Terug naar de uitspraak

Rechtbank Den Haag 27-03-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9919

Datum publicatie28-04-2026
ZaaknummerC/09/669328 (echtscheiding) en C/09/688015 (verdeling)
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen. Alimentatie. Familievermogensrecht. Verdeling. Opzettelijk verzwijgen 3:194 BW
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

volgt

Volledige uitspraak


Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummers: FA RK 24-4979 (echtscheiding) en FA RK 25-5083 (verdeling)

Zaaknummers: C/09/669328 (echtscheiding) en C/09/688015 (verdeling)

Datum beschikking: 27 maart 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 8 juli 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: voorheen mr. N.M. van Leeuwen te Gouda, nu mr. J.E. Sondorp te Gouda.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. P.C.E. van den Hoek te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het F9-formulier van 22 juli 2024 van de advocaat van de man, met bijlage;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;

- het F9-formulier van 27 oktober 2024 van de advocaat van de man, met bijlage;

- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

- het F9-formulier van 18 maart 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;

- het verweerschrift van 28 mei 2025 van de advocaat van de man;

- het F9-formulier van 17 oktober 2025 van de advocaat van de man, met bijlagen;

- het F9-formulier van 17 oktober 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;

- het F9-formulier van 21 oktober 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;

- het bericht van 29 december 2025 van [instelling] ;

- het aanvullend verzoekschrift van 13 februari 2026 van de advocaat van de man;

- het F9-formulier van 13 februari 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;

- het F9-formulier van 25 februari 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen.

Op 27 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk H. Rida;

- [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad);

- [naam 2] en [naam 3] , namens [instelling] .

Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- het F9-formulier van 6 maart 2026 van de advocaat van de man;

- het F9-formulier van 6 maart 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlage.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [dag] 2019 te [plaats 1] .

- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] ;

- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2024 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 3] .

- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

- Deze rechtbank heeft op 18 september 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, waarbij, voor zover hier van belang:

- is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres] en is mitsdien bevolen dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

- is bepaald dat de man voorlopig gerechtigd is om de kinderen bij zich te hebben:

- twee zaterdagen twee uur per keer onder begeleiding van de vrouw of een door haar aan te wijzen derde bij Ballorig of op een soortgelijke plek;

- de daarop volgende twee zaterdagen vier uur per keer onder begeleiding van de vrouw of een door haar aan te wijzen derde;

- de hierop volgende twee zaterdagen van zes uur per keer, zonder begeleiding;

- hierna iedere zaterdag van 13.00 uur tot zondag 16.00 uur, zonder begeleiding, waarbij de man de kinderen zal ophalen en terugbrengen;

- is bepaald dat deze voorlopige weekendregeling de ene week met alle drie de kinderen zal plaatsvinden en de andere week met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;

- is bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 18 september 2024 voorlopig een kinderalimentatie van € 307,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- is vastgesteld dat partijen zijn verwezen naar [instelling] voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.

Verzoek en verweer

De man heeft verzocht om de echtscheiding tussen partijen uit te spreken met de volgende nevenvoorzieningen:

- primair: indien en voor zover partijen over de inhoud van het ouderschapsplan overeenstemming bereiken te bepalen dat de bepalingen in het nog over te leggen ouderschapsplan integraal deel zullen uitmaken van de beschikking;

- subsidiair, voor zover partijen geen overeenstemming zullen bereiken over de inhoud van een ouderschapsplan:

- de hoofdverblijfplaats van de kinderen vast te stellen bij de vrouw;

- tussen de man en de kinderen de volgende zorgverdeling vast te stellen: de kinderen zullen ieder weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur tot en met zondagmiddag 17.00 uur bij de man verblijven alsmede gedurende de helft van alle schoolvakanties en wettelijke feestdagen, althans een zodanige zorgverdeling te bepalen als de rechtbank in goede justitie redelijk acht;

- primair: indien en voor zover partijen over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap overeenstemming bereiken te bepalen dat de bepalingen in het nog over te leggen echtscheidingsconvenant integraal deel zullen uitmaken van de beschikking;

- subsidiair: de verdeling vast te stellen op de wijze zoals opgenomen onder

randnummer 20 van het verzoekschrift, althans de verdeling vast te stellen op een

zodanige wijze als de rechtbank in goede justitie redelijk acht;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

De vrouw heeft verzocht om de verzoeken van de man ten aanzien van het aanhechten van een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan aan de beschikking toe te wijzen. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding. De vrouw heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht:

- de behoefte van de kinderen op € 410,- per kind per maand (totaal: € 1.232,50) vast te stellen, uitgaande van een zorgregeling van eens per veertien dagen of een dag per week waarbij een zorgkorting van 15% wordt gehanteerd, waarbij de vrouw heeft verzocht om een kinderalimentatie van € 335,00 per kind per maand op te leggen per datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, steeds bij vooruitbetaling te voldoen;

- te bepalen dat de man per datum van inschrijving van de

echtscheidingsbeschikking gehouden is de vrouw een bedrag aan partneralimentatie te betalen van € 480,86 per maand, onderhevig aan de jaarlijkse indexatie, steeds bij vooruitbetaling te voldoen;

- een zorgregeling ter zake van alle drie de kinderen op te leggen welke inhoudt: een

weekenddag per week zonder overnachting;

- ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, indien niet mogelijk is

gebleken om gezamenlijk een convenant of afspraken op te stellen: de vaststelling en verdeling zoals door de man is voorgesteld in de punten 17 tot en met 21 van het verzoekschrift tot echtscheiding toe te wijzen per peildatum; de vrouw heeft verzocht uit te gaan van 5 juli 2024 waarbij de vrouw aanspraak maakt op pensioenverevening en teruggave van haar sieraden;

althans een zodanige beslissing te nemen ter zake van bovengenoemde verzoeken als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

De man heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de man aanvullend verzocht:

- te bepalen dat er een zorgregeling tussen de man en de kinderen geldt, waarbij:

zolang de man nog niet beschikt over eigen woonruimte:

- de kinderen ieder weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur tot maandagmiddag 17.00 uur bij de man verblijven én iedere woensdagmiddag tussen 14.00 uur en 19.00 uur, alsmede tijdens de (school)vakanties, feestdagen en bijzondere dagen conform de schema’s zoals als productie 15 door de man is overgelegd, zulks onder aanhechting van deze schema’s aan de beschikking;

zodra de man beschikt over eigen woonruimte:

- de kinderen eens per veertien dagen van zondag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur (zijnde zeven dagen van de veertien dagen) bij de man verblijven, alsmede tijdens de (school)vakanties, feestdagen en bijzondere dagen conform de schema’s zoals als productie 15 door de man is overgelegd, zulks onder aanhechting van deze schema’s aan de beschikking;

