Terug naar de uitspraak

Gerechtshof Amsterdam 14-04-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1041

Datum publicatie29-04-2026
Zaaknummer200.348.720/01
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenErfrecht. Testamentair erfrecht. Legaat. Uitleg testament
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Geschil over bestaan en omvang legaat. Uitleg testament. Notaris- en advocaatkosten slechts gedeeltelijk te kwalificeren als kosten van executele en dus als schulden van de nalatenschap.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer : 200.348.720/01

zaaknummer rechtbank : C/15/341691 / HA ZA 23-378

arrest van de meervoudige familiekamer van 14 april 2026

inzake

[executeur] ,

in privé, dan wel in zijn hoedanigheid van executeur

in de nalatenschap van [erflaatster] (hierna te noemen: erflaatster),

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: [erflaatster],

advocaat: mr. P.F. Keuchenius te Hoorn,

tegen

1 [naam 1] ,

wonende te [plaats B] ,

2. [naam 2] ,

wonende te [plaats B] ,

3. [naam 3] ,

wonende te [plaats C] , gemeente [gemeente 2] ,

4. [naam 4] ,

wonende te [plaats D] , gemeente [gemeente 3] ,

5. [naam 5] ,

wonende te [plaats E] ,

6. [naam 6] ,

wonende te [plaats F] ,

7. [naam 7] ,

wonende te [plaats G] , gemeente [gemeente 4] ,

8. [naam 8] ,

wonende te [plaats F] ,

9. [naam 9] ,

wonende te [plaats H] , gemeente [plaats F] ,

10. [naam 10] ,

wonende te [plaats B] ,

geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten,

hierna samen te noemen: [XX ]

advocaat: mr. M.A. Pool te Alkmaar,

en

11 [naam 11] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,

12. [naam 12] ,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,

13. [naam 13] ,

wonende te [plaats I] , gemeente [gemeente 5] ,

hierna samen te noemen: [XXX],

alle drie niet verschenen.

1De zaak in het kort

Deze erfrechtzaak gaat over de vraag of [erflaatster] nog aanspraak kan maken op (een deel van) een ten gunste van hem door erflaatster in haar testament opgenomen legaat van € 50.000,- voor achterstallig onderhoud van zijn woning en of bepaalde kosten (notariskosten en advocaatkosten) door [erflaatster] als kosten van executele ten laste mogen worden gebracht van de nalatenschap van erflaatster. De rechtbank heeft geoordeeld dat het legaat nog € 27.000,- bedraagt, omdat erflaatster al tijdens haar leven € 23.000,- aan achterstallig onderhoud heeft betaald. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de notariskosten en een deel van de advocaatkosten zijn te kwalificeren als kosten van de executele en dus als schulden van de nalatenschap. Het na aftrek van het legaat en de kosten van executele resterende deel van de nalatenschap van erflaatster dient vervolgens te worden overgemaakt naar de erfgenamen, overeenkomstig ieders deelgerechtigdheid (1/36e deel dan wel 1/12e deel). Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank, met uitzondering van een ondergeschikt onderdeel.

2Het geding in hoger beroep

2.1

[erflaatster] is bij dagvaarding van 2 december 2024 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 13 november 2024 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [erflaatster] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en [XX ] en [XXX] als gedaagden in conventie en [XX ] tevens als eisers in reconventie, hierna te noemen: het bestreden vonnis.

2.2

De verschenen partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties 1 tot en met 3;

- memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens incidenteel hoger beroep, met productie 1;

- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, met productie 4.

2.3

De verschenen partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling op 25 september 2025 doen toelichten door hun advocaten aan de hand van pleitaantekeningen, die aan het hof zijn overgelegd. [XX ] hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nog een akte overlegging producties in het geding gebracht, met daaraan gehecht productie 2.

2.4

Ten slotte is arrest gevraagd.

3Feiten en procesverloop

3.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Ook het hof zal daarvan uitgaan, voor zover in hoger beroep nog van belang. Die feiten zijn, aangevuld met andere relevante feiten die in dit geding zijn komen vast te staan, de volgende.

3.2

[in] 2020 is erflaatster overleden. Zij had geen kinderen of partner.

3.3

Erflaatster heeft op 21 december 2010 haar testament laten opmaken. Daarin heeft zij de kinderen van haar broer [naam 14] en die van haar zus [naam 15] tot erfgenamen benoemd. [erflaatster] en [XXX] (geïntimeerden 11 t/m 13) zijn kinderen van [naam 14] . [XX ] zijn de nog levende kinderen van [naam 15] (te weten geïntimeerden sub 4 t/m 10) en de kinderen van [naam 16] , een zoon van [naam 15] die [in] 2014 is overleden (geïntimeerden sub 1 t/m 3)

3.4

Erflaatster heeft in haar testament [erflaatster] tot executeur benoemd. Verder zijn in het testament legaten opgenomen ten gunste van [erflaatster] . Deze legaten luiden als volgt:

“2. Legaten

Ik legateer, vrij van rechten en kosten, vrij van inbreng, af te geven zo spoedig mogelijk na mijn overlijden, aan:

mijn neef, de heer [executeur] (…), zonder inbreng in- of verrekening bij mijn nalatenschap, boven zijn erfdeel, de (door hem bewoonde) woning met tuin, plaatselijk bekend [adres] , (…), te vermeerderen met een bedrag van vijftig duizend euro voor achterstallig onderhoud in verband met vervanging kozijnen, goten en dak.

