 1984, 1985 en 1986 te zijn aangevallen door het Iraakse leger met mosterdgas en daardoor ernstig verwond en blijvend in hun gezondheid aangetast te zijn.
[appellant 1] c.s. zijn van mening dat drie Nederlandse partijen medeverantwoordelijkheid dragen voor het gebruik van mosterdgas tegen hen en aansprakelijk zijn voor de daardoor door hen geleden schade. Het gaat om Forafina Beleggingen I B.V. (‘Forafina’), Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] , omdat deze partijen ( [geïntimeerde [wijlen]] in zijn hoedanigheid van toenmalig directeur-grootaandeelhouder van Otjiaha) betrokken zouden zijn geweest bij de levering van één van de grondstoffen (te weten SOCI2) voor mosterdgas aan Irak. Volgens [appellant 1] c.s. wisten Forafina, Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] dat Irak deze grondstof voor de fabricage van mosterdgas zou gebruiken, althans hadden zij dat – zo nodig na onderzoek – moeten weten en hadden zij daarom van levering moeten afzien.
[appellant 1] c.s. hebben deze drie partijen voor de rechtbank Den Haag gedaagd en, naast een verklaring voor recht, gevorderd hen te veroordelen tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat. De rechtbank heeft op 15 november 2023 tegen de drie gedaagden één eindvonnis gewezen, wat Forafina en Otjiaha betreft onder zaaknummer C/09/621323/HA ZA 21-1041 en wat [geïntimeerde [wijlen]] betreft onder zaaknummer C/09/624251/HA ZA 22-93.
Tegen Forafina heeft de rechtbank de vordering bij verstek toegewezen. Forafina speelt in dit hoger beroep geen rol.
De vordering tegen Otjiaha heeft de rechtbank op inhoudelijke gronden afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat op de vorderingen van [appellant 1] c.s. tegen Otjiaha Iraans recht van toepassing is. In de kern komt het oordeel van de rechtbank erop neer dat niet is komen vast te staan dat Otjiaha wist dan wel had moeten weten dat Irak het door Otjiaha geleverde SOCI2 zou gebruiken voor de fabricage van mosterdgas dat zou worden ingezet bij de oorlog van Irak met Iran. Volgens de rechtbank zijn onvoldoende feiten gebleken op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat op Otjiaha een onderzoeksplicht rustte.
Terwijl de procedure bij de rechtbank liep is het vermogen van [geïntimeerde [wijlen]] bij beschikking van de kantonrechter te Zutphen van 21 maart 2023 onder bewind gesteld, met benoeming van Capital Support Bewind en Executele B.V. tot bewindvoerder (hierna: de bewindvoerder). De bewindvoerder heeft de procedure tegen [geïntimeerde [wijlen]] voortgezet en het eindvonnis is in zoverre dan ook gewezen tegen de bewindvoerder.
De rechtbank heeft in haar eindvonnis (van 15 november 2023) de vorderingen tegen de bewindvoerder afgewezen, waarbij de rechtbank in het midden heeft gelaten of Iraans of Nederlands recht moet worden toegepast. De rechtbank verwijst naar haar oordeel in de zaak tegen Otjiaha (zie 3.5. hierboven) en constateert dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde [wijlen]] ten tijde van de leveranties van SOCI2 aan Irak in 1982, 1983 en 1984 wist dan wel had moeten weten dat Irak van het door Otjiaha geleverde SOCI2 mosterdgas zou maken dat zou worden ingezet bij de oorlog van Irak met Iran.
[geïntimeerde [wijlen]] is op [overlijdensdatum] overleden. De erfgenamen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. Op 1 december 2023 zijn mr. R.H. Meppelink en prof. dr. S. Perrick benoemd tot executeurs testamentair (hierna: de Executeurs).
Bij appeldagvaarding van 24 januari 2024 hebben [appellant 1] c.s. hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van de rechtbank van 20 juli 2022 en 15 november 2023. [appellant 1] c.s. hebben deze dagvaarding laten betekenen aan Otjiaha (ten kantore van de advocaat bij wie zij in vorige instantie laatstelijk woonplaats had gekozen) en aan:
“de gezamenlijke erven van wijlen de heer [geïntimeerde [wijlen]] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en overleden op [overlijdensdatum] , bij leven woonachtig in [plaats] ’ aan de [plaats] te [woonplaats 4] ( [postcode] ) nader te noemen geïntimeerde 2, die voor deze procedure woonplaats kiezen aan het kantooradres van hun advocaten mr. C.J. Hamburger-Knoops en/of mr. G.G.J.A. Knoops (….).”
In een voetnoot is in de appeldagvaarding nog vermeld dat [geïntimeerde [wijlen]] in de eerste aanleg onder bewind kwam te staan van Capital Support Bewind en Executele B.V. die in hoedanigheid van bewindvoerder van [geïntimeerde [wijlen]] door de rechtbank in het eindvonnis als procespartij is aangemerkt.
Op 21 mei 2024 is verstek verleend tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] .
Op 17 december 2024 is een lastgevingsovereenkomst gesloten tussen enerzijds de erven [geïntimeerde [wijlen]] en anderzijds de Executeurs
3 (hierna: de Lastgevingsovereenkomst). In de Lastgevingsovereenkomst, waarin wordt geconstateerd dat [appellant 1] c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] , geven de Executeurs aan de erven de last (i) om voor rekening van de Executeurs en op eigen naam aan Knoops’ advocaten opdracht te geven zich te stellen voor de erven [geïntimeerde [wijlen]] en een memorie van antwoord in te dienen, waarin primair wordt geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkheid van [het hof leest: het hoger beroep tegen] de erven [geïntimeerde [wijlen]] en wordt gereageerd op de onderwerpen waarover door [appellant 1] c.s. is gegriefd, en (ii) om voor rekening van de Executeurs en op eigen naam en op naam van de Executeurs in voorwaardelijk incidenteel appel voor de Executeurs als procespartij op te treden en incidenteel appel te doen instellen tegen twee oordelen van de rechtbank die in de Lastgevingsovereenkomst nader zijn omschreven.
Het verstek tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] is op 25 februari 2025 gezuiverd doordat mr. C.J. Knoops-Hamburger zich alsnog als advocaat voor de erven [geïntimeerde [wijlen]] heeft gesteld.
Bij memorie van grieven hebben [appellant 1] c.s. zes grieven tegen het eindvonnis aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof de vonnissen waarvan beroep vernietigt en hun vorderingen alsnog toewijst.
De memorie van antwoord is ingediend namens Otjiaha en de erven [geïntimeerde [wijlen]] . Daarin wordt onder meer betoogd dat [appellant 1] c.s. niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] , omdat zij niet hen, maar de Executeurs in rechte hadden moeten betrekken. Voor het geval het hoger beroep tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] wel ontvankelijk zou worden geoordeeld hebben de Executeurs bij de Lastgevingsovereenkomst de erven de last gegeven (in de woorden van de memorie):
“om zich voor de erven te doen stellen en een memorie van antwoord te doen indienen en eveneens om op eigen naam en op naam van de executeurs, en aldus in voorwaardelijk incidenteel appel voor de executeurs als procespartij op te treden, een voorwaardelijk incidenteel appel te doen instellen.”
4
In de memorie van antwoord hebben Otjiaha en de erven [geïntimeerde [wijlen]] de grieven in het principaal hoger beroep bestreden en voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld. De voorwaarde waaronder het incidenteel appel is ingesteld is kennelijk dat een of meer grieven van [appellant 1] c.s. tot vernietiging van het eindvonnis van de rechtbank leiden en de grieven van Otjiaha en de erven [geïntimeerde [wijlen]] hebben de strekking op te komen tegen de verwerping door de rechtbank van enkele van hun verweren.