- te bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van de beschikking,

een kinderalimentatie voor de kinderen van € 208,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- de verdeling van de tussen partijen geldende gemeenschap vast te stellen dan wel

de wijze van verdeling van de geldende gemeenschap te gelasten, waarbij:

a. de echtelijke woning aan de [adres] , binnen vier weken na de datum van de beschikking, bij [bedrijf] Makelaardij te [vestigingsplaats] door partijen te koop dient te worden aangeboden;

b. de vraag- en laatprijs voor de echtelijke woning in overleg door de verkopend makelaar dient te worden bepaald;

c. partijen alle adviezen en instructies van de verkopend makelaar in verband met de verkoop van de echtelijke woning dienen op te volgen;

d. de vrouw ervoor zorgt dat de woning in goede en opgeruimde staat verkeert voorafgaand aan iedere bezichtiging en voorafgaand aan het maken van de foto’s voor de verkoopbrochure van de woning;

e. partijen niet aanwezig mogen zijn bij de bezichtigingen van de echtelijke woning door de verkopend makelaar en de potentiële koper(s);

f. partijen mee dienen te werken aan de totstandkoming van de koopovereenkomst zodra er een kandidaat-koper bereid is een bedrag te betalen dat ligt op of tussen de vraag- en laatprijs en wel zodanig dat de koopovereenkomst binnen twee weken wordt ondertekend door partijen nadat de definitieve koopovereenkomst door de makelaar wordt aangeboden;

g. de makelaarskosten door ieder van partijen voor de helft dienen te worden gedragen;

h. de echtelijke woning binnen drie maanden na het door de koper(s) ondertekenen van de koopovereenkomst, bij een door de koper(s) aan te wijzen notaris, door partijen aan de koper(s) dient te worden overgedragen c.q. notarieel te worden geleverd;

i. ieder van partijen op verzoek van de notaris een volmacht voor de overdracht c.q. notariële levering van de echtelijke woning aan de koper(s) dient te ondertekenen;

j. de verkoopopbrengst van de echtelijke woning, na aflossing van (het restant van) de hypotheekschuld, voldoening van de makelaarskosten en eventuele andere verkoopkosten, tussen partijen bij helfte wordt verdeeld, zulks onder nadere verrekening van de door de man voor de vrouw betaalde eigenaars- en gebruikerslasten c.q. de door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding;

althans een verdeling van de gemeenschap vast te stellen c.q. te gelasten als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

- voor het geval de vrouw niet uiterlijk binnen vier weken na de datum van de

beschikking meewerkt aan het te koop aanbieden van de echtelijke woning, dan wel voor het geval de vrouw weigert om uiterlijk binnen twee weken na de dag waarop de koopovereenkomst door de makelaar wordt aangeboden de overeenkomst te ondertekenen, dan wel voor het geval de vrouw weigert om uiterlijk binnen drie maanden na ondertekening van de koopovereenkomst mee te werken aan de overdracht c.q. notariële levering van de echtelijke woning aan de koper(s):

- de man overeenkomstig artikel 3:174 lid 1 BW te machtigen om alles te doen wat noodzakelijk is om de echtelijke woning ten spoedigste ter verkoop aan te bieden alsmede hem te machtigen voor de daadwerkelijke verkoop van de echtelijke woning;

- en daarbij te bepalen dat de beschikking in plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw voor het in de verkoop geven van de echtelijke woning aan een makelaar alsmede voor het ondertekenen van de koopovereenkomst en voor het tekenen van de notariële akte;

- te bepalen dat de vrouw met ingang van 5 juli 2024 een gebruiksvergoeding aan de

man verschuldigd is ter grootte van € 632,00 per maand dan wel te bepalen dat de vrouw de door de man voorgeschoten eigenaars- en gebruikerslasten van de echtelijke woning ter grootte van € 632,00 per maand per 5 juli 2024 uit haar aandeel in de verkoopopbrengst van de echtelijke woning aan de man dient te voldoen;

- te bepalen dat ieder zijn bankrekeningen voortzet en dat de banksaldi op de

bankrekeningen, zoals opgenomen onder punt 36 en 37, op de peildatum van 5 juli 2024, tussen partijen bij helfte worden verdeeld en aldus te bepalen dat de vrouw een nader door de man te berekenen bedrag aan de man verschuldigd is en dient te voldoen;

- te bepalen dat aan de man toekomt de helft van het contante geld dat zich in de

echtelijke woning bevond op 5 juli 2024, zijnde een nader door de vrouw te concretiseren bedrag;

- te bepalen dat partijen de inboedelgoederen die zich bevinden in de echtelijke

woning alsmede de niet aan de vrouw verknochte sieraden tussen partijen bij helfte moet worden verdeeld, conform een nader door de man te overleggen lijst;

- te bepalen dat de man aan de vrouw verschuldigd is een bedrag ad € 350,00 voor

de auto, een Dacia Logan, met kenteken [kenteken] , welke reeds is verkocht;

- te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld bij het

Sociaal Leenfonds;

althans een zodanige verdeling vast te stellen dan wel te gelasten als de rechtbank in goede justitie redelijk acht.

De vrouw heeft verzocht de verzoeken van de man ten aanzien van de verzochte verdeling van de echtelijke woning toe te wijzen onder de voorwaarde dat de verkoop in gang wordt gezet als de vrouw concreet zicht heeft op wanneer zij haar eigen woning kan betrekken. Ook heeft de vrouw verzocht de verzoeken van de man met betrekking tot het voortzetten van ieders eigen bankrekeningen met verdeling van de banksaldi per peildatum toe te wijzen. De vrouw heeft zich ten aanzien van het verzoek van de man met betrekking tot de verdeling van de auto en de toerekening van de schuld bij het Sociaal Leenfonds aan beide partijen, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De vrouw heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de vrouw aanvullend verzocht:

- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw wordt

vastgesteld;

- te bepalen dat alleen een zorgregeling van eens per veertien dagen van zaterdag op

zondag met betrekking tot de twee oudste kinderen wordt vastgesteld en ter zake

van de jongste een opbouwende regeling voordat zij ook bij de man overnacht,

ter zake van de schoolvakanties/feestdagen/bijzondere dagen wacht de vrouw het

nader door de man aan te leveren schema als productie 15 af;

- te bepalen dat de vrouw de haar toebehorende sieraden weer terug ontvangt;

althans een zodanige beslissing te nemen ter zake van bovengenoemde verzoeken als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

De man heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Bovendien heeft de man bij wijze van incidenteel verzoek en voordat wordt beslist in de hoofdzaak, verzocht tot overlegging van de volgende stukken:

- afschriften van de banksaldi en bankrekeningen van de vrouw van zes maanden

voor de peildatum tot aan de peildatum, zijnde afschriften van de volgende bankrekeningen van de vrouw:

- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] ;

- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 2] ;

- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 3] ;

- ING betaalrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 4] ;

- Flexibel Sparen met rekeningnummer [rekeningnummer 5] ;

- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 6] ;

- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 7] ;

- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 8] ;

- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 9] ;

- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 10] ;

- ING Oranje spaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 11] ;

- overige bankrekeningen voor zover de vrouw nog andere bankrekeningen heeft;

- overzicht van het contante geld dat voorafgaand aan het vertrek van de man uit de

echtelijke woning aanwezig was in de echtelijke woning;

- eigendomsakte van de woning in Griekenland en bankrekening in Griekenland;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag voor iedere dag die de vrouw vanaf een week na de datum van de beschikking in gebreke blijft aan de inhoud van het vonnis te voldoen, met een maximum van € 50.000,00;

althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie meent te behoren.

De vrouw heeft haar verzoek ten aanzien van de zorgregeling gewijzigd en verzocht om een weekenddag per veertien dagen zonder overnachting.

De man heeft aanvullend verzocht:

- primair: te bepalen dat de man op grond van artikel 3:194 lid 2 BW recht heeft op een bedrag van € 101.000,00, dan wel € 70.000,00 van de vrouw in privé, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, welk bedrag ter gelegenheid van het notariële transport van de echtelijke woning aan hem wordt verrekend met het aan de vrouw toekomende bedrag en aan de man wordt vergoed en uitbetaald, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht;

- subsidiair:

- te bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft ter grootte van de helft van de waarde van de woning in Griekenland, dan wel € 35.000,00 jegens de vrouw rechtstreeks, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;

- te bepalen dat de man een vergoedingsrecht heeft ter grootte van de helft van € 31.000,00, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht,

welke bedragen ter gelegenheid van het notariële transport van de echtelijke woning aan hem worden verrekend met het aan de vrouw toekomende bedrag en aan de man wordt vergoed en uitbetaald, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht;

- meer subsidiair:

- te bepalen dat de vrouw de schade aan de gemeenschap dient te vergoeden ex artikel 1:164 BW, ter grootte van € 101.000,00, dan wel € 70.000,00, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, welk bedrag ter gelegenheid van het notariële transport van de echtelijke woning aan hem wordt verrekend met het aan de vrouw toekomende bedrag en aan de man wordt vergoed en uitbetaald, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht;

- een zorgregeling vast te stellen conform productie 35;

- afgifte van de paspoorten van de kinderen door de vrouw aan de man en te bepalen dat de man deze in beheer mag houden.

De vrouw heeft haar verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie gewijzigd en verzocht om met ingang van de datum van de beschikking een bedrag aan kinderalimentatie van € 367,00 per kind per maand (totaal € 1.102,-) op te leggen.

Beoordeling

Echtscheiding

Ontvankelijkheid

Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De vrouw heeft dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. De rechtbank is van oordeel dat het ouderschapsplan in redelijkheid niet kan worden overgelegd. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.

Inhoudelijke beoordeling

De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.

Hoofdverblijfplaats

Beide partijen hebben verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vast te stellen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Juridisch kader

Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van sub a van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen. Het is de rechtbank, gelet op het vijfde lid van voornoemd artikel, niet gelukt om een vergelijk tussen de ouders te beproeven. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.

Standpunt man

De man heeft verzocht om vaststelling van een zorgregeling met opbouw, in die zin dat de kinderen zolang de man niet over eigen woonruimte beschikt om het weekend van vrijdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur contact hebben met de man in de woning van de vrouw. Zodra beide ouders zich in hun definitieve woning hebben gevestigd en de man een lokaal netwerk heeft opgebouwd, staat hij een zorgregeling voor, waarbij de kinderen de ene week van vrijdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur bij hem verblijven en de andere week op woensdag van 13.00 uur tot 19.00 uur bij hem verblijven. De man heeft verzocht te bepalen dat vanaf september 2028, wanneer [minderjarige 3] start op de basisschool en alle kinderen een basisschoolrooster hebben, een co-ouderschapsregeling zal gelden, waarbij de kinderen van maandagmiddag uit de BSO tot maandagmorgen naar school de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw verblijven. De man heeft aangegeven dat deze opbouwregeling hem de herstelruimte geeft om op lange termijn een stabiele ouder voor de kinderen te zijn. Ook biedt deze regeling een stabiel ritme voor de kinderen. Daarbij heeft de man aangevoerd dat door de overdracht via school of de BSO te laten verlopen direct contact tussen de ouders wordt vermeden, waarmee spanningen voor de kinderen worden voorkomen. Verder heeft de man betwist dat hij de vrouw en de kinderen zou hebben mishandeld zoals de vrouw heeft gesteld. In dit kader heeft hij aangegeven dat de strafzaak vanwege mishandeling is geseponeerd.

Standpunt vrouw

De vrouw heeft zich verzet tegen de zorgregeling die de man voorstaat. Zij is van mening dat de zorgregeling tussen de man en de kinderen geleidelijk moet worden hervat. Hiertoe heeft de vrouw aangevoerd dat de man haar en de kinderen heeft mishandeld. De vrouw heeft hiervan aangifte gedaan. De vrouw heeft zorgen over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man verblijven. Ook vertonen de kinderen weerstand tegen contact met de man. Het contact tussen de man en de kinderen vindt momenteel plaats in het huis van de ouders van de man onder toezicht van zijn ouders, waardoor de contactmomenten gestructureerd verlopen. De vrouw heeft aangegeven dat dit wellicht anders kan zijn als de kinderen bij de man zullen verblijven zonder de aanwezigheid van derden. Verder heeft de vrouw gesteld dat overnachten bij de man niet in het belang van de kinderen is. De vrouw heeft verzocht om vaststelling van een zorgregeling, waarbij de kinderen een weekenddag per veertien dagen bij de man verblijven en zij niet bij de man zullen overnachten.

Hulpverleningstraject

[instelling] heeft aangegeven dat er binnen het hulpverleningstraject onvoldoende stappen werden gezet in het verminderen van de zorgen, waardoor [instelling] zich zorgen maakt over de ontwikkeling van de kinderen. Ook maakt [instelling] zich zorgen over de strijd tussen de ouders. Beide ouders maken zich zorgen over de fysieke en emotionele veiligheid van de kinderen bij de andere ouder. De ouders hebben geen vertrouwen in het ouderschap van de andere ouder. Bovendien komt de opvoedondersteuning moeizaam van de grond, doordat de man niet kan worden bezocht vanwege de afstand tussen de regio Midden-Holland en [plaats 2] . Daarbij verloopt de communicatie tussen de ouders moeizaam, waarbij regelmatig sprake is van verwijten en escalaties in de communicatie. [instelling] heeft daarom gevraagd om een gedegen onderzoek naar de veiligheid van de kinderen in de opvoedsituatie bij beide ouders thuis. Verder heeft [instelling] verzocht om op te schalen naar een gedwongen kader, zodat iemand met mandaat beslissingen kan nemen in het belang van de kinderen.