De reden van dit legaat is gelegen in het feit dat Kees als laatste is overgebleven van de vennoten die destijds het ouderlijk bedrijf hebben overgenomen. Hij heeft daardoor alle verplichtingen en het daaropvolgend faillissement op zich genomen en viel drie jaar onder de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Ik ben van mening dat enige compensatie hiervoor op zijn plaats is (…)”.

3.5

De kozijnen van de aan [erflaatster] gelegateerde woning (hierna: de woning) zijn in 2011 vervangen. De nieuwe kozijnen hebben € 23.000,- gekost. Dit bedrag is door erflaatster betaald.

3.6

Erflaatster heeft de woning op 29 december 2014 aan [erflaatster] in eigendom overgedragen. In de leveringsakte van 29 december 2014 (hierna: de akte van levering) is onder andere het volgende opgenomen:

“(…)

ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN

Verkoper is nog verplicht voor dier rekening en risico de navolgende onderhouds-werkzaamheden ten gunste van koper te laten verrichten:

- het verwijderen en vervangen van het lekkende astbestdak;

- het vervangen van de lekkende goten en dak;

- het aansluiten van het verkochte op de gasleiding van NUON;

- het repareren van de CV-ketel.”.

3.7

In 2016 zijn de cv-ketel en de radiatoren in de woning op kosten van erflaatster vervangen.

3.8

[erflaatster] heeft zijn benoeming tot executeur aanvaard. De meeste erfgenamen van erflaatster hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. Alle veertien partijen in deze zaak zijn erfgenaam. De kinderen van [naam 16] (geïntimeerden sub 1, 2 en 3) zijn ieder gerechtigd tot 1/36e deel van de nalatenschap en de overige partijen in deze zaak zijn ieder gerechtigd tot 1/12e deel van de nalatenschap.

3.9

De kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, heeft bij beschikking van 19 april 2023 het verzoek van [XX ] om [erflaatster] als executeur te ontslaan en een vereffenaar te benoemen afgewezen.

3.10

Bij inleidende dagvaarding van 29 juni 2023 heeft [erflaatster] gevorderd te bepalen 1) dat de nalatenschap van erflaatster € 69.288,25 bedraagt, 2) dat hem als legataris uit de nalatenschap een bedrag van € 50.000,- toekomt, 3) dat het resterende deel van de nalatenschap de erfgenamen ieder voor gelijke delen toekomt ten titel van hun erfdeel, en 4) dat [erflaatster] gemachtigd wordt tot uitbetaling van het legaat aan zichzelf en tot uitbetaling van de erfdelen.

3.11

[XX ] hebben in reconventie gevorderd dat de rechtbank de omvang van de voor verdeling beschikbare nalatenschap bepaalt op € 84.441,45 en tevens bepaalt dat [erflaatster] hiervan aan [XX ] sub 1 t/m 3 ieder € 2.557,92 en aan de overige erfgenamen ieder € 7.663,77 dient te voldoen.

3.12

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis overwogen dat de vorderingen van [erflaatster] en [XX ] erop neerkomen dat de rechtbank het batig saldo van de nalatenschap, waarop de erfgenamen aanspraak kunnen maken, vaststelt en daarna de wijze van verdeling. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat de nalatenschap bestond uit twee banktegoeden van in totaal € 89.628,25, waarop in mindering komen de uitvaartkosten van € 5.366,80. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat [erflaatster] voldoende heeft onderbouwd dat de notariskosten van [X] Notarissen van € 4.219,67 zijn aan te merken als kosten van executele. Van de door [erflaatster] opgevoerde advocaatkosten van € 12.126,66 heeft de rechtbank een bedrag van € 1.228,- als kosten van executele in aanmerking genomen. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat het legaat niet met de akte van levering is komen te vervallen, dat het legaat moet worden uitgelegd, en dat uitleg van het testament van erflaatster met zich brengt dat het legaat ten gunste van [erflaatster] nog € 27.000,- bedraagt, nu de kozijnen al op kosten van erflaatster voor € 23.000,- zijn vervangen en dit bedrag op de totaal door erflaatster gewilde compensatie van € 50.000,- in mindering moet worden gebracht. De rechtbank heeft beslist dat het resterende banksaldo dient te worden overgemaakt naar de erfgenamen, overeenkomstig ieders deelgerechtigdheid (1/36e deel of 1/12e deel).

3.13

Zowel [erflaatster] (principaal hoger beroep) als [XX ] (incidenteel hoger beroep) zijn met drie grieven tegen het vonnis van 13 november 2024 opgekomen.