5 Kort gezegd gaat het om de stellingen van Otjiaha c.s. dat Nederlands recht van toepassing is (en dat de vorderingen van [appellant 1] c.s. naar Nederlands recht zijn verjaard) en dat de Nederlandse openbare orde zich ertegen verzet dat het recht van Iran geen verjaring kent. Wat betreft de erven [geïntimeerde [wijlen]] komt daar blijkens het voorgaande nog bij dat het incidenteel appel is ingesteld onder de voorwaarde dat het hof van oordeel is dat [appellant 1] c.s. ontvankelijk zijn in hun hoger beroep tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] . De erven [geïntimeerde [wijlen]] concluderen dat het hof de vorderingen van [appellant 1] c.s. jegens hen niet-ontvankelijk verklaart, althans het bestreden vonnis bevestigt en de vorderingen jegens hen afwijst, met veroordeling van [appellant 1] c.s. in de kosten van het geding in beide instanties. Otjiaha verzoekt het bestreden vonnis te bevestigen, eveneens met veroordeling van [appellant 1] c.s. in de kosten van het geding in beide instanties.
Bij memorie van antwoord in (voorwaardelijk) incidenteel appel hebben [appellant 1] c.s. beargumenteerd dat zij ontvankelijk zijn in het hoger beroep tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] en de grieven van Otjiaha c.s. in incidenteel appel bestreden.
Op 15 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling in deze zaak plaatsgevonden. Daar hebben mrs. L. Zegveld en T.J.R. van der Sommen het woord gevoerd namens [appellant 1] c.s., en mrs. L. Authier en J. de Koning namens Otjiaha en de erven [geïntimeerde [wijlen]] . Op de zitting waren tevens aanwezig mr. R.H. Meppelink en mr. S. Perrick, de executeurs testamentair van de inmiddels overleden [geïntimeerde [wijlen]] . Mr. Perrick heeft kort het woord gevoerd.
4De feiten
In de jaren tachtig van de vorige eeuw waren Irak en Iran van 22 september 1980 tot 20 augustus 1988 met elkaar in oorlog. Irak stond toen onder leiding van Saddam Hoessein.
Op 3 november 1983 heeft Iran zich bij de Verenigde Naties beklaagd over aanvallen door Irak met chemische wapens en de secretaris-generaal gevraagd om daarnaar een onderzoek in te stellen.
Naar het gebruik van chemische wapens door Irak, waaronder mosterdgas, is een onderzoek ingesteld door de Iraq Survey Group, een onderzoeksgroep die na de invasie van Irak in 2003 was ingesteld om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak en die onder leiding stond van het Pentagon en de CIA. De Iraq Survey Group heeft in haar rapport van 30 september 2004 onder meer geschreven dat volgens Irak zelf zij (naast andere gifgassen) ongeveer 1.800 ton mosterdgas had gebruikt en dat ongeveer twee derde van de door haar gebruikte chemische wapens in de laatste 18 maanden van de oorlog was aangewend.
Mosterdgas, dat voor het eerst op grote schaal werd ingezet in de Eerste Wereldoorlog, kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel en tot een vermindering van de levensverwachting. Tussen partijen is niet in geschil dat Irak door mosterdgas tegen Iran te gebruiken het humanitaire oorlogsrecht schond omdat het gebruik van mosterdgas op grond van het ook destijds geldende internationale recht verboden was.
Er zijn verschillende methodes om mosterdgas te maken. Meestal wordt daarbij het proces van chlorering toegepast en in dat geval kan mosterdgas niet zonder thiodiglycol (hierna: TDG) worden gemaakt. TDG wordt daarom als ‘precursor’ (voorloper) voor mosterdgas beschouwd.
Thionylchloride (SOCl2) is één van de stoffen die in combinatie met TDG kan worden gebruikt als chloreringsmiddel (chlorinating agent) voor de productie van mosterdgas. In plaats van SOCl2 kunnen daarvoor ook andere chlorinating agents worden gebruikt, zoals fosfortrichloride en waterstofchloride (zoutzuur). SOCl2 wordt daarnaast ook voor andere (geoorloofde) toepassingen gebruikt, zoals voor de vervaardiging van plastics en pesticiden.
In juni 1992 heeft Irak bij de United Nations Special Commission (hierna: UNSCOM) de eerste versie ingediend van een rapport genaamd “Iraq’s Full, Final and Complete Disclosure regarding chemical weapons” (hierna: FFCD-rapport). In de daarop volgende jaren heeft Irak nog verschillende nieuwe, steeds verder aangevulde versies van dit rapport ingediend.
Irak kocht voor de productie van mosterdgas onder meer SOCI2 in. Otjiaha heeft drie keer een partij SOCI2 aan Irak geleverd, telkens in opdracht van The State Establishment for Pesticide Production (‘SEPP’), een onderdeel van het Irakese Ministry of Industry State Organization for Chemical Industries. Wanneer de bestellingen zijn geplaatst of wanneer de leveringen hebben plaatsgevonden is niet steeds precies bekend. Uit het FFCD-rapport blijken wel de nummers van de letters of credit (L/C)
6 die door SEPP voor de levering door Otjiaha van de desbetreffende partijen SOCI2 zijn afgegeven:
7
L/C 82/3/1015 100 ton
L/C 83/3/535 750 ton
L/C 84/3/425 1.000 ton
Dr. Imad Hoessein, die betrokken is geweest bij de totstandkoming van het FFCD-rapport, heeft in 2005 een verklaring afgelegd als getuige in de Nederlandse strafzaak tegen Van Anraat. In deze verklaring heeft hij de volgende toelichting gegeven op de codering van de L/C’s. Het eerste getal in geeft het jaar aan waarin de L/C is afgegeven. Het vervolgens vermelde cijfer “3” staat voor de locatie, Al Muthanna. Dat is een locatie in Irak waar TDG werd omgezet in mosterdgas. Voor het daarna genoemde getal geldt dat hoe lager dit is, hoe vroeger in het jaar de L/C voor de desbetreffende levering is afgegeven.
In het voorjaar van 1984 was bij de Nederlandse regering het vermoeden gerezen dat drie Nederlandse bedrijven betrokken waren bij de doorvoer van grote hoeveelheden voorlopers van chemische wapens naar Irak. Binnen de (toenmalige) Europese Gemeenschap kon geen overeenstemming bereikt worden over de vraag voor welke stoffen een uitvoerverbod zou moeten gelden. Nederland heeft daarom besloten tot een nationale maatregel (zie hierna: 4.12).
De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), een ambtenaar en chemisch wapenspecialist op het Ministerie van Buitenlandse Zaken, heeft in de eerste helft van 1984 de drie bedrijven die mogelijk grondstoffen voor chemische wapens leverden aan Irak, waaronder Otjiaha, telefonisch benaderd en verzocht van dergelijke leveringen aan Irak af te zien
Op 15 november 1984 is in het Staatsblad gepubliceerd het Besluit houdende regelen ten aanzien van de uitvoer van bepaalde strategische goederen (tiende wijziging Uitvoerbesluit strategische goederen 1963) van de Staatsecretaris van Economische Zaken en de Minister van Buitenlandse Zaken. In verband met het spoedeisende karakter was al bij een ministeriële regeling van 18 april 1984 een voorlopige voorziening getroffen met een met het definitieve besluit overeenkomende inhoud. De Nota van Toelichting bij het definitieve besluit vermeldt, voor zover van belang, het volgende:
“Het is noodzakelijk gebleken de totstandkoming te bevorderen van een maatregel welke ten doel heeft de uitvoer van bepaalde produkten die geschikt zijn voor de fabricage van chemische strijdmiddelen onder controle te brengen en zo nodig te verhinderen. Daartoe dient het Uitvoerbesluit strategische goederen 1963 (Stb. 128) te worden gewijzigd in dier voege dat aan de bij dit besluit behorende bijlage de bedoelde produkten worden toegevoegd. Het onderhavige besluit strekt daartoe. Op grond hiervan zal voor de uitvoer van deze produkten een vergunning van de Minister van Economische Zaken zijn vereist. Het voorgaande houdt verband met het geconstateerde gebruik van chemische strijdmiddelen in oorlogvoering. Aangezien zodanig gebruik in strijd is met het Protocol van Genève nopens den chemischen en bacteriologischen oorlog van 17 juni 1925 (Stb. 1930, 422) is besloten de uitvoer van de betrokken stoffen aan een vergunningplicht te binden. Van geval tot geval zal in het licht van de internationale rechtsorde worden bezien of een vergunning kan worden verleend dan wel moet worden geweigerd.”
Dit besluit bevat een lijst van elf chemische stoffen waarvoor een exportvergunning vereist is. TDG is in deze lijst opgenomen, SOCl2 niet.
Bij brief van 9 maart 1985 heeft SEPP onder meer het volgende aan Otjiaha geschreven:
“We learned that your government may consider actions against your company as they accuse you for being involved in supply for chemical products which may be used for chemical weapons.
As explained before our government also countersigned the international u.n. agreement for not using chemical weapons.
our government strictly follows this agreement. We take such accusation very serious.
As far as the products bought from you are concerned: these products will be used for various industries and most of them are even still stored with the plants. Also see enclosures. As far as POC13 consignments are concerned : these two containers are still in the port and may be returned , if such would satisfy you, and you compensate us with other products.
In case your government not stopping actions against our country, blocking our economy and endangering our good reputation, we foresee serious consequences for our bilateral relationship between our two countries.”
Als bijlage bij de brief is een “Analytical report” gevoegd. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:
“Chemicals Qty./tons Production
1. Thionyl Chloride 1000 Engineering Plastics/insecticides”
In 1986 heeft Melchemie op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken afgezien van een voorgenomen levering van SOCl2 aan Irak.
In september 1986 heeft de politierechter Otjiaha veroordeeld tot een boete van f 100.000 in combinatie met een voorwaardelijke stillegging voor de duur van een jaar met een proeftijd van twee jaar voor de verkoop van POCl3 in een periode dat deze verkoop vergunningsplichtig was. POCI3 is een stof die stond vermeld op de hiervoor onder 4.12 genoemde lijst en die kon worden gebruikt voor de productie van zenuwgas.
Bij besluit van 20 juli 1987 is SOCl2 opgenomen in de bijlage van het Uitvoeringsbesluit strategische goederen 1963. Dit besluit is gepubliceerd in de Staatscourant van 21 augustus 1987 en een dag later in werking getreden. Vanaf die datum was in Nederland voor de uitvoer van SOCl2 een vergunning nodig.
Sinds 29 april 1997 valt SOCl2 onder internationale controle en is de stof opgenomen in bijlage 3 bij het Verdrag inzake chemische wapens (CWC). Er gelden voor het verdrag geen beperkingen voor de hoeveelheid of het gebruik van chemische stoffen in bijlage 3, maar er zijn aangifteverplichtingen. Chemische stoffen van bijlage 3 kunnen worden verhandeld met staten die geen partij zijn bij het CWC, mits een eindgebruikerscertificaat wordt verkregen.
5De ontvankelijkheid van het appel tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]]
De erven [geïntimeerde [wijlen]] hebben aangevoerd dat [appellant 1] c.s. in het tegen hen ingestelde appel niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Volgens de erven [geïntimeerde [wijlen]] hadden [appellant 1] c.s. in hoger beroep de Executeurs moeten dagvaarden.
Op grond van art. 4:145 lid 2 BW vertegenwoordigt een executeur de erfgenamen in en buiten rechte. Gedurende de tijd dat het beheer van de executeur duurt is een erfgenaam dus niet bevoegd om zonder toestemming van de executeur in rechte op te treden, hetzij als eiser hetzij als gedaagde.
8 Dit betekent dat [appellant 1] c.s. niet de erven [geïntimeerde [wijlen]] maar de Executeurs in hoger beroep hadden moeten dagvaarden. De vraag is of dit verzuim tot niet-ontvankelijkheid van [appellant 1] c.s. in hun hoger beroep tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] moet leiden. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend om de volgende, onderling samenhangende redenen.
De appeldagvaarding vermeldt dat de erven [geïntimeerde [wijlen]] woonplaats kiezen aan het kantooradres van hun advocaten en betekening heeft blijkens de dagvaarding aan dat kantoor plaatsgevonden. [appellant 1] c.s. stellen dat voorafgaand aan deze betekening mr. Knoops-Hamburger heeft bevestigd dat de appeldagvaarding voor de erven [geïntimeerde [wijlen]] aan haar kantoor kon plaatsvinden. Hoewel niet blijkt dat de Executeurs daar woonplaats hadden gekozen lag het, juist in verband met de exclusieve bevoegdheid van de Executeurs op dit gebied, op de weg van de erven [geïntimeerde [wijlen]] en hun advocaat om de Executeurs van de uitgebrachte appeldagvaarding op de hoogte te stellen. Kennelijk is dat ook gebeurd, want uit de Lastgevingsovereenkomst blijkt dat de Executeurs op de hoogte waren van het hoger beroep. Zij waren ook aanwezig op de zitting in hoger beroep.
De erven [geïntimeerde [wijlen]] hebben het tegen hen verleende verstek gezuiverd en zijn in het geding verschenen.
De erven [geïntimeerde [wijlen]] en de Executeurs zijn niet twee los van elkaar staande partijen. Hoewel de Executeurs op grond van de wet eigen bevoegdheden hebben, vertegenwoordigen zij uiteindelijk de erfgenamen.
9
Niet is gesteld of gebleken dat de erven [geïntimeerde [wijlen]] door hun optreden in dit geding in enig opzicht tegen de wens van de Executeurs zijn ingegaan. Dat ligt ook daarom niet voor de hand, nu het wat de erven [geïntimeerde [wijlen]] betreft gaat om het voeren van verweer tegen een vordering die oorspronkelijk tegen [geïntimeerde [wijlen]] (de erflater) was ingesteld en die [appellant 1] c.s. naar moet worden aangenomen op de boedel zouden willen verhalen. Uit de Lastgevingsovereenkomst blijkt ook dat de Executeurs de erven [geïntimeerde [wijlen]] last hebben gegeven om voor rekening van de Executeurs verweer te voeren en incidenteel appel in te stellen, en bovendien dat de Executeurs ermee instemden dat Knoops advocaten namens de erven [geïntimeerde [wijlen]] zou optreden. De Executeurs zijn door de verkeerd uitgebrachte appeldagvaarding dan ook niet, laat staan onredelijk, in hun belangen geschaad. Op dergelijke belangen heeft mr. Perrick ter zitting ook geen beroep gedaan.
Gelet op het voorgaande ziet het hof ook geen aanleiding om [appellant 1] c.s. in de gelegenheid te stellen de Executeurs alsnog in het geding op te roepen. De Executeurs zijn immers op zijn laatst ten tijde van de Lastgevingsovereenkomst van het hoger beroep op de hoogte geraakt. Hoewel de Lastgevingsovereenkomst een (beperkte) mogelijkheid biedt voor de erven [geïntimeerde [wijlen]] om ook op naam van de Executeurs te procederen (zie hiervoor 3.11), hebben zij van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Dit neemt niet weg dat het in het belang van [appellant 1] c.s. zou kunnen zijn indien de Executeurs alsnog in het geding worden opgeroepen, om te verzekeren dat hun vordering, indien toegewezen, (ook) tegen de Executeurs ten uitvoer zou kunnen worden gelegd. [appellant 1] c.s. hebben – onder voorwaarde(n) - aangeboden de Executeurs alsnog in het geding op te roepen, maar aan die voorwaarde(n) is niet voldaan (het appel tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] is ook ontvankelijk zonder een dergelijke oproep). Het hof ziet ook overigens geen aanleiding om [appellant 1] c.s. in de gelegenheid te stellen de Executeurs in het geding op te roepen, want zoals hierna zal blijken zullen de vorderingen van [appellant 1] c.s. tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] op inhoudelijke gronden worden afgewezen zodat [appellant 1] c.s. daarbij geen belang hebben.
De conclusie is dat [appellant 1] c.s. ontvankelijk zijn in het door hen tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] ingestelde appel.
