ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Rechtbank Noord-Holland 19-08-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:11222

Essentie (gemaakt door AI)

Erfrecht. Wettelijke verdeling. Vaststelling vordering zoon op langstlevende stiefmoeder. De rechtbank acht de aangifte erfbelasting 2017 een juiste weergave van de nalatenschap, die vrijwel geheel uit bank- en effectenrekeningen bestaat. Het zuiver saldo is € 387.373; het aandeel van zoon € 383.499. De vordering is opeisbaar wegens opname van stiefmoeder in zorginstelling. Buitengerechtelijke vernietiging wegens misbruik van omstandigheden faalt. Pauliana art. 3:45 BW slaagt deels: schenkingen 2021–2022 worden vernietigd; eerdere schenkingen niet.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Aangifte erfbelasting is omvang nalatenschap: bestaat uit bank- en effectenrekeningen
Vaststelling vordering zoon op langstlevende stiefmoeder. Rb acht aangifte erfbelasting een juiste weergave van de nalatenschap: bestaat uit bank- en effectenrekeningen. Vordering opeisbaar door opname stiefmoeder in zorginstelling.

Datum publicatie22-09-2026
ZaaknummerC/15/361845
ProcedureBodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht; Civiel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenErfrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Erfrecht. Wettelijke verdeling. Vaststelling vordering zoon uit eerste huwelijk op langstlevende tweede vrouw van erflater. De rechtbank oordeelt dat in dit specifieke geval de aangifte erfbelasting een juiste weergave is van de omvang van de nalatenschap van erflater, omdat de nalatenschap vrijwel uitsluitend bestaat uit banktegoeden waarbij waardering geen rol speelt. De vordering van de zoon is opeisbaar, omdat stiefmoeder in een verzorgingshuis is opgenomen. Als gevolg van schenkingen van de langstlevende aan haar kinderen uit haar eerste huwelijk is er onvoldoende vermogen om de vordering van de zoon te voldoen. De gevorderde vernietiging van de schenkingen op grond van de Pauliana (3:45 BW) slaagt deels. Geen wetenschap van benadeling wat betreft de schenkingen die zijn in de periode waarin de langstlevende nog over (ruim) voldoende vermogen beschikte om de vordering van de zoon van erflater te kunnen voldoen.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/361845 / HA ZA 25-66

Vonnis van 19 augustus 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. L.C. Griffioen-Wennekers,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

te [plaats 2] ,

hierna te noemen: [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

te [plaats 3] ,

hierna te noemen: [gedaagde 2] ,

3. [gedaagde 3],

te [plaats 2] ,

hierna te noemen: [gedaagde 3] ,

4. [gedaagde 4],

te Duitsland,

hierna te noemen: [gedaagde 4] ,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [gedaagden 1] ,

advocaat: mr. E.P. van der Schraaf,

5. [gedaagde 5],

te [plaats 4] ,

gedaagde partij in conventie,

niet verschenen.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 juni 2025

- de mondelinge behandeling van 10 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn

gemaakt

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte vermeerdering van eis, tevens akte

overlegging producties met de producties 24 tot en met 27

- de akte indiening producties ter voorbereiding zitting van [gedaagden 1] met de producties

15

tot en met 18

- de akte indiening producties ter voorbereiding zitting van [eiser] met de producties 28

en 29

- de mondelinge behandeling van 14 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn

gemaakt en waarbij door de advocaten pleitaantekeningen zijn overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

Op 8 september 2015 is [erflater] (hierna: erflater) in Zwitserland overleden. Erflater was in tweede echt gehuwd met [gedaagde 1] . [eiser] is de zoon van erflater uit het eerste huwelijk.

2.2.

[gedaagde 1] is eerder getrouwd geweest met [betrokkene 1] en uit dat huwelijk zijn [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 5] geboren. [gedaagde 4] is de dochter van [betrokkene 1] uit een eerder huwelijk.

2.3.

Erflater en [gedaagde 1] waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende een uitsluiting van iedere gemeenschap.

2.4.

Op 9 mei 2005 heeft erflater een testament opgemaakt waarin onder meer het volgende is bepaald:

(…)

Erfstelling

Artikel 3.

Ik benoem tot mijn enige erfgenamen:

  • mijn genoemde echtgenote (de rechtbank: [gedaagde 1] ): voor één honderdste (1/100ste) gedeelte van mijn nalatenschap; en

  • mijn zoon (…) [eiser] , (…) voor negenennegentig honderdste (99/100ste) gedeelte van mijn nalatenschap (…)

Wettelijke verdeling

Artikel 4.

Ik bepaal dat mijn nalatenschap overeenkomstig de wet zal worden verdeeld, zodat alle tot mijn nalatenschap behorende goederen door mijn echtgenote worden verkregen terwijl de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor haar rekening komt.

Mijn zoon verkrijgt een geldvordering ten laste van mijn echtgenote ter grootte van de waarde van zijn erfdeel.

Bijzondere bepalingen

Artikel 5.

Voor deze verdeling geldt, in afwijking van het dienaangaande is de wet bepaalde, het volgende:

1. de geldvordering ten laste van mijn echtgenote en de eventuele rente daarover zijn eerst in de navolgende gevallen opeisbaar:

a. na het overlijden van mijn echtgenote;

(…)

e. indien mijn echtgenote voor een duurzaam verblijf wordt of is opgenomen in een zorgcentrum of verpleeghuis waarvoor een wettelijke aan het vermogen te toetsen eigenbijdrageregeling van kracht is en door het opeisbaar worden van de vordering gevolgd door betaling, een lagere bijdrage verschuldigd zal zijn;

(…)

Waardering

Artikel 12.

De waarde van de ten tijde van mijn overlijden tot mijn nalatenschap behorende goederen worden vastgesteld in onderling overleg tussen mijn erfgenamen.

Eventuele geldvorderingen van mijn afstammelingen worden vastgesteld bij notariële akte binnen één jaar na mijn overlijden.

Bij gebreke van overeenstemming tussen mijn erfgenamen zal de waardering geschieden door één of meer deskundigen die door de ten aanzien van mijn nalatenschap bevoegde kantonrechter worden benoemd (…)

(…)

2.5.

[eiser] en [gedaagde 1] hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.

2.6.

In de verklaring van erfrecht staat onder meer het volgende:

(…)

Blijkens een volmacht opgenomen in de verklaring van de voornoemde echtgenote (de rechtbank: [gedaagde 1] ) heeft zij volmacht gegeven aan de voornoemde zoon (de rechtbank: [eiser] ) om mede namens haar de nalatenschap van de overledene af te wikkelen.

(…)

Conclusie

Mitsdien is voornoemde (…) [gedaagde 1] zelfstandig bevoegd en gerechtigd om alle zaken en waarden behorende tot de nalatenschap van de overledene op te vorderen, te ontvangen en daarvoor kwijting te geven.

Daarnaast is voornoemde (…) [eiser] , als gevolmachtigde bevoegd en gerechtigd om mede namens voornoemde volmachtgever het beheer als bedoeld in artikel 3:170 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek te voeren over de nalatenschap, alsmede de nalatenschap van de overledene te vereffenen.

(…)

De gevolmachtigde heeft de verplichting om van alle werkzaamheden aantekening te houden en aan de volmachtgever rekening en verantwoording af te leggen.

(…)

2.7.

Erflater was eigenaar van een vakantiewoning in Zwitserland (hierna: “de vakantiewoning). Op grond van een Zwitsers “Erbvertrag” van 1 oktober 2008 heeft erflater het blote eigendom van de vakantiewoning aan [eiser] gelegateerd en aan [gedaagde 1] het vruchtgebruik van de vakantiewoning gelegateerd. [eiser] heeft het legaat aanvaard. [gedaagde 1] heeft haar legaat van vruchtgebruik geweigerd. [eiser] heeft als gevolg daarvan het volledige eigendom van de vakantiewoning verkregen.

2.8.

[bedrijf 1] N.V. (voorheen [bedrijf 2] N.V.) (hierna: [bedrijf 3] ) heeft opdracht gekregen de aangifte erfbelasting op te stellen. In de jaren voor het overlijden van erflater verzorgde [bedrijf 3] ook de aangiften inkomstenbelasting van erflater en [gedaagde 1] .

2.9.

Op 6 juli 2017 heeft [gedaagde 1] de volgende handgeschreven brief gestuurd aan [betrokkene 2] , de behandelend medewerker van [bedrijf 3] :

Beste [betrokkene 2] ,

Zou je voor mij tijd vrij kunnen maken om mij telefonisch uit te leggen hoe dat testament voor mij van [erflater] (de rechtbank: erflater) tot stand is gekomen.

Bv. Wie heeft de waarde van de boedel van het huis in [plaats 5] bepaald? [erflater] ?

En waaruit zijn de legaten voortgekomen?

En waarom heb ik nooit geweten dat er zo’n testament voor mij bestond?

[eiser] (de rechtbank: [eiser] ) heeft mij nooit iets laten weten.?

En denk je dat [eiser] mij dat geld € 145.433 ooit uitbetaalt?

(…)

2.10.

In het dossier van [bedrijf 3] bevindt zich de volgende handgeschreven notitie van [betrokkene 2] :

Klant gesproken.

Ze begrijpt er niet veel van. Aan het eind van het gesprek gaf ze aan dat ze [eiser] een brief ging sturen dat hij het bedrag van € 145.433 niet hoeft te betalen. Dit vindt ze niet nodig. Hij hoeft dat ook helemaal niet te betalen. Dat begrijpt ze niet, maar de uitkomst is hetzelfde, dus heb het maar zo gelaten.

2.11.

[bedrijf 3] heeft de aangifte erfbelasting opgesteld en deze bij brief van 17 maart 2017 naar [eiser] en [gedaagde 1] gestuurd. In de begeleidende brief aan [gedaagde 1] staat de volgende toelichting:

1NALATENSCHAP

Het saldo van de nalatenschap bedraagt € 387.373. U bent gezamenlijk met (…) [eiser] erfgenaam (naar een gerechtigdheid van respectievelijk (1% en 99%).

In het testament was een zogeheten wettelijke verdeling opgenomen. Op grond hiervan verkrijgt u alle goederen en schulden uit de nalatenschap. (…) [eiser] krijgt een onderbedelingsvordering op u ter grootte van zijn erfdeel. Zoals besproken, is in onderling overleg overeengekomen dat over deze vorderingen geen rente verschuldigd is waardoor de vordering niet gewaardeerd wordt op de nominale waarde. Als gevolg van de fiscale waardering (wij verwijzen naar pagina 7 van de aangifte voor de berekening) neemt uw verkrijging toe (met € 115.015) en de verkrijging van (…) [eiser] af (met € 115.015).

2WONING IN ZWITSERLAND

Naast het Nederlandse testament is tevens een Erbvertrag ondertekend waarin de blote eigendom van de woning Zwitserland aan (…) [eiser] wordt gelegateerd. Op basis van het Erbvertrag verkrijgt u het vruchtgebruik over de woning. Als gevolg hiervan is de waarde van de woning in Zwitserland niet in het saldo van de nalatenschap begrepen. Echter, de woning wordt als legaat verkregen. (…)

Met betrekking tot de belastingheffing over de woning in Zwitserland informeren wij u dat eventueel verschuldigde successierechten in Zwitserland verrekend mogen worden met de verschuldigde erfbelasting in Nederland. In Zwitserland wordt echter geen successierechten betaald, zodat geen sprake zal zijn van verrekening.

(…)

3. PRIVE VERMOGEN

Zoals u weet, was u gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden, inhoudende dat tussen u en wijlen uw echtgenoot geen enkele gemeenschap van goederen bestaat. Als gevolg hiervan bestaat de nalatenschap uit het privévermogen van wijlen de heer [eiser] .

4VERSCHULDIGDE ERFBELASTING

Hieronder treft u een overzicht aan van de verschuldigde erfbelasting per verkrijger:

Naam verkrijger Verkrijging Verschuldigde Erfbelasting

[gedaagde 1] € 145.399 € 0

[eiser] € 330.342 € 49.928

Totaal € 475.741 € 49.928

(…)

2.12.

De door [bedrijf 3] opgestelde aangifte vermeldt aan privé bezittingen van erflater de vakantiewoning in Zwitserland met een waarde van € 88.368, vier bankrekeningen, waarvan drie bij ABN AMRO die eindigen op . [rekeningnummer 1] , . [rekeningnummer 2] en . [rekeningnummer 3] en een bij ING Bank die eindigt op . [rekeningnummer 4] en een auto. Verminderd met de privé schulden van erflater is het privé vermogen van erflater in de aangifte berekend op € 481.614. Daar heeft [bedrijf 3] het legaat – de vakantiewoning in Zwitserland – met een waarde van € 88.368 en de kosten van de uitvaart van afgetrokken en de uitkering van de uitvaartverzekering bij opgeteld. Het zuiver saldo van de nalatenschap bedraagt € 387.373.

Onder het kopje “Recapitulatie verkrijgingen” staat in de aangifte bij [eiser] het volgende:

(…)

Verkregen krachtens erfrecht

(…) (99/100ste) gedeelte van de nalatenschap EUR 383.499

Bij: Legaat inzake blote eigendom woning in Zwitserland EUR 61.858

Af: fictief vruchtgebruik (…) [gedaagde 1] EUR 115.015

Totale verkrijging (…) [eiser] EUR 330.342

In voetnoten bij de aangifte heeft [bedrijf 3] opgemerkt dat in Zwitserland geen successiebelasting is geheven en dat de erfgenamen krachtens het testament in overleg hebben besloten om de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] niet te verhogen met rente.

2.13.

De door [bedrijf 3] opgestelde aangifte erfbelasting is op 17 maart 2017 door [eiser] en [gedaagde 1] ondertekend en door hen ingediend bij de Belastingdienst.

2.14.

Tot 14 maart 2021 voerde [gedaagde 1] samen met [gedaagde 5] het beheer over haar vermogen. Daarna is het beheer van het vermogen van [gedaagde 1] overgenomen door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . Bij levenstestament van 16 juni 2021 heeft [gedaagde 1] [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gevolmachtigd om haar vermogensrechtelijke zaken te behartigen en haar in en buiten rechte te vertegenwoordigen. In artikel VII. van het levenstestament heeft [gedaagde 1] bepaald dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] verplicht zijn om per kwartaal rekening en verantwoording aan a. [gedaagde 1] af te leggen, en b. als [gedaagde 1] niet meer in staat is om de rekening en verantwoording in ontvangst te nemen om die rekening en verantwoording af te leggen aan [gedaagde 5] en [gedaagde 4] .

2.15.

Op 14 maart 2021 heeft [gedaagde 5] – onder meer – het volgende gemaild aan [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] :

(…)

  • [gedaagde 1] heeft pas begin 2016 ontdekt dat [erflater] [de rechtbank: erflater] ook nog aandelen had.

  • Begin 2016 heb ik [gedaagde 1] [de rechtbank: [gedaagde 1] ] geadviseerd om deze om te zetten in cash op de rekening (…)

  • Deze aandelen brachten dacht ik 360,000 (of 380.000) euro op (…)

  • [gedaagde 1] geeft de laatste jaren net iets meer uit dan zij binnen krijgt (max een paar duizend euro). De eerste jaren gaf zij ongeveer net zoveel uit als ze binnen kreeg.

  • Vanaf 2017 of 2018 (dat weet ik niet meer) is zij volgens mij begonnen met schenkingen aan haar vier kinderen, waardoor haar rekening ergens tussen de 21.000 en afgelopen keer 24.0000 euro leegloopt.

(…)

- Alvast grof terugrekenend komt het erop neer dat [gedaagde 1] 360.000 – 3 jaar schenkingen of 380.000 – 4 jaar schenkingen nu nog ongeveer 300.000 euro bezit.

(…)

Ik stel nu voor om de rekening voortaan ook door [eiser] (in cc) te laten beheren aangezien het na overlijden van [gedaagde 1] grotendeels zijn geld is (zo is het ook notarieel vastgelegd). (…)

2.16.

Op 9 mei 2022 is [gedaagde 1] permanent opgenomen in een zorginstelling.

2.17.

Bij brief van 14 oktober 2022 aan [gedaagde 1] heeft [eiser] aanspraak gemaakt op betaling van zijn vordering. In die brief schrijft [eiser] onder meer:

“Ik begreep van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] dat op het moment op twee spaarrekeningen niet meer dan € 15.000,- en € 65.000,- aanwezig is, althans op de rekeningen die ze me hebben laten zien ( [rekeningnummer 5] en [rekeningnummer 6] ).

Ik wil je vragen het saldo van deze twee rekeningen per omgaande naar mij over te maken (…). Over de verrekening van de overblijvende vordering wil ik graag een voorstel ontvangen. (…)”.

2.18.

In reactie op de hiervoor vermelde brief is in totaal € 80.000,00 van [gedaagde 1] naar [eiser] overgemaakt.

2.19.

Bij brief van 24 juni 2024 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde 1] (via haar advocaat) gesommeerd de resterende € 220,551,20 binnen twee weken te voldoen. Aan die sommatie is geen gevolg gegeven.

2.20.

Vanaf 2018 tot en met 2022 hebben de volgende schenking vanuit het vermogen van [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] en [gedaagde 4] plaatsgevonden:

[gedaagde 2]

[gedaagde 3]

[gedaagde 5]

[gedaagde 4]

2018

€ 5.363,00

€ 5.363,00

€ 265,00

€ 265,00

€ 265,00

€ 5.363,00

€ 5.363,00

2019

€ 5.363,00

€ 5.363,00

€ 1.000,00

€ 5.363,00

€ 5.363,00

2020

€ 5.515,00

€ 5.515,00

€ 600,00

€ 500,00

€ 200,00

€ 600,00

€ 5.515,00

€ 5.515,00

2021

€ 6.000,00

€ 6.000,00

€ 400,00

€ 6.000,00

€ 6.000,00

2022

€ 5.000,00

€ 40.000,00

€ 800,00

€ 400,00

Totaal

€ [rekeningnummer 4] .241,00

€ 27.536,00

€ 22.241,00

€ 22.241,00

2.21.

In een e-mail van 13 augustus 2024 heeft Meinder onder meer het volgende geschreven aan [eiser] :

(…)

Ik heb continu in het app verkeer met [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] aangegeven dat het geld van [eiser] is en niet van de kinderen van [gedaagde 1] . (…) Dus toen de 330.000,- euro in handen van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] kwam, waren zij dus al op de hoogte van het feit dat dit geld van [eiser] is. (…)

2.22.

Bij brief van 17 september 2024 heeft [eiser] de schenkingen van [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] en [gedaagde 4] buitengerechtelijk vernietigd wegens misbruik van omstandigheden.

2.23.

Na daartoe verkregen verlof heeft [eiser] op 20 januari 2025 ten laste van [gedaagde 2] conservatoir beslag laten leggen op het woonschip van [gedaagde 2] , liggend aan de kade aan het adres [adres] te [plaats 3] .

2.24.

Naar aanleiding van de tijdens de mondelinge behandeling van 10 juli 2025 gemaakte afspraak dat de advocaten van partijen gezamenlijk [bedrijf 3] zouden benaderen voor een gesprek heeft op 6 november 2025 een online overleg plaatsgevonden tussen een medewerker van [bedrijf 3] en de advocaten van partijen waarbij door [bedrijf 3] inzage is verstrekt in, althans informatie is gedeeld uit het dossier van erflater.

2.25.

Op 8 december 2025 heeft een medewerker van [bedrijf 3] het volgende gemaild aan de advocaat van [gedaagden 1] met een cc aan de advocaat van [eiser] :

(…)

  • In ons dossier is niets gebleken van een Zwitserse bankrekening. Een eventuele Zwitserse bankrekening is derhalve niet meegenomen in de aangifte erfbelasting.

  • Ten aanzien van het in de aangifte erfbelasting meegenomen vermogen is te herleiden dat de volgende bankrekeningen wel tot het vermogen van de heer [eiser] zijn gerekend:

  • ABN AMRO . [rekeningnummer 2] (zowel bankrekening als aandelen)

  • ABN AMRO . [rekeningnummer 1] (zowel bankrekening als aandelen)

  • ABN AMRO . [rekeningnummer 3] (bankrekening)

  • INGB . [rekeningnummer 7]

 De volgende rekeningen zijn niet gerekend tot het vermogen van de heer [eiser] :

  • ABN AMRO . [rekeningnummer 8] (zowel bankrekening als aandelen)

  • ABN AMRO . [rekeningnummer 9] (bankrekening)

  • ABN AMRO . [rekeningnummer 10] (opgeheven?)

 Wij merken hierbij op dat wij voor bovenstaande een vergelijking hebben gemaakt met de aangifte inkomstenbelasting 2015.

(…)

2.26.

Op 9 december 2025 heeft de advocaat van [eiser] het volgende gemaild aan een medewerker van [bedrijf 3] :

(…)

In het overleg via Teams op 6 november jl. (…) heeft u bevestigd dat uit het dossier is gebleken dat mevrouw [gedaagde 1] destijds de opdracht aan [bedrijf 3] heeft verstrekt voor de afwikkeling van de nalatenschap van haar echtgenoot de heer [eiser] , dat met haar meermaals is gesproken en dat zij is geïnformeerd én akkoord heeft gegeven voor de vaststelling van de verkrijgingen en de aangifte erfbelasting. Partijen hadden overeenstemming over ieder verkrijgingen op grond van het testament (…)

3Het geschil

In conventie

In het incident

3.1.

[eiser] vordert:

I. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op grond van artikel 195 Rv te bevelen om rekening en verantwoording af te leggen conform artikel VII.A en b van het levenstestament, per kwartaal, over het gevoerde beheer van het vermogen van [gedaagde 1] ;

II. een getuigenverhoor te gelasten van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] om te worden gehoord op een door de rechtbank te formuleren bewijsopdracht;

III. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te veroordelen in de proceskosten van het incident.

In de hoofdzaak

3.2.

[eiser] vordert, na vermeerdering van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

I. voor recht te verklaren dat het saldo van de nalatenschap van erflater alleen uit banksaldi bestaat;

II. voor recht te verklaren dat het saldo van de nalatenschap € 387.373,00 bedraagt en het aandeel van [eiser] € 330.342,00;

III. voor recht te verklaren dat de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] , na aftrek van hetgeen reeds aan hem is betaald, € 250.342,00 bedraagt.

IV. voor recht te verklaren dat alle schenkingen die uit het vermogen van [gedaagde 1] zijn gedaan aan [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] en [gedaagde 4] buitengerechtelijk zijn vernietigd door [eiser] , althans deze schenkingen te vernietigen;

Primair

V. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk te veroordelen om binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 253.578 althans € 250.342 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;

VI. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] primair te veroordelen in de werkelijke proceskosten van onderhavige procedure, begroot op € 12.000 + p.m. te vermeerderen met de nakosten en subsidiair te veroordelen in de kosten van het geding op basis van het liquidatietarief en in de gemaakte nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in dezen te wijzen vonnis alsmede in de wettelijke rente over deze kosten voor zover deze niet door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn voldaan binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis.

Subsidiair

VII. [gedaagde 2] te veroordelen om binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 67.241 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;

VIII. [gedaagde 3] te veroordelen om binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 27.536 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;

IX. [gedaagde 5] te veroordelen om binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 22.241 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;

X. [gedaagde 4] te veroordelen om binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 22.241 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;

XI. gedaagden primair te veroordelen in de werkelijke proceskosten van de procedure, begroot op € 12.000 + p.m. te vermeerderen met de nakosten en subsidiair te veroordelen in de kosten van het geding op basis van het liquidatietarief en in de gemaakte nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in dezen te wijzen vonnis alsmede in de wettelijke rente over deze kosten voor zover deze niet door gedaagden zijn voldaan binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis.

3.3.

[gedaagden 1] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

In reconventie

In het incident

3.5.

[gedaagden 1] vorderen, bij tussenvonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. [eiser] op grond van artikel 195 Rv te bevelen om binnen een door de Rechtbank bepalen termijn eisers zonder voorbehoud volledig te informeren en afschriften te verstrekken van en/of inzage te geven in:

  1. het gehele Erbvertrag, inclusief de bij dagvaarding ontbrekende pagina 2 en alle in het Erbvertrag genoemde bijlagen met specificatie van bedragen en onderbouwing met bewijsstukken van de bijlagen;

  2. een overzicht waaruit alle inkomsten en uitgaven betreffende de vakantiewoning blijken met de betalingsbewijzen, zowel een jaar voorafgaande aan het overlijden van erflater, ten tijde van het overlijden als daarna t/m 31 december 2017, inclusief kadastrale uittreksels, en het volledige kasboek betreffende de uitgaven aan of door de familie [betrokkene 3] ;

  3. kopieën van alle bankafschriften en andere documenten alsmede contactgegevens met personalia van behandelende bankemployees betreffende eventuele Zwitserse bankrekeningen en/of spaartegoeden en/of een kluis op naam van erflater, en/of op naam van erflater en [gedaagde 1] , en/of op naam van erflater en [eiser] , en/of op naam van erflater en een derde, over de periode 2013 tot en met 2017, onder meer en niet beperkt tot het filiaal van de toenmalige Bank Schweizerische Kreditanstalt, thans Credit Suisse in St. Moritz;

  4. alle communicatie, zowel schriftelijk als elektronisch, met de Zwitserse belastingdienst betreffende erflater en/of diens nalatenschap en/of [gedaagde 1] , en eventuele nadere correspondentie of belastingaanslagen vanaf 2010 t/m 2017;

  5. alle privé belastingaangiften van erflater in de periode 2013 t/m 2017 aan de Zwitserse autoriteiten, met de op die aangiften gevolgde aanslagen, waaronder doch niet beperkt tot het volledige bericht van de Steuerverwaltung Graubünden betreffende 2015, met volledige specificatie van de onderdelen van “Übrige Aktiven ten bedrage van € 523.000 benoemd in het bericht d.d. 14 december 2017 van de Steuerverwaltung Graubünden met bewijsstukken van herkomst van die activa.

  6. alle correspondentie en communicatie tussen [eiser] en/of [gedaagde 5] en [bedrijf 1] betreffende de afwikkeling van de nalatenschap en het opstellen van de aangifte erfbelasting, met beschrijving, specificatie en bewijsstukken van de boedeldelen die tot die aangifte hebben geleid;

  7. kopieën van bankafschriften van alle Nederlandse bankrekeningen van erflater over de periode 2013 tot en met 2017 met de jaaropgaven, waaronder, maar niet uitsluitend afschriften van de ING bank;

  8. afgifte van kopieën van maandelijkse specificaties van de VISA credit card met klantnummer [nummer 1] ten name van erflater, van erflater en/of [gedaagde 1] en/of van erflater en/of [eiser] of een andere derde, van 2013 t/m 2017;

  9. een volledige beschrijving van de inhoud van de bankkluis met nummer [nummer 2] bij ABN AMRO Bank, met afgifte van, althans inzage in bankdocumenten over het bestaan en gebruik met bezoekregistratie met data, namen en identiteit en handtekening van de bezoekers van deze kluis voor de duur van het aangehouden zijn van de kluis door erflater, door erflater en/of [gedaagde 1] of door erflater en/of [eiser] ;

II. het verhoor van [eiser] en [gedaagde 5] Hakkert te gelasten teneinde te worden gehoord op een door de rechtbank bij tussenvonnis te formuleren bewijsopdracht;

III. [eiser] te veroordelen in de proceskosten in incident.

In de hoofdzaak

  1. [eiser] te veroordelen tot het doen van rekening en verantwoording ter zake de afwikkeling van de nalatenschap van erflater binnen 14 dagen, althans binnen door de rechtbank te bepalen termijn, na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis;

  2. [eiser] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde 1] van het bedrag van de declaraties van [bedrijf 3] primair € 3.146 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en van € 3.025 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, binnen acht dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis;

  3. te verklaren voor recht dat de aangifte erfbelasting geen juiste weergave is van de omvang van de nalatenschap van erflater;

  4. de verdeling van de resterende nalatenschap te gelasten door de toedeling van de door [eiser] verzwegen bestanddelen uit de nalatenschap aan [gedaagde 1] , met veroordeling van [eiser] tot afgifte van die bestanddelen en partijen tot uitvoering van die toedeling, althans [eiser] te veroordelen tot de betaling van de waarde van die verzwegen bestanddelen aan [gedaagde 1] binnen 14 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis;

  5. het conservatoir beslag op te heffen dat op 15 januari 2025 is gelegd op het woonschip genaamd [naam] met brandmerk [nummer 3] , gelegen aan de kade te ( [adres] ) [plaats 3] aan het adres [adres] , althans [eiser] te veroordelen binnen acht dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de opheffing van het beslag uit te voeren, op verbeurte van een dwangsom aan [gedaagde 2] van € 25.000 ineens en € 1.000 per dag voor elke dag of gedeelte van een dag dat [eiser] , nalatig blijft een op deze vordering uit te spreken veroordeling uit te voeren;

  6. [eiser] te veroordelen in de proceskosten.

3.6.

[eiser] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagden 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden 1] in de kosten van deze procedure.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

in conventie

4.1.

[eiser] vordert in deze procedure een verklaring voor recht wat betreft de omvang van de nalatenschap van erflater en de hoogte van de vordering die [eiser] uit hoofde van zijn kindsdeel op [gedaagde 1] heeft. Die vordering is op 9 mei 2022 opeisbaar geworden toen [gedaagde 1] werd opgenomen in een verzorgingshuis.

4.2.

Het belangrijkste geschilpunt tussen partijen betreft de vraag of de aangifte erfbelasting uit 2017 een juiste weergave vormt van de omvang van de nalatenschap van erflater en of de daarop gebaseerde vordering van [eiser] op [gedaagde 1] reeds tussen [eiser] en [gedaagde 1] is vastgesteld dan wel nog vastgesteld moet worden. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de door [bedrijf 3] opgestelde aangifte erfbelasting juist is, zowel hijzelf als [gedaagde 1] daarmee heeft ingestemd en destijds in onderling overleg de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] is vastgesteld op het bedrag vermeld in de aangifte.

[gedaagden 1] daarentegen stellen dat de aangifte geen juiste weergave van de omvang van de nalatenschap vormt, omdat daarin vermogen is opgenomen dat (deels) toebehoort aan [gedaagde 1] , de vakantiewoning in Zwitserland voor een te lage waarde is opgenomen en de Zwitserse bankrekening van erflater en de inhoud van de door hem gehuurde bankkluis bij de ABN Amro en die van een eventuele kluis in Zwitserland niet op de aangifte zijn vermeld. [gedaagde 1] heeft die aangifte alleen getekend op aandringen en advies van [eiser] en [gedaagde 5] . Partijen zijn bovendien in hun onderlinge verhouding niet gebonden aan de aangifte erfbelasting. [eiser] moet eerst een boedelbeschrijving opmaken en het testament van erflater bepaalt dat de waardering van de geldvordering van [eiser] op [gedaagde 1] moet worden vastgesteld bij notariële akte. Dat is beide niet gebeurd. De vordering van [eiser] is dus nog niet vastgesteld, aldus [gedaagden 1]

4.3.

De rechtbank overweegt het volgende. In beginsel zijn erfgenamen in hun onderlinge verhouding niet gebonden aan de in de aangifte opgegeven waardering voor de erfbelasting, al was het maar omdat de vermogensbestanddelen daar zo laag mogelijk zullen worden gewaardeerd en bijvoorbeeld de woning tegen de WOZ-waarde wordt vermeld. Dat kan echter anders zijn als de nalatenschap bestaat uit banktegoeden waar waardering geen rol speelt of als partijen zijn overeengekomen in hun onderlinge verhouding voor de omvang van de nalatenschap uit te gaan van de aangifte erfbelasting. Partijen kunnen de waarde van de goederen van de nalatenschap voor de verdeling immers in onderling overleg vaststellen en zij zijn daarbij vrij te bepalen van welke waarde zij uitgaan.

4.4.

In dit geval zijn in de aangifte als bezittingen alleen bank- en effectenrekeningen vermeld met een totaal tegoed plus een auto met een (in relatie tot het saldo van de nalatenschap) zeer beperkte waarde. De waardering voor de erfbelasting en de waardering in het kader van de vaststelling van de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] zullen dus niet of nauwelijks van elkaar kunnen afwijken. De tegoeden bij de bank staan vast en kunnen niet anders gewaardeerd worden. Dat maakt dat er in dit geval geen aanleiding was (en is) om een aparte boedelbeschrijving op te stellen. Die zou immers nagenoeg identiek zijn aan de aangifte. In de aangifte is als zuiver saldo van de nalatenschap een bedrag van € 387.373,00 opgenomen en staat vermeld dat [eiser] gerechtigd is voor 99/100ste deel, te weten € 383. [rekeningnummer 2] ,00. In de begeleidende brief die [bedrijf 3] met de aangifte aan [gedaagde 1] heeft gestuurd is het saldo van de nalatenschap nogmaals vermeld met daarbij dat [eiser] voor 99% deel daarvan een overbedelingsvordering op [gedaagde 1] krijgt. In de daarop volgende zin staat dat [eiser] en [gedaagde 1] “in onderling overleg zijn overeengekomen” dat over deze vordering geen rente verschuldigd is. De aangifte is door [eiser] en [gedaagde 1] ondertekend. Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat op grond hiervan moet worden aangenomen dat [eiser] en [gedaagde 1] in 2017 de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] uit hoofde van het kindsdeel in overleg hebben vastgesteld. Dat die vaststelling niet in een notariële akte is vastgelegd, zoals erflater in zijn testament heeft bepaald, betekent niet dat die afspraak niet bindend is tussen [gedaagde 1] en [eiser] . De stelling van [gedaagden 1] dat [gedaagde 1] niet betrokken was bij de aangifte, zij die ook niet heeft begrepen en alleen haar handtekening onder de door [bedrijf 3] opgestelde aangifte heeft gezet, op aandringen en advies van [eiser] en [gedaagde 5] is door [eiser] betwist en door [gedaagden 1] niet onderbouwd. Uit de overgelegde correspondentie en de gespreksaantekeningen uit het dossier van [bedrijf 3] blijkt juist dat [gedaagde 1] zelfstandig contact heeft onderhouden met [bedrijf 3] , zij vragen heeft gesteld en dat [bedrijf 3] zowel in de brief van 17 maart 2017 als telefonisch een toelichting heeft gegeven op de aangifte. De rechtbank volgt [gedaagden 1] ook niet in hun stelling dat uit de schriftelijke vragen die [gedaagde 1] heeft gesteld (zie 2.9) en de gespreksnotitie van Burggraaf (zie 2.10) blijkt dat [gedaagde 1] de aangifte en de vordering van [eiser] niet heeft begrepen. De vragen van [gedaagde 1] zien op de totstandkoming van het testament zelf en op (de afwikkeling van) het legaat, niet op de omvang van de nalatenschap en de vordering van [eiser] . Dat [gedaagde 1] in die periode al niet meer in staat was om haar eigen vermogen te beheren, is evenmin gebleken. [gedaagden 1] hebben in de procedure zelf gesteld dat zij haar vermogen tot 2021 samen met [gedaagde 5] beheerde, dat de schenkingen die in de periode 2018 tot en met 2022 zijn gedaan door [gedaagde 1] zelf zijn gedaan en dat zij op het moment dat zij haar levenstestament in juni 2021 opstelde nog volledig wilsbekwaam was.

4.5.

De stelling van [gedaagden 1] dat de aangifte niet juist is, omdat bezittingen van erflater ontbreken, de vakantiewoning onjuist is gewaardeerd en ten onrechte bezittingen die (deels) van [gedaagde 1] zijn in de aangifte zijn vermeld volgt de rechtbank ook niet. De waarde van de vakantiewoning in Zwitserland is weliswaar als bezitting vermeld, maar omdat die woning aan [eiser] is gelegateerd en een legaat een schuld van de nalatenschap is, wordt die woning tegen dezelfde waarde weer afgetrokken. De waarde waartegen die woning in de aangifte is vermeld is daarom niet van belang voor het zuiver saldo van de nalatenschap en daarmee ook niet voor de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] .

4.6.

De stelling dat in de aangifte en/of-rekeningen ten onrechte als privé vermogen van erflater zijn opgevoerd terwijl die rekeningen gemeenschappelijk waren is tegenover de betwisting van [eiser] ook onvoldoende onderbouwd. De rechtbank stelt voorop dat de tenaamstelling van de bankrekeningen onvoldoende is om de saldi op de bankrekeningen als gezamenlijk aan te merken. De tenaamstelling van een bankrekening betreft de verhouding tussen de bank en de rekeninghouder(s). Zij geeft aan wie over het saldo op de rekening kan beschikken. Het zegt echter niet wie gerechtigd is tot het saldo op een bankrekening. Voor de vraag wie in de interne verhouding tussen de rekeninghouders recht heeft op het saldo is van belang van wie het saldo afkomstig is en wat de rekeninghouders onderling zijn overeengekomen of met de tenaamstelling hebben bedoeld. [gedaagden 1] betogen dat de betreffende en/of-bankrekeningen grotendeels door [gedaagde 1] zijn gevoed, omdat zij een hoger inkomen had dan erflater en zij een aanzienlijk bedrag had ontvangen uit de nalatenschap van haar moeder. Overboekingen waaruit dat zou kunnen blijken zijn echter niet overlegd. Belangrijker is echter dat – zo is onbetwist door [eiser] gesteld – [bedrijf 3] al jaren de aangifte inkomstenbelasting voor erflater en [gedaagde 1] verzorgde en zij in de e-mail van 8 december 2025 aan de advocaten van partijen heeft verklaard dat opname van de en/of-rekeningen als privé vermogen van erflater in de aangifte erfbelasting is gebaseerd op de aangifte inkomstenbelasting 2015. Die IB-aangifte van erflater is door [gedaagden 1] overgelegd en de betreffende en/of-rekeningen staan daar inderdaad allemaal als privé vermogen van erflater op vermeld. Met die aangifte inkomstenbelasting heeft erflater ingestemd en [gedaagde 1] heeft ingestemd met haar eigen aangifte waar die rekeningen niet op zullen hebben gestaan. Een aangifte IB van [gedaagde 1] waaruit anders blijkt, is niet overgelegd. [gedaagde 1] heeft bovendien ingestemd met de aangifte erfbelasting waarop de en/of-rekeningen als privé vermogen van erflater zijn vermeld. Tussen erflater en [gedaagde 1] bestond dus kennelijk geen discussie dat de gelden op de betreffende en/of-rekeningen tot het privé vermogen van erflater behoorden. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] kunnen daar als gevolmachtigden nu niet zomaar namens [gedaagde 1] op terug komen. De ten tijde van het overlijden van erflater op de en/of-rekeningen staande saldi behoren dan ook tot de nalatenschap van erflater en zijn dus terecht in de aangifte erfbelasting opgenomen.

4.7.

[gedaagden 1] stellen dat in de aangifte erfbelasting ten onrechte opgave van een Zwitserse bankrekening ontbreekt. Erflater moet die volgens hen hebben gehad ter voldoening van eigenaars- en gebruikerslasten van de vakantiewoning en uitgaven tijdens het jaarlijkse verblijf van meerdere maanden in de vakantiewoning. Erflater vroeg [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ook regelmatig om met hem mee te rijden tijdens zijn wekelijkse bezoek aan de (voorloper van) Credit Suisse. [eiser] stelt dat hem geen Zwitserse bankrekening bekend is en dat erflater bij [bedrijf 3] ook nooit melding heeft gemaakt van een Zwitserse bankrekening, zoals blijkt uit de e-mail van 8 december 2025 (zie 2.25). Het financiële beheer van de vakantiewoning was in handen van de familie [betrokkene 3] die inkomsten en uitgaven bijhield in een kasboekje, aldus [eiser] . De rechtbank overweegt dat [gedaagden 1] tegenover deze gemotiveerde betwisting door [eiser] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat erflater (ten tijde van zijn overlijden) een Zwitserse bankrekening had, te meer omdat in “Steuerausscheidung” 2015 onder activa evenmin melding is gemaakt van een Zwitserse bankrekening. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat die er niet was en dat de aangifte erfbelasting op dit punt dus niet onjuist is.

4.8.

Tot slot stellen [gedaagden 1] dat erflater een bankkluis had bij de ABN Amro en mogelijk ook in Zwitserland en dat de inhoud daarvan ten onrechte niet op de aangifte erfbelasting is vermeld. [eiser] stelt dat hem geen kluis bekend is. [gedaagden 1] hebben ter onderbouwing van hun stelling verwezen naar bankafschriften, gedateerd 7 januari 2015 en 6 januari 2016, van de en/of rekening van erflater en [gedaagde 1] bij de ABN Amro waarbij een bedrag is afgeschreven voor de huur van een safe, onder vermelding van het nummer van de safe en het contractnummer. Gelet hierop acht de rechtbank voldoende aangetoond dat erflater een bankkluis bij de ABN Amro had. Door de wettelijke verdeling is deze kluis en de inhoud daarvan overgegaan op [gedaagde 1] . Het had dan ook op haar weg gelegen om bij ABN Amro onderzoek te doen naar deze kluis en de inhoud daarvan en in deze procedure onderbouwd te stellen wat de inhoud van de kluis was en in hoeverre de (waarde van de) inhoud op de aangifte erfbelasting vermeld had moeten worden. Dat is niet aan [eiser] . Nu [gedaagde 1] dat niet heeft gedaan en in deze procedure niets bekend is over de inhoud van de kluis, gaat de rechtbank er vanuit dat de kluis geen vermogensbestanddelen bevat die op de aangifte erfbelasting vermeld hadden moeten worden en dat die aangifte op dit punt dus niet onjuist is.

4.9.

De stelling dat er ook in Zwitserland een bankkluis is, is door [eiser] betwist en door [gedaagden 1] in het geheel niet onderbouwd. De rechtbank gaat dan ook aan die stelling van [gedaagden 1] voorbij.

De vorderingen in conventie

In het incident

4.10.

Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft [eiser] geen belang (meer) bij zijn incidentele vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording. Daar komt nog bij dat [eiser] geen beroept toekomt op artikel VII.A. en b. van het levenstestament van [gedaagde 1] . Hij is daarin niet genoemd als een van de personen aan wie rekening en verantwoording moet worden afgelegd. [eiser] kan ook niet vorderen dat rekening en verantwoording aan [gedaagde 5] wordt afgelegd. Dat kan alleen [gedaagde 5] zelf vorderen. De incidentele vordering onder I zal dus worden afgewezen.

4.11.

Het verzoek om een getuigenverhoor te gelaten zal ook worden afgewezen. Partijen hebben ten aanzien van feiten die tussen hen in geschil zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden weliswaar een aanspraak op bewijslevering door getuigen, maar die aanspraak geldt alleen als een partij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van door de wederpartij betwiste feiten die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. [eiser] heeft niet meer gedaan dan verzoeken om een getuigenverhoor van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te gelasten op basis van een door de rechtbank te geven bewijsopdracht. Dat is niet voldoende. Overigens ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor een bewijsopdracht.

In de hoofdzaak

4.12.

Onder I vordert [eiser] voor recht te verklaren dat het saldo van de nalatenschap van erflater alleen uit banksaldi bestaat. Deze vordering zal worden afgewezen. Een banksaldo is het actuele, financiële overzicht van tegoeden op een bankrekening. Het is het nettoresultaat van alle inkomende en uitgaande geldstromen. Banksaldi zijn dus een administratief overzicht en geen bezittingen. Een nalatenschap kan dus niet uit banksaldi bestaan. De gevorderde verklaring voor recht klopt dus niet. Voor zover met de verklaring voor recht bedoeld is dat de samenstelling van de nalatenschap alleen bankrekeningen omvat, kan ook dat niet worden toegewezen, omdat vaststaat dat erflater op de datum van overlijden ook een auto in eigendom had die tot nalatenschap behoort. De waarde van die auto is ook vermeld in de aangifte erfbelasting.

4.13.

Onder II vordert [eiser] voor recht te verklaren dat het zuiver saldo van de nalatenschap € 387.373,00 bedraagt. Uit de aangifte erfbelasting – waarvan hiervoor is geoordeeld dat die juist is – volgt dat het zuiver saldo van de nalatenschap inderdaad dat bedrag is. Het eerste deel van de gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen. [eiser] vordert verder voor recht te verklaren dat zijn aandeel € 330.342,00 bedraagt. Dat bedrag is niet juist. Het door [eiser] genoemde bedrag betreft de totale verkrijging inclusief de waarde van het legaat en verminderd met de waarde van het fictieve vruchtgebruik van [gedaagde 1] . Het aandeel van [eiser] in de nalatenschap is echter 99/100ste van € 387.373,00 en dus € 383.499,00. Verminderd met de betaalde erfbelasting van € 49.921,00 bedraagt de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] € 333.579,00. Dit bedrag is weliswaar iets hoger dan gevorderd, maar omdat een verklaring voor recht een feitelijke vaststelling van de rechtsverhouding tussen partijen betreft die ook niet leidt tot een hogere geldvordering in deze procedure zal de rechtbank het tweede deel van de verklaring voor recht toewijzen met vermelding van het juiste en dus hogere bedrag van € 333.579,00.

4.14.

Omdat het aandeel van [eiser] hoger is dan waar hij in zijn vordering onder II vanuit is gegaan, klopt ook het bedrag in de onder III. gevorderde verklaring voor recht niet. Na aftrek van het bedrag van € 80.000,00 dat [eiser] al heeft ontvangen, resteert een vordering op [gedaagde 1] van € 303.499,00. De verklaring voor recht zal met vermelding van dat bedrag worden toegewezen.

4.15.

Onder IV. vordert [eiser] voor recht verklaren dat alle schenkingen die uit het vermogen van [gedaagde 1] zijn gedaan aan [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] en [gedaagde 4] buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans deze schenkingen te vernietigen. Hiervoor is vastgesteld dat de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] € 383.499,00 bedraagt en dat hij daarvan slechts € 80.000,00 betaald heeft gekregen. [gedaagden 1] stellen zich op het standpunt dat [gedaagde 1] geen vermogen meer heeft en niet in staat is om het restant van de vordering te voldoen. [eiser] betoogt dat de vermindering van het vermogen dat [gedaagde 1] op grond van de wettelijke verdeling heeft ontvangen het gevolg is van schenkingen die [gedaagde 1] aan [gedaagden 1] heeft gedaan. [eiser] heeft becijferd dat [gedaagde 1] vanaf 2018 in totaal bijna € 140.000,00 aan haar kinderen heeft geschonken en hij stelt dat hij als gevolg van die schenkingen is benadeeld als schuldeiser van [gedaagde 1] , zodat hem een actio Pauliana toekomt als bedoeld in artikel 3:45 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De schenkingen zijn daarom vernietigbaar. Daarnaast geldt volgens [eiser] het vermoeden dat de schenkingen zijn gedaan onder misbruik van omstandigheden. [gedaagde 1] voerde tot 14 maart 2021 zelf het beheer over haar vermogen samen met [gedaagde 5] . Daarna is het beheer conform het levenstestament overgenomen door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . [gedaagde 1] lijdt al enige jaren aan Alzheimer. Als gevolg daarvan heeft het wettelijk vermoeden te gelden dat de schenkingen zijn gedaan onder misbruik van omstandigheden. Ook om die reden zijn de schenkingen vernietigbaar, aldus [eiser] .

4.16.

[gedaagden 1] betwisten dat de schenkingen kunnen worden vernietigd. Volgens hen stond het [gedaagde 1] vrij om de schenkingen te doen, omdat die zijn gedaan met privévermogen van [gedaagde 1] . Verder geldt dat [eiser] – die door [gedaagde 1] was gevolmachtigd om de nalatenschap mede namens haar af te wikkelen – heeft nagelaten om een beschrijving te maken van en duidelijke splitsing aan te houden tussen het privévermogen van [gedaagde 1] en het vermogen waarover zij op grond van de wettelijke verdeling de beschikking kreeg.

4.17.

De rechtbank overweegt het volgende. Bij brief van 17 september 2024 heeft [eiser] de schenkingen van [gedaagde 1] aan haar kinderen buitengerechtelijke vernietigd. Die vernietiging heeft [eiser] gebaseerd op misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW) en niet (mede) op de actio Pauliana (artikel 3:45 BW) . [eiser] komt echter geen beroep op artikel 3:44 BW toe. Alleen degene die slachtoffer is van het misbruik, dat wil zeggen degene die onder invloed van misbruik van omstandigheden een rechtshandeling heeft verricht, kan daar een beroep op doen. Dat betekent dat alleen [gedaagde 1] (of de gevolmachtigden namens haar) een beroep op misbruik van omstandigheden zou kunnen doen en niet [eiser] . De bij brief van 17 september 2024 door [eiser] ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging op grond van misbruik van omstandigheden heeft dus geen rechtsgevolg. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen.

4.18.

Subsidiair vordert [eiser] vernietiging van de schenkingen door de rechtbank op grond van artikel 3:45 BW. Voor een beroep op het inroepen van de vernietiging van een door erflater gedane schenking op grond van de Pauliana dient aan de navolgende vereisten te worden voldaan. Het moet gaan om een onverplichte handeling (i) met als gevolg dat de schuldeiser in zijn verhaalsmogelijkheid is benadeeld (ii). Voorts is vereist dat de schuldenaar op het moment van de onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat één of meer schuldeisers daardoor in hun verhaalsmogelijkheden zou worden benadeeld (iii).

4.19.

Niet in geschil is dat de schenkingen onverplichte rechtshandelingen waren. Daarmee is aan het eerste vereiste van artikel 3:45 lid 1 BW voldaan. [gedaagden 1] betwisten echter dat [eiser] door de schenkingen is benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden, omdat de schenkingen zouden zijn gedaan uit het privévermogen van [gedaagde 1] dat zij (grotendeels) heeft verkregen uit de nalatenschap van haar eigen moeder. Dit argument gaat niet op. Als gevolg van de wettelijk verdeling vloeien het vermogen van de erflater en het privévermogen van de langstlevende echtgenoot samen. Van afgescheiden vermogens is geen sprake. Dit gecombineerde vermogen is verhaalsobject voor de schulden van de langstlevende echtgenoot. De stelling van [gedaagden 1] dat de schenkingen zijn voldaan vanuit het (afgescheiden) privévermogen van [gedaagde 1] is dus onjuist. Nu vaststaat dat het vermogen van [gedaagde 1] ontoereikend is om geldvordering van [eiser] te kunnen voldoen, is het element van de benadeling van [eiser] als schuldeiser in zijn verhaalsmogelijkheden ook aanwezig.

4.20.

In de derde plaats dient vast komen te staan dat [gedaagde 1] op het moment dat zij de verschillende schenkingen deed wetenschap had dat benadeling van één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden daarvan het gevolg zou zijn. [eiser] stelt dat [gedaagde 1] bekend was met zijn vordering op haar en zij wist dat die vordering op enig moment voldaan zou moeten worden en zij dus wetenschap had althans behoorde te weten van zijn benadeling.

4.21.

[gedaagde 1] betwisten dat sprake was van wetenschap van benadeling. Omdat [eiser] en [gedaagde 5] hebben nagelaten om een beschrijving te maken van het vermogen van erflater en een duidelijke splitsing aan te houden tussen het privévermogen van [gedaagde 1] en het vermogen dat zij uit hoofde van de wettelijke verdeling had verkregen dacht zij dat zij de schenkingen deed vanuit haar privévermogen, aldus [gedaagden 1] Dit verweer gaat niet op, omdat de wetenschap is geobjectiveerd. Voldoende is dat [gedaagde 1] behoorde te weten, dat benadeling van de schuldeisers het gevolg van de handeling was. De rechtbank heeft daarnaast in 4.19 al overwogen dat geen sprake was van twee afgescheiden vermogens en dus ook niet van een “privévermogen” van [gedaagde 1] .

4.22.

De rechtbank oordeelt als volgt. [gedaagde 1] was er vanaf 2017 mee bekend dat [eiser] een vordering van € 383.499,00 op haar had. Vanaf 2018 tot en met 2022 heeft zij jaarlijks schenkingen gedaan aan [gedaagden 1] , in totaal voor bijna € 140.000,00. Volgens [gedaagden 1] heeft [gedaagde 1] alle schenkingen en dus ook die in 2021 en 2022 zelf gedaan dan wel zijn de schenkingen gedaan met haar instemming. Naast de schenkingen zijn er aanzienlijke bedragen opgenomen van de bankrekeningen van [gedaagde 1] . Aanvankelijk stond er genoeg geld op bankrekeningen van [gedaagde 1] om schenkingen te kunnen doen en daarnaast de vordering van [eiser] te voldoen. [eiser] stelt in de dagvaarding zelf dat het vermogen van [gedaagde 1] begin 2021 nog zeker € 430.000,00 bedroeg. Van de schenkingen die in de jaren voor 2021 zijn gedaan kan daarom zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden vastgesteld dat [gedaagde 1] op het moment dat zij die schenkingen deed wist of behoorde te weten dat [eiser] door die schenkingen zou worden benadeeld. Vaststaat dat het vermogen van [gedaagde 1] vanaf 2021 in hoog tempo verminderde. Vanaf 2021 behoorde het [gedaagde 1] en/of haar gevolmachtigden [gedaagde 2] en [gedaagde 3] duidelijk te zijn dat het vermogen bij het doen van meer schenkingen niet langer voldoende was om de vordering van [eiser] volledig te voldoen. Ook [gedaagde 2] en [gedaagde 3] waren op de hoogte van de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] . [gedaagde 5] heeft hen in zijn e-mail van 14 maart 2021 (zie 2.15) en ook op andere momenten (zie 2.21) op het bestaan van die vordering gewezen. Wetenschap van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als gevolmachtigden kan worden toegerekend aan [gedaagde 1] . Het vorenstaande betekent dat bij de schenkingen die zijn gedaan in 2021 en 2022 wetenschap van benadeling aan de zijde van [gedaagde 1] kan worden aangenomen. Dit leidt tot de conclusie dat wat die schenkingen betreft is voldaan aan alle elementen van artikel 3:45 lid 1 BW. De vordering van [eiser] tot vernietiging van de schenkingen van [gedaagde 1] aan haar kinderen kan wat betreft de schenkingen gedaan in 2021 en 2022 daarom worden toegewezen. Voor de overige schenkingen zal de vordering worden afgewezen.

4.23.

[eiser] vordert onder V. primair betaling door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] van het gehele bedrag van zijn nog resterende vordering op [gedaagde 1] . Die vordering zal worden afgewezen, omdat een juridische grondslag ontbreekt. De enkele stelling dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] na opname van [gedaagde 1] in een verzorgingshuis het vermogen van [gedaagde 1] hebben opgenomen en weggeschonken, terwijl zij wisten dat [eiser] een vordering had op [gedaagde 1] is daarvoor onvoldoende. Vernietiging van de schenkingen op grond van 3:45 BW heeft niet tot gevolg dat [eiser] een vordering krijgt op [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor het gehele bedrag van de resterende vordering van [eiser] .

4.24.

Het betoog van [eiser] dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als gevolmachtigden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het gevoerde beheer over het vermogen van [gedaagde 1] , te meer nu zij in strijd met de bepalingen van het testament grote bedragen aan het vermogen van [gedaagde 1] hebben onttrokken met als doel zichzelf te bevoordelen zonder dat toestemming is gevraagd aan de andere kinderen van [gedaagde 1] terwijl dat op grond van het levenstestament wel vereist was slaagt ook niet, omdat alleen [gedaagde 1] , [gedaagde 5] en [gedaagde 4] een beroep kunnen doen op het niet vragen van de verplichte toestemming. In het levenstestament is immers geen verplichting opgenomen om ook aan [eiser] toestemming te vragen. [eiser] kan ook geen beroep doen op het onrechtmatig onttrekken van vermogen van [gedaagde 1] of het niet voeren van goed beheer over het vermogen van [gedaagde 1] . Alleen [gedaagde 1] zelf kan daar een beroep op doen. Voor de conclusie dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser] is die grondslag in deze procedure onvoldoende uitgewerkt en onderbouwd.

4.25.

De rechtbank zal de subsidiaire vordering toewijzen tot de bedragen die corresponderen met de respectieve schenkingen die in 2021 en 2022 zijn gedaan. De vernietiging van deze schenkingen heeft relatieve werking 1. Dit betekent in dit geval dat zij alleen werkt ten behoeve van [eiser] . Dat brengt met zich dat de ongedaanmakings-verplichtingen die ontstaan door de vernietiging alleen ten behoeve van [eiser] moeten worden nagekomen en maakt - naar het oordeel van de rechtbank - dat hij voor zijn vordering op [gedaagde 1] verhaal kan nemen op de restitutievorderingen die [gedaagde 1] op de begiftigden heeft 2 door van hen de betaling van die restitutievorderingen aan hem te vorderen. Dit per kind steeds tot het beloop van de vernietigde schenkingen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding omdat het verzuim ten aanzien van de ongedaanmakingsverbintenissen niet eerder is ingetreden.

4.26.

Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen zo worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De vorderingen in reconventie

In het incident

4.27.

[gedaagden 1] vorderen om [eiser] op grond van artikel 194 jo 195 Rv te veroordelen om afschriften van dan wel inzage in te verstrekken van een groot aantal stukken die betrekking hebben op zowel de Zwitserse als de Nederlandse bezittingen van erflater en de afwikkeling van de nalatenschap in Zwitserland en in Nederland. [gedaagden 1] stellen dat zij daarbij rechtmatig belang hebben, omdat de verzochte gegevens noodzakelijk zijn om te kunnen beoordelen 1) of de aangifte erfbelasting op juiste gegevens is gebaseerd en voor de juiste vaststelling van de omvang van de wederzijdse rechten en plichten, waarmee – zo begrijpt de rechtbank – wordt gedoeld op de omvang van het kindsdeel van [eiser] , 2) of sprake is van verzwegen bestanddelen in de nalatenschap, 3) of [eiser] en/of [gedaagde 5] ongerechtvaardigd zijn verrijkt dan wel onrechtmatig hebben gehandeld.

4.28.

De rechtbank zal de incidentele vordering wat alle gevraagde stukken betreft afwijzen. In conventie heeft de rechtbank geoordeeld dat de aangifte erfbelasting een juiste weergave is van de omvang van de nalatenschap van erflater en dat de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] door hen in onderling overleg is vastgesteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat die € 383.499,00 bedraagt. Bij stukken die zien op de aangifte erfbelasting en de omvang van de vordering van [eiser] hebben [gedaagden 1] geen belang meer. Daar komt bij dat [eiser] heeft gesteld dat hij niet de beschikking heeft over de fysieke administratie, omdat die na het overlijden van erflater bij [gedaagde 1] in de woning is achtergebleven. Voor zover het gaat om stukken die moeten worden opgevraagd bij bijvoorbeeld een bank of creditcardmaatschappij geldt dat [gedaagde 1] dat als erfgenaam zelf kan doen. Door de wettelijke verdeling heeft zij bovendien van rechtswege het beheer en de beschikking over de goederen van de nalatenschap van erflater verkregen. Dat geldt ook voor de bankrekeningen van erflater en een eventuele kluis bij de ABN Amro. Zij kan een groot deel van de gevraagde informatie dus zelf opvragen. Wat de informatie over de activa in Zwitserland betreft is hiervoor al geoordeeld dat [gedaagden 1] tegenover de betwisting van [eiser] onvoldoende hebben gesteld dat erflater een Zwitserse bankrekening en/of kluis had. [eiser] kan daarvan dus ook geen stukken verstrekken. Voor zover er daarnaast nog meer redenen zijn waarom geen recht op inzage in bepaalde stukken bestaat, zal de rechtbank die hieronder aangeven.

a. Erbvertrag

Dit stuk is inmiddels aan [gedaagden 1] verstrekt.

Overzicht inkomsten en uitgaven vakantiewoning Zwitserland

Deze vakantiewoning is aan [eiser] gelegateerd en behoort niet tot de nalatenschap. Datzelfde geldt voor de inkomsten na datum overlijden. De inkomsten en uitgaven in het jaar voor het overlijden van erflater blijken uit de bladzijden uit het kasboek dat is bijgehouden door de familie [betrokkene 3] en die door [eiser] aan [gedaagden 1] zijn verstrekt en door henzelf in de procedure zijn overgelegd.

Bankafschriften en andere documenten betreffende Zwitserse bankrekeningen en/of spaartegoeden en/of kluis over de periode 2013 tot en met 2017

In conventie is al overwogen dat [gedaagden 1] tegenover de betwisting van [eiser] onvoldoende hebben gesteld dat er een Zwitserse bankrekening en/of kluis was. [eiser] kan daarvan dan ook geen stukken verstrekken.

Alle communicatie met de Zwitserse belastingdienst

Het belang van [gedaagden 1] bij deze communicatie is niet gesteld of gebleken en bovendien heeft [eiser] verklaard dat hij nooit met de belastingdienst heeft gecommuniceerd.

Alle belastingaangiften van erflater in de periode 2013 tot en met 2017 aan de Zwitserse autoriteiten

Het belang bij deze aangiften is niet toegelicht. De vakantiewoning is aan [eiser] gelegateerd valt buiten de nalatenschap en voor het bestaan van een Zwitserse bankrekening of kluis is onvoldoende gesteld. [gedaagden 1] verwijzen naar “Übrige aktiven” op de Steuerverwaltung 2015, maar miskennen dat het daar genoemde bedrag onder het kopje “Ausland” staat en dus ziet op activa die zich niet in Zwitserland bevinden, maar in het buitenland, hoogstwaarschijnlijk Nederland.

Correspondentie tussen [eiser] en/of [gedaagde 5] en [bedrijf 3] betreffende de afwikkeling van de nalatenschap en het opstellen van de aangifte erfbelasting

Correspondentie tussen [gedaagde 5] en [bedrijf 3] moeten [gedaagden 1] bij [gedaagde 5] opvragen, niet bij [eiser] .

4.29.

Het verzoek om een getuigenverhoor te gelasten wordt ook afgewezen. Partijen hebben ten aanzien van feiten die tussen hen in geschil zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden weliswaar een aanspraak op bewijslevering door getuigen, maar die aanspraak geldt alleen als een partij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van door de wederpartij betwiste feiten die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. [gedaagden 1] hebben niet meer gedaan dan verzoeken om een getuigenverhoor van [eiser] en [gedaagde 5] te gelasten op basis van een door de rechtbank aan de hand van de processtukken in de hoofdzaak en het incident uit te vaardigen bewijsopdracht. Voor een bewijsopdracht ziet de rechtbank overigens ook geen aanleiding.

In de hoofdzaak

4.30.

De gevorderde rekening en verantwoording door [eiser] zal worden afgewezen, omdat daar geen grondslag voor is. Weliswaar blijkt uit de verklaring van erfrecht dat [eiser] als gevolmachtigde de verplichting heeft om aan [gedaagde 1] als volmachtgever rekening en verantwoording af te leggen over de afwikkeling van de nalatenschap, maar [gedaagde 1] heeft daar zelf nooit om gevraagd en zij heeft bovendien ingestemd met de door [bedrijf 3] in opdracht van haarzelf opgemaakte aangifte erfbelasting en vaststelling van de vordering van [eiser] , terwijl zij – volgens de eigen stellingen van [gedaagden 1] – tot 2021 wilsbekwaam was. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] kunnen daar als gevolmachtigden van [gedaagde 1] na zoveel jaar niet zomaar namens haar op terugkomen.

4.31.

De vordering om [eiser] te veroordelen de door [gedaagde 1] betaalde declaraties van [bedrijf 3] aan haar terug te betalen zal ook worden afgewezen. De stelling dat [eiser] opdracht voor de werkzaamheden heeft gegeven is gemotiveerd door [eiser] betwist en door [gedaagden 1] niet nader onderbouwd. Uit het feit dat [gedaagde 1] de declaraties destijds (vanaf haar privé bankrekening) heeft betaald, kan bovendien worden afgeleid dat zij het ermee eens was dat de declaraties voor haar rekening kwamen. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] kunnen daar als gevolmachtigden van [gedaagde 1] nu niet op terugkomen.

4.32.

Uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat de gevorderde verklaring voor recht dat de aangifte erfbelasting geen juiste weergave is van de omvang van de nalatenschap moet worden afgewezen.

4.33.

Onder D. vorderen [gedaagden 1] verdeling van de resterende nalatenschap door toedeling van de door [eiser] verzwegen bestanddelen uit de nalatenschap aan [gedaagde 1] . Die vordering zal ook worden afgewezen. Eerder in dit vonnis al overwogen dat niet gebleken is dat er een Zwitserse bankrekening en/of Nederlandse dan wel Zwitserse bankkluis was die [eiser] verzwegen heeft. Daar komt nog bij dat de vordering juridisch ook niet correct is.

In zijn arrest van 21 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:420) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het verbeuren van een aandeel in een gemeenschappelijk goed meebrengt dat de oneerlijke deelgenoot zijn aandeel in de verzwegen, zoekgemaakte of verborgen goederen verliest en dat dit van rechtswege overgaat op de overige deelgenoten zonder dat daarvoor een verdeling of een leveringshandeling nodig is. Toedeling van verzwegen bestanddelen kan dus niet.

4.34.

Tot slot vordert [gedaagde 2] opheffing van het conservatoire beslag dat [eiser] heeft gelegd op het woonschip van [gedaagde 2] . Deze vordering zal worden afgewezen. In conventie is immers geoordeeld dat [eiser] een vordering op [gedaagde 2] heeft uit hoofde van de vernietiging van de paulianeuze schenkingen.

4.35.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de incidentele vorderingen af,

5.2.

verklaart voor recht dat het saldo van de nalatenschap van erflater € 387.373,00 bedraagt en het aandeel van [eiser] € 383.499,00,

5.3.

verklaart voor recht dat de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] , na aftrek van hetgeen reeds aan hem is betaald € 303.499,00 bedraagt,

5.4.

vernietigt de schenkingen die in 2021 en 2022 uit het vermogen van [gedaagde 1] zijn voldaan aan [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] en [gedaagde 4] ,

5.5.

veroordeelt [gedaagde 2] om binnen twee weken na heden aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 51.000,- te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,

5.6.

veroordeelt [gedaagde 3] om binnen twee weken na heden aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 7.600,- te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,

5.7.

veroordeelt [gedaagde 5] om binnen twee weken na heden aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 6.000,- te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,

5.8.

veroordeelt [gedaagde 4] om binnen twee weken na heden aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 6.000,- te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,

5.9.

compenseert de kosten van de procedure in conventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, zowel in het incident als in de hoofdzaak,

5.10.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.4 tot en met 5.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.12.

wijst de vorderingen af, zowel in het incident als in de hoofdzaak,

5.13.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, zowel in het incident als in de hoofdzaak.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.

977

1

Artikel 3:45 lid 4 BW

2

Artikel 3:53 lid 1 jo 3:203 lid 1 en 2 BW


meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Meer fiscale opties pensioenverrekening samenwoners
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 06-05-2025
Jasper Horsthuis en Rob Welling gaan in gesprek over een recente uitbreiding van de fiscale mogelijkheden voor pensioenverrekening door samenwoners. Zij bepleiten een verdere verruiming van de regeling.
Podcastgesprek: Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente (II)
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 22-04-2025
De Belastingdienst heeft - opnieuw - een standpunt gepubliceerd over de fiscale afwikkeling van een lijfrentepolis bij echtscheiding. Rob Welling en Jasper Horsthuis bespreken de gevolgen hiervan.
Podcastgesprek: Breaking! Vóórhuwelijks vergoedingsrecht halveert niet!
Drs. Jasper Horsthuis en Rob Welling, 08-04-2025
Onze redacteur Jasper Horsthuis en scheidingsfiscalist Rob Welling gingen in gesprek over de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad op 21-03-2025. Super heldere uitleg over inhoud en gevolgen van de uitspraak!
Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN