ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Parket bij de Hoge Raad 10-04-2026, ECLI:NL:PHR:2026:382

Essentie (gemaakt door AI)

In deze zaak vordert de vrouw veroordeling van de man tot voldoening van de in de Iraanse huwelijksakte van partijen overeengekomen bruidsgave (mahr). Hof heeft vordering afgewezen, omdat de vrouw ex art. 1146 Iraans BW verplicht is om in geval van een khul echtscheiding de man te compenseren voor zijn instemming met de door de vrouw gewenste echtscheiding, welke bepaling van Iraans recht niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde ex art. 10:6 BW. De vrouw komt hiertegen in cassatie op. A-G concludeert tot verwerping.

Datum publicatie16-04-2026
Zaaknummer25/01295
RechtsgebiedenCiviel recht; Internationaal privaatrecht; Civiel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenIPR familierecht;
Alimentatie; Bruidsschat en bruidsgave;
Familieprocesrecht
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

IPR. Familierecht. Bruidsgave (mahr). Levert de verplichting van de vrouw om afstand te doen van haar bruidsgave bij een khul echtscheiding (art. 1146 Iraans BW) strijd op met de Nederlandse openbare orde (art. 10:6 BW) ?

Volledige uitspraak


PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/01295

Zitting 10 april 2026

CONCLUSIE

F. Ibili

In de zaak

[de vrouw] ,

eiseres tot cassatie,

hierna: de vrouw

tegen

[de man] ,

verweerder in cassatie,

hierna: de man

1Inleiding

1.1

In deze zaak vordert de vrouw veroordeling van de man tot voldoening van de in de Iraanse huwelijksakte van partijen overeengekomen bruidsgave (mahr) van 800 Bahar-e Azadi gouden munten. Anders dan de rechtbank heeft het hof deze vordering afgewezen, omdat de vrouw op grond van art. 1146 Iraans BW verplicht is om in geval van een khul echtscheiding de man te compenseren voor zijn instemming met de door de vrouw gewenste echtscheiding. Volgens het hof is deze bepaling van Iraans recht niet in strijd met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW. De vrouw komt hiertegen in cassatie op.

2Feiten en procesverloop

2.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. 1

2.2

Partijen hebben de Iraanse nationaliteit. Zij zijn op 30 december 2006 in Esfahan, Iran, met elkaar getrouwd.

2.3

In de huwelijksakte, die door partijen is ondertekend, is volgens de beëdigde Nederlandse vertaling, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

‘(...)

Bruidsprijs en handtekening van de echtgenoten:

1. Een geschenk bestaande uit een koran, een spiegel met kandelaars, een rol termeh-stof, in totaal ter waarde van vijf miljoen en driehonderd rial;

2. Mahr al-soenna ten bedrage van tweehonderdtweeënzestig rial en half;

3. Een set gouden sieraden van 10/tien mithqal;

4. Achthonderd stuks volle Bahar-e Azadi gouden munten;

5. De kosten van een bedevaart naar Mekka en de graftombes van sjiitische heiligen in Irak, ten bedrage van negentien miljoen rial;

6. De prijs van 3 dang van een woning, ten bedrage van vierhonderd miljoen rial;

7. Een contante som voor de bruidsprijs ten bedrage van tweehonderd miljoen rial die echtgenoot volgens de sharia verschuldigd is en aan zijn echtgenote dient te betalen op het ieder moment dat zij ze opeist.

(...)

Overeengekomen voorwaarden tussen partijen:

(...)

B. Verder verleent echtgenoot aan echtgenote de bevoegdheid met het recht van substitutie om in onderstaande gevallen naar de rechtbank te stappen voor een echtscheidingsvergunning en na het kiezen van de soort echtscheiding ook een echtscheiding aan te vragen. Dat geldt ook wanneer echtgenote afstand doet van haar bruidsprijs waardoor echtgenoot akkoord gaat met een echtscheiding.

(…)

In onderstaande gevallen kan echtgenote de rechtbank verzoeken om middels een uitspraak de echtscheiding toe te staan:

1. Indien echtgenoot om welke reden dan ook weigert gedurende zes manden het onderhoudsgeld te betalen, en zij niet in de mogelijkheid verkeert hem daartoe te verplichten. Eveneens is dit van toepassing indien de man overige basisrechten van de vrouw gedurende zes maanden schendt en zij niet in de mogelijkheid verkeert hem hiertoe te verplichten.

2. Indien het wangedrag en de manier van omgang van echtgenoot het samenleven met hem voor echtgenote ondraaglijk maakt.

(...)

8. Indien echtgenoot het gezin gedurende een periode van meer dan zes maanden en zonder geldige reden verlaat.

(...)

12. Indien echtgenoot zonder instemming van de eerste echtgenote een tweede huwelijk aangaat, of indien echtgenoot volgens het oordeel van de rechtbank niet rechtvaardig is ten aanzien van zijn echtgenoten.

(…)’. 2

2.4

De man is in februari 2019 naar Nederland gekomen, de vrouw en de minderjarige dochter van partijen in september 2021.

2.5

De vrouw heeft op 28 november 2022 in Nederland een verzoek tot echtscheiding ingediend. Het huwelijk is ontbonden op 3 mei 2023 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 6 april 2023 in de registers van de burgerlijke stand. Deze echtscheiding is niet erkend in Iran.

2.6

De vrouw heeft bij dagvaarding van 12 december 2022 gevorderd dat de man wordt veroordeeld tot voldoening van een deel van de overeengekomen bruidsgave, te weten 800 volle Bahar-e Azadi gouden munten van maat 1 met een gewicht van 8.13598 gram, een netto gewicht van 7.32238 gram puur goud, een diameter van 22 millimeter en puurheid van 0.9000 of een equivalent daarvan gelijk aan € 405.360,-, binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis.

2.7

De man heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel afwijzing van de vordering. Subsidiair heeft de man geconcludeerd dat de bruidsgave gematigd wordt, waarbij hij 110 Bahar-e Azadi gouden munten aan de vrouw dient te voldoen.