Overwegingen rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken zijn de rechtbank geen zorgen gebleken over de veiligheid van de kinderen als zij bij de man verblijven. De man woont momenteel in [plaats 2] bij zijn ouders en de vrouw in de echtelijke woning in [plaats 3] . De man woont aldus op aanzienlijke afstand van de vrouw en [minderjarige 1] gaat doordeweeks naar school. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij nu een zorgregeling voorstaat, waarbij de kinderen om de week een weekend bij hem verblijven. Gelet op de afstand tussen de woning van de man en de vrouw en het feit dat [minderjarige 1] doordeweeks naar school gaat, acht de rechtbank een weekendregeling op dit moment het meest haalbare. De rechtbank zal daarom bepalen dat de kinderen om de week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven. Op de zitting heeft de man toegelicht dat hij mogelijk in [plaats 1] zal gaan wonen. Dit is een onzekere toekomstige omstandigheid waar de rechtbank nu niet op vooruit zal lopen. Daarnaast is onbekend waar de vrouw in de toekomst na verkoop van de echtelijke woning zal gaan wonen. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders in onderling overleg zullen bezien of de zorgregeling aanpassing behoeft als de man en/of de vrouw gaan/gaat verhuizen.

De man heeft ten aanzien van de vakanties en feestdagen een expliciet verzoek gedaan overeenkomstig het door hem overgelegde schema. De vrouw voert verweer tegen de verzochte verdeling van de vakanties, omdat zij van mening is dat het niet in het belang van de kinderen is om bij de man te overnachten. De rechtbank acht het ook in het belang van de kinderen om vakanties en feestdagen bij de man door te brengen.

De rechtbank is van oordeel dat het haalbaar is dat de kinderen in de zomervakantie van 2026 een week bij de man zullen verblijven, gelet op de leeftijd van de kinderen en aangezien de kinderen aan de nieuwe zorgregeling zullen moeten wennen en dat de kinderen met ingang van de zomervakantie 2027 zoals door de man is verzocht twee aaneensluitende weken in de zomervakantie bij de man zullen doorbrengen. Nu de verzoeken van de man over de verdeling van de overige vakanties en Vaderdag in het belang van de kinderen worden geacht, zal de rechtbank die toewijzen zoals hierna in het dictum staat vermeld.

Ten aanzien van de feestdagen zal de rechtbank bepalen dat de kinderen de helft van de feestdagen bij de man verblijven, in onderling overleg tussen de ouders te verdelen, omdat mede gezien de relatief korte duur daarvan en de huidige woonafstand tussen de ouders daarvoor meer maatwerk nodig is. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders, in overleg met [instelling] , afspraken zullen maken over de verdeling van de feestdagen.

Verder ziet de rechtbank – net als de Raad – geen aanleiding voor een raadsonderzoek zoals geopperd door [instelling] . Zoals hiervoor is overwogen heeft de rechtbank geen grote zorgen over de kinderen. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij zich door partijen en [instelling] voldoende voorgelicht acht om een eindbeschikking te wijzen.

Afgifte paspoorten kinderen

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de paspoorten van de kinderen aan de man moet afgeven en dat de man de paspoorten in beheer zal houden. Hiertoe heeft de man gesteld dat hij gegronde vrees heeft dat de vrouw met de kinderen naar het buitenland wil vertrekken. De vrouw heeft familieleden die in het buitenland wonen.

De vrouw heeft zich verzet tegen het verzoek. Op de zitting heeft zij aangegeven dat zij de kinderen nooit aan het gezag van de man heeft onttrokken.

De rechtbank zal het verzoek van de man bij gebrek aan wettelijke grondslag afwijzen.

Kinderalimentatie

Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.

Nu er in de voorlopige voorzieningenprocedure een voorlopige bijdrage is bepaald, zal de rechtbank de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking.

Behoefte

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van de kinderen is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. De rechtbank zal bij de berekening van de behoefte uitgaan van de periode 2024-I, nu partijen in juni 2024 uit elkaar zijn gegaan.

Het gezin leefde uitsluitend van het inkomen van de man en toeslagen. Voor het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.700,- bruto per maand en 8% vakantietoeslag, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties van april tot en met juni 2024. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremies van € 229,- per maand.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.052,- per maand in 2024. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

Met het inkomen van de man hebben partijen recht op een kindgebonden budget van € 411,- per maand. Daarmee komt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen op € 4.463,- per maand (€ 4.052,- + € 411,-).

Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen (2024), leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.144,- per maand voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in 2024. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.274,- per maand.

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht

De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)].

Draagkracht man

Voor de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van een inkomen van € 5.850,- bruto per maand, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties van december 2025 en januari 2026. Ook houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremies van € 230,- per maand.

De man heeft aangegeven dat hij een auto van de zaak heeft en ervoor heeft gekozen om deze ook privé te gebruiken, omdat hij wekelijks twee keer op en neer moet rijden van [plaats 2] naar [plaats 3] , zijnde 1.668 kilometer per maand. Als de man ervoor had gekozen om de auto niet privé te rijden, zou hij € 326,- netto per maand meer salaris overhouden. De man acht het daarom redelijk om een bedrag van € 326,- onder post 134 van zijn draagkrachtberekening op te nemen. De vrouw heeft zich hiertegen verzet. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het rapport en zal geen rekening houden met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak.

Verder heeft de man aangevoerd dat hij € 69,50 per maand aflost op een schuld bij het Sociaal Leenfonds. De rechtbank zal geen rekening houden met deze schuld, omdat zij de aflossing hiervan niet zwaarder wegend acht dan de onderhoudsplicht van de man voor zijn kinderen. Daarbij is gebleken dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld en deze eind 2026, dus op afzienbare termijn, volledig zal zijn afgelost. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de schuld mogelijk eerder kan worden afgelost met de opbrengst van de verkoop van de echtelijke woning.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.214,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 1.110,- per maand

(70% x [4.214 - (0,3 x 4.214 + 1.365)]).

Draagkracht vrouw

Partijen zijn het erover eens dat bij de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van een minimale draagkracht van € 50,- per maand. Nu gebleken is dat de vrouw geen inkomen heeft, zal de rechtbank uitgaan van een draagkracht van € 50,- per maand.

Gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Gelet op de zorgregeling en nu de rechtbank ervan uitgaat dat de vakanties binnen afzienbare tijd bij helfte tussen partijen zullen worden gedeeld, vindt de rechtbank het redelijk om een zorgkorting van 25% toe te passen. De zorgkorting bedraagt dan € 319,- (25% van € 1.274,-).

De gezamenlijke draagkracht van de ouders is € 1.160,- per maand (€ 1.110,- + € 50,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de drie kinderen te voorzien. Er is een tekort van € 114,- (€ 1.110,- + € 50,- - € 1.274,-). De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking.

De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 262,- per maand (€ 319,- - € 57,-). Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt dan € 848,- per maand (€ 1.110,- - € 262,-).

Conclusie

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, bepalen dat de man, met ingang van de datum van deze beschikking, € 848,- per maand voor de drie kinderen samen aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen.