6Algemene overwegingen over het tijdsverloop
Otjiaha c.s. stellen zich op het standpunt dat de door [appellant 1] c.s. op hen gepretendeerde vorderingen beheerst worden door Nederlands recht en dat dit betekent dat die vorderingen zijn verjaard. Voor zover Iraans recht van toepassing zou worden geacht zijn Otjiaha c.s. van mening dat de regel van Iraans recht dat (behoudens bij hoge uitzondering) geen verjaring bestaat geen toepassing behoort te vinden, omdat deze regel in strijd is met de Nederlandse openbare orde. De rechtbank heeft overwogen dat Iraans recht van toepassing is en dat de vraag of het ontbreken van de verjaring in strijd is met de Nederlandse openbare orde geen bespreking behoeft. Otjiaha c.s. hebben voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld en grieven over deze twee onderwerpen geformuleerd.
Aangezien, zoals hierna zal blijken, het principaal appel niet slaagt komt het hof niet toe aan de grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel en dus ook niet aan het betoog van Otjiaha c.s. dat de regel van Iraans recht dat in beginsel geen verjaring plaatsvindt in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Dat neemt niet weg dat het hof, ook ambtshalve, ervoor moet zorgdragen dat partijen een eerlijk proces krijgen. In dat kader neemt het hof in aanmerking dat de vorderingen die in deze zaak aan de orde zijn betrekking hebben op feiten die in de eerste helft van de jaren ’80 van de vorige eeuw hebben plaatsgevonden, nu dus meer dan 40 jaar geleden. Het ligt voor de hand dat dit tijdsverloop betekent dat het moeilijker is om vast te stellen wat er in die tijd precies is gebeurd of had kunnen gebeuren, of over welke wetenschap een onderneming als Otjiaha indertijd geacht moet worden te hebben beschikt. Het hof zal dan ook bij de waardering van het bewijs waar dat aangewezen is oog hebben voor het feit dat Otjiaha c.s. door het tijdsverloop in hun verdediging kunnen zijn geschaad.
7Bespreking van de grieven in het principaal appel
De grieven richten zich alle tegen het oordeel van de rechtbank dat bij Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] de – op grond van Iraans recht – voor toerekening en onrechtmatigheid vereiste kennis niet aanwezig was. In grief 1 voeren [appellant 1] c.s. in de eerste plaats aan dat de rechtbank een onjuiste, want te nauwe maatstaf heeft aangelegd. De overige grieven richten zich meer in het bijzonder tegen verschillende feiten en omstandigheden die de rechtbank bij haar oordeel over onrechtmatigheid en toerekening in aanmerking heeft genomen.
Het hof zal in dit hoofdstuk 7 eerst de grieven voor zover gericht tegen Otjiaha bespreken. In hoofdstuk 8 gaat het hof in op de positie van de erven [geïntimeerde [wijlen]] .
Grief 1; het door de rechtbank toegepaste criterium
De rechtbank heeft overwogen dat vast moet komen te staan dat Otjiaha ten tijde van de leveranties in 1982, 1983 en 1984 wist dan wel had moeten weten dat Irak van de door haar geleverde SOCI2 mosterdgas zou maken, dat zou worden ingezet in de oorlog tussen Irak en Iran (rov. 5.11). Naar het oordeel van de rechtbank is niet voldoende dat komt vast te staan dat Otjiaha wist of kon weten dat Irak met SOCI2 mosterdgas zou gaan maken, want dat zou de levering van chemische stoffen met een duaal gebruik praktisch onmogelijk maken (rov. 5.12).
[appellant 1] c.s. zijn van mening dat hetgeen de rechtbank overweegt in rov. 5.11 innerlijk tegenstrijdig is aan rov. 5.12. Van tegenstrijdigheid is echter geen sprake. De rechtbank heeft tot uitdrukking gebracht dat voor onrechtmatigheid essentieel is dat Otjiaha wist (of moest weten) dat Irak met de door Otjiaha geleverde SOCI2 mosterdgas zou maken en dat niet voldoende is dat Otjiaha wist (of moest weten) dat Irak met SOCI2 mosterdgas zou maken. Het is ook duidelijk waarom de rechtbank deze extra eis stelt. Met SOCI2 kunnen ook onschuldige producten (zoals plastics en pesticiden) worden gemaakt. De export van SOCI2 voor de fabricage van (bijvoorbeeld) pesticiden zou onmogelijk worden gemaakt indien dergelijke export onrechtmatig zou worden geacht op de enkele grond dat het land van bestemming met (door andere partijen geleverde) SOCI2 mosterdgas maakt. De rechtbank vindt dit terecht te ver gaan. Van innerlijke tegenstrijdigheid is al helemaal geen sprake.
De kritiek van [appellant 1] c.s. op de door de rechtbank toegepaste maatstaf gaat dus niet op. [appellant 1] c.s. maken verder ook niet duidelijk welke andere maatstaf de rechter dan zou moeten aanleggen. Het hof is van oordeel dat het door de rechtbank in rov. 5.11 geformuleerde criterium juist is en ook in overeenstemming is met Iraans recht, op grond waarvan de basis voor civiele aansprakelijkheid het begrip “fault” is.
10 Overigens leidt het hof uit het deskundigenbericht van dr. Safai af dat het Iraanse recht op dit punt niet wezenlijk verschilt van het Nederlandse begrip onrechtmatige daad.
[appellant 1] c.s. hebben in het kader van grief 1 ook aangevoerd dat onder de omstandigheden van deze zaak op Otjiaha een zorgplicht rustte en dat zij onderzoek had moeten doen naar het gebruik dat Irak van het door Otjiaha geleverde SOCI2 zou maken. Zoals [appellant 1] c.s. zelf al stellen heeft de rechtbank dit niet miskend maar heeft zij in de omstandigheden van het geval onvoldoende aanleiding gezien om te oordelen dat Otjiaha nader onderzoek had moeten doen (rov. 5.41). Het hof zal de klachten van [appellant 1] c.s. over dit oordeel verderop behandelen in het kader van de bespreking van de stelling van [appellant 1] c.s. dat Otjiaha wist of had moeten weten dat Irak met de door haar geleverde SOCI2 mosterdgas zou maken.
Grief 2; wanneer hebben de leveringen plaatsgevonden
Met grief 2 betogen [appellant 1] c.s. dat de rechtbank zou hebben miskend wanneer de leveringen door Otjiaha aan Irak hebben plaatsgevonden. [appellant 1] c.s. stellen zich dienaangaande op het volgende standpunt:
L/C 82/3/1015
Deze order (100 ton SOCI2) is laat in 1982 geplaatst en de levering vond vermoedelijk pas in 1983 plaats.
L/C 83/3/535
Deze order (750 ton SOCI2) zal medio 1983 zijn geplaatst en uiterlijk eind 1983 zijn geleverd.
L/C 84/3/425
De bevestiging van deze order (voor 1.000 ton SOCI2, onderdeel van een omvangrijker ‘megaorder’) dateert van 19 april 1984. Uit de memorie van grieven nr. 128 blijkt dat [appellant 1] c.s. met ‘bevestiging’ doelen op het moment waarop de order bij Otjiaha werd geplaatst.
11 Volgens [appellant 1] c.s. vond levering van de 1.000 ton SOCI2 plaats tussen de tweede helft van augustus en de tweede helft van oktober 1984.
[appellant 1] c.s. baseren zich voor deze dateringen op hetgeen Dr. Imad Hossein over de nummering van de L/C’s heeft verklaard (zie hierboven nr. 4.9) en op diens verklaring dat feitelijke levering nagenoeg altijd 4 tot 6 maanden na het opstellen van de L/C plaatsvond.
Otjiaha heeft tegen deze grief geen (gemotiveerd) verweer gevoerd. Het hof zal er dus vanuit gaan dat de door [appellant 1] c.s. genoemde tijdstippen voor plaatsing van de orders en de levering van de desbetreffende partijen juist zijn. Grief 2 slaagt in zoverre. Op de vraag welke consequenties dit heeft voor de vordering van [appellant 1] c.s. ( [appellant 1] c.s. lopen daar aan het slot van grief 2 op vooruit) en wat Otjiaha op de verschillende tijdstippen wist of had moeten weten over de productie van mosterdgas in Irak gaat het hof hierna in bij de bespreking van de volgende grieven.
Grieven 3, 4 en 5; de wetenschap van Otjiaha
De grieven 3, 4 en 5 hebben alle betrekking op de vraag welke wetenschap er bij Otjiaha in 1982, 1983 en 1984 (meer in het bijzonder: op de tijdstippen waarop de leveringen van SOCI2 aan Irak plaatsvonden) aanwezig was of – desnoods na onderzoek door Otjiaha – had moeten zijn omtrent de inzet door Irak van mosterdgas op het slagveld en de rol die SOCI2 bij de fabricage van mosterdgas speelde. [appellant 1] c.s. voeren in deze grieven aan dat die wetenschap zodanig was dat Otjiaha zich van deze leveringen had moeten onthouden. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.
Het hof stelt voorop dat het deze grieven zal behandelen aan de hand van het criterium waaraan het handelen van Otjiaha moet worden getoetst, namelijk de vraag of Otjiaha ten tijde van de leveranties in 1982, 1983 en 1984 wist dan wel had moeten weten dat Irak van de door haar geleverde SOCI2 mosterdgas zou maken, dat zou worden ingezet in de oorlog tussen Irak en Iran (zie hiervoor nrs. 7.2-7.4). Het hof benadrukt dat voor toerekening aan en onrechtmatigheid van Otjiaha dus niet voldoende is dat Otjiaha op de relevante tijdstippen wist dat Irak mosterdgas op het slagveld inzette en ook niet dat Irak dat deed met mosterdgas dat geproduceerd was met SOCI2. Het gaat erom of Otjiaha wist of behoorde te weten dat Irak mosterdgas produceerde met het door haar (Otjiaha) geleverde SOCI2. De bewijslast hiervan rust op [appellant 1] c.s.
Over de wetenschap van Otjiaha merkt het hof allereerst het volgende op. Indien Otjiaha inderdaad wist of – na onderzoek – had moeten weten dat met de door haar geleverde SOCI2 mosterdgas werd gemaakt dat op het slagveld werd ingezet, is dat toerekenbaar onrechtmatig naar Iraans recht en is verder niet van belang dat de uitvoer van SOCI2 toentertijd door de Nederlandse overheid niet verboden of vergunningsplichtig was. Dat neemt niet weg dat het feit dat uitvoer van SOCI2 (in tegenstelling tot andere stoffen) niet verboden was wel van invloed is op de vraag wat Otjiaha wist of moest weten over deze stof en de levering daarvan aan Irak. Het is op zichzelf niet onbegrijpelijk dat een bedrijf als Otjiaha, een handelaar in diverse chemische grondstoffen, zich voor de vraag welke stoffen zij zonder vergunning mag uitvoeren in de eerste plaats oriënteert op de in Nederland geldende regelgeving. Die regelgeving is en was er immers juist (ook) op gericht te voorkomen dat vanuit Nederland chemische stoffen worden geëxporteerd die voor de fabricage van chemische oorlogsvoering worden gebruikt.
[appellant 1] c.s. hebben aangevoerd dat Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] ervaren handelaren waren in chemische stoffen en dat van hen had mogen worden verwacht dat zij wisten dat SOCI2 een (al dan niet belangrijke) grondstof voor de productie van mosterdgas was. Het hof is daarvan niet overtuigd. [appellant 1] c.s. hebben onvoldoende onderbouwd welke specifieke kennis bij Otjiaha c.s. op dit punt aanwezig was. Het enkele feit dat Otjiaha wereldwijd als ‘broker’ (tussenhandelaar) in (niet door haarzelf geproduceerde) chemische grondstoffen optrad maakt nog niet dat zij kennis had of had moeten hebben van alle mogelijke toepassingen van de door haar verhandelde grondstoffen, waaronder SOCI2. Meer in het bijzonder maakt het niet dat zij kennis had of had moeten hebben van het feit dat deze stof gebruikt kon worden voor de productie van mosterdgas. [appellant 1] c.s. hebben over eventuele daadwerkelijk bij Otjiaha of [geïntimeerde [wijlen]] aanwezige deskundigheid, bijvoorbeeld aan de hand van opleiding of expertise van [geïntimeerde [wijlen]] of andere werknemers van Otjiaha, niets gesteld. Het feit dat bij experts op het gebied van chemische oorlogsvoering (al sinds jaren twintig) algemeen bekend was dat SOCI2 kon worden gebruikt voor de productie van mosterdgas, betekent – zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt – nog niet dat die kennis ook bij Otjiaha of [geïntimeerde [wijlen]] aanwezig was of had moeten zijn. Het hof is het ook niet eens met de stelling dat het enkele feit dat Otjiaha in chemische stoffen handelde, betekent dat dergelijke kennis bij haar mag worden verondersteld of dat het ontbreken daarvan voor haar risico komt. In ieder geval voor ‘dual use’ grondstoffen zoals SOCI2, dat dus ook voor niet-militaire doeleinden kan worden gebruikt, in tegenstelling tot grondstoffen die alleen voor de fabricage van chemische wapens kunnen worden gebruikt, mag dergelijke kennis niet zonder meer worden verondersteld; die kennis moeten [appellant 1] c.s. aannemelijk maken maar dat hebben zij niet gedaan.
In grief 3 voeren [appellant 1] c.s. aan dat SOCI2 van groot belang was voor de productie in Irak van mosterdgas en dat tot 1987 daarvoor, naast TDG, geen andere grondstof dan SOCI2 werd gebruikt. Wat hier ook van zij, dat Otjiaha dit laatste wist hebben [appellant 1] c.s. niet aangetoond. Het volgt ook niet zonder meer uit het feit dat Otjiaha een vestiging in Irak had en al jarenlang zaken met Irak deed. Uit het dossier blijkt dat Irak zich moeite getroostte de productie van mosterdgas te verhullen, bijvoorbeeld door voor te wenden dat de fabriek in Mutaha gericht was op de fabricage van insecticiden (zie ook memorie van grieven nr. 103). [appellant 1] c.s. hebben niet duidelijk gemaakt hoe de aanwezigheid van Otjiaha in Irak of de ervaring van Otjiaha met handel met Irak tot concrete kennis of vermoedens ten aanzien van de productie van mosterdgas met door Otjiaha geleverd SOCI2 heeft geleid of kon leiden.
Volgens [appellant 1] c.s. was SOCI2 de te prefereren grondstof voor de productie van mosterdgas en was SOCI2 een cruciale voorloper van mosterdgas. Ook voor deze stellingen geldt dat [appellant 1] c.s. onvoldoende hebben aangetoond dat Otjiaha over dit soort kennis omtrent de fabricage van een specifiek chemisch wapen beschikte. Zelfs als deze stellingen juist zouden zijn doet dat er niet aan af dat SOCI2 in ieder geval óók civiele toepassingen kende en dat het aan [appellant 1] c.s. is om aan te tonen dat Otjiaha er niet van mocht uitgaan dat de door haar aan Irak geleverde SOCI2 een vreedzame toepassing zou kennen. [appellant 1] c.s. stellen wel dat Irak begin jaren tachtig geen pesticide industrie had, maar zij onderbouwen niet waarom dit volgens hen “binnen de branche waarin Melchemie en wijlen [geïntimeerde [wijlen]] bedrijfsmatig opereerden, bekend kon worden geacht”. Otjiaha was niet een producent van insecticiden en hiervoor is er al op gewezen dat Irak de productie van mosterdgas als de productie van pesticiden camoufleerde. Concrete aanwijzingen dat Otjiaha door deze camouflage heen had moeten prikken (of hoe Otjiaha dat had moeten doen) hebben [appellant 1] c.s. niet aangevoerd.
[appellant 1] c.s. hebben vele producties in het geding gebracht van nationale en internationale media waaruit volgens hen zou moeten worden afgeleid dat Otjiaha over zodanige kennis beschikte of had moeten beschikken dat zij in 1982, 1983 maar in ieder geval in 1984, van levering van SOCI2 had moeten afzien. Voor zover [appellant 1] c.s. zich in dat verband beroepen op internationale publicaties (zoals Newsweek of The Times) of op publicaties van of bestemd voor de Verenigde Naties, gaat het hof daaraan voorbij. Dat dergelijke publicaties ter attentie van Otjiaha zijn gekomen is niet aannemelijk gemaakt, te meer niet nu dit speelde in een tijd dat internet niet bestond. [appellant 1] c.s. hebben daarnaast vele artikelen (van november 1983 tot en met maart 1984) uit Nederlandse kranten in het geding gebracht. Daaruit valt wel af te leiden dat het in die periode (in Nederland) in toenemende mate een feit van algemene bekendheid was dat Irak chemische wapens, waaronder mosterdgas, gebruikte, maar daarmee is nog niet aangetoond wat [appellant 1] c.s. voor het slagen van hun vordering zouden moeten aantonen, namelijk dat Otjiaha ten tijde van de leveranties in 1982, 1983 en 1984 wist dan wel had moeten weten dat Irak van de door haar geleverde SOCI2 mosterdgas zou maken, dat zou worden ingezet in de oorlog tussen Irak en Iran (zie hiervoor nr. 7.9). Dat volgt niet uit de door [appellant 1] c.s. in het geding gebrachte publicaties.
[appellant 1] c.s. hebben daarnaast een beroep gedaan op de contacten die [naam 1] , destijds chemische wapens specialist op het Ministerie van Buitenlandse Zaken had met Otjiaha. [naam 1] heeft op 2 april 1984 telefonisch gesproken met de heer [naam 2] ( [naam 2] ) van Otjiaha, op een later tijdstip met [geïntimeerde [wijlen]] en op 27 april 1984 met de heer [naam 3] van Otjiaha. [appellant 1] c.s. hebben een schriftelijke verklaring van [naam 1] gedateerd 31 mei 2026 in het geding gebracht waarin hij verklaart over het telefoongesprek met Otjiaha dat op 2 april 1984 plaatsvond.
12 Verder bevinden zich in het dossier interne memo’s van [naam 1] van 2 en 5 april 1984 waarin op zijn contacten met (onder andere) Otjiaha is ingegaan.
13 [naam 1] heeft ook een verklaring afgelegd in de strafzaak tegen Van Anraat die [appellant 1] c.s. in het geding hebben gebracht.
14 Ten slotte hebben [appellant 1] c.s. een intern memo van [naam 2] in het geding gebracht waarbij een verslag is gevoegd van het gesprek dat [naam 2] op 2 april 1984 met [naam 1] had gevoerd.
15
In de verklaring van [naam 1] van 31 mei 2026 staat dat [naam 1] op 2 april 1984 tegen [naam 2] van Otjiaha heeft gezegd dat Irak op grote schaal chemische wapens gebruikte, dat het de grondstoffen daarvoor onder het mom van bestrijdingsmiddelen voor de landbouw onder meer via Nederlandse bedrijven probeerde aan te kopen en dat, hoewel sommige van de gewraakte grondstoffen ook civiele toepassingen hebben, de bestelde hoeveelheden en de combinatie met andere voorlopers er geen twijfel over laat dat zij bestemd zijn voor de productie van chemische wapens. [naam 1] deed blijkens deze verklaring een dringend beroep op Otjiaha om verdachte leveranties aan Irak te stoppen.
De verklaring van [naam 1] is in overeenstemming met het memo van [naam 2] (prod. 114), waarin wordt bevestigd dat [naam 1] heeft gezegd dat de buitensporig grote hoeveelheden alsmede een combinatie van bestellingen indicaties vormen voor Otjiaha dat grondstoffen voor de productie van chemische wapens worden gebruikt . Verder blijkt uit dit memo dat [naam 1] op 2 april 1984 heeft gezegd dat Irak intussen mosterdgas heeft gebruikt en dat er bewijs is verkregen dat zich in Irak vijf fabriekjes van zenuwgassen in aanbouw bevinden.
De vraag is of hieruit de gevolgtrekking moet worden gemaakt dat Otjiaha vanaf 2 april 1984 of kort daarna wist dan wel had moeten weten dat Irak van de door haar geleverde SOCI2 mosterdgas zou maken en om die reden van de laatste levering, die van 1.000 ton SOCI2, had moeten afzien. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. In de eerste plaats omdat [naam 1] kennelijk niet met zoveel woorden SOCI2 als verdachte grondstof tegenover Otjiaha heeft genoemd. Dat [naam 1] op de hoogte was van de ‘megaorder’ (of de samenstelling daarvan) die op dat moment bij Otjiaha in de pijplijn zat is niet gesteld of gebleken. Kennelijk liet [naam 1] het aan Otjiaha over om zelf te bepalen welke orders als ‘verdacht’ moesten worden aangemerkt aan de hand van de daarvoor door hem aangereikte handvatten: de bestelde hoeveelheden en de combinatie met andere voorlopers.
Het hof is van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om vast te kunnen stellen dat de in 1984 bij Otjiaha bestelde hoeveelheid SOCI2 dermate omvangrijk was dat deze voor geen ander doel kon dienen dan de productie van mosterdgas. Volgens [appellant 1] c.s. was de bestelling van 1.000 ton SOCI2 11,11% van de wereldproductie, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat Otjiaha daaruit had moeten afleiden dat de bestelde SOCI2 voor de fabricage van mosterdgas zou worden gebruikt. [appellant 1] c.s. hebben hun stellingen omtrent de ongebruikelijk grote hoeveelheden niet onderbouwd met gegevens over hoeveel SOCI2 nodig is om pesticiden te produceren en waarom Otjiaha, bezien tegen de achtergrond van de omvang van de landbouw in Irak, in redelijkheid niet kon menen dat de bestelde SOCI2 niet voor de fabricage van pesticiden kon worden gebruikt. Otjiaha hoefde de in 1984 bestelde hoeveelheid ook niet op te tellen bij de twee eerdere leveringen van SOCI2 in voorgaande jaren want het was heel goed denkbaar dat Irak die leveranties inmiddels had gebruikt voor een legitiem doel zoals de fabricage van pesticiden.
Hiervoor is al overwogen dat niet is komen vast te staan dat bij Otjiaha voldoende kennis over de productie van chemische wapens, met name van mosterdgas, aanwezig was. Zelfs de bestelling van een ongebruikelijke hoeveelheid SOCI2 hoefde op zichzelf dus nog niet tot de conclusie te leiden dat het dus moest gaan om de productie van mosterdgas. In de memorie van grieven nr. 108 stellen [appellant 1] c.s. nog dat het Ministerie van Economische Zaken in een brief van 17 maart 1986 aan Otjiaha had bevestigd dat de bestelling door Irak van 500 ton SOCI2 het ministerie met grote zorg vervulde en dat de desbetreffende hoeveelheid te groot is voor normaal industrieel gebruik. Deze brief dateert van ruim na de litigieuze leveringen van SOCI2 aan Irak. Productie 30, waarnaar [appellant 1] c.s. op deze plek verwijzen is echter van 18 maart 1986 en bevat niet de passage over normaal industrieel gebruik die [appellant 1] c.s. hier citeren. In deze brief wordt overigens bevestigd dat thionylchloride (SOCI2) als zodanig niet als sleutelvoorloper voor de productie van chemische wapens kan worden aangemerkt (‘en daarom niet onder vergunning is gebracht’) maar wel in combinatie met thiodiglycol (TDG). Irak kocht echter geen TDG van Otjiaha. De partijdeskundige Terzić heeft (gemotiveerd) verklaard dat kwalificaties als “remarkably high” of “regular” voor hoeveelheden SOCI2 technisch niet verdedigbaar zijn.
16 Hiervoor is reeds overwogen dat niet is komen vast te staan dat Otjiaha wist of behoorde te weten dat Irak niet over een pesticide-industrie beschikte.
De tweede indicatie die [naam 1] noemde is de combinatie van chemische stoffen. Voor de productie van mosterdgas door middel van chlorering is (naast een chloreringsmiddel als SOCI2) in ieder geval TDG nodig. Irak bestelde echter geen TDG bij Otjiaha, zoals hierboven (7.20) al vermeld, en deze stof maakte dan ook geen deel uit van de ‘megaorder’ van voorjaar 1984. De combinatie van de in deze megaorder bestelde stoffen hoefde voor Otjiaha dan ook geen aanleiding te zijn voor een vermoeden dat de bij haar bestelde SOCI2 zou worden gebruikt voor de productie van mosterdgas. Dat Otjiaha wist welke stoffen Irak van andere bedrijven betrok is niet gesteld of gebleken. Het feit dat dit inmiddels wel bekend is (vgl. memorie van grieven nr. 125) doet daar niet aan af.
De conclusie is dat Otjiaha uit de gesprekken met [naam 1] niet hoefde op te maken dat Irak de bestelde SOCI2 zou gebruiken om mosterdgas mee te maken. [appellant 1] c.s. hebben nog wel een beroep gedaan op een verklaring van ambassadeur [naam 4] , die ‘ergens in 1982’ tegenover een werknemer van Otjiaha een ‘toespeling’ zou hebben gemaakt ‘op het feit dat er natuurlijk chemicaliën bij die gifgasaanvallen werd gebruikt’.
17 Deze (behoorlijk vage) verklaring rechtvaardigt niet de conclusie (memorie van grieven nr. 137) dat [naam 4] een vertegenwoordiger van Otjiaha in Bagdad ‘op de man af’ informeerde ‘over het risico van gebruik van de door Otjiaha aan Irak geleverde chemicaliën’. Hoe dit ook zij, dat de mededeling van [naam 4] specifiek betrekking had op de levering van SOCI2 of de productie van mosterdgas blijkt niet.
[appellant 1] c.s. hebben aangevoerd dat op Otjiaha in ieder geval de plicht rustte om terdege onderzoek te doen naar de vraag of Irak geen mosterdgas zou maken met de bestelde SOCI2. [appellant 1] c.s. hebben echter niet gesteld, laat staan onderbouwd, welk onderzoek Otjiaha precies had moeten instellen en waarom de uitslag van dat onderzoek, indien het was ingesteld, zou zijn geweest dat Irak inderdaad mosterdgas maakte met de van Otjiaha gekochte SOCI2. Het enkele feit dat thans bekend is dat Irak de door Otjiaha geleverde SOCI2 daarvoor gebruikte betekent niet dat onderzoek van Otjiaha dit toentertijd aan het licht zou hebben gebracht. Vast staat dat Irak de fabricage van mosterdgas verhulde. Dat Otjiaha van Irak een eerlijk antwoord zou hebben gekregen indien zij specifiek had geïnformeerd waarvoor Irak de SOCI2 zou gebruiken is niet aannemelijk. Welk ander onderzoek Otjiaha had moeten instellen en waarom dat wel resultaat zou hebben opgeleverd hebben [appellant 1] c.s. niet duidelijk gemaakt.
Het hof laat in het midden of het Iraanse recht (van de jaren ’80) in algemene zin een onderzoeksplicht voor een bedrijf als Otjiaha kende. Ook indien dat zo zou zijn is het hof van oordeel dat onder de omstandigheden van dit specifieke geval geen onderzoeksplicht op Otjiaha rustte. De export van SOCI2 was niet, zoals andere stoffen met ingang van 18 april 1984 wel, aan een vergunning onderworpen (zie hiervoor nr. 4.12). Het is niet onbegrijpelijk dat een bedrijf als Otjiaha zich daarop mede oriënteerde, zoals hierboven (7.10) al overwogen. Otjiaha heeft bovendien naar aanleiding van de gesprekken met [naam 1] geïnformeerd bij de Vereniging Nederlandse Chemische Industrie (VNCI). De VNCI heeft aan Otjiaha een lijst van 21 grondstoffen voor de productie van chemische wapens gegeven. Op die lijst kwam SOCI2 niet voor.
18 Otjiaha was niet gehouden verdergaand onderzoek te doen. De hiervoor besproken omstandigheden van het geval vormden, op de hiervoor genoemde gronden, onvoldoende concrete aanleiding voor Otjiaha om een verdergaand onderzoek in te stellen (daargelaten de mogelijkheden daartoe).
[appellant 1] c.s. hebben gewezen op het feit dat Otjiaha in 1986 strafrechtelijk is veroordeeld voor de uitvoer van POCI3 zonder de vereiste vergunning. Dit is volgens [appellant 1] c.s. van belang omdat deze stof deel uitmaakte van dezelfde megaorder in 1984 waarbij ook SOCI2 werd besteld en omdat het inzicht zou verschaffen in de werkwijze van Otjiaha en [geïntimeerde [wijlen]] (‘list en bedrog’ volgens [appellant 1] c.s.). Wat er van deze veroordeling of de daaruit door [appellant 1] c.s. getrokken conclusies ook zij, het valt niet in te zien dat dit enige relevantie heeft voor de vraag of Otjiaha had mogen overgaan tot de levering van SOCI2 aan Irak, alleen al omdat POCI3 een andere stof is waarvoor wél een exportvergunning nodig was.
[appellant 1] c.s. gaan ook nog in op de ‘Dear gentlemen’-brief van 9 maart 1985
19. Daaruit zou volgens [appellant 1] c.s. zijn af te leiden dat Otjiaha de SOCI2-levering van 1.000 ton in maart 1985 nog (deels) hadden kunnen terughalen. Ook zou deze brief illustreren dat Otjiaha er niet voor terugdeinsde om zich van schriftelijke stukken te voorzien om onrechtmatige praktijken af te dekken. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat deze brief niet relevant is voor dit geding. Hiervoor is overwogen dat Otjiaha door de bestelde SOCI2 te leveren niet onrechtmatig handelde. [appellant 1] c.s. maken niet duidelijk waarom er tegen die achtergrond toch nog aanleiding zou zijn de geleverde SOCI2 in 1985 ‘terug te halen’. Dat er tussen het plaatsen van de order in april 1984 en maart 1985 essentiële informatie voor Otjiaha beschikbaar kwam die aanleiding had moeten zijn voor Otjiaha om deze partij SOCI2 terug te halen hebben [appellant 1] c.s. niet aangevoerd. Bovendien volgt uit het enkele feit dat SEPP zich in deze brief bereid verklaarde een partij POCI3 terug te zenden niet dat Irak ook bereid was de door Otjiaha geleverde SOCI2 (anders dan POCI3 niet een in Nederland vergunningsplichtige stof) te retourneren. Of Otjiaha de bewuste brief van SEPP aan zich heeft laten schrijven om zich te disculperen, zoals [appellant 1] c.s. suggereren maar niet onderbouwen, is niet relevant, omdat het hof deze brief buiten beschouwing laat en deze ook niets aantoont over de wetenschap van Otjiaha over de productie van mosterdgas met de door Otjiaha geleverde SOCI2.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grieven 3, 4 en 5 falen.
Grief 6; opstelling Nederlandse regering
Grief 6 richt zich tegen het feit dat de rechtbank gewicht heeft toegekend aan de opstelling van de Nederlandse regering, die begin jaren tachtig onder meer de handel met Irak stimuleerde en terughoudend zou zijn geweest met het opleggen van vergaande handelsbeperkingen. De bedoelde overwegingen van de rechtbank zijn echter niet dragend geweest voor het oordeel van de rechtbank. Ook voor het oordeel van het hof is de opstelling van de Nederlandse regering in deze zaak niet relevant (afgezien van het feit dat SOCI2 niet vergunningsplichtig was gemaakt, zie daarover hiervoor nr. 7.10). [appellant 1] c.s. stellen terecht dat het gaat om de objectieve en subjectieve kennis van Otjiaha c.s. en het hof beoordeelt de vorderingen ook in dat licht. [appellant 1] c.s. hebben dus geen belang bij deze grief en het hof hoeft daarop dus niet verder in te gaan.
Bewijsaanbod
[appellant 1] c.s. hebben aangeboden om, behalve zichzelf, [naam 1] en de heer [naam 5] (hierna: [naam 5] ), begin jaren tachtig leidinggevende van [naam 1] , als getuigen te horen. Het hof passeert dit bewijsaanbod om de volgende redenen. Over de gesprekken die [naam 1] voerde met medewerkers van Otjiaha zijn de hiervoor onder 7.15 vermelde stukken beschikbaar, waarbij het onder meer gaat om stukken die rond 2 april 1984 zijn opgesteld. Daarnaast is een recente schriftelijke verklaring van [naam 1] in het geding gebracht, die op de relevante punten overeenstemt met het interne verslag van dat gesprek dat [naam 2] op of kort na 2 april 1984 heeft opgesteld. Dat [naam 1] als getuige meer of anders zou verklaren dan uit deze stukken blijkt hebben [appellant 1] c.s. niet gesteld, laat staan dat zij hebben gemotiveerd waarom dat meer of andere relevant voor deze procedure zou zijn. Hetzelfde geldt voor [naam 5] , want waarom, naast hetgeen daarover al uit het dossier blijkt, een nadere toelichting op ‘de opstelling van de Nederlandse regering met betrekking tot de handel in chemicaliën met Irak’ relevant zou zijn is niet duidelijk. Dat de regering zorgen had over het Iraakse chemische wapenprogramma en dat dit de achtergrond was van de gesprekken die [naam 1] met onder meer Otjiaha voerde staat wel vast. Nader bewijs op dit punt is dus niet nodig. [appellant 1] c.s. stellen ook niet dat [naam 5] zelf contact heeft gehad met Otjiaha.
[appellant 1] c.s. bieden deskundigenbewijs aan in de vorm van een door het hof aan te stellen onafhankelijke (landbouw)deskundige om, als het hof het goed begrijpt, aan te tonen dat Otjiaha (en [geïntimeerde [wijlen]] ) ten tijde van de litigieuze SOCI2-leveringen zonder meer hebben geweten dat de hoeveelheden die Irak daarvan inkocht hoe dan ook te groot waren om ‘dat doel’ (kennelijk is bedoeld: de (agrarische) industrie) exclusief te kunnen dienen. Het hof acht het hoogst twijfelachtig of een deskundige zou kunnen verklaren over dat wat Otjiaha (of [geïntimeerde [wijlen]] ) begin jaren ’80 wisten aangezien dat een grotendeels feitelijke kwestie is. Ook als [appellant 1] c.s. bedoelen dat de deskundige zijn of haar licht zou kunnen laten schijnen over hetgeen Otjiaha (en [geïntimeerde [wijlen]] ) indertijd hadden moeten weten, vindt het hof dat niet een vraag waarop een (landbouw)deskundige een zinvol antwoord zal kunnen geven, te meer niet nu het gaat om (veronderstelde) wetenschap ten aanzien van een situatie van meer dan 40 jaar geleden. Het hof heeft geen behoefte aan een deskundigenbericht.
[appellant 1] c.s. (uitgezonderd [appellant [wijlen]] ) hebben ook zichzelf als getuigen aangeboden en geven aan dat zij kunnen worden gehoord over hetgeen hen is overkomen en de gevolgen daarvan. Nu het hof niet toekomt aan de door [appellant 1] c.s. geleden schade of het causaal verband met het handelen van Otjiaha gaat het hof ook aan dit bewijsaanbod voorbij.
De conclusie is dat de grieven tegen het vonnis voor zover gewezen tussen [appellant 1] c.s. en Otjiaha niet leiden tot vernietiging van de vonnissen van de rechtbank.
8De erven [geïntimeerde [wijlen]]
De rechtbank heeft in het midden gelaten of op de vorderingen van [appellant 1] c.s. tegen [geïntimeerde [wijlen]] Nederlands of Iraans recht van toepassing is (rov. 5.48). De rechtbank heeft overwogen dat hetgeen zij heeft overwogen in de zaak tegen Otjiaha van overeenkomstige toepassing is in de zaak tegen [geïntimeerde [wijlen]] en dat de vordering tegen [geïntimeerde [wijlen]] zal worden afgewezen omdat [appellant 1] c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld die de conclusie kunnen dragen dat [geïntimeerde [wijlen]] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Tegen dit oordeel hebben [appellant 1] c.s. geen afzonderlijke grief aangevoerd.
Het hof onderschrijft dit oordeel van de rechtbank. Nu de vordering van [appellant 1] c.s. tegen Otjiaha faalt brengt dit mee dat ook de vordering tegen de erven [geïntimeerde [wijlen]] moet worden afgewezen. Dat [geïntimeerde [wijlen]] over meer kennis of informatie beschikte dan Otjiaha is niet aangevoerd en dat is ook nauwelijks voorstelbaar nu [geïntimeerde [wijlen]] directeur grootaandeelhouder van Otjiaha was.
Voor zover de grieven van [appellant 1] c.s. tevens tegen het oordeel van de rechtbank in de zaak tegen [geïntimeerde [wijlen]] zijn gericht kunnen zij evenmin tot vernietiging van de rechtbankvonnissen leiden.
9Conclusie
De grieven in het principaal appel falen. Het hof zal de vonnissen van de rechtbank van 20 juli 2022 en 15 november 2023 bekrachtigen en [appellant 1] c.s. veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.
Aan de grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel komt het hof niet toe, nu niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder het incidenteel appel is ingesteld. Het hof zal [appellant 1] c.s. veroordelen in de kosten van het incidenteel appel.
Beslissing
Het hof:
in het principaal appel:
-
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank van 20 juli 2022 en 15 november 2023;
-
veroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Otjiaha c.s. begroot op € 987 (€ 798 griffierecht en € 189 nakosten) en € 3.870 (3 punten in tarief II à € 1.290) voor salaris van de advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant 1] c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
-
bepaalt dat als [appellant 1] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant 1] c.s. de kosten van die betekening moeten betalen, plus extra nakosten van € 98, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant 1] c.s. deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
-
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
in het incidenteel appel:
- verstaat dat het incidenteel appel niet aan de orde is;
-
veroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Otjiaha c.s. begroot op € 1.935 voor salaris van de advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant 1] c.s. deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
-
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, E.M. Dousma-Valk en C. Mak, en op 29 september 2026 in het openbaar uitgesproken, in aanwezigheid van de griffier.
Zie hierna onder 2.3.
ECLI:NL:RBDHA:2022:7462 (tussenvonnis) en ECLI:NL:RBDHA:2023:17263 (eindvonnis).
Productie G11.
Memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel nr. 10.
Memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel nr. 12-13.
Documentair krediet.
Zie rov. 3.11 van het eindvonnis van de rechtbank en memorie van grieven nr. 53. Dat Melchemie deze drie partijen SOCI2 aan Irak heeft geleverd staat tussen partijen vast.
Asser/Perrick 4 2025/ 692; HR 1 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:495; NJ 2022, 151 rov. 3.3.
Asser/Perrick 4 2025/692; Schols, in: T&C BW, art. 4:145, aant. 4.
Deskundigenbericht van prof. Dr. S.H. Safai van 7 oktober 2012 pag. 3 (prod. 54 [appellant 1] c.s.).
Tijdens de zitting in hoger beroep hebben [appellant 1] c.s. overigens gesteld dat Otjiaha deze order op 9 maart 1984 kreeg (pleitnota mr. Zegveld nr. 23 (viii) en nr. 36). Het hof zal ervan uitgaan dat de order pas definitief werd op 19 april 1984.
Prod. 116.
Producties 91 en 63 [appellant 1] c.s.
Prod. 44.
Prod. 114.
Productie 3 Otjiaha c.s. pag. 10-11.
Memorie van grieven voetnoot 140.
Memorie van antwoord nr. 116; productie 114 (memo [naam 2] ).
Productie 34 [appellant 1] c.s.
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