2.8

De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 15 november 2023 de man veroordeeld tot overdracht aan de vrouw van 110 Bahar-e Azadi gouden munten maat 1, met een gewicht per munt van 8.13598 (gram), met een nettogewicht van puur goud 7.32238 (gram), 22 mm met de puurheid van 0.90000, binnen 14 dagen na betekening van het vonnis. Verder is de man veroordeeld tot overdracht aan de vrouw van 690 Bahar-e Azadi gouden munten maat 1, met een gewicht per munt van 8.13598 (gram), met een nettogewicht van puur goud 7.32238 (gram), 22 mm met de puurheid van 0.90000, in termijnen van één gouden munt per jaar, vanaf januari 2025.

2.9

De vrouw is hiervan in hoger beroep gekomen. Zij heeft geconcludeerd dat het vonnis wordt vernietigd voor zover het betrekking heeft op de afwijzing van de vordering tot betaling van het equivalent in euro’s van de overeengekomen Bahar-e Azadi gouden munten, en dat haar vorderingen alsnog volledig worden toegewezen.

2.10

De man heeft op zijn beurt incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij heeft geconcludeerd dat het vonnis wordt vernietigd en de vrouw in haar vorderingen in eerste aanleg alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard, althans dat de vorderingen worden afgewezen.

2.11

Bij arrest van 21 januari 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het principale appel de vordering van de vrouw afgewezen, en in het incidentele appel het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van de vrouw in eerste aanleg alsnog afgewezen.

2.12

De vrouw is tijdig in cassatie gekomen van het arrest van het hof (hierna: het bestreden arrest). De man heeft verweer gevoerd en zijn standpunt schriftelijk toegelicht. De vrouw heeft gerepliceerd.

3Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Alvorens de klachten van het middel te bespreken, geef ik weer hoe het hof tot zijn beslissing is gekomen. Voor zover van belang heeft het hof het volgende overwogen.

In geschil is de bruidsgave die partijen zijn overeengekomen in de Iraanse huwelijksakte. Vast staat dat partijen ter gelegenheid van de huwelijksvoltrekking op 30 december 2006 in Iran afspraken hebben gemaakt over een door de man aan de vrouw verschuldigde bruidsgave. (rov. 3.3)

De man stelt dat de vrouw naar Iraans recht door het indienen van het echtscheidingsverzoek afstand heeft gedaan van de bruidsgave. Dat verzoek is namelijk niet gebaseerd op een van de echtscheidingsgronden die volgen uit de wet of de huwelijksakte van partijen. De vrouw betwist dat zij afstand heeft gedaan van de bruidsgave. Partijen zijn volgens de vrouw naar Iraans recht nog gehuwd en de bruidsgave betreft een rechtsfiguur die los gezien moet worden van de echtscheiding. Dat de vrouw met het indienen van het echtscheidingsverzoek afstand zou hebben gedaan van de bruidsgave, is volgens haar daarnaast in strijd met de Nederlandse openbare orde (art. 10:6 BW) . (rov. 3.4)

De bruidsgave (mahr) is een rechtsfiguur in het islamitische recht. Het gaat om een toezegging tot betaling van geld en/of goederen van de man aan de vrouw ter gelegenheid van de huwelijkssluiting. Vanaf de dag van de huwelijkssluiting is de vrouw eigenaar en rechthebbende van de bruidsgave. Zij kan vanaf dat moment de bruidsgave op ieder moment opeisen. Dit volgt uit art. 1082 Iraans BW. De bruidsgave moet bezien worden tegen de achtergrond dat naar islamitisch recht echtgenoten in beginsel ieder hun eigen vermogen behouden. Hoewel partijen afwijkende afspraken kunnen maken, kan de vrouw na de ontbinding van het huwelijk daardoor in principe geen aanspraak maken op het vermogen van de man. De bruidsgave voorziet daarmee in enige bestaanszekerheid voor de vrouw in geval van een echtscheiding. (rov. 3.5)

Naar Iraans recht kan de vrouw slechts op basis van een aantal gronden die volgen uit de wet of uit de huwelijksakte van partijen zelfstandig een echtscheidingsverzoek indienen. Indien het echtscheidingsverzoek van de vrouw is gebaseerd op een van die echtscheidingsgronden, behoudt zij haar aanspraak op de bruidsgave. De wettelijke echtscheidingsgronden voor Iraanse vrouwen zijn: ‘the husband’s disappearance for a period of at least four years without any sign of life’ (art. 1029 Iraans BW) ; ‘the husband’s refusal to pay maintenance and the imposibility to force him to do so’ (art. 1129 Iraans BW) ; ‘the husband’s breach of any other marital duties and the impossibility to have him observe them’ (art. 1130 Iraans BW) . In de huwelijksakte hebben partijen (aanvullende) echtscheidingsgronden opgenomen. (rov. 3.6)

Indien de echtscheiding wordt verzocht door de vrouw en niet is gebaseerd op een van de genoemde echtscheidingsgronden, is sprake van een khul echtscheiding in de zin van art. 1146 Iraans BW. In geval van een khul echtscheiding zal de vrouw aan haar echtgenoot een vergoeding aanbieden in ruil voor zijn toestemming om te kunnen scheiden. De compensatie bestaat meestal uit de kwijtschelding van het onbetaalde deel van de bruidsgave, alsook uit elke andere vorm van compensatie. (rov. 3.7)

Anders dan de vrouw stelt, kan de bruidsgave niet los worden gezien van de echtscheidingsprocedure. De bruidsgave is immers een vorm van financiële zekerheid voor de vrouw voor na de echtscheiding. De bruidsgave is daarmee zodanig met het huwelijk en, in het bijzonder, de echtscheiding verbonden dat deze niet los van elkaar kunnen worden gezien. Dat partijen naar Iraans recht nog zijn gehuwd, maakt dit oordeel niet anders. Naar Nederlands recht heeft immers een rechtsgeldige echtscheiding plaatsgevonden. (rov. 3.8)

Niet in geschil is dat de echtscheiding is verzocht door de vrouw. De grond van het echtscheidingsverzoek is naar Iraans recht ‘dislike of her husband’ (art. 1146 Iraans BW) , zodat sprake is van een khul echtscheiding. Hieruit volgt dat de vrouw op grond van het Iraans BW niet zonder meer recht heeft op uitkering van de bruidsgave, maar dat zij op grond van Iraans recht de man compenseert, welke compensatie kan bestaan uit kwijtschelding van de door de man voor of tijdens het huwelijk niet betaalde bruidsgave of een andere vorm van compensatie. (rov. 3.9)

De vrouw stelt dat deze conclusie in strijd is met het in Nederland voor fundamenteel gehouden recht van de echtgenoten om van elkaar te kunnen scheiden, zodat op grond van art. 10:6 BW de bepalingen uit het Iraans BW buiten toepassing moeten blijven. Hoewel het hof inziet dat de echtscheiding op deze manier negatieve financiële consequenties voor de vrouw heeft, maakt dit niet dat het voor haar onmogelijk is om van de man te scheiden. Een situatie van gevangenschap van de vrouw in het huwelijk is dus niet aan de orde. Bovendien geldt ook voor de man dat een initiatief tot echtscheiding van zijn zijde voor hem financiële consequenties heeft, aangezien hij in dat geval de bruidsgave moet voldoen. Daarbij komt dat het ook bij huwelijken naar Nederlands recht voorstelbaar is dat een van de echtgenoten negatieve financiële consequenties ondervindt door de echtscheiding. De negatieve financiële consequenties hetzij aan de zijde van de vrouw, hetzij aan de zijde van de man kunnen dan ook niet tot gevolg hebben dat de bepalingen uit het Iraans BW strijdig zijn met de Nederlandse openbare orde. Daarbij overweegt het hof dat als de vordering van de vrouw zou worden toegewezen, de man geconfronteerd zou worden met de financiële consequenties van de echtscheiding. (rov. 3.10)

Op grond van het voorgaande komt aan de man het recht van compensatie toe. Nu die doorgaans in de vorm van kwijtschelding van de nog niet betaalde bruidsgave plaatsvindt, en onderhandelingen tussen partijen in het kader van de echtscheiding niet meer aan de orde zijn omdat de Nederlandse echtscheiding inmiddels een feit is, is het hof van oordeel dat de man de nog niet betaalde Bahar-e Azadi gouden munten niet aan de vrouw hoeft te voldoen. Dit maakt dat de vordering van de vrouw om de man te veroordelen de munten aan haar te betalen, moet worden afgewezen. (rov. 3.11)

3.2

Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel I komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 3.10 dat de compensatie die de vrouw op grond van art. 1146 Iraans BW aan de man dient te betalen in geval van een khul echtscheiding niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW. Onderdeel II bevat een voortbouwklacht. De klachten komen, kort gezegd, neer op het volgende.

De bepaling in de huwelijksakte die de vrouw beperkt in haar mogelijkheden om echtscheiding te verzoeken, waardoor zij als gevolg van de khul echtscheiding geen aanspraak meer kan maken op de bruidsgave, is kennelijk onverenigbaar met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW. Een dergelijke bepaling maakt onderscheid tussen de echtgenoten in een echtscheidingsprocedure en leidt tot een beperking van het recht van de vrouw op toegang tot de rechter. Op grond van de huwelijksakte heeft de vrouw recht op de bruidsgave; zij kan de bruidsgave van de man vorderen wanneer zij dat wenst. Dit heeft het hof miskend.

De bruidsgave kan niet los worden gezien van de echtscheiding. De bruidsgave is immers een vorm van financiële zekerheid voor de vrouw na de echtscheiding. De consequentie van de beslissing van het hof is evenwel dat aan de vrouw de facto de bruidsgave wordt ontnomen, omdat de grond van haar echtscheidingsverzoek ‘dislike of her husband’ in de zin van art. 1146 Iraans BW is en niet een van de Iraanse wettelijke echtscheidingsgronden of de aanvullende echtscheidingsgronden uit de huwelijksakte. Het hof heeft miskend dat dit in strijd is met de Nederlandse openbare orde.

Althans heeft het hof geen blijk ervan gegeven betekenis toe te kennen aan de (voor de toetsing aan de openbare orde relevante) overige feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij het onderhavige geval. Dat Nederland bij het onderhavige geval is betrokken, volgt uit het feit dat de man in februari 2019 naar Nederland is gekomen en de vrouw met de dochter van partijen in september 2021, dat de vrouw een verzoek tot echtscheiding in Nederland heeft ingediend en het huwelijk van partijen is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Althans zijn onbegrijpelijk de overwegingen van het hof dat ook een initiatief tot echtscheiding van de zijde van de man voor hem financiële consequenties zou hebben, aangezien hij in dat geval de bruidsgave moet voldoen, dat het ook bij huwelijken naar Nederlands recht voorstelbaar is dat een van de echtgenoten negatieve financiële consequenties ondervindt door de echtscheiding, en dat de man bij toewijzing van de vordering van de vrouw financiële consequenties zou ondervinden. Die overwegingen doen niet eraan af dat als gevolg van de khul echtscheiding de vrouw geen recht heeft op de bruidsgave, hetgeen een ontoelaatbaar onderscheid tussen de rechtspositie van de vrouw en de man en daarmee een schending van de Nederlandse openbare orde oplevert.

3.3

Bij de bespreking van deze klachten stel ik het volgende voorop.

Naar het oordeel van het hof geldt de in Nederland tot stand gekomen echtscheiding tussen partijen als een khul echtscheiding in de zin van art. 1146 Iraans BW. Dit betekent dat de vrouw op grond van Iraans recht niet zonder meer recht heeft op uitkering van de overeengekomen bruidsgave; zij dient de man te compenseren, welke compensatie kan bestaan uit kwijtschelding van de door de man voor of tijdens het huwelijk niet betaalde bruidsgave of een andere vorm van compensatie. Tegen deze uitleg van het Iraanse recht in rov. 3.9 zijn in cassatie geen klachten gericht. 3 Dit betekent dat in cassatie tot uitgangspunt moet worden genomen dat de in Nederland, op grond van het verzoek van de vrouw tot stand gekomen echtscheiding kwalificeert als een khul echtscheiding in de zin van art. 1146 Iraans BW. 4 De klachten in cassatie beperken zich tot het oordeel van het hof in rov. 3.10 dat de compensatie die de vrouw op grond van art. 1146 Iraans BW aan de man dient te betalen in geval van een khul echtscheiding, niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW.

