Terug naar de uitspraak

Parket bij de Hoge Raad 08-05-2026, ECLI:NL:PHR:2026:469

Datum publicatie13-05-2026
Zaaknummer25/03466
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht. Titel 6 Rechten/verplichtingen echtgenoten. Vergoedingsrechten art. 1:87. Titel 8 Huwelijksvoorwaarden
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Vrouw stelt dat huwelijkse voorwaarden buiten beschouwing moeten worden gelaten op grond van wilsontbreken, dwaling en/of redelijkheid en billijkheid. Heeft notaris zijn zorgplicht geschonden? Passeren bewijsaanbod. Vergoedingsrecht.]

Volledige uitspraak


PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/03466

Zitting 8 mei 2026

CONCLUSIE

S.E. Bartels

In de zaak

[de vrouw] ,

tegen

[de man] .

Partijen worden hierna verkort aangeduid als de vrouw (verzoekster tot cassatie) respectievelijk de man (verweerder in cassatie).

1Inleiding

Partijen waren met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Die houden in dat elke gemeenschap van goederen is uitgesloten en dat de echtgenoten zich verplichten om over elk kalenderjaar hun overgespaarde inkomsten samen te voegen ter verdeling bij helfte. In één van de artikelen is bepaald dat verrekening van overgespaarde inkomsten jegens de andere echtgenoot achterwege blijft als de echtgenoot die tot verrekening verplicht is, een onderneming drijft. In deze procedure stelt de man in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dat hij tijdens het huwelijk van zijn schoonvader de aandelen in een verwarmingsbedrijf heeft overgenomen en dat die buiten de verrekening moeten blijven. De vrouw stelt – samengevat - dat de huwelijkse voorwaarden buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat partijen zich van de inhoud daarvan niet bewust waren, dan wel dat hun werkelijke bedoeling niet overeenkwam met de tekst van de huwelijkse voorwaarden. Rechtbank en hof hebben dit standpunt verworpen. Het hof heeft geoordeeld dat de kans dat partijen niet op de hoogte waren van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden nihil is, dan wel zeer klein, en dat de notaris die de akte heeft gepasseerd aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Het hof heeft verder geoordeeld dat de uitwerking van de huwelijkse voorwaarden niet tot een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare uitkomst leidt. Het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat de zorgplicht van de notaris meebrengt dat hij de betrokken partijen uitleg geeft over de inhoud en strekking van de huwelijkse voorwaarden, en hen zo nodig waarschuwt, dat dit in dit geval niet is gebeurd en dat het hof ten onrechte een door de vrouw gedaan bewijsaanbod heeft gepasseerd. Het middel klaagt verder dat het hof bij zijn beoordeling naar redelijkheid en billijkheid ten onrechte niet heeft betrokken de stelling van de vrouw dat het onderling overeenstemmende gedrag van partijen afweek van de huwelijkse voorwaarden. Het middel komt tot slot op tegen de afwijzing van het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen om aan haar een bepaalde vergoeding te betalen. Alleen het laatste middel slaagt mijns inziens.

2Feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, die zijn ontleend aan r.o. 3.2 en 3.3 van de bestreden beschikking van het hof Den Haag van 25 juni 2025. 1

2.1

Partijen zijn met elkaar gehuwd in 2003. Hun huwelijk is in 2024 ontbonden.

2.2

Partijen waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. In de huwelijkse voorwaarden zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

Algehele uitsluiting

Artikel 1

De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

(…)

Vergoedingen

Artikel 3

De echtgenoten zijn, voorzover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking.

Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar.

(…)

Verrekening van inkomsten

Artikel 8

1. De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hun overgespaarde inkomsten samen te voegen ter verdeling bij helfte.

2. Onder overgespaarde inkomsten wordt hier verstaan de in artikel 5 gedefinieerde inkomsten verminderd met de door de desbetreffende echtgenoot verrichte uitgaven.

3. De verplichting tot verrekening heeft uitsluitend betrekking op inkomsten die de echtgenoten tijdens het bestaan van de verrekenplicht hebben verkregen.

De verplichting tot verrekening heeft geen betrekking op inkomsten die moeten worden beschouwd als vruchten van vermogen dat door de echtgenoten ten huwelijk is aangebracht of dat krachtens erfopvolging, making of gift is verkregen of op vruchten die worden verkregen uit voor dat vermogen in de plaats getreden goederen.

(…)

Artikel 10

1. Het recht tot het vorderen van deling vervalt in geval van ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed indien deze niet heeft plaatsgehad of (schriftelijk) gevorderd is binnen een jaar te rekenen vanaf de tijdstippen zoals die in artikel 6 lid 3 zijn vastgesteld.

2. Het rechtsvermoeden van artikel 1:141 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek dat bij het einde van het huwelijk het alsdan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, zulks indien alsdan aan de periodieke verrekenplicht niet is voldaan, is niet van toepassing.

3. Ingeval de echtgenoot die tot verrekening verplicht is een onderneming drijft blijft de verrekening jegens de andere echtgenoot achterwege.

Onder onderneming is tevens begrepen een in de vorm van een besloten vennootschap of andere rechtspersoon gedreven onderneming, waarin de desbetreffende echtgenoot de zeggenschap heeft hetzij direct hetzij indirect.”

3. Procesverloop 2

In eerste aanleg

3.1

De man heeft op 11 mei 2023 de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken.

3.2

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend. Daarin heeft zij zelfstandig verzocht om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. De vrouw heeft daarnaast verschillende nevenverzoeken ingediend.

3.3

Met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime heeft zij, na wijziging van eis, verzocht:

primair:

de verdeling van de huwelijksgemeenschap waarin partijen zijn gehuwd vast te stellen, overeenkomstig een door de vrouw nog op te stellen verdeling, met als peildatum 11 mei 2023;

subsidiair:

een verklaring voor recht te geven dat de huwelijkse voorwaarden van partijen zijn vernietigd of worden vernietigd en te bepalen dat tussen partijen moet worden verdeeld, omdat er een huwelijksgemeenschap tussen partijen was, waartoe de vrouw een voorstel zal indienen nadat zij van de man een volledige opstelling van alle posten van het huwelijksvermogen heeft verkregen, met als peildatum 11 mei 2023;

meer subsidiair:

een verklaring voor recht te geven dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden is vernietigd of wordt vernietigd, zodat de overgespaarde inkomsten van partijen alsnog moeten worden verrekend over de periode van 29 augustus 2003 tot 1 december 2022.

3.4

Aan haar primaire verzoek heeft de vrouw ten grondslag gelegd dat partijen hebben samengeleefd alsof er tijdens het huwelijk (en de samenwoning van partijen) een gemeenschap van goederen is geweest en dat daarom de huwelijksgemeenschap moet worden verdeeld. Partijen, zo stelt de vrouw, waren zich niet bewust van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden en hebben vanaf dag één van hun huwelijk geleefd en gehandeld alsof er een gemeenschap van goederen was. 3 In het kader van haar subsidiaire verzoek heeft de vrouw aangevoerd dat de artikelen 8 en 10 van de huwelijkse voorwaarden onderling tegenstrijdig zijn en met betrekking tot het meer subsidiaire verzoek heeft zij gesteld dat de man er niet op mocht vertrouwen dat haar wil was gericht op het rechtsgevolg van artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden, zodat dit artikel is vernietigd of wordt vernietigd en alsnog de overgespaarde inkomsten moeten worden verrekend. 4

3.5

De vrouw heeft de rechtbank verder – naast haar verzoeken met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap - verzocht de man te veroordelen om aan haar € 22.000,- te betalen. Zij stelt daartoe dat zij in december 2007 een schenking van haar vader onder uitsluitingsclausule heeft gekregen en dat de gelden van die schenking door de man zijn aangewend ter volstorting van de aandelen van een door hem opgerichte persoonlijke holding. De vrouw stelt dat de gelden niet aan haar zijn terugbetaald en dat daarmee een vergoedingsrecht voor haar is ontstaan op grond van het bepaalde in art. 1:87 BW. 5

3.6

De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime en de vergoedingsrechten afgesplitst van de behandeling van de verzoeken tot echtscheiding en de verzoeken om andere nevenvoorzieningen. 6

3.7

Bij beschikking van 5 juli 2024 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en op veel nevenverzoeken van partijen een beslissing gegeven. De rechtbank heeft de beslissingen met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime en de vergoedingsrechten aangehouden.

3.8

Bij beschikking van 16 augustus 2024 7 heeft de rechtbank de hiervoor in randnummer 3.2 weergegeven verzoeken van de vrouw afgewezen. De rechtbank overwoog met betrekking tot het primaire verzoek:

“2.1.12. De rechtbank is van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde gronden niet leiden tot het door haar gewenste rechtsgevolg, te weten dat de huwelijkse voorwaarden buiten beschouwing moeten worden gelaten en er sprake is van een huwelijksgemeenschap die moet worden verdeeld. Wanneer tussen partijen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen waarbij elke gemeenschap van goederen is uitgesloten, kan een andersluidende partijbedoeling, die een stilzwijgend gesloten overeenkomst tussen de echtgenoten zou inhouden niet in de plaats treden van die voorwaarden zonder dat deze in een notariële akte tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden is vastgelegd. Een dergelijke gemeenschappelijke partijbedoeling die een stilzwijgend gesloten overeenkomst tussen echtgenoten inhoudt, moet ook worden aangemerkt als huwelijkse voorwaarden in de zin van artikel 1:114 BW. Wel kunnen partijen hetzij in die huwelijkse voorwaarden, hetzij bij echtscheidingsconvenant en dus in onderling overleg, overeenkomen dat zij bij ontbinding van het huwelijk zullen afrekenen alsof tussen hen een gemeenschap van goederen bestond. Dat laatste is niet gesteld en gebleken. Ook kan het zo zijn dat een – als gevolg van tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden – geldende regel buiten toepassing moet blijven wanneer toepassing van die regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, waarbij de rechtbank de nodige terughoudendheid moet betrachten. Daarbij kan betekenis toekomen aan onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk, dat afweek van de huwelijkse voorwaarden. Op diegene die zich beroept op het buiten toepassing laten van een of meerdere regels die zijn overeengekomen in de huwelijkse voorwaarden rust de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast. De stelling van de vrouw dat partijen zich niet bewust zijn geweest van de huwelijkse voorwaarden en dat zij vanaf dag één van hun huwelijk hebben geleefd en gehandeld alsof er een gemeenschap van goederen was, is na betwisting hiervan door de man, onvoldoende voor het oordeel dat toepassing van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het primaire verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen.”

3.9

De rechtbank heeft met betrekking tot het subsidiaire en het meer subsidiaire verzoek van de vrouw als volgt overwogen:

“2.1.15. De rechtbank oordeelt eerst over het gedeelte van het verzoek van de vrouw voor zover dit ziet op de zinssnede dat de huwelijkse voorwaarden zijn vernietigd of dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden is vernietigd. Het lijkt erop dat de vrouw hiermee bedoelt te stellen dat de huwelijkse voorwaarden al zijn vernietigd of dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden al is vernietigd. Een rechtshandeling kan onder andere vernietigd worden buiten de rechtbank om door een buitengerechtelijke vernietiging op grond van artikel 3:50 BW. Een buitengerechtelijke verklaring die strekt tot vernietiging van een rechtshandeling heeft slechts het daarmee beoogde rechtsgevolg wanneer voldaan is aan de eisen die voor de ingeroepen vernietigingsgrond gelden. Niet gesteld en gebleken is dat de vrouw de huwelijkse voorwaarden buitengerechtelijk heeft vernietigd en op welke rechtsgrond(en) zij dit dan zou hebben gedaan. De verzoeken van de vrouw om een verklaring voor recht af te geven dat de huwelijkse voorwaarden zijn vernietigd of dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden is vernietigd, zal dus worden afgewezen.

2.1.16.

Vervolgens oordeelt de rechtbank over het gedeelte van het verzoek van de vrouw voor zover dit ziet op de zinssnede dat de huwelijkse voorwaarden worden vernietigd of dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden wordt vernietigd. De vrouw neemt in haar processtukken veel stellingen in die door de man worden betwist. Zo stelt de vrouw dat bij de uitleg van de huwelijke voorwaarden en de bedoeling van partijen bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden het Haviltex-criterium moet worden toegepast. Wat hier ook van zij, zoals de vrouw al stelt, het Haviltex-criterium ziet op de uitleg van de huwelijkse voorwaarden en de bedoeling van partijen bij het opstellen van deze voorwaarden. Daarop ziet dit verzoek van de vrouw niet. Zij heeft geen grond(en) voor de vernietiging van de huwelijkse voorwaarden of vernietiging van artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden gesteld. Het had op de weg van de vrouw gelegen om in haar vele stellingen een rechtsgrond in te nemen. De rechtbank ziet in de gestelde feiten geen rechtsgrond die kan leiden tot een vernietiging. De verzoeken van de vrouw om een verklaring voor recht af te geven dat de huwelijkse voorwaarden worden vernietigd of dat artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden wordt vernietigd zodat de overgespaarde inkomsten van partijen alsnog moeten worden verrekend, worden afgewezen. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan een bewijsopdracht.”

3.10

De rechtbank heeft verder het hiervoor in randnummer 3.4 weergegeven verzoek van de vrouw afgewezen. De rechtbank overwoog daartoe:

“2.2.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw gelden van haar vader geschonken heeft gekregen. Of de vrouw de schenkingen wel of niet onder uitsluitingsclausule geschonken heeft gekregen doet er niet toe, omdat partijen onder het maken van huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd. Gelet op het verweer van de man is uit verifieerbare bescheiden echter niet gebleken dat de geschonken gelden zijn aangewend ter volstorting van de aandelen van de door de man opgerichte holding. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de vrouw op grond van artikel 1:87 BW een vergoedingsrecht heeft op de man. Voor zover de vrouw heeft willen stellen dat de aandelen zijn volgestort met overgespaard inkomen, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Immers, de huwelijkse voorwaarden zijn of worden niet vernietigd en verrekening van overgespaard inkomen wordt op grond van artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden uitgesloten. Het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.” 8

In hoger beroep

3.11

De vrouw is van de beschikking van 16 augustus 2024 in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof). Zij heeft, voor zover in cassatie van belang, verzocht die beschikking te vernietigen, en:

I. ten aanzien van de huwelijkse voorwaarden

primair: te verklaren voor recht dat de tussen partijen op 28 augustus 2003 overeengekomen huwelijkse voorwaarden vernietigd zijn, dan wel worden vernietigd en vast te stellen dat er tussen partijen een pseudo gemeenschap is ontstaan, waarin alle vermogensbestanddelen, toebehorende aan de ene echtgenote en de andere echtgenoot, bij helfte te verdelen dan wel te verrekenen, volgens een volledig overzicht van het te verrekenen huwelijkse vermogen, met als peildatum 11 mei 2023, waarbij dan in ieder geval de echtelijke woning wordt toebedeeld aan de vrouw en de aandelen van de ondernemingen worden toebedeeld aan de man, en een verdeling van de (waarden van de) overige bestanddelen, met verrekening van de waarden;

subsidiair: te verklaren voor recht dat de tussen partijen op 28 augustus 2003 overeengekomen huwelijkse voorwaarden zijn dan wel worden vernietigd op grond van innerlijke tegenstrijdigheid en/of op grond van het niet in overeenstemming zijn van die voorwaarden met de bedoeling van partijen en er wordt afgerekend tussen partijen alsof zij in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, dan wel, voor zover de huwelijkse voorwaarden niet volledig, maar slechts op onderdelen zijn dan wel worden vernietigd, met inachtneming van de omstandigheid dat periodieke verrekeningen tussen partijen niet hebben plaatsgevonden, partijen te veroordelen alsnog over te gaan tot een finale verrekening van de waarden van alle vermogensbestanddelen waarbij dan in ieder geval de echtelijke woning wordt toebedeeld aan de vrouw en de aandelen van de ondernemingen worden toebedeeld aan de man, en een verdeling van de (waarden van de) overige bestanddelen, met verrekening van de waarden;

meer subsidiair: te verklaren voor recht dat de man er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de wil van de vrouw gericht was op het opnemen in de huwelijkse voorwaarden van de rechtsgevolgen van artikel 10 (in alle onderdelen) en te verklaren voor recht dat alle onderdelen van artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden geen toepassing kunnen hebben en partijen alsnog tot een finale verrekening van alle vermogensbestanddelen van de ene en de andere echtgenoot dienen over te gaan na de ten deze te wijzen beschikking;

II. ten aanzien van de vergoedingsrechten

primair: de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 22.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;

subsidiair: de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 11.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente;

met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in beide instanties.

3.12

De man heeft geconcludeerd dat het hof de vrouw in haar verzoeken in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaart dan wel die verzoeken afwijst en de bestreden beschikking bekrachtigt.

3.13

Het hof heeft de zaak op 25 april 2025 mondeling behandeld. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

3.14

Bij beschikking van 25 juni 2025 heeft het hof de beschikking van 16 augustus 2024 bekrachtigd. Het hof heeft geoordeeld dat de vrouw integraal is gebonden aan de huwelijkse voorwaarden. Het overwoog daartoe:

Huwelijkse voorwaarden

5.3

Het betoog van de vrouw komt erop neer dat de tussen partijen gesloten huwelijkse voorwaarden buiten beschouwing moeten worden gelaten, dan wel moeten worden vernietigd, dan wel dat het de huwelijkse voorwaarden aan geldigheid ontbreekt. Zij voert daartoe - in de kern - aan dat partijen zich niet bewust waren van de aanwezigheid van de huwelijkse voorwaarden, dan wel niet wisten wat de huwelijkse voorwaarden inhielden, dan wel dat hun bedoeling niet overeenkwam met de inhoud van de huwelijkse voorwaarden, zoals volgens haar onder meer blijkt uit het feit dat partijen met elkaar hebben geleefd alsof de huwelijkse voorwaarden niet bestonden. Tot slot voert de vrouw aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de huwelijkse voorwaarden te volgen.

5.4

De man betwist de stellingen van de vrouw in zoverre dat hij stelt dat partijen de huwelijkse voorwaarden bewust met elkaar zijn overeengekomen en dat hun wil op de inhoud van die voorwaarden was gericht. Hij betoogt dat de vrouw de huwelijkse voorwaarden nu aanvecht omdat die voor haar nadelig uitpakken, hetgeen volgens hem geen reden kan zijn om de huwelijkse voorwaarden buiten beschouwing te laten.

Niet bewust van (het bestaan van) de (inhoud van de) huwelijkse voorwaarden?

5.5

Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat partijen op 28 augustus 2003 een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn aangegaan. De akte is gepasseerd door [notaris 1] […] (hierna ook: de notaris). Uit de processtukken volgt dat de vader van de vrouw een besloten vennootschap had en in deze besloten vennootschap werd een onderneming geëxploiteerd. Voorts volgt uit het betoog van partijen dat de notaris eveneens de notaris was van de vader van de vrouw en, naar het hof begrijpt, ook de notaris van de besloten vennootschap. Het hof begrijpt uit de verklaringen van partijen dat zij de huwelijkse voorwaarden op verzoek en advies van (de accountant van) de vader van de vrouw hebben laten opmaken. De achterliggende gedachte daarvan was bescherming van de vrouw, die in de toekomst mogelijk de onderneming van haar vader zou overnemen (aldus de vrouw in punt 32 van haar verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken in eerste aanleg van 21 juli 2023). Gezien deze feiten gaat het hof ervan uit dat de notaris op de hoogte was van de vermogensrechtelijke positie van de vader van de vrouw, namelijk directeur grootaandeelhouder, alsmede van de vermogensrechtelijke positie van partijen en hun inkomenspositie. Bij het aangaan van het huwelijk hadden beide partijen een baan in dienstbetrekking en was er nog geen sprake van dat de man in dienst zou treden bij de besloten vennootschap van de vader van de vrouw, dan wel dat hij de aandelen, of een deel daarvan, van de vader van de vrouw zou overnemen. De huwelijkse voorwaarden van partijen waren zodanig ingericht dat als de vrouw de aandelen in de besloten vennootschap van haar vader zou overnemen, deze aandelen – en mogelijke inkomsten – niet in de verrekening zouden worden betrokken. Het hof is van oordeel dat op basis van de feiten en mede bezien de vermogenspositie van de vader van de vrouw de huwelijkse voorwaarden voor de vrouw gunstig waren geformuleerd voor het geval dat zij de aandelen in de besloten vennootschap van haar vader zou verwerven.

5.6

Op basis van artikel 43 lid 1 van de Wet op het notarisambt dient de notaris partijen voor te lichten met betrekking tot de inhoud en strekking van de akte. Het hof ziet in het betoog van de vrouw geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is geweest van onvoldoende voorlichting door de notaris, maar leidt uit de feiten en omstandigheden juist af dat sprake is geweest van maatwerk van de huwelijkse voorwaarden op de toen bestaande situatie. De huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt op verzoek van partijen, zij het dat zij dat hebben verzocht op advies van (de accountant van) de vader van de vrouw. De notaris heeft de huwelijkse voorwaarden opgesteld en aan partijen voorgelezen. Het hof acht de kans dat partijen niet op de hoogte waren van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden gelet op het voorgaande nihil, dan wel zeer onwaarschijnlijk.

Hoge Raad 2 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:165)

5.7

Van een situatie zoals in de uitspraak van de Hoge Raad van 2 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:165), op welke uitspraak de vrouw een beroep doet, is in onderhavige zaak geen sprake. In die zaak was immers sprake van een voor de vrouw nadelige wijziging van de huwelijkse voorwaarden, waar de huwelijkse voorwaarden in de onderhavige zaak vanaf de aanvang voor de vrouw gunstig waren geformuleerd en er geen sprake is van een wijziging. Het hof is van oordeel dat de notaris aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Het bewijsaanbod van de vrouw om de notaris te doen horen ter bevestiging van haar stelling dat hij partijen onvoldoende heeft ingelicht, zal derhalve worden gepasseerd. Het hof gaat ook aan het bewijsaanbod van de vrouw voorbij om te doen horen de (passerende) [notaris 1] , de (huidige) [notaris 2] , de vader van de vrouw en de zus van de vrouw. Zoals hiervoor overwogen, acht het hof de verklaringen van genoemde personen niet beslissend voor een antwoord op de vraag of partijen aan de huwelijkse voorwaarden gebonden zijn. Het bewijsaanbod kan daarom niet tot beslissing van de zaak leiden.

5.8

Het hof is van oordeel dat partijen welbewust hebben gekozen voor de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden en dat geen sprake is van dwaling van de zijde van de vrouw.

De bedoeling van partijen en redelijkheid en billijkheid

5.9

Voor zover de vrouw aanvoert dat partijen hebben geleefd alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd, overweegt het hof dat dat niet kan leiden tot afwijking van de huwelijkse voorwaarden. De wetgever heeft er in artikel 1:115 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bewust voor gekozen dat huwelijkse voorwaarden op straffe van nietigheid ten overstaan van de notaris moeten worden gepasseerd ter bescherming van beide (aanstaande) echtgenoten met betrekking tot de gevolgen van het huwelijksvermogensrecht. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 18 juni 2004 (onder meer) onderschreven dat dit met zich brengt dat een gemeenschappelijke bedoeling van partijen - om hun vermogensrechtelijke verhouding in hun onderlinge relatie ongewijzigd te laten alsof zij nog steeds in gemeenschap van goederen waren gehuwd - de tussen hen overeengekomen huwelijkse voorwaarden niet kan vervangen (Hoge Raad 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7004, r.o. 4.2). De bedoeling van partijen kan derhalve niet leiden tot afwijking van de bij notariële akte gepasseerde overeenkomst van huwelijkse voorwaarden, mits dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet tot een onaanvaardbare uitkomst leidt.

5.10

Zoals hiervoor reeds overwogen, waren de huwelijkse voorwaarden voor de vrouw gunstig geformuleerd op het moment dat partijen die met elkaar zijn aangegaan. In 2008 heeft er een bedrijfsoverdracht van de vader van de vrouw plaatsgevonden richting de man, alsmede de zwager van de vrouw. De twee zwagers hebben als het ware de besloten vennootschap/onderneming van de vader van de vrouw voortgezet. Het hof stelt vast dat partijen bij deze bedrijfsoverdracht geen rekening hebben gehouden met de voor hen geldende huwelijkse voorwaarden waarbij ten tijde van het opstellen de gedachtegang was dat de aandelen naar de vrouw zouden gaan. Deze omissie komt echter niet voor rekening en risico van de man. Het had op de weg van beide echtgenoten gelegen om hun huwelijkse voorwaarden kritisch te bezien in het kader van de bedrijfsoverdracht. Dat partijen destijds geen rekening hebben gehouden met de uitwerking daarvan in het voor hen geldende huwelijksvermogensregime, komt voor hun eigen rekening en risico. Het hof is van oordeel dat de uitwerking van de huwelijkse voorwaarden niet tot een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare uitkomst leidt. Dat betekent dat partijen vanaf de aanvang van het huwelijk zijn gebonden aan de huwelijkse voorwaarden.

Vernietiging huwelijkse voorwaarden

5.11

Voor zover de vrouw betoogt dat de huwelijkse voorwaarden door haar zijn vernietigd, dan wel dat die in deze procedure (dienen te) worden vernietigd, overweegt het hof als volgt. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden komt het hof tot het oordeel dat van vernietiging van de huwelijkse voorwaarden door de vrouw, in het verleden dan wel in deze procedure, geen sprake is noch kan zijn. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden tot haar oordeel is gekomen en maakt die tot de zijne. Het hof volgt de vrouw niet in haar standpunt dat er (kortgezegd) op neerkomt dat er een grond bestaat voor vernietiging van de huwelijkse voorwaarden omdat de huwelijkse voorwaarden voor partijen onbegrijpelijk zijn, hetgeen volgens haar volgt uit de innerlijke tegenstrijdigheden die zich daarin bevinden. De grief van de vrouw die strekt tot (het hof begrijpt:) een verklaring voor recht dat de huwelijkse voorwaarden zijn vernietigd, treft derhalve geen doel.

5.12

Het hof komt tot het oordeel dat de vrouw integraal is gebonden aan de huwelijkse voorwaarden.”

3.15

Het hof overwoog onder het kopje ‘Vergoedingsrecht ad € 22.000,-’:

“5.14 De vrouw stelt dat haar vader op 20 december 2007 een bedrag aan haar heeft geschonken ad € 22.000,- onder uitsluitingsclausule, welk bedrag door de man op 29 mei 2008 is gebruikt ter volstorting van de aandelen in de door de man opgerichte holding.

(…)

5.16

Het hof komt evenals de rechtbank tot een afwijzing van het verzoek van de vrouw. Gelet op artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden, waarin is opgenomen dat partijen met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen zijn gehuwd, maakt het voor het betoog van de vrouw niet uit of de schenkingen onder uitsluitingsclausule zijn gedaan, hetgeen overigens niet uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt. Het hof overweegt verder dat niet is gebleken dat de man de aandelen in mei 2008 heeft volgestort met het door de vader van de vrouw geschonken bedrag ad € 22.000,-. Daartoe neemt het hof in aanmerking dat het geschonken bedrag op de gezamenlijke bankrekening van partijen is gestort, waarna vermenging met het saldo op die rekening heeft plaatsgevonden. Tussen de schenking en de volstorting van de aandelen zijn vijf maanden verstreken waarin het saldo op de gezamenlijke bankrekening met alle daarop in- en uitgaande bedragen is vermengd. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat de volstorting van de aandelen is gedaan met het bedrag dat de vader aan de vrouw heeft geschonken. De verwijzing van de vrouw naar punt 6 van de opinie van mr. […] Stollenwerck (de ‘Legal Opinion’) gaat in dit geval niet op, aangezien in die opinie is aangenomen dat vaststaat dat de volstorting is gedaan vanuit de privégelden van de vrouw en dat door het hof niet kan worden vastgesteld.”

In cassatie

3.16

Bij procesinleiding van 25 september 2025 heeft de vrouw – tijdig – cassatieberoep ingesteld van de beschikking van 25 juni 2025. De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4Bespreking van het cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel is opgebouwd uit vier onderdelen.

Onderdeel 1

4.2

Het eerste onderdeel draagt het opschrift ‘Bekendheid met inhoud en strekking huwelijkse voorwaarden; voorlichting door de notaris; onterecht gepasseerd bewijsaanbod’ en valt uiteen in zeven subonderdelen. Voordat ik overga tot een bespreking van de klachten schets ik de juridische achtergrond waartegen zij moeten worden bezien.

4.3

De grondslagen van de verzoeken van de vrouw lijken in belangrijke mate te zijn (i) dat haar wil als bedoeld in art. 3:33 BW tot het aangaan van de(ze) huwelijkse voorwaarden ontbrak en (ii) dat zij onder dwaling als bedoeld in art. 6:228 BW tot stand zijn gekomen. Ik schrijf ‘lijken’ omdat de grondslagen in de procedure naar mijn smaak tamelijk in het vage blijven. Zo verzoekt de vrouw primair en subsidiair voor recht te verklaren dat de huwelijkse voorwaarden vernietigd zijn dan wel worden vernietigd, zonder dit verzoek te plaatsen in de sleutel van enige vernietigingsgrond (zoals dwaling in de zin van art. 6:228 BW) . Meer subsidiair verzoekt de vrouw voor recht te verklaren dat de man er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de wil van de vrouw was gericht op het opnemen in de huwelijkse voorwaarden van de rechtsgevolgen van artikel 10. Dit zal gaan over een mogelijk beroep van de man op art. 3:35 BW, welke bepaling alleen aan de orde komt wanneer de vrouw zich met succes kan beroepen op het ontbreken van de in art. 3:33 BW bedoelde wil van haar kant. Het debat verloopt dan inhoudelijk langs de lijnen van art. 3:33 en 3:35 BW en zal bij toewijzing van het verzoek van de vrouw niet leiden tot vernietiging, maar tot nietigheid (of, zo men wil, non-existentie) van de rechtshandeling. 9

4.4

Het hof heeft beide mogelijke grondslagen onderkend en heeft beoordeeld of aan de vereisten voor een beroep daarop is voldaan. De conclusie van het hof is, kort gezegd, dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van wilsontbreken en dat evenmin sprake is van dwaling van de zijde van de vrouw (zie r.o. 5.6 (slotzin) en 5.8).

4.5

Ik merk nog iets op over de rol van de notariële zorgplicht, die centraal staat in het cassatiemiddel. De notaris speelt een belangrijke rol bij de totstandkoming van huwelijkse voorwaarden. Het verband tussen de zorgplicht van de notaris en de geldigheid/vernietigbaarheid van huwelijkse voorwaarden is in rechtspraak van de Hoge Raad meermaals aan de orde geweest. Dat mag geen verbazing wekken, omdat in algemene zin geldt – in de woorden van Verstappen – dat de zorgplicht van de notaris “ook [ziet] op de rechtsgeldigheid van rechtshandelingen, in het bijzonder dat men zich alle gevolgen daarvan realiseert.” 10 De notariële zorgplicht is in de verhouding tussen de (voormalig) echtgenoten naar mijn begrip in die zin van belang dat indien die zorgplicht is geschonden, dit (feitelijk) een indicatie kan zijn dat één of beiden van de (voormalige) echtgenoten niet volledig op de hoogte was van de inhoud en de implicaties van de huwelijkse voorwaarden. Omgekeerd zal een drie-sterren-advisering het minder aannemelijk maken dat er zo’n tekort aan kennis of inzicht aan de zijde van (één van) de (voormalig) echtgenoten zal zijn geweest. Het verband is dus niet juridisch, maar feitelijk. Ik beschrijf hierna vrij uitvoerig drie zaken die aan de orde zijn geweest bij de Hoge Raad waarin de (niet-)nakoming van de zorgplicht door de notaris aan de orde was in het kader van het sluiten (of wijzigen) van huwelijkse voorwaarden. Deze drie zaken geven een goed beeld van het juridische speelveld.

4.6

Van de te bespreken uitspaken betrof alleen de eerste uitspraak (Groningse huwelijkse voorwaarden) een aansprakelijkheidsprocedure van de benadeelde cliënt tegen de notaris. In die zaak stond het handelen van de notaris derhalve direct ter discussie. In de andere twee uitspraken waren de betrokken notarissen zelf geen procespartij. Beide uitspraken illustreren dat het antwoord op de vraag of de notaris bij het sluiten van huwelijkse voorwaarden aan zijn zorgplicht heeft voldaan van belang kan zijn in de rechtsverhouding tussen de procederende ex-echtgenoten onderling. In de uitspraak die bekend staat onder de naam Zeeuwse huwelijkse voorwaarden slaagde het door de vrouw gedane beroep op dwaling (art. 6:228 BW) . 11 Uit de andere zaak, die heeft geleid tot een uitspraak in 2024, 12 blijkt dat het enkele feit dat een notaris naar behoren aan zijn zorgplicht heeft voldaan niet automatisch meebrengt dat geen sprake kan zijn van wilsontbreken van de verklarende partij en ook niet automatisch ertoe leidt dat degene tot wie de verklaring was gericht er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de wil overeenstemde met de verklaring (art. 3:35 BW, wilsvertrouwensleer).

4.7

De rechtspraak laat ook zien dat er wel een relevante samenhang is tussen de nakoming van de zorgplicht door de notaris enerzijds en de geldigheid/vernietigbaarheid van de huwelijkse voorwaarden anderzijds. Als de notaris aan zijn (specifieke) zorgplicht heeft voldaan, bestaat er betrekkelijk weinig ruimte voor een geslaagd beroep op wilsontbreken of een wilsgebrek; indien wordt geoordeeld dat de notaris niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht stijgen de kansen op een succesvolle aanval op de gelding van de huwelijkse voorwaarden. In zijn Conclusie voor HR 2 februari 2024 merkt A-G Van Peursem over de kansrijkheid nog het volgende op:

“3.6 Weliswaar is niet 100% uitgesloten dat onder specifieke omstandigheden ruimte bestaat voor een slagend beroep op oneigenlijke dwaling of wilsgebreken, zelfs als een ingeschakelde notaris aan zijn zorgplicht voldoet, maar die ruimte is in de praktijk beperkt. (…) als de notaris zijn taak naar behoren verricht, dan is dat een belangrijk element om te kunnen aannemen dat de wil van partijen in een daarmee overeenstemmende verklaring is geopenbaard en dat er geen sprake is van wilsgebreken. Datzelfde lijkt mij te moeten opgaan voor oneigenlijke dwaling (…).”

4.8

In het cassatiemiddel wordt een belangrijke rol weggelegd voor de zorgplicht van de notaris in het kader van de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden. Ik schets daarom, zoals aangekondigd aan de hand van de bedoelde drie zaken die aan de Hoge Raad zijn voorgelegd, de stand van zaken.

4.9

Art. 43 lid 1 Wet op het notarisambt (Wna) luidt, voor zover van belang:

“De partijen bij de akte en de bij het verlijden van de akte eventueel verschijnende andere personen krijgen tijdig tevoren de gelegenheid om van de inhoud van de akte kennis te nemen. Alvorens tot het verlijden van een akte over te gaan, doet de notaris aan de verschijnende personen mededeling van de zakelijke inhoud daarvan en geeft daarop een toelichting. Zo nodig wijst hij daarbij tevens op de gevolgen die voor partijen of één of meer hunner uit de inhoud van de akte voortvloeien. (…)” 13

4.10

De uit dit artikel voortvloeiende zorgplicht van de notaris wordt ook wel aangeduid als de Belehrungspflicht. 14 Het in de tweede zin opgenomen voorschrift verplicht de notaris om bij iedere akte een samenvatting te geven van de kernpunten van de akte. Die zakelijke opgaaf heeft ten doel te bewerkstelligen dat de verschijnende personen zich ervan kunnen overtuigen dat de te ondertekenen akte de door hen gewenste inhoud heeft. Om dat doel te bereiken zal die samenvatting moeten plaatsvinden in voor de verschijnende personen begrijpelijke bewoordingen. 15 Waaijer stelt dat in het algemeen kan worden gezegd dat het proces van informeren ‘dynamisch’ van aard is:

“Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan worden volstaan met basale gegevens of zal meer informatie nodig zijn. Bij die omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het evenwicht tussen de prestaties van partijen, het al dan niet gebruikelijke karakter van de voorgenomen rechtshandeling en de deskundigheid van partijen.” 16

4.11

De informatieplicht van de notaris gaat soms gepaard met een waarschuwingsplicht. Zie de derde zin van art. 43 lid 1 Wna. Deze bepaling is een uitvloeisel van het arrest Groningse huwelijkse voorwaarden. 17 Het ging in die zaak om de positie van notaris Y ten opzichte van zijn ondeskundige cliënte X, die was gehuwd met notaris Z. De financiële positie van notaris Z had de aandacht getrokken van de Kamer van Toezicht en op voorstel van notaris Y, die in de Kamer van Toezicht zat, had Z ermee ingestemd de bestaande huwelijkse voorwaarden te verruilen voor de wettelijke gemeenschap om op die manier het vermogen van X te kunnen aanwenden voor de betaling van de schulden van Z. Na een echtscheiding vijf jaar later blijkt dat het vermogen van X inderdaad bijna volledig is gebruikt voor de betaling van de schulden van notaris Z. X spreekt notaris Y aan tot schadevergoeding. De vraag is of notaris Y verplicht was om te wijzen op specifieke aan de voorgenomen rechtshandeling verbonden risico’s en om zich ervan te vergewissen of X wist dat Z zich in een slechte financiële positie bevond. De Hoge Raad overwoog:

“3.2. In (…) rechtsoverweging 4 is het Hof klaarblijkelijk – en terecht – ervan uitgegaan dat een notaris ingevolge art. 30, tweede lid, Wet op het Notarisambt [oud, toevoeging A-G] gehouden is, alvorens de akte te verlijden, aan de verschijnende personen een zakelijke toelichting op de inhoud daarvan te geven door hun de juridische betekenis daarvan duidelijk te maken. Aan deze verplichting heeft notaris [Y] naar ’s Hofs oordeel, voldaan door alvorens de akte te verlijden [X] en haar echtgenoot erop te wijzen dat het gevolg van de voorgenomen omzetting zou zijn ‘dat alle huidige en toekomstige vermogensbestanddelen van beide echtgenoten, activa en passiva, hun gemeenschappelijke eigendom en schulden zouden worden’.

De Hoge Raad begrijpt ’s Hofs verdere gedachtengang aldus dat het hof primair van oordeel is dat een notaris beroepshalve nimmer tot méér verplicht is dan tot het geven van evenbedoelde toelichting, maar dat, ook als dat anders zou zijn, de bijzondere omstandigheden van dit geval niet wettigen notaris Y tot meer gehouden te achten. Bij dit laatste is voor het hof beslissend dat notaris Y heeft mogen veronderstellen dat X van de benarde financiële situatie van haar echtgenoot op de hoogte was. Hij behoefde zich – oordeelt het Hof ten slotte in het voetspoor van de Rechtbank – alvorens de akte te verlijden niet bij X ervan te vergewissen dat zij van die situatie op de hoogte was.

3.3.

Deze gedachtengang wordt door het middel terecht als rechtens onjuist bestreden.

Onjuist is vooreerst dat een notaris bij het verlijden van een akte nimmer tot meer is gehouden dan tot vorenbedoelde zakelijke toelichting op de inhoud van de akte: de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de notaris beroepshalve is gehouden tot het geven van verdergaande informatie, en met name tot het wijzen op specifieke aan de voorgenomen rechtshandeling verbonden risico’s.

Onjuist is voorts dat de bijzondere omstandigheden van dit geval niet wettigen notaris Y gehouden te achten zich, alvorens de akte tot omzetting van de gemeenschap van vruchten en inkomsten in een algehele gemeenschap van goederen te verlijden, ervan te vergewissen dat X van de benarde financiële situatie van haar echtgenoot op de hoogte was. Notaris Y toch was met die benarde situatie wel bekend, en hij wist daardoor dat gerede kans bestond dat het voor X – die, naar hem bekend was, eigen vermogen had – aan die omzetting verbonden risico zich inderdaad zou verwezenlijken. Onder deze omstandigheden had notaris Y aan die omzetting niet mogen meewerken dan na zich – voor zover, in verband met het bepaalde in art. 73d Wet op het Notarisambt, nodig: met toestemming van de echtgenoot van X – ervan te hebben vergewist dat X, die naar hij wist juridisch een leek was, dat risico voldoende besefte. De functie van de notaris in het rechtsverkeer brengt immers (en bracht ook destijds) mee dat hij beroepshalve gehouden is naar vermogen te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht.”

4.12

Een tweede relevante zaak is het arrest Zeeuwse huwelijkse voorwaarden. 18 Anders dan in het hiervoor besproken arrest uit 1989, betrof deze zaak een procedure tussen de ex-echtgenoten onderling. Het bijzondere in de zaak was dat de man tegen wie de vrouw procedeerde aanvankelijk de werknemer was van de notaris die de akte van huwelijkse voorwaarden had gepasseerd. De man was kandidaat-notaris op het kantoor van de instrumenterende notaris en had zelf de tekst van de akte opgesteld. De akte hield een omzetting in van algehele gemeenschap van goederen naar koude uitsluiting, die voor de vrouw uitermate nadelig was. 19

4.13

De vrouw beriep zich op verschillende wilsgebreken. In hoger beroep besliste het hof dat sprake is van een rechtens relevante dwaling:

“4. Naar het oordeel van het hof is het van belang of er sprake is van een wilsgebrek aan de zijde van de vrouw bij het opstellen van de akte van huwelijksvoorwaarden (…). Vaststaat dat de man vanaf 1973 als kandidaat-notaris is verbonden aan het [notaris 3] en dat hij in augustus 1986 het notariskantoor heeft overgenomen en sedertdien als notaris fungeert. Vaststaat dat de man de concept akte van huwelijksvoorwaarden heeft opgesteld. Niet aannemelijk is dat de vrouw de concept akte heeft ontvangen. Niet aannemelijk is dat [notaris 3] of de man aan de vrouw een deugdelijk voorlichting hebben gegeven over de vermogensrechtelijke gevolgen van de akte van huwelijksvoorwaarden. Uit de akte van huwelijksvoorwaarden volgt dat de akte slechts beperkt is voorgelezen. In de akte van huwelijksvoorwaarden is vermeld dat het motief tot het aangaan van de akte van huwelijksvoorwaarden het beroep van de man is. Het hof is van oordeel dat de man op geen enkele wijze heeft aangetoond, dat de vrouw de vermogensrechtelijke consequenties van de akte van huwelijksvoorwaarden heeft kunnen overzien. (…) De man is een ervaren notariële jurist, zijn functie als kandidaat-notaris en later als notaris brengt met zich mede dat hij naar maatschappelijke normen bezien een vertrouwensfunctie heeft. Deze functie brengt met zich mede dat een leek in beginsel mag afgaan op hetgeen de kandidaat-notaris en notaris stellen, alsmede dat de leek erop mag afgaan dat de kandidaat notaris of notaris hem of haar goed heeft ingelicht over de consequenties van de betreffende akte van huwelijksvoorwaarden. Gezien het feit dat er op het moment van het passeren van de akte van huwelijksvoorwaarden voor de vrouw geen enkele aanwijzing was dat het huwelijk niet goed was, alsmede de functie van de man, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de vrouw geen nadere onderzoeksplicht had naar de mogelijke gevolgen van de akte van huwelijksvoorwaarden. In het onderhavige geval rustte naar het oordeel van het hof op de man de plicht, om ervoor zorg te dragen dat de vrouw op een onpartijdige wijze zou worden voorgelicht over de inhoud van de akte van huwelijksvoorwaarden, temeer daar de man als deskundige kon overzien wat de vermogensrechtelijke consequenties van de betreffende akte van huwelijksvoorwaarden voor de vrouw waren. Het hof is van oordeel dat de handelswijze van de man bij het passeren van de akte van huwelijksvoorwaarden kan worden aangemerkt als hoogst onzorgvuldig, mede bezien de aard van het beroep van de man.

5. Gezien de feitelijke gang van zaken, de zeer onzorgvuldige handelswijze die de man jegens de vrouw heeft gehad bij het totstandkomen van de akte van huwelijksvoorwaarden, acht het hof de stelling van de vrouw aannemelijk dat de overeenkomst van huwelijksvoorwaarden alleen bedoeld was ter beperking van de risico’s die uit het toekomstige ondernemerschap van de man zouden voortvloeien. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een rechtens relevante dwaling. (…)”

4.14

Dit oordeel hield in cassatie stand. De overeenkomst van huwelijkse voorwaarden werd vernietigd op grond van dwaling, zodat de algehele gemeenschap van goederen steeds was blijven bestaan ten gevolge van de terugwerkende kracht van de vernietiging (art. 3:49 in verbinding met art. 3:53 lid 1 BW) .

4.15

Ik vermeld tot slot HR 2 februari 2024. 20 In deze zaak, ook een geschil tussen de ex-echtgenoten onderling, ging het om een voor de vrouw zeer nadelig uitpakkende wijziging van gemaakte huwelijkse voorwaarden, gecombineerd met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. 21 Partijen in die zaak zijn na het maken van huwelijkse voorwaarden in 1997 gehuwd. De huwelijkse voorwaarden bevatten onder meer een periodiek verrekenbeding. De huwelijkse voorwaarden zijn twee keer gewijzigd, eerst in 2009 en daarna in 2016. De eerste wijziging was buitengewoon nadelig voor de vrouw, mede vanwege een vaststellingsovereenkomst die daarbij werd gesloten. De vrouw had na de eerste wijziging voortaan geen recht meer op periodieke verrekening, geen recht op pensioenverevening bij scheiding, geen recht op finale verrekening van ondernemingsvermogen en er werd niet afgerekend over de periode daarvoor. Bij de tweede wijziging zijn partijen overeengekomen dat eveneens wordt verrekend als het vermogen van één van de echtgenoten negatief is. Ook dat is nadelig voor de vrouw als de man in financiële problemen geraakt.

4.16

De vrouw verzocht de wijzigingsakte huwelijkse voorwaarden van 2009, de vaststellingsovereenkomst van 2009 en de wijzigingsakte huwelijkse voorwaarden van 2016 te vernietigen en de wijze van afwikkeling van de initiële akte huwelijkse voorwaarden uit 1997 vast te stellen. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank op dit punt vernietigd en bepaald dat de vaststellingsovereenkomst en de akte wijziging huwelijkse voorwaarden van 3 maart 2009 en de akte wijziging huwelijkse voorwaarden van 13 juni 2016 onverkort van kracht zijn. Het hof oordeelde dat de betrokken notarissen indertijd aan hun zorgplicht als bedoeld in art. 43 lid 1 Wna hebben voldaan en dat de wijze waarop de vrouw heeft meegewerkt aan de door hen in beide gevallen gevolgde werkwijze, bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen heeft doen ontstaan dat haar wil was gericht was op de rechtsgevolgen van de gewijzigde akten huwelijkse voorwaarden en de met de eerste wijziging verband houdende vaststellingsovereenkomst.

4.17

In cassatie oordeelde de Hoge Raad als volgt over de klacht tegen het oordeel dat de notarissen aan hun zorgplicht hebben voldaan:

“3.3. Huwelijkse voorwaarden moeten volgens art. 1:115 BW op straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan. Daaronder valt ook de wijziging ervan. De notariële tussenkomst strekt mede tot bescherming van partijen. De functie van de notaris in het rechtsverkeer brengt mee dat hij beroepshalve gehouden is naar vermogen te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht. 22 Art. 43 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) bepaalt in dit verband niet alleen (in de eerste zin) dat de notaris aan partijen tijdig tevoren de gelegenheid moet bieden om van de inhoud van de akte kennis te nemen en (in de tweede zin) dat de notaris de zakelijke inhoud van een akte moet mededelen en daarop een toelichting moet geven, maar ook (in de derde zin) dat de notaris zo nodig wijst op de gevolgen die voor partijen of een of meer van hen uit de inhoud van de akte voortvloeien. Laatstbedoelde verplichting om op de gevolgen te wijzen omvat mede de verplichting zich ervan te vergewissen dat de partij(en) die gevolgen begrijpt/begrijpen. 23De verplichting om op de gevolgen te wijzen en zich ervan te vergewissen dat de partij(en) die gevolgen begrijpt/begrijpen, wint aan gewicht naarmate die gevolgen voor partijen of een van hen nadeliger of riskanter zijn.

3.4.

De vrouw heeft blijkens de gedingstukken in de feitelijke instanties gemotiveerd aangevoerd dat de in 2009 en 2016 doorgevoerde wijzigingen in de huwelijkse voorwaarden voor haar uiterst nadelig waren, nu daarmee haar recht op verrekening van overgespaarde inkomsten, waaronder begrepen opgepotte winst uit onderneming, en haar recht op pensioenverevening werden geschrapt, respectievelijk zij verplicht werd bij echtscheiding mee te delen in een eventueel negatief privévermogen van de man. Tevens heeft de vrouw blijkens de gedingstukken in de feitelijke instanties aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst (…) voor haar uiterst nadelig was, omdat zij daarmee haar recht op verrekening van in het verleden overgespaarde, nog niet verrekende inkomsten prijsgaf. Uitgaande van de juistheid van die, door het hof niet verworpen, stellingen waren de bij de wijzigingen betrokken notarissen dan ook op grond van art. 43 lid 1 Wna gehouden de vrouw specifiek op de nadeligheid van de gevolgen van de aktes te wijzen en zich ervan te vergewissen dat de vrouw deze begreep en aanvaardde.

3.5.

De vrouw heeft onder meer gesteld dat de notarissen haar niet erop hebben gewezen dat en waarom de gevolgen van de wijzigingsakten en de vaststellingsovereenkomst voor haar nadelig waren. Uit de overwegingen van het hof (…) blijkt niet dat het hof heeft onderzocht of de notarissen specifiek aan de hiervoor in 3.3, slot, bedoelde waarschuwingsverplichting hebben voldaan. De door het hof vermelde passages uit de getuigenverklaringen van de notarissen en de kandidaat-notaris die betrokken waren bij de wijzigingsakte en de vaststellingsovereenkomst van 2009, houden zulks niet in. Indien het hof heeft miskend dat op de notarissen die waarschuwingsplicht rustte, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof heeft geoordeeld dat de notarissen aan die verplichting hebben voldaan, is dat oordeel tegen de achtergrond van de hiervoor vermelde stellingen en verklaringen van de vrouw, de getuigenverklaringen en de overige gedingstukken onvoldoende gemotiveerd.”

[voetnoten overgenomen, onderstreping toegevoegd, A-G]

4.18

In cassatie kwam de vrouw daarnaast op tegen het oordeel dat de wijze waarop zij heeft meegewerkt aan de door de notarissen in beide gevallen gevolgde werkwijze, bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen heeft doen ontstaan dat haar wil gericht was op de rechtsgevolgen van de gewijzigde akten huwelijkse voorwaarden en de met de eerste wijziging verband houdende vaststellingsovereenkomst. Het onderdeel klaagde dat dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd tegen de achtergrond van de door de vrouw aangevoerde stellingen). De Hoge Raad oordeelde dat ook deze klacht gegrond is:

“3.7. (…) Het hof heeft de hiervoor in 3.6 vermelde stellingen niet in zijn beoordeling betrokken en op de enkele grond dat de notarissen naar behoren aan hun zorgplicht jegens de vrouw hebben voldaan, geoordeeld dat de man erop mocht vertrouwen dat ten aanzien van de wijzigingen van de huwelijkse voorwaarden en de vaststellingsovereenkomst de wil van de vrouw strookte met haar verklaring (art. 3:35 BW) . Die stellingen kunnen echter, indien juist, leiden tot het oordeel dat de man niet erop mocht vertrouwen dat de vrouw op basis van de toezending van de concept-akten wijziging huwelijksvoorwaarden en de uitleg bij de notaris begreep waarmee zij instemde. Het oordeel van het hof dat de wijze waarop de vrouw heeft meegewerkt aan de door de notarissen in beide gevallen gevolgde werkwijze, bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen heeft doen ontstaan dat haar wil gericht was op de rechtsgevolgen van de gewijzigde akten huwelijkse voorwaarden en de met de eerste wijziging verband houdende vaststellingsovereenkomst, is daarom in het licht van deze stellingen onvoldoende gemotiveerd.”

4.19

In hun annotaties bij deze uitspraak benadrukken Nuytinck en Verstappen dat er een specifieke vergewisplicht en waarschuwingsplicht voor de notaris kan bestaan als een transactie voor een betrokkene nadelig of risicovol is. 24 Verstappen merkt terecht op dat wat de notaris allemaal moet doen wil hij aan zijn wettelijke zorgplicht voldoen, moeilijk in algemene zin is te omschrijven. Dat hangt van de concrete omstandigheden van het geval af: de aard van de opdracht, de betrokken partijen en belangen, etc. 25 Zowel Verstappen als Nuytinck geven in niet mis te verstane bewoordingen aan dat de wijziging van de gemaakte huwelijkse voorwaarden, gecombineerd met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst, voor de vrouw in het voorliggende geval zeer nadelig uitpakte. 26

4.20

Ook in de onderhavige procedure staat de nakoming van de zorgplicht door de notaris als zodanig in werkelijkheid niet centraal. Het oordeel over de zorgplicht van de notaris staat in dienst van de beoordeling van het beroep van de vrouw op de nietigheid van de huwelijkse voorwaarden, dan wel de vernietigbaarheid ervan.

4.21

Tegen de achtergrond van het voorgaande zal ik thans de klachten van het onderdeel bespreken.

4.22

Het onderdeel bevat een inleiding. Daarin worden eerst de r.o. 5.5 tot en met 5.8 samengevat weergegeven. Onder verwijzing naar vindplaatsen in de procestukken stelt het onderdeel dat de vrouw heeft aangevoerd dat partijen zich niet bewust waren van de inhoud (en strekking) van de huwelijkse voorwaarden en altijd hebben geleefd als waren zij gehuwd in gemeenschap van goederen. 27 Het onderdeel stelt dat de vrouw met name erop heeft gewezen dat daags voor het huwelijk op 28 augustus 2003 op verzoek van haar vader de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen, maar dat de notaris heeft nagelaten om partijen uitleg te geven over de inhoud en strekking daarvan, en dat partijen zich gedurende hun huwelijk ook niet bewust waren van het feit dat zij huwelijkse voorwaarden waren overeengekomen en wat de inhoud en strekking daarvan was. Onder verwijzing naar vindplaatsen in de processtukken stelt het onderdeel dat de vrouw heeft aangevoerd dat de brief van de notaris waarbij de concept-akte aan partijen is toegezonden, geen toelichting bevatte over die inhoud en strekking en dat de notaris die toelichting ook op 28 augustus 2003 niet heeft gegeven. 28 De vrouw, zo vervolgt het onderdeel, heeft aangevoerd dat de notaris partijen dus ook niet heeft gewezen op de nadelige gevolgen voor beide echtelieden van bepaalde bedingen in de huwelijkse voorwaarden in de verschillende scenario’s, en heeft in dat kader ook naar voren gebracht dat haar vader ondernemer was en dus ook vermogen had waar zij zelf later in zou delen, dat de man geen vermogen had en dat geen van partijen destijds ondernemer was (of wilde worden). 29

4.23

Subonderdeel 1.1 is gericht tegen het oordeel in r.o. 5.7 dat de notaris aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Het subonderdeel betoogt dat voor dit oordeel de volgende overwegingen van het hof dragend zijn:

a. Partijen hebben de huwelijkse voorwaarden op verzoek en advies van (de accountant van) de vader van de vrouw laten opmaken. (r.o. 5.5)

b. De huwelijkse voorwaarden van partijen waren zodanig ingericht dat als de vrouw de aandelen in de besloten vennootschap van haar vader zou overnemen, deze aandelen – en mogelijke inkomsten – niet in de verrekening zouden worden betrokken. (r.o. 5.5)

c. Het hof gaat ervan uit dat de notaris op de hoogte was van de vermogenspositie van de vader van de vrouw alsmede van de vermogensrechtelijke positie van partijen en hun inkomenspositie. (r.o. 5.5)

d. Het hof leidt uit de feiten en omstandigheden af dat er sprake is geweest van maatwerk van de huwelijkse voorwaarden op de toen bestaande situatie. (r.o. 5.6)

e. De notaris heeft de huwelijkse voorwaarden opgesteld en aan partijen voorgelezen. (r.o. 5.6)

4.24

Het subonderdeel bevat de klacht dat het hof heeft miskend dat de zorgplicht van de notaris verder reikt dan kennisname van de vermogens- en inkomenspositie van partijen en het voorlezen aan hen van de akte. Het subonderdeel stelt dat uit het bepaalde in art. 43 lid 1 Wna volgt dat voorlichting over de strekking en de gevolgen van huwelijkse voorwaarden ook tot de taken van de notaris behoort. De notaris, zo vervolgt het subonderdeel, moet partijen wijzen op de mogelijke gevolgen die de akte voor een van hen zou kunnen hebben, en hij moet zich er ook van vergewissen dat de partijen die inhoud en strekking en de gevolgen begrijpen. 30 De daarmee verband houdende waarschuwingsplicht wint aan gewicht naarmate de gevolgen voor partijen of voor een van hen nadeliger zijn, aldus het subonderdeel. 31 Volgens het subonderdeel is het voorlezen van de akte ten tijde van het verlijden daarvan niet (zonder meer) voldoende om te kunnen oordelen dat de notaris heeft voldaan aan zijn zgn. ‘Belehrungspflicht’, omdat uit die omstandigheid niet kan worden afgeleid dat partijen de gevolgen van de bepalingen van de huwelijkse voorwaarden (die voor leken in complex taalgebruik zijn vervat) daadwerkelijk hebben begrepen. Het subonderdeel stelt dat uit de hiervoor in 4.23 onder a tot en met d genoemde feiten en omstandigheden niets kan worden afgeleid met betrekking tot de voorlichting door de notaris aan partijen. Volgens het subonderdeel blijkt dat de enige daad van voorlichting door de notaris kan worden gevonden in het feit dat hij de huwelijkse voorwaarden aan partijen heeft voorgelezen (zie hiervoor in 4.23 onder e). Aldus heeft het hof volgens het subonderdeel miskend dat de waarschuwingsplicht van de notaris verder strekt dan dat.

4.25

Mijns inziens slaagt de klacht niet, gelet op het volgende.

4.26

Het hof overweegt in r.o. 5.5 dat uit de processtukken volgt dat de vader van de vrouw een besloten vennootschap had, dat in deze vennootschap een onderneming werd geëxploiteerd, en dat uit het betoog van partijen volgt dat de notaris ook de notaris was van de vader van de vrouw en de besloten vennootschap. Het hof overweegt vervolgens dat het uit de verklaringen van partijen begrijpt dat zij de huwelijkse voorwaarden op verzoek en advies van (de accountant van) de vader van de vrouw hebben laten opmaken. Deze passage wordt gevolgd door de volgende overweging:

“De achterliggende gedachte daarvan was bescherming van de vrouw, die in de toekomst mogelijk de onderneming van haar vader zou overnemen (aldus de vrouw in punt 32 van haar verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken in eerste aanleg van 21 juli 2023).”

Dit aspect wordt niet afzonderlijk genoemd in de hiervoor in 4.23 weergegeven opsomming. 32

4.27

In de door het hof genoemde vindplaats in de processtukken heeft de vrouw het volgende aangevoerd:

“32. Op advies van de accountant van de vader van de vrouw hebben partijen zich gewend tot genoemde notaris, met het verzoek om huwelijkse voorwaarden op te stellen.

De achterliggende gedachte was bescherming van de vrouw, die (mogelijk, in de visie van de accountant) in de toekomst de onderneming van haar vader zou overnemen.

Er was op dat moment geen vooruitzicht/idee van dat de man de onderneming van de vader van de vrouw ooit zou overnemen.”

4.28

Het hof trekt uit de hiervoor in 4.26 en 4.27 weergegeven feiten de conclusie “dat de notaris op de hoogte was van de vermogensrechtelijke positie van de vader van de vrouw, namelijk directeur grootaandeelhouder, alsmede van de vermogensrechtelijke positie van partijen en hun inkomenspositie” en overweegt vervolgens:

“Bij het aangaan van het huwelijk hadden beide partijen een baan in dienstbetrekking en was er nog geen sprake van dat de man in dienst zou treden bij de besloten vennootschap van de vader van de vrouw, dan wel dat hij de aandelen, of een deel daarvan, van de vader van de vrouw zou overnemen.”

Ook deze omstandigheid wordt niet afzonderlijk genoemd in de door het subonderdeel gegeven opsomming.

4.29

Na vervolgens te hebben overwogen dat de huwelijkse voorwaarden van partijen zodanig waren ingericht dat als de vrouw de aandelen in de besloten vennootschap van haar vader zou overnemen, deze aandelen – en mogelijke inkomsten – niet in de verrekening zouden worden betrokken, concludeert het hof aan het slot van r.o. 5.5:

“Het hof is van oordeel dat op basis van de feiten en mede bezien de vermogenspositie van de vader van de vrouw de huwelijkse voorwaarden voor de vrouw gunstig waren geformuleerd voor het geval dat zij de aandelen in de besloten vennootschap van haar vader zou verwerven.”

Deze deelconclusie wordt door het (sub)onderdeel niet afzonderlijk bestreden.

4.30

Een en ander heeft in de opvolgende r.o. 5.6 geleid tot de gevolgtrekking dat sprake is geweest van maatwerk van de huwelijkse voorwaarden op de toen bestaande situatie. Het hof overweegt direct aansluitend dat de huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt op verzoek van partijen (zij het dat zij dat hebben verzocht op advies van (de accountant van) de vader van de vrouw). Deze overweging wordt in cassatie niet zelfstandig bestreden. Na vervolgens te hebben overwogen dat de notaris de huwelijkse voorwaarden heeft opgesteld en aan partijen heeft voorgelezen, concludeert het hof aan het slot van r.o. 5.6 dat de kans dat partijen niet op de hoogte waren van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden “gelet op het voorgaande nihil, dan wel zeer onwaarschijnlijk” is.

4.31

Ik ben uitvoerig geweest in mijn herhaalde en deels geparafraseerde weergave van de overwegingen in r.o. 5.5 en 5.6. Dit heeft een reden. De overwegingen, in onderlinge samenhang bezien, kunnen mijns inziens leiden tot de impliciete gevolgtrekking dat partijen op 28 augustus 2003 ervan op de hoogte waren dat een aantal bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, waaronder in elk geval artikel 10 lid 3, waren opgenomen ter bescherming van de onderneming (en daarmee, gelet op de door het hof in r.o. 5.5 genoemde omstandigheden, de vrouw), en dat zij met de inhoud en strekking van die bepalingen (dan) ook bekend waren. Deze gevolgtrekking berust op een aan het hof voorbehouden uitleg en waardering van de stellingen van partijen, ook van de vrouw zelf (zie hiervoor in randnummer 4.27), die niet onbegrijpelijk is. De door het hof genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kunnen leiden tot het oordeel dat de notaris destijds heeft voldaan aan de in de tweede volzin van art. 43 lid 1 Wna genoemde verplichtingen (mededelings- en toelichtingsplicht). Voor zover het subonderdeel stelt dat het hof heeft miskend dat er op de notaris voorts een waarschuwings- en vergewisplicht rustte zoals bedoeld in HR 2 februari 2024 (r.o. 3.3, laatste volzin), faalt deze stelling. Het hof heeft terecht onderkend dat van een situatie zoals in die uitspraak aan de orde was, in de onderhavige zaak geen sprake is. In HR 2 februari 2024, zo overweegt het hof in r.o. 5.7, was sprake van een voor de vrouw nadelige wijziging van de huwelijkse voorwaarden, waar de huwelijkse voorwaarden in de onderhavige zaak vanaf de aanvang voor de vrouw gunstig waren geformuleerd en er geen sprake is van een wijziging.

4.32

In het licht van het voorgaande meen ik dat de klachten van het subonderdeel grotendeels feitelijke grondslag missen. Zij gaan immers uit van een onjuiste (want te beperkte althans niet volledige) lezing van de overwegingen van het hof.

4.33

Subonderdeel 1.2 en 1.3 lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Subonderdeel 1.2 veronderstelt dat in (het samenstel van) de overwegingen van het hof dat sprake was van maatwerk van de huwelijkse voorwaarden, die voor de vrouw gunstig waren geformuleerd, het oordeel moet worden gelezen dat die omstandigheid ertoe leidt dat minder strenge eisen moeten worden gesteld aan de zorgplicht van de notaris. Het subonderdeel bevat de klacht dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel stelt ter toelichting dat uit hetgeen de Hoge Raad in r.o. 3.3 van zijn beschikking van 2 februari 2024 heeft overwogen, niet volgt dat de notaris een partij niet of in mindere mate zou mogen voorlichten over de inhoud, strekking en gevolgen van de huwelijkse voorwaarden en/of zich er niet of in mindere mate van zou mogen vergewissen dat die partij een en ander ook echt begrijpt, naarmate een beding voor die partij gunstiger is. Uw Raad, zo stelt het subonderdeel, heeft slechts beslist dat, naarmate de gevolgen van een beding nadeliger of riskanter is voor een partij, de notaris er extra alert op moet zijn dat die partij die gevolgen ook daadwerkelijk begrijpt. Volgens het subonderdeel doet de omstandigheid dat een beding voor één van de betrokken partijen wellicht gunstiger is dan voor de andere partij, niet af aan de minimale zorgplicht van de notaris zoals die volgt uit art. 43 lid 1 Wna. De notaris, zo vervolgt het subonderdeel, moet partijen steeds op zijn minst tekst en uitleg geven over de inhoud en strekking van de huwelijkse voorwaarden en zich ervan vergewissen dat partijen een en ander ook daadwerkelijk begrijpen. Voorlezing van die huwelijkse voorwaarden is dan nog steeds niet afdoende, aldus het subonderdeel. Het subonderdeel stelt dat het hof dit heeft miskend. Daarbij is volgens het subonderdeel mede van belang dat het hof niet heeft vastgesteld dat partijen de notaris concrete instructies hebben gegeven met betrekking tot de inrichting van de huwelijkse voorwaarden, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat partijen reeds op grond daarvan de inhoud en strekking van de huwelijkse voorwaarden zouden hebben begrepen.

4.34

Subonderdeel 1.3 koppelt aan de rechtsklacht van subonderdeel 1.2 een motiveringsklacht. Volgens het subonderdeel is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat uit de feiten en omstandigheden waarop het zijn beslissing heeft gegrond, niet kan worden afgeleid op welke wijze (anders dan voorlezing) de notaris de inhoud en strekking van de huwelijkse voorwaarden met partijen heeft besproken en op welke wijze hij zich ervan heeft vergewist dat partijen die inhoud en strekking ook daadwerkelijk hebben begrepen. Het subonderdeel stelt ter toelichting, puntsgewijs weergegeven, het volgende:

- Het hof heeft overwogen dat de huwelijkse voorwaarden gunstig waren voor de vrouw in verband met de verwachting dat zij op enig moment de aandelen in de vennootschap van haar vader zou verwerven, maar heeft niet vastgesteld dat de notaris partijen heeft voorgelicht over de risico’s als dat scenario zich niet zou verwezenlijk en daarentegen de man de onderneming van haar vader zou overnemen.

- Dat de man op het moment dat de huwelijkse voorwaarden werden overeengekomen niet de ambitie had om de onderneming van de vader van de vrouw over te nemen, maakt niet dat de notaris dat niet met partijen had moeten bespreken. Het ondernemerschap van één van de echtgenoten zou op grond van het bepaalde in artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden voor de andere echtgenoot nadelig zijn, omdat verrekening dan zou worden uitgesloten.

- Het hof heeft niet vastgesteld dat de notaris door partijen is “aangestuurd” wat betreft de inhoud van de huwelijkse voorwaarden. Ook heeft het hof niet vastgesteld dat de notaris de informatie over de vermogenspositie van de vader van de vrouw en van partijen, en over de inkomenspositie van partijen, van partijen zelf heeft ontvangen.

- Indien het hof bij zijn beslissing betekenis heeft toegekend aan zijn overweging in r.o. 5.5 dat uit het betoog van partijen volgt dat de notaris ook de notaris was van de vader van de vrouw en de besloten vennootschap, is het oordeel onbegrijpelijk, omdat onduidelijk is waar het hof die vaststelling op heeft gebaseerd.

4.35

Ik meen dat de rechtsklacht van subonderdeel 1.2 feitelijke grondslag mist, omdat het uitgaat van een onjuiste lezing van het oordeel van het hof. Het hof heeft niet geoordeeld dat de omstandigheid dat sprake was van maatwerk van de huwelijkse voorwaarden, die voor de vrouw gunstig waren geformuleerd, ertoe leidt dat “minder strenge eisen” moeten worden gesteld aan de zorgplicht van de notaris. Ook heeft het hof niet miskend dat voorlezing van de huwelijkse voorwaarden niet afdoende is in het kader van het voldoen aan de (minimale) zorgplicht van de notaris, zoals volgt uit art. 43 lid 1 Wna. Hiervoor bij de bespreking van subonderdeel 1.1 heb ik uiteengezet dat het hof op basis van de feiten en omstandigheden die het in r.o. 5.5 en 5.6 opsomt, in onderlinge samenhang bezien, heeft kunnen komen tot het impliciete oordeel dat partijen op 28 augustus 2003 ervan op de hoogte waren dat een aantal bepalingen in de huwelijkse voorwaarden waren opgenomen ter bescherming van de onderneming (en daarmee, gelet op de door het hof in r.o. 5.5 genoemde omstandigheden, de vrouw), en dat partijen met de inhoud en strekking van die bepalingen (dan) ook bekend waren. Het gaat daarbij, puntsgewijs weergegeven, om de volgende feiten en omstandigheden:

- De notaris was ook de notaris van de vader van de vrouw en van diens besloten vennootschap.

- Partijen zelf hebben de huwelijkse voorwaarden laten opmaken op verzoek en advies van (de accountant van) de vader van de vrouw. De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat achterliggende gedachte daarvan was de bescherming van de vrouw, die in de toekomst mogelijk de onderneming van haar vader zou overnemen.

- Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat de notaris op de hoogte was van de vermogensrechtelijke positie van de vader van de vrouw, namelijk directeur grootaandeelhouder, alsmede van de vermogensrechtelijke positie van partijen en hun inkomenspositie.

- Bij het aangaan van het huwelijk hadden partijen allebei een baan in dienstbetrekking en was er nog geen sprake van dat de man in dienst zou treden bij de besloten vennootschap van de vader van de vrouw, dan wel dat hij de aandelen van hem zou overnemen.

- De huwelijkse voorwaarden waren zodanig ingericht dat als de vrouw de aandelen in de besloten vennootschap van haar vader zou overnemen, deze aandelen en mogelijke inkomsten niet in de verrekening zouden worden betrokken.

- De huwelijkse voorwaarden waren aldus voor de vrouw gunstig geformuleerd voor het geval dat zij de aandelen in de besloten vennootschap van haar vader zou verwerven.

- Er is sprake geweest van maatwerk van de huwelijkse voorwaarden op de toen bestaande situatie.

- De notaris heeft de huwelijkse voorwaarden opgesteld en aan partijen voorgelezen.

4.36

Ik heb verder betoogd dat deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kunnen leiden tot het impliciet gegeven oordeel dat de notaris destijds heeft voldaan aan de in de tweede volzin van art. 43 lid 1 Wna genoemde verplichtingen (mededelings- en toelichtingsplicht) en dat van een waarschuwings- en vergewisplicht zoals bedoeld in HR 2 februari 2024 (r.o. 3.3, laatste volzin) geen sprake was. Daarmee kan ook subonderdeel 1.3 naar mijn mening niet tot cassatie leiden. Hetgeen het subonderdeel aanvoert, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof heeft zich er blijkens r.o. 5.10 rekenschap van gegeven dat partijen bij de bedrijfsoverdracht in 2008 geen rekening hebben gehouden met de voor hen geldende huwelijkse voorwaarden waarbij ten tijde van het opstellen de gedachtegang was dat de aandelen naar de vrouw zouden gaan. Het hof oordeelt dat deze omissie komt niet voor rekening en risico van de man komt, dat het op de weg van beide echtgenoten had gelegen om hun huwelijkse voorwaarden kritisch te bezien in het kader van de bedrijfsoverdracht, en dat het voor rekening en risico van partijen komt dat zij destijds geen rekening hebben gehouden met de uitwerking daarvan in het voor hen geldende huwelijksvermogensregime. Ik meen dat dit oordeel niet onbegrijpelijk is. Indien beide partijen, zoals ik heb aangenomen, ervan op de hoogte waren dat de huwelijkse voorwaarden, waaronder artikel 10 lid 3, voor de vrouw gunstig waren geformuleerd voor het geval dat zij de aandelen in de vennootschap van haar vader zou verwerven, dan hadden zij zich ook kunnen realiseren dat genoemde bepaling ten gunste van de man zo uitwerken in het geval dat hij de aandelen zou verwerven. Het hof heeft in r.o. 5.5 overwogen dat beide partijen bij het aangaan van het huwelijk een baan in dienstbetrekking hadden en dat er toen nog geen sprake van was dat de man in dienst zou treden bij de besloten vennootschap van de vader van de vrouw, dan wel dat hij de aandelen, of een deel daarvan, van hem zou overnemen. Deze omstandigheid ondersteunt naar mijn mening het impliciet gegeven oordeel dat de notaris in dit geval geen specifieke vergewisplicht en waarschuwingsplicht had.

4.37

De andere twee omstandigheden die het subonderdeel noemt (zie randnummer 4.34 achter het derde en vierde gedachtestreepje) kunnen evenmin leiden tot de conclusie dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Voor het uiteindelijke oordeel is niet van belang of partijen de notaris hebben “aangestuurd” wat betreft de inhoud van de huwelijkse voorwaarden. Uiteindelijk is beslissend of partijen zelf daarvan op de hoogte waren. Ik heb hiervoor betoogd dat deze vraag in het licht van het samenstel van de door het hof opgesomde feiten en omstandigheden bevestigend moet worden beantwoord. Het betoog, weergegeven achter het vierde gedachtestreepje, dat onduidelijk is waarop de vaststelling door het hof dat de notaris van partijen ook de notaris was van de vader van de vrouw en de besloten vennootschap, is gebaseerd, kan ook niet tot cassatie leiden. Het subonderdeel stelt niet dat de vaststelling door het hof niet juist is. Ik merk overigens op dat het oordeel feitelijk juist is: de vrouw heeft in haar akte van 2 mei 2024 zelf aangevoerd dat haar vader ook met de notaris “zaken deed” (onder 32). Daarnaast zijn de andere feiten en omstandigheden die het hof opsomt, in onderlinge samenhang bezien, dragend voor de hiervoor in 4.30 genoemde conclusies.

4.38

Subonderdeel 1.4 is allereerst gericht tegen het volgende oordeel in r.o. 5.5:

“Het hof begrijpt uit de verklaringen van partijen dat zij de huwelijkse voorwaarden op verzoek en advies van (de accountant van) de vader van de vrouw hebben laten opmaken. De achterliggende gedachte daarvan was bescherming van de vrouw, die in de toekomst mogelijk de onderneming van haar vader zou overnemen (aldus de vrouw in punt 32 van haar verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken in eerste aanleg van 21 juli 2023).”

4.39

Volgens het subonderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk. Het subonderdeel betoogt dat het hof “uit het oog verliest” dat de vrouw in latere processtukken haar standpunt ter zake heeft verduidelijkt in die zin dat het niet zozeer ging om overname van de onderneming van de vader door de vrouw (waarbij zij zou gaan ondernemen), maar om bescherming van het vermogen aan haar zijde, dat (onder meer) bestond in de aandelen in de vennootschap van haar vader, waarin de onderneming werd gedreven, en dat zij nimmer de ambitie heeft gehad om zelf via die vennootschap te gaan ondernemen (net zomin als de man dat destijds had). 33 Het subonderdeel stelt dat aandeelhouderschap niet gelijk is te stellen met ondernemerschap en klaagt dat, voor zover het hof artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden heeft gelezen in die zin dat aandeelhouderschap op zichzelf reeds voldoende zou zijn om verrekening achterwege te laten, die lezing in het licht van de bewoordingen van het artikel onbegrijpelijk is. Volgens het subonderdeel heeft het hof bij zijn beslissing dat de huwelijkse voorwaarden voor de vrouw gunstig waren geformuleerd voor het geval zij de aandelen in de besloten vennootschap van haar vader zou verwerven, geen aandacht besteed aan de stellingen van de vrouw en dient de juistheid daarvan in cassatie veronderstellenderwijs tot uitgangspunt. Het subonderdeel stelt verder dat, nu er op het moment dat de huwelijkse voorwaarden werden overeengekomen geen sprake van was dat één der partijen zou gaan ondernemen, geldt dat de notaris partijen had moeten inlichten over de mogelijke gevolgen van artikel 10 lid 3, welke bepaling voor één van hen nadelig zou kunnen uitpakken. Volgens het subonderdeel kan in het licht van het voorgaande evenmin in stand blijven het oordeel in r.o. 5.6 dat sprake is geweest van maatwerk van de huwelijkse voorwaarden op de toen bestaande situatie. Nu vaststaat dat ten tijde van overeenkomen van de huwelijkse voorwaarden geen van partijen een onderneming dreef en ook niet voornemens was een onderneming te gaan drijven, valt volgens het subonderdeel niet in te zien dat sprake is van maatwerk. Ook in dat verband is van belang dat ondernemerschap niet gelijkgesteld kan worden aan aandeelhouderschap, aldus het subonderdeel.

4.40

In haar akte van 2 mei 2024 heeft de vrouw onder meer het volgende gesteld:

“32. Waarom de notaris in de huwelijkse voorwaarden artikel 10 heeft opgenomen, is raden. Want geen van de partijen was op dat moment ondernemer!

De vrouw houdt staande dat partijen geen enkele inbreng hebben gehad in de inhoud van de huwelijkse voorwaarden.

De boekhouder van vader heeft hem geadviseerd om zijn dochters ( [dochter] is eerder getrouwd) op huwelijkse voorwaarden te laten trouwen, zonder aan te geven waarom; de vader vond dat een goed idee en de vrouw heeft de notaris (bij wie de vader zijn zaken deed) gebeld met de vraag de huwelijkse voorwaarden op te stellen, overigens niet om de onderneming te beschermen (zoals de advocaat van de man onder meer stelt), maar om het familiekapitaal veilig te stellen.”

[onderstreping toegevoegd, A-G]

En in het beroepschrift heeft zij het volgende aangevoerd:

“46. Partijen hebben op 28 augustus 2003 (de dag voor hun bruiloft) hun plicht gedaan: op verzoek van de vader van de vrouw, zijn er huwelijkse voorwaarden opgemaakt.

De vader van de vrouw was ondernemer ( [A] B.V.) en hij [had] dus ook vermogen en zijn dochter zou later in dat vermogen delen.”

4.41

Ik meen dat het bestreden oordeel in r.o. 5.5 niet onbegrijpelijk is, ook niet in het licht van de stellingen die de vrouw na haar verweerschrift in eerste aanleg heeft ingenomen. Die stellingen versterken mijns inziens juist het oordeel van het hof. Uit de stellingen kan namelijk worden afgeleid dat partijen ervan op de hoogte waren dat een deel van de in de huwelijkse voorwaarden op te nemen bepalingen zou strekken tot bescherming van ‘het familiekapitaal’ (of in de woorden van het subonderdeel: “het vermogen aan haar zijde,” waarmee de vrouw wordt bedoeld).

4.42

Met betrekking tot het op zich juiste betoog van het subonderdeel dat aandeelhouderschap niet gelijk is te stellen met ondernemerschap merk ik op dat duidelijk is wat het hof heeft bedoeld. Als de vrouw en/of haar zus de aandelen van de vennootschap van de vader zouden verwerven, bij leven of als erfgenaam na zijn overlijden, dan zouden zij ook inkomsten uit de onderneming verwerven. 34 Uit artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden, bezien in samenhang met artikel 8 lid 3, kan worden afgeleid dat (ook) inkomsten uit de onderneming niet in de verrekenplicht worden betrokken.

4.43

Met betrekking tot het betoog dat de notaris partijen had moeten inlichten over de mogelijke gevolgen van artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden zij verwezen naar de bespreking van subonderdeel 1.1. Uit de stellingen van beide partijen kan worden geconcludeerd dat zij voorafgaand aan hun huwelijk ervan op de hoogte waren dat een deel van de in de huwelijkse voorwaarden op te nemen bepalingen zou strekken tot bescherming van (in de woorden van het subonderdeel) het vermogen aan de zijde van de vrouw. Op grond van dit feit en de door het hof genoemde overige feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan worden aangenomen dat de notaris destijds heeft voldaan aan de in de tweede volzin van art. 43 lid 1 Wna genoemde verplichtingen (mededelings- en toelichtingsplicht). In het licht van de bekendheid bij beide partijen van de ratio van het opmaken van de huwelijkse voorwaarden en het gegeven dat bij het aangaan van het huwelijk beide partijen een baan in dienstbetrekking hadden en er nog helemaal geen sprake van was dat één van hen de (aandelen in de) vennootschap van de vader van de vrouw zou overnemen, rustte er op de notaris op dat moment geen bijzondere vergewis- en waarschuwingsplicht.

4.44

De klacht die zich richt tegen het oordeel in r.o. 5.6 dat sprake is geweest van maatwerk van de huwelijkse voorwaarden, bouwt uitsluitend voort op de voorgaande klachten en dient het lot daarvan te delen. De slotsom is dat subonderdeel 1.4 geen doel treft.

4.45

Subonderdelen 1.5 t/m 1.7 lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Subonderdeel 1.5 is gericht tegen het oordeel in r.o. 5.7 dat het bewijsaanbod van de vrouw om de notaris te doen horen ter bevestiging van haar stelling dat hij partijen onvoldoende heeft ingelicht, wordt gepasseerd. Het hof heeft daartoe overwogen dat de notaris aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Onder verwijzing naar vindplaatsen in de processtukken stelt het subonderdeel dat de vrouw uitdrukkelijk heeft betwist dat de notaris aan partijen tekst en uitleg heeft gegeven over de inhoud en strekking van de huwelijkse voorwaarden en dat zij daarvan concreet en specifiek bewijs heeft aangeboden door middel van het horen van de notaris, diens opvolger, haar vader en haar zus. Het subonderdeel stelt dat het hof heeft miskend dat partijen met betrekking tot feiten die tussen hen in geschil zijn en tot beslissing van de zaak kunnen leiden, een aanspraak hebben op bewijslevering door middel van het horen van getuigen. Indien het bewijsaanbod relevant is en voldoende is gespecificeerd dan moet de rechter dit aanbod honoreren, aldus het subonderdeel. Het subonderdeel stelt dat het bewijsaanbod van de vrouw voldoende concreet en specifiek was en voorts voor de te geven beslissing relevant, en dat het hof de vrouw dan ook had moeten toelaten tot bewijslevering. Indien in het oordeel van het hof besloten ligt dat hetgeen de notaris zal verklaren, niet zou kunnen leiden tot een andere beslissing, omdat het op basis van de op dat moment aanwezige gedingstukken al tot het oordeel was gekomen dat de notaris aan zijn zorgplicht heeft voldaan, heeft het hof zich volgens het subonderdeel schuldig gemaakt aan een verboden prognose. Bovendien, zo vervolgt het subonderdeel, is het hof dan op een te vroeg moment overgegaan tot waardering van de stellingen van partijen en het in de gedingstukken aanwezige bewijsmateriaal.

4.46

Als het hof niet heeft miskend dat een aanbod tot bewijslevering door middel van het horen van getuigen dat voldoet aan de eisen van art. 166 Rv in beginsel moet worden gehonoreerd, is het oordeel volgens subonderdeel 1.6 onbegrijpelijk, omdat het hof niet inzichtelijk maakt op welke (goede) grond het bewijsaanbod van de vrouw wordt gepasseerd. Het subonderdeel stelt dat de motivering in r.o. 5.7 dat het bewijsaanbod wordt gepasseerd omdat het hof tot het oordeel is gekomen dat de notaris aan zijn zorgplicht heeft voldaan, de beslissing niet kan dragen en dat een andere motivering ontbreekt.

4.47

Subonderdeel 1.7 is gericht tegen het oordeel in r.o. 5.7 dat het hof ook voorbijgaat aan het bewijsaanbod van de vrouw om de opvolger van de instrumenterend notaris, de vader van de vrouw en haar zus te doen horen. Het hof heeft daartoe overwogen dat het de verklaringen van deze personen, “zoals hiervoor overwogen,” niet beslissend acht voor een antwoord op de vraag of partijen aan de huwelijkse voorwaarden gebonden zijn. Het middel klaagt op soortgelijke gronden als omschreven in de subonderdelen 1.5 en 1.6 dat het oordeel onjuist is en/of onbegrijpelijk.

4.48

De subonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Ik neem daarbij het door subonderdeel 1.5 geschetste (juiste) kader tot uitgangspunt.

4.49

Ik meen dat het hof het bewijsaanbod van de vrouw heeft kunnen verwerpen op de grond dat dit aanbod niet ter zake dienend is (zie het slot van r.o. 5.7: “Het bewijsaanbod kan daarom niet tot beslissing van de zaak leiden.”). Bewijslevering heeft betrekking op feiten. 35 Het hof is daaraan niet toegekomen, omdat het zijn oordeel dat de notaris aan zijn zorgplicht heeft voldaan heeft gebaseerd op de gang van zaken zoals deze (ook) door de vrouw naar voren is gebracht, dus de door haar gestelde feiten. Bewijs van die feiten kan aan het oordeel van het hof dus niet afdoen. Het hof meent namelijk dat de notaris in de gegeven omstandigheden niet meer hoefde te doen dan de vrouw stelt dat hij heeft gedaan. Op grond van de door het hof in r.o. 5.5 en 5.6 genoemde overige omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kon het hof in elk geval tot het oordeel komen dat de notaris destijds heeft voldaan aan de in de tweede volzin van art. 43 lid 1 Wna genoemde verplichtingen (mededelings- en toelichtingsplicht). Hiervoor is uiteengezet dat de zorgplicht van de notaris in dit geval niet verder reikte. In het licht van de bekendheid bij beide partijen van de ratio van het opmaken van de huwelijkse voorwaarden en het gegeven dat bij het aangaan van het huwelijk beide partijen een baan in dienstbetrekking hadden en er nog helemaal geen sprake van was dat één van hen de (aandelen in de) besloten vennootschap van de vader van de vrouw zou overnemen, rustte er op de notaris op dat moment geen bijzondere waarschuwings- en vergewisplicht. De subonderdelen slagen derhalve niet.

Onderdeel 2

4.50

Het tweede onderdeel heeft als kopje ‘Geen gerechtvaardigd vertrouwen bij de man’. Het onderdeel veronderstelt dat in r.o. 5.7, 5.8 en 5.10 het oordeel besloten ligt dat de man erop mocht vertrouwen dat de wil van de vrouw gericht was op het aangaan van de huwelijkse voorwaarden zoals deze thans voorliggen, zodat zij op die grond aan de huwelijkse voorwaarden gebonden is. Het onderdeel stelt dat een dergelijk oordeel in het licht van de klachten van onderdeel 1 evenmin stand kan houden. Nu het hof, zo stelt het onderdeel, niet kon vaststellen dat de notaris aan zijn zorgplicht had voldaan en partijen voldoende had voorgelicht met betrekking tot de inhoud en strekking van de huwelijkse voorwaarden, kon het hof evenmin (begrijpelijk) vaststellen dat de man er gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat de wil van de vrouw gericht was op die inhoud en strekking.

4.51

Als ik het goed zie, bouwt het onderdeel uitsluitend voort op de klachten van onderdeel 1. Het onderdeel dient dan ook het lot daarvan te delen. Ik kan echter niet nalaten op te merken dat het hof zich volgens mij helemaal niet heeft uitgesproken over het (eventuele) gerechtvaardigde vertrouwen (art. 3:35 BW) van de man, wat begrijpelijk is omdat het hof heeft beslist dat de vrouw haar wilsontbreken niet aannemelijk heeft gemaakt.

Onderdeel 3

4.52

Het derde onderdeel draagt het opschrift ‘Leven als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd’ en is gericht tegen r.o. 5.9 en 5.10, hiervoor in randnummer 3.13 weergegeven. Het onderdeel bevat eerst een inleiding. Daarin wordt aangegeven dat de vrouw in feitelijke aanleg heeft gesteld dat partijen gedurende het huwelijk hebben geleefd als waren zij gehuwd in gemeenschap van goederen en dat zij ook nooit de bedoeling hebben gehad om bij huwelijkse voorwaarden af te wijken van het regime dat geldt in geval van gemeenschap van goederen. Onder verwijzing naar vindplaatsen in de processtukken stelt het onderdeel, verkort weergegeven, dat de vrouw in dat verband heeft aangevoerd dat partijen zowel vóór als tijdens hun huwelijk slechts gemeenschappelijke bankrekeningen hebben gehad waarop de salarissen en eventueel spaargeld werd gestort, dat alle uitgaven van de gemeenschappelijke bankrekening werden betaald, dat partijen over grotere aankopen altijd samen beslissingen namen, dat zij ook altijd gezamenlijk aangifte inkomstenbelasting deden en dat de volstorting van de aandelen van de man vanaf de gezamenlijke bankrekening werd betaald.

4.53

Het onderdeel stelt in de inleiding verder dat het hof in r.o. 5.9 onderkent dat de vrouw stellingen van deze strekking naar voren heeft gebracht en dat het hof daar met juistheid heeft geoordeeld dat een gemeenschappelijke bedoeling van partijen de tussen hen overeengekomen huwelijkse voorwaarden niet kan vervangen. 36 De bedoeling van partijen, zo oordeelt het hof, kan derhalve niet leiden tot afwijking van de bij notariële akte gepasseerde overeenkomst van huwelijkse voorwaarden, mits dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet tot een onaanvaardbare uitkomst leidt. Het onderdeel parafraseert in de inleiding tot slot r.o. 5.10. Het hof heeft daar, na opsomming van verschillende feiten en omstandigheden, geoordeeld dat de uitwerking van de huwelijkse voorwaarden niet leidt tot een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare uitkomst, en dat dit betekent dat partijen vanaf de aanvang van het huwelijk zijn gebonden aan de huwelijkse voorwaarden.

4.54

Het onderdeel valt uiteen in drie subonderdelen. Subonderdeel 3.1 veronderstelt dat de bestreden beslissing voortbouwt op de met onderdeel 1 bestreden oordelen dat de notaris partijen voldoende heeft voorgelicht over de inhoud en strekking van de huwelijkse voorwaarden en zich ervan heeft vergewist dat partijen een en ander ook daadwerkelijk begrepen. Volgens het subonderdeel kan daarom ook de bestreden beslissing niet in stand blijven. Nu er niet van kan worden uitgegaan dat de notaris aan zijn zorgplicht heeft voldaan, valt volgens het subonderdeel niet goed in te zien hoe van partijen mocht worden verwacht dat zij ten tijde van de bedrijfsoverdracht door de vader aan de man rekening hebben kunnen houden met de huwelijkse voorwaarden en deze kritisch te bezien. Ook, zo vervolgt het subonderdeel, konden partijen niet voorzien dat de bedrijfsoverdracht op grond van de huwelijkse voorwaarden voor de vrouw nadelige gevolgen zou kunnen hebben en konden zij dus ook niet (desgewenst) andersluidende afspraken maken. Volgens het subonderdeel is in dat verband mede van belang dat de vrouw heeft gesteld dat partijen niet op de hoogte waren van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden. Het subonderdeel stelt dat de vrouw heeft aangevoerd dat de man na de procedure in eerste aanleg met zoveel woorden heeft erkend dat hij (net als de vrouw) niet op de hoogte was van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden, en dat het hof deze stelling niet in de beoordeling heeft betrokken. Uitgaande van het feit dat partijen niet bekend waren met de inhoud van de huwelijkse voorwaarden, valt volgens het subonderdeel te meer niet in te zien hoe partijen er dan op bedacht hadden moeten zijn dat zij naar aanleiding van de bedrijfsovername door de man wellicht andere afspraken hadden kunnen of moeten maken.

4.55

Het subonderdeel neemt tot uitgangspunt dat niet ervan kan worden uitgegaan dat de notaris aan zijn zorgplicht heeft voldaan door partijen voldoende voor te lichten en zich ervan te verzekeren dat partijen de inhoud en strekking van de huwelijkse voorwaarden en de (mogelijke) gevolgen daarvan ook daadwerkelijk begrepen. Uit de bespreking van de klachten van onderdeel 1 hiervoor blijkt dat dit uitgangspunt naar mijn mening niet juist is. Herhaald zij dat uit de stellingen van beide partijen, en in het bijzonder uit de hiervoor in randnummer 4.39 geciteerde passage uit de akte van de vrouw van 2 mei 2024 waarin de vrouw haar eigen standpunt en dat van de (advocaat van de) man weergeeft, kan worden afgeleid dat zij er allebei van op de hoogte waren dat een deel van de in de huwelijkse voorwaarden op te nemen bepalingen zou strekken tot bescherming van de onderneming (dan wel, zo stelt de vrouw, het vermogen aan haar zijde). Ik heb betoogd dat, gelet hierop en in het licht van de door het hof in r.o. 5.5 en 5.6 genoemde overige feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan worden aangenomen (i) dat de notaris heeft voldaan aan de in de tweede volzin van art. 43 lid 1 Wna genoemde verplichtingen (mededelings- en toelichtingsplicht), en (ii) dat er in het licht van de bekendheid bij beide partijen van de ratio van het opmaken van de huwelijkse voorwaarden en het gegeven dat er bij het aangaan van het huwelijk helemaal nog geen sprake van was dat één van partijen de (aandelen in de) vennootschap van de vader van de vrouw zou overnemen, op de notaris op dat moment geen bijzondere waarschuwings- en vergewisplicht rustte. Het subonderdeel stuit op het voorgaande af.

4.56

Subonderdeel 3.2 bevat de klacht, samengevat, dat het hof bij zijn oordeel uit het oog heeft verloren dat de Hoge Raad na het oordeel in de door het hof in r.o. 5.9 genoemde beschikking van 18 juni 2004 dat een krachtens een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel niet toepasselijk is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, het volgende heeft overwogen:

“4.3 (…) Daarbij verdient aantekening dat bij de beantwoording van de vraag of bij de afrekening tussen voormalige echtelieden na ontbinding van het huwelijk op grond van redelijkheid en billijkheid dient te worden afgeweken van de huwelijkse voorwaarden, zeer wel belang kan worden gehecht aan onderling overeenstemmend gedrag tijdens het huwelijk, ook als dat gedrag afweek van de huwelijkse voorwaarden.”

4.57

Het subonderdeel stelt dat de vrouw heeft gesteld dat tijdens het huwelijk van partijen sprake is geweest van onderling overeenstemmend, van de huwelijkse voorwaarden afwijkend gedrag en dat het hof dit ook in r.o. 5.9 onderkent, maar dat vervolgens uit het oordeel in r.o. 5.10 niet volgt op welke wijze het hof dat gedrag heeft laten meewegen bij de beoordeling of sprake is van “onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.” In zoverre is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel. Uit het oordeel valt volgens het subonderdeel in ieder geval niet af te leiden dat het hof de stellingen van de vrouw heeft verworpen. Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat overeenstemmend gedrag dat afwijkt van het bepaalde in de huwelijkse voorwaarden op geen enkele wijze kan meewegen bij de beoordeling of een beding uit die huwelijkse voorwaarden tussen partijen toepassing vindt, ook niet in het kader van de beoordeling of dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, getuigt dat oordeel volgens het subonderdeel van een onjuiste rechtsopvatting.

4.58

Ik merk op dat in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 18 juni 2004 vaststond dat partijen staande het huwelijk alsnog huwelijkse voorwaarden hadden gemaakt, uitsluitend met het doel het gemeenschappelijk vermogen te vrijwaren van mogelijk toekomstige zakelijke schuldeisers van de man, en dat zij na verdeling van de boedel in financiële zin hadden gehandeld alsof zij nog steeds in gemeenschap gehuwd waren. Dat is een hele andere situatie dan die in de onderhavige zaak aan de orde is. Ik meen dat in het oordeel dat de uitwerking van de huwelijkse voorwaarden niet tot een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare uitkomst leidt, onmiskenbaar de verwerping van de hiervoor in randnummer 4.53 weergegeven stellingen van de vrouw besloten ligt. Die stellingen zijn niet van dien aard dat het hof daarop afzonderlijk diende te responderen. De hoofdstelling houdt in dat partijen een gemeenschappelijke bankrekening hadden (wat automatisch meebrengt dat van die rekening alle uitgaven werden gedaan). Dit feit kan niet reeds leiden tot het oordeel dat sprake is van overeenstemmend gedrag waarmee wordt afgeweken van de huwelijkse voorwaarden. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat partijen gezamenlijk beslissingen hebben genomen over grotere aankopen (wat niet heel vreemd is in een huwelijk) en het feit dat zij gezamenlijk aangifte voor de inkomstenbelasting hebben gedaan (wat kan leiden tot fiscaal voordeel). Het oordeel is in hoge mate feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het subonderdeel kan niet tot cassatie leiden.

4.59

Subonderdeel 3.3 bouwt uitsluitend voort op de voorgaande subonderdelen. Het subonderdeel bevat geen klacht die afzonderlijke bespreking behoeft.

Onderdeel 4

4.60

Het vierde onderdeel draagt het opschrift ‘Vergoedingsrechten’ en is gericht tegen r.o. 5.16, hiervoor in randnummer 3.14 weergegeven. Het hof heeft daar het verzoek van de vrouw tot toekenning aan haar van een vergoedingsrecht van € 22.000,- afgewezen. De vrouw had aan het verzoek ten grondslag gelegd dat haar vader dit bedrag op 20 december 2007 aan haar heeft geschonken onder uitsluitingsclausule, en dat het bedrag op 29 mei 2008 door de man is gebruikt ter volstorting van de aandelen in de door hem opgerichte holding. Het hof heeft geoordeeld dat dit laatste niet is gebleken. Het heeft daartoe in aanmerking genomen (i) dat het geschonken bedrag op de gezamenlijke bankrekening van partijen is gestort, waarna vermenging met het saldo op die rekening heeft plaatsgevonden, en (ii) dat tussen de schenking en de volstorting van de aandelen vijf maanden zijn verstreken waarin het saldo op de gezamenlijke bankrekening met alle daarop in- en uitgaande bedragen is vermengd. Het hof concludeerde dat derhalve kan niet worden vastgesteld dat de volstorting van de aandelen is gedaan met het bedrag dat de vader aan de vrouw heeft geschonken.

4.61

Het onderdeel bevat de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op het subsidiaire standpunt van de vrouw dat, nu het bedrag van € 22.000,- van de gemeenschappelijke bankrekening van partijen is betaald, de volstorting van de aandelen voor de helft met haar geld is gedaan, en zij een vergoedingsrecht heeft van de helft van dat bedrag (€ 11.000,-). Het onderdeel wijst er verder op dat de vrouw heeft gesteld dat de aandelen zijn voldaan uit overgespaarde inkomsten van partijen, zodat die – als daterend uit de periode van vóór 1 januari 2008 toen de man geen ondernemer was – tussen partijen verrekend hadden moeten worden, en dat zij ook in verband daarmee aanspraak heeft gemaakt op een vergoedingsrecht ter zake. 37 Het onderdeel stelt dat het hof ook op die grondslag niet is ingegaan.

4.62

Art. 1:87 lid 1 BW luidt:

“Indien een echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed dat tot zijn eigen vermogen zal behoren, verkrijgt of indien ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een schuld ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend goed wordt voldaan of afgelost, ontstaat voor de eerstgenoemde echtgenoot een plicht tot vergoeding.”

De berekeningswijze voor de vergoedingsrechten in te vinden in het tweede en derde lid.

4.63

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw van haar vader een schenking van € 22.000,- heeft ontvangen. 38 De man heeft wel steeds betwist dat de aandelen zijn volgestort met geld dat ook van de vrouw was. 39 Het hof heeft, evenals de rechtbank, overwogen dat niet is gebleken dat de man de aandelen in mei 2008 heeft volgestort met het door de vader van de vrouw geschonken bedrag van € 22.000,-.

4.64

Het cassatiemiddel neemt tot uitgangspunt dat het door de vader aan de vrouw geschonken bedrag naar de gezamenlijke bankrekening is overgemaakt, waarna vermenging met het saldo op die rekening heeft plaatsgevonden. 40 Inderdaad: ik kan de redenering van het hof in r.o. 5.16 alleen volgen indien ik het zo lees dat het hof met de vrouw heeft aangenomen dat – en ten minste in het midden heeft gelaten of - met een bedrag dat op de gezamenlijke rekening stond, de aandelen van de man zijn volgestort. Over de stelling (ter betwisting van de stelling van de vrouw) van de man dat hij de volstorting uit zijn privévermogen heeft betaald, zegt het hof niets, maar met hetgeen het hof overweegt over de vermenging van het aan de vrouw geschonken bedrag met het saldo op de gezamenlijke rekening valt zonder nadere toelichting moeilijk te verenigen dat er een privébedrag van de man op de gezamenlijke rekening stond waarmee hij zijn aandelen heeft volgestort. 41 Het komt er dus op neer dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat de aandelen van de man zijn volgestort met geld dat mogelijk deels aan de vrouw toekwam. 42

4.65

Daarvan uitgaande geldt het volgende. Voor zover er sprake was van een gemeenschappelijke vordering was haar aandeel in de vordering op de bank privé, aangezien er geen sprake was van een huwelijksgemeenschap maar van een gewone gemeenschap, en dus elk der echtgenoten rechthebbende is van zijn/haar eigen aandeel in een gemeenschappelijk goed. Terecht klaagt het middel mijns inziens erover dat het hof niet is ingegaan op het standpunt van de vrouw “dat, indien en voor zover sprake zou zijn van vermenging, dan toch in ieder geval de volstorting door de man van zijn aandelen vanaf de gezamenlijke bankrekening van partijen, voor de helft met haar geld is gedaan”. Of het inhoudelijke standpunt van de vrouw volledig juist is, kan ik niet beoordelen, omdat dit afhangt van de rechtsverhouding tussen partijen met betrekking tot het saldo op de gezamenlijke rekening. Wel meen ik dat het hof dit punt in het kader van de toepassing van art. 1:87 BW niet onbesproken kon laten na te hebben geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat de volstorting van de aandelen is gedaan met het bedrag dat de vader aan de vrouw heeft geschonken.

4.66

Ik kan de tweede klacht van het onderdeel niet goed volgen. Zo de vrouw betoogt dat het bij het geld waarmee de aandelen zijn volgestort, gaat om overgespaarde inkomsten die hadden moeten worden verrekend, geldt dat deze verrekening nooit heeft plaatsgevonden. Dat er vanaf mei 2008 tot het moment waarop de vrouw haar verzoeken in eerste aanleg heeft ingediend, zestien jaar later, vermenging heeft plaatsgevonden met alle op de gezamenlijke bankrekening in- en uitgaande bedragen, behoeft geen nadere toelichting.

Slotsom

4.67

Gelet op het deels slagen van onderdeel 4 kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.

5Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 25 juni 2025 en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1

Hof Den Haag 25 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1194, RFR 2025/106.

2

Partijen hebben naast hun afzonderlijke verzoeken tot het uitspreken van de echtscheiding verschillende nevenverzoeken ingediend. De meeste van die verzoeken en de daarop gegeven beslissingen zijn thans in cassatie niet meer van belang. Omdat het in cassatie alleen nog gaat over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en één vergoedingsrecht zal ik me in de weergave van het procesverloop toespitsen op die aspecten.

3

Zie voor deze stellingen het vonnis van de rechtbank van 16 augustus 2024, randnummer 2.1.10.

4

Zie voor deze stellingen het vonnis van de rechtbank van 16 augustus 2024, randnummer 2.1.13.

5

Zie voor deze stellingen het vonnis van de rechtbank van 16 augustus 2024, randnummer 2.2.1.

6

De procedure met betrekking tot de echtscheiding en de nevenvoorzieningen heeft zaaknummer C/10/657654 / FA RK 23-3510 gekregen en aan de procedure met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime en de vergoedingsrechten is zaaknummer C/10/662779 / FA RK 23-5415 toegekend. De vrouw heeft later in de procedure nog verzocht om wijziging van eerder getroffen voorlopige voorzieningen. Deze procedure, die niet meer van belang is, heeft zaaknummer C/10/678729/ FA RK 24-3535 gekregen.

7

Rechtbank Rotterdam 16 augustus 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:14096.

8

De rechtbank heeft in de beschikking verder de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de echtelijke woning gelast (rechtsoverwegingen 2.1.22 tot en met 2.1.25) en de man uit hoofde van een (ander) vergoedingsrecht op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden veroordeeld om aan de vrouw € 22.689,01 te voldoen.

9

Zie Asser/Sieburgh 6-III 2022/139. Zie nrs. 610-611 over het onderscheid tussen nietigheid en non-existentie.

10

Zie zijn noot in NJ 2024/194, nr. 12.

11

Vgl. HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3767. In deze zaak, die de Hoge Raad heeft afgedaan met toepassing van art. 81 RO, slaagde het beroep van de vrouw op vernietiging van de huwelijkse voorwaarden en de vaststellingsovereenkomst wegens wederzijdse dwaling (art. 6:228 lid 1, aanhef en onder c, BW) .

12

HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:165, NJ 2024/194, m.nt. L.C.A. Verstappen, AA 2024/0235, m.nt. A.J.M. Nuytinck, JPF 2024/32, m.nt. E.J.M. Cornelissen, RFR 2024/50.

13

Vgl. artikel 5 van de Verordening Beroeps- en Gedragsregels 2011: “De notaris licht alle partijen bij de rechtshandeling waarvoor zijn tussenkomst is ingeroepen voor over de gevolgen van de handeling.”

14

E.R. Helder, ‘Hoe ver rijkt de Belehrungspflicht van de notaris?’, WPNR 2017/7145, p. 300-305; D.T Boks, Notariële aansprakelijkheid. Enige aspecten van de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de notaris (diss. RU Groningen) 2002, par. 3.4.1.1.

15

Melis/Waaijer, De Notariswet 2024/7.4, p. 133.

16

Melis/Waaijer, De Notariswet 2024/7.4, p. 134.

17

HR 20 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0586, NJ 1989/766, m.nt. E.A.A. Luijten (Groningse huwelijkse voorwaarden). De wetgever heeft dit arrest gecodificeerd in art. 43 lid 1 Wna (Wet van 3 april 1999, Stb. 1999, 190, in werking getreden op 1 oktober 1999, houdende wettelijke regeling van het notarisambt).

18

HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8238, NJ 2006/99, AA 2006/0046, m.nt. A.J.M. Nuytinck, JPF 2005/101, m.nt. B.E. Reinhartz (Zeeuwse huwelijkse voorwaarden). Zie over de procesrechtelijke aspecten van de uitspaak: JBPr 2006/3, m.nt. C.J.M. Klaassen.

19

Zie voor deze verkorte feitenweergave: AA 2024/0235, m.nt. A.J.M. Nuytinck (p. 239, l.k.)

20

Zie voetnoot 12.

21

De feitenweergave is ontleend aan de NJ-noot van Verstappen (NJ 2024/194), onder 1.

22

HR 20 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0586, r.o. 3.3.

23

Vgl. HR 20 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0586, r.o. 3.3.

24

Zie ook Melis/Waaijer, De Notariswet 2024/7.5, p. 135: “Uit het arrest wordt duidelijk dat de notaris onder omstandigheden niet kan volstaan met een in algemene bewoordingen gegeven toelichting. Hij zal zijn informatie dan moeten concretiseren en laten overgaan in een waarschuwing. Hij zal duidelijk moeten maken wat de rechtshandeling voor consequenties meebrengt voor juist deze partijen. Daarbij gaat het dan met name om specifiek aan de rechtshandeling verbonden nadelen of risico’s.”

25

Zie zijn noot in NJ 2024/194, punt 13. Vgl. de woorden “zo nodig” in art. 43 lid 1 Wna.

26

Zo schrijft Nuytinck (AA 2024/0235, p. 239 (r.k.)): “En reken maar dat de wijziging van de huwelijkse voorwaarden van 2009 en die van 2016 uiterst nadelig voor de vrouw waren!” Verstappen (NJ 2024/194, punt 5) schrijft dat de wijzigingen waarover het in de zaak gaat erdoor worden gekenmerkt dat het nadeel “buitenproportioneel groot” is en twijfelachtig is of de vrouw zich dat in volle omvang heeft gerealiseerd, ondanks de bemoeienis van de notaris bij de totstandkoming van de wijzigingen.

27

Verwezen wordt naar de akte van de vrouw van 2 mei 2024, onder 21-24, 32-33, 37, 43, 54 en 57-60, en het beroepschrift, onder 12, 31-34 en 45-49.

28

Het onderdeel verwijst naar het beroepschrift, onder 45-46.

29

Het onderdeel verwijst voor deze stellingen onder meer naar het beroepschrift, onder 46, 48, 50-55 en 58-60.

30

Het subonderdeel verwijst naar HR 20 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0586, NJ 1989/766, m.nt. E.A.A. Luijten (Groningse huwelijkse voorwaarden) en HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:165, NJ 2024/194, m.nt. L.C.A. Verstappen.

31

Het subonderdeel verwijst naar HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:165, NJ 2024/194, m.nt. L.C.A. Verstappen.

32

De passage wordt wel afzonderlijk bestreden in het hierna te bespreken subonderdeel 1.4.

33

Het subonderdeel verwijst naar de namens de vrouw genomen akte van 2 mei 2024, onder 32, 33 en 38, en naar het beroepschrift, onder 50-55.

34

Ik merk op dat in artikel 10 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden ook staat: “Onder onderneming is tevens begrepen een in de vorm van een besloten vennootschap of andere rechtspersoon gedreven onderneming, waarin de desbetreffende echtgenoot de zeggenschap heeft hetzij direct hetzij indirect.”

35

En – in het verlengde daarvan – op subjectieve rechten. Zie art. 149 lid 1 Rv, art. 150 Rv en art. 166 lid 1 Rv.

36

Het hof verwijst naar HR 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7004, NJ 2004/399, AA 2005/0472, m.nt. A.J.M. Nuytinck.

37

Zie voor beide stellingen het beroepschrift, randnummer 78. Het laatste standpunt wordt verder uitgewerkt in randnummer 79.

38

Zie voor de stellingen van de man op dat punt het verweerschrift in hoger beroep, randnummers 91 en 96.

39

Zie voor die stelling in hoger beroep het verweerschrift, randnummers 102 en 103: “De man handhaaft zijn betwisting van de stelling van de vrouw, aldus dat hij de volstorting van zijn aandelen heeft betaald uit zijn privévermogen.” [cursivering A-G]

40

Het begrip ‘vermenging’ wordt in deze context (bij- en afschrijvingen van bankrekeningen) in de rechtspraak en de literatuur geregeld gebruikt. Ik vraag me af of dit etiket echt gelukkig is, maar op deze plaats volstaat het dat duidelijk is wat ermee wordt bedoeld.

41

Er zijn uitzonderingen denkbaar, bijvoorbeeld als er verknochte gelden zijn die redelijkerwijze nog als zodanig identificeerbaar zijn (vgl. mijn Conclusie te vinden onder ECLI:NL:PHR:2026:235), maar daarvan blijkt niets uit de zaak.

42

Er valt veel te zeggen over de (goederenrechtelijke) gerechtigheid tot de bedragen op een gezamenlijke rekening (in combinatie met het ontstaan van vergoedingsrechten). Ik verwijs hier echter kortheidshalve naar J.H. Lieber, Vergoedingen in het Nederlandse vermogensrecht (R&P nr. PFR9) 2024/5.5.4; T.M. Subelack, De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.23.2.2; Asser/Perrick 3-V 2023/104, allen met verdere verwijzingen; P.C. van Es, WPNR 2013/6987.

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733