Partneralimentatie

De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft verzocht om vaststelling van een partneralimentatie van € 480,86 per maand. Zij heeft haar behoefte en aanvullende behoefte echter op geen enkele wijze onderbouwd. Het had, mede gelet op het door de man gevoerde verweer, op de weg van de vrouw gelegen haar verzoek deugdelijk te onderbouwen. Dit heeft de vrouw nagelaten. Daarbij moet de volledige draagkracht van de man worden aangewend voor de kosten van de kinderen, waardoor er aan de zijde van de man geen draagkracht meer resteert voor het betalen van partneralimentatie. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

Partijen zijn op [dag] 2019 met elkaar gehuwd. Zij hebben op 11 juni 2019 huwelijkse voorwaarden opgemaakt, die op 27 maart 2020 en op 5 augustus 2020 zijn gewijzigd. De rechtbank stelt vast dat er per [dag] 2019 een algehele gemeenschap van goederen met uitzondering van erfenissen en schenkingen is overeengekomen. Bij wijziging van de huwelijkse voorwaarden op 27 maart 2020 is iedere gemeenschap van goederen uitgesloten. Op 5 augustus 2020 zijn de huwelijkse voorwaarden gewijzigd naar wederom de algehele gemeenschap van goederen waaronder uitdrukkelijk begrepen de op naam van de man staande woning te [adres] en de daaraan verbonden schulden, maar uitgezonderd kort samengevat toekomstige onroerende zaken en erfenissen en schenkingen die een echtgenoot heeft verkregen of zal verkrijgen of uit hetgeen door wederbelegging daarvoor in de plaats is getreden. Dit betekent dat een beperkte gemeenschap van goederen is overeengekomen.

Beperkte gemeenschap van goederen

De beperkte gemeenschap van goederen is door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding ontbonden.

Bij de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.

Peildatum

Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden beperkte gemeenschap geldt als

peildatum 8 juli 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding.

Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. De rechtbank zal, zoals te doen gebruikelijk bij de saldi van de bankrekeningen en nu partijen niet anders zijn overeengekomen, als peildatum hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 8 juli 2024.

Omvang

Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de beperkte gemeenschap naar voren gebracht:

    het woonhuis aan de [adres] met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening met nummer [rekeningnummer 12] ;

    de inboedel;

    contant geld dat zich in de woning bevindt;

    e bankrekeningen;

1. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 13] op naam van de man;

2. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 14] op naam van de man;

3. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 15] op naam van de man;

4. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 16] op naam van de man;

5. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 17] op naam van de man;

6. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van de vrouw;

7. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw;

8. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van de vrouw;

9. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 4] op naam van de vrouw;

10. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 5] op naam van de vrouw;

11. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 6] op naam van de vrouw;

12. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 7] op naam van de vrouw;

13. twee spaarrekeningen eindigend op [rekeningnummer 8] op naam van de vrouw;

14. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 10] op naam van de vrouw;

15. spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 11] op naam van de vrouw;

16. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 18] op naam van de vrouw bij de Griekse Piraeus-Bank;

de auto van de man van het merk Dacia Logan met kenteken [kenteken] ;

een schuld bij het Sociaal Leenfonds (SUN).

Ad a. het woonhuis

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de woning moet worden verkocht. De vrouw heeft aangegeven dat zij hiermee instemt, op de voorwaarde dat het verkoopproces pas van start gaat zodra zij met de kinderen een huurwoning kan betrekken. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:178 BW volgt dat deelgenoten in beginsel niet in onverdeeldheid hoeven te blijven, maar vrij zijn om verdeling van een gemeenschappelijk goed te vorderen. Geen van beide partijen heeft verzocht om toedeling van de echtelijke woning. De rechtbank constateert dan ook dat beide partijen op zoek zullen moeten gaan naar andere woonruimte. De rechtbank zal partijen in deze procedure de duidelijkheid bieden die zij nodig hebben. De rechtbank zal aldus bepalen dat de woning moet worden verkocht aan een derde.

Daarbij heeft de man op de zitting aangegeven dat de vrouw nog zes maanden na de datum van deze beschikking met de kinderen in de echtelijke woning mag verblijven. De rechtbank zal daarom bepalen dat de datum van notarieel transport van de woning niet eerder zal zijn gelegen dan zes maanden na de datum van deze beschikking. De rechtbank overweegt dat de vrouw deze periode kan benutten om een andere woning te vinden voor haar en de kinderen. Dit brengt mee dat de vrouw de woning aldus over zes maanden moet hebben verlaten, ook als zij dan nog niet beschikt over nieuwe woonruimte. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw dit zal nakomen. Gelet hierop zal de rechtbank de verzoeken van de man ten aanzien van de machtiging voor het geval de vrouw niet meewerkt aan de verkoop van de woning afwijzen. Verder heeft de man [bedrijf] Makelaardij te [vestigingsplaats] als verkoopmakelaar voorgesteld. Op de zitting is dit voorstel besproken en heeft de vrouw zich daar niet tegen verzet. De rechtbank zal daarvan uitgaan. De rechtbank zal in het dictum een ‘spoorboekje’ opnemen, waarin is opgenomen hoe invulling moet worden gegeven aan de verkoop van de echtelijke woning en verdeling van de overwaarde.

Gebruiksvergoeding/verdeling gebruikers- en eigenaarslasten

De man heeft aangevoerd dat hij alle eigenaars- en gebruikerslasten van de woning voldoet. Hij heeft verzocht te bepalen dat de vrouw per 5 juli 2024 een gebruiksvergoeding van € 632,- per maand aan de man verschuldigd is dan wel dat de vrouw per 5 juli 2024 de helft van de eigenaarslasten en de volledige gebruikerslasten van de woning voor haar rekening neemt te weten € 500,- gelijk aan 50% van de eigenaarslasten en € 132,- gelijk aan 100% van de gebruikerslasten. De man heeft aangegeven dat de (gebruiks)vergoeding kan worden verrekend met het aan de vrouw toekomende deel van de overwaarde van de woning.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij heeft gesteld financieel niet in staat te zijn om de door de man verzochte gebruiksvergoeding te voldoen.

De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de vrouw sinds september 2024 de gebruikerslasten van de woning voldoet. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man voor zover dat betrekking heeft op vergoeding door de vrouw van de gebruikerslasten vanaf september 2024 afwijzen. De man heeft van de vrouw de helft van de eigenaarslasten en de volledige gebruikerslasten die hij vanaf 5 juli 2024 betaalt, gevorderd. Op grond van artikel 1:84 BW komen de kosten van de huishouding naar evenredigheid van hun inkomen/vermogen voor rekening van partijen samen. De eigenaarslasten van de echtelijke woning zijn, voor zover die niet vermogensvormend zijn, kosten van de huishouding. De rechtbank merkt de gebruikerslasten over de periode 5 juli 2024 – september 2024 en de hypotheekrentelasten tot aan de datum van ontbinding van het huwelijk aan als kosten van de huishouding. Gesteld noch gebleken is dat de man meer heeft bijgedragen dan waartoe hij op grond van de wet zou zijn gehouden. De rechtbank acht het redelijk dat de gebruikerslasten en de hypotheekrentelasten voor rekening komen van de man, nu hij beschikt over inkomen en de vrouw geen inkomen heeft. Nu de vrouw feitelijk het uitsluitend gebruik van de woning heeft, acht de rechtbank het redelijk dat zij na de ontbinding van het huwelijk de helft van de hypotheekrentelasten voor haar rekening neemt totdat de woning aan een derde is verkocht en overgedragen, voor zover mogelijk te voldoen/verrekenen met het aan de vrouw toekomende deel van de overwaarde van de woning op de datum van notarieel transport.

Door het betalen van aflossing via de twee annuïteitenhypotheken en de bankspaarhypotheek, wordt er vermogen gevormd. Immers, daardoor neemt de hypotheekschuld af en neemt de overwaarde toe. De aflossingen op de hypothecaire geldlening worden niet aangemerkt als kosten van de huishouding in de zin van artikel 1:84 BW. De rechtbank zal bij de verdeling uitgaan van de omvang van de hypothecaire geldlening op de datum van het notarieel transport. Als gevolg daarvan deelt de vrouw mee in de toename van de overwaarde als gevolg van de aflossing door de man na de peildatum 8 juli 2024. Op grond van de artikelen 3:172 BW en 3:189 BW dienen partijen na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap naar evenredigheid van hun aandeel in de eigendom van de woning in deze kosten bij te dragen. Dit betekent dat de vrouw vanaf 8 juli 2024 tot de datum van notarieel transport van de woning gehouden is om de helft van de maandelijkse aflossing te betalen, voor zover mogelijk te voldoen/verrekenen met het aan de vrouw toekomende deel van de overwaarde van de woning op de datum van notarieel transport. De rechtbank is niet in staat om aan de hand van de ingediende stukken vast te stellen welke bedragen respectievelijk aan rente en aflossing verschuldigd zijn. De man is gehouden de vrouw voorafgaand aan het notarieel transport te voorzien van de stukken van de bank waaruit dit blijkt.

Verder overweegt de rechtbank ten aanzien van de gebruiksvergoeding als volgt. Op grond van artikel 1:165 lid 1 BW ziet het verzoek om een gebruiksvergoeding uitsluitend op de periode na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Nu de rechtbank oordeelt dat de vrouw vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot aan de verkoop van de echtelijke woning de helft van de hypotheekrentelasten moet betalen en daarnaast vanaf 8 juli 2024 tot de datum van notarieel transport de aflossing voor de helft voor haar rekening komt, terwijl ook de kinderen van partijen gedurende de volledige tijd gebruik maken van de woning, acht de rechtbank het niet redelijk om over de naar het zich laat aanzien relatief korte periode vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot de verkoop van de woning ook nog een gebruiksvergoeding aan de vrouw op te leggen. Gelet hierop zal de rechtbank dit verzoek van de man afwijzen.

Ad b. de inboedel en sieraden

De man heeft aangegeven dat hij de inboedel en de niet aan de vrouw verknochte sieraden bij helfte wenst te delen onder verrekening van de waarde. Hij heeft daarbij naar voren gebracht dat hij twee ringen aan de vrouw heeft teruggegeven.

De vrouw heeft gesteld dat de man zowel zijn eigen sieraden als sieraden van de vrouw heeft meegenomen. De vrouw wil haar sieraden ontvangen.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank overweegt dat de situatie van de sieraden onduidelijk is. Niet duidelijk is geworden welke partij over welke sieraden beschikt en wat de waarde daarvan zou zijn. Daarom kan de rechtbank daar niet over beslissen.

Na de zitting is gebleken dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de inboedel. De man heeft verzocht om de inboedel genoemd op de door hem overgelegde inboedellijst aan hem toe te delen zonder nadere verrekening met de vrouw. De vrouw heeft gereageerd op de door de man overgelegde inboedellijst. Zij wil dat de door haar gearceerde inboedel aan haar wordt toegedeeld. Daarbij gaat zij ervan uit dat de inboedel die niet op de lijst staat bij de vrouw zal blijven. Nu partijen over de inboedellijst geen overeenstemming hebben bereikt, zal de rechtbank bepalen dat de inboedel tussen partijen in onderling overleg bij helfte zal worden verdeeld.

Ad e. de auto

De man heeft aangegeven dat hij de auto contant heeft verkocht voor een bedrag van

€ 700,-. De man heeft verzocht te bepalen dat hij een bedrag van € 350,- aan de vrouw is verschuldigd.

De vrouw heeft zich aanvankelijk gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op de zitting heeft de vrouw gesteld dat de man mogelijk meer dan € 700,- voor de auto heeft ontvangen.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door man overgelegde ANWB koerslijst (productie 24) blijkt dat de waarde van de auto bij verkoop door een particulier € 750,- zou bedragen. Gelet hierop komt de rechtbank de stelling van de man dat hij voor de auto € 700,- heeft ontvangen niet onaannemelijk voor. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd waarom van een hogere verkoopwaarde zou moeten worden uitgegaan. De rechtbank zal daarom conform het verzoek van de man bepalen dat de man € 350,- aan de vrouw moet vergoeden.

Ad f. schuld bij SUN

De man heeft aangegeven dat partijen in juni 2023 een schuld bij SUN zijn aangegaan ter hoogte van € 2.500,-. De man heeft verzocht te bepalen dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor deze schuld.

De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen, omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Gelet op artikel 1:100, tweede lid, BW geldt in de onderlinge verhouding tussen partijen dat, voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, deze schulden door beide partijen voor een gelijk deel worden gedragen. Dit kan anders zijn als dat schriftelijk is overeengekomen of als uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide partijen tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW. Partijen zijn het erover eens dat de schuld op de peildatum € 1.973,83 bedroeg. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de schuld bij SUN en dat ieder voor de helft daarvan draagplichtig is, op grond van artikel 1:100 BW.

Ad c en d. contant geld en bankrekeningen/overleggen stukken/verbeuren aandeel gemeenschap/vergoedingsrecht/benadeling gemeenschap

Gelet op de samenhang van deze onderwerpen zal de rechtbank deze gezamenlijk bespreken.

De man heeft verzocht te bepalen, bij wijze van incidenteel verzoek en voordat wordt beslist in de hoofdzaak, dat de vrouw afschriften van de banksaldi en bankrekeningen van de vrouw van zes maanden voor de peildatum tot aan de peildatum, een overzicht van het contante geld dat in de echtelijke woning aanwezig was, de eigendomsakte van de woning in Griekenland en de Griekse bankrekening van de vrouw dient te overleggen op straffe van verbeurte van een dwangsom. De rechtbank zal deze verzoeken afwijzen, nu de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht om een eindbeschikking te wijzen.

De vrouw heeft voorafgaand aan de peildatum op eigen naam een appartement gekocht in Griekenland. Dit staat niet ter discussie tussen partijen, zodat de rechtbank partijen daarin zal volgen. Wel staat tussen partijen ter discussie of de aankoop van dit appartement is gefinancierd met geld van de gemeenschap zoals de man heeft gesteld of met buiten de gemeenschap vallend privévermogen van de vrouw zoals de vrouw heeft gesteld.

De vrouw heeft aangevoerd dat het appartement in Griekenland geen onderdeel uitmaakt van de gemeenschap, omdat het is gekocht met geld dat afkomstig is uit haar aandeel in de erfenis van haar in 2009 overleden vader en de huwelijkse voorwaarden van partijen bepalen dat erfenissen geen onderdeel uitmaken van de gemeenschap van goederen. De door de vrouw ontvangen erfenis bestond uit een huis in Syrië en op 21 april 2024 heeft zij dit huis voor 1.576.000.000 SYP, omgerekend naar euro’s € 70.323,-, aan een broer verkocht. De vrouw heeft de koopsom diezelfde dag in contanten en in euro’s via een andere broer van de vrouw in Libanon ontvangen. Vervolgens heeft zij dit bedrag aan contanten meegenomen naar Griekenland en aldaar bij de douane aangegeven. De vrouw heeft in Griekenland voor € 30.000,- een appartement gekocht. Op de zitting heeft de vrouw verklaard dat zij de resterende € 40.000,- aan een broer heeft betaald als vergoeding voor de kosten die hij voor haar had gemaakt in verband met het betalen van onder andere een mensensmokkelaar, vliegtickets en het verkrijgen van officiële documenten.

De man heeft betwist dat de vrouw een erfenis van haar vader heeft verkregen van € 70.000,-. De vrouw heeft aangetoond dat haar vader is overleden, maar alle overige stellingen heeft zij niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd. Daarnaast heeft de man gesteld dat de vrouw de afgelopen jaren aanzienlijke bedragen in contanten heeft opgenomen van de bankrekeningen. De man heeft aangegeven dat hij over de jaren 2022, 2023 en 2024 (tot juli) in totaal een bedrag van € 102.623,96 aan de vrouw heeft overgemaakt. De man ging ervan uit dat de vrouw dit geld op een spaarrekening apart zette. De man heeft gesteld dat de vrouw een bedrag van € 101.000,- heeft laten verdwijnen. De man heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vrouw dit bedrag, dan wel een bedrag van € 70.000,-, heeft zoekgemaakt/verborgen heeft gehouden terwijl zij wist dat dit geld tot de gemeenschap behoorde en dat zij daarom haar aandeel daarin aan de man heeft verbeurd op grond van artikel 3:194 lid 2 BW. Subsidiair heeft de man gesteld dat aan de man een vergoedingsrecht toekomt voor de helft van een bedrag van € 101.000,- dan wel € 70.000,-, op grond van artikel 1:95 lid 2 BW in samenhang met artikel 1:96 lid 4 BW met toepassing van de beleggingsleer dan wel met toepassing van de nominaliteitsleer. Meer subsidiair heeft de man gesteld dat er sprake is van benadeling door de vrouw van de gemeenschap in de periode van zes maanden voorafgaand aan de peildatum in de zin van artikel 1:164 BW ter grootte van € 101.000,- dan wel € 70.000,-, die de vrouw aan de gemeenschap dan wel de man moet vergoeden. Op de zitting heeft de man zijn subsidiaire verzoek voor zover dat ziet op de beleggingsleer ingetrokken. Ook heeft de man op de zitting zijn verzoeken gewijzigd, in die zin dat hij nu verzoekt om vergoeding van het totale bedrag aan door de vrouw opgenomen contant geld zoals blijkt uit de bankafschriften, in plaats van een bedrag van € 70.000,-.

Uit de bankafschriften die de vrouw kort voor de zitting in het geding heeft gebracht, leidt de rechtbank af dat zij in de periode van 8 januari 2024 tot 8 juli 2024 voor in totaal € 87.000,- aan contant geld heeft opgenomen van de op haar naam staande bankrekening bij de ING bank met nummer [rekeningnummer 4] . Hierbij is de rechtbank uitgegaan van alle contante geldopnames bij een geldautomaat van € 650,- of meer per opname. De vrouw heeft gesteld dat de bedragen die in 2022 en 2023 zijn opgenomen, zijn besteed aan de kosten van de huishouding. Voor zover de man heeft gesteld dat sprake is van bedragen die de vrouw in de periode voor 8 januari 2024 zoekgemaakt/verborgen heeft gehouden terwijl zij wist dat dit geld tot de gemeenschap behoorde, acht de rechtbank niet onaannemelijk dat deze bedragen zijn besteed aan kosten van de huishouding. Gelet op het verweer van de vrouw zal de rechtbank aan deze niet nader onderbouwde stelling van de man voorbijgaan. Desgevraagd heeft de vrouw op de zitting verklaard dat zij in 2024 geldbedragen opnam, omdat zij bang was dat de man haar geen geld meer zou geven voor het doen van boodschappen. Waar dit in 2024 voorafgaand aan de peildatum door de vrouw opgenomen geld is gebleven of waaraan het is besteed, is op de zitting onduidelijk gebleven.

In dit kader merkt de rechtbank op dat zij reeds in haar brief van 30 oktober 2025 de vrouw onder meer heeft verzocht om bankafschriften over te leggen van al haar bankrekeningen in binnen- en buitenland over de periode van 8 januari 2024 tot 8 juli 2024 en stukken waaruit blijkt hoe de op haar naam staande onroerende zaak in Griekenland is gefinancierd zodat het verloop van de geldstromen duidelijk wordt. De vrouw heeft pas twee dagen voor de zitting, op 25 februari 2026, stukken overgelegd, waaronder bankafschriften van één op haar naam staande Nederlandse bankrekening. Daarbij heeft de vrouw geen volledig inzicht verschaft in de geldstromen ten aanzien van de door de vrouw gestelde financiering met privévermogen van het appartement in Griekenland, aangezien de vrouw alleen een factuur van een Griekse notaris, een Nederlandse vertaling van het koopcontract van 26 april 2024 ten aanzien van een appartement in Griekenland bij de Griekse notaris en bewijzen van de Piraeus-Bank dat de vrouw in de periode 23 t/m 25 april 2024 in totaal afgerond € 50.000,- aan contanten heeft gestort op een bankrekening eindigend op [rekeningnummer 18] heeft overgelegd. Gelet hierop en nu de man de stellingen van de vrouw gemotiveerd heeft betwist, is de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat ze de aankoop van het appartement in Griekenland heeft gefinancierd met privévermogen dat afkomstig is uit haar erfdeel in de nalatenschap van haar vader. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw niet gewerkt en heeft de man het inkomen binnengebracht waarvan partijen hebben gespaard. Het heeft er daarom alle schijn van dat de vrouw het geld dat zij van de Nederlandse bankrekening heeft opgenomen naar Griekenland heeft meegenomen en onder meer heeft gebruikt om daar op eigen naam het appartement te kopen. Als de vrouw geld van de gemeenschap heeft gebruikt om op eigen naam een onroerende zaak te verwerven, vindt geen zaaksvervanging in de zin van artikel 3:167 BW plaats. Voor zaaksvervanging in een dergelijk geval is niet voldoende dat het goed verkregen wordt met middelen die aan partijen gemeenschappelijk toebehoren.

De rechtbank is op basis van het bovenstaande van oordeel dat de vrouw in 2024 voorafgaand aan de peildatum een bedrag van € 87.000,- heeft opgenomen van een op haar naam staande bankrekening die tot de gemeenschap behoorde en dit bedrag heeft zoekgemaakt/verborgen heeft gehouden, terwijl de vrouw wist dat het tot de gemeenschap behoorde. De wet kent hieraan de zware sanctie toe van het verbeuren van het eigen aandeel daarin. Een dergelijke zware sanctie is op zijn plaats omdat sprake is van een ernstige, en in een situatie van een gemeenschap gemakkelijk te plegen vorm van bedrog.

De rechtbank overweegt dat de vrouw haar aandeel heeft verbeurd en zal de vrouw veroordelen tot vergoeding aan de man van een bedrag van € 87.000,-. Dit bedrag zal ter gelegenheid van het notarieel transport van de echtelijke woning voor zover mogelijk worden verrekend met het aan de vrouw toekomende aandeel in de overwaarde.

Nu de rechtbank van oordeel is dat de vrouw haar aandeel in de contante opnames van de tot de gemeenschap behorende bankrekening aan de man heeft verbeurd en daarmee het primaire verzoek van de man wordt toegewezen tot een bedrag van € 87.000,-, komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek van de man. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de man te bepalen dat de man de helft van het contante geld toekomt dat zich op 5 juli 2024 in de echtelijke woning bevond afwijzen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ten aanzien van de Nederlandse bankrekeningen van partijen bepalen dat deze worden toegedeeld aan de partij op wiens naam de rekening staat, met verrekening van de saldi per peildatum. De contante opnames door de vrouw hebben voor de peildatum plaatsgevonden, waardoor ook het saldo op de bankrekening van de vrouw eindigend op [rekeningnummer 4] per peildatum bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld. Hierbij is geen sprake van een dubbeltelling. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw inzage zal verschaffen in de saldi van alle op haar naam staande bankrekeningen op de peildatum, nu de man reeds inzage heeft verschaft in de saldi van alle op zijn naam staande bankrekeningen per peildatum.

Ten aanzien van de Griekse bankrekening van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor overwogen heeft de vrouw gesteld dat zij van het bedrag van € 70.000,- een bedrag van € 30.000,- heeft aangewend voor de koop van het appartement in Griekenland en de resterende € 40.000,- aan haar broer heeft betaald. Volgens de vrouw resteert er dan ook niets meer op de Griekse bankrekening. De man heeft gesteld dat er wel nog een bedrag op de Griekse bankrekening van de vrouw staat, te weten een bedrag van € 40.000,-. De rechtbank overweegt dat de vrouw geen inzage heeft verschaft in het saldo op de Griekse bankrekening op de peildatum. De rechtbank kan aldus niet vaststellen of, en zo ja welk bedrag er op de Griekse bankrekening stond op de peildatum. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat in het midden kan blijven wat de vrouw na het zoekmaken/verborgen houden van het geld van de gemeenschap daarmee heeft gedaan, is het niet ondenkbaar dat een deel daarvan op de peildatum aanwezig was op de Griekse bankrekening van de vrouw. Gelet hierop en om een mogelijke dubbeltelling met de veroordeling tot vergoeding door de vrouw van een bedrag van € 87.000,- aan de man te voorkomen, ligt het op de weg van de vrouw om volledige openheid van zaken te geven.

Conclusie

De rechtbank zal beslissen als na te melden in het dictum van deze beschikking en het meer of anders verzochte ten aanzien van de afwikkeling van de beperkte gemeenschap van goederen afwijzen.

Pensioenverevening

De vrouw maakt aanspraak op pensioenverevening.

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 1:155 BW na echtscheiding recht bestaat op pensioenverevening overeenkomstig de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, tenzij de echtgenoten op de wijze voorzien in deze wet de toepasselijkheid daarvan hebben uitgesloten. Nu het recht op pensioenverevening rechtstreeks uit de wet volgt, zal de rechtbank het verzoek met betrekking tot de pensioenverevening bij gebrek aan belang afwijzen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag] 2019 te [plaats 1] ;

bepaalt dat de minderjarigen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2024 te [geboorteplaats] ;

de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;

bepaalt dat de kinderen bij de man zullen zijn volgens de reguliere zorgregeling:

- om de week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur;

bepaalt dat voor de kinderen de volgende vakantie- en feestdagenregeling geldt:

- op Vaderdag: de kinderen verblijven bij de man;

- de kinderen zijn de helft van de feestdagen bij de man, in onderling overleg tussen de ouders te verdelen;

- met betrekking tot de zomervakantie: de kinderen verblijven in de zomervakantie 2026 één week en met ingang van de zomervakantie 2027 twee weken aaneengesloten bij de man en de overige weken bij de vrouw, waarbij de man in de even jaren de eerste keus heeft en de vrouw in de oneven jaren de eerste keus heeft;

- ten aanzien van de herfstvakantie: de kinderen verblijven in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;

- ten aanzien van de kerstvakantie: de kinderen verblijven in de even jaren de eerste week inclusief de beide kerstdagen bij de man en de tweede week inclusief Oud & Nieuw bij de vrouw en in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man;

- met betrekking tot de voorjaarsvakantie: de kinderen verblijven in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;

- ten aanzien van de meivakantie: de kinderen verblijven in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van € 848,- per maand voor de drie kinderen samen zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:

met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening met nummer [rekeningnummer 12] :

1. de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:

a) partijen dienen binnen één week na de datum van deze beschikking een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan [bedrijf] Makelaardij te [vestigingsplaats] tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;

b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;

c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning, waarbij geldt dat de notariële overdracht van de woning niet eerder zal zijn gelegen dan zes maanden na de datum van deze beschikking;

aan de man worden toegedeeld:

- in overleg met de vrouw de helft van de inboedel in de echtelijke woning;

- de bankrekeningen op naam van de man, onder verrekening van de helft

van de saldi per 8 juli 2024 met de vrouw;

aan de vrouw worden toegedeeld:

- in overleg met de man de helft van de inboedel in de echtelijke woning;

- de bankrekeningen op naam van de vrouw, onder verrekening van de helft

van de saldi per 8 juli 2024 met de man;

bepaalt dat aan de man een vordering op de vrouw toekomt ter hoogte van de helft van de vermogensvormende maandelijkse aflossing op de hypothecaire geldlening, ingaande 8 juli 2024 tot de datum van het notarieel transport, welke vordering partijen voor zover mogelijk dienen te verrekenen met de overwaarde van de echtelijke woning;

bepaalt dat aan de man een vordering op de vrouw toekomt ter hoogte van de helft van de hypotheekrentelasten, ingaande de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot de dag van het notarieel transport, welke vordering partijen voor zover mogelijk dienen te verrekenen met de overwaarde van de echtelijke woning;

bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 350,- dient te voldoen uit hoofde van verkoop van de auto van de man;

bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk van hen de helft van de schuld bij het Sociaal Leenfonds (SUN) voor zijn/haar rekening dient te nemen;

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 87.000,- in verband met het verbeuren van haar aandeel in de gemeenschap tot dit bedrag op grond van artikel 3:194 lid 2 BW, ter gelegenheid van het notarieel transport van de echtelijke woning voor zover mogelijk te verrekenen met het aan de vrouw toekomende aandeel in de overwaarde;

verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding –uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 maart 2026.

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733