Voor zover het middel ervan uitgaat dat de verplichting tot compensatie van de vrouw in geval van een khul echtscheiding voortvloeit uit de huwelijksakte van partijen, mist het feitelijke grondslag. Die verplichting vloeit niet voort uit de huwelijksakte maar uit art. 1146 Iraans BW. Anders dan het middel veronderstelt, heeft het hof in rov. 3.10 niet beoordeeld of een bepaling uit de huwelijksakte in strijd is met de Nederlandse openbare orde, maar of de uit art. 1146 Iraans BW voortvloeiende verplichting van de vrouw tot compensatie in strijd is met de Nederlandse openbare orde.

3.4

De Nederlandse rechtspraak wordt in toenemende mate geconfronteerd met de bruidsgave, in het bijzonder de Iraanse variant. 5 De bruidsgave (mahr) is een rechtsfiguur uit het islamitische recht en komt voor in de wetgeving van landen waar het personen- en familierecht is gebaseerd op het islamitische recht. Aangezien er verschillen bestaan in de wetgeving van deze landen, beperk ik mij tot de Iraanse bruidsgave. 6

De bruidsgave vormt een essentieel onderdeel van het huwelijk in Iran. De wettelijke regeling van de bruidsgave is te vinden in art. 1078 t/m 1101 Iraans BW. 7 De bruidsgave betreft een overeenkomst waarbij de man in het kader van de huwelijksvoltrekking zich ertoe verbindt om een geldbedrag, een bepaalde hoeveelheid goud of iets anders van waarde aan de vrouw te geven. 8 De aard en omvang van de bruidsgave kunnen partijen zelf bepalen. 9 De bruidsgave is geen vereiste voor een rechtsgeldig huwelijk. Als partijen hebben nagelaten om afspraken te maken over de bruidsgave, is de vrouw gerechtigd tot een redelijke bruidsgave. 10

De bruidsgave wordt doorgaans vermeld in de huwelijksakte. De bruidsgave is een exclusief recht van de vrouw. Zij is vanaf de huwelijksvoltrekking eigenaar van de bruidsgave en kan deze van de man opeisen. 11 In de praktijk wordt een bruidsgave doorgaans niet opgeëist tijdens het huwelijk. 12 Partijen kunnen ook afspreken dat een (beperkt) deel van de bruidsgave bij de huwelijksvoltrekking wordt voldaan en het resterende deel wordt uitgesteld tot het einde van het huwelijk. 13 De bruidsgave dient (mede) als financieel vangnet voor de vrouw in geval van echtscheiding. Dit moet worden gezien in het licht van het wettelijke stelsel van algehele scheiding van goederen (behoudens andersluidende afspraken) en het (nagenoeg) ontbreken van een wettelijke aanspraak op levensonderhoud na echtscheiding voor de vrouw. 14

Een bruidsgave tot 110 Bahar-e Azadi gouden munten of het daarmee corresponderende geldbedrag kan door de vrouw van de man worden opgeëist zonder tussenkomst van de rechter. Voor het opeisen van het meerdere deel dient de vrouw zich te wenden tot de rechter, die bij de beoordeling van de vordering rekening zal houden met de draagkracht van de man. Blijkt de man onvoldoende draagkracht te hebben om de resterende bruidsgave te betalen, dan kan de rechter hem veroordelen tot betaling in termijnen. 15

3.5

Naar Iraans recht beschikt de vrouw over beperkte mogelijkheden om een echtscheiding tot stand te brengen. 16 De man beschikt over vrijwel een onbeperkt recht om van zijn vrouw te scheiden. 17 De vrouw daarentegen, kan slechts om echtscheiding vragen wanneer de man zijn huwelijkse verplichtingen niet nakomt. De wettelijke gronden waarop de vrouw om echtscheiding kan vragen zijn: de afwezigheid van de man voor een periode van tenminste vier jaar zonder een teken van leven; 18 de weigering van de man om in het levensonderhoud van de vrouw te voorzien; 19 en de ondraaglijkheid voor de vrouw om het huwelijk met de man voort te zetten 20. Naast deze wettelijke echtscheidingsgronden kunnen partijen (in de huwelijksakte) aanvullende echtscheidingsgronden afspreken ten gunste van de vrouw. 21

In de Iraanse wet worden twee aanvullende echtscheidingsgronden genoemd die zijn gebaseerd op de consensus tussen de echtgenoten: 22 een khul echtscheiding, waarbij de echtscheiding tot stand komt op verzoek van de vrouw op grond van haar aversie tegen de man (‘dislike of her husband’), 23 en een mubarat echtscheiding, waarbij beide echtgenoten willen scheiden wegens aversie tegen elkaar 24. Voor de onderhavige zaak is de khul echtscheiding van belang. De Iraanse wet (art. 1146 Iraans BW) schrijft voor dat een khul echtscheiding mogelijk is wanneer de vrouw de man een vergoeding betaalt in ruil voor zijn instemming met de door de vrouw gewenste echtscheiding. 25 Die vergoeding kan bestaan uit een deel of het geheel van de nog niet betaalde bruidsgave die partijen zijn overeengekomen. De hoogte van de vergoeding is onderwerp van onderhandelingen tussen de echtgenoten.

3.6

In de literatuur worden verschillende functies van de bruidsgave genoemd. 26

De bruidsgave kan een symbolische functie hebben, waarbij de bruidsgave in het teken staat van bijvoorbeeld de sociale status van de echtgenoten. Een hoge bruidsgave is statusverhogend, zonder dat de vrouw daadwerkelijk zal overgaan tot het opeisen van de bruidsgave tijdens het huwelijk. De bruidsgave kan ook in het teken staan van een religieuze verplichting of een plaatselijke gewoonte waar de echtgenoten uiting aan geven, waarbij de hoogte van de bruidsgave niet centraal staat.