4Omvang van het geschil en beoordeling

Principaal hoger beroep

4.1

[erflaatster] heeft – na wijziging van eis bij dagvaarding in hoger beroep - geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. zal bepalen dat de nalatenschap van erflaatster € 69.288,25 bedraagt, althans voor recht zal verklaren dat de omvang van de nalatenschap € 85.634,58 bedroeg, waarin per datum inleidende dagvaarding een bedrag van € 16.346,33 aan kosten is gemaakt, zodat € 69.288,25 resteert voor legaat en erfdelen behoudens daarna nog gemaakte en eventueel nog te maken kosten;

II. voor recht zal verklaren dat door [erflaatster] in de uitoefening van zijn taak nadien nieuwe kosten zijn gemaakt voor een bedrag van € 7.972,72, te weten € 3.887,69 aan […] Advocaten en € 4.185,03 aan […] Advocaten N.V., die door [erflaatster] op grond van het testament ten laste van de te verdelen nalatenschap kunnen worden gebracht;

III. zal bepalen dat aan [erflaatster] uit de nalatenschap van erflaatster een bedrag van € 50.000,- toekomt uit hoofde van het legaat;

IV. zal bepalen dat, na uitbetaling van het legaat aan [erflaatster] , het resterende deel van de nalatenschap de erfgenamen ieder voor gelijke delen toekomt ten titel van hun erfdeel;

V. [erflaatster] zal machtigen om over te gaan tot uitbetaling van het legaat aan zichzelf en tot uitbetaling van de respectievelijke erfdelen aan de erfgenamen van de bankrekening van erflaatster en om vervolgens deze bankrekeningen op te (laten) heffen;

VI. [XX ] en [XXX] zal veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Incidenteel hoger beroep:

4.2

[XX ] hebben – na eiswijziging - geconcludeerd:

Primair

I. dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en

opnieuw rechtdoende:

II. zal verklaren voor recht dat het legaat van [erflaatster] is komen te vervallen;

III. zal verklaren voor recht dat [erflaatster] uit hoofde van de akte van levering uit 2014 geen aanspraak meer kan maken op vervanging van het dak en de goot van zijn woning;

IV. zal bepalen dat de voor verdeling beschikbare omvang van de nalatenschap een bedrag groot € 84.411,45, althans een door uw gerechtshof in goede justitie te bepalen ander bedrag bedraagt;

V. de wijze van verdeling aldus zal vaststellen dat [XX ] sub 1 t/m 3 ieder gerechtigd zijn tot 1/36e deel van de nalatenschap en de overige erfgenamen ieder tot 1/12e deel van de nalatenschap;

VI. [erflaatster] zal veroordelen om – binnen twee weken na het in deze te wijzen arrest – uit hetgeen hij uit hoofde van het bestreden vonnis teveel heeft ontvangen, aan [XXX] en [XX ] te voldoen;

VII. De proceskosten in beide instanties zal compenseren;

Subsidiair

I. Indien en voor zover het primaire onder II door [XX ] gevorderde zal worden afgewezen, het bestreden vonnis zal bekrachtigen;

II. De proceskosten in beide instanties zal compenseren.

Het legaat

4.3

Grief 1 van [erflaatster] en de grieven 1 en 2 van [XX ] hebben betrekking op (de omvang van) het legaat en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4.3.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat het legaat niet met de akte van levering van 29 december 2014 (zie onder 3.6 hiervoor) is komen te vervallen en dat het recht van [erflaatster] om op kosten van erflaatster vervanging te vorderen van de goten en het dak van de woning niet gelijk te stellen is aan het vorderingsrecht dat erflaatster bij uiterste wilsbeschikking aan [erflaatster] heeft toegekend (het legaat van € 50.000,-). De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat in het testament duidelijk tot uitdrukking is gebracht dat erflaatster met de legaten, dat wil zeggen met de woning en een bedrag van € 50.000,-, [erflaatster] wilde compenseren voor de negatieve gevolgen die [erflaatster] had ondervonden van het feit dat hij als enige vennoot van het ouderlijk bedrijf overbleef. Uit de bewoordingen van het legaat volgt duidelijk dat het bedrag van € 50.000,- was bedoeld om de kozijnen, de goten en het dak te vervangen. Omdat de kozijnen na het testament op kosten van erflaatster voor € 23.000,- zijn vervangen, dient dit bedrag op de totaal door erflaatster gewilde compensatie in mindering te worden gebracht. Het legaat ten gunste van [erflaatster] bedraagt daarmee € 27.000,-, aldus de rechtbank.

4.3.2

[erflaatster] komt in zijn grief 1 op tegen het oordeel van de rechtbank dat nog slechts € 27.000,- van het legaat resteert. Het bedrag van € 50.000,- dat erflaatster aan [erflaatster] legateerde, was volgens [erflaatster] volstrekt ontoereikend voor het vervangen van kozijnen, goten en dak en uit niets blijkt dat erflaatster een gemotiveerd idee had over het bedrag van de benodigde gelden. Erflaatster is zelf al direct na het tot stand komen van het testament begonnen met het op haar kosten vervangen van de kozijnen, wat alleen al € 23.000,- bleek te kosten. Daarin heeft zij geen aanleiding gezien haar testament te veranderen. De reden hiervoor kan goed zijn dat [erflaatster] dan tekort zou komen. Aanwijzing daarvoor is volgens [erflaatster] dat erflaatster bij de overdracht van de woning alsnog op zich heeft genomen om goten en dak op haar kosten te vervangen. Dat is weliswaar een doublure met het legaat, maar drukt wel duidelijk haar bedoeling uit. Overigens zou [erflaatster] op grond van de akte van levering van 29 december 2014 aanspraak kunnen maken op de volledige kosten van vervanging van goten en dak, te weten een bedrag van € 84.442,11, maar hij neemt genoegen met het in het testament genoemde bedrag van € 50.000,-.

4.3.3.

[XX ] stellen zich in hun grieven 1 en 2 primair op het standpunt dat het legaat is komen te vervallen doordat erflaatster bij leven 1) de kozijnen van de woning al heeft laten vervangen, 2) de woning om niet aan [erflaatster] heeft overgedragen en 3) zich in de akte van levering verplicht om de goot en het dak te vervangen. Indien een gelegateerd goed niet meer tot de nalatenschap behoort, komt het legaat te vervallen. Erflaatster heeft in de akte van levering uit 2014 niet (opnieuw) de verplichting op zich genomen om ook de kozijnen van de woning te vervangen, terwijl zij wel opnieuw de verplichting om het dak en de goot te herstellen in die akte heeft doen vermelden. Die werkzaamheden waren – anders dan het vervangen van de kozijnen – namelijk nog niet uitgevoerd. Hieruit blijkt dat erflaatster de akte van levering uit 2014 als vervanging van het legaat heeft beschouwd en zij het legaat dus niet meer heeft gewild. Zoals echter valt af te leiden uit randnummer 4.14 van de memorie van grieven, heeft [erflaatster] in rechte afstand gedaan van zijn recht op nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de akte van levering uit 2014, zodat er geen verplichting meer voor de erfgenamen bestaat achterstallig onderhoud aan [erflaatster] te vergoeden. Het subsidiaire standpunt van [XX ] is dat het legaat van € 50.000,- met € 23.000,- moet worden verminderd, omdat erflaatster de kozijnen van de woning al bij leven heeft vervangen, een en ander overeenkomstig het oordeel van de rechtbank. Uit niets blijkt – aldus [XX ] – dat erflaatster [erflaatster] volledig heeft willen compenseren. Tot slot betwisten [XX ] evenals in eerste aanleg dat de kosten voor vervanging van de goten en het dak een bedrag van € 84.442,11 zouden bedragen.

4.3.4

Het hof overweegt als volgt. Uit de door [erflaatster] als productie 8 bij inleidende dagvaarding overgelegde beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 april 2023, waarbij het verzoek van [XX ] om [erflaatster] als executeur te ontslaan en een vereffenaar te benoemen is afgewezen, valt af te leiden dat [erflaatster] zich in eerste instantie op het standpunt heeft gesteld dat hij op grond van de leveringsakte van 29 december 2014 een vordering had op de nalatenschap van erflaatster voor een bedrag van € 83.442,11 wegens vervanging kozijnen, goten en dak. Op de zitting in die procedure is namens [erflaatster] echter gezegd dat hij niet langer een beroep deed op een vordering uit de leveringsakte, maar slechts op het aan hem toekomende legaat uit het testament van erflaatster van € 50.000,-. In punt 25 van de inleidende dagvaarding in deze zaak lijkt het alsof [erflaatster] hierop terugkomt: daar staat dat [erflaatster] zich bij een vermindering van het legaat zal beroepen op de verplichtingen die erflaatster uit hoofde van de akte van levering had. In de pleitnota voor de zitting in deze zaak bij de rechtbank is namens [erflaatster] echter expliciet meegedeeld dat [erflaatster] afstand heeft gedaan van zijn aanspraken uit de leveringsakte. [XX ] hebben terecht erop gewezen dat [erflaatster] dit standpunt in punt 4.14 van zijn memorie van grieven heeft herhaald. Het hof is dan ook van oordeel dat [XX ] zich terecht op het standpunt stellen dat [erflaatster] inderdaad afstand heeft gedaan van zijn recht op nakoming van de onderhoudsverplichtingen, voortvloeiende uit de akte van levering. Ter zitting van het hof heeft de advocaat van [erflaatster] nog wel het standpunt ingenomen dat slechts voorwaardelijk afstand van recht zou zijn gedaan, namelijk voor het geval – zo begrijpt het hof – geen aanspraak zou kunnen worden gemaakt op het (volledige) legaat. Het hof gaat aan dat betoog voorbij. [XX ] hebben terecht aangevoerd dat zij de stellingen van [erflaatster] niet zo hebben begrepen en gelet op hetgeen hiervoor is besproken, bestond ook geen aanleiding voor hen dit standpunt van [erflaatster] aldus te begrijpen. Een en ander houdt in dat de bij wege van eisvermeerdering ingestelde primaire vordering onder III van [XX ] , te weten dat het hof voor recht verklaart dat [erflaatster] uit hoofde van de akte van levering geen aanspraak meer kan maken op vervanging van het dak en de goot van zijn woning, voor toewijzing in aanmerking komt.

4.3.5

Het meest verstrekkende verweer van [XX ] in hoger beroep is (wederom) dat een en ander betekent dat er geen verplichting meer voor de erfgenamen bestaat om nog enig achterstallig onderhoud aan [erflaatster] te vergoeden, nu het legaat niet meer bestaat en [erflaatster] in rechte afstand heeft gedaan van zijn recht op nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de akte van levering uit 2014. Het hof volgt [XX ] niet in (het eerste onderdeel van) dit verweer en wel om de volgende reden. Artikel 4:49 BW bepaalt dat een ten laste van een erfgenaam gemaakt legaat van een bepaald goed, of van een op een bepaald goed te vestigen recht, vervalt, indien het goed bij het openvallen van de nalatenschap daartoe niet behoort, tenzij uit de uiterste wil zelf is af te leiden dat erflater de beschikking niettemin heeft gewild. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning ten tijde van het overlijden van erflaatster niet meer tot de nalatenschap behoorde, omdat erflaatster deze woning reeds in 2014 aan [erflaatster] had overgedragen. Dat geldt echter niet voor het onderdeel van het legaat dat ziet op een vorderingsrecht in verband met achterstallig onderhoud ten bedrage van € 50.000,-. Het gaat hier om een verplichting tot betaling van een geldbedrag en geld is een naar soort bepaald goed (soortzaak ofwel genuszaak), waardoor ten aanzien van dit onderdeel van het legaat geen sprake is van een bepaald goed zoals bedoeld in artikel 4:49 lid 1 BW, terwijl vaststaat dat de nalatenschap van erflaatster over voldoende middelen beschikt om dit legaat te voldoen. Het hof gaat in dit verband – ook gelet op onderstaande overwegingen over de uitleg - voorbij aan het andersluidende bericht van [X] Notarissen van 6 juli 2023, dat als productie 2 bij akte overlegging producties van de zijde van [XX ] is overgelegd. Datzelfde geldt voor de stelling van [XX ] dat opname in de leveringsakte van de verplichting van erflaatster om de goten en het dak voor haar rekening te vervangen, moet worden gezien als een vroegtijdige afgifte van het legaat; vervanging van de goten en het dak door erflaatster voor haar rekening en risico is niet een zelfde verplichting en heeft bovendien niet plaatsgevonden tijdens haar leven. De conclusie is dan ook dat het legaat van € 50.000,- niet vervallen is. Daarmee faalt dan ook grief 1 van [XX ]

4.3.6

De vraag is vervolgens of [erflaatster] nu nog aanspraak kan maken op het gehele legaat van € 50.000,-, zoals hij stelt in grief 1, of slechts nog op een bedrag van € 27.000,-, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, omdat al tijdens het leven van erflaatster voor haar rekening de kozijnen zijn vervangen voor een bedrag van € 23.000,-. De rechtbank heeft terecht overwogen dat beantwoording van die vraag uitleg van het testament vergt. De wet geeft in artikel 4:46 BW regels voor de uitleg van testamenten (uiterste wilsbeschikkingen). Daarbij moet worden gelet op de verhoudingen die de erflater kennelijk wenste te regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt. Daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen alleen bij de uitleg worden gebruikt als het testament zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft. Feiten en omstandigheden van na het maken van de uiterste wil zijn van belang omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt of van verhoudingen die erflater in zijn uiterste wil kennelijk wenste te regelen.

4.3.7

Tussen partijen is allereerst niet in geschil (zie punt 4.4 van de memorie van grieven en punt 3.12 van de memorie van antwoord in principaal [X] , tevens incidenteel [X] ) dat de reden voor het bewuste legaat is geweest dat [erflaatster] als enige in het familiebedrijf is blijven werken en dus als enige door het faillissement van dit bedrijf financieel is geraakt, waardoor hij in de schuldsanering is terechtgekomen. Uit het testament van erflaatster komt duidelijk naar voren dat zij [erflaatster] hiervoor in enige mate (“enige compensatie”) heeft willen compenseren. Deze compensatie bestond eruit dat erflaatster ervoor zou zorgen dat [erflaatster] zijn woning, die erflaatster vanwege het faillissement al eerder van hem had overgenomen, terugkreeg en wel in bewoonbare staat, waartoe zij een bedrag van € 50.000,- ter beschikking stelde voor de vervanging van kozijnen, goten en het dak. Daarnaast staat vast dat kort na het opstellen van het testament de kozijnen van de woning op kosten erflaatster zijn vervangen. Zoals onder 4.3.2 uiteengezet, betoogt [erflaatster] in hoger beroep dat het bedrag van € 50.000,- volstrekt ontoereikend was voor het vervangen van kozijnen, goten en dak en dat uit niets blijkt dat erflaatster een gemotiveerd idee had over het bedrag van de benodigde gelden. Het was de notaris die per se een bedrag in het legaat wilde opnemen en het bedrag van € 50.000,- was een ongemotiveerde lekenschatting. Daarin past volgens [erflaatster] het feit dat erflaatster – nadat zij in 2011 op haar kosten de kozijnen had laten vervangen – geen aanleiding heeft gezien haar testament te veranderen. De reden hiervoor kan goed zijn dat [erflaatster] dan tekort zou komen. Aanwijzing daarvoor is volgens [erflaatster] dat erflaatster bij de overdracht van de woning alsnog op zich heeft genomen om goten en dak op haar kosten te vervangen.

4.3.8

Naar het oordeel van het hof biedt het testament van erflaatster onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van [erflaatster] dat hij, ondanks het feit dat erflaatster in 2011 op haar kosten de kozijnen van de woning heeft laten vervangen, nog steeds aanspraak kan maken op een bedrag van € 50.000,-. Integendeel, uit het testament van erflaatster kan nu juist worden afgeleid dat zij [erflaatster] met een bedrag van maximaal € 50.000,- heeft willen compenseren voor de kosten van achterstallig onderhoud aan kozijnen, goten en dak. Dit volgt uit de duidelijke bewoordingen “te vermeerderen met een bedrag van vijftig duizend euro voor achterstallig onderhoud in verband met vervanging kozijnen, goten en dak”. Indien erflaatster had gewild dat alle kosten van [erflaatster] voor het achterstallig onderhoud aan de kozijnen, de goten en het dak aan [erflaatster] zouden worden vergoed, had zij dat in haar testament kunnen bepalen. Dat nu is niet gebeurd. Zoals gezegd, spreekt erflaatster slechts over “enige compensatie”. De stelling dat erflaatster bij de hoogte van het bedrag is afgegaan op een advies van de notaris en dat zij zelf geen idee had van de omvang van de totale kosten van herstel van kozijnen, goten en dak, zoals [erflaatster] betoogt, maakt een en ander niet anders, nog daargelaten de juistheid van deze door [XX ] gemotiveerd betwiste stelling. Erflaatster heeft heel specifiek een budget van € 50.000,- in haar testament opgenomen ten behoeve van duidelijk omschreven achterstallig onderhoud. Kennelijk vond erflaatster dit bedrag een passende vergoeding voor het te verrichten achterstallig onderhoud aan 1) de kozijnen, 2) de goten en 3) het dak. Waar erflaatster al in 2011 de kozijnen voor haar rekening had laten vervangen voor een bedrag van € 23.000,-, ligt het dan ook niet voor de hand om aan te nemen dat erflaatster de bedoeling heeft gehad dat [erflaatster] voor het nog te verrichten achterstallig onderhoud aan de goten en het dak alsnog het volledige bedrag van € 50.000,- zou krijgen. Voor zover [erflaatster] bewijs heeft aangeboden op dit punt – en dan met name omtrent het advies van de notaris – is dat aanbod dus niet ter zake dienend en gaat het hof daaraan voorbij.

4.3.9

Dat erflaatster bij levering van de woning aan [erflaatster] in 2014 in de akte van levering de verplichting op zich heeft genomen om nog bepaalde onderhoudswerkzaamheden voor haar rekening te nemen ten gunste van [erflaatster] , maakt het voorgaande niet anders. Volgens [erflaatster] in zijn memorie van grieven vormde de leveringsakte een doublure met het legaat, waaraan hij ter zitting desgevraagd heeft toegevoegd dat erflaatster met de latere obligatoire overeenkomst zeker wilde stellen dat haar wil zou worden uitgevoerd. Daarmee is geheel in overeenstemming dat in de opsomming van de onderhoudswerkzaamheden in de akte van levering die voor rekening en risico van erflater zouden komen het vervangen van de kozijnen ontbreekt en – voor zover van belang – nog slechts over het vervangen van de goten en het dak wordt gesproken. Voor zover uit de stellingen van [erflaatster] moet worden afgeleid dat hij zich erop beroept dat hij desondanks uit de betreffende bepaling mocht afleiden dat hij alsnog recht had op € 50.000,- voor het vervangen van de goten en het dak, heeft hij onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit hij een dergelijk gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen putten. Daarbij acht het hof van belang dat [erflaatster] – zoals hij zelf heeft gesteld - in 2010 al volledig op de hoogte was van de inhoud van het testament van erflaatster met daarin het bewuste legaat van (slechts) € 50.000,- voor achterstallig onderhoud aan drie specifiek genoemde zaken, waarvan er één in 2011 al was uitgevoerd. Daarom is ook geen ruimte voor een bewijsopdracht op dit punt.

4.3.10

De conclusie is dat – gelet op de verhouding die erflaatster in haar testament kennelijk wenste te regelen en de omstandigheden van na het maken van de uiterste wil – het testament van erflaatster zo moet worden uitgelegd dat het bedrag van € 50.000,- was bedoeld voor achterstallig onderhoud van drie bij name genoemde zaken en, nu een van de drie zaken al voor het overlijden van erflaatster op haar kosten was vervangen, dit bedrag in mindering komt op het totale door erflaatster aan [erflaatster] ter beschikking gestelde budget. Grief 1 van [erflaatster] faalt derhalve en datzelfde geldt voor grief 2 van [XX ] . De door [XX ] bij wege van eiswijziging primair onder II gevorderde verklaring voor recht dat het legaat van [erflaatster] is komen te vervallen, als ook de primaire vordering onder IV van [XX ] , voor zover daarin wordt gevorderd te bepalen dat de voor verdeling beschikbare omvang van de nalatenschap een bedrag van € 84.411,45 bedraagt, komen dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

Notaris- en advocaatkosten

4.4

Grief 2 van [erflaatster] en grief 3 van [XX ] lenen zich eveneens voor gezamenlijke bespreking, nu deze betrekking hebben op de vraag of [erflaatster] de door hem opgevoerde advocaatkosten ten laste van de nalatenschap kan brengen.

4.4.1

In zijn inleidende dagvaarding heeft [erflaatster] een bedrag van € 12.126,66 aan advocaatkosten opgevoerd. Na eiswijziging heeft hij daaraan een bedrag van € 7.972,72 aan advocaatkosten toegevoegd. De rechtbank heeft de eiswijziging buiten beschouwing gelaten en slechts de oorspronkelijke vordering beoordeeld. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat [erflaatster] zijn (voormalig) advocaat niet alleen heeft ingeschakeld in verband met zijn door [XX ] verzochte ontslag als executeur, maar dat deze ook zijn (privé) belangen behartigde in de discussie over zijn aanspraken als legataris en als (gewone) schuldeiser op grond van de akte van levering. Omdat de vorige advocaat van [erflaatster] dus ook voor [erflaatster] optrad in zijn hoedanigheid van legataris/schuldeiser, kan de rechtbank niet “zomaar” concluderen dat de advocaatkosten van € 12.126,66 als kosten van executele zijn aan te merken. Omdat vaststaat dat [erflaatster] door zijn voormalig advocaat werd bijgestaan in de procedure, waarin [XX ] zijn ontslag als executeur verzochten, acht de rechtbank een vergoeding van € 1228,-- (2 punten x tarief II van het liquidatietarief) voor advocaatkosten redelijk.

4.4.2

In grief 2 wijst [erflaatster] allereerst op het testament van erflaatster, waarin onder “Het loon” is opgenomen dat de door de executeur in de uitoefening van zijn taak gemaakte kosten voor rekening van de nalatenschap komen. Waar het de taak van de executeur is om de schulden van de nalatenschap te voldoen en de afgifte van een legaat een schuld is van de nalatenschap, en [erflaatster] deze zaak als executeur heeft uit te voeren, komen de door hem daarbij gemaakte kosten ten laste van de nalatenschap. Er is – aldus [erflaatster] – geen twijfel dat [XX ] zich in en buiten rechte hebben verzet tegen de door [erflaatster] in overeenstemming met de wil van erflaatster voorgestane wijze van afdoening. Het beroep door [erflaatster] op de rechtbank in de onderhavige procedure kan daarom op geen enkele wijze worden gezien als onnodig, onterecht of ongerechtvaardigd. Volgens het petitum, zoals dat in de appeldagvaarding luidt, vordert [erflaatster] in hoger beroep een bedrag van € 12.126,66 aan advocaatkosten en het eerder bij wege van – geweigerde – eiswijziging opgevoerde bedrag van € 7.972,72. Daaraan heeft hij in de memorie van grieven nog een rekening van [X] Notarissen van 2 december 2024 voor een bedrag van € 893,48 inclusief btw toegevoegd, die volgens [erflaatster] dient te worden begrepen onder gemaakte en eventueel nog te maken kosten als bedoeld onder I van het petitum.

4.4.3

[XX ] betwisten de stellingen van [erflaatster] en voeren in grief 3 van hun memorie van antwoord aan dat de door [erflaatster] opgevoerde advocaatkosten in het geheel niet ten laste van de nalatenschap kunnen komen. Het beroep van [erflaatster] op de bepaling in het testament van erflaatster omtrent het loon van de executeur kunnen [XX ] niet volgen, aangezien die bepaling ziet op de door de executeur in de uitoefening van zijn taak gemaakte kosten, en van dat laatste is nu juist geen sprake. Volgens [XX ] zijn de kosten voor de procedure rondom het ontslag als executeur uitsluitend gemaakt omdat [erflaatster] ten onrechte aanspraak maakte op het legaat van € 50.000,-. Deze kosten hadden kunnen worden voorkomen als [erflaatster] zijn taken behoorlijk had vervuld of ontslag had genomen als executeur wegens tegenstrijdige belangen, zodat een derde dit had kunnen vervullen. Uit het testament blijkt verder niet dat erflaatster heeft willen afwijken van het wettelijk systeem met betrekking tot de executeurskosten. Ook buitengerechtelijke kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, aldus nog steeds [XX ]

4.4.4

Wat betreft de door [erflaatster] opgevoerde advocaatkosten is het hof van oordeel dat hetgeen [erflaatster] op dit punt in hoger beroep heeft aangevoerd – ook in het licht van het gemotiveerde verweer van [XX ] – volstrekt onvoldoende is om aan te nemen dat de aan hem door zijn advocaten verleende rechtsbijstand uitsluitend betrekking heeft (gehad) op executeurs-werkzaamheden. Zoals de rechtbank heeft overwogen, behartig(d)en de advocaten van [erflaatster] ook belangen van [erflaatster] in deze procedure over zijn aanspraken als legataris en als (gewone) schuldeiser op grond van de akte van levering. [erflaatster] heeft op dit punt niet kunnen volstaan met de stelling dat het de taak van de executeur is om de schulden van de nalatenschap te voldoen, dat de afgifte van een legaat een schuld is van de nalatenschap, dat [erflaatster] deze taak als executeur heeft uit te voeren, en de door hem daarbij gemaakte kosten dus ten laste van de nalatenschap komen. Van [erflaatster] had mogen worden verwacht dat hij nader had toegelicht welk deel van de door hem opgevoerde advocaatkosten betrekking heeft op zijn werkzaamheden als executeur en welk deel ziet op bijstand aan [erflaatster] in zijn hoedanigheid van legataris/gewone schuldeiser. Nu [erflaatster] dit heeft nagelaten, is het hof van oordeel dat grief 2 van [erflaatster] faalt.

4.4.5

Hetzelfde geldt voor grief 3 van [XX ] , die – voor zover het hof deze begrijpt – uitsluitend nog betrekking heeft op het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 1.228,- aan advocaatkosten met betrekking tot de procedure in verband met het verzoek van [XX ] tot ontslag van [erflaatster] als executeur. [XX ] stellen in dit verband dat deze kosten van [erflaatster] niet nodig waren geweest als [erflaatster] zijn taken als executeur behoorlijk had vervuld. Het hof gaat voorbij aan deze stelling, simpelweg omdat niet is komen vast te staan dat [erflaatster] zijn taken als executeur niet naar behoren heeft vervuld. Een en ander betekent dat grief 3 niet kan leiden tot de vaststelling van een lagere omvang van de nalatenschap dan volgens het vonnis van de rechtbank, zodat de primaire vordering van [XX ] onder IV ook om die reden wordt afgewezen.

4.4.6

[erflaatster] heeft zijn vordering voor wat betreft de notariskosten vermeerderd in de memorie van grieven met een bedrag van € 893,48 ter zake van een als productie 3 overgelegde rekening van [X] Notarissen van 2 december 2024. [XX ] hebben in hoger beroep betwist dat deze factuur als schuld van de nalatenschap kan worden aangemerkt, nu niet kan worden vastgesteld welke werkzaamheden door [X] Notarissen zijn verricht en niet uitgesloten kan worden dat deze factuur ziet op werkzaamheden in het belang van [erflaatster] als legataris. Gelet op deze gemotiveerde betwisting, heeft [erflaatster] onvoldoende onderbouwd dat deze factuur betrekking heeft op werkzaamheden die ten laste van de nalatenschap dienen te komen. De vermeerderde eis wordt dan ook afgewezen.

Proceskosten eerste aanleg

4.5

In grief 3 stelt [erflaatster] dat de rechtbank ten onrechte de proceskosten in eerste aanleg (in conventie en reconventie) heeft gecompenseerd. Erflaatster heeft gewild en bepaald dat de in de uitvoering van zijn taak door [erflaatster] gemaakte kosten voor rekening van de nalatenschap komen. Er is dan ook geen grond om te bepalen dat de door [erflaatster] gemaakte kosten voor zijn eigen rekening komen, aldus [erflaatster] . Deze grief faalt op dezelfde gronden als grief 2 van [erflaatster] . Hij is er niet in geslaagd aan te tonen dat de door hem gemaakte advocaatkosten zien op zijn hoedanigheid van executeur. Daarom is er geen reden om deze kosten ten laste van de nalatenschap te brengen.

Slotsom en televisie

4.6

De slotsom is dat zowel de grieven van [erflaatster] , als die van [XX ] geen doel treffen en dat de eiswijziging van [erflaatster] wordt afgewezen. Aangezien [XX ] ter zitting van het hof hebben meegedeeld dat zij geen aanspraak meer maken op de opbrengst van de televisie, kan onderdeel 5.2 van het vonnis niet in stand blijven, doch uitsluitend voor zover het de verwijzing naar 4.29 van het bestreden vonnis betreft, waarin de rechtbank heeft bepaald dat de tot de nalatenschap behorende televisie aan een derde moet worden verkocht en de verkoopopbrengst aan de erfgenamen toekomt. Het hof zal het vonnis in zoverre vernietigen en voor het overige bekrachtigen. Onderdeel V van het primair door [XX ] gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu deze vordering reeds in eerste aanleg is toegewezen. Het bij wege van eiswijziging primair gevorderde onderdeel VI deelt hetzelfde lot, nu daaraan – voor zover het hof begrijpt – reeds uitvoering is gegeven. Wel zal het hof de bij wege van eisvermeerdering door [XX ] in onderdeel III primair gevorderde verklaring voor recht toewijzen, zoals hiervoor overwogen onder 4.3.4. Tot slot ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren.

5Beslissing

Het hof:

in principaal en in incidenteel hoger beroep:

vernietigt onderdeel 5.2 van het dictum van het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend voor zover het de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflaatster betreft zoals vastgesteld in 4.29 van het vonnis;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflaatster vast zoals in 4.28 en 4.30 van het bestreden vonnis is vermeld;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

en in aanvulling daarop:

verklaart voor recht dat [erflaatster] uit hoofde van de akte van levering van 29 december 2014 geen aanspraak meer kan maken op vervanging van het dak en de goot van zijn woning;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.R. Sturhoofd, H.A. van den Berg en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733