Essentie (gemaakt door AI)
Erfrecht. Wettelijke verdeling. Vaststelling vordering zoon op langstlevende stiefmoeder. De rechtbank acht de aangifte erfbelasting 2017 een juiste weergave van de nalatenschap, die vrijwel geheel uit bank- en effectenrekeningen bestaat. Het zuiver saldo is € 387.373; het aandeel van zoon € 383.499. De vordering is opeisbaar wegens opname van stiefmoeder in zorginstelling. Buitengerechtelijke vernietiging wegens misbruik van omstandigheden faalt. Pauliana art. 3:45 BW slaagt deels: schenkingen 2021–2022 worden vernietigd; eerdere schenkingen niet.Nieuwsitem uit Focus op Familierecht
| Datum publicatie | 22-09-2026 |
| Zaaknummer | C/15/361845 |
| Procedure | Bodemzaak |
| Zittingsplaats | Haarlem |
| Rechtsgebieden | Civiel recht; Personen- en familierecht; Civiel recht; Verbintenissenrecht |
| Trefwoorden | Erfrecht |
| Wetsverwijzingen |
Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl
Erfrecht. Wettelijke verdeling. Vaststelling vordering zoon uit eerste huwelijk op langstlevende tweede vrouw van erflater. De rechtbank oordeelt dat in dit specifieke geval de aangifte erfbelasting een juiste weergave is van de omvang van de nalatenschap van erflater, omdat de nalatenschap vrijwel uitsluitend bestaat uit banktegoeden waarbij waardering geen rol speelt. De vordering van de zoon is opeisbaar, omdat stiefmoeder in een verzorgingshuis is opgenomen. Als gevolg van schenkingen van de langstlevende aan haar kinderen uit haar eerste huwelijk is er onvoldoende vermogen om de vordering van de zoon te voldoen. De gevorderde vernietiging van de schenkingen op grond van de Pauliana (3:45 BW) slaagt deels. Geen wetenschap van benadeling wat betreft de schenkingen die zijn in de periode waarin de langstlevende nog over (ruim) voldoende vermogen beschikte om de vordering van de zoon van erflater te kunnen voldoen.Volledige uitspraak
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/361845 / HA ZA 25-66
Vonnis van 19 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. L.C. Griffioen-Wennekers,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2. [gedaagde 2],
te [plaats 3] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
3. [gedaagde 3],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 3] ,
4. [gedaagde 4],
te Duitsland,
hierna te noemen: [gedaagde 4] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden 1] ,
advocaat: mr. E.P. van der Schraaf,
5. [gedaagde 5],
te [plaats 4] ,
gedaagde partij in conventie,
niet verschenen.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 25 juni 2025
- de mondelinge behandeling van 10 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn
gemaakt
- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte vermeerdering van eis, tevens akte
overlegging producties met de producties 24 tot en met 27
- de akte indiening producties ter voorbereiding zitting van [gedaagden 1] met de producties
15
tot en met 18
- de akte indiening producties ter voorbereiding zitting van [eiser] met de producties 28
en 29
- de mondelinge behandeling van 14 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn
gemaakt en waarbij door de advocaten pleitaantekeningen zijn overgelegd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
Op 8 september 2015 is [erflater] (hierna: erflater) in Zwitserland overleden. Erflater was in tweede echt gehuwd met [gedaagde 1] . [eiser] is de zoon van erflater uit het eerste huwelijk.
[gedaagde 1] is eerder getrouwd geweest met [betrokkene 1] en uit dat huwelijk zijn [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 5] geboren. [gedaagde 4] is de dochter van [betrokkene 1] uit een eerder huwelijk.
Erflater en [gedaagde 1] waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende een uitsluiting van iedere gemeenschap.
Op 9 mei 2005 heeft erflater een testament opgemaakt waarin onder meer het volgende is bepaald:
(…)
Erfstelling
Artikel 3.
Ik benoem tot mijn enige erfgenamen:
-
mijn genoemde echtgenote (de rechtbank: [gedaagde 1] ): voor één honderdste (1/100ste) gedeelte van mijn nalatenschap; en
-
mijn zoon (…) [eiser] , (…) voor negenennegentig honderdste (99/100ste) gedeelte van mijn nalatenschap (…)
Wettelijke verdeling
Artikel 4.
Ik bepaal dat mijn nalatenschap overeenkomstig de wet zal worden verdeeld, zodat alle tot mijn nalatenschap behorende goederen door mijn echtgenote worden verkregen terwijl de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor haar rekening komt.
Mijn zoon verkrijgt een geldvordering ten laste van mijn echtgenote ter grootte van de waarde van zijn erfdeel.
Bijzondere bepalingen
Artikel 5.
Voor deze verdeling geldt, in afwijking van het dienaangaande is de wet bepaalde, het volgende:
1. de geldvordering ten laste van mijn echtgenote en de eventuele rente daarover zijn eerst in de navolgende gevallen opeisbaar:
a. na het overlijden van mijn echtgenote;
(…)
e. indien mijn echtgenote voor een duurzaam verblijf wordt of is opgenomen in een zorgcentrum of verpleeghuis waarvoor een wettelijke aan het vermogen te toetsen eigenbijdrageregeling van kracht is en door het opeisbaar worden van de vordering gevolgd door betaling, een lagere bijdrage verschuldigd zal zijn;
(…)
Waardering
Artikel 12.
De waarde van de ten tijde van mijn overlijden tot mijn nalatenschap behorende goederen worden vastgesteld in onderling overleg tussen mijn erfgenamen.
Eventuele geldvorderingen van mijn afstammelingen worden vastgesteld bij notariële akte binnen één jaar na mijn overlijden.
Bij gebreke van overeenstemming tussen mijn erfgenamen zal de waardering geschieden door één of meer deskundigen die door de ten aanzien van mijn nalatenschap bevoegde kantonrechter worden benoemd (…)
(…)
[eiser] en [gedaagde 1] hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.
In de verklaring van erfrecht staat onder meer het volgende:
(…)
Blijkens een volmacht opgenomen in de verklaring van de voornoemde echtgenote (de rechtbank: [gedaagde 1] ) heeft zij volmacht gegeven aan de voornoemde zoon (de rechtbank: [eiser] ) om mede namens haar de nalatenschap van de overledene af te wikkelen.
(…)
Conclusie
Mitsdien is voornoemde (…) [gedaagde 1] zelfstandig bevoegd en gerechtigd om alle zaken en waarden behorende tot de nalatenschap van de overledene op te vorderen, te ontvangen en daarvoor kwijting te geven.
Daarnaast is voornoemde (…) [eiser] , als gevolmachtigde bevoegd en gerechtigd om mede namens voornoemde volmachtgever het beheer als bedoeld in artikel 3:170 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek te voeren over de nalatenschap, alsmede de nalatenschap van de overledene te vereffenen.
(…)
De gevolmachtigde heeft de verplichting om van alle werkzaamheden aantekening te houden en aan de volmachtgever rekening en verantwoording af te leggen.
(…)
Erflater was eigenaar van een vakantiewoning in Zwitserland (hierna: “de vakantiewoning). Op grond van een Zwitsers “Erbvertrag” van 1 oktober 2008 heeft erflater het blote eigendom van de vakantiewoning aan [eiser] gelegateerd en aan [gedaagde 1] het vruchtgebruik van de vakantiewoning gelegateerd. [eiser] heeft het legaat aanvaard. [gedaagde 1] heeft haar legaat van vruchtgebruik geweigerd. [eiser] heeft als gevolg daarvan het volledige eigendom van de vakantiewoning verkregen.
[bedrijf 1] N.V. (voorheen [bedrijf 2] N.V.) (hierna: [bedrijf 3] ) heeft opdracht gekregen de aangifte erfbelasting op te stellen. In de jaren voor het overlijden van erflater verzorgde [bedrijf 3] ook de aangiften inkomstenbelasting van erflater en [gedaagde 1] .
Op 6 juli 2017 heeft [gedaagde 1] de volgende handgeschreven brief gestuurd aan [betrokkene 2] , de behandelend medewerker van [bedrijf 3] :
Beste [betrokkene 2] ,
Zou je voor mij tijd vrij kunnen maken om mij telefonisch uit te leggen hoe dat testament voor mij van [erflater] (de rechtbank: erflater) tot stand is gekomen.
Bv. Wie heeft de waarde van de boedel van het huis in [plaats 5] bepaald? [erflater] ?
En waaruit zijn de legaten voortgekomen?
En waarom heb ik nooit geweten dat er zo’n testament voor mij bestond?
[eiser] (de rechtbank: [eiser] ) heeft mij nooit iets laten weten.?
En denk je dat [eiser] mij dat geld € 145.433 ooit uitbetaalt?
(…)
In het dossier van [bedrijf 3] bevindt zich de volgende handgeschreven notitie van [betrokkene 2] :
Klant gesproken.
Ze begrijpt er niet veel van. Aan het eind van het gesprek gaf ze aan dat ze [eiser] een brief ging sturen dat hij het bedrag van € 145.433 niet hoeft te betalen. Dit vindt ze niet nodig. Hij hoeft dat ook helemaal niet te betalen. Dat begrijpt ze niet, maar de uitkomst is hetzelfde, dus heb het maar zo gelaten.
[bedrijf 3] heeft de aangifte erfbelasting opgesteld en deze bij brief van 17 maart 2017 naar [eiser] en [gedaagde 1] gestuurd. In de begeleidende brief aan [gedaagde 1] staat de volgende toelichting:
1NALATENSCHAP
Het saldo van de nalatenschap bedraagt € 387.373. U bent gezamenlijk met (…) [eiser] erfgenaam (naar een gerechtigdheid van respectievelijk (1% en 99%).
In het testament was een zogeheten wettelijke verdeling opgenomen. Op grond hiervan verkrijgt u alle goederen en schulden uit de nalatenschap. (…) [eiser] krijgt een onderbedelingsvordering op u ter grootte van zijn erfdeel. Zoals besproken, is in onderling overleg overeengekomen dat over deze vorderingen geen rente verschuldigd is waardoor de vordering niet gewaardeerd wordt op de nominale waarde. Als gevolg van de fiscale waardering (wij verwijzen naar pagina 7 van de aangifte voor de berekening) neemt uw verkrijging toe (met € 115.015) en de verkrijging van (…) [eiser] af (met € 115.015).
2WONING IN ZWITSERLAND
Naast het Nederlandse testament is tevens een Erbvertrag ondertekend waarin de blote eigendom van de woning Zwitserland aan (…) [eiser] wordt gelegateerd. Op basis van het Erbvertrag verkrijgt u het vruchtgebruik over de woning. Als gevolg hiervan is de waarde van de woning in Zwitserland niet in het saldo van de nalatenschap begrepen. Echter, de woning wordt als legaat verkregen. (…)
Met betrekking tot de belastingheffing over de woning in Zwitserland informeren wij u dat eventueel verschuldigde successierechten in Zwitserland verrekend mogen worden met de verschuldigde erfbelasting in Nederland. In Zwitserland wordt echter geen successierechten betaald, zodat geen sprake zal zijn van verrekening.
(…)
3. PRIVE VERMOGEN
Zoals u weet, was u gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden, inhoudende dat tussen u en wijlen uw echtgenoot geen enkele gemeenschap van goederen bestaat. Als gevolg hiervan bestaat de nalatenschap uit het privévermogen van wijlen de heer [eiser] .
4VERSCHULDIGDE ERFBELASTING
Hieronder treft u een overzicht aan van de verschuldigde erfbelasting per verkrijger:
Naam verkrijger Verkrijging Verschuldigde Erfbelasting
[gedaagde 1] € 145.399 € 0
[eiser] € 330.342 € 49.928
Totaal € 475.741 € 49.928
(…)
De door [bedrijf 3] opgestelde aangifte vermeldt aan privé bezittingen van erflater de vakantiewoning in Zwitserland met een waarde van € 88.368, vier bankrekeningen, waarvan drie bij ABN AMRO die eindigen op . [rekeningnummer 1] , . [rekeningnummer 2] en . [rekeningnummer 3] en een bij ING Bank die eindigt op . [rekeningnummer 4] en een auto. Verminderd met de privé schulden van erflater is het privé vermogen van erflater in de aangifte berekend op € 481.614. Daar heeft [bedrijf 3] het legaat – de vakantiewoning in Zwitserland – met een waarde van € 88.368 en de kosten van de uitvaart van afgetrokken en de uitkering van de uitvaartverzekering bij opgeteld. Het zuiver saldo van de nalatenschap bedraagt € 387.373.
Onder het kopje “Recapitulatie verkrijgingen” staat in de aangifte bij [eiser] het volgende:
(…)
Verkregen krachtens erfrecht
(…) (99/100ste) gedeelte van de nalatenschap EUR 383.499
Bij: Legaat inzake blote eigendom woning in Zwitserland EUR 61.858
Af: fictief vruchtgebruik (…) [gedaagde 1] EUR 115.015
Totale verkrijging (…) [eiser] EUR 330.342
In voetnoten bij de aangifte heeft [bedrijf 3] opgemerkt dat in Zwitserland geen successiebelasting is geheven en dat de erfgenamen krachtens het testament in overleg hebben besloten om de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] niet te verhogen met rente.
De door [bedrijf 3] opgestelde aangifte erfbelasting is op 17 maart 2017 door [eiser] en [gedaagde 1] ondertekend en door hen ingediend bij de Belastingdienst.
Tot 14 maart 2021 voerde [gedaagde 1] samen met [gedaagde 5] het beheer over haar vermogen. Daarna is het beheer van het vermogen van [gedaagde 1] overgenomen door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . Bij levenstestament van 16 juni 2021 heeft [gedaagde 1] [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gevolmachtigd om haar vermogensrechtelijke zaken te behartigen en haar in en buiten rechte te vertegenwoordigen. In artikel VII. van het levenstestament heeft [gedaagde 1] bepaald dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] verplicht zijn om per kwartaal rekening en verantwoording aan a. [gedaagde 1] af te leggen, en b. als [gedaagde 1] niet meer in staat is om de rekening en verantwoording in ontvangst te nemen om die rekening en verantwoording af te leggen aan [gedaagde 5] en [gedaagde 4] .
Op 14 maart 2021 heeft [gedaagde 5] – onder meer – het volgende gemaild aan [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] :
(…)
-
[gedaagde 1] heeft pas begin 2016 ontdekt dat [erflater] [de rechtbank: erflater] ook nog aandelen had.
-
Begin 2016 heb ik [gedaagde 1] [de rechtbank: [gedaagde 1] ] geadviseerd om deze om te zetten in cash op de rekening (…)
-
Deze aandelen brachten dacht ik 360,000 (of 380.000) euro op (…)
-
[gedaagde 1] geeft de laatste jaren net iets meer uit dan zij binnen krijgt (max een paar duizend euro). De eerste jaren gaf zij ongeveer net zoveel uit als ze binnen kreeg.
-
Vanaf 2017 of 2018 (dat weet ik niet meer) is zij volgens mij begonnen met schenkingen aan haar vier kinderen, waardoor haar rekening ergens tussen de 21.000 en afgelopen keer 24.0000 euro leegloopt.
(…)
- Alvast grof terugrekenend komt het erop neer dat [gedaagde 1] 360.000 – 3 jaar schenkingen of 380.000 – 4 jaar schenkingen nu nog ongeveer 300.000 euro bezit.
(…)
Ik stel nu voor om de rekening voortaan ook door [eiser] (in cc) te laten beheren aangezien het na overlijden van [gedaagde 1] grotendeels zijn geld is (zo is het ook notarieel vastgelegd). (…)
Op 9 mei 2022 is [gedaagde 1] permanent opgenomen in een zorginstelling.
Bij brief van 14 oktober 2022 aan [gedaagde 1] heeft [eiser] aanspraak gemaakt op betaling van zijn vordering. In die brief schrijft [eiser] onder meer:
“Ik begreep van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] dat op het moment op twee spaarrekeningen niet meer dan € 15.000,- en € 65.000,- aanwezig is, althans op de rekeningen die ze me hebben laten zien ( [rekeningnummer 5] en [rekeningnummer 6] ).
Ik wil je vragen het saldo van deze twee rekeningen per omgaande naar mij over te maken (…). Over de verrekening van de overblijvende vordering wil ik graag een voorstel ontvangen. (…)”.
In reactie op de hiervoor vermelde brief is in totaal € 80.000,00 van [gedaagde 1] naar [eiser] overgemaakt.
Bij brief van 24 juni 2024 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde 1] (via haar advocaat) gesommeerd de resterende € 220,551,20 binnen twee weken te voldoen. Aan die sommatie is geen gevolg gegeven.
Vanaf 2018 tot en met 2022 hebben de volgende schenking vanuit het vermogen van [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] en [gedaagde 4] plaatsgevonden:
|
[gedaagde 2] |
[gedaagde 3] |
[gedaagde 5] |
[gedaagde 4] |
|
|
2018 |
€ 5.363,00 |
€ 5.363,00 € 265,00 € 265,00 € 265,00 |
€ 5.363,00 |
€ 5.363,00 |
|
2019 |
€ 5.363,00 |
€ 5.363,00 € 1.000,00 |
€ 5.363,00 |
€ 5.363,00 |
|
2020 |
€ 5.515,00 |
€ 5.515,00 € 600,00 € 500,00 € 200,00 € 600,00 |
€ 5.515,00 |
€ 5.515,00 |
|
2021 |
€ 6.000,00 |
€ 6.000,00 € 400,00 |
€ 6.000,00 |
€ 6.000,00 |
|
2022 |
€ 5.000,00 € 40.000,00 |
€ 800,00 € 400,00 |
||
|
Totaal |
€ [rekeningnummer 4] .241,00 |
€ 27.536,00 |
€ 22.241,00 |
€ 22.241,00 |
In een e-mail van 13 augustus 2024 heeft Meinder onder meer het volgende geschreven aan [eiser] :
(…)
Ik heb continu in het app verkeer met [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] aangegeven dat het geld van [eiser] is en niet van de kinderen van [gedaagde 1] . (…) Dus toen de 330.000,- euro in handen van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] kwam, waren zij dus al op de hoogte van het feit dat dit geld van [eiser] is. (…)
Bij brief van 17 september 2024 heeft [eiser] de schenkingen van [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] en [gedaagde 4] buitengerechtelijk vernietigd wegens misbruik van omstandigheden.
Na daartoe verkregen verlof heeft [eiser] op 20 januari 2025 ten laste van [gedaagde 2] conservatoir beslag laten leggen op het woonschip van [gedaagde 2] , liggend aan de kade aan het adres [adres] te [plaats 3] .
Naar aanleiding van de tijdens de mondelinge behandeling van 10 juli 2025 gemaakte afspraak dat de advocaten van partijen gezamenlijk [bedrijf 3] zouden benaderen voor een gesprek heeft op 6 november 2025 een online overleg plaatsgevonden tussen een medewerker van [bedrijf 3] en de advocaten van partijen waarbij door [bedrijf 3] inzage is verstrekt in, althans informatie is gedeeld uit het dossier van erflater.
Op 8 december 2025 heeft een medewerker van [bedrijf 3] het volgende gemaild aan de advocaat van [gedaagden 1] met een cc aan de advocaat van [eiser] :
(…)
-
In ons dossier is niets gebleken van een Zwitserse bankrekening. Een eventuele Zwitserse bankrekening is derhalve niet meegenomen in de aangifte erfbelasting.
-
Ten aanzien van het in de aangifte erfbelasting meegenomen vermogen is te herleiden dat de volgende bankrekeningen wel tot het vermogen van de heer [eiser] zijn gerekend:
-
ABN AMRO . [rekeningnummer 2] (zowel bankrekening als aandelen)
-
ABN AMRO . [rekeningnummer 1] (zowel bankrekening als aandelen)
-
ABN AMRO . [rekeningnummer 3] (bankrekening)
-
INGB . [rekeningnummer 7]
De volgende rekeningen zijn niet gerekend tot het vermogen van de heer [eiser] :
-
ABN AMRO . [rekeningnummer 8] (zowel bankrekening als aandelen)
-
ABN AMRO . [rekeningnummer 9] (bankrekening)
-
ABN AMRO . [rekeningnummer 10] (opgeheven?)
Wij merken hierbij op dat wij voor bovenstaande een vergelijking hebben gemaakt met de aangifte inkomstenbelasting 2015.
(…)
Op 9 december 2025 heeft de advocaat van [eiser] het volgende gemaild aan een medewerker van [bedrijf 3] :
(…)
In het overleg via Teams op 6 november jl. (…) heeft u bevestigd dat uit het dossier is gebleken dat mevrouw [gedaagde 1] destijds de opdracht aan [bedrijf 3] heeft verstrekt voor de afwikkeling van de nalatenschap van haar echtgenoot de heer [eiser] , dat met haar meermaals is gesproken en dat zij is geïnformeerd én akkoord heeft gegeven voor de vaststelling van de verkrijgingen en de aangifte erfbelasting. Partijen hadden overeenstemming over ieder verkrijgingen op grond van het testament (…)
3Het geschil
In conventie
In het incident
[eiser] vordert:
I. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op grond van artikel 195 Rv te bevelen om rekening en verantwoording af te leggen conform artikel VII.A en b van het levenstestament, per kwartaal, over het gevoerde beheer van het vermogen van [gedaagde 1] ;
II. een getuigenverhoor te gelasten van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] om te worden gehoord op een door de rechtbank te formuleren bewijsopdracht;
III. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te veroordelen in de proceskosten van het incident.
In de hoofdzaak
[eiser] vordert, na vermeerdering van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad
I. voor recht te verklaren dat het saldo van de nalatenschap van erflater alleen uit banksaldi bestaat;
II. voor recht te verklaren dat het saldo van de nalatenschap € 387.373,00 bedraagt en het aandeel van [eiser] € 330.342,00;
III. voor recht te verklaren dat de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] , na aftrek van hetgeen reeds aan hem is betaald, € 250.342,00 bedraagt.
IV. voor recht te verklaren dat alle schenkingen die uit het vermogen van [gedaagde 1] zijn gedaan aan [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] en [gedaagde 4] buitengerechtelijk zijn vernietigd door [eiser] , althans deze schenkingen te vernietigen;
Primair
V. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk te veroordelen om binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 253.578 althans € 250.342 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
VI. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] primair te veroordelen in de werkelijke proceskosten van onderhavige procedure, begroot op € 12.000 + p.m. te vermeerderen met de nakosten en subsidiair te veroordelen in de kosten van het geding op basis van het liquidatietarief en in de gemaakte nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in dezen te wijzen vonnis alsmede in de wettelijke rente over deze kosten voor zover deze niet door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn voldaan binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis.
Subsidiair
VII. [gedaagde 2] te veroordelen om binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 67.241 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
VIII. [gedaagde 3] te veroordelen om binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 27.536 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
IX. [gedaagde 5] te veroordelen om binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 22.241 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
X. [gedaagde 4] te veroordelen om binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 22.241 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
XI. gedaagden primair te veroordelen in de werkelijke proceskosten van de procedure, begroot op € 12.000 + p.m. te vermeerderen met de nakosten en subsidiair te veroordelen in de kosten van het geding op basis van het liquidatietarief en in de gemaakte nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in dezen te wijzen vonnis alsmede in de wettelijke rente over deze kosten voor zover deze niet door gedaagden zijn voldaan binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis.
[gedaagden 1] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
In het incident
[gedaagden 1] vorderen, bij tussenvonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
I. [eiser] op grond van artikel 195 Rv te bevelen om binnen een door de Rechtbank bepalen termijn eisers zonder voorbehoud volledig te informeren en afschriften te verstrekken van en/of inzage te geven in:
-
het gehele Erbvertrag, inclusief de bij dagvaarding ontbrekende pagina 2 en alle in het Erbvertrag genoemde bijlagen met specificatie van bedragen en onderbouwing met bewijsstukken van de bijlagen;
-
een overzicht waaruit alle inkomsten en uitgaven betreffende de vakantiewoning blijken met de betalingsbewijzen, zowel een jaar voorafgaande aan het overlijden van erflater, ten tijde van het overlijden als daarna t/m 31 december 2017, inclusief kadastrale uittreksels, en het volledige kasboek betreffende de uitgaven aan of door de familie [betrokkene 3] ;
-
kopieën van alle bankafschriften en andere documenten alsmede contactgegevens met personalia van behandelende bankemployees betreffende eventuele Zwitserse bankrekeningen en/of spaartegoeden en/of een kluis op naam van erflater, en/of op naam van erflater en [gedaagde 1] , en/of op naam van erflater en [eiser] , en/of op naam van erflater en een derde, over de periode 2013 tot en met 2017, onder meer en niet beperkt tot het filiaal van de toenmalige Bank Schweizerische Kreditanstalt, thans Credit Suisse in St. Moritz;
-
alle communicatie, zowel schriftelijk als elektronisch, met de Zwitserse belastingdienst betreffende erflater en/of diens nalatenschap en/of [gedaagde 1] , en eventuele nadere correspondentie of belastingaanslagen vanaf 2010 t/m 2017;
-
alle privé belastingaangiften van erflater in de periode 2013 t/m 2017 aan de Zwitserse autoriteiten, met de op die aangiften gevolgde aanslagen, waaronder doch niet beperkt tot het volledige bericht van de Steuerverwaltung Graubünden betreffende 2015, met volledige specificatie van de onderdelen van “Übrige Aktiven ten bedrage van € 523.000 benoemd in het bericht d.d. 14 december 2017 van de Steuerverwaltung Graubünden met bewijsstukken van herkomst van die activa.
-
alle correspondentie en communicatie tussen [eiser] en/of [gedaagde 5] en [bedrijf 1] betreffende de afwikkeling van de nalatenschap en het opstellen van de aangifte erfbelasting, met beschrijving, specificatie en bewijsstukken van de boedeldelen die tot die aangifte hebben geleid;
-
kopieën van bankafschriften van alle Nederlandse bankrekeningen van erflater over de periode 2013 tot en met 2017 met de jaaropgaven, waaronder, maar niet uitsluitend afschriften van de ING bank;
-
afgifte van kopieën van maandelijkse specificaties van de VISA credit card met klantnummer [nummer 1] ten name van erflater, van erflater en/of [gedaagde 1] en/of van erflater en/of [eiser] of een andere derde, van 2013 t/m 2017;
-
een volledige beschrijving van de inhoud van de bankkluis met nummer [nummer 2] bij ABN AMRO Bank, met afgifte van, althans inzage in bankdocumenten over het bestaan en gebruik met bezoekregistratie met data, namen en identiteit en handtekening van de bezoekers van deze kluis voor de duur van het aangehouden zijn van de kluis door erflater, door erflater en/of [gedaagde 1] of door erflater en/of [eiser] ;
II. het verhoor van [eiser] en [gedaagde 5] Hakkert te gelasten teneinde te worden gehoord op een door de rechtbank bij tussenvonnis te formuleren bewijsopdracht;
III. [eiser] te veroordelen in de proceskosten in incident.
In de hoofdzaak
-
[eiser] te veroordelen tot het doen van rekening en verantwoording ter zake de afwikkeling van de nalatenschap van erflater binnen 14 dagen, althans binnen door de rechtbank te bepalen termijn, na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis;
-
[eiser] te veroordelen tot betaling aan [gedaagde 1] van het bedrag van de declaraties van [bedrijf 3] primair € 3.146 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en van € 3.025 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, binnen acht dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis;
-
te verklaren voor recht dat de aangifte erfbelasting geen juiste weergave is van de omvang van de nalatenschap van erflater;
-
de verdeling van de resterende nalatenschap te gelasten door de toedeling van de door [eiser] verzwegen bestanddelen uit de nalatenschap aan [gedaagde 1] , met veroordeling van [eiser] tot afgifte van die bestanddelen en partijen tot uitvoering van die toedeling, althans [eiser] te veroordelen tot de betaling van de waarde van die verzwegen bestanddelen aan [gedaagde 1] binnen 14 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis;
-
het conservatoir beslag op te heffen dat op 15 januari 2025 is gelegd op het woonschip genaamd [naam] met brandmerk [nummer 3] , gelegen aan de kade te ( [adres] ) [plaats 3] aan het adres [adres] , althans [eiser] te veroordelen binnen acht dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de opheffing van het beslag uit te voeren, op verbeurte van een dwangsom aan [gedaagde 2] van € 25.000 ineens en € 1.000 per dag voor elke dag of gedeelte van een dag dat [eiser] , nalatig blijft een op deze vordering uit te spreken veroordeling uit te voeren;
-
[eiser] te veroordelen in de proceskosten.
[eiser] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagden 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden 1] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie
[eiser] vordert in deze procedure een verklaring voor recht wat betreft de omvang van de nalatenschap van erflater en de hoogte van de vordering die [eiser] uit hoofde van zijn kindsdeel op [gedaagde 1] heeft. Die vordering is op 9 mei 2022 opeisbaar geworden toen [gedaagde 1] werd opgenomen in een verzorgingshuis.
Het belangrijkste geschilpunt tussen partijen betreft de vraag of de aangifte erfbelasting uit 2017 een juiste weergave vormt van de omvang van de nalatenschap van erflater en of de daarop gebaseerde vordering van [eiser] op [gedaagde 1] reeds tussen [eiser] en [gedaagde 1] is vastgesteld dan wel nog vastgesteld moet worden. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de door [bedrijf 3] opgestelde aangifte erfbelasting juist is, zowel hijzelf als [gedaagde 1] daarmee heeft ingestemd en destijds in onderling overleg de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] is vastgesteld op het bedrag vermeld in de aangifte.
[gedaagden 1] daarentegen stellen dat de aangifte geen juiste weergave van de omvang van de nalatenschap vormt, omdat daarin vermogen is opgenomen dat (deels) toebehoort aan [gedaagde 1] , de vakantiewoning in Zwitserland voor een te lage waarde is opgenomen en de Zwitserse bankrekening van erflater en de inhoud van de door hem gehuurde bankkluis bij de ABN Amro en die van een eventuele kluis in Zwitserland niet op de aangifte zijn vermeld. [gedaagde 1] heeft die aangifte alleen getekend op aandringen en advies van [eiser] en [gedaagde 5] . Partijen zijn bovendien in hun onderlinge verhouding niet gebonden aan de aangifte erfbelasting. [eiser] moet eerst een boedelbeschrijving opmaken en het testament van erflater bepaalt dat de waardering van de geldvordering van [eiser] op [gedaagde 1] moet worden vastgesteld bij notariële akte. Dat is beide niet gebeurd. De vordering van [eiser] is dus nog niet vastgesteld, aldus [gedaagden 1]
De rechtbank overweegt het volgende. In beginsel zijn erfgenamen in hun onderlinge verhouding niet gebonden aan de in de aangifte opgegeven waardering voor de erfbelasting, al was het maar omdat de vermogensbestanddelen daar zo laag mogelijk zullen worden gewaardeerd en bijvoorbeeld de woning tegen de WOZ-waarde wordt vermeld. Dat kan echter anders zijn als de nalatenschap bestaat uit banktegoeden waar waardering geen rol speelt of als partijen zijn overeengekomen in hun onderlinge verhouding voor de omvang van de nalatenschap uit te gaan van de aangifte erfbelasting. Partijen kunnen de waarde van de goederen van de nalatenschap voor de verdeling immers in onderling overleg vaststellen en zij zijn daarbij vrij te bepalen van welke waarde zij uitgaan.
In dit geval zijn in de aangifte als bezittingen alleen bank- en effectenrekeningen vermeld met een totaal tegoed plus een auto met een (in relatie tot het saldo van de nalatenschap) zeer beperkte waarde. De waardering voor de erfbelasting en de waardering in het kader van de vaststelling van de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] zullen dus niet of nauwelijks van elkaar kunnen afwijken. De tegoeden bij de bank staan vast en kunnen niet anders gewaardeerd worden. Dat maakt dat er in dit geval geen aanleiding was (en is) om een aparte boedelbeschrijving op te stellen. Die zou immers nagenoeg identiek zijn aan de aangifte. In de aangifte is als zuiver saldo van de nalatenschap een bedrag van € 387.373,00 opgenomen en staat vermeld dat [eiser] gerechtigd is voor 99/100ste deel, te weten € 383. [rekeningnummer 2] ,00. In de begeleidende brief die [bedrijf 3] met de aangifte aan [gedaagde 1] heeft gestuurd is het saldo van de nalatenschap nogmaals vermeld met daarbij dat [eiser] voor 99% deel daarvan een overbedelingsvordering op [gedaagde 1] krijgt. In de daarop volgende zin staat dat [eiser] en [gedaagde 1] “in onderling overleg zijn overeengekomen” dat over deze vordering geen rente verschuldigd is. De aangifte is door [eiser] en [gedaagde 1] ondertekend. Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat op grond hiervan moet worden aangenomen dat [eiser] en [gedaagde 1] in 2017 de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] uit hoofde van het kindsdeel in overleg hebben vastgesteld. Dat die vaststelling niet in een notariële akte is vastgelegd, zoals erflater in zijn testament heeft bepaald, betekent niet dat die afspraak niet bindend is tussen [gedaagde 1] en [eiser] . De stelling van [gedaagden 1] dat [gedaagde 1] niet betrokken was bij de aangifte, zij die ook niet heeft begrepen en alleen haar handtekening onder de door [bedrijf 3] opgestelde aangifte heeft gezet, op aandringen en advies van [eiser] en [gedaagde 5] is door [eiser] betwist en door [gedaagden 1] niet onderbouwd. Uit de overgelegde correspondentie en de gespreksaantekeningen uit het dossier van [bedrijf 3] blijkt juist dat [gedaagde 1] zelfstandig contact heeft onderhouden met [bedrijf 3] , zij vragen heeft gesteld en dat [bedrijf 3] zowel in de brief van 17 maart 2017 als telefonisch een toelichting heeft gegeven op de aangifte. De rechtbank volgt [gedaagden 1] ook niet in hun stelling dat uit de schriftelijke vragen die [gedaagde 1] heeft gesteld (zie 2.9) en de gespreksnotitie van Burggraaf (zie 2.10) blijkt dat [gedaagde 1] de aangifte en de vordering van [eiser] niet heeft begrepen. De vragen van [gedaagde 1] zien op de totstandkoming van het testament zelf en op (de afwikkeling van) het legaat, niet op de omvang van de nalatenschap en de vordering van [eiser] . Dat [gedaagde 1] in die periode al niet meer in staat was om haar eigen vermogen te beheren, is evenmin gebleken. [gedaagden 1] hebben in de procedure zelf gesteld dat zij haar vermogen tot 2021 samen met [gedaagde 5] beheerde, dat de schenkingen die in de periode 2018 tot en met 2022 zijn gedaan door [gedaagde 1] zelf zijn gedaan en dat zij op het moment dat zij haar levenstestament in juni 2021 opstelde nog volledig wilsbekwaam was.
De stelling van [gedaagden 1] dat de aangifte niet juist is, omdat bezittingen van erflater ontbreken, de vakantiewoning onjuist is gewaardeerd en ten onrechte bezittingen die (deels) van [gedaagde 1] zijn in de aangifte zijn vermeld volgt de rechtbank ook niet. De waarde van de vakantiewoning in Zwitserland is weliswaar als bezitting vermeld, maar omdat die woning aan [eiser] is gelegateerd en een legaat een schuld van de nalatenschap is, wordt die woning tegen dezelfde waarde weer afgetrokken. De waarde waartegen die woning in de aangifte is vermeld is daarom niet van belang voor het zuiver saldo van de nalatenschap en daarmee ook niet voor de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] .
De stelling dat in de aangifte en/of-rekeningen ten onrechte als privé vermogen van erflater zijn opgevoerd terwijl die rekeningen gemeenschappelijk waren is tegenover de betwisting van [eiser] ook onvoldoende onderbouwd. De rechtbank stelt voorop dat de tenaamstelling van de bankrekeningen onvoldoende is om de saldi op de bankrekeningen als gezamenlijk aan te merken. De tenaamstelling van een bankrekening betreft de verhouding tussen de bank en de rekeninghouder(s). Zij geeft aan wie over het saldo op de rekening kan beschikken. Het zegt echter niet wie gerechtigd is tot het saldo op een bankrekening. Voor de vraag wie in de interne verhouding tussen de rekeninghouders recht heeft op het saldo is van belang van wie het saldo afkomstig is en wat de rekeninghouders onderling zijn overeengekomen of met de tenaamstelling hebben bedoeld. [gedaagden 1] betogen dat de betreffende en/of-bankrekeningen grotendeels door [gedaagde 1] zijn gevoed, omdat zij een hoger inkomen had dan erflater en zij een aanzienlijk bedrag had ontvangen uit de nalatenschap van haar moeder. Overboekingen waaruit dat zou kunnen blijken zijn echter niet overlegd. Belangrijker is echter dat – zo is onbetwist door [eiser] gesteld – [bedrijf 3] al jaren de aangifte inkomstenbelasting voor erflater en [gedaagde 1] verzorgde en zij in de e-mail van 8 december 2025 aan de advocaten van partijen heeft verklaard dat opname van de en/of-rekeningen als privé vermogen van erflater in de aangifte erfbelasting is gebaseerd op de aangifte inkomstenbelasting 2015. Die IB-aangifte van erflater is door [gedaagden 1] overgelegd en de betreffende en/of-rekeningen staan daar inderdaad allemaal als privé vermogen van erflater op vermeld. Met die aangifte inkomstenbelasting heeft erflater ingestemd en [gedaagde 1] heeft ingestemd met haar eigen aangifte waar die rekeningen niet op zullen hebben gestaan. Een aangifte IB van [gedaagde 1] waaruit anders blijkt, is niet overgelegd. [gedaagde 1] heeft bovendien ingestemd met de aangifte erfbelasting waarop de en/of-rekeningen als privé vermogen van erflater zijn vermeld. Tussen erflater en [gedaagde 1] bestond dus kennelijk geen discussie dat de gelden op de betreffende en/of-rekeningen tot het privé vermogen van erflater behoorden. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] kunnen daar als gevolmachtigden nu niet zomaar namens [gedaagde 1] op terug komen. De ten tijde van het overlijden van erflater op de en/of-rekeningen staande saldi behoren dan ook tot de nalatenschap van erflater en zijn dus terecht in de aangifte erfbelasting opgenomen.
[gedaagden 1] stellen dat in de aangifte erfbelasting ten onrechte opgave van een Zwitserse bankrekening ontbreekt. Erflater moet die volgens hen hebben gehad ter voldoening van eigenaars- en gebruikerslasten van de vakantiewoning en uitgaven tijdens het jaarlijkse verblijf van meerdere maanden in de vakantiewoning. Erflater vroeg [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ook regelmatig om met hem mee te rijden tijdens zijn wekelijkse bezoek aan de (voorloper van) Credit Suisse. [eiser] stelt dat hem geen Zwitserse bankrekening bekend is en dat erflater bij [bedrijf 3] ook nooit melding heeft gemaakt van een Zwitserse bankrekening, zoals blijkt uit de e-mail van 8 december 2025 (zie 2.25). Het financiële beheer van de vakantiewoning was in handen van de familie [betrokkene 3] die inkomsten en uitgaven bijhield in een kasboekje, aldus [eiser] . De rechtbank overweegt dat [gedaagden 1] tegenover deze gemotiveerde betwisting door [eiser] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat erflater (ten tijde van zijn overlijden) een Zwitserse bankrekening had, te meer omdat in “Steuerausscheidung” 2015 onder activa evenmin melding is gemaakt van een Zwitserse bankrekening. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat die er niet was en dat de aangifte erfbelasting op dit punt dus niet onjuist is.
Tot slot stellen [gedaagden 1] dat erflater een bankkluis had bij de ABN Amro en mogelijk ook in Zwitserland en dat de inhoud daarvan ten onrechte niet op de aangifte erfbelasting is vermeld. [eiser] stelt dat hem geen kluis bekend is. [gedaagden 1] hebben ter onderbouwing van hun stelling verwezen naar bankafschriften, gedateerd 7 januari 2015 en 6 januari 2016, van de en/of rekening van erflater en [gedaagde 1] bij de ABN Amro waarbij een bedrag is afgeschreven voor de huur van een safe, onder vermelding van het nummer van de safe en het contractnummer. Gelet hierop acht de rechtbank voldoende aangetoond dat erflater een bankkluis bij de ABN Amro had. Door de wettelijke verdeling is deze kluis en de inhoud daarvan overgegaan op [gedaagde 1] . Het had dan ook op haar weg gelegen om bij ABN Amro onderzoek te doen naar deze kluis en de inhoud daarvan en in deze procedure onderbouwd te stellen wat de inhoud van de kluis was en in hoeverre de (waarde van de) inhoud op de aangifte erfbelasting vermeld had moeten worden. Dat is niet aan [eiser] . Nu [gedaagde 1] dat niet heeft gedaan en in deze procedure niets bekend is over de inhoud van de kluis, gaat de rechtbank er vanuit dat de kluis geen vermogensbestanddelen bevat die op de aangifte erfbelasting vermeld hadden moeten worden en dat die aangifte op dit punt dus niet onjuist is.
De stelling dat er ook in Zwitserland een bankkluis is, is door [eiser] betwist en door [gedaagden 1] in het geheel niet onderbouwd. De rechtbank gaat dan ook aan die stelling van [gedaagden 1] voorbij.
De vorderingen in conventie
In het incident
Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft [eiser] geen belang (meer) bij zijn incidentele vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording. Daar komt nog bij dat [eiser] geen beroept toekomt op artikel VII.A. en b. van het levenstestament van [gedaagde 1] . Hij is daarin niet genoemd als een van de personen aan wie rekening en verantwoording moet worden afgelegd. [eiser] kan ook niet vorderen dat rekening en verantwoording aan [gedaagde 5] wordt afgelegd. Dat kan alleen [gedaagde 5] zelf vorderen. De incidentele vordering onder I zal dus worden afgewezen.
Het verzoek om een getuigenverhoor te gelaten zal ook worden afgewezen. Partijen hebben ten aanzien van feiten die tussen hen in geschil zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden weliswaar een aanspraak op bewijslevering door getuigen, maar die aanspraak geldt alleen als een partij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van door de wederpartij betwiste feiten die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. [eiser] heeft niet meer gedaan dan verzoeken om een getuigenverhoor van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] te gelasten op basis van een door de rechtbank te geven bewijsopdracht. Dat is niet voldoende. Overigens ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor een bewijsopdracht.
In de hoofdzaak
Onder I vordert [eiser] voor recht te verklaren dat het saldo van de nalatenschap van erflater alleen uit banksaldi bestaat. Deze vordering zal worden afgewezen. Een banksaldo is het actuele, financiële overzicht van tegoeden op een bankrekening. Het is het nettoresultaat van alle inkomende en uitgaande geldstromen. Banksaldi zijn dus een administratief overzicht en geen bezittingen. Een nalatenschap kan dus niet uit banksaldi bestaan. De gevorderde verklaring voor recht klopt dus niet. Voor zover met de verklaring voor recht bedoeld is dat de samenstelling van de nalatenschap alleen bankrekeningen omvat, kan ook dat niet worden toegewezen, omdat vaststaat dat erflater op de datum van overlijden ook een auto in eigendom had die tot nalatenschap behoort. De waarde van die auto is ook vermeld in de aangifte erfbelasting.
Onder II vordert [eiser] voor recht te verklaren dat het zuiver saldo van de nalatenschap € 387.373,00 bedraagt. Uit de aangifte erfbelasting – waarvan hiervoor is geoordeeld dat die juist is – volgt dat het zuiver saldo van de nalatenschap inderdaad dat bedrag is. Het eerste deel van de gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen. [eiser] vordert verder voor recht te verklaren dat zijn aandeel € 330.342,00 bedraagt. Dat bedrag is niet juist. Het door [eiser] genoemde bedrag betreft de totale verkrijging inclusief de waarde van het legaat en verminderd met de waarde van het fictieve vruchtgebruik van [gedaagde 1] . Het aandeel van [eiser] in de nalatenschap is echter 99/100ste van € 387.373,00 en dus € 383.499,00. Verminderd met de betaalde erfbelasting van € 49.921,00 bedraagt de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] € 333.579,00. Dit bedrag is weliswaar iets hoger dan gevorderd, maar omdat een verklaring voor recht een feitelijke vaststelling van de rechtsverhouding tussen partijen betreft die ook niet leidt tot een hogere geldvordering in deze procedure zal de rechtbank het tweede deel van de verklaring voor recht toewijzen met vermelding van het juiste en dus hogere bedrag van € 333.579,00.
Omdat het aandeel van [eiser] hoger is dan waar hij in zijn vordering onder II vanuit is gegaan, klopt ook het bedrag in de onder III. gevorderde verklaring voor recht niet. Na aftrek van het bedrag van € 80.000,00 dat [eiser] al heeft ontvangen, resteert een vordering op [gedaagde 1] van € 303.499,00. De verklaring voor recht zal met vermelding van dat bedrag worden toegewezen.
Onder IV. vordert [eiser] voor recht verklaren dat alle schenkingen die uit het vermogen van [gedaagde 1] zijn gedaan aan [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] en [gedaagde 4] buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans deze schenkingen te vernietigen. Hiervoor is vastgesteld dat de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] € 383.499,00 bedraagt en dat hij daarvan slechts € 80.000,00 betaald heeft gekregen. [gedaagden 1] stellen zich op het standpunt dat [gedaagde 1] geen vermogen meer heeft en niet in staat is om het restant van de vordering te voldoen. [eiser] betoogt dat de vermindering van het vermogen dat [gedaagde 1] op grond van de wettelijke verdeling heeft ontvangen het gevolg is van schenkingen die [gedaagde 1] aan [gedaagden 1] heeft gedaan. [eiser] heeft becijferd dat [gedaagde 1] vanaf 2018 in totaal bijna € 140.000,00 aan haar kinderen heeft geschonken en hij stelt dat hij als gevolg van die schenkingen is benadeeld als schuldeiser van [gedaagde 1] , zodat hem een actio Pauliana toekomt als bedoeld in artikel 3:45 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De schenkingen zijn daarom vernietigbaar. Daarnaast geldt volgens [eiser] het vermoeden dat de schenkingen zijn gedaan onder misbruik van omstandigheden. [gedaagde 1] voerde tot 14 maart 2021 zelf het beheer over haar vermogen samen met [gedaagde 5] . Daarna is het beheer conform het levenstestament overgenomen door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] . [gedaagde 1] lijdt al enige jaren aan Alzheimer. Als gevolg daarvan heeft het wettelijk vermoeden te gelden dat de schenkingen zijn gedaan onder misbruik van omstandigheden. Ook om die reden zijn de schenkingen vernietigbaar, aldus [eiser] .
[gedaagden 1] betwisten dat de schenkingen kunnen worden vernietigd. Volgens hen stond het [gedaagde 1] vrij om de schenkingen te doen, omdat die zijn gedaan met privévermogen van [gedaagde 1] . Verder geldt dat [eiser] – die door [gedaagde 1] was gevolmachtigd om de nalatenschap mede namens haar af te wikkelen – heeft nagelaten om een beschrijving te maken van en duidelijke splitsing aan te houden tussen het privévermogen van [gedaagde 1] en het vermogen waarover zij op grond van de wettelijke verdeling de beschikking kreeg.
De rechtbank overweegt het volgende. Bij brief van 17 september 2024 heeft [eiser] de schenkingen van [gedaagde 1] aan haar kinderen buitengerechtelijke vernietigd. Die vernietiging heeft [eiser] gebaseerd op misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW) en niet (mede) op de actio Pauliana (artikel 3:45 BW) . [eiser] komt echter geen beroep op artikel 3:44 BW toe. Alleen degene die slachtoffer is van het misbruik, dat wil zeggen degene die onder invloed van misbruik van omstandigheden een rechtshandeling heeft verricht, kan daar een beroep op doen. Dat betekent dat alleen [gedaagde 1] (of de gevolmachtigden namens haar) een beroep op misbruik van omstandigheden zou kunnen doen en niet [eiser] . De bij brief van 17 september 2024 door [eiser] ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging op grond van misbruik van omstandigheden heeft dus geen rechtsgevolg. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen.
Subsidiair vordert [eiser] vernietiging van de schenkingen door de rechtbank op grond van artikel 3:45 BW. Voor een beroep op het inroepen van de vernietiging van een door erflater gedane schenking op grond van de Pauliana dient aan de navolgende vereisten te worden voldaan. Het moet gaan om een onverplichte handeling (i) met als gevolg dat de schuldeiser in zijn verhaalsmogelijkheid is benadeeld (ii). Voorts is vereist dat de schuldenaar op het moment van de onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat één of meer schuldeisers daardoor in hun verhaalsmogelijkheden zou worden benadeeld (iii).
Niet in geschil is dat de schenkingen onverplichte rechtshandelingen waren. Daarmee is aan het eerste vereiste van artikel 3:45 lid 1 BW voldaan. [gedaagden 1] betwisten echter dat [eiser] door de schenkingen is benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden, omdat de schenkingen zouden zijn gedaan uit het privévermogen van [gedaagde 1] dat zij (grotendeels) heeft verkregen uit de nalatenschap van haar eigen moeder. Dit argument gaat niet op. Als gevolg van de wettelijk verdeling vloeien het vermogen van de erflater en het privévermogen van de langstlevende echtgenoot samen. Van afgescheiden vermogens is geen sprake. Dit gecombineerde vermogen is verhaalsobject voor de schulden van de langstlevende echtgenoot. De stelling van [gedaagden 1] dat de schenkingen zijn voldaan vanuit het (afgescheiden) privévermogen van [gedaagde 1] is dus onjuist. Nu vaststaat dat het vermogen van [gedaagde 1] ontoereikend is om geldvordering van [eiser] te kunnen voldoen, is het element van de benadeling van [eiser] als schuldeiser in zijn verhaalsmogelijkheden ook aanwezig.
In de derde plaats dient vast komen te staan dat [gedaagde 1] op het moment dat zij de verschillende schenkingen deed wetenschap had dat benadeling van één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden daarvan het gevolg zou zijn. [eiser] stelt dat [gedaagde 1] bekend was met zijn vordering op haar en zij wist dat die vordering op enig moment voldaan zou moeten worden en zij dus wetenschap had althans behoorde te weten van zijn benadeling.
[gedaagde 1] betwisten dat sprake was van wetenschap van benadeling. Omdat [eiser] en [gedaagde 5] hebben nagelaten om een beschrijving te maken van het vermogen van erflater en een duidelijke splitsing aan te houden tussen het privévermogen van [gedaagde 1] en het vermogen dat zij uit hoofde van de wettelijke verdeling had verkregen dacht zij dat zij de schenkingen deed vanuit haar privévermogen, aldus [gedaagden 1] Dit verweer gaat niet op, omdat de wetenschap is geobjectiveerd. Voldoende is dat [gedaagde 1] behoorde te weten, dat benadeling van de schuldeisers het gevolg van de handeling was. De rechtbank heeft daarnaast in 4.19 al overwogen dat geen sprake was van twee afgescheiden vermogens en dus ook niet van een “privévermogen” van [gedaagde 1] .
De rechtbank oordeelt als volgt. [gedaagde 1] was er vanaf 2017 mee bekend dat [eiser] een vordering van € 383.499,00 op haar had. Vanaf 2018 tot en met 2022 heeft zij jaarlijks schenkingen gedaan aan [gedaagden 1] , in totaal voor bijna € 140.000,00. Volgens [gedaagden 1] heeft [gedaagde 1] alle schenkingen en dus ook die in 2021 en 2022 zelf gedaan dan wel zijn de schenkingen gedaan met haar instemming. Naast de schenkingen zijn er aanzienlijke bedragen opgenomen van de bankrekeningen van [gedaagde 1] . Aanvankelijk stond er genoeg geld op bankrekeningen van [gedaagde 1] om schenkingen te kunnen doen en daarnaast de vordering van [eiser] te voldoen. [eiser] stelt in de dagvaarding zelf dat het vermogen van [gedaagde 1] begin 2021 nog zeker € 430.000,00 bedroeg. Van de schenkingen die in de jaren voor 2021 zijn gedaan kan daarom zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden vastgesteld dat [gedaagde 1] op het moment dat zij die schenkingen deed wist of behoorde te weten dat [eiser] door die schenkingen zou worden benadeeld. Vaststaat dat het vermogen van [gedaagde 1] vanaf 2021 in hoog tempo verminderde. Vanaf 2021 behoorde het [gedaagde 1] en/of haar gevolmachtigden [gedaagde 2] en [gedaagde 3] duidelijk te zijn dat het vermogen bij het doen van meer schenkingen niet langer voldoende was om de vordering van [eiser] volledig te voldoen. Ook [gedaagde 2] en [gedaagde 3] waren op de hoogte van de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] . [gedaagde 5] heeft hen in zijn e-mail van 14 maart 2021 (zie 2.15) en ook op andere momenten (zie 2.21) op het bestaan van die vordering gewezen. Wetenschap van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als gevolmachtigden kan worden toegerekend aan [gedaagde 1] . Het vorenstaande betekent dat bij de schenkingen die zijn gedaan in 2021 en 2022 wetenschap van benadeling aan de zijde van [gedaagde 1] kan worden aangenomen. Dit leidt tot de conclusie dat wat die schenkingen betreft is voldaan aan alle elementen van artikel 3:45 lid 1 BW. De vordering van [eiser] tot vernietiging van de schenkingen van [gedaagde 1] aan haar kinderen kan wat betreft de schenkingen gedaan in 2021 en 2022 daarom worden toegewezen. Voor de overige schenkingen zal de vordering worden afgewezen.
[eiser] vordert onder V. primair betaling door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] van het gehele bedrag van zijn nog resterende vordering op [gedaagde 1] . Die vordering zal worden afgewezen, omdat een juridische grondslag ontbreekt. De enkele stelling dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] na opname van [gedaagde 1] in een verzorgingshuis het vermogen van [gedaagde 1] hebben opgenomen en weggeschonken, terwijl zij wisten dat [eiser] een vordering had op [gedaagde 1] is daarvoor onvoldoende. Vernietiging van de schenkingen op grond van 3:45 BW heeft niet tot gevolg dat [eiser] een vordering krijgt op [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voor het gehele bedrag van de resterende vordering van [eiser] .
Het betoog van [eiser] dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] als gevolmachtigden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het gevoerde beheer over het vermogen van [gedaagde 1] , te meer nu zij in strijd met de bepalingen van het testament grote bedragen aan het vermogen van [gedaagde 1] hebben onttrokken met als doel zichzelf te bevoordelen zonder dat toestemming is gevraagd aan de andere kinderen van [gedaagde 1] terwijl dat op grond van het levenstestament wel vereist was slaagt ook niet, omdat alleen [gedaagde 1] , [gedaagde 5] en [gedaagde 4] een beroep kunnen doen op het niet vragen van de verplichte toestemming. In het levenstestament is immers geen verplichting opgenomen om ook aan [eiser] toestemming te vragen. [eiser] kan ook geen beroep doen op het onrechtmatig onttrekken van vermogen van [gedaagde 1] of het niet voeren van goed beheer over het vermogen van [gedaagde 1] . Alleen [gedaagde 1] zelf kan daar een beroep op doen. Voor de conclusie dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser] is die grondslag in deze procedure onvoldoende uitgewerkt en onderbouwd.
De rechtbank zal de subsidiaire vordering toewijzen tot de bedragen die corresponderen met de respectieve schenkingen die in 2021 en 2022 zijn gedaan. De vernietiging van deze schenkingen heeft relatieve werking
1. Dit betekent in dit geval dat zij alleen werkt ten behoeve van [eiser] . Dat brengt met zich dat de ongedaanmakings-verplichtingen die ontstaan door de vernietiging alleen ten behoeve van [eiser] moeten worden nagekomen en maakt - naar het oordeel van de rechtbank - dat hij voor zijn vordering op [gedaagde 1] verhaal kan nemen op de restitutievorderingen die [gedaagde 1] op de begiftigden heeft
2 door van hen de betaling van die restitutievorderingen aan hem te vorderen. Dit per kind steeds tot het beloop van de vernietigde schenkingen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding omdat het verzuim ten aanzien van de ongedaanmakingsverbintenissen niet eerder is ingetreden.
Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen zo worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De vorderingen in reconventie
In het incident
[gedaagden 1] vorderen om [eiser] op grond van artikel 194 jo 195 Rv te veroordelen om afschriften van dan wel inzage in te verstrekken van een groot aantal stukken die betrekking hebben op zowel de Zwitserse als de Nederlandse bezittingen van erflater en de afwikkeling van de nalatenschap in Zwitserland en in Nederland. [gedaagden 1] stellen dat zij daarbij rechtmatig belang hebben, omdat de verzochte gegevens noodzakelijk zijn om te kunnen beoordelen 1) of de aangifte erfbelasting op juiste gegevens is gebaseerd en voor de juiste vaststelling van de omvang van de wederzijdse rechten en plichten, waarmee – zo begrijpt de rechtbank – wordt gedoeld op de omvang van het kindsdeel van [eiser] , 2) of sprake is van verzwegen bestanddelen in de nalatenschap, 3) of [eiser] en/of [gedaagde 5] ongerechtvaardigd zijn verrijkt dan wel onrechtmatig hebben gehandeld.
De rechtbank zal de incidentele vordering wat alle gevraagde stukken betreft afwijzen. In conventie heeft de rechtbank geoordeeld dat de aangifte erfbelasting een juiste weergave is van de omvang van de nalatenschap van erflater en dat de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] door hen in onderling overleg is vastgesteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat die € 383.499,00 bedraagt. Bij stukken die zien op de aangifte erfbelasting en de omvang van de vordering van [eiser] hebben [gedaagden 1] geen belang meer. Daar komt bij dat [eiser] heeft gesteld dat hij niet de beschikking heeft over de fysieke administratie, omdat die na het overlijden van erflater bij [gedaagde 1] in de woning is achtergebleven. Voor zover het gaat om stukken die moeten worden opgevraagd bij bijvoorbeeld een bank of creditcardmaatschappij geldt dat [gedaagde 1] dat als erfgenaam zelf kan doen. Door de wettelijke verdeling heeft zij bovendien van rechtswege het beheer en de beschikking over de goederen van de nalatenschap van erflater verkregen. Dat geldt ook voor de bankrekeningen van erflater en een eventuele kluis bij de ABN Amro. Zij kan een groot deel van de gevraagde informatie dus zelf opvragen. Wat de informatie over de activa in Zwitserland betreft is hiervoor al geoordeeld dat [gedaagden 1] tegenover de betwisting van [eiser] onvoldoende hebben gesteld dat erflater een Zwitserse bankrekening en/of kluis had. [eiser] kan daarvan dus ook geen stukken verstrekken. Voor zover er daarnaast nog meer redenen zijn waarom geen recht op inzage in bepaalde stukken bestaat, zal de rechtbank die hieronder aangeven.
a. Erbvertrag
Dit stuk is inmiddels aan [gedaagden 1] verstrekt.
Overzicht inkomsten en uitgaven vakantiewoning Zwitserland
Deze vakantiewoning is aan [eiser] gelegateerd en behoort niet tot de nalatenschap. Datzelfde geldt voor de inkomsten na datum overlijden. De inkomsten en uitgaven in het jaar voor het overlijden van erflater blijken uit de bladzijden uit het kasboek dat is bijgehouden door de familie [betrokkene 3] en die door [eiser] aan [gedaagden 1] zijn verstrekt en door henzelf in de procedure zijn overgelegd.
Bankafschriften en andere documenten betreffende Zwitserse bankrekeningen en/of spaartegoeden en/of kluis over de periode 2013 tot en met 2017
In conventie is al overwogen dat [gedaagden 1] tegenover de betwisting van [eiser] onvoldoende hebben gesteld dat er een Zwitserse bankrekening en/of kluis was. [eiser] kan daarvan dan ook geen stukken verstrekken.
Alle communicatie met de Zwitserse belastingdienst
Het belang van [gedaagden 1] bij deze communicatie is niet gesteld of gebleken en bovendien heeft [eiser] verklaard dat hij nooit met de belastingdienst heeft gecommuniceerd.
Alle belastingaangiften van erflater in de periode 2013 tot en met 2017 aan de Zwitserse autoriteiten
Het belang bij deze aangiften is niet toegelicht. De vakantiewoning is aan [eiser] gelegateerd valt buiten de nalatenschap en voor het bestaan van een Zwitserse bankrekening of kluis is onvoldoende gesteld. [gedaagden 1] verwijzen naar “Übrige aktiven” op de Steuerverwaltung 2015, maar miskennen dat het daar genoemde bedrag onder het kopje “Ausland” staat en dus ziet op activa die zich niet in Zwitserland bevinden, maar in het buitenland, hoogstwaarschijnlijk Nederland.
Correspondentie tussen [eiser] en/of [gedaagde 5] en [bedrijf 3] betreffende de afwikkeling van de nalatenschap en het opstellen van de aangifte erfbelasting
Correspondentie tussen [gedaagde 5] en [bedrijf 3] moeten [gedaagden 1] bij [gedaagde 5] opvragen, niet bij [eiser] .
Het verzoek om een getuigenverhoor te gelasten wordt ook afgewezen. Partijen hebben ten aanzien van feiten die tussen hen in geschil zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden weliswaar een aanspraak op bewijslevering door getuigen, maar die aanspraak geldt alleen als een partij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van door de wederpartij betwiste feiten die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. [gedaagden 1] hebben niet meer gedaan dan verzoeken om een getuigenverhoor van [eiser] en [gedaagde 5] te gelasten op basis van een door de rechtbank aan de hand van de processtukken in de hoofdzaak en het incident uit te vaardigen bewijsopdracht. Voor een bewijsopdracht ziet de rechtbank overigens ook geen aanleiding.
In de hoofdzaak
De gevorderde rekening en verantwoording door [eiser] zal worden afgewezen, omdat daar geen grondslag voor is. Weliswaar blijkt uit de verklaring van erfrecht dat [eiser] als gevolmachtigde de verplichting heeft om aan [gedaagde 1] als volmachtgever rekening en verantwoording af te leggen over de afwikkeling van de nalatenschap, maar [gedaagde 1] heeft daar zelf nooit om gevraagd en zij heeft bovendien ingestemd met de door [bedrijf 3] in opdracht van haarzelf opgemaakte aangifte erfbelasting en vaststelling van de vordering van [eiser] , terwijl zij – volgens de eigen stellingen van [gedaagden 1] – tot 2021 wilsbekwaam was. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] kunnen daar als gevolmachtigden van [gedaagde 1] na zoveel jaar niet zomaar namens haar op terugkomen.
De vordering om [eiser] te veroordelen de door [gedaagde 1] betaalde declaraties van [bedrijf 3] aan haar terug te betalen zal ook worden afgewezen. De stelling dat [eiser] opdracht voor de werkzaamheden heeft gegeven is gemotiveerd door [eiser] betwist en door [gedaagden 1] niet nader onderbouwd. Uit het feit dat [gedaagde 1] de declaraties destijds (vanaf haar privé bankrekening) heeft betaald, kan bovendien worden afgeleid dat zij het ermee eens was dat de declaraties voor haar rekening kwamen. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] kunnen daar als gevolmachtigden van [gedaagde 1] nu niet op terugkomen.
Uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat de gevorderde verklaring voor recht dat de aangifte erfbelasting geen juiste weergave is van de omvang van de nalatenschap moet worden afgewezen.
Onder D. vorderen [gedaagden 1] verdeling van de resterende nalatenschap door toedeling van de door [eiser] verzwegen bestanddelen uit de nalatenschap aan [gedaagde 1] . Die vordering zal ook worden afgewezen. Eerder in dit vonnis al overwogen dat niet gebleken is dat er een Zwitserse bankrekening en/of Nederlandse dan wel Zwitserse bankkluis was die [eiser] verzwegen heeft. Daar komt nog bij dat de vordering juridisch ook niet correct is.
In zijn arrest van 21 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:420) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het verbeuren van een aandeel in een gemeenschappelijk goed meebrengt dat de oneerlijke deelgenoot zijn aandeel in de verzwegen, zoekgemaakte of verborgen goederen verliest en dat dit van rechtswege overgaat op de overige deelgenoten zonder dat daarvoor een verdeling of een leveringshandeling nodig is. Toedeling van verzwegen bestanddelen kan dus niet.
Tot slot vordert [gedaagde 2] opheffing van het conservatoire beslag dat [eiser] heeft gelegd op het woonschip van [gedaagde 2] . Deze vordering zal worden afgewezen. In conventie is immers geoordeeld dat [eiser] een vordering op [gedaagde 2] heeft uit hoofde van de vernietiging van de paulianeuze schenkingen.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5De beslissing
De rechtbank
in conventie
wijst de incidentele vorderingen af,
verklaart voor recht dat het saldo van de nalatenschap van erflater € 387.373,00 bedraagt en het aandeel van [eiser] € 383.499,00,
verklaart voor recht dat de vordering van [eiser] op [gedaagde 1] , na aftrek van hetgeen reeds aan hem is betaald € 303.499,00 bedraagt,
vernietigt de schenkingen die in 2021 en 2022 uit het vermogen van [gedaagde 1] zijn voldaan aan [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 5] en [gedaagde 4] ,
veroordeelt [gedaagde 2] om binnen twee weken na heden aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 51.000,- te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde 3] om binnen twee weken na heden aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 7.600,- te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde 5] om binnen twee weken na heden aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 6.000,- te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,
veroordeelt [gedaagde 4] om binnen twee weken na heden aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 6.000,- te vermeerderden met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2025 tot aan de dag van algehele voldoening,
compenseert de kosten van de procedure in conventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, zowel in het incident als in de hoofdzaak,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.4 tot en met 5.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen af, zowel in het incident als in de hoofdzaak,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, zowel in het incident als in de hoofdzaak.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026. |
||
977
Artikel 3:45 lid 4 BW
Artikel 3:53 lid 1 jo 3:203 lid 1 en 2 BW
© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733