De bruidsgave kan ook een financiële functie hebben, waarbij de bruidsgave de vrouw financiële zekerheid biedt tijdens het huwelijk (als financiële buffer) en in geval van echtscheiding (waarbij als uitgangspunt geldt dat de vrouw volgens de op het islamitische recht gebaseerde rechtsstelsels geen aanspraak kan maken op vermogensdeling op grond van huwelijksvermogensrecht en op partneralimentatie). 27

Ook wordt aan de bruidsgave een gedragsregulerende functie toegeschreven. Zowel de man als de vrouw zullen niet al te lichtvaardig besluiten tot een echtscheiding, omdat dit financiële gevolgen zal hebben. Als de man de echtscheiding initieert, zal hij de (resterende) bruidsgave aan de vrouw moeten voldoen. Een hoge bruidsgave beschermt de vrouw tegen een al te lichtvaardige huwelijksbeëindiging door de man. En als de vrouw de echtscheiding initieert buiten de wettelijk toegestane of door de echtgenoten aanvullend afgesproken echtscheidingsgronden, kan zij gehouden worden om afstand te doen van (een deel van) de bruidsgave.

In het verlengde hiervan kan de bruidsgave ook een onderhandelingsinstrument zijn voor de vrouw die een khul echtscheiding beoogt te bewerkstelligen.

3.7

Uit de Iraanse bruidsgave zaken die aan de Nederlandse rechter worden voorgelegd blijkt, net als in de onderhavige zaak, dat de echtgenoten in de Iraanse huwelijksakte exorbitant hoge bruidsgave afspraken maken in de vorm van Iraanse Bahar-e Azadi gouden munten, die, voor zover kan worden nagegaan, de financiële draagkracht van de man ver te boven gaan. 28 Een verklaring voor deze exorbitant hoge bruidsgave afspraken heb ik niet kunnen vinden, anders dan dat dit gebruikelijk is in Iran. 29 In bruidsgave zaken uit andere landen, zoals Marokko, Pakistan en Afghanistan, die aan de Nederlandse rechter worden voorgelegd komen dergelijke exorbitant hoge bruidsgave afspraken in de regel niet voor. 30 Deze Iraanse praktijk staat haaks op het uitgangspunt van islamitisch recht dat de bruidsgave ingetogen dient te zijn. 31

In de feitenrechtspraak wordt tot uitgangspunt genomen dat de bruidsgave gekwalificeerd dient te worden als een rechtsfiguur sui generis, die volgens een ongeschreven conflictregel wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de huwelijkssluiting waarmee de bruidsgave nauw is verbonden. Dit betekent dat de vordering van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave beoordeeld dient te worden naar Iraans recht, wanneer het huwelijk van de echtgenoten in Iran is voltrokken. In de onderhavige zaak heeft het hof zich niet expliciet uitgelaten over de kwalificatie van de bruidsgave. 32 Het hof heeft de bruidsgave beoordeeld naar Iraans recht. Hiertegen is in cassatie geen klacht gericht. 33

Zoals ik hiervoor (onder 3.3) al opmerkte, geldt in cassatie als uitgangspunt dat de in Nederland, op grond van het verzoek van de vrouw tot stand gekomen echtscheiding kwalificeert als een khul echtscheiding in de zin van art. 1146 Iraans BW. De vrouw heeft naar Iraans recht niet zonder meer recht op uitkering van de overeengekomen bruidsgave; zij dient de man de compenseren, welke compensatie kan bestaan uit kwijtschelding van de door de man voor of tijdens het huwelijk niet betaalde bruidsgave of een andere vorm van compensatie. Levert deze verplichting van de vrouw op grond van art. 1146 Iraans BW strijd op met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW?

3.8

Op grond van art. 10:6 BW geldt dat vreemd recht in Nederland niet wordt toegepast, voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. De toepassing van deze exceptie is slechts in uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd. Alleen wanneer de harde kern van de Nederlandse rechtsorde in het geding is, waarbij de toepassing van vreemd recht de in Nederland voor fundamenteel gehouden waarden en beginselen (zoals het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod) in het gedrang brengt, kan de openbare orde als afweermiddel worden ingezet. 34 Bij de toepassing van de openbare orde exceptie wordt onderscheid gemaakt tussen de inhoud van het vreemde recht en de gevolgen waartoe toepassing van het vreemde recht in het concrete geval leidt. Van vreemd recht dat naar zijn inhoud in strijd is met de openbare orde, is sprake wanneer de grenzen van wat naar Nederlandse opvattingen voor een wetgever behoorlijk en geoorloofd is, worden overschreden. In dat geval kan het vreemde recht in Nederland niet worden toegepast, ongeacht of de casus enige verbondenheid met Nederland heeft (buitengrenscriterium). Vreemd recht dat niet op zichzelf al naar zijn inhoud onaanvaardbaar is, kan toch buiten toepassing blijven indien toepassing zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld. Hierbij spelen de omstandigheden van het geval, en met name de betrokkenheid van Nederland, een belangrijke rol. Naarmate de Nederlandse betrokkenheid groter is, zal eerder sprake (kunnen) zijn van strijd met de openbare orde (binnengrenscriterium). 35 De exceptie van de openbare orde is in processuele zin van openbare orde. Dit betekent dat zowel de rechter in eerste aanleg als de rechter in hoger beroep deze exceptie ambtshalve dient toe te passen. 36

3.9

Anders dan het middel betoogt zie ik niet in waarom de verplichting van de vrouw naar Iraans recht om in geval van een door haar geïnitieerde khul echtscheiding de man een compensatie te bieden in ruil voor zijn instemming met de echtscheiding, in dit geval in strijd is met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW. Deze verplichting van de vrouw heeft niet geleid tot een beperking van haar, in Nederland als fundamenteel te beschouwen recht op toegang tot de rechter teneinde een echtscheiding tot stand te brengen. De echtscheiding is in Nederland uitgesproken op verzoek van de vrouw en ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Dat de vrouw bij de toegang tot de rechter in Nederland een, met het oog op de openbare orde niet te dulden (al dan niet op financiële aspecten terug te voeren) beperking heeft ondervonden als gevolg van haar verplichting naar Iraans recht om afstand te doen van (een deel van) haar bruidsgave, is in dit geval niet gebleken. Zoals het hof ook benoemt (rov. 3.1), is geen sprake van een situatie van huwelijkse gevangenschap van de vrouw.

Het enkele feit dat het initiëren van een khul echtscheiding door de vrouw voor haar ongunstige financiële consequenties heeft, levert naar mijn mening nog geen strijd op met de Nederlandse openbare orde. Aan een echtscheiding is nu eenmaal eigen dat deze voor de echtgenoten over en weer financiële consequenties zal hebben. Dat is wat het hof ook tot uitdrukking heeft willen brengen in rov. 3.10 (‘(…) Daar komt bij dat dat het ook bij huwelijken naar Nederlands recht voorstelbaar is dat een van de echtgenoten negatieve financiële consequenties ondervindt door de echtscheiding. (…)’).

De beslissing van het hof doet het meest recht aan het met de bruidsgave beoogde doel van partijen. Hierbij is van belang dat de bruidsgave op het moment dat zij werd overeengekomen geheel in de Iraanse rechtssfeer lag: de nationaliteit en de gewone verblijfplaats van partijen was Iran; de bruidsgave was verbonden met het in Iran voltrokken huwelijk van partijen; de bruidsgave is neergelegd in de Iraanse huwelijksakte waarin partijen ook afspraken hebben gemaakt over aanvullende echtscheidingsgronden ten behoeve van de vrouw. Op basis hiervan kan worden aangenomen dat het de bedoeling van partijen is geweest om de bruidsgave overeen te komen volgens de in Iran heersende opvattingen daarover. Dat de casus inmiddels (door de gewone verblijfplaats van partijen) nauw is verbonden met de Nederlandse rechtssfeer doet hieraan niet af.

De bruidsgave is door de echtgenoten kennelijk overeengekomen met het oog op de situatie waarin het huwelijk, de echtscheiding en de echtscheidingsgevolgen worden beheerst door Iraans recht. Het wringt dan ook om in dit geval, waarin de echtscheiding naar Nederlands recht is uitgesproken, de bruidsgave los te weken van het Iraanse echtscheidingsrecht en als afzonderlijke partijafspraak te beoordelen binnen de context van (een afzonderlijke procedure na) een Nederlandse echtscheiding waarin de bruidsgave geen onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsgevolgen. Bovendien geldt dat in het met de bruidsgave (mede) beoogde doel van financiële zekerheid voor de vrouw na de echtscheiding, in dit geval wordt voorzien door het Nederlandse alimentatierecht dat op grond van art. 3 lid 1 Haags Alimentatieprotocol 37 – gelet op de gewone verblijfplaats van de vrouw in Nederland – van toepassing is. Indien de vrouw na de echtscheiding niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, kan zij naar Nederlands recht een bijdrage van de man vragen.

Ik meen dan ook dat het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de openbare orde exceptie van art. 10:6 BW door te oordelen dat de man in dit geval recht heeft op compensatie door de vrouw in geval van een door de vrouw geïnitieerde khul echtscheiding op grond van art. 1146 Iraans BW. 38

3.10

Op zichzelf genomen voert het middel terecht aan dat het hof niet uitdrukkelijk aandacht heeft besteed aan de mate van betrokkenheid van Nederland bij het onderhavige geval, als relevante omstandigheid in het kader van het binnengrenscriterium van de openbare orde exceptie. 39 Dit kan echter niet tot cassatie leiden. Het oordeel van het hof dat de toepassing van het Iraanse recht niet leidt tot een rechtsgevolg dat in strijd is met de Nederlandse openbare orde, houdt namelijk ook stand wanneer met het middel wordt aangenomen dat de casus nauw is verbonden met de Nederlandse rechtssfeer.

3.11

In rov. 3.11 heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het recht van compensatie van de man naar Iraans recht doorgaans plaatsvindt in de vorm van kwijtschelding van de nog niet betaalde bruidsgave en onderhandelingen tussen partijen in het kader van de echtscheiding niet meer aan de orde zijn omdat de Nederlandse echtscheiding inmiddels een feit is. Uitgaande van deze vaststelling, die in cassatie niet met een klacht is bestreden, heeft het hof kunnen oordelen dat de man de nog niet betaalde Bahar-e Azadi gouden munten niet aan de vrouw hoeft te voldoen.

3.12

Op grond van het voorgaande meen ik dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

4Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1

Zie rov. 2.1 e.v. van het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:266, JPF 2025/45, m.nt. A.J.I. Mullenders.

2

In de Nederlandse vertaling van de huwelijksakte wordt gesproken van ‘bruidsprijs’, maar bedoeld is de bruidsgave. Zie over deze terminologie S.W.E. Rutten, De islamitische bruidsgave, FJR 2025/17, p. 76; F.J.A. van der Velden, Inleiding in de shari’a, Boom juridisch 2016, p. 103, noot 65; N. Yassari, Die Brautgabe im Familienvermögensrecht. Innerislamischer Rechtsvergleich und Integration in das deutsche Recht, Mohr Siebeck 2014, p. 5-12.

3

Rechtsklachten over de schending van buitenlands recht zijn in cassatie gedoemd te falen (art. 79 lid 1, sub b RO) . Motiveringsklachten over de uitleg en toepassing van buitenlands recht zijn wel mogelijk en leiden nog wel eens tot cassatie; zie bijvoorbeeld HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1630, RvdW 2023/1129; HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:126, NJ 2026/76. Zie hierover recentelijk T.F.E. Tjong Tjin Tai, Cassatie en de toepassing van buitenlands recht, WPNR 2026/7533, p. 102-104.

4

Dat hierover ook wel anders wordt gedacht, blijkt uit de feitenrechtspraak genoemd in S.W.E. Rutten, De islamitische bruidsgave (deel II), FJR 2025/22, onder 3.1, noot 11. Ik wijs erop dat deze kwestie aan bod komt in het kader van het cassatieberoep (zaak 25/02838) tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 4 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1020, waarin ik binnenkort zal concluderen.

5

De zoekterm ‘bruidsgave’ levert op rechtspraak.nl 55 uitspraken op in de periode 2025 t/m heden, waarvan 35 uitspraken betrekking hebben op de Iraanse bruidsgave. Zie over de bruidsgave S.W.E. Rutten, De islamitische bruidsgave, FJR 2025/17 (deel I) en FJR 2025/22 (deel II); M.J. de Klerk, De bruidsgave, lessen uit een jaar jurisprudentie, EB 2026/3; Asser/Vonken & Ibili 10-II 2025/256-258; F.J.A. van der Velden, Inleiding in de shari’a, Boom juridisch 2016, p. 103-110.

6

Zie N. Yassari, Suppl. 89 (Iran), in: W. Pintens (red.), International Encyclopaedia of Laws, Family and Succession Law, Wolters Kluwer 2017, p. 47-50; N. Yassari, Die Brautgabe im Familienvermögensrecht. Innerislamischer Rechtsvergleich und Integration in das deutsche Recht, Mohr Siebeck 2014, p. 97-100; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, Eleven International Publishing 2015, p. 160-164.

7

In mijn conclusie heb ik gebruik gemaakt van de Engelse vertaling van het Iraans BW die te vinden is op https://www.refworld.org/legal/legislation/natlegbod/1928/102142. Zie voor een Duitse vertaling Bergmann/Ferid, Internationales Ehe- und Kindschaftsrecht, Verlag für Standesamtswesen.

8

Zie art. 1078 Iraans BW: ‘Anything which can be called property and which can be owned and possessed can be designated as a marriage portion.’ Vgl. N. Yassari, The financial relationship between spouses under Iranian law. A never-ending story of guilt and atonement?, in: N. Yassari (red.), Changing God’s law: the dynamics of Middle Eastern family law, Routledge 2016, p. 132: ‘Typically, Iranian mahr consist of a sum of money or an amount of gold coins.’

9

Zie art. 1080 Iraans BW: ‘Fixing of the amount of marriage portion depends upon the mutual consent of the marrying parties.’

10

Zie art. 1087 Iraans BW: ‘If a marriage portion is not mentioned, or if the absence of marriage portion is stipulated in a permanent marriage, that marriage will be authentic and the parties to it can fix the marriage portion subsequently by mutual consent. If previous to this mutual consent matrimonial intercourse takes place between them, the wife will be entitled to the marriage portion ordinarily due.’

11

Zie art. 1082 Iraans BW: ‘Immediately after the performance of the marriage ceremony the wife becomes the owner of the marriage portion and can dispose of it in any way and manner that she may like.’; en art. 1118: ‘The wife can independently do what she likes with her own property.’

12

N. Yassari, The financial relationship between spouses under Iranian law. A never-ending story of guilt and atonement?, in: N. Yassari (red.), Changing God’s law: the dynamics of Middle Eastern family law, Routledge 2016, p. 133: ‘Statutes and the standard clause in the marriage certificate specify that the mahr is due on the wife’s demand, even though in practice wives rarely ask for the mahr during marital life, particularly when the marriage is a happy one.’

13

Zie art. 1083 Iraans BW: ‘A duration of time or instalments can be fixed for the payment of the marriage portion, as a whole or in parts.’

14

N. Yassari, Suppl. 89 (Iran), in: W. Pintens (red.), International Encyclopaedia of Laws, Family and Succession Law, Wolters Kluwer 2017, p. 57, 74-75; Vgl. N. Yassari, The financial relationship between spouses under Iranian law. A never-ending story of guilt and atonement?, in: N. Yassari (red.), Changing God’s law: the dynamics of Middle Eastern family law, Routledge 2016, p. 133.

15

S.W.E. Rutten, De Islamitische bruidsgave (deel I), FJR 2025/17, p. 79; N. Yassari, Suppl. 89 (Iran), in: W. Pintens (red.), International Encyclopaedia of Laws, Family and Succession Law, Wolters Kluwer 2017, p. 47-50.

16

N. Yassari, Suppl. 89 (Iran), in: W. Pintens (red.), International Encyclopaedia of Laws, Family and Succession Law, Wolters Kluwer 2017, p. 53-56; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, Eleven International Publishing 2015, p. 135 e.v. Vgl. M. van den Berg, Islamitisch huwelijks- en echtscheidingsrecht, in: S. Rutten e.a. (red.), Recht in een multiculturele samenleving, Intersentia 2018, p. 239-240.

17

Zie art. 1133 Iraans BW: ‘A man can divorce his wife whenever he wishes to do so.’

18

Zie art. 1029 Iraans BW: ‘If a man has been for four years continuously absent with unknown whereabouts , his wife can apply for a divorce. (…).’

19

Zie art. 1129 Iraans BW: ‘If the husband refuses to pay the cost of maintenance of his wife, and if it is impossible to enforce a judgment of the court and to induce him to pay the expenses, the wife can refer to the judge applying for divorce and the judge will compel the husband to divorce her. The same stipulation will be binding in a case where the husband is unable to provide for the maintenance of the wife.’

20

Zie art. 1130 Iraans BW: ‘In the following circumstances, the wife can refer to the Islamic judge and request for a divorce. When it is proved to the Court that the continuation of the marriage causes difficult and undesirable conditions, the judge can for the sake of avoiding harm and difficulty compel the husband to, divorce his wife. If this cannot be done, then the divorce will be made on the permission of the Islamic judge.’

21

Zie art. 1119 Iraans BW: ‘The parties to the marriage can stipulate any condition to the marriage which is not incompatible with the nature of the contract of marriage, either as part of the marriage contract or in another binding contract: for example, it can be stipulated that if the husband marries another wife or absents him self during a certain period, or discontinues the payment of cost of maintenance, or attempts the life of his wife or treats her so harshly that their life together becomes unbearable, the wife has the power, which she can also transfer to a third party by power of attorney to obtain a divorce herself after establishing in the court the fact that one of the foregoing alternatives has occurred and after the issue of a final judgment to that effect.’

22

N. Yassari, Suppl. 89 (Iran), in: W. Pintens (red.), International Encyclopaedia of Laws, Family and Succession Law, Wolters Kluwer 2017, p. 55; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, Eleven International Publishing 2015, p. 156.

23

Zie art. 1146 Iraans BW: ‘A Khul’a divorce occurs when the wife obtains a divorce owing to dislike of her husband, against property which she cedes to the husband. The property in question may consist of the original marriage portion, or the monetary equivalent thereof, whether more or less than the marriage portion.’

24

Zie art. 1147 Iraans BW: ‘A Mubarat divorce occurs when the dislike is mutual in which case the compensation must not be more than the marriage portion.’

25

Anders dan het hof suggereert in rov. 3.7 van het bestreden arrest (‘In het geval van een khul echtscheiding zal de vrouw aan haar echtgenoot een vergoeding aanbieden in ruil voor zijn toestemming om te kunnen scheiden.’), gaat het dus niet zozeer om de toestemming van de man om te kunnen scheiden maar veeleer om het bereiken van consensus over de echtscheiding.

26

S.W.E. Rutten, De islamitische bruidsgave, FJR 2025/17 (deel I), p. 80. Vgl. M.S. Berger, Het islamitische echtscheidingsrecht, EB 2019/27, p. 65.

27

B. Reinhartz, Invloed van islamitische rechtsfiguren in het civiele recht in Nederland, Preadvies NVvR 2012, p. 26; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, Eleven International Publishing 2015, p. 206, noot 44; M.S. Berger, Het islamitische echtscheidingsrecht, EB 2019/27, p. 64-65.

28

Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2610 (600 Bahar-e Azadi gouden munten ter waarde van € 506.610,-); Gerechtshof Den Haag 5 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1315 (1.100 Bahar-e Azadi gouden munten ter waarde van € 254.595,-); Rb. Limburg 27 september 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:5870 (200 Bahar-e Azadi munten ter waarde van € 101.340,-); Rb. Oost-Brabant 10 januari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:47 (2.500 Bahar-e Azadi gouden munten ter waarde van € 1.266.750,-); Rb. Overijssel 21 februari 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:921 (200 Bahar-e Azadi gouden munten ter waarde van € 101.340,-); Rb. Amsterdam 6 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1395 (500 Bahar-e Azadi gouden munten ter waarde van € 242.650,-).

29

Vgl. N. Yassari, Die Brautgabe im Familienvermögensrecht. Innerislamischer Rechtsvergleich und Integration in das deutsche Recht, Mohr Siebeck 2014, p. 185: ‘Statistiken zufolge sind die Durchschnittswerte der Brautgabe im Iran von 150 Goldmünzen bahār āzādī (BA) im Jahre 1985 auf 260–350 im Jahre 2004 und auf 300–450 im Jahre 2009 gestiegen.’ N. Yassari, The financial relationship between spouses under Iranian law. A never-ending story of guilt and atonement?, in: N. Yassari (red.), Changing God’s law: the dynamics of Middle Eastern family law, Routledge 2016, p. 134, maakt melding van parlementaire discussies in Iran over wettelijke regulering van de hoogte van bruidsgave afspraken; dit heeft echter niet geleid tot een wetswijziging.

30

Zie bijvoorbeeld Rb. Den Haag 14 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3578 (Marokkaanse bruidsgave ter waarde van MAD 10.000, omgerekend € 944,-); Rb. Rotterdam 25 februari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1187 (Marokkaanse bruidsgave ter waarde van € 2.734,30); Rb. Amsterdam 1 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6291 (Pakistaanse bruidsgave ter waarde van € 1.071,-); Rb. Midden-Nederland 29 januari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:271 (Afghaanse bruidsgave ter waarde van AFN 1.480.000, omgerekend € 19.000,-).

31

F.J.A. van der Velden, Inleiding in de shari’a, 2016, p. 105; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, Eleven International Publishing 2015, p. 106. Vgl. N. Yassari, Die Brautgabe im Familienvermögensrecht. Innerislamischer Rechtsvergleich und Integration in das deutsche Recht, Mohr Siebeck 2014, p. 59-61.

32

De rechtbank heeft in rov. 4.2 van het vonnis van 15 november 2023 de bruidsgave gekwalificeerd als een rechtsfiguur sui generis die in dit geval wordt beheerst door Iraans recht.

33

Zie nader over de kwalificatie van de bruidsgave Asser/Vonken & Ibili 10-II 2025/257-258. Ik wijs erop dat het Bundesgerichtshof in een recente uitspraak van 18 februari 2026, ECLI:DE:BGH:2026:180226BXIIZB254.25.0, de in die zaak aan de orde zijnde Iraanse bruidsgave heeft gekwalificeerd als een kwestie van huwelijksvermogensrecht in de zin van de EU-Verordening Huwelijksvermogensstelsels (Nr. 2016/1103, PbEU 2016, L 183/1).

34

Zie Parl. Gesch. BW Boek 10 2014/II.8.3 (MvT); voorts L. Strikwerda/S.J. Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2026/131 e.v.; Asser/Vonken 10-I 2023/485; P. Vlas, IPR en BW (Mon. BW nr. A27) 2015/31; Th.M. de Boer/L. Strikwerda, in: F. Ibili e.a., Nederlands internationaal personen- en familierecht (R&P nr. PFR3) 2022/2.4.2.

35

HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, NJ 2023/95, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.2.

36

HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:126, NJ 2026/76, rov. 4.2.2.

37

Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, ‘s-Gravenhage, 23 november 2007, Trb. 2011, 145.

38

In dezelfde zin (geen strijd met de openbare orde): Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 juni 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1759; Rb. Amsterdam 22 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7958; Rb. Rotterdam 30 augustus 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:8126. In andere zin (wel strijd met de openbare orde): Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5421; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 augustus 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2614; Gerechtshof Amsterdam 4 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:559.

39

Zie 3.8 van mijn conclusie.


meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Meer fiscale opties pensioenverrekening samenwoners
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 06-05-2025
Jasper Horsthuis en Rob Welling gaan in gesprek over een recente uitbreiding van de fiscale mogelijkheden voor pensioenverrekening door samenwoners. Zij bepleiten een verdere verruiming van de regeling.
Podcastgesprek: Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente (II)
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 22-04-2025
De Belastingdienst heeft - opnieuw - een standpunt gepubliceerd over de fiscale afwikkeling van een lijfrentepolis bij echtscheiding. Rob Welling en Jasper Horsthuis bespreken de gevolgen hiervan.
Podcastgesprek: Breaking! Vóórhuwelijks vergoedingsrecht halveert niet!
Drs. Jasper Horsthuis en Rob Welling, 08-04-2025
Onze redacteur Jasper Horsthuis en scheidingsfiscalist Rob Welling gingen in gesprek over de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad op 21-03-2025. Super heldere uitleg over inhoud en gevolgen van de uitspraak!
Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN