Terug naar de uitspraak

Parket bij de Hoge Raad 03-07-2026, ECLI:NL:PHR:2026:683

Datum publicatie09-07-2026
Zaaknummer26/00082
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet. Ondertoezichtstelling 1:254 e.v. BW. Familieprocesrecht. Prejudiciële vragen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv) . Jeugdrecht. Vragen over mogelijkheid tot (verlenging van) ondertoezichtstelling door het hof nadat bestaande ondertoezichtstelling is geëindigd na afwijzende beslissing door de kinderrechter en over een voorwaardelijk nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling naast een verlengingsverzoek. Heersende leer naar aanleiding van HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1113. Koerswijziging door de hoven.

Volledige uitspraak


PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 26/00082

Zitting 3 juli 2026

CONCLUSIE

L.M. Coenraad

In de zaak

[de vader] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de vader,

niet verschenen in de prejudiciële procedure,

tegen

[de moeder] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna: de moeder,

niet verschenen in de prejudiciële procedure.

Als informant in de procedure bij het hof is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant,

hierna: de GI JBB.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 Rv is in de procedure bij het hof gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,

hierna: de raad.

1Inleiding en samenvatting

1.1

In deze jeugdzaak heeft de vader de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling te verlengen, althans om de kinderen opnieuw voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen. De kinderrechter heeft de verzoeken afgewezen. De vader is vervolgens in hoger beroep gekomen van de afwijzing van het verzoek de kinderen opnieuw onder toezicht te stellen. De vader heeft geen appel ingesteld tegen de afwijzing van het verlengingsverzoek. De lopende ondertoezichtstelling was inmiddels van rechtswege geëindigd en het hof ’s-Hertogenbosch staat erom bekend dat het conform de heersende leer van de hoven een verzoeker in dat geval niet-ontvankelijk verklaart in zijn verzoek tot verlenging van een inmiddels geëindigde ondertoezichtstelling.

1.2

Deze heersende leer is gebaseerd op een uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1113), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een ondertoezichtstelling die van rechtswege is geëindigd niet meer kan worden verlengd. Inmiddels is in een aantal uitspraken van deze heersende leer afgeweken. Zowel hof Den Haag als, vooral, hof Arnhem-Leeuwarden heeft door de kinderrechter afgewezen verzoeken tot (verlenging van) een inmiddels geëindigde ondertoezichtstelling wel beoordeeld en alsnog toegewezen. Deze koerswijziging kan op steun in de literatuur rekenen. Dit gebrek aan rechtseenheid is voor hof ’s-Hertogenbosch aanleiding geweest om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad.

1.3

Ik denk dat het wenselijk is dat HR 9 juli 2021 zo wordt uitgelegd dat deze uitspraak, in dit verband, geen verdere strekking heeft dan dat de kinderrechter niet een inmiddels geëindigde ondertoezichtstelling mag verlengen. Daarvoor is het immers te laat en dan rest slechts het indienen van een nieuw verzoek. Dat betekent mijns inziens echter niet dat de appelrechter na een tijdige, afwijzende beslissing van de kinderrechter op een verzoek tot (verlenging van een) ondertoezichtstelling dat verzoek niet alsnog zou mogen toewijzen, indien aan de gronden daarvoor is voldaan. De zes prejudiciële vragen heb ik langs deze lijn beantwoord.

2Feiten en procesverloop

Feiten 1

2.1

De vader en de moeder zijn de ouders van twee minderjarige kinderen (hierna: de kinderen).

2.2

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.

2.3

De kinderen wonen bij de moeder.

2.4

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 april 2023 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI JBB met ingang van 6 april 2023 tot 6 april 2024. Vervolgens is bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 3 april 2024 de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd met ingang van 6 april 2024 tot 6 april 2025

2.5

Bij brief van 28 januari 2025 heeft de GI JBB haar beslissing aan de vader en de moeder meegedeeld niet te zullen overgaan tot het indienen van een verzoek aan de kinderrechter tot verlenging van de ondertoezichtstelling.

2.6

Bij brief van 17 maart 2025 aan de GI JBB stemt de raad in met het voorgenomen besluit de ondertoezichtstelling van de kinderen niet te verlengen.

Procesverloop

2.7

Bij verzoekschrift, ingekomen op 27 maart 2025 bij de rechtbank, heeft de vader de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling van de kinderen met ingang van 6 april 2025 tot 6 april 2026 te verlengen met benoeming van een andere GI dan JBB, althans om de kinderen tegen de vroegst mogelijke datum na 5 april 2025 opnieuw voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen, eveneens met benoeming van een andere GI, althans een beslissing te nemen die de kinderrechter juist acht.

2.8

Bij beschikking van 4 april 2025 heeft de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de kinderrechter) de verzoeken van de vader afgewezen.

2.9

De kinderrechter heeft daarbij ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoeken, voor zover in deze prejudiciële procedure van belang, het volgende overwogen:

Ontvankelijkheid

(…)

5.3.

In dit geval heeft de GI op 28 januari 2025 beslist om geen verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken en de ondertoezichtstelling van [de minderjarigen] te beëindigen op de datum dat de huidige ondertoezichtstelling afloopt. Vervolgens heeft de Raad op 17 maart 2025 het voorgenomen besluit van de GI om de ondertoezichtstelling niet te verlengen getoetst. De Raad geeft in de brief van 17 maart 2025 aan dat zij instemt met het besluit van de GI om de ondertoezichtstelling niet te verlengen. Nu de GI niet tot een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling is overgegaan, is de vader ontvankelijk in zijn verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling.”

2.10

Ten aanzien van het afgewezen verzoek van de vader tot verlenging van de ondertoezichtstelling heeft de kinderrechter, voor zover in deze prejudiciële procedure van belang, het volgende overwogen:

Verlenging van de ondertoezichtstelling

(…)

5.5.

Gebleken is dat een ondertoezichtstelling tot nu toe onvoldoende verandering heeft gebracht in de situatie en dat de samenwerking tussen de vader en de GI de afgelopen jaren niet (voldoende) tot stand is gekomen. Op dit moment ontbreekt de ruimte bij de kinderen voor contactherstel en hebben zij een angst ontwikkeld voor de vader. Dit zorgt voor enorm veel pijn en frustratie bij de vader. Daarbij wijst de vader echter vrijwel uitsluitend naar anderen en lukt het hem niet om te kijken naar zijn eigen aandeel daarin. De GI heeft met de hulpverlening geprobeerd om de vader de afgelopen jaren te sturen en adviezen te geven, echter heeft dit niet geleid tot verandering in de situatie. De kinderrechter is van oordeel dat het nogmaals verlengen van de ondertoezichtstelling helaas niet van toegevoegde waarde zal zijn en dat het op dit moment het meest van belang is dat er rust en stabiliteit komt voor de kinderen. Met een ondertoezichtstelling zou de verantwoordelijkheid voor het veranderen van de situatie bij de GI liggen, terwijl het op dit moment aan de vader is om te laten zien dat hij betrouwbaar is en dat hij zich in kan zetten voor de kinderen. Hij heeft hierin al een eerste kleine stap gezet door hulpverlening te zoeken bij PsyQ.

5.6.

De kinderrechter zal, gelet op het voorgaande, het verzoek van de vader tot verlenging van de ondertoezichtstelling afwijzen. De kinderrechter benadrukt daarbij dat dit niet betekent dat contactherstel op enig moment tussen de vader en de kinderen niet meer mogelijk is. Zoals door de GI is aangegeven, wordt de hulpverlening van de kinderen bij Foliant voortgezet en zal er een wijkteam betrokken blijven bij het gezin. Indien er in de toekomst mogelijkheden worden gezien tot contactherstel en het de vader lukt om daarbij aan te sluiten, kan daar alsnog door de hulpverlening op worden ingezet. De komende periode is het echter van belang dat er rust en stabiliteit komt voor de kinderen.

6De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

wijst de verzoeken van de vader af.”

2.11

De vader is in hoger beroep gekomen van bovengenoemde beslissing van de kinderrechter. Bij verzoekschrift, ingekomen bij het hof op 3 juli 2025, heeft de vader het hof verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de kinderrechter te vernietigen en opnieuw rechtdoende de kinderen zo spoedig mogelijk opnieuw voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen, met benoeming van een andere GI, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht. De vader heeft in hoger beroep derhalve zijn verzoek tot verlenging van de (inmiddels geneigde) ondertoezichtstelling niet gehandhaafd.

2.12

Bij verweerschrift, ingekomen bij het hof op 29 september 2025, heeft de moeder verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, althans zijn verzoek af te wijzen.

2.13

Op 23 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het hof. Daarbij waren aanwezig de vader, bijgestaan door zijn advocaat en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De GI JBB en de raad zijn, met bericht van afmelding, niet ter zitting verschenen.

2.14

Bij tussenbeschikking van het hof van 20 november 2025 heeft het hof de achtergrond van zijn voornemen tot het stellen van prejudiciële vragen uitvoerig geschetst: 2

“4.5.1. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2021 (ECLI:HR:2021:1113) volgt, in beginsel, dat een ondertoezichtstelling niet kan worden verlengd, indien die maatregel van rechtswege na verloop van de door de kinderrechter eerder bepaalde duur is geëindigd.

4.5.2.

De vader heeft in eerste aanleg betoogd dat op dat moment nog steeds aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling van [de minderjarigen] werd voldaan en heeft in verband hiermee een tweeledig verzoek gedaan: enerzijds tot verlenging van de reeds lopende ondertoezichtstelling en anderzijds, indien en voor zover dit verzoek niet zou worden toegewezen, een verzoek tot het (opnieuw) onder toezicht stellen van de kinderen. Namens de vader is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep toegelicht dat hij, gelet op voornoemde beschikking van dit hof van 5 juni 2025, zich genoodzaakt ziet slechts in beroep te komen tegen de afwijzing van het verzoek tot (een nieuwe) ondertoezichtstelling en dus niet tegen de afwijzing van de verlenging van de (inmiddels geëindigde) ondertoezichtstelling. De vraag die zich hiermee aandient is allereerst of de vader in eerste aanleg een dergelijk (in feite voorwaardelijk) verzoek om (een nieuwe) ondertoezichtstelling kan doen terwijl er reeds een ondertoezichtstelling loopt.

4.5.3.

Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW kan de rechter, mits aan de grond bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Ingevolge artikel 1:260 lid 2 BW kan de rechter de ondertoezichtstelling verlengen op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft. Indien deze gecertificeerde instelling niet tot een verzoek overgaat, zijn de raad, een ouder, degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en het openbaar ministerie bevoegd tot het doen van het verzoek.

4.5.4.

Het onder toezicht stellen van kinderen als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW kan op verzoek van de raad of het openbaar ministerie. Tevens zijn een ouder en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de raad niet tot indiening van het verzoek overgaat.

4.5.5.

Bij brief van 28 januari 2025 heeft JBB de vader bericht dat zij geen verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen zou verzoeken. Bij brief van 17 maart. 2025 heeft de raad met het besluit van JBB ingestemd. In zoverre kon de vader ex artikel 1:260 lid 2 BW het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling doen. De wet en literatuur laat onbeantwoord of de vader op dat moment, gedurende een lopende ondertoezichtstelling, tevens een verzoek tot het (opnieuw) onder toezicht stellen van de kinderen kon doen.

4.5.6.

Gelet op het gehele procesverloop in eerste aanleg en in hoger beroep, de inhoud van het verzoekschrift in eerste aanleg en het beroepsschrift, alsmede het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep en de inhoud van de spreekaantekeningen van de vader, kan het hof niet anders dan het verzoek van de vader om een nieuwe ondertoezichtstelling tevens op te vatten als een verkapt verlengingsverzoek; de vader heeft geen inhoudelijke redenen aangevoerd waarom de kinderen meer waren gebaat bij een nieuwe ondertoezichtstelling dan bij verlenging van de reeds lopende ondertoezichtstelling. De enkele reden waarom hij in hoger beroep heeft nagelaten dit expliciet te verzoeken, is gelegen in eerdere uitspraken van dit hof. Voorstelbaar is dat de vader als het hof Arnhem-Leeuwarden bevoegd zou zijn, gelet op eerdere beslissingen van dat hof, alleen in hoger beroep zou zijn gekomen tegen de afwijzing van het verlengingsverzoek. Bovendien zijn dezelfde inhoudelijke redenen aangevoerd voor een nieuwe ondertoezichtstelling als voor de verlenging van de reeds lopende ondertoezichtstelling zouden zijn aangevoerd.

4.5.7.

Zoals dit hof reeds in de beschikking van 5 juni 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:1562) heeft overwogen werd na de voornoemde uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2021 de lijn in vaste rechtspraak in hoger beroep gevolgd, in die zin dat wanneer de Gl of andere belanghebbenden van de beslissing tot de (gedeeltelijke) afwijzing van een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling in hoger beroep kwam, en de ondertoezichtstelling voor of tijdens de procedure in hoger beroep was verlopen, de GI of andere appellanten in hoger beroep niet-ontvankelijk werd(en) verklaard. De ondertoezichtstelling was immers verlopen en kon niet alsnog (met terugwerkende kracht) ‘tot leven worden gewekt’ en verlengd door het alsnog (geheel) toewijzen van het verzoek (zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:GHSHE:2022.1385; ECLI:NL:GHAMS:2021:2970; ECLI:NL:GHDHA:2024:692 en ECLI:NL:GHARL:2022:3316). Echter, in enkele recente uitspraken is van deze vaste lijn afgeweken. In de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 21 augustus 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:1483) is door de kinderrechter in eerste aanleg een verzoek om het verlenen van een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar (in aansluiting op een voorlopige ondertoezichtstelling) gedeeltelijk toegewezen, namelijk voor de duur van zes maanden, en is het resterende verzoek afgewezen. Na verloop van de door de kinderrechter toegewezen zes maanden, is het verzoek in hoger beroep tegen de afwijzing van de resterende zes maanden behandeld en is het oorspronkelijke verzoek alsnog geheel toegewezen, aldus gedeeltelijk met terugwerkende kracht. Het hof heeft geredeneerd dat ook in dat geval hoger beroep tegen de afwijzing van de verzochte langere duur openstaat: "Daaraan doet niet af dat de ondertoezichtstelling inmiddels is geëindigd. Immers ook van de afwijzing van een verzoek tot ondertoezichtstelling staat hoger beroep open.”, aldus het gerechtshof Den Haag. In de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2024 (ECLI:GHARL:2024:5871) is een afgewezen verlengingsverzoek alsnog toegewezen, na het verstrijken van termijn van de lopende ondertoezichtstelling, aldus ook gedeeltelijk met terugwerkende kracht. Hier overwoog dat hof o.a. dat - kort gezegd - na het verstrijken van de eerder uitgesproken ondertoezichtstelling, het afgewezen verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in hoger beroep opnieuw in zijn geheel moet kunnen worden beoordeeld, aangezien anders "aan een partij of belanghebbende de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep feitelijk zou worden ontnomen.”, aldus het hof Arnhem-Leeuwarden.

4.5.8.

In literatuur en commentaren na genoemde recente uitspraken wordt de ontwikkeling omarmd dat in zaken van hoger beroep wordt afgeweken van de door de Hoge Raad in 2021 uitgezette lijn (zie o.m. Kroniek Jeugdrecht FJR 2025/24 en Groene Serie Personen- en familierecht, aant. 5 bij artikel 1:260 BW) . Voor het volgen van deze ontwikkeling heeft het hof in de beschikking van 5 juni 2025 vooralsnog onvoldoende ruimte gezien. Tot op heden heeft dit hof geconcludeerd dat uit de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2021 volgt dat als de ondertoezichtstelling van rechtswege na verloop van de door de kinderrechter eerder bepaalde duur is geëindigd, de maatregel niet meer kan worden verlengd. Dit hof zag vooralsnog onvoldoende grond om nu van dit principe af te wijken. Bovendien wordt de ondertoezichtstelling in voornoemde recente uitspraken met terugwerkende kracht verleend of verlengd, en daarvoor biedt de wet geen ruimte.

4.5.9.

Vanuit het oogpunt van rechtsbescherming zou het wel wenselijk kunnen zijn dat de partij die in hoger beroep wil komen van een (deels) afwijzende beslissing ook na het verlopen van de ondertoezichtstelling nog ontvankelijk is in zijn verzoek. Of het nu gaat om een eerste verzoek tot ondertoezichtstelling of een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, of een beroepschrift dat is ingediend vóór of na het verlopen van een ondertoezichtstelling, of de GI dan wel een ouder (of andere belanghebbende) verzoeker is in hoger beroep, of er spoedappel is ingediend of niet, dan wel of het gaat om een gedeeltelijke of volledige afwijzing van het verzoek. Eén en ander klemt te meer nu, in procedures betreffende de (verlenging van) ondertoezichtstellingen, belanghebbenden in eerste aanleg zich niet in alle gevallen door een advocaat hoeven te laten bijstaan. De wetgever heeft hiermee beoogd de procedures bij de kinderrechter in jeugdbeschermingsmaatregelen voor ouders en andere belanghebbenden toegankelijk en laagdrempelig te maken. Van een ouder, die in eerste aanleg zonder advocaat is verschenen en zich niet wil neerleggen bij de gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling, kan naar het oordeel van dit hof niet worden verwacht dat hij volledig op de hoogte is van de hiervoor beschreven, juridische leer en de nuanceverschillen die zich in de feitenrechtspraak lijken te ontwikkelen en dat hij zich ervan vergewist dat voor zijn situatie wellicht niet de volledige drie maanden beroepstermijn geldt, zodat hij direct een advocaat inschakelt om een spoedappel in te dienen. Dit hof overweegt hier nog bij dat het vaak voorkomt dat de mondelinge behandeling in eerste aanleg van een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling bewust tegen het einde van de duur van de lopende ondertoezichtstelling wordt gepland om zo de meest recente gegevens bij de beoordeling van de noodzaak tot verlenging te kunnen betrekken dan wel dat verlengingsverzoeken door de GI relatief Iaat worden aangebracht. Het komt dan ook voor dat hooguit één tot twee weken tot enkele dagen resteren om spoedappel in te stellen. Dan wel dat een termijn resteert die feitelijk nog korter is, zoals in het onderhavige geval aan de orde is, waarbij op vrijdag 4 april 2025 de verlenging van de ondertoezichtstelling mondeling is afgewezen en de ondertoezichtstelling afliep op zondag 6 april 2025.

4.5.9.

Ook na voornoemde beschikking van dit hof van 5 juni 2025 is nog enkele malen door gerechtshoven afgeweken van de vaste lijn. In twee beschikkingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juli 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:4094 en ECLI:NL:GHARL:2025:4096) is de bestreden beschikking waarin het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling is afgewezen vernietigd, hoewel de ondertoezichtstelling in verband met het niet-verlengen inmiddels van rechtswege was geëindigd, en zijn de kinderen in hoger beroep alsnog met ingang van heden (opnieuw) onder toezicht gesteld tot de oorspronkelijk verzochte termijn. Dat hof overwoog dat de vader en de GI ontvankelijk waren in hun verzoeken in hoger beroep omdat zij tijdig, binnen de in artikel 358 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering genoemde termijn van drie maanden, in hoger beroep zijn gekomen. Dat hof overwoog dat het niet zo kan zijn dat van een uitgesproken verlenging wel beroep open staat hetwelk tot een andere beslissing kan leiden en van een afwijzing niet: “Ook een afwijzing moet door een hogere rechter kunnen worden getoetst en tot een andere beslissing kunnen leiden. Het hof is van oordeel dat het systeem van de wet meebrengt dat in geval hel hof van oordeel is dat de rechtbank het verlengingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen, het hof (opnieuw) een ondertoezichtstelling kan uitspreken, welke in tijd overigens wel beperkt is tot de einddatum van het oorspronkelijke door de Gl gedane verleningsverzoek ”, aldus het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden.

4.5.10.

In de beschikkingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 juli 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:4815) en 2 september 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5326) wordt echter weer overeenkomstig de ‘oude’ lijn overwogen dat de belanghebbenden niet ontvankelijk zijn in hun verzoek in hoger beroep tot verlenging van een inmiddels verlopen ondertoezichtstelling: “De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking van 11 februari 2025 het verzoek van de GI om verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen afgewezen. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling per 9 maart 2025 van rechtswege is geëindigd en op dit moment niet meer kan worden verlengd. Dat de door de moeder beoogde maximale termijn van de verlenging namelijk tot 9 maart 2026 nu nog niet is verstreken, doet er dan ook niet toe.” en “De ondertoezichtstelling is op 5 februari 2025 verlopen en kan niet alsnog "tot leven ” komen en verlengd worden door het alsnog toewijzen van het verzoek”, aldus het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

4.5.11.

Gelet op genoemde uitspraken ontbreekt het aan rechtseenheid ten aanzien van de mogelijkheid om de afwijzing van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in hoger beroep te laten toetsen. Het ontbreekt eveneens aan duidelijkheid over hoe het door de Hoge Raad in de uitspraak van 9 juli 2021 geformuleerde principe dat een van rechtswege geëindigde ondertoezichtstelling niet meer kan worden verlengd, zich verhoudt tot het beginsel van rechtsbescherming (in hoger beroep). Het hof acht het van belang dat het voor belanghebbende(n) bij een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling duidelijk is of een toetsing in hoger beroep van een afwijzende beslissing in eerste aanleg mogelijk is, en zo ja onder welke voorwaarden. Anders dan in de beschikking van 5 juni 2025, ziet het hof in onderhavige procedure aanleiding om op de voet van artikel 392 e.v. Rv de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen.

4.5.12.

Het hof ziet aanleiding de hierna beschreven prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. Het antwoord op die vragen is nodig om op het verzoek van de vader (inhoudelijk) te kunnen beslissen en van belang voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere geschillen waarin soortgelijke vragen zich aandienen.

4.5.13.

Het hof is voornemens de hierna genoemde rechtsvragen bij wijze van prejudiciële

vragen aan de Hoge Raad te stellen:

(…)

4.5.14.

Het hof vraagt de Advocaat-Generaal (AG) met klem om daar waar een antwoord op één van deze vragen niet strikt nodig is om op het voorliggende verzoek te beslissen, zoals artikel 392 lid 1, aanhef, Rv vereist, ze toch te beantwoorden, gelet op de actuele, niet alleen juridische, maar ook maatschappelijke en politieke relevantie van het onderwerp van rechtsbescherming van kinderen en ouders (zoals een AG recent nog in de conclusie ECLl:NL:PHR:2025:825 rov. 1.10 heeft gedaan).”

2.15

Het hof heeft partijen, conform het bepaalde in artikel 392 lid 2 Rv, alvorens voornoemde vragen te stellen, in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen om prejudiciële vragen te stellen, alsmede over de inhoud van de te stellen vragen, waarna het hof iedere verdere beslissing heeft aangehouden.

2.16

De vader heeft het hof bij brief van 18 december 2025 3, kort gezegd, laten weten zich te kunnen vinden in het voornemen van het hof tot het stellen van prejudiciële vragen en zich in hoge mate te kunnen vinden in de inhoud van de geformuleerde vragen, waarbij de vader een kanttekening heeft gemaakt ten aanzien van de eerste vraag. De moeder heeft het hof bij brief van eveneens 18 december 2025 4 laten weten zich te refereren aan het oordeel van het hof in de tussenbeschikking van 20 november 2025, zowel ter zake het voornemen om prejudiciële vragen te stellen als ter zake de inhoud van de stellen vragen.

2.17

Bij tussenbeschikking van 8 januari 2026 5 heeft het hof de Hoge Raad verzocht om bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende vragen te beantwoorden:

“1. Kan een belanghebbende worden ontvangen in een (al dan niet voorwaardelijk) verzoek tot het onder toezicht stellen van een minderjarige (op grond van artikel 1:255 BW) die reeds onder toezicht is gesteld, indien dit verzoek gelijktijdig wordt gedaan met het verzoek tot verlenging van de reeds lopende ondertoezichtstelling (op grond van artikel I:260 BW), en is het voor de beantwoording van die vraag van belang of aan beide verzoeken dezelfde motivering ten grondslag wordt gelegd?

2. Is de gevolgtrekking die in de meeste beschikkingen van de hoven gegeven wordt aan voornoemd arrest van de Hoge Raad (ECLI:HR:2021:1113), te weten dat ook in hoger beroep een ondertoezichtstelling die van rechtswege is geëindigd niet meer kan worden verlengd de juiste, hierbij in aanmerking genomen dat in de situatie die heeft geleid tot voornoemd arrest van de Hoge Raad een situatie in eerste aanleg betrof?

3. Is een belanghebbende ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen een afwijzende beslissing van de kinderrechter op het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling, nadat ondertoezichtstelling van rechtswege is geëindigd na de beslissing van de kinderrechter, maar voor de beslissing van het gerechtshof?

4. Is het in dat verband van belang of een belanghebbende hoger beroep instelt terwijl op dat moment de ondertoezichtstelling nog niet, maar gedurende de procedure in hoger beroep (vóór de beschikking van het hof) van rechtswege is geëindigd'?

5. Bestaat er een verschil in rechtsbescherming voor belanghebbenden in het geval een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling (gedeeltelijk) is afgewezen of in het geval een verzoek tot een eerste ondertoezichtstelling gedeeltelijk is afgewezen?

6. Kan een ondertoezichtstelling, die van rechtswege is geëindigd met terugwerkende kracht alsnog ‘herleven’ bij een gegrond hoger beroep tegen de afwijzing van een deel daarvan in eerste aanleg? Maakt het hierbij uit of het in eerste aanleg hierbij ging om een eerste ondertoezichtstelling of een verlenging van een ondertoezichtstelling?”

2.18

De Hoge Raad heeft de vragen in behandeling genomen. Partijen zijn op grond van artikel 393 lid 1 Rv in de gelegenheid gesteld schriftelijke opmerkingen te maken. Van die mogelijkheid hebben zij geen gebruik gemaakt.

3. Ter introductie: belang bij beantwoording van de prejudiciële vragen en leeswijzer

Belang bij de beantwoording van de prejudiciële vragen (art. 392 lid1 Rv)

3.1

In de door het hof in deze prejudiciële procedure voorgelegde zaak dient het hof slechts nog te beslissen op het voorliggende verzoek van de vader om de kinderen opnieuw onder toezicht te stellen. De vader heeft zijn verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling immers in hoger beroep niet gehandhaafd. De door het hof gestelde prejudiciële vragen gaan echter verder en betreffen verschillen tussen en binnen de hoven bij de uitleg van de betekenis en reikwijdte van de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2021 (hierna: HR 9 juli 2021). 6 Het antwoord op sommige vragen is dan ook strikt genomen niet nodig om op het voorliggende verzoek tot het opnieuw onder toezicht stellen van de kinderen te beslissen, zoals vereist door artikel 392 lid 1, aanhef, Rv. Toch zal ik vanwege dit gebrek aan rechtseenheid in de appelrechtspraak alle zes de door het hof gestelde vragen beantwoorden. Daarbij merk ik op dat het thema rechtsbescherming in de jeugdbescherming – waaronder de mogelijkheid tot hoger beroep – een actueel en belangrijk thema is. Dit volgt onder andere uit het zelfreflectierapport van de familie- en jeugdrechters uit 2023 7 en het concept wetsvoorstel Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming. 8

3.2

De prejudiciële vragen zien op de ondertoezichtstelling en meer in bijzonder op de verlenging daarvan. Ik richt mij in navolging daarvan op de ondertoezichtstelling. Bedacht moet echter worden dat wat hierna aan de orde komt, ook voor de machtiging tot uithuisplaatsing geldt, tenzij anders aangegeven.

Leeswijzer

3.3

Ter beantwoording van de prejudiciële vragen, zal ik eerst ingaan op het wettelijk kader dat van belang is in geval van ondertoezichtstelling (onder 4). Daarna behandel ik de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2021 (onder 5). 9 Vervolgens bespreek ik de heersende leer en de afwijkingen daarvan in de rechtspraak van de hoven ten aanzien van de mogelijkheid tot (verlenging van een) ondertoezichtstelling door het hof nadat de bestaande ondertoezichtstelling is geëindigd na een afwijzende beslissing door de kinderrechter (onder 6). Daarop volgt een bespreking van de relevante literatuur (onder 7). Onder 8 maak ik een analyse van de onderzochte bronnen. Onder 9 kom ik tot een conclusie. Tot slot volgt de beantwoording van de prejudiciële vragen (onder 10).

4Wettelijk kader

Ondertoezichtstelling
4.1

Op grond van artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling (hierna ook: GI) indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: (a) de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en (b) de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

4.2

Uit artikel 1:255 lid 2 BW volgt door wie een verzoek tot ondertoezichtstelling kan worden ingediend. De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van de raad; dit gebeurt in de overgrote meerderheid van de zaken die zien op de ondertoezichtstelling van een minderjarige. 10 Ook het Openbaar Ministerie kan een ondertoezichtstelling verzoeken. Tevens zijn een ouder en degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de raad niet tot indiening van het verzoek overgaat. In dit verband kan worden gedacht aan de niet met het gezag belaste ouder of de nieuwe partner van de ouder met gezag, maar ook aan pleegouders.

4.3

Bij de aanduiding wie bevoegd is een verzoek tot ondertoezichtstelling te doen, is dus, zoals ook blijkt uit de wetsbepaling, een rangorde aangebracht. 11 Uitgangspunt is dat de raad het verzoekschrift tot ondertoezichtstelling indient. Pas als blijkt dat de raad niet overgaat tot het indienen van een verzoek kunnen een ouder (met of zonder gezag) of een persoon die de minderjarige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt een verzoek indienen. In die situatie zal de raad ter zitting als belanghebbende worden opgeroepen. 12 Het concept wetsvoorstel ‘Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming’ voegt hieraan ook de minderjarige van twaalf jaar of ouder toe, zodat deze bevoegd is een verzoek tot ondertoezichtstelling te doen, indien de raad dit niet indient. 13

4.4

Uit de wetsgeschiedenis volgt: 14

“Wanneer de duur van de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd, eindigt de maatregel van rechtswege na verloop van de door de kinderrechter bepaalde duur (…).”

Verlenging ondertoezichtstelling

4.5

Op grond van artikel 1:260 lid 1 BW kan de kinderrechter, mits voldaan is aan de gronden van artikel 1:255 BW, de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Wanneer de GI niet tot een verzoek overgaat, zijn de raad, een ouder, een pleegouder en het Openbaar Ministerie bevoegd tot het doen van een verlengingsverzoek. Wanneer de duur van de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd, eindigt de maatregel van rechtswege na verloop van de door de kinderrechter bepaalde duur. 15

4.6

Is de GI niet van plan een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling bij de kinderrechter in te dienen , dan dient zij de raad uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de duur van de ondertoezichtstelling onder overlegging van een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling te informeren (artikel 1:265j lid 1 BW) . Hierdoor heeft de raad de mogelijkheid om op basis van de rapportage te beslissen of hij een verlengingsverzoek zal indienen. 16 De raad beoordeelt of het voorgenomen besluit in het belang van de minderjarige is en deelt zijn oordeel uiterlijk één week na de melding mee aan de GI. 17

4.7

Wanneer een minderjarige twee jaar of langer onder toezicht is gesteld waarbij ook sprake is van een machtiging tot uithuisplaatsing, moet het verlengingsverzoek van de GI een advies van de raad inzake de verlenging van de ondertoezichtstelling bevatten (art. 1:265j lid 3 BW) . 18

4.8

Artikel 2.4.10, onder a, Procesreglement Civiel jeugdrecht rechtbanken bepaalt dat een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling uiterlijk tijdens de zesde week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende ondertoezichtstelling wordt ingediend. 19 Een verlengingsverzoek ingediend na afloop van de geldigheidsduur van de lopende ondertoezichtstelling is niet-ontvankelijk (artikel 2.4.10, onder b Procesreglement Civiel jeugdrecht rechtbanken). 20 Vanuit de rechtbanken wordt aangedrongen op tijdige indiening van eventuele verlengingsverzoeken, zodat de rechtbank voldoende tijd overhoudt voor de mondelinge behandeling en voor het nemen van een beslissing voordat de lopende ondertoezichtstelling is verstreken. 21 Ook is het van belang dat er voldoende tijd voor het voeren van verweer is.

Hoger beroep

4.9

De regeling van het hoger beroep is te vinden in Boek 1, titel 7 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De artikelen 332-361 Rv regelen slechts een gedeelte van het appelprocesrecht. Door de verwijzingen in artikel 353 lid 1 Rv (voor de dagvaardingsprocedure) en in artikel 362 Rv (voor de verzoekschriftprocedure) zijn in hoger beroep, voor zover uit titel 7 of andere wetsbepalingen niet anders voortvloeit, Boek 1, titel 2 Rv respectievelijk Boek 1, titel 3 Rv van overeenkomstige toepassing. 22

4.10

Ingevolge artikel 806 lid 1, aanhef en onder a, Rv in verbinding met artikel 358 lid 2 Rv kan van een beschikking binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden. 23

4.11

In de literatuur zijn de meningen verdeeld over het antwoord op de vraag of het uitgangspunt van behandeling van een zaak in twee feitelijke instanties, de neerslag vormt van een beginsel. 24 Rechtspraak in twee feitelijke instanties is geen essentiële voorwaarde voor een eerlijk proces, zodat het ontbreken van de mogelijkheid van hoger beroep niet uitsluit dat toch kan worden gesproken van een behoorlijke rechtspraak. Rechtspraak in twee feitelijke instanties is wél van groot belang voor de kwaliteit van de rechtspleging en het vertrouwen in de rechtspraak. Asser spreekt daarom van een grondbeginsel, dan wel een heel belangrijk uitgangspunt. 25 Het EHRM heeft een aantal malen beslist dat aan artikel 6 EVRM in burgerlijke zaken geen recht kan worden ontleend op hoger beroep en ook de Hoge Raad heeft in een aantal gevallen geoordeeld dat art. 6 EVRM niet een onbeperkte mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel waarborgt. 26

4.12

In het concept wetsvoorstel Wet Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming wordt de appeltermijn voor beschikkingen over jeugdbeschermingsmaatregelen verkort van drie maanden naar zes weken. Daartoe wordt artikel 806 volgens het concept wetsvoorstel als volgt gewijzigd:

“In artikel 806 wordt, onder vernummering van het tweede tot het derde lid, een lid ingevoegd, luidende: 2. Tegen beschikkingen in zaken op grond van titel 14, afdelingen 4 en 5 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid en van het tweede lid van artikel 358, hoger beroep worden ingesteld: a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen zes weken na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen zes weken na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.”

4.13

In de concept memorie van toelichting bij het concept wetsvoorstel wordt deze wijziging als volgt toegelicht (met weglating van voetnoten):

“3.4.3. Verkorten appel- en cassatietermijn

De huidige wettelijke regeling houdt in dat hoger beroep kan worden ingesteld binnen drie maanden. De voorgestelde wijziging verkort deze termijn van drie maanden naar zes weken, met toepassing van de Algemene termijnenwet. Deze verkorting komt overeen met de aanbeveling van het advies van de Adviescommissie. Ook eerder is door rechters zelf een verkorting van de termijn bepleit. De hoger beroep termijn moet voldoende ruimte bieden aan diegene die hoger beroep wil instellen om dit beroep voor te bereiden. Er wordt mogelijk nog gezocht naar een geschikte advocaat, het hoger beroep zelf wordt overwogen of het beroep wordt inhoudelijk voorbereid. Een lange termijn kan in het belang zijn van de verzoeker, maar niet altijd en niet voor alle betrokkenen, zo blijkt uit de aanbevelingen tot het verkorten van de termijn. Hoger beroep heeft minder zin indien de behandeling van dit beroep plaatsvindt nadat de beschermingsmaatregel is afgerond of nadat inmiddels een opvolgende verlenging is verzocht of toegewezen. Belangrijk is daarbij ook dat de tijd tussen de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak in hoger beroep een enorm onzekere tijd is voor alle betrokkenen. Er kan niet met zekerheid worden gehandeld omdat er mogelijk door de uitspraak in hoger beroep een verandering in de situatie komt. Alle betrokkenen kunnen daardoor in een ‘wachtstand’ geraken, hetgeen het werken aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreigingen voor de minderjarige in de weg kan staan. Daarbij is ook van belang dat tijdsverloop, zeker bij jongere kinderen, van grote invloed is op de hechting en het opgroeiperspectief van de minderjarige. Een verkorting van de termijn brengt sneller de duidelijkheid die nodig is voor alle betrokkenen. Daarom is gekozen voor een nieuwe termijn waarbij een betere balans wordt gezocht tussen de voor- en nadelen van een lange of juist korte(re) beroepstermijn. De termijn van zes weken wordt daarbij gezien als een redelijk evenwicht. Het doel hiervan is primair om te zorgen dat ouders en minderjarigen sneller duidelijkheid ervaren.”

Belang bij hoger beroep na einde ondertoezichtstelling

4.14

Het komt met name in jeugdbeschermingszaken regelmatig voor dat de kinderrechter een beschikking geeft waarvan de geldigheidsduur beperkt is. Als tegen een dergelijke beslissing hoger beroep wordt ingesteld, is de kans aanwezig dat de geldigheidsduur van de maatregel is verstreken en de beschikking derhalve juridisch gezien niet meer bestaat. De Hoge Raad was aanvankelijk van oordeel dat in een dergelijk geval appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens gebrek aan belang. Naar aanleiding van een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 7 juni 2011 27 heeft de Hoge Raad echter geoordeeld dat een verzoeker die in hoger beroep (of cassatie) komt van een beschikking houdende een vrijheidsbeneming (bijvoorbeeld een uithuisplaatsing) waarvan de geldigheidsduur inmiddels is verstreken wel ontvankelijk dient te worden verklaard. 28 De Hoge Raad oordeelde op gelijke wijze in een zaak waar ouders in hoger beroep gingen tegen een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing 29 en herhaalde dit in een uitspraak van 20 april 2012. 30

4.15

Het is de vraag of de afwijzing van een verzoek tot (verlenging van) een ondertoezichtstelling een inbreuk oplevert op rechten die door artikel 8 lid 1 EVRM worden beschermd. Volgens A-G Huydecoper geldt de hiervoor genoemde redenering eveneens bij een ondertoezichtstelling zonder uithuisplaatsing. 31 Betoogd wordt echter ook dat de toewijzing en de afwijzing van een (verlengings)verzoek tot ondertoezichtstelling niet op één lijn kunnen worden gesteld, omdat in het eerste geval wel, maar in het tweede geval geen sprake is van een inbreuk op genoemde rechten, waarbij alleen in geval van een inbreuk toetsing van de rechtmatigheid van een verlopen jeugdbeschermingsmaatregel in hoger beroep gerechtvaardigd zou kunnen zijn. 32 Daartegenover kan worden gesteld dat bij ondertoezichtstellingen die onder andere tot doel hebben om omgang tussen (een van) de ouders en een kind te bewerkstellingen, de afwijzing van een (verlengings)verzoek tot ondertoezichtstelling mogelijk een inbreuk op het recht op omgang van (een van) de ouders kan opleveren (art. 1:337a) en daarmee op het recht op <i role="italic">family life</i> (art. 8 EVRM) . 33 Bovendien zou de appelrechter tot een andersluidend oordeel over het verzoek kunnen komen dan de kinderrechter en het afgewezen verzoek alsnog toewijzen, waarmee op zich al een belang om in hoger beroep te gaan is gegeven, zoals hierna zal blijken.

5Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1113

5.1

In de tussenbeschikking van het hof van 20 november 2025 34 wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2021 (hierna: HR 9 juli 2021) en de daarop gebaseerde rechtspraak van de hoven.

5.2

In HR 9 juli 2021 was de vraag aan de orde of het hof mocht uitgaan van de verlenging van een ondertoezichtstelling door de kinderrechter. In die zaak was de minderjarige sinds november 2011 onder toezicht gesteld van de GI en was in 2018 is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend op grond waarvan de minderjarige in een pleeggezin verbleef. De GI verzocht de kinderrechter om beide maatregelen met een jaar te verlengen.

5.3

Bij beschikking van 28 november 2019 verlengde de kinderrechter de ondertoezichtstelling voor de verzochte duur van een jaar. Vier dagen daarvoor was de ondertoezichtstelling echter al verlopen, te weten op 24 november 2019. Bij diezelfde beschikking verlengde de kinderrechter ook de machtiging tot uithuisplaatsing. Tegen die laatste beslissing kwam de vader in hoger beroep. Dat beroep trof geen doel, in die zin dat het hof de beschikking van de kinderrechter, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigde.

5.4

In cassatie stelde de vader zich op het standpunt dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling niet meer kon verlengen, nu deze op het moment waarop de kinderrechter besliste reeds was verlopen. De beslissing van de kinderrechter om de ondertoezichtstelling te verlengen, sorteerde daarom volgens de vader geen effect. De vader stelde zich voorts op het standpunt dat het hof dit ambtshalve had moeten constateren en had moeten concluderen dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing daardoor ook niet meer mogelijk was.

5.5

De Hoge Raad overwoog met betrekking tot de verlenging van een reeds verlopen ondertoezichtstelling, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, 35 het volgende (mijn onderstrepingen): 36

“Op grond van art. 1:255 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling. Art. 1:260 lid 1 BW bepaalt dat de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar. Wanneer de duur van de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd, eindigt de maatregel van rechtswege na verloop van de door de kinderrechter bepaalde duur. Nadat de maatregel van rechtswege is geëindigd, kan deze niet meer worden verlengd. Wel kan de minderjarige in een dergelijk geval, indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, opnieuw op grond van art. 1:255 BW onder toezicht worden gesteld.”

5.6

Anders dan de vader in cassatie betoogde, diende het hof volgens de Hoge Raad bij zijn beslissing op het hoger beroep van de vader tegen de beslissing tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing uit te gaan van de door de kinderrechter bij dezelfde beschikking uitgesproken verlenging van de ondertoezichtstelling. Tegen die beslissing was de vader in hoger beroep immers niet opgekomen, zodat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in de weg staat aan de opvatting dat de uitspraak met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling geen effect sorteerde. De klacht van de vader dat het hof ten onrechte niet ambtshalve de beslissing van de kinderrechter tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing had vernietigd op de grond dat er geen sprake meer was van een ondertoezichtstelling, faalde daarom.

6Rechtspraak van de hoven na HR 9 juli 2021

6.1

Aanleiding voor de prejudiciële vragen zijn de verschillen in de rechtspraak van de hoven over de uitleg van de hiervoor besproken uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2021. Het hof schetst aan de hand van een aantal uitspraken een vaste lijn in de appelrechtspraak, inhoudende dat appellanten niet-ontvankelijk worden verklaard in hun verzoek in hoger beroep tegen een afwijzende beslissing van de kinderrechter op een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wanneer die maatregel inmiddels van rechtswege is geëindigd. Onder verwijzing naar HR 9 juli 2021 wordt dan aangenomen dat de ondertoezichtstelling dan immers niet meer kan worden verlengd, en dus ook niet in hoger beroep. 37 In enkele meer recente beschikkingen van hof Den Haag en hof Arnhem-Leeuwarden wordt volgens het hof van deze vaste lijn afgeweken. In deze uitspraken wijst het hof het afgewezen verzoek tot eerste ondertoezichtstelling voor de resterende duur of tot verlenging van de ondertoezichtstelling alsnog toe, hoewel de ondertoezichtstelling inmiddels van rechtswege was geëindigd.

6.2

Om een beter beeld te krijgen van het door het hof geschetste verschil in uitleg door de hoven van de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2021, heb ik in de op rechtspraak.nl gepubliceerde rechtspraak een verkennend onderzoek gedaan. Ik heb gezocht met de zoekterm “HR:2021:1113”. Dit leverde 31 uitspraken van hoven op. Twee van de uitspraken betreffen de tussenbeschikkingen van het hof ’s-Hertogenbosch in deze prejudiciële procedure. Van de resterende uitspraken bevestigt de overgrote meerderheid (24 uitspraken) de door hof ’s-Hertogenbosch geschetste vaste lijn in de appelrechtspraak in geval van hoger beroep tegen een afwijzende beslissing van de kinderrechter op een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling en komt het hof niet toe aan een inhoudelijke toets van de bestreden beslissing. 38 In slechts twee van de 31 uitspraken blijkt van een afwijking van deze vaste lijn en toetst het hof de afwijzende beslissing van de kinderrechter wel inhoudelijk. 39 Daarnaast heb ik aan de tussenbeschikking van 20 november 2025 in deze prejudiciële procedure nog drie afwijkende uitspraken ontleend (waarvan één ongepubliceerd). In de overige drie andere uitspraken van de door mij gevonden 31 uitspraken gaat het om appel tegen een beslissing van de kinderrechter waarin het verlengingsverzoek wel is toegewezen, maar te laat. 40 Deze drie uitspraken laat ik hier buiten beschouwing. Ik zal hierna eerst de heersende leer in de 24 gevonden uitspraken bespreken. Daarna ga ik in op de het viertal gepubliceerde uitspraken waarin sprake is van een koerswijziging.

Heersende leer in appel: geen inhoudelijke toets van een afwijzende beslissing op een verlengingsverzoek van de kinderrechter

6.3

In de 24 uitspraken die getuigen van de heersende leer wordt HR 9 juli 2021 zo uitgelegd dat in hoger beroep een ondertoezichtstelling niet alsnog kan worden verlengd, wanneer die maatregel na een afwijzende beslissing van de kinderrechter op een verlengingsverzoek inmiddels van rechtswege is geëindigd. In lijn met deze uitleg wordt in deze uitspraken de appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek in hoger beroep, wordt het verzoek afgewezen of wordt het hoger beroep verworpen. In ieder geval komt het hof in geen van deze uitspraken toe aan een inhoudelijke toets van de afwijzende beslissing van de kinderrechter.

6.4

In de 24 uitspraken zijn alle hoven vertegenwoordigd, zij het niet in dezelfde mate. Veertien uitspraken zijn van Hof ’s-Hertogenbosch. Daarvan maakt echter een cluster van negen beschikkingen die op dezelfde dag zijn gegeven deel uit. 41 Vijf uitspraken zijn van hof Arnhem-Leeuwarden, vier van hof Amsterdam en één van hof Den Haag.

6.5

Ter illustratie citeer ik een uitspraak van hof ’s-Hertogenbosch van 2 mei 2024, waarin de moeder in hoger beroep was gekomen van een afwijzende beslissing van de kinderrechter op een verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling: 42

Ontvankelijkheid

3.8.

Het hof dient allereerst te beoordelen of de moeder ontvankelijk is in haar verzoek in hoger beroep.

3.8.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van de kinderen met één jaar te verlengen, afgewezen. Hierdoor is de ondertoezichtstelling op
19 januari 2024 van rechtswege geëindigd.

Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1113) volgt dat als de ondertoezichtstelling van rechtswege is geëindigd, de maatregel niet meer (met terugwerkende kracht) kan worden verlengd. Dit betekent dat het verzoek van de moeder in hoger beroep niet kan worden toegewezen.

3.8.2.

Aangezien er geen sprake is van een overheidsinbreuk op de door de moeder in
Artikel 8 EVRM beschermde rechten van family life, komt het hof niet toe aan een rechtmatigheidstoets. In deze zaak is het verzoek tot verlenging van de jeugdbeschermingsmaatregel (de ondertoezichtstelling) namelijk afgewezen, zodat van een inbreuk op een door artikel 8 EVRM beschermd recht geen sprake is.

Verder is het vaste rechtspraak dat artikel 6 EVRM geen algemeen recht op hoger beroep met zich brengt. Bovendien heeft een ouder in een zaak als de onderhavige op grond van artikel 1:255 lid 2 BW de mogelijkheid de kinderrechter om een nieuwe ondertoezichtstelling te verzoeken, indien de raad tot een dergelijk verzoek niet overgaat.

6.6

De redenering in r.o. 3.8.1 van deze beschikking komt in alle 24 uitspraken voor: onder verwijzing naar HR 9 juli 2021 wordt overwogen dat een van rechtswege geëindigde maatregel (in vrijwel alle zaken de ondertoezichtstelling en een enkele keer de machtiging uithuisplaatsing 43) niet meer kan worden verlengd en dat een verzoek tot verlenging daarom in hoger beroep niet kan worden toegewezen. Deze uitleg van HR 9 juli 2021 vormt dus de kern van alle uitspraken die de heersende leer volgen.

6.7

Daarnaast bevat r.o. 3.8.2 een aantal overwegingen die ook in meerdere uitspraken in deze categorie terug te vinden is. Deze overwegingen komen erop neer dat er geen ruimte is voor een rechtmatigheidstoets in hoger beroep wanneer een verlengingsverzoek door de kinderrechter is afgewezen, dat er geen algemeen recht is op hoger beroep en dat bij de kinderrechter een verzoek om een nieuwe ondertoezichtstelling kan worden ingediend. Ik begrijp deze overwegingen aldus dat zij nader onderbouwen waarom een afwijzende beslissing van een kinderrechter van een verlengingsverzoek in hoger beroep niet inhoudelijk getoetst hoeft te worden en dat alleen een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling en/of uithuisplaatsing aan de kinderrechter soelaas kan bieden.

6.8

Verder wijs ik ook op een uitspraak van hof Amsterdam van 20 september 2021: 44

“5.10 (…) Zoals blijkt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1113, r.o. 3.2) en uit inmiddels vaste rechtspraak van de hoven (vgl. Hof Amsterdam 14 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1242) kan een ondertoezichtstelling niet meer worden verlengd, indien die maatregel van rechtswege na verloop van de door de kinderrechter eerder bepaalde duur is geëindigd. In dit geval eindigde de ondertoezichtstelling van rechtswege op 21 februari 2021. De verzoeken van de GI en de vader zijn om die reden niet toewijsbaar. Daaraan doet niet af dat de door de GI (en de vader) beoogde (maximale) termijn van de verlenging (tot 21 februari 2022) op dit moment nog niet is verstreken. Een verlenging met terugwerkende kracht tot 21 februari 2021 is immers evenmin mogelijk, zo volgt uit voormelde uitspraak van de Hoge Raad. Dat in die zaak de door de kinderrechter met terugwerkende kracht verlengde ondertoezichtstelling niet werd aangetast, was het gevolg van het feit dat daartegen geen rechtsmiddel was aangewend. Daardoor moest in die zaak van die verlenging worden uitgegaan, ook al was die niet op de wet gebaseerd.”

6.9

Uit deze uitspraak volgt dat ook al voor HR 9 juli 2021 in appel werd geoordeeld dat van verlenging in hoger beroep van een inmiddels geëindigde ondertoezichtstelling geen sprake kan zijn. Het hof heeft het zelfs toen al over “vaste rechtspraak van de hoven”.

6.10

Net als hof ’s-Hertogenbosch lijkt ook hof Amsterdam er bovendien van uit te gaan dat, hoewel nog een te verlengen periode resteert, toewijzing van het verzoek tot verlenging door het hof een niet toegestane verlenging met terugwerkende kracht tot de datum waarop de ondertoezichtstelling van rechtswege is geëindigd, zou inhouden. Ook deze onmogelijkheid om met terugwerkende kracht te verlengen, leidt het hof af uit HR 9 juli 2021, waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat een ondertoezichtstelling niet meer worden verlengd, indien die maatregel van rechtswege is geëindigd.

6.11

Overigens zat ik destijds in de combinatie die deze beschikking van het hof Amsterdam gaf. Ik kom daar hierna onder 9.1 op terug.

Afwijking van de heersende leer in appel: wel een inhoudelijke toets van een afwijzende beslissing op een verlengingsverzoek van de kinderrechter

6.12

De afgelopen jaren is door hof Den Haag en hof Arnhem-Leeuwarden een andere koers ingeslagen door een eenmaal geëindigde ondertoezichtstelling in hoger beroep toch te verlengen, althans het inleidend verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling alsnog (met terugwerkende kracht) toe te wijzen. Ik zal hierna nader ingaan op deze uitspraken en de verschillende motiveringen van de hoven op dit punt.

6.13

In een beschikking van hof Den Haag van 21 augustus 2024 45 is door de kinderrechter in eerste aanleg een verzoek van de raad tot verlening van een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar (in aansluiting op een voorlopige ondertoezichtstelling) gedeeltelijk toegewezen, namelijk voor de duur van zes maanden en is het resterende verzoek afgewezen. Na verloop van de door de kinderrechter toegewezen zes maanden is het verzoek van de moeder in hoger beroep tegen onder meer de afwijzing van de resterende zes maanden behandeld en is het oorspronkelijke verzoek alsnog geheel toegewezen, aldus gedeeltelijk met terugwerkende kracht. Het hof heeft daarbij overwogen dat ook in een dergelijk geval hoger beroep tegen de afwijzing van de verzochte langere duur openstaat:

“5.4 Uit de beschikking van de Hoge Raad van 9 juli 2021 (ECLI:HR:2021:1113) volgt, in beginsel, dat een ondertoezichtstelling niet kan worden verlengd, indien die maatregel van rechtswege na verloop van de door de kinderrechter eerder bepaalde duur is geëindigd. Het betrof daar een zaak waarin verlenging van de ondertoezichtstelling was verzocht en de ondertoezichtstelling vier dagen voor de uitgesproken verlenging door de kinderrechter was geëindigd. In deze zaak heeft de raad aan de kinderrechter een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar verzocht. De kinderrechter heeft in afwijking van dit verzoek een ondertoezichtstelling uitgesproken voor de duur van een half jaar en het meer of anders verzochte afgewezen. In een dergelijke situatie staat hoger beroep tegen de afwijzing van de verzochte langere duur open. Daaraan doet niet af dat de ondertoezichtstelling inmiddels is geëindigd. Immers ook van de afwijzing van een verzoek tot ondertoezichtstelling staat hoger beroep open.

6.14

In een beschikking van hof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2024 46 is door het hof een afgewezen verlengingsverzoek alsnog toegewezen, ná het verstrijken van de termijn van de lopende ondertoezichtstelling, aldus ook gedeeltelijk met terugwerkende kracht. In deze zaak had de GI de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar, welk verzoek de kinderrechter heeft afgewezen. De ondertoezichtstelling is 6 dagen na deze beslissing van de kinderrechter van rechtswege geëindigd. De GI is van de beslissing van de kinderrechter in hoger beroep gekomen. De vader heeft in hoger beroep als verweer onder meer aangevoerd dat de GI niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat de ondertoezichtstelling inmiddels van rechtswege was geëindigd en niet meer kan worden verlengd. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het verzoek van de GI in hoger beroep heeft het hof als volgt overwogen:

“5.3 Het hof overweegt als volgt. Het hoger beroep geeft een procespartij of belanghebbende de mogelijkheid om een zaak opnieuw te laten behandelen. Op grond van artikel 358 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan van eindbeschikkingen binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld. De eindbeschikking van de kinderrechter is van 11 juli 2024 en de GI is tijdig in hoger beroep gekomen. Daarmee is de GI dus ontvankelijk in het hoger beroep.

5.4

Zou de vader in zijn verweer worden gevolgd dan zou dat betekenen dat in zaken als de onderhavige aan een partij of belanghebbende de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep feitelijk zou worden ontnomen. De beslissing op een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling wordt door de kinderrechter immers doorgaans pas genomen kort voor het aflopen van de termijn van ondertoezichtstelling. Ook in het onderhavige geval lagen tussen de beschikking (11 juli 2024) en het reguliere einde van de ondertoezichtstelling (17 juli 2024) slechts vijf (5) dagen. Van een partij of belanghebbende kan niet worden verwacht dat zij binnen een zo korte termijn een verzoekschrift in hoger beroep indient. Het hof merkt daarbij op dat in verzoekschriftprocedures veiligstelling van de hoger beroepstermijn door de indiening van pro forma hoger beroep niet mogelijk is op grond van de twee-conclusie-regel van artikel 347 Rv. Die regel geldt natuurlijk ook in dagvaardingsprocedures, maar daar kan voor het instellen van hoger beroep worden volstaan met een ‘lege’ appeldagvaarding, waarna een termijn wordt gegund voor het indienen van de memorie van grieven.

Honorering van het verweer zou ook rechtsongelijkheid met zich brengen. Als de kinderrechter het verzoek van de GI toewijst en de termijn van ondertoezichtstelling verlengt, loopt deze door en krijgt de ouder die het met die verlenging niet eens is ‘gewoon’ drie maanden de gelegenheid om van die beslissing in hoger beroep te komen. Wordt het verzoek afgewezen en is de GI het met die afwijzing niet eens dan zou zij, zoals hiervoor overwogen, de facto met lege handen staan.

Voor een dergelijke feitelijke beperking van de hoger beroepstermijn en de daaruit voortvloeiende rechtsongelijkheid biedt de wet geen aanknopingspunten. De door de vader aangehaalde jurisprudentie maakt dat niet anders.”

Het hof heeft het verzoek van de GI daarna inhoudelijk beoordeeld en alsnog toegewezen voor de verzochte duur van een jaar.

6.15

In de zaak die heeft geleid tot een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 3 juli 2025 47 zijn zowel de vader als de GI (tijdig) in hoger beroep gekomen tegen de beslissing van de kinderrechter waarin het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling was afgewezen. De ondertoezichtstelling is na de beslissing van de kinderrechter van rechtswege geëindigd. De moeder heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vader en de GI niet-ontvankelijk dienden te worden verklaard in hun verzoeken in hoger beroep. Het hof heeft op dit punt het volgende overwogen:

“5.3 Het hof overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vader en de GI als volgt. Het hoger beroep geeft een procespartij of belanghebbende de mogelijkheid om een zaak opnieuw te laten behandelen. Op grond van artikel 358 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan van eindbeschikkingen binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld. De eindbeschikking van de kinderrechter is van 24 januari 2025 en de vader en de GI zijn tijdig in hoger beroep gekomen. Daarmee zijn de vader en de GI dus ontvankelijk in het hoger beroep. De omstandigheid dat de ondertoezichtstelling niet meer verlengd kan worden staat daar niet aan in de weg. Het hof merkt op dat de moeder er terecht van uit gaat dat het hof de ondertoezichtstelling in deze zaak niet (meer) kan verlengen. Zoals ook ter zitting is besproken is het hof echter van oordeel dat het niet zo kan zijn dat van een uitgesproken verlenging wel beroep open staat hetwelk tot een andere beslissing kan leiden en van een afwijzing niet. Ook een afwijzing moet door een hogere rechter kunnen worden getoetst en tot een andere beslissing kunnen leiden. Het hof is van oordeel dat het systeem van de wet meebrengt dat in geval het hof van oordeel is dat de rechtbank het verlengingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen, het hof (opnieuw) een ondertoezichtstelling kan uitspreken, welke in tijd overigens wel beperkt is tot de einddatum van het oorspronkelijke door de GI gedane verleningsverzoek, in casu 5 februari 2026.

(…)

5.9

Nu het hof een ondertoezichtstelling noodzakelijk acht zal het hof de bestreden beschikking, voor zover daarbij het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling is afgewezen, vernietigen. Omdat er in de periode van 5 februari 2025 tot vandaag geen ondertoezichtstelling was, is het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling niet toewijsbaar. Het hof zal zoals aangegeven de kinderen (opnieuw) onder toezicht stellen van de GI met ingang van heden tot 5 februari 2026.”

Omdat de ondertoezichtstelling in verband met het niet-verlengen daarvan door de kinderrechter ten tijde van de procedure in hoger beroep van rechtswege was geëindigd, heeft het hof, zoals volgt uit voornoemd citaat, de kinderen in hoger beroep met ingang van de datum van de beschikking van het hof opnieuw onder toezicht gesteld tot de oorspronkelijk verzochte termijn.

6.16

Tot slot heeft hof Arnhem Leeuwarden ook weer recent, in zijn beschikking van 10 maart 2026 de GI ontvankelijk verklaard in haar verzoek in hoger beroep tegen een afwijzende beslissing van de kinderrechter op het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Het hof overweegt daartoe als volgt:

“De ontvankelijkheid van het hoger beroep

5.4.

Volgens de uitspraak van de Hoge Raad van 9 juli 2021 kan in beginsel een ondertoezichtstelling niet worden verlengd na verloop van de duur van die maatregel, en is de ondertoezichtstelling daardoor van rechtswege geëindigd.

5.5.

Het hoger beroep geeft een procespartij of belanghebbende de mogelijkheid om een zaak opnieuw te laten beoordelen. Op grond van artikel 358 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan van een eindbeschikking binnen drie maanden na de uitspraak hoger beroep worden ingesteld. De beslissing van de kinderrechter is van 9 oktober 2025. De GI is op 2 december 2025, en dus binnen drie maanden, in hoger beroep gekomen. De GI is dus ontvankelijk in het hoger beroep.

5.6.

Wanneer het hof de vader zou volgen, betekent dit dat in zaken waarin de ondertoezichtstelling door de kinderrechter is beëindigd, alleen hoger beroep kan worden ingesteld in de periode tussen de uitspraak van de kinderrechter en de datum waarop de ondertoezichtstelling afloopt. Het is gebruikelijk dat de kinderrechter een beslissing op een verlengingsverzoek kort voor het aflopen van de termijn van de ondertoezichtstelling neemt. In de praktijk zou dit betekenen dat tegen een beslissing tot afwijzing van een verlengingsverzoek geen hoger beroep openstaat. Van een partij of belanghebbende kan namelijk niet worden verwacht dat zij binnen die korte termijn een beroepschrift indient. Dit brengt rechtsongelijkheid met zich. Wanneer een verzoek tot verlenging wordt toegewezen, heeft een procespartij of belanghebbende wel drie maanden de tijd om in hoger beroep te komen. Het kan niet zo zijn dat tegen een verlenging van een ondertoezichtstelling wel beroep openstaat die tot een andere beslissing kan leiden en van een afwijzing niet. Ook een afwijzing moet door een hogere rechter kunnen worden getoetst en tot een andere beslissing kunnen leiden. Het hof zal daarom het verzoek van de GI inhoudelijk beoordelen.

6.17

Vervolgens gaat het hof over tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Het hof wijst daarop hof het verzoek van de GI af en bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter.

7Literatuur

7.1

De verschillen in de rechtspraak van de hoven hebben in de literatuur opvallend genoeg niet veel aandacht gekregen en die verschillen worden dan ook nauwelijks geproblematiseerd door de verschillende auteurs. In deze paragraaf bespreek ik de literatuur waarin op die verschillen in de rechtspraak wordt ingegaan. Daarbij blijkt de afwijking van de heersende leer positief ontvangen te worden.

7.2

Pieters bespreekt in zijn FJR-kronieken Jeugdrecht de verschillen in aanpak van de hoven. 48 Hij spreekt zijn steun uit voor de uitspraak van hof Den Haag van 21 augustus 2024. 49 In deze uitspraak heeft het hof geoordeeld dat ook van de afwijzing van een verzoek tot ondertoezichtstelling voor de resterende duur hoger beroep openstaat, ook al is de wel toegewezen periode van ondertoezichtstelling van zes maanden inmiddels geëindigd en heeft het hof alsnog de ondertoezichtstelling voor de volledig verzochte duur van een jaar toegewezen. Pieters schrijft over deze uitspraak: 50

“Een in het belang van het kind wenselijke koerswijziging wat mij betreft. Dat maakt ook spoedingrepen minder noodzakelijk zoals bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch op 24 mei 2024 (ECLI:NL:GHSHE:2024:1873 (FJR 2025/24.10)) moest doen. In deze zaak was sprake van een spoedappel van de GI tegen afwijzing van de verlenging van de OTS (en machtiging tot uithuisplaatsing), die op 26 mei 2024 zou eindigen. De vader is telefonisch gehoord op het spoedappel en met de minderjarige heeft via een beeldbelverbinding een kindgesprek plaatsgevonden. Na het mondeling uitspreken van een korte verlenging van de maatregelen, is de verdere inhoudelijke behandeling aangehouden naar een nadere zitting.”

7.3

Vlaardingerbroek constateert in zijn JPF-noot bij hof Arnhem-Leeuwarden 17 september 2024 verheugd dat het hof overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot verlenging van de onder toezichtstelling, ook als is de maateregel inmiddels van rechtswege geëindigd: 51

“In deze hogerberoepsprocedure had de vader voor het hof aangevoerd dat de gecertificeerde instelling niet-ontvankelijk moest worden verklaard, omdat de ondertoezichtstelling liep tot 17 juli 2024. Omdat de kinderrechter de ondertoezichtstelling niet had verlengd, was deze op 17 juli 2024 van rechtswege geëindigd en kon de OTS volgens de vader niet meer worden verlengd. Het hof maakt met die stelling van de vader gelukkig korte metten, want dat zou betekenen dat de beslissing van de kinderrechter niet in hoger beroep opnieuw inhoudelijk beoordeeld zou kunnen worden.”

7.4

Ook Van der Zon leidt uit deze uitspraak van hof Arnhem-Leeuwarden af dat hoger beroep tegen een afwijzende verlengingsbeslissing van de kinderrechter mogelijk is: 52

“De verlenging van een maatregel van ondertoezichtstelling waarvan de geldigheidsduur is verstreken, is niet toegestaan. Deze regel geldt ook indien het verzoek tot verlenging wel tijdig was ingediend, maar de behandeling daarvan – i.c. als gevolg van een verwijzing naar de wel bevoegde kinderrechter – plaatsvond nadat de ondertoezichtstelling reeds was geëindigd (aldus Hof 's-Gravenhage 31 mei 2000, FJR 2000, 92, p. 268). Wel kan, ook nadat de machtiging reeds is verlopen nog hoger beroep worden ingesteld tegen een beslissing van de rechtbank om de lopende ondertoezichtstelling niet te verlengen, zo oordeelde het Hof Arnhem Leeuwarden (Hof Arnhem Leeuwarden 17 september 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5871).”

7.5

Ik begrijp Van der Zon zo dat de kinderrechter in eerste aanleg een verlengingsverzoek niet mag toewijzen wanneer de ondertoezichtstelling al van rechtswege is geëindigd. Dan is het te laat voor een verlenging. Indien de kinderrechter echter tijdig, dus voordat de lopende maatregel is geëindigd, een verzoek tot verlenging afwijst, mag van die afwijzende beslissing nog wel hoger beroep worden ingesteld. Meer zegt Van der Zon hier helaas niet over. 53

7.6

Tot slot wijs ik op Asser/Kolkman & Salomons: 54

“De ondertoezichtstelling eindigt, wanneer de duur ervan niet wordt verlengd, van rechtswege na verloop van de door de kinderrechter bepaalde duur. Nadat de maatregel van rechtswege is geëindigd, kan deze niet meer worden verlengd, aldus HR 9 juli 2021, NJ 2021/259 in een zaak waar de kinderrechter op een tijdig ingediend verlengingsverzoek besliste nadat de duur van de te verlengen ondertoezichtstelling al was verstreken. Een antwoord op de vraag of de rechter in hoger beroep een door de kinderrechter voor het verstrijken van de duur van de ondertoezichtstelling afgewezen verlengingsverzoek na het verstrijken van die duur alsnog kan toewijzen, is daarmee niet gegeven. Een bevestigend antwoord op die vraag lijkt – als men de niet geheel op de voorliggende zaak toegespitste formulering van de uitspraak van 9 juli 2021 buiten beschouwing laat – voor de hand te liggen. Dat over deze vraag in de feitenrechtspraak niettemin wisselend wordt gedacht, blijkt uit de daarover gestelde prejudiciële vragen (Hof ’s-Hertogenbosch 20 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3328 en Hof ’s-Hertogenbosch 8 januari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:20.”

7.7

Deze auteurs onderscheiden in verband met HR 9 juli 2021 mijns inziens, net als Van der Zon, twee vragen. De eerste vraag is of de kinderrechter een reeds geëindigde ondertoezichtstelling mag verlengen. Het antwoord op deze vraag luidt volgens de auteurs, onder verwijzing naar HR 9 juli 2021: nee. De tweede vraag is of de appelrechter een door de kinderrechter voor het verstrijken van de duur van de ondertoezichtstelling afgewezen verlengingsverzoek na het verstrijken van die duur alsnog kan toewijzen. Het lijkt volgens de auteurs voor de hand te liggen deze vraag met ja te beantwoorden. Ze wijzen in dat kader op de verschillen in de feitenrechtspraak ten aanzien van deze tweede vraag en dat die verschillen aanleiding hebben gegeven tot de hier voorliggende prejudiciële vragen. Als ik Kolkman en Salomons wel versta, staat HR 9 juli 2021 niet in de weg aan een inhoudelijke beoordeling en alsnog een toewijzing door de appelrechter van een door de kinderrechter tijdig afgewezen verlengingsverzoek, hoewel de te verlengen ondertoezichtstelling inmiddels is geëindigd. Daarmee zou HR 9 juli 2021 zich dus niet uitstrekken over de appelprocedure over een afgewezen verlengingsverzoek, maar uitsluitend zien op de procedure in eerste aanleg over een verlengingsverzoek.

8Analyse van rechtspraak van de hoven en literatuur

Context
8.1

Wat mij allereerst is opgevallen na bestudering van de uitspraken is dat in vrijwel alle zaken sprake is van een conflictscheiding, althans (ernstige) problematiek tussen de ouders die te maken heeft met hun uiteengaan en het contact tussen (een van) hen en de kinderen. Eén van de doelen van de ondertoezichtstelling is dan ook in bijna alle bekeken zaken contactherstel tussen een van de ouders en het kind/de kinderen. Het lijkt er dus op dat de hier aan de orde zijnde problematiek, te weten de situatie dat de kinderrechter een verzoek tot (verlenging van een) ondertoezichtstelling (gedeeltelijk) afwijst, waardoor de ondertoezichtstelling van rechtswege eindigt, en een of meer belanghebbenden van die beslissing in hoger beroep komen, zich met name voordoet in deze context.

Procedure voor de kinderrechter

8.2

Uit HR 9 juli 2021 volgt mijns inziens dat de kinderrechter een van rechtswege geëindigde ondertoezichtstelling niet mag verlengen. Ook mag de kinderrechter niet een verzoek tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling voor de resterende duur toewijzen, indien het bij tussenbeschikking reeds toegewezen deel van de (verlengde) ondertoezichtstelling is verstreken. Hierover is ook geen discussie in de appelrechtspraak. Ook als de kinderrechter maar één dag te laat is met zijn (verlengings)beslissing, zijn de hoven onverbiddelijk. 55 De lopende ondertoezichtstelling is immers geëindigd en kan niet worden verlengd of voor de resterende duur worden toegewezen.

8.3

De prejudiciële vragen zien mijns inziens niet op deze situatie waarin de kinderrechter te laat een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling of voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling heeft toegewezen.

8.4

Alleen geeft de eerste prejudiciële vraag wel aanleiding om voor deze situatie op het volgende in te gaan. Op grond van artikel 2.4.10, onder a, Procesreglement Civiel jeugdrecht rechtbanken moet een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling uiterlijk tijdens de zesde week voor het einde van de geldigheidsduur van de lopende ondertoezichtstelling worden ingediend. Wanneer de GI of de raad dit verzoek indienen, zal het doorgaans mogelijk moeten zijn deze termijn te halen. Wanneer zij daartoe niet overgaan, zal het voor een ouder in de praktijk niet altijd mogelijk zijn om tijdig een verlengingsverzoek in te dienen. De onderhavige zaak is daar een goed voorbeeld van. De GI heeft de vader en de moeder op 28 januari 2025 haar besluit meegedeeld niet te zullen overgaan tot het indienen van een verzoek aan de kinderrechter tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Bij brief van 17 maart 2025 aan de GI stemt de raad in met het voorgenomen besluit de ondertoezichtstelling van de kinderen niet te verlengen. De vader heeft vervolgens op 27 maart 2025 zijn verlengingsverzoek en zijn verzoek tot het opnieuw onder toezicht stellen van de kinderen ingediend. Onder deze omstandigheden had de vader ook niet heel veel eerder zijn verzoeken kunnen indienen. Bij beschikking van 4 april 2025 heeft de kinderrechter de verzoeken van de vader afgewezen. Op 6 april 2025 is de ondertoezichtstelling van rechtswege geëindigd.

8.5

Tussen het indienen van de verzoeken van de vader en het einde van de duur van de lopende ondertoezichtstelling lagen slechts enkele dagen. De rechtbank is er in dit geval kennelijk in geslaagd om de zaak tijdig te behandelen en te beslissen, maar daarop kan een verzoeker met een dergelijke korte periode tussen het indienen van zijn verzoek en het einde van de ondertoezichtstelling niet rekenen. Het is dus mijns inziens begrijpelijk dat de vader in dit geval, vanwege die korte periode, naast het verzoek tot verlenging ook een verzoek tot een nieuwe ondertoezichtstelling heeft ingediend. Ik denk dat er niets op tegen is om een dergelijk voorwaardelijk verzoek tot een nieuwe ondertoezichtstelling te doen, mocht de kinderrechter pas op de verzoeken kunnen beslissen na het van rechtswege eindigen van de ondertoezichtstelling. Op grond van HR 9 juli 2021 kan de kinderrechter die ondertoezichtstelling immers niet meer verlengen, maar mag wel een nieuw verzoek om ondertoezichtstelling worden ingediend. Dat kan dus mijn inziens ook een nieuw voorwaardelijk verzoek zijn dat gelijktijdig met een verlengingsverzoek wordt ingediend.

8.6

Wanneer een GI een verlengingsverzoek indient, zal het zich in de praktijk niet snel voordoen dat dit verzoek pas kort voor het verstrijken van de duur van de lopende ondertoezichtstelling wordt ingediend. Van een GI mag immers verwacht worden dat zij de termijn van zes weken van artikel 2.4.10, onder a, Procesreglement Civiel jeugdrecht rechtbanken in acht neemt. Mocht het zich door omstandigheden toch voordoen dat een GI pas kort voor het verstrijken van de duur van de ondertoezichtstelling een verlengingsverzoek kan indienen, geldt mijns inziens ook dat hierbij gelijktijdig een voorwaardelijk nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling kan worden gedaan. Dan moet wel bedacht worden dat de GI wel het verlengingsverzoek mag indienen, maar niet het voorwaardelijke nieuwe verzoek tot ondertoezichtstelling. Laatstbedoeld verzoek zal immers door de raad ingediend moeten worden (art. 1:255 lid 2 BW) .

8.7

In de onderhavige zaak was verzocht de kinderen tegen de vroegst mogelijke datum na 5 april 2025 (de datum waarna de ondertoezichtstelling) verstreek opnieuw voor de duur van een jaar onder toezicht stellen. Hieruit blijkt al dat de vader er rekening mee hield dat op zijn verzoeken pas na het van rechtswege eindigen van de ondertoezichtstelling op 6 april 2025 beslist zou worden. Indien de kinderrechter niet tijdig op het verlengingsverzoek had kunnen beslissen en vervolgens het nieuwe verzoek tot ondertoezichtstelling voor de verzochte duur van een jaar had toegewezen, ga ik er wat betreft de ingangsdatum van uit dat dat de kinderrechter de kinderen, zoals gebruikelijk is, met ingang van de datum van de beschikking onder toezicht zou hebben gesteld voor de duur van een jaar.

Procedure in hoger beroep

8.8

In de appelrechtspraak is er zoals gezegd discussie over de vraag of een hof zelf, na afwijzing door de kinderrechter van een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling of van een verzoek voor de resterende duur van een (verlengde) ondertoezichtstelling, dat verzoek alsnog in appel mag toewijzen, hoewel de ondertoezichtstelling inmiddels van rechtswege is geëindigd.

8.9

In de heersende leer hebben de hoven HR 9 juli 2021 ook op zich zelf betrokken, in die zin dat zij menen dat zij een, na een afwijzende beslissing op een verlengingsverzoek van de kinderrechter, inmiddels van rechtswege geëindigde ondertoezichtstelling niet kunnen verlengen. Volgens deze heersende uitleg van HR 9 juli 2021 kunnen de hoven ook niet een door de kinderrechter afgewezen verzoek voor de resterende duur van een (verlengde) ondertoezichtstelling alsnog toewijzen als de wel door de kinderrechter toegewezen eerste, kortere duur inmiddels is verstreken. Deze uitleg van HR 9 juli 2021 staat dus op gespannen voet met de rechtsbescherming in hoger beroep geboden zou moeten worden.

8.10

Enerzijds vind ik deze heersende uitleg van HR 9 juli 2021 niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad overweegt daarin immers expliciet dat een ondertoezichtstelling niet meer kan worden verlengd, nadat die maatregel van rechtswege is geëindigd. De hoven die de heersende leer aanhangen, vatten dit voorschrift kennelijk als een absoluut voorschrift op dat dus niet alleen voor de kinderrechter, maar ook voor hen geldt. Deze uitleg sluit ook aan bij wat ook voor HR 9 juli 2021 ook al door hoven werd aangenomen. 56

8.11

Anderzijds bevat HR 9 juli 2021 geen expliciete aanwijzing dat die uitspraak zich ook uitstrekt over de beslissing op een (verlengings)verzoek in appel nadat een lopende ondertoezichtstelling is geëindigd na een afwijzende beslissing van de kinderrechter. Ook de wet beperkt de mogelijkheid van hoger beroep niet tot beslissingen waarin een verzoek tot (verlenging van een) ondertoezichtstelling wordt toegewezen of tot gevallen waarin nog een ondertoezichtstelling loopt op het moment van beslissen door de appelrechter (art. 806 Rv in verbinding met art. 1:255 BW en art. 1:260 BW)

8.12

In de vijf uitspraken 57 waarin wordt afgeweken van de heersende leer, wordt appellant een effectieve mogelijkheid tot hoger beroep gegeven. Zoals hiervoor bleek, gaat het hof in deze zaken immers over tot een inhoudelijke toets van hetzij het door de kinderrechter geheel afgewezen verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, 58 hetzij het door de kinderrechter deels afgewezen verzoek tot ondertoezichtstelling (er was een langere duur verzocht dan is toegewezen), 59 hetzij het afgewezen verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de resterende periode na aanhouding. 60 Daarbij heeft hof Arnhem Leeuwarden in een uitspraak uit 2024 het door de kinderrechter afgewezen verlengingsverzoek van de GI alsnog voor de duur van een jaar toegewezen. 61 In twee andere uitspraken uit 2025 heeft ditzelfde hof geoordeeld dat het verlengingsverzoek niet toewijsbaar is, omdat de ondertoezichtstelling van rechtswege is geëindigd. Wel zijn de kinderen opnieuw onder toezicht gesteld met ingang van de datum van zijn beschikking tot de einddatum van het verlengingsverzoek. 62 Hof Den Haag heeft in een uitspraak uit 2024 de door de kinderrechter slechts gedeeltelijk toegewezen (want voor zes maanden) eerste ondertoezichtstelling alsnog toegewezen voor de volledige duur van een jaar. 63 In een uitspraak van Hof Arnhem Leeuwarden uit 2026 heeft het hof het verlengingsverzoek voor de resterende periode na aanhouding afgewezen en de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd. 64

8.13

In dit verband van de prejudiciële vragen zijn vooral interessant de gevallen waarin het hof de kinderen alsnog onder toezicht heeft gesteld of het verlengingsverzoek heeft toegewezen, ondanks dat de lopende ondertoezichtstelling inmiddels van rechtswege is geëindigd. Ten eerste: hoe motiveren deze hoven hun inhoudelijke beoordeling in appel van een (verlengings)verzoek van een inmiddels geëindigde ondertoezichtstelling?

8.14

In de drie gepubliceerde uitspraken van hof Arnhem-Leeuwarden wordt eerst overwogen dat het hoger beroep ertoe strekt een zaak opnieuw te behandelen en dat de appellanten hun hoger beroep tijdig hebben ingesteld en dus ontvankelijk zijn. Verder wordt overwogen dat als hoger beroep alleen praktisch mogelijk zou zijn wanneer de lopende ondertoezichtstelling nog niet geëindigd is, partijen in geval van een afwijzende beslissing van de kinderrechter feitelijk geen gelegenheid voor het instellen van hoger beroep zouden hebben, omdat er vaak maar weinig tijd zit tussen de uitspraak van de kinderrechter en het einde van de duur van de lopende ondertoezichtstelling. Dat zou rechtsongelijkheid opleveren met de gevallen waarin een (verlengings)verzoek wel wordt toegewezen en partijen gedurende de volle drie maanden appeltermijn een effectieve mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep hebben. Dit argument sluit aan bij de reden die Pieters noemt om de afwijking van de heersende leer te steunen: deze koerswijziging voorkomt spoedappellen in die korte periode tussen datum uitspraak kinderrechter en het einde van de duur van de lopende ondertoezichtstelling. Bij spoedappellen kunnen partijen het hoger beroep minder goed voorbereiden en worden partijen en minderjarigen soms noodgedwongen via beeldbellen gehoord worden, wat niet de voorkeur heeft. 65

8.15

In de uitspraak van hof Den Haag overweegt het hof dat het in HR 9 juli 2021 om een andere kwestie gaat dan in de door het hof te beoordelen zaak. In de zaak die leidde tot HR 9 juli 2021 heeft de kinderrechter te laat, want na het einde van rechtswege van de lopende ondertoezichtstelling, een verlengingsverzoek toegewezen. In de aan het hof Den Haag voorliggende zaak heeft de kinderrechter echter de ondertoezichtstelling voor een deel van de verzochte duur afgewezen en van die afwijzing staat hoger beroep open, aldus het hof. Deze redenering strookt mijns inziens met die van Kolkman en Salomons die immers lijken te betogen dat HR 9 juli 2021 niet in de weg staat dat de appelrechter een afgewezen verlengingsverzoek na het eindigen van de duur van de lopende ondertoezichtstelling alsnog kan toewijzen.

8.16

Ten tweede is interessant dat de hoven in deze van de heersende leer afwijkende uitspraken ook weer niet op gelijke wijze afwijken. Hof Den Haag wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling alsnog voor de verzochte duur van een jaar, en dus deels met terugwerkende kracht, toe. 66 Ook hof Arnhem-Leeuwarden in zijn uitspraak uit 2024 wijst het door de kinderrechter afgewezen (verlengings)verzoek alsnog toe voor de verzochte duur van een jaar, en dus deels met terugwerkende kracht. Daarbij laat het hof overigens elke verwijzing naar HR 9 juli 2021 achterwege. 67

8.17

Daar staat tegenover dat hof Arnhem-Leeuwarden in zijn uitspraak uit 2025 – conform de heersende leer, maar zonder expliciete verwijzing naar HR 9 juli 2021 – heeft geoordeeld dat het verlengingsverzoek niet toewijsbaar is, omdat de ondertoezichtstelling van rechtswege is geëindigd. Desondanks stelt het hof de kinderen wel opnieuw onder toezicht, zij het niet met terugwerkende kracht, maar met ingang van de datum van zijn beschikking tot de einddatum van het verlengingsverzoek. 68

8.18

In zijn uitspraak uit 2026 verwijst hof Arnhem-Leeuwarden wel expliciet naar HR 9 juli 2026. Het hof stelt voorop dat volgens deze uitspraak van de Hoge Raad een ondertoezichtstelling in beginsel niet kan worden verlengd na verloop van de duur van die maatregel, waardoor de ondertoezichtstelling daardoor van rechtswege is geëindigd. Tegelijkertijd overweegt het hof ook dat een afwijzing door een hogere rechter moet kunnen worden getoetst en tot een andere beslissing moet kunnen leiden. Van een toetsing komt het in deze uitspraak wel, maar die leidt niet tot een andere uitspraak. Het hof bekrachtigt de afwijzende beslissing van de kinderrechter immers.

8.19

De hoven die een van HR 9 juli 2021 afwijkende koers varen hebben gemeen dat ze overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van een door de kinderrechter afgewezen beslissing van een verzoek tot (verlenging van een) ondertoezichtstelling. Voor zover de hoven anders beslissen dan de kinderrechter doen ze dat echter op uiteenlopende wijzen: met terugwerkende kracht door het alsnog toewijzen van het (verlengings)verzoek voor de volledige verzochte duur en zonder terugwerkende kracht door de inmiddels geëindigde ondertoezichtstelling niet te verlengen, zoals was verzocht, maar door de minderjarigen opnieuw onder toezicht te stellen met ingang van de datum van de beschikking van het hof voor de resterende verzochte duur.

8.20

Deze verschillende wijzen in afdoening worden mijns inziens verklaard door een verschil in uitleg van HR 9 juli 2021. Hof Den Haag en hof Arnhem-Leeuwarden in 2024 lijken van oordeel te zijn dat HR 9 juli 2021 zich niet uitstrekt tot de beoordeling in hoger beroep van een afwijzende beslissing op een verzoek tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling door de kinderrechter. In de beide andere uitspraken van hof Arnhem-Leeuwarden uit 2025 en 2026 lijkt het hof er weer wel van uit te gaan dat HR 9 juli 2021 impliceert dat niet alleen de kinderrechter, maar ook de appelrechter niet een van rechtswege geëindigde ondertoezichtstelling mag verlengen.

9Conclusie

9.1

Ik kom tot een conclusie. De hoven die afwijken van de heersende leer noemen mijns inziens goede en overtuigende argumenten voor het beoordelen in hoger beroep van een afwijzende beslissing van de kinderrechter op een verzoek tot (verlenging van een) ondertoezichtstelling. Voor deze koerswijziging is dan ook terecht steun te vinden in de literatuur en daar sluit ik mij ook bij aan, zoals ik hierna nader zal toelichten. Daarbij is bij mij sprake van voortschrijdend inzicht. Hiervoor (onder 6.11) bleek immers dat ik in 2021 in een combinatie van hof Amsterdam zat die nog uitging van de heersende leer.

Uitleg van HR 9 juli 2021: beperkte strekking

9.2

Ik denk dat het wenselijk is dat HR 9 juli 2021 zo wordt uitgelegd dat deze uitspraak, in dit verband, geen verdere strekking heeft dan dat de kinderrechter niet een inmiddels geëindigde ondertoezichtstelling mag verlengen. 69 Die kinderrechter moet op tijd, dus voor het einde van de duur van de lopende ondertoezichtstelling, beslissen op het verlengingsverzoek. Als dat niet lukt, eindigt de ondertoezichtstelling van rechtswege en rest slechts een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling, aldus HR 9 juli 2021. Dit geldt mijns inziens ook voor een te late afwijzende beslissing van de kinderrechter. In dat geval kan de appelrechter dus niet het te laat afgewezen verzoek alsnog toewijzen in appel en zal de appelrechter appellant niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn hoger beroep tegen de te laat genomen beslissing van de kinderrechter. Te laat is te laat en dat werkt mijns inziens ook in appel door.

9.3

De strekking van HR 9 juli 2021 is mijns inziens echter niet dat de appelrechter na een tijdige, afwijzende beslissing van de kinderrechter op een verzoek tot (verlenging van een) ondertoezichtstelling dat verzoek niet alsnog zou mogen toewijzen, indien aan de gronden daarvoor is voldaan. Op deze wijze kan een van rechtswege geëindigde ondertoezichtstelling door de appelrechter dus wel verlengd worden. De noodgreep van hof Arnhem-Leeuwarden in zijn uitspraak uit 2025 door de kinderen voor de resterende periode opnieuw onder toezicht te stellen is mijns inziens dus niet nodig. 70

9.4

Dat de lopende ondertoezichtstelling inmiddels wel van rechtswege is geëindigd, zal in de praktijk betekenen dat de GI de uitoefening van haar taken op grond van artikel 1:262 BW gestaakt zal hebben. De afwijking van de heersende leer betekent dus dat dan een periode van onzekerheid aanbreekt: wordt hoger beroep ingesteld en zo ja, zal het hof het verzoek alsnog toewijzen? Ook om deze onzekere periode zo kort mogelijk te laten duren, is de voorgestelde verkorting van de appeltermijn van drie maanden naar zes weken in het concept wetsvoorstel Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming toe te juichen.

Toewijzing door appelrechter voor resterende duur: geen terugwerkende kracht

9.5

In geval van het alsnog toewijzen van een verzoek tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling lijkt een toewijzing met terugwerkende kracht me zinloos, aangezien de GI haar taakuitoefening immers gestaakt zal hebben na het van rechtswege eindigen van de ondertoezichtstelling. 71 Er zal bij een toewijzende beslissing in appel dus feitelijk sprake zijn van een breuk in de (verlengde) ondertoezichtstelling. Het verdient mijns inziens de voorkeur dat de uitspraak waarbij de appelrechter het verzoek tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling alsnog toewijst aansluit bij de feitelijke situatie. Dit betekent dat het verzoek door de appelrechter wordt toegewezen met ingang van de datum van zijn beschikking en tot de in het inleidend verzoek verzochte datum. De appelrechter zal dus niet met terugwerkende kracht toewijzen. Zo wordt voorkomen dat achteraf formeel toch iets van de GI verwacht zou worden in de periode tussen het van rechtswege eindigen van de lopende ondertoezichtstelling en de datum van de beschikking van het hof. En ook worden eventuele activiteiten van de GI die na het van rechtswege eindigen van de lopende ondertoezichtstelling zonder grond toch hebben plaatsgevonden niet achteraf alsnog gelegitimeerd.

9.6

Uit het voorgaande vloeit voort dat een door de kinderrechter afgewezen verzoek tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling in appel alsnog kan worden toegewezen, indien de kinderrechter zijn beslissing tijdig heeft genomen en indien op het moment van beslissen door het hof de verzochte duur nog niet is verstreken.

Artikel 1:265j lid 3 BW: advies van de raad na twee jaar of langer ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing

9.7

In geval van het alsnog toewijzen van een verzoek tot verlenging door de appelrechter is dus feitelijk sprake van een kortere periode, vanwege de breuk in de verlengde ondertoezichtstelling. De vraag rijst wat dit betekent voor het voorschrift van artikel 1:265j lid 3 BW. Deze bepaling schrijft voor dat indien een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd, het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de GI vergezeld moet gaan van een advies van de raad. Enerzijds is er uit praktische overwegingen wat voor te zeggen dat in dit geval voor de berekening van de tweejaarstermijn bepalend is wat is verzocht (dus de gehele verzochte duur van verlenging) en niet wat uiteindelijk daadwerkelijk is toegewezen (te weten, de resterende verzochte duur vanaf de datum beschikking in appel). Anderzijds kan een dergelijke berekening ertoe leiden dat ouders in werkelijkheid nog onvoldoende tijd hebben gehad om bijvoorbeeld verbetering te laten zien. Ik denk dat dit laatste argument doorslaggevend is om bij de berekening of al sprake is van twee jaar ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing uit te gaan van de daadwerkelijk toegewezen duur.

9.8

Overigens blijkt uit mijn jurisprudentieonderzoek dat het in slechts één van de 24 zaken ging om de afwijzing van verzoek tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing. 72 In alle andere gevallen ging het om een afgewezen verlenging van een ondertoezichtstelling. Dit strookt weer met de bevinding dat de zaken waarin een ondertoezichtstelling niet door de kinderrechter wordt verlengd vaak conflictscheidingszaken betreffen waarbij alleen een ondertoezichtstelling en niet ook een machtiging uithuisplaatsing speelt. In de zaken waar de prejudiciële vragen op zien, zal artikel 1:265j lid 3 BW derhalve niet snel aan de orde zijn.

Voorwaardelijk nieuw verzoek

9.9

In de onderhavige zaak heeft de vader naast een verlengingsverzoek een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling gedaan. Zoals ik hiervoor al schreef, was dat in dit specifieke geval niet onbegrijpelijk, gelet op de korte periode die nog resteerde tussen de datum van indiening van het verzoek (27 maart 2025) en de datum tot wanneer de ondertoezichtstelling liep (tot 6 april 2025). Een dergelijk nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling moet in deze context als een voorwaardelijk verzoek beschouwd worden: slechts indien de kinderrechter niet tijdig op het verlengingsverzoek kan beslissen, zal de kinderrechter het nieuwe verzoek tot ondertoezichtstelling beoordelen. De kinderrechter kan een verzoeker dus ontvangen in dit voorwaardelijke nieuwe verzoek tot ondertoezichtstelling.

9.10

Indien de kinderrechter wel tijdig, toewijzend of afwijzend, beslist op het verlengingsverzoek, is aan de voorwaarde voor het in behandeling nemen van nieuwe verzoek tot ondertoezichtstelling niet voldaan. Als de kinderrechter het verlengingsverzoek tijdig heeft afgewezen, kan verzoeker in hoger beroep komen van de afwijzende beslissing op het verlengingsverzoek, zodat verzoeker dan ook geen belang heeft bij het nieuwe verzoek tot ondertoezichtstelling.

9.11

In het onderhavige geval heeft de vader dus eigenlijk op het verkeerde paard gewed door alleen tegen de afwijzing van het verzoek tot het opnieuw onder toezicht stellen van de kinderen te appelleren. Omdat de kinderrechter tijdig heeft beslist op het verlengingsverzoek, moet aangenomen worden dat de kinderrechter niet is toegekomen aan het, mijns inziens, voorwaardelijke nieuwe verzoek tot ondertoezichtstelling. De voorwaarde voor het nieuwe verzoek (te laat beslissen op het verlengingsverzoek) is immers niet vervuld.

9.12

Van de afwijzing van het verlengingsverzoek had de vader wel in appel kunnen gaan, maar dat heeft hij niet gedaan. Het hof vat het nieuwe verzoek tot ondertoezichtstelling op als een ‘verkapt verlengingsverzoek’. 73 Ik zou het hof willen uitnodigen het appel van vader op te vatten als gericht tegen het verlengingsverzoek, nu de vader juist vanwege de door het hof aangehangen heersende leer hoger beroep tegen de afwijzing van zijn verlengingsverzoek achterwege had gelaten. Anderzijds is in deze zaak de verzochte verlengingsduur inmiddels op 6 april 2026 is verstreken. Het hof kan het verlengingsverzoek dus niet meer toewijzen. Het draait in deze zaak mijns inziens dus echt om de prejudiciële vragen zelf. Ik ga nu dan ook over tot de beantwoording daarvan.

10Beantwoording van de vragen

10.1

De eerste vraag stelt aan de orde of een belanghebbende kan worden ontvangen in een (al dan niet voorwaardelijk) verzoek tot ondertoezichtstelling van een minderjarige (op grond van artikel 1:255 BW) die reeds onder toezicht is gesteld, indien dit verzoek gelijktijdig wordt gedaan met het verzoek tot verlenging van de reeds lopende ondertoezichtstelling (op grond van artikel 1:260 BW) , en of het voor de beantwoording van die vraag van belang is of aan beide verzoeken dezelfde motivering ten grondslag wordt gelegd.

10.2

Het antwoord op deze eerste vraag luidt als volgt. In eerste aanleg kan naast een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling een voorwaardelijk nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling gedaan worden. De voorwaarde voor het in behandeling nemen van het voorwaardelijke verzoek door de kinderrechter is dat op het verlengingsverzoek niet voor het einde van de duur van de bestaande ondertoezichtstelling is beslist. Dan eindigt de bestaande ondertoezichtstelling immers van rechtswege. In dat geval kan wel een nieuw verzoek ingediend worden, aldus HR 9 juli 2021. De kinderrechter kan verzoeker dus in beide verzoeken ontvangen. Daarbij is niet van belang of aan beide verzoeken dezelfde motivering ten grondslag ligt. Van een vergelijkbare onderbouwing van beide verzoeken zal, neem ik aan, doorgaans wel sprake zijn, omdat beide verzoeken immers gericht zijn op het voortduren van de ondertoezichtstelling.

10.3

Wanneer de kinderrechter tijdig (dus voor het einde van de lopende ondertoezichtstelling) op het verlengingsverzoek heeft beslist, is de voorwaarde niet vervuld en komt de kinderrechter niet toe aan de behandeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling. In hoger beroep zal het voorwaardelijke verzoek dan dus niet aan de orde komen. Van zowel de tijdige toewijzing als een afwijzing van het verlengingsverzoek kan wel hoger beroep ingesteld worden (zie ook hierna in het bijzonder de beantwoording van vraag 2).

10.4

De tweede vraag stelt aan de orde of de gevolgtrekking die de meeste hoven aan HR 9 juli 2021 74 geven, te weten dat ook in hoger beroep een ondertoezichtstelling die van rechtswege is geëindigd niet meer kan worden verlengd, de juiste is, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat de situatie die heeft geleid tot genoemde uitspraak van de Hoge Raad niet een situatie in hoger beroep, maar een situatie in eerste aanleg betrof.

10.5

Het antwoord op deze vraag luidt als volgt. HR 9 juli 2021 moet mijns inziens zo uitgelegd worden dat deze uitspraak, in dit verband, geen verdere strekking heeft dan dat de kinderrechter, in eerste aanleg dus, een inmiddels geëindigde ondertoezichtstelling niet mag verlengen. Bij deze beperkte uitleg van HR 9 juli 2021 staat deze uitspraak het in hoger beroep toetsen van een door de kinderrechter tijdig 75 genomen afwijzende beslissing op een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling niet in de weg. Daarbij kan de appelrechter tot een andersluidend oordeel komen en het verlengingsverzoek alsnog toewijzen voor de op dat moment resterende verzochte duur, ook al is de lopende ondertoezichtstelling inmiddels geëindigd.

10.6

De derde vraag en de vierde vraag hangen samen met de tweede vraag. De derde vraag stelt aan de orde of een belanghebbende kan worden ontvangen in zijn verzoek in hoger beroep tegen een beslissing van de kinderrechter waarbij het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling is afgewezen, nadat de ondertoezichtstelling van rechtswege is geëindigd na de beslissing van de kinderrechter, maar voor de beslissing van het hof. In verband daarmee stelt de vierde vraag aan de orde of het daarbij van belang is of een belanghebbende hoger beroep instelt terwijl op dat moment de ondertoezichtstelling nog niet, maar gedurende de procedure in hoger beroep (vóór de beschikking van het hof) van rechtswege is geëindigd.

10.7

Het antwoord op deze vragen luidt als volgt. Uit het antwoord op de tweede vraag volgt dat een belanghebbende ontvangen kan worden in zijn hoger beroep tegen een afwijzende beslissing van de kinderrechter op een verlengingsverzoek, ook al is de lopende ondertoezichtstelling inmiddels geëindigd (derde vraag). Daarbij is niet vereist en ook overigens niet van belang of de ondertoezichtstelling waarvan verlenging wordt verzocht nog niet geëindigd was op het moment dat hoger beroep werd ingesteld (vierde vraag).

10.8

De vijfde vraag stelt aan de orde of er een verschil in rechtsbescherming bestaat voor een belanghebbende in het geval een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling (gedeeltelijk) is afgewezen of in het geval een verzoek tot een eerste ondertoezichtstelling gedeeltelijk is afgewezen.

10.9

Naar ik begrijp is de achtergrond van deze vraag het verschil tussen de heersende leer bij de hoven enerzijds 76 en de daarvan afwijkende uitspraak van hof Den Haag die alsnog het door de kinderrechter afgewezen deel van de eerste ondertoezichtstelling in hoger beroep heeft toegewezen anderzijds. 77

10.10

Daarvan uitgaand luidt het antwoord op deze vraag als volgt. Dat bedoelde verschil in rechtsbescherming bestaat mijns inziens niet. Het maakt voor de mogelijkheid van hoger beroep niet uit of de lopende ondertoezichtstelling is geëindigd, omdat het verzoek tot verlenging door de kinderrechter geheel of gedeeltelijk is afgewezen of omdat de resterende duur van een eerste ondertoezichtstelling na aanhouding is afgewezen door de kinderrechter. In beide gevallen kan van de afwijzende beslissing in appel gekomen worden en kan hof het verzoek alsnog voor de op het moment van de beschikking van het hof resterende duur toewijzen. HR 9 juli 2021 staat immers, anders dan in de heersende leer wordt aangenomen, een toewijzing van een verlengingsverzoek door de appelrechter niet in de weg als de ondertoezichtstelling inmiddels is geëindigd.

10.11

De zesde vraag luidt of een ondertoezichtstelling die van rechtswege is geëindigd met terugwerkende kracht alsnog kan ‘herleven’ bij een gegrond hoger beroep tegen de afwijzing van een deel daarvan in eerste aanleg en of het daarbij uitmaakt of het in eerste aanleg hierbij ging om een eerste ondertoezichtstelling of om een verlenging van een ondertoezichtstelling.

10.12

Het antwoord op deze vraag luidt als volgt. Het hof kan voor de op het moment van zijn beslissing resterende verzochte duur een door de kinderrechter afgewezen verzoek alsnog toewijzen, ook al is de lopende ondertoezichtstelling inmiddels van rechtswege geëindigd. Omdat het hof het verzoek alsnog toewijst voor de resterende verzochte periode vanaf de datum van zijn beschikking, is niet sprake van terugwerkende kracht. Wel zou gezegd kunnen worden dat de ondertoezichtstelling daarmee ‘herleeft’, nu deze immers van rechtswege was geëindigd. Daarbij maakt het niet uit of het om een door de kinderrechter afgewezen verlengingsverzoek gaat of om een afwijzing door de kinderrechter voor de resterende duur van een eerste ondertoezichtstelling na aanhouding. Ook hier geldt immers weer dat HR 9 juli 2021 een toewijzing van een verlengingsverzoek door de appelrechter niet in de weg staat als de ondertoezichtstelling inmiddels is geëindigd.

11Conclusie

De conclusie strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen als hiervoor onder 10.2-10.3, 10.5, 10.7, 10.10 en 10.12 vermeld.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1

De feiten zijn ten eerste ontleend aan de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 april 2025 en op schrift gesteld op 18 april 2025 zaaknummer C/02/433530 / JE RK 25-560, r.o. 2.1- 2.3 en r.o. 5.3. De uitspraak is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl. De feiten zijn verder ontleend aan de tussenbeschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 20 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3328, r.o. 3.1 t/m 3.3 en r.o. 4.5.5.

3

Deze brief bevindt zich in het procesdossier.

4

Ook deze brief bevindt zich in het procesdossier.

6

ECLI:NL:HR:2021:1113, NJ 2021/2593.

7

Recht doen aan ouders en kinderen. Rapport van de reflectiecommissie familie- en jeugdrechters van de rechtbanken en de gerechtshoven, Den Haag: LOVF en LOVF-H 2023.

8

Dit concept wetsvoorstel is op 19 december 2024 in internetconsultatie gebracht en te raadplegen via www.internetconsultatie.nl. De consultatiefase liep tot 19 maart 2025. Het streven is het wetsvoorstel Het wetsvoorstel wordt nu voorbereid en het streven is om het voorstel nog dit voorjaar ter advisering voor te leggen aan de Raad van State, aldus de minister van Justitie en Veiligheid, mede namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in het jaarverslag van het ministerie van Justitie en Veiligheid over het jaar 2025 (publicatiedatum 20 mei 2026), Kamerstukken II 2025/2026, 31 839, nr. 1089, 36 945 VI, nr. 1.

9

ECLI:NL:HR:2021:1113, NJ 2021/2593.

10

M.R. Bruning e.a., Jeugdrecht en jeugdhulp, Den Haag: Sdu 2024, p. 291.

11

Deze rangorde is ingevoerd door de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen, wet van 12 maart 2014, Stb. 2014,130 (inwerkingtreden 1 januari 2015). Zie in dit verband ook Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 12-13.

12

K.A.M. van der Zon, GS Personen- en familierecht, art. 1:255 BW, aant. 8.1 (actueel t/m 11-03-2025). Daarin wordt voor wat betreft laatstgenoemde punt verwezen naar Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3 (MvT).

13

Zie par. 3.4.5 en p. 30 van de concept Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel ‘Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming’.

14

Kamerstukken I 1994/95, 23003, nr. 58b, p. 4.

15

Kamerstukken I 1994/95, 23003, nr. 58b, p. 4 (MvA I).

16

K.A.M. van der Zon, GS Personen- en familierecht, art. 1:265j BW, aant. 4 (actueel t/m 11-03-2025).

17

Zie ook Kamerstukken II 2012/13, 33684, nr. 3 (MvT). In de onderhavige zaak duurde het echter aanzienlijk langer dan één week.

18

Zie ook M.R. Bruning, T&C BW, commentaar op art. 1:265j BW (actueel t/m 01-03-2026) en K.A.M. van der Zon, GS Personen- en familierecht, art. 1:265j BW, aant. 7 (actueel t/m 11-03-2025).

19

Op grond van art. 2.4.11, onder a en b, Procesreglement Procesreglement Civiel jeugdrecht rechtbanken geldt eenzelfde termijn voor de indiening van een verzoek tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing.

20

Ik ga uit van de meest recente versies van de Procesreglementen familie- en jeugdrecht rechtbanken, dus de versie die geldt vanaf 1 juli 2026, te raadplegen via www.rechtspraak.nl. Zie voor het verzoek tot verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing de dienovereenkomstige bepalingen van art. 2.4.11, onder a en b, Procesreglement Civiel jeugdrecht rechtbanken. In het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, 17e versie vanaf 1 januari 2026, komen dergelijke bepalingen niet voor.

21

Zie in dit verband de conclusie van voormalig plaatsvervangend P-G Langemeijer van 12 maart 2021, ECLI:NLPHR:2021:263 onder 2.5, voor HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1113, NJ 2021/2593.

22

Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/2.

23

K.A.M. van der Zon, GS Personen- en familierecht, art. 1:260 BW, aant. 9.4 (actueel t/m 11 maart 2025).

24

Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/9.

25

Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/9, waarin op dit punt wordt verwezen naar de noot onder HR 1 februari 2002, NJ 2003/655.

26

Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/9.

27

EHRM 7 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0607JUD000027705 (STS/Nederland), RFR 2011/92.

28

HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2292, NJ 2011/390, m.nt. S.F.M. Wortmann, JVggz 2011/28, m.nt. W. Dijkers.

29

HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5151, NJ 2011/596, m.nt S.F.M. Wortmann.

30

HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6484 (rov. 3.3).

31

ECLI:NL:PHR:2012:BW5356.

32

Zie in dit verband de conclusie A-G Ibili van 13 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:246, onder 3.7 (onder verwijzing naar twee uitspraken van gerechtshoven).

33

Zie in dit verband ook HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91, NJ 2014/154 m.nt. S.F.M. Wortmann, JIN 2014/33 m.nt. M.M. Schouten.

34

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 20 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3328, r.o. 4.5.7.

35

Kamerstukken I 1994/95, 23003, nr. 58b, p. 4.

36

HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1113, NJ 2021/2593, r.o. 3.2.

37

De tussenbeschikking van 20 november 2025 van het hof in deze prejudiciële procedure, r.o. 4.5.7 en 4.5.9.

38

Hof Amsterdam 20 september 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2970; Hof ‘s-Hertogenbosch 14 april 2022, ECLI:NL:GHSHE:1212-2020 (cluster van negen uitspraken); Hof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3316; Hof ‘s-Hertogenbosch 28 april 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1385; Hof Arnhem-Leeuwarden 21 juli 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6361; Hof Arnhem-Leeuwarden 25 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3607; Hof Den Haag 17 april 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:692; Hof ‘s-Hertogenbosch 2 mei 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1552; Hof Amsterdam 4 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1615; Hof Amsterdam 6 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2483; Hof ‘s-Hertogenbosch 27 februari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:571; Hof Amsterdam 8 april 2025, ECLI:NL:HR:GHAMS:2025:912; Hof ‘s-Hertogenbosch 5 juni 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1562; Hof Arnhem-Leeuwarden 29 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4815; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5326; Hof ’s-Hertogenbosch 13 april 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1167.

39

Hof Den Haag 21 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1483 en Hof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2026, ECLI:NL GHARL:2026:1449.

40

Hof Arnhem-Leeuwarden 11 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:602, hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3067 en hof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1851.

41

Zie voetnoot 38.

43

Hof ’s-Hertogenbosch 13 april 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1167.

44

Hof Amsterdam 20 september 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2970.

45

Hof Den Haag 21 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1483.

46

Hof Arnhem-Leeuwarden 17 september 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5871, JPF 2025/51, m.n.t P. Vlaardingerbroek. Deze uitspraak maakt geen onderdeel uit van de hiervoor uitspraken die ik heb gevonden op basis van de zoekterm ‘ECLI:NL:HR:2021:1113’. De uitspraak is wel opgenomen in de tussenbeschikking van het hof van 20 november 2025.

47

Hof Arnhem-Leeuwarden 3 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4094. De moeder heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. In die zaak heeft A-G Ibili op 13 maart 2026 een conclusie genomen, ECLI:NL:PHR:2026:246, strekkende tot vernietiging van de beschikking van het hof.

Ook deze uitspraak maakt geen onderdeel uit van de uitspraken die ik heb gevonden op basis van de zoekterm ‘ECLI:NL:HR:2021:1113’. De uitspraak is wel opgenomen in de tussenbeschikking van het hof van 20 november 2025. Uit de tussenbeschikking van het hof van 20 november 2025 (r.o. 4.5.9) volgt dat het hof nog een beschikking heeft gegeven op 3 juli 2025, met nummer: ECLI:NL:GHARL:2025:4096. Deze uitspraak is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.

48

Zie bijv. FJR 2025/24, par. 3 en FJR 2026/28, par. 3.

50

FJR 2025/24, par. 3.

51

Hof Arnhem-Leeuwarden 17 september 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5871, JPF 2025/51, m.n.t P. Vlaardingerbroek.

52

K.A.M. van der Zon, GS Personen- en familierecht, art. 1:260 BW, aant. 5 (actueel t/m 11 maart 2025).

53

Vgl. K.A.M. van der Zon, GS Personen- en familierecht, art. 1:260 BW, aant. 9.4 (actueel t/m 11 maart 2025). waarin zij niet rept over deze mogelijkheid tot hoger beroep van een afwijzende verlengingsbeslissing en K.A.M. van der Zon, GS Personen- en familierecht art. 1:265c BW, aant. 7 (actueel t/m 11 maart 2025), waarin zij, ook in appel, weer onverkort lijkt uit te gaan van een verbod op ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing met terugwerkende kracht.

54

Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/406 (01-01-2026)

55

Hof Arnhem-Leeuwarden 11 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:602, hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3067 en hof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1851.

56

Hof Amsterdam 14 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1242.

57

Waarvan één zaak dus niet gepubliceerd is en ik afga op de weergave daarvan in de tussenbeschikking van 20 november 2025 (r.o. 4.5.9) van het hof in deze prejudiciële procedure.

58

ECLI:NL:GHARL:2024:5871 en GHARL:2025:4094.

62

ECLI:NL:GHARL:2025:4094 en de niet-gepubliceerde uitspraak GHARL:2025:4096.

65

Fysiek horen heeft immers de voorkeur, zie HR 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:902, JIN 2025/103, m.nt. I.W. van Osch, JBPr 2026/18, m.nt. mr. D.J. Beenders, mr. J.P.C. Interfurth Alberts, r.o. 3.2.6.

67

ECLI:NL:GHDHA:2024:1483 en ECLI:GHARL:2024:5871.

68

ECLI:NL:GHARL:2025:4094. De moeder heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. In die zaak heeft A-G Ibili op 13 maart 2026 een conclusie genomen, ECLI:NL:PHR:2026:246, strekkende tot vernietiging van de beschikking van het hof. Kennelijk heeft het hof ook zo geoordeeld in de niet-gepubliceerde uitspraak van dezelfde datum, ECLI:NL:GHARL:2025:4096.

69

Ik meen voor deze uitleg steun te vinden in Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/406 (01-01-2026).

71

Zoals ook blijkt in de onderhavige zaak: gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 20 november 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3328, r.o. 4.4.

72

ECLI:NL:SHE:2023:1167.

73

De tussenbeschikking van 20 november 2025, r.o. 4.5.

75

Voor een niet-tijdige afwijzende beslissing van de minderrechter geldt mijns inziens immers ook HR 9 juli 2021: de kinderrechter moet op tijd beslissen, zo niet eindigt de ondertoezichtstelling van rechtswege en rest slechts een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling. In dit geval kan de appelrechter dus niet het te laat afgewezen verzoek alsnog toewijzen in appel. Te laat is te laat.

76

Zie hiervoor onder 6.3 e.v.

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733