ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Parket bij de Hoge Raad 13-03-2026, ECLI:NL:PHR:2026:280

Essentie (gemaakt door AI)

Parket HR over ontvankelijkheid in cassatie. Hof bepaalde dat beschikking ex [art. 3:300 lid 1-2 BW] in de plaats treedt van rechtshandelingen voor verkoop/levering woning ingeval man uitspraak niet na zal leven; uitvoerbaar bij voorraad. Cassatie door fout gerecht niet aangetekend in rechtsmiddelenregister. A-G: aantekening vereist ogv [art. 3:301 lid 2 BW], maar tijdig, volledig verzoek volstaat; verantwoordelijkheid eindigt bij aanbieding. Uitblijven aantekening mag man niet worden tegengeworpen.

Datum publicatie19-03-2026
Zaaknummer24/03234
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht;
Familieprocesrecht; Ontvankelijkheid
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Personen- en familierecht. Echtscheiding. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Aanvullende conclusie na ECLI:NL:PHR:2025:428. Ontvankelijkheid cassatieberoep i.v.m. uitblijven aantekening in rechtsmiddelenregister (art. 3:301 lid 2 BW in verbinding met art. 433 Rv) , hoewel tijdig om aantekening is verzocht.

Volledige uitspraak


PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03234

Zitting 13 maart 2026

AANVULLENDE CONCLUSIE

T. Hartlief

In de zaak

[de man] (hierna: ‘de man’)

tegen

[de vrouw] (hierna: ‘de vrouw’)

In deze zaak over de verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap heb ik op 11 april 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:428) in het principale zowel als in het incidentele cassatieberoep geconcludeerd tot vernietiging en verwijzing. In deze aanvullende conclusie is er bijzondere aandacht voor de gevolgen van het uitblijven van een aantekening 1 van het cassatieberoep in het rechtsmiddelenregister bij het gerechtshof Den Haag.

1Procesverloop (vervolg)

1.1

Voor de in deze zaak vaststaande feiten verwijs ik naar mijn eerdere conclusie in deze zaak. In die conclusie is ook het procesverloop tot aan die conclusie besproken. Ik volsta hier met de aanvulling dat op 26 augustus 2024 bij de centrale balie van het Paleis van Justitie te ’s-Gravenhage een brief van mr. Van der Brugge, de advocaat van de man, is ingekomen. In deze brief is in de volgende bewoordingen verzocht om aantekening van het ingestelde cassatieberoep in het rechtsmiddelenregister:

Hierdoor verzoek ik de griffier van het gerechtshof Den Haag om in het rechtsmiddelenregister in te schrijven dat op 21 augustus jl. door mij cassatieberoep is ingesteld tegen:

De beschikking [van] 22 mei 2024 van het gerechtshof Den Haag, Team Familie, zaaknummer 200.313.490/01 en 200.313.813/01.

De procederen[de] partijen in deze zaak zijn:

[de man] tegen [de vrouw] .

Graag ontvang ik een bewijs van inschrijving.

1.2

Op 11 april 2025 heb ik in het principale zowel als in het incidentele cassatieberoep geconcludeerd tot vernietiging en verwijzing. Beide partijen hebben schriftelijk op mijn conclusie gereageerd. Ik schets hierna wat sindsdien is voorgevallen.

1.3

Op 10 oktober 2025 heeft de waarnemend griffier van de Hoge Raad de advocaten van partijen verzocht zich uit te laten over de volgende punten:

- is het principale cassatieberoep tegen de bestreden uitspraak ingeschreven in het rechtsmiddelenregister, bedoeld in art. 433 Rv?

- had die inschrijving moeten plaatsvinden, op straffe van niet-ontvankelijkheid van dat beroep voor zover dit is gericht tegen het gedeelte van de uitspraak waarin is bepaald dat, wanneer de man weigert om de rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn voor verkoop en levering van de woning aan een derde, de uitspraak jegens de man in de plaats treedt van de door hem te verrichten rechtshandelingen (art. [3:]301 lid 2 BW)? Kunt u er hierbij aandacht aan besteden of de bestreden uitspraak op het moment dat het cassatieberoep werd ingesteld, daadwerkelijk in de plaats van (een deel van) de akte van levering was getreden of nog kon treden (vgl. HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538)?

1.4

De advocaten van beide partijen hebben zich over deze vragen uitgelaten.

1.5

Mr. Van der Brugge, de advocaat van de man, heeft bij zijn reactie een kopie van zijn brief van 26 augustus 2024 aan het gerechtshof Den Haag (randnummer 1.1 hiervoor) gevoegd. Onder verwijzing naar deze brief heeft hij de eerste vraag bevestigend beantwoord en zich op het standpunt gesteld dat de tweede vraag geen beantwoording behoeft. Hij heeft erop gewezen dat hij in de genoemde brief om een bewijs van aantekening heeft verzocht, maar dat elke reactie van het hof is uitgebleven. Naar aanleiding van het verzoek van de waarnemend griffier heeft hij op 13 oktober 2025 via Zivver-mail opnieuw om een bewijs van aantekening verzocht en wederom geen reactie gekregen. Mocht blijken dat het hof, om wat voor reden dan ook, het verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister niet heeft ingewilligd dan is volgens de man sprake van een apparaatsfout van het gerechtshof. In dat geval zal het gevolg daarvan moeten zijn dat aan het verzoek tot aantekening geacht wordt te zijn voldaan zodat de man in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen, ook met betrekking tot het eerste cassatiemiddel. Voor het tweede cassatiemiddel geldt volgens de advocaat van de man het bepaalde in art. 433 Rv (bedoeld zal zijn: het bepaalde in art. 3:301 lid 2 BW) niet zodat dit cassatiemiddel met zekerheid ontvangen kan worden.

1.6

Volgens de reactie van mr. Alt, de advocaat van de vrouw, is het principale cassatieberoep niet ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Hij wijst er verder op dat in het dictum van de bestreden beschikking is bepaald dat de beschikking op grond van art. 3:300 lid 1-2 BW jegens de man in de plaats kan treden van de door hem te verrichten rechtshandelingen als hij weigert de voor verkoop en levering benodigde rechtshandelingen te verrichten. Deze bepaling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Uit het een en ander volgt dat het cassatieberoep had moeten worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister, bij gebreke waarvan de man in zijn cassatieberoep, in elk geval voor zover het de woning betreft, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Mr. Alt wijst erop dat de bestreden uitspraak hangende het cassatieberoep daadwerkelijk in de plaats van een deel van de akte van levering is getreden.

1.7

Als bijlage bij het bericht van mr. Alt is een afschrift overgelegd van een akte van levering die op 27 juni 2025 is verleden door [notaris] . Uit de akte blijkt dat de woning op 11 maart 2025 is verkocht en per 27 juni 2025 is geleverd aan [kopers 1 en 2] . In de partijaanduiding is onder meer vermeld:

[de man] , voornoemd, weigert om na te melden rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn om de verkoop en levering te laten plaatsvinden aan de hierna te noemen koper. De beschikking ex artikel 3:300 lid 1 en 2 Burgerlijk Wetboek treedt in de plaats van de door hem te verrichten rechtshandelingen en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad.

Een kopie van voormelde beschikking de dato tweeëntwintig mei tweeduizend vierentwintig van de Gerechtshof Den Haag zal aan de minuut van deze akte worden gehecht.

Tevens wordt een kopie van beschikking de dato achtentwintig april tweeduizend tweeëntwintig van de Rechtbank Rotterdam zal aan de minuut van deze akte worden gehecht.

1.8

Nadien (op 22 oktober 2025) heeft mr. Alt, de advocaat van de vrouw, het volgende bericht gestuurd:

In aanvulling op mijn eerdere bericht meld ik nog dat ik vandaag navraag heb gedaan bij de griffie Familiezaken van het Hof Den Haag of het cassatieberoep is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Volgens de griffie was dit niet het geval. Naar mijn mening ligt het op de weg van een advocaat die een rechtsmiddel instelt om ervoor zorg te dragen dat die inschrijving daadwerkelijk tijdig gebeurt. Dat betekent niet alleen een kort briefje, maar een gedocumenteerd verzoek, vergezeld van het inleidend processtuk in cassatie en tijdig (binnen de termijn) nabellen of het e.e.a. ook daadwerkelijk tijdig is gebeurd. Nu dat alles kennelijk achterwege is gebleven, handhaaf ik het beroep op niet-ontvankelijkheid. Ik heb van de griffie om een schriftelijke bevestiging per email gevraagd dat het e.e.a. niet is ingeschreven, maar die heb ik tot aan heden nog niet ontvangen. Mocht dat op korte termijn anders zijn dan zal ik dat stuk nog uploaden.

1.9

Mr. Van der Brugge, de advocaat van de man, heeft daarop bij brief van 23 oktober 2025 gereageerd. Zijn brief is als volgt samen te vatten:

- de advocaat van de vouw stelt eisen aan een verzoek tot aantekening die nergens in een wettelijke bepaling of in een procesreglement zijn gesteld. Het doen van een verzoek tot aantekening is vormvrij. Uit art. 433 Rv blijkt dat de griffier aantekening moet doen van de naam van de partijen, de dagtekening van de uitspraak en de dagtekening van het rechtsmiddel. Al deze informatie is te vinden in de brief van 26 augustus 2024. Onderbouwing van het verzoek tot aantekening met (proces)stukken is nergens voorgeschreven;

- het ligt ook niet voor de hand dat nadere processtukken zouden moeten worden overgelegd, omdat een rechtsmiddel na aantekening ook weer kan worden ingetrokken. De griffier heeft geen bevoegdheid tot weigering van een tijdig gedaan verzoek tot aantekening waarin de informatie is te vinden die in art. 433 Rv is genoemd. Als een advocaat verzoekt om aantekening van een rechtsmiddel, moet de griffier onverwijld tot aantekening overgaan;

- het is niet verplicht of noodzakelijk dat de verzoeker tot aantekening van het rechtsmiddel telefonisch nagaat of aan zijn verzoek is voldaan. Uitgangspunt is immers dat de griffie haar werk correct en tijdig uitvoert;

- de overgelegde brief bewijst dat het verzoek om aantekening tijdig en met vermelding van de benodigde gegevens is gedaan, zodat er sprake is van een rechtsvermoeden dat het cassatieberoep tijdig is ingeschreven en het aan de vrouw is om dit rechtsvermoeden te ontzenuwen met een verklaring van de griffie van het hof dat geen aantekening heeft plaatsgevonden;

- toen de advocaat van de man op 13 oktober 2025 telefonisch bij de griffie van het hof informeerde of het cassatieberoep was ingeschreven in het rechtsmiddelenregister kreeg hij als antwoord dat die informatie niet telefonisch werd verstrekt en dat hij daarover een e-mail moest sturen. Dat heeft hij dus gedaan, maar tot dusver is die onbeantwoord gebleven. Het lijkt dan onwaarschijnlijk dat mr. Alt wel heeft vernomen dat geen aantekening had plaatsgevonden. En ook mr. Alt heeft tot nu toe geen schriftelijk bericht mogen ontvangen waarin wordt verklaard dat geen aantekening heeft plaatsgevonden;

- het nut van een tijdige aantekening van een cassatieberoep in het rechtsmiddelenregister en de daarop eventueel volgende registratie in het kadaster, moet worden gerelativeerd: de beschikking van het hof is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kon dus uitgevoerd worden, zelfs wanneer aantekening had plaatsgevonden. Dat is in deze zaak ook gebeurd.

1.10

Mr. Alt, de advocaat van de vrouw, heeft op 23 oktober 2025 het volgende bericht gestuurd:

Ik blijf erbij dat mij telefonisch is medegedeeld dat er geen inschrijving in het register heeft plaatsgevonden. Ik blijf er ook bij dat het de verantwoordelijkheid is van een advocaat die om inschrijving verzoekt dat dit ook tijdig en daadwerkelijk gebeurt. Inderdaad kan dat nabellen vereisen. Dan is men ook verzekerd van een bewijs van inschrijving dat dan later kan worden overgelegd. Een enkele indiening van een verzoek tot inschrijving is m.i. dus niet voldoende indien dat niet tot daadwerkelijke inschrijving leidt.

1.11

Op 14 november 2025 heeft de waarnemend griffier van de Hoge Raad de advocaten van partijen medegedeeld dat Uw Raad ambtshalve inlichtingen heeft ingewonnen bij het gerechtshof Den Haag. Van het hof is het volgende bericht ontvangen:

De brief van mr. R.[K]. van der Brugge van 26 augustus 2024 inzake het verzoek om inschrijving van het cassatieberoep van 21 augustus 2024 in het rechtsmiddelenregister in de zaak [de man] / [de vrouw] tegen de beschikking van het hof van 22 mei 2024 (zaaknummers 200.313.490 en 200.313.813) is op diezelfde datum, 26 augustus 2024, ontvangen bij de centrale balie van het Paleis van Justitie te Den Haag. Uit intern onderzoek is naar voren gekomen dat deze brief kennelijk de civiele griffie niet heeft bereikt. Vaststaat dat voor wat betreft de onderhavige zaken inschrijving in het rechtsmiddelenregister niet heeft plaatsgevonden.

1.12

Partijen hebben zich vervolgens kunnen uitlaten over wat het een en ander betekent voor de onderhavige cassatieprocedure. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

1.13

De uitlating van de man is als volgt samen te vatten:

- uit het in randnummer 1.11 van deze conclusie weergegeven bericht van het hof kan bezwaarlijk anders worden begrepen dan dat het feit dat het cassatieberoep niet is aangetekend in het rechtsmiddelenregister het gevolg is van een apparaatsfout van het hof;

- voor deze situatie is de strenge sanctie van niet-ontvankelijkheid niet bedoeld. Wat in een dergelijk geval rechtens is, blijkt niet eenduidig uit de wetsbepaling, wetsgeschiedenis of de gepubliceerde jurisprudentie van Uw Raad. Er is sprake van twee botsende belangen: enerzijds het algemene belang van waarheidsgetrouwe openbare registers en rechtszekerheid omtrent de rechtstoestand van registergoederen, anderzijds het individuele belang van een partij om niet de dupe te worden van apparaatsfouten, een vorm van procesrechtelijke rechtvaardigheid;

- volgens de man moet het individuele belang van een partij om niet de dupe te worden van apparaatsfouten in deze zaak zwaarder wegen. Het recht op een eerlijk verloop van een gerechtelijke procedure is een mensenrecht dat is gewaarborgd door art. 6 EVRM. Dat is in dit geval ook aan de orde. Het rechtsbelang van een actueel en correct kadaster is minder essentieel dan het recht op een eerlijk verloop van een gerechtelijke procedure;

- daarnaast is een aantekening in een rechtsmiddelenregister minder belangrijk bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken als de onderhavige, omdat deze ingevolge art. 3:17 lid 1, sub e, BW kunnen worden ingeschreven. Ongeacht of het cassatieberoep wel of niet is aangetekend in het rechtsmiddelenregister, de inschrijving van de beschikking van het hof in de openbare registers garandeert de koper van een onroerende zaak dat de eigendomsoverdracht van deze zaak aan hem krachtens een rechtsgeldige titel heeft plaatsgevonden, zolang deze uitspraak niet in hoger beroep of cassatie is vernietigd. Zodra de onroerende zaak in eigendom is overgedragen krachtens de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde gerechtelijke uitspraak, garanderen art. 3:22-24 BW de verkrijger te goeder trouw een sterke rechtsbescherming;

- de vrouw wist, althans kon weten, dat tijdig een verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister was gedaan en dat een eventuele schriftelijke of telefonische mededeling van de griffie van het hof inhoudende dat geen cassatieberoep was ingeschreven wel eens op een misslag zou kunnen berusten. Zij is dus niet te goeder trouw en daarom verdienen haar belangen geen bescherming. En zelfs wanneer dat toch anders mocht zijn, dan is de vrouw niet benadeeld doordat geen aantekening in het rechtsmiddelenregister heeft plaatsgevonden. Omdat de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad was verklaard kon het pand worden verkocht en krachtens een geldige rechtstitel worden geleverd.

1.14

De uitlating van de vrouw is als volgt samen te vatten:

- volgens Uw Raad is het aan de eiser tot cassatie om door overlegging van een verklaring van de griffier van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gegeven aan te tonen dat aan het in art. 3:301 lid 2 BW gestelde voorschrift is voldaan. 2 Daarop had de inspanning van de advocaat van de man gericht moeten zijn. Nu het de taak van een advocaat is om voor tijdige aantekening en een griffiersverklaring te zorgen, had de advocaat van de man nog vóór het verstrijken van de achtdagentermijn in actie moeten komen, bijvoorbeeld door telefonisch in contact te treden met de griffie van het hof;

- het een en ander betekent dat de man in zijn cassatieberoep in elk geval voor zover het de echtelijke woning betreft niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

1.15

Op verzoek van Uw Raad zal ik thans nader concluderen. De in deze aanvullende conclusie te beantwoorden vraag is of de man kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep en zo niet, hoe ver de uit te spreken niet-ontvankelijkheid moet strekken.

2Achtergrond en werking van het rechtsmiddelenregister

2.1

Voordat ik toekom aan de beoordeling van de ontvankelijkheid van de man in zijn cassatieberoep wijd ik enige randnummers aan het doel en de werking van het rechtsmiddelenregister. 3 Ik stel daarbij een terminologische opmerking voorop. Er is een terminologisch verschil tussen de formulering in art. 432 en 433 Rv (waar sprake is van ‘aantekenen’ in het rechtsmiddelenregister) en die in het Burgerlijk Wetboek (waar met betrekking tot het rechtsmiddelenregister steeds vormen van het werkwoord ‘inschrijven’ zijn gebruikt). Om het onderscheid tussen een aantekening in het rechtsmiddelenregister uit art. 433 Rv enerzijds en anderzijds een inschrijving in de openbare registers in de zin van art. 3:16 BW te benadrukken, gebruik ik in deze conclusie voor de rechtsmiddelenregisters zoveel mogelijk de terminologie uit art. 432-433 Rv (‘aantekenen’) en reserveer ik de term ‘inschrijven’ voor inschrijving in de openbare registers.

2.2

Een condemnatoire rechterlijke uitspraak werkt in beginsel onmiddellijk vanaf het moment van de uitspraak. 4 Dit betekent dat een rechterlijke uitspraak in beginsel ook direct vatbaar is voor tenuitvoerlegging – zij het dan dat de uitspraak daarvoor eerst aan de veroordeelde partij moet worden betekend (art. 430 lid 3 Rv) .

2.3

Het instellen van een gewoon rechtsmiddel (verzet, hoger beroep of cassatieberoep) heeft in beginsel schorsende werking. 5 Dit betekent onder meer dat geen tenuitvoerlegging kan worden begonnen als een rechtsmiddel aanhangig is en dat een eventuele ten tijde van de instelling van een rechtsmiddel al begonnen tenuitvoerlegging moet worden gestaakt.

2.4

De schorsende werking van rechtsmiddelen geldt niet voor zover de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (en de voorlopige tenuitvoerlegging daarmee is toegestaan, zie bijvoorbeeld art. 432 Rv) . 6 Een uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring is in het wettelijk systeem de uitzondering op de hiervoor geschetste hoofdregel van schorsende werking van rechtsmiddelen. Op de betekenis van een dergelijke uitvoerbaar-bij-voorraadverklaring kom ik daarom, (mede) gelet op de bijzonderheden van de onderhavige zaak, hierna terug.

2.5

Het kan zich voordoen dat een uitspraak ten uitvoer wordt gelegd tegenover iemand die geen partij was in het geschil. Dan geldt hetzelfde regime als hiervoor besproken, zij het dat na betekening een termijn van acht dagen moet worden gerespecteerd. Dit is geregeld in art. 432 Rv:

Geen vonnis 7 waarvan de voorlopige tenuitvoerlegging niet is toegestaan kan tegen een derde worden ten uitvoer gelegd, noch kan daaraan door die derde worden voldaan, dan acht dagen na betekening daarvan aan de partij die in het ongelijk is gesteld, en met overlegging van een verklaring van de griffier dat er op zijn registers geen verzet, hoger beroep of cassatie daartegen is aangetekend.

2.6

Tegen deze achtergrond is art. 433 Rv te begrijpen: een partij die een rechtsmiddel heeft ingesteld, kan er belang bij hebben om dit te laten aantekenen in het rechtsmiddelenregister. Daarmee voorkomt zij dat de griffier nadien nog een verklaring als bedoeld in art. 432 Rv afgeeft en daarmee dat de in art. 432 Rv bedoelde derde aan de uitspraak mag voldoen of zich eventueel zou kunnen beroepen op art. 6:34 lid 2 BW. 8 Art. 433 Rv luidt als volgt:

De partij die verzet heeft gedaan, of hoger beroep of beroep in cassatie heeft ingesteld, heeft de bevoegdheid om daarvan ter griffie van het gerecht dat het bestreden vonnis heeft uitgesproken, in een daartoe bestemd register aantekening te doen houden, met vermelding van de namen van de partijen, de dagtekening van het vonnis en die van het verzet, het hoger beroep of het beroep in cassatie. 9

2.7

Merk op dat uit art. 433 Rv zelf geen verplichting tot aantekening van het rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister volgt. Tot de invoering van het huidige Burgerlijk Wetboek in 1992 gold een dergelijke verplichting in geen enkel geval. Het is wel goed denkbaar dat een partij er belang bij heeft haar ingestelde rechtsmiddel te laten aantekenen in het rechtsmiddelenregister en daardoor te voorkomen dat de met het rechtsmiddel bestreden uitspraak tegenover derden ten uitvoer kan worden gelegd.

2.8

Volgens het recht van vóór 1992 werd ook de bewaarder van de openbare registers gezien als een derde tegen wie een rechterlijke uitspraak kon worden tenuitvoergelegd in de zin van art. 86 (oud) Rv of art. 432 (oud) Rv. 10 Dit betekende dat een in de registers in te schrijven uitspraak naar oud recht ofwel uitvoerbaar bij voorraad moest zijn verklaard ofwel vergezeld moest gaan van een griffiersverklaring dat geen rechtsmiddel was ingesteld. Daarnaast moest de eerder genoemde termijn van acht dagen na betekening van de uitspraak in acht worden genomen.

2.9

Sinds 1992 is de regeling betreffende in de openbare registers in te schrijven uitspraken gedetailleerder dan zij voordien was. De hoofdregel voor in de openbare registers in te schrijven uitspraken is te vinden in art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e, BW. Ik noem dit de hoofdregel (en zal dus pas later op de voor de onderhavige zaak belangrijke art. 3:300-301 BW ingaan), omdat deze bepaling vrij algemeen is geformuleerd en de andere bepalingen over inschrijving van rechterlijke uitspraken in de openbare registers in het Burgerlijk Wetboek soms strenger, maar nooit minder streng zijn dan art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e, BW. In dat artikel is bepaald dat een rechterlijke uitspraak die de rechtstoestand van registergoederen of de bevoegdheid daarover te beschikken betreft kan worden ingeschreven, mits zij uitvoerbaar bij voorraad is of een verklaring van de griffier wordt overgelegd, dat tegen de uitspraak geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat of dat hem drie maanden na de uitspraak niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken. Ook een tegen een in art. 3:17 lid 1, onder e, BW bedoelde uitspraak ingesteld rechtsmiddel kan (op grond van dezelfde bepaling) worden ingeschreven in de openbare registers.

2.10

Enkele van de in het Burgerlijk Wetboek geregelde rechterlijke uitspraken die de rechtstoestand van een registergoed betreffen zijn alleen vatbaar voor inschrijving als ze in kracht van gewijsde zijn gegaan. Zie in die zin art. 3:27 lid 1 (uitwijzingsprocedure), 3:29 lid 4 (doorhaling inschrijving), 5:32 lid 5 (rechterlijke grensvastlegging; ook in verbinding met art. 5:35 lid 3 BW, over duinvorming en -afneming) en 5:116 lid 5 BW (toewijzing van het appartementsrecht aan de grondeigenaar bij achterstallige canon of retributie met betrekking tot een in appartementsrechten gesplitst recht van erfpacht of opstal). Voor deze gevallen heeft de verklaring van de griffier blijkens art. 25 Kadasterwet ten doel kracht van gewijsde zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen.

2.11

De wijze waarop een inschrijving in de openbare registers kan worden verkregen, is nader geregeld in de Kadasterwet. Vooral art. 25 Kadasterwet is thans van belang. Het eerste lid van deze bepaling luidt als volgt:

Ter inschrijving van een rechterlijke uitspraak die voor een akte van levering in de plaats treedt of die krachtens een andere wet dan de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken kan worden ingeschreven, wordt een expeditie van de rechterlijke uitspraak aangeboden, alsmede:

a. indien de rechterlijke uitspraak slechts inschrijfbaar is, nadat zij in kracht van gewijsde is gegaan: een verklaring van de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, inhoudende dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat;

b. indien de onder a bedoelde eis voor inschrijfbaarheid niet is gesteld en de rechterlijke uitspraak niet uitvoerbaar bij voorraad is: een verklaring van de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, inhoudende:

1°. hetzij dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, hetzij dat hem drie maanden na de uitspraak niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken;

2°. zo het rechtsmiddel bij verzoekschrift moet worden ingesteld, dat ook de griffier van het gerecht waar dit verzoekschrift moet worden ingediend, niet van het instellen van een rechtsmiddel is gebleken;

c. indien voor de inschrijving betekening aan de veroordeelde vereist is, een door de deurwaarder getekend afschrift van het exploot waarbij de betekening is geschied.

2.12

Voor de in art. 25 lid 1, onder a en b, Kadasterwet bedoelde verklaring van de griffier zal de bedoelde griffier zich baseren op het bij zijn gerecht aangehouden rechtsmiddelenregister van art. 433 Rv. De bedoeling van de in de Kadasterwet gestelde eis dat deze griffiersverklaring mede ter inschrijving wordt aangeboden is om zoveel als mogelijk zeker te stellen dat de in te schrijven uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen. Als de in te schrijven uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en de uitspraak niet slechts inschrijfbaar is nadat zij in kracht van gewijsde is gegaan, is voor de inschrijving van de uitspraak in de openbare registers geen griffiersverklaring nodig.

2.13

In de meeste in randnummer 2.10 van deze conclusie genoemde gevallen is de normaal gesproken facultatieve aantekening van een tegen een uitspraak ingesteld rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister op straffe van niet-ontvankelijkheid van de aanlegger van het rechtsmiddel verplicht gesteld. Zie art. 3:27 lid 3, 3:29 lid 3 en 5:32 lid 4 BW (deze laatste bepaling ook in verbinding met art. 5:35 BW) .

2.14

Het Burgerlijk Wetboek regelt naast art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e, BW nog twee gevallen van uitspraken die in de openbare registers kunnen worden ingeschreven als zij kracht van gewijsde hebben verkregen of uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard. Zie art. 3:301 lid 1 (rechterlijke uitspraak vervangt (deel van) leveringsakte) en art. 6:260 lid 3 BW (rechterlijke wijziging of ontbinding op grond van art. 6:258-259 BW van een in de openbare registers ingeschreven overeenkomst). Aantekening van een in te stellen rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister van art. 433 Rv is in art. 3:301 lid 2 BW verplicht gesteld (wederom op straffe van niet-ontvankelijkheid). Voor rechtsmiddelen tegen uitspraken die op grond van art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e, BW of art. 6:260 lid 3 BW kunnen worden ingeschreven in de openbare registers geldt aantekening in het rechtsmiddelenregister niet als ontvankelijkheidsvereiste. 11

2.15

Dit overzicht is aanleiding voor een aantal korte opmerkingen. Ik zal beginnen met enige opmerkingen over rechtsmiddelen tegen en rechtszekerheid bij voor inschrijving in de openbare registers in aanmerking komende uitspraken die niet uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard. Daarna kom ik toe aan opmerkingen over uitspraken die wel uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard.

2.16

In alle gevallen waarbij inschrijving van een uitspraak in de openbare registers alleen mogelijk is als de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan (zie randnummer 2.10 van deze conclusie) is aantekening van een in te stellen rechtsmiddel in het in art. 433 Rv bedoelde rechtsmiddelenregister een ontvankelijkheidsvereiste, behalve in het geval bedoeld in art. 5:116 BW.

2.17

Voor rechtsmiddelen tegen uitspraken bedoeld in art. 5:116 BW of tegen niet uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken bedoeld in art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e, BW en art. 6:260 lid 3 BW (op de wel uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken ga ik hierna in (randnummer 2.20 e.v.)) is kortom geen verplichting tot aantekening in het rechtsmiddelenregister geregeld. Uit art. 25 lid 1 Kadasterwet volgt evenwel dat de kracht van gewijsde die voor inschrijving van deze uitspraken in de openbare registers nodig is zoveel mogelijk wordt gewaarborgd door de in die bepaling genoemde verklaring van de griffier. In een andere waarborg is niet voorzien.

2.18

Een partij die weet dat haar wederpartij (tijdig) een rechtsmiddel heeft ingesteld (waardoor de uitspraak nog geen kracht van gewijsde heeft) en desondanks de executie van de uitspraak voortzet door een expeditie van de uitspraak en de in art. 25 lid 1 Kadasterwet bedoelde griffiersverklaring ter inschrijving aan te bieden aan de bewaarder van de openbare registers, handelt daarmee voorbarig. 12

2.19

De aanlegger van een rechtsmiddel kan deze voorbarige tenuitvoerlegging onmogelijk maken door gebruik te maken van zijn bevoegdheid om het rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister te laten aantekenen (art. 433 Rv) . Daarmee voorkomt hij immers dat de griffier de in art. 25 Kadasterwet bedoelde verklaring afgeeft. Dit kan een prikkel zijn om in deze gevallen om aantekening van een rechtsmiddel in het daartoe bestemde register te verzoeken, ook al is dat geen vereiste voor ontvankelijkheid van de aanlegger van het rechtsmiddel.

2.20

Ik kom vervolgens toe aan opmerkingen over rechtsmiddelen tegen uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken bedoeld in art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e, 3:301 lid 1 en 6:260 lid 3 BW.

2.21

In de eerste plaats is te benadrukken dat voor het antwoord op de vraag of deze uitspraken vatbaar zijn voor inschrijving in de openbare registers niet relevant is of een rechtsmiddel is ingesteld. De uitvoerbaarheid bij voorraad brengt immers in deze gevallen mee dat uitspraken zijn in te schrijven ondanks een eventueel ingesteld rechtsmiddel. Voor inschrijving in de openbare registers is – zoals ook blijkt uit de tekst van art. 25 lid 1 Kadasterwet (zie randnummer 2.11 van deze conclusie) – daarom dan ook geen griffiersverklaring nodig.

2.22

Art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e, BW en art. 6:260 lid 3 BW stellen ontvankelijkheid niet afhankelijk van de aantekening van een tegen de in die bepalingen bedoelde uitspraken ingesteld rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister. Gelet op de vereisten voor inschrijving van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak in de openbare registers is dit logisch. Voor het vaststellen van de inschrijfbaarheid immers – anders gezegd: om te voorkomen dat niet inschrijfbare uitspraken desondanks worden ingeschreven, met alle nadelige gevolgen van dien voor de betrouwbaarheid van de openbare registers – is het antwoord op de vraag of een rechtsmiddel is ingesteld in deze gevallen niet van betekenis.

2.23

Alleen voor rechtsmiddelen tegen uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken die in de plaats (kunnen) treden van een akte tot levering of een gedeelte daarvan (art. 3:300 lid 2 BW) is aantekening in het rechtsmiddelenregister een vereiste voor ontvankelijkheid van de aanlegger van het rechtsmiddel (art. 3:301 lid 2 BW) . In het eerste lid van art. 3:301 BW is bepaald aan welke eisen moet zijn voldaan voordat de uitspraak in de openbare registers kan worden ingeschreven, in het tweede lid is bepaald dat verzet, hoger beroep en cassatie op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel moeten worden aangetekend in het rechtsmiddelenregister. Ik citeer hier de bepaling met weglating van het voor deze zaak niet relevante derde lid:

1. Een uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte of van een deel van een zodanige akte, kan slechts in de openbare registers worden ingeschreven, indien zij is betekend aan degene die tot de levering werd veroordeeld, en

a. in kracht van gewijsde is gegaan, of

b. uitvoerbaar bij voorraad is en een termijn van veertien dagen of zoveel korter of langer als in de uitspraak is bepaald, sedert de betekening van de uitspraak is verstreken.[ 13]

2. Verzet, hoger beroep en cassatie moeten op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel worden ingeschreven in de registers, bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In afwijking van artikel 143 van dat wetboek begint de verzettermijn te lopen vanaf de betekening van het vonnis aan de veroordeelde, ook als de betekening niet aan hem in persoon geschiedt.

2.24

Volgens de rechtspraak van Uw Raad is de aanlegger van een rechtsmiddel die heeft nagelaten het in het rechtsmiddelenregister te laten aantekenen slechts niet-ontvankelijk voor zover zijn rechtsmiddel betrekking heeft op dat gedeelte van de uitspraak ten aanzien waarvan de rechter heeft bepaald dat het op de voet van art. 3:300 lid 2 treedt in de plaats van de akte of op delen van de uitspraak die met dat gedeelte in onlosmakelijk verband staan. 14

2.25

Uw Raad heeft in het verleden overwogen dat de aantekening van een rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister – ook als de bestreden uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard – nodig is voor de “ten aanzien van verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid”. 15

2.26

Het beroep op rechtszekerheid kan bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken niet betekenen dat de openbare registers moeten worden beschermd tegen onterechte inschrijvingen van niet voor inschrijving vatbare uitspraken. Zie immers mijn opmerkingen in randnummer 2.22 van deze conclusie, die hier evenzeer opgeld doen. Als een uitspraak die een leveringsakte met betrekking tot een registergoed of een gedeelte daarvan kan vervangen uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, is voor de inschrijfbaarheid van die uitspraak in de openbare registers niet van belang of een rechtsmiddel is ingesteld. 16

2.27

Rechtszekerheid lijkt hier te betekenen dat uit de registers ook van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak moet kunnen blijken dat ze kracht van gewijsde heeft verkregen, bijvoorbeeld doordat de griffiersverklaring na verloop van de rechtsmiddelentermijn alsnog wordt ingeschreven in de openbare registers. 17 Ik vraag me af of een dergelijke inschrijving van de griffiersverklaring naderhand daadwerkelijk meer rechtszekerheid biedt dan het stelsel van bescherming van vertrouwen op de registers, eventueel in samenhang met de notariële recherche. Ik licht het een en ander toe.

2.28

De gevallen die zijn bedoeld in art. 3:300 lid 2 BW worden gekenmerkt door een bijzonderheid die zich bij de andere in te schrijven uitspraken niet voordoet: de rechterlijke uitspraak wordt in de openbare registers ingeschreven ter vervanging van een leveringsakte of een gedeelte daarvan bij wijze van reële executie van een veroordeling.

2.29

Gaat het om een uitspraak waarbij partij A is veroordeeld tot levering aan partij B, dan mogen toekomstige verkrijgers (C) voor de beschikkingsbevoegdheid van B afgaan op wat zij dienaangaande uit de registers kunnen opmaken. Is de ingeschreven uitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaard en ingeschreven, dan is, zolang de rechtsmiddelentermijn nog niet is verstreken, voorzichtigheid geboden. Uit de openbare registers blijkt immers ten minste 18 dat er nog een rechtsmiddel kan worden ingesteld dat tot vernietiging van de in de openbare registers ingeschreven uitspraak kan leiden. De in de levering B-C tussenkomende notaris hoort hierop te wijzen. 19

2.30

Is de rechtsmiddelentermijn ten tijde van de levering B-C reeds verstreken, dan is van belang dat een tegen een hier bedoelde uitspraak ingesteld rechtsmiddel zelf ook een voor inschrijving in de openbare registers vatbaar feit is (art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e, BW) . Voor een opvolgende verkrijger C wordt dan art. 3:24 BW van belang: indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling tot verkrijging van een recht op een registergoed onder bijzondere titel in de registers wordt ingeschreven, een eveneens voor inschrijving in de registers vatbaar feit niet met betrekking tot dat registergoed ingeschreven was, kan dit feit aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij hij het kende (art. 3:24 lid 1 BW) . Als er wel een rechtsmiddel is ingesteld, maar dit op het in art. 3:24 lid 1 BW bedoelde moment niet was ingeschreven in de openbare registers, kan het niet worden tegengeworpen aan de verkrijger C, tenzij deze wist dat het rechtsmiddel was ingesteld. C kan daarom in dat soort gevallen (mocht het niet ingeschreven rechtsmiddel tot vernietiging van de uitspraak leiden) doorgaans bescherming ontlenen aan art. 3:24 BW in verbinding met art. 3:88 BW. 20

2.31

Voor de gevallen omschreven in het vorige randnummer biedt latere inschrijving van de griffiersverklaring in de openbare registers geen duidelijk waarneembare extra rechtszekerheid. 21

2.32

Gaat het, zoals in de onderhavige zaak, om een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling van partij A om samen met partij B een zeker registergoed te verkopen en leveren aan een vooralsnog onbekende partij C, dan doet deze partij C er goed aan om bij het sluiten van de koop na te vragen wat de status van de uitspraak is, zeker als de rechtsmiddelentermijn nog niet is verstreken. 22 Het komt mij voor dat de bij de levering tussenkomende notaris moet zekerstellen dat alle voor hem comparerende partijen begrijpen wat een levering met behulp van een bij voorraad uitvoerbaar verklaarde uitspraak ter vervanging van een gedeelte van de akte voor hen betekent. 23 Het komt er dan op aan of partij B partij C ervan weet te overtuigen dat partij A binnen de rechtsmiddelentermijn geen rechtsmiddel zal instellen of, als de rechtsmiddelentermijn is verstreken, heeft ingesteld. Daarvoor zijn eenvoudiger middelen dan een griffiersverklaring denkbaar, bijvoorbeeld een verklaring van partij A of haar advocaat. Ook denkbaar is dat partij B partij C ervan overtuigt dat de overdracht ondanks een eventueel ingesteld rechtsmiddel voldoende betrouwbaar zal zijn.

2.33

De afdronk van al het voorgaande is dat bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken en daartegen ingestelde rechtsmiddelen de ontvankelijkheidseis van een aantekening in het rechtsmiddelenregister ten behoeve van de rechtszekerheid veel weg heeft van het met een kanon op een mug schieten. De draconische sanctie (niet-ontvankelijkheid) staat mijns inziens niet in verhouding tot de met deze maatregel verkregen ‘extra’ rechtszekerheid. 24

2.34

Mijn hiervoor geuite bedenkingen ten spijt: de wettelijke regeling houdt in dat het niet aantekenen van een rechtsmiddel in het daartoe bestemde rechtsmiddelenregister leidt tot niet-ontvankelijkheid van de aanlegger. 25 Uw Raad is tot dusver strikt geweest in de toepassing van deze regel. 26

2.35

Ik laat mijn bedenkingen echter wel meewegen in de uitleg van de regeling en de beantwoording van de vraag of de aanlegger van een rechtsmiddel die tijdig om aantekening van dat rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister heeft verzocht kan worden tegengeworpen dat de verzochte aantekening – kennelijk door omstandigheden die uitsluitend vallen binnen de invloedssfeer van het gerecht dat tot het aanhouden van het rechtsmiddelenregister was gehouden – niet daadwerkelijk heeft plaatsgehad. De ernst van de sanctie (niet-ontvankelijkheid) en de geringe ‘misgelopen’ rechtszekerheid pleiten er mijns inziens voor om een partij niet het risico te laten dragen van administratieve vergissingen bij een gerecht. 27 Ik vind het bovendien minder gelukkig dat de wederpartij van de aanlegger van het rechtsmiddel duidelijk iets te winnen heeft bij strikte handhaving van het ontvankelijkheidsvereiste, terwijl het voorschrift niet strekt ter bescherming van de wederpartij van de aanlegger van het rechtsmiddel. 28

2.36

Tot slot wijs ik nog op het volgende. Bij Uw Raad is momenteel onder zaaknummer 24/04835 een andere procedure aanhangig waarin vragen zijn gerezen over wat aangewezen is als een tijdig verzoek tot aantekening van een cassatieberoep in het rechtsmiddelenregister niet tot tijdige aantekening in dat register heeft geleid. In die procedure had de advocaat van de eiseres tot cassatie per e-mail van 31 december 2024 de griffier van (wederom) het gerechtshof Den Haag verzocht om aantekening van het cassatieberoep in het rechtsmiddelenregister als bedoeld in art. 433 Rv. De procesinleiding in cassatie zou als bijlage bij het bericht zijn gevoegd. Het cassatieberoep in die zaak is op 17 januari 2025 (bijna drie weken na het verzoek) aangetekend in het register. 29 Mijn ambtsgenoot Valk heeft in zijn conclusie in die zaak bepleit het risico van het niet goed functioneren van de griffie bij een gerecht niet te laten dragen door de partij die tot aantekening verplicht is, kort gezegd omdat (1) een parallel mogelijk is met art. 3:19 lid 2 BW, waar het tijdstip van aanbieding van de voor aantekening vereiste stukken, dus niet het tijdstip van de daadwerkelijke inschrijving, wordt gehouden voor het tijdstip van inschrijving in de openbare registers van bijvoorbeeld een notariële akte, en omdat (2) een onvolledig rechtsmiddelenregister op zichzelf nog geen rechtsschijn in het leven roept en de vertraagde aantekening in het in die zaak voorliggende geval klaarblijkelijk niemand op het verkeerde been heeft gezet. 30 Volgens A-G Valk zou de verantwoordelijkheid van een tot aantekening verplichte partij moeten eindigen met de aanbieding ter aantekening. 31

2.37

Er zijn enige mogelijk relevante verschillen tussen de zaak waarin A-G Valk heeft geconcludeerd en de onderhavige.

2.38

Het eerste verschil is dat de verplichting tot het laten aantekenen in het rechtsmiddelenregister in de zaak van A-G Valk voortvloeit uit art. 3:29 lid 3 BW, terwijl ze in het onderhavige geval voortvloeit uit art. 3:301 lid 2 BW. Nu beide bepalingen zijn gericht op hetzelfde doel – kort gezegd: waarborgen van de rechtszekerheid die is vereist bij de verkrijging van registergoederen (zie randnummer 2.25, maar in dit verband ook de daarop volgende randnummers van deze conclusie) – is een uniforme omgang met niet of te laat aangetekende rechtsmiddelen wenselijk. 32 Ik zou hierbij willen opmerken dat de parallellen tussen beide bepalingen vooral bestaan voor zover een uitspraak die in plaats van een gedeelte van een leveringsakte moet treden als bedoeld in art. 3:301 lid 2 BW niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Een vonnis als bedoeld in art. 3:29 BW kan immers pas worden ingeschreven in de openbare registers als het in kracht van gewijsde is gegaan (randnummer 2.10 van deze conclusie).

2.39

Een tweede verschil is dat het ingestelde cassatieberoep in de zaak van A-G Valk uiteindelijk wel is aangetekend in het rechtsmiddelenregister. In de onderhavige zaak heeft – voor zover mij bekend: tot op heden – geen aantekening plaatsgehad.

2.40

In het oog springt echter vooral dat A-G Valk het er in randnummer 3.6 van zijn conclusie op houdt dat er geen derden op het verkeerde been zijn gezet door de te late aantekening in het rechtsmiddelenregister, omdat de griffier van het gerechtshof klaarblijkelijk geen verklaring heeft hoeven doen dat hem drie maanden na de uitspraak niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken en het arrest van het gerechtshof waarbij de inschrijving van het in die zaak aan de orde gestelde ondererfpachtrecht waardeloos is verklaard klaarblijkelijk niet in de openbare registers was ingeschreven. Hierin verschilt de zaak van A-G Valk van de onderhavige. In de onderhavige zaak is de woning immers verkocht en geleverd, waarbij de uitspraak in de plaats is getreden van de rechtshandelingen van de man die voor deze verkoop en levering nodig waren.

2.41

Tegen deze achtergrond kom ik tot beoordeling van de ontvankelijkheidskwestie in de voorliggende zaak.

3Ontvankelijkheid van de man in zijn cassatieberoep

3.1

In cassatie kan tot uitgangspunt worden genomen dat het cassatieberoep van de man niet is aangetekend in het bij het gerechtshof Den Haag aangehouden register bedoeld in art. 433 Rv, ondanks het – binnen acht dagen na het instellen van het cassatieberoep bij de centrale balie van het hof binnengekomen – verzoek om een dergelijke aantekening.

3.2

In deze paragraaf staat de vraag centraal of het feit dat het cassatieberoep niet in het rechtsmiddelenregister bij het hof Den Haag is aangetekend ertoe moet leiden dat de man in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit vergt beantwoording van een aantal voorvragen. Daarom komt aan de orde of aantekening in het rechtsmiddelenregister in dit geval was vereist, aan welke vereisten een verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister moet voldoen en hoever de gevolgen van het uitblijven van een aantekening in dit concrete geval moeten strekken.

Aantekening in het rechtsmiddelenregister

3.3

In de eerste plaats ligt de vraag voor of aantekening van het cassatieberoep in het rechtsmiddelenregister in deze zaak verplicht was. Het relevante deel van het dictum van de bestreden beschikking luidt als volgt:

bepaalt dat, wanneer de man weigert om de rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn voor verkoop en levering van de woning aan een derde, de onderhavige beschikking ex artikel 3:300 lid 1 en lid 2 BW jegens de man in de plaats treedt van de door hem te verrichten rechtshandelingen en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad[.]

3.4

Uit de in het dictum opgenomen uitdrukkelijke verwijzing naar art. 3:300 lid 2 BW volgt zonder enige twijfel dat de uitspraak in de plaats kon treden van een door de man en de vrouw tezamen op te maken akte bestemd tot levering van een registergoed of een deel daarvan. 33

3.5

Dit gedeelte van de beschikking is in cassatie bestreden door cassatiemiddel I van de man. 34

3.6

Dit brengt – ook gelet op de in randnummer 2.24 van deze conclusie gememoreerde rechtspraak van Uw Raad – mee dat art. 3:301 lid 2 BW van toepassing is, zodat de man gehouden was zijn cassatieberoep te laten aantekenen in het rechtsmiddelenregister bij het hof op straffe van zijn niet-ontvankelijkheid in cassatiemiddel I.

Aan een verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister te stellen eisen

3.7

Vervolgens rijst – mede gelet op de uitlatingen van partijen over en weer – de vraag aan welke vereisten een verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister moet voldoen.

3.8

Art. 433 Rv schrijft voor dat de aantekening in het rechtsmiddelenregister de namen van de partijen, de dagtekening van het vonnis en die van het verzet, het hoger beroep of het cassatieberoep moet vermelden. Daaruit is af te leiden dat een partij die aantekening in het rechtsmiddelenregister verlangt ten minste deze informatie aan de griffie zal moeten aanleveren.

3.9

Voor zover mij bekend geeft geen van de procesreglementen nadere regels voor het doen van een verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister.

3.10

Art. 3:29 BW en art. 3:301 BW bevatten geen nadere aanwijzingen ter beantwoording van de vraag welke informatie moet worden aangeleverd om een rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister te laten aantekenen. In de derde volzin van art. 3:27 lid 2 BW is de formulering anders, suggererende dat “de dagvaarding waarbij het rechtsmiddel wordt ingesteld” moet worden “ingeschreven” in het rechtsmiddelenregister:

(…) De dagvaarding waarbij het rechtsmiddel wordt ingesteld, moet op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen worden ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. (…)

3.11

Onduidelijk is of hiermee is bedoeld dat een appellant een afschrift van de dagvaarding (of, in geval van een beroep in cassatie, de procesinleiding) waarbij hij zijn rechtsmiddel instelt aan de griffie van het gerecht moet doen toekomen. Het ligt wellicht meer voor de hand om deze bepaling in lijn met art. 433 Rv uit te leggen en dus op grond van het voorschrift dat de dagvaarding moet worden ingeschreven vooral aantekening nodig te achten van het gegeven dat (en de datum waarop) de andere partij(en) bij de bestreden uitspraak zijn gedagvaard. Die uitleg lijkt mij ook juist in verband met het volgende.

3.12

Het is mogelijk dat het rechtsmiddel zich niet richt tegen het gedeelte van de uitspraak dat betrekking heeft op een registergoed en in plaats van (een deel van) een door partijen op te maken akte kan treden. 35 Dit kan zich onder meer voordoen als een gerecht in conventie heeft bepaald dat zijn uitspraak in de plaats kan treden van een tussen partijen op te maken leveringsakte met betrekking tot een registergoed en het rechtsmiddel alleen is gericht tegen een of meer oordelen in reconventie. De oordelen in conventie verkrijgen dan kracht van gewijsde.

3.13

Als het rechtsmiddel dan wordt aangetekend in het rechtsmiddelenregister bedoeld in art. 433 Rv, zal de griffier daarna de verklaring dat hem geen ingesteld rechtsmiddel bekend is niet meer kunnen geven, zodat ook het gedeelte van de uitspraak dat al kracht van gewijsde heeft verkregen niet kan worden ingeschreven in de openbare registers, behoudens in het geval het uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. 36 Dat zou reden kunnen zijn te bepleiten dat de griffier een verklaring kan afgeven dat voor zover hem bekend geen rechtsmiddel is ingesteld tegen het in de openbare registers in te schrijven gedeelte van de uitspraak.

3.14

Dit lijkt mij echter onwenselijk. De beantwoording van de vraag welke delen van de uitspraak zijn bestreden en welke niet is aan de aangezochte rechter, niet aan de griffie van het gerecht dat de bestreden uitspraak heeft gedaan. Bovendien kan bijvoorbeeld in vorderingsprocedures in hoger beroep bij memorie van grieven (dus: na de appeldagvaarding) nog eiswijziging plaatshebben. Die eiswijziging onttrekt zich dan aan het zicht van de griffier van het gerecht dat het bestreden vonnis heeft gewezen, ook als aangenomen zou moeten worden dat hem een afschrift van de appeldagvaarding zou moeten worden toegezonden.

3.15

Tot slot is erop te wijzen dat geen enkele bepaling de griffier van een gerecht de bevoegdheid geeft om een verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister te weigeren.

3.16

In het licht van het voorgaande houd ik het erop dat een verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister vormvrij is, zolang het maar de in art. 433 Rv opgesomde, in het register aan te tekenen gegevens bevat. 37

3.17

Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de aanlegger van een rechtsmiddel die aan de griffie van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gegeven om aantekening in het rechtsmiddelenregister heeft verzocht nadien gehouden is te controleren of de griffie de haar bij wet opgedragen taak daadwerkelijk heeft uitgevoerd. Met A-G Valk deel ik de opvatting dat de verantwoordelijkheid van een tot aantekening verplichte partij zou moeten eindigen met het (tijdig doen van een) verzoek tot aantekening. 38

3.18

In dat verband wijs ik op het volgende. Uw Raad heeft in 1999 geoordeeld dat het op de weg van de aanlegger van het rechtsmiddel ligt om door overlegging van een verklaring van de griffier van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gegeven aan te tonen dat het rechtsmiddel is aangetekend in het juiste rechtsmiddelenregister. 39 Sinds 2007 heeft Uw Raad herhaaldelijk geoordeeld dat de aangezochte rechter ambtshalve dient te onderzoeken of aan het voorschrift van art. 3:301 lid 2 BW is voldaan. 40 Het is sindsdien niet helemaal duidelijk waar de op de aanlegger van het rechtsmiddel rustende plicht om informatie aan te dragen eindigt en de op de rechter rustende ambtshalve onderzoeksplicht begint. 41 Het ambtshalve onderzoek zal in de regel bestaan uit onderzoek van door de aanlegger overgelegde stukken waaruit van de aantekening in het rechtsmiddelenregister blijkt of, als dergelijke stukken ontbreken, navraag bij partijen en bij de griffie van het gerecht waarvan de bestreden uitspraak afkomstig is, zoals Uw Raad in deze zaak heeft gedaan.

3.19

Als de aangezochte rechter gehouden is ambtshalve te onderzoeken of aan het vereiste van art. 3:301 lid 2 BW is voldaan en de bevoegdheid heeft om daartoe bij een ander gerecht inlichtingen in te winnen, is daaruit wellicht af te leiden dat hij – als daarvoor aanleiding is – van deze bevoegdheid niet alleen kan, maar ook móet gebruikmaken. In dat licht lijkt het volgende een efficiënte taakverdeling. Waar het vóór 2007 op de weg van de aanlegger van het rechtsmiddel lag om bewijsmiddelen te verkrijgen waarmee hij kon aantonen dat het rechtsmiddel daadwerkelijk was aangetekend in het rechtsmiddelenregister, is het sindsdien de aangezochte rechter zelf die op onderzoek uit moet. Simpel gezegd: het ‘nabellen’ is niet langer de verantwoordelijkheid van de advocaat van de aanlegger van het rechtsmiddel, maar die van de aangezochte rechter. De verantwoordelijkheid van een tot aantekening verplichte partij eindigt dan inderdaad met het tijdige verzoek om aantekening in het rechtsmiddelenregister. Een partij kan gerust zijn met een ontvangstbevestiging waaruit blijkt dat het verzoek tijdig bij het juiste gerecht is binnengekomen.

3.20

Mogelijk moet worden aangenomen dat het nog altijd in de eerste plaats aan de aanlegger van het rechtsmiddel is om door overlegging van stukken aan te tonen dat het rechtsmiddel daadwerkelijk in het juiste register is aangetekend. De verplichte ambtshalve toetsing door de aangezochte rechter betekent dan niet meer dan dat niet is vereist dat de wederpartij zich op niet-ontvankelijkheid beroept. De vraag blijft dan in welke gevallen de aangezochte rechter ertoe mag of moet overgaan ambtshalve inlichtingen in te winnen bij het gerecht dat de bestreden uitspraak heeft gedaan. Hoe dat ook zij, in dit scenario geldt dat het aan de discretie van partijen behoort te worden overgelaten welke moeite zij zich getroosten om bewijsmiddelen te vergaren. Een advocaat zal bij uitblijven van een verwacht bericht van de griffie wellicht de aanvechting voelen navraag te doen. De rechter evenwel heeft over de ontvankelijkheid van de aanlegger van het rechtsmiddel te oordelen op basis van het aan hem voorgelegde bewijs (of de afwezigheid daarvan). Het aantal pogingen dat de aanlegger van het rechtsmiddel heeft ondernomen om dat bewijs te verkrijgen is voor de ontvankelijkheid niet bijzonder relevant.

3.21

In het onderhavige geval is het verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister vervat in een brief, waarin alle in art. 433 Rv opgesomde gegevens zijn vermeld. Dit betekent dat het verzoek aan de daarvoor geldende vereisten voldoet. Tot navraag bij de griffie nadien was de man naar mijn mening niet gehouden.

Gevolgen van het uitblijven van aantekening na verzoek daartoe

3.22

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er bij het gerechtshof Den Haag tijdig een aan de voorschriften voldoend verzoek tot aantekening van het cassatieberoep in het rechtsmiddelenregister is binnengekomen. Dan rest nog de beantwoording van de vraag wat het uitblijven van een daadwerkelijke aantekening in het rechtsmiddelenregister voor de onderhavige cassatieprocedure moet hebben.

3.23

De wet is, naar de letter gelezen, streng. Geen aantekening in het rechtsmiddelenregister betekent niet-ontvankelijkheid. Deze letterlijke lezing leidt naar mijn mening tot onaanvaardbare resultaten als zij ook onverkort wordt toegepast op gevallen waar tijdig een geldig verzoek tot aantekening door het juiste gerecht is ontvangen, dat vervolgens ten gevolge van niet aan de aanlegger van het rechtsmiddel toe te rekenen omstandigheden niet tot daadwerkelijke aantekening in het rechtsmiddelenregister heeft geleid.

3.24

In het onderhavige geval lijkt de brief houdende het verzoek tot aantekening in het ongerede te zijn geraakt na ontvangst door de centrale balie van het Paleis van Justitie te Den Haag. Uit de in randnummers 1.4-1.10 van deze conclusie samengevatte correspondentie is af te leiden dat geen van beide partijen in deze procedure erin is geslaagd van het hof schriftelijk uitsluitsel te verkrijgen over het antwoord op de vraag of het rechtsmiddel in het daartoe bestemde register was aangetekend.

3.25

Uit de in randnummer 1.7 van deze conclusie vermelde stukken lijkt te volgen dat de bestreden beschikking van het hof in de plaats is getreden van een gedeelte van de leveringsakte met betrekking tot de woning en in juni 2025 is ingeschreven in de openbare registers.

3.26

Het hof had zijn beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Aantekening van het rechtsmiddel in het rechtsmiddelenregister zou niet in de weg hebben gestaan aan inschrijving van de beschikking. 42

3.27

Dit alles afwegende en onder verwijzing naar randnummers 2.33-2.35 van deze conclusie meen ik dat een doelmatige uitleg van de regeling meebrengt dat aan de man, die immers tijdig een geldig verzoek tot aantekening in het rechtsmiddelenregister aan het juiste gerecht heeft doen toekomen, niet kan worden tegengeworpen dat de verzochte aantekening – kennelijk door buiten zijn invloedssfeer vallende omstandigheden – niet daadwerkelijk heeft plaatsgehad.

Slotsom

3.28

Het voorgaande voert tot de slotsom dat de man kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep.

4Conclusie

De conclusie strekt tot ontvankelijkverklaring van de man in het door hem ingestelde cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1

Zie over de terminologie in deze conclusie mijn toelichting in randnummer 2.1 van deze conclusie.

2

Verwezen is naar HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005, NJ 2000/495 m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.1.

3

Over het rechtsmiddelenregister en vooral zijn praktische aspecten bestaat veel onduidelijkheid, geïllustreerd door de waarschuwende woorden uit Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein & E.M. Wesseling-van Gent, Deel 4. Hoger beroep, Deventer: Wolters Kluwer 2026, nr. 195: “Over de inrichting en toegankelijkheid van deze registers is ons niets bekend.” Een nog verontrustendere optekening – gelukkig van enige tijd geleden – is te vinden bij E.A.A. Luijten, ‘Een valkuil in het goederenrecht (art. 3:301 lid 2 BW) ’, Vastgoedrecht 2010-1, p. 15, voetnoot 3: “Het register leidt een schimmig bestaan. Uit navraag bij de Rb. Maastricht kon worden afgeleid dat men daar niet op de hoogte was van het bestaan ervan.” H.J. Snijders, ‘Openbare registers van afdeling 3.1.2 BW en rechtsmiddelenregister van art. 433 Rv’, in P.C. van Es e.a. (red.), Hulde aan Huijgen. Liber amicorum Pim Huijgen, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 255, lijkt openbaarheid van het rechtsmiddelenregister aan te nemen. Volgens J.P. Jas, ‘De inschrijvingsverplichting in het rechtsmiddelenregister: woke of gecanceld? Naar aanleiding van HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, NJ 2020, 112 (X/VM Vastgoed)’, in H. Boom & P.A. Fruytier (red.), Versmallen en verbreden. Liber amicorum Jan-Paul Heering, Den Haag: Boom juridisch 2024, p. 149-150 is het in de praktijk meestal een Word-bestand op een computer bij de griffie of een papieren schrift, ordner of multomap (zodat de registers volgens de auteur op p. 155 “op tamelijk onprofessionele wijze [worden] bijgehouden”), maar kunnen partijen of derden het register in ieder geval niet eigenhandig raadplegen.

4

Zie bijvoorbeeld H.J. Snijders, H.B. Krans, C.J.M. Klaassen en G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 215, Asser Procesrecht/A.C. van Schaick, Deel 2. Eerste aanleg, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 118 en E. Gras, R.G. Hendrikse & A.W. Jongbloed, Compendium van het Burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 9.2.1 en 9.3.3. Vergelijk Asser Procesrecht/A. Steneker, Deel 5. Beslag en executie, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 164.

5

Zie onder meer B.T.M. van der Wiel, ‘De cassatieprocedure’, in B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 225, Asser Procesrecht/A. Steneker, Deel 5. Beslag en executie, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nrs. 557-559 en F.C. Bentvelzen, Doorbreking van rechtsmiddelenverboden, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2025, nr. 172.

6

Zie Asser Procesrecht/A. Steneker, Deel 5. Beslag en executie, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 560 e.v.

7

Art. 432 Rv geldt naar wordt aangenomen ook voor beschikkingen en arresten. Zie Asser Procesrecht/A. Steneker, Deel 5. Beslag en executie, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 597.

8

Zie Asser Procesrecht/A. Steneker, Deel 5. Beslag en executie, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nrs. 424-425, T&C Burgerlijke rechtsvordering, art. 433 Rv (online, actueel tot en met 1 oktober 2025), aant. 1 (A.J. Gieske) en GS Verbintenissenrecht, art. 6:34 BW (online, actueel tot en met 2 oktober 2020), aant. 12 (Y.R.R.R. de Mul).

9

De aantekening in het rechtsmiddelenregister van een verzet tegen een uitspraak bij verstek is per 1 januari 2002 in art. 433 Rv opgenomen. Zij was voordien geregeld in art. 85 (oud) Rv. Zie NvW-3, Parl. Gesch. Herziening Burgerlijk Procesrecht, p. 491. De parlementaire geschiedenis over art. 3:301 BW bevat daarom ook veel verwijzingen naar art. 85 (oud) Rv.

10

Zie daarover R.P. Cleveringa, Mr. W. van Rossem’s Verklaring van het Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deel I, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1972, commentaar op art. 86, aant. 2 (p. 475) en R.P. Cleveringa, Mr. W. van Rossem’s Verklaring van het Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Deel II, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1972, commentaar op art. 432, aant. 1 (p. 1017).

11

Merk op dat art. 3:29 lid 2 en lid 3, tweede tot en met vierde zin, BW in art. 6:260 lid 4 BW van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Het vereiste dat rechtsmiddelen op straffe van niet-ontvankelijkheid moeten worden aangetekend in het rechtsmiddelenregister (art. 3:29 lid 3, eerste volzin, BW) is niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Anders GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 145 Rv (online, actueel tot en met 20 september 2024), aant. 3.1 (P.A. Fruytier), alwaar is gesuggereerd dat ook het aantekeningsvereiste geldt op grond van art. 6:260 lid 4 BW.

12

We hebben het hier over niet uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraken. Dat betekent dat voor inschrijving in de openbare registers kracht van gewijsde vereist is. Zolang de rechtsmiddelentermijn loopt, zal inschrijving sowieso worden geweigerd, omdat dan zo goed als zeker is dat de uitspraak nog geen kracht van gewijsde heeft. Het gaat hier om een rechtsmiddel dat is ingesteld, maar niet is aangetekend in het rechtsmiddelenregister. Dat heeft schorsende werking, zodat de bestreden uitspraak geen kracht van gewijsde verkrijgt na het verstrijken van de rechtsmiddelentermijn. Omdat de griffier zich bij zijn verklaring baseert op het rechtsmiddelenregister en daarin geen aantekening vindt, kan hij een verklaring geven dat hem geen rechtsmiddel bekend is. Dat kan leiden tot voorbarige inschrijving. Wil de wederpartij dat voorkomen, dan zou zij het door haar ingestelde rechtsmiddel voor het einde van de rechtsmiddelentermijn (althans zo snel mogelijk daarna) kunnen laten aantekenen in het rechtsmiddelenregister. Aantekening is hier dan weliswaar niet verplicht, maar soms wel verstandig. Zie randnummer 2.19 hierna.

13

De MvT Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv.), p. 1401 vermeldt over deze tweewekentermijn: “Wel dient de president en trouwens ook de gewone rechter die zijn veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaart, de nodige voorzichtigheid te betrachten bij het nemen van zijn desbetreffende beslissing. Dat kan ertoe leiden dat aan de uitvoerbaarheid de voorwaarde van zekerheidsstelling wordt verbonden (…). Maar dit zal niet altijd een goede oplossing zijn, met name, wanneer de eiser enerzijds groot belang heeft bij onverwijlde tenuitvoerlegging en anderzijds niet de mogelijkheden om op korte termijn zekerheid te stellen. Daarom is de inschrijfbaarheid van de uitspraak tevens gebonden aan een termijn die na de betekening daarvan moet zijn verstreken wil van inschrijving sprake kunnen zijn. (…) Aldus wordt voor de veroordeelde niet iedere mogelijkheid afgesneden om zich tegen de executie te verweren bij voorbeeld door bij het instellen van een rechtsmiddel tevens toepassing van het nieuwe artikel 54</i> [thans 234] <i role="italic">Rv. te vragen of door overeenkomstig artikel 438 Rv. een executiegeschil uit te lokken op grond van omstandigheden die aan de president of de rechter in eerste aanleg niet bekend waren.

14

Onder meer HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005, NJ 2000/495 m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.2.2, HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, NJ 2008/141 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/61 m.nt. J.J. Dammingh (Brongersma Stichting), rov. 3.4 en HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:647, NJ 2021/164, JOR 2021/167 m.nt. A. Steneker en JERF 2021/122 m.nt. J.W.A. Biemans, rov. 3.2.4.

15

De formulering is ontleend aan HR 19 november 2004, ECLI:NL:2004:AP4743, NJ 2006/216 m.nt. H.J. Snijders (Witadi), rov 4.1. Zie in vergelijkbare zin onder meer HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005, NJ 2000/495 m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.2.1, HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7611, NJ 2008/140 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/60 m.nt. J.J. Dammingh, rov. 3.4, HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, NJ 2008/141 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/61 m.nt. J.J. Dammingh (Brongersma Stichting), rov. 3.3.1, HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, NJ 2022/112 m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2020/60 m.nt. J.J. Dammingh, JIN 2020/63 m.nt. M.A.J.G. Janssen en JOR 2020/193 m.nt. A. Steneker (VM Vastgoed), rov. 3.4, HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:647, NJ 2021/164, JOR 2021/167 m.nt. A. Steneker en JERF 2021/122 m.nt. J.W.A. Biemans, rov. 3.2.2 en HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1108, NJ 2023/272 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2023/2 m.nt. P.A. Fruytier, rov. 3.2.1. Een vergelijkbare leer met betrekking tot art. 3:29 BW (waar geen sprake kan zijn van een inschrijfbare uitspraak zolang die geen kracht van gewijsde heeft) blijkt uit HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1599, NJ 2023/338, JOR 2024/53 m.nt. A. Steneker en JBPr 2025/21 m.nt. R.M. Andes ([…]), rov. 3.2.

16

Om deze reden is dan ook niet goed te volgen dat Uw Raad lijkt te hebben overwogen (HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, NJ 2008/141 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/61 m.nt. J.J. Dammingh (Brongersma Stichting), rov. 3.3.1) dat moet worden voorkomen dat de bewaarder van de registers bij de inschrijving van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak bedoeld in art. 3:300 lid 2 en 3:301 BWafgaat op een verklaring van de griffier die ten onrechte inhoudt dat geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat of is ingesteld”. De wet biedt de bewaarder geen ruimte om al dan niet op de griffiersverklaring ‘af te gaan’, omdat de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Zelfs als de bewaarder weet dat de overgelegde griffiersverklaring onjuist is, is hij niet op die grond bevoegd om inschrijving van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak in de openbare registers te weigeren.

17

Zie in het bijzonder HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005, NJ 2000/495 m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.2.1, alwaar onder meer: “De bepaling [art. 3:301 lid 2 BW] bewerkstelligt dat de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan bij de afgifte van de in art. 25 Kadasterwet bedoelde verklaring, dat hem niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken, kan afgaan op het in art. 433 [Rv] bedoelde register. Zulks is niet alleen van belang in de in art. 25 lid 1 onder a en b [Kadasterwet] genoemde gevallen maar ook in dat waarin de in art. 3:300 lid 2 [BW] bedoelde uitspraak bij voorraad uitvoerbaar is verklaard. In zodanig geval draagt de veroordeling zolang daartegen nog beroep in cassatie openstaat, of, indien cassatie is ingesteld, het geding nog niet definitief tot een einde is gekomen, een niet definitief karakter. Zou de termijn voor het instellen van beroep in cassatie zijn verstreken nadat van de bevoegdheid om de uitspraak bij voorraad uit te voeren gebruik is gemaakt, dan zal alsnog een verklaring van de griffier als bedoeld in art. 25 Kadasterwet kunnen worden ingeschreven om buiten twijfel te stellen dat geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat tegen de reeds ingeschreven uitspraak.” Een feit is alleen vatbaar voor inschrijving in de openbare registers als de wet die vatbaarheid heeft gecreëerd: er geldt kortom een gesloten systeem. Dit volgt uit de formulering van de aanhef van art. 3:17 BW, maar zie ook GS Vermogensrecht, art. 3:17 BW (online, actueel tot 5 september 2017), aant. 2 (E.R. Helder), J.C. van Straaten, Kadaster, openbare registers en derdenbescherming, Deventer: Kluwer 1992, p. 78 en MvT, Parl. Gesch. Kadasterwet, p. 7. Wellicht heeft Uw Raad in het geciteerde arrest impliciet een buitenwettelijke rechtsgrond gecreëerd voor inschrijving van de verklaring van de griffier als zelfstandig rechtsfeit.

18

Ten minste”, want mogelijk blijkt uit de openbare registers dat er daadwerkelijk een rechtsmiddel is ingesteld, dat immers op grond van art. 3:17 lid 1, aanhef en onder e (slot), BW voor inschrijving vatbaar is. Als uit de openbare registers blijkt dat het rechtsmiddel nog ingesteld kán worden (omdat de termijn ten tijde van de beoogde levering nog loopt) lijkt me dat C zich niet kan beroepen op goede trouw ten aanzien van het ten tijde van zijn verkrijging nog niet ingestelde rechtsmiddel (en de eventuele daaruit volgende vernietiging van de ingeschreven uitspraak), juist omdat uit de registers de mogelijkheid van een later ingesteld rechtsmiddel leidend tot vernietiging bleek – een van de “feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend(art. 3:23 BW) , zodat het beroep van de verkrijger op goede trouw niet zal worden aanvaard. Kortom: de mogelijkheid van inschrijving bestaat wel, maar lijkt pas van belang na verstrijken van de rechtsmiddelentermijn.

19

Vergelijk reeds Snijders in zijn noot (nr. 6) onder HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005, NJ 2000/495 m.nt. H.J. Snijders. Er is ook te wijzen op art. 43 Wet op het notarisambt (Wna). Zie daarover onder meer B.C.M. Waaijer, J.C.H. Melis’ De Notariswet, Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 14.2.1.5.

20

Zo ook G.T. de Jong, ‘De eis van inschrijving van een rechtsmiddel tegen rechterlijke uitspraken betreffende registergoederen in het rechtsmiddelenregister: een kritische benadering’, NTBR 2009/7, par. 5.3 (p. 50), H.W. Heyman, S.E. Bartels & V. Tweehuysen, Vastgoedtransacties. Overdracht, Den Haag: Boom juridisch 2019, nr. 505 (p. 443) en H.J. Snijders, ‘Openbare registers van afdeling 3.1.2 BW en rechtsmiddelenregister van art. 433 Rv’, in P.C. van Es e.a. (red.), Hulde aan Huijgen. Liber amicorum Pim Huijgen, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 257-258.

21

Zie G.T. de Jong, ‘De eis van inschrijving van een rechtsmiddel tegen rechterlijke uitspraken betreffende registergoederen in het rechtsmiddelenregister: een kritische benadering’, NTBR 2009/7, in het bijzonder par. 5.3-5.4 (p. 50-51), H.W. Heyman, S.E. Bartels & V. Tweehuysen, Vastgoedtransacties. Overdracht, Den Haag: Boom juridisch 2019, nrs. 505-506 (p. 442 e.v.) en H.J. Snijders, ‘Openbare registers van afdeling 3.1.2 BW en rechtsmiddelenregister van art. 433 Rv’, in P.C. van Es e.a. (red.), Hulde aan Huijgen. Liber amicorum Pim Huijgen, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 259.

22

NB: omdat de uitspraak pas in de openbare registers wordt ingeschreven ter voltooiing van de levering, is het voor beoogd verkrijger C onmogelijk om voordien in de openbare registers na te gaan of daar ook een griffiersverklaring conform art. 25 lid 1 Kadasterwet is ingeschreven.

23

Ook hier is te wijzen op art. 43 Wna en onder meer B.C.M. Waaijer, J.C.H. Melis’ De Notariswet, Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 14.2.1.5.

24

Zie ook de kritiek op de vereiste aantekening in de rechtsmiddelenregisters bij G.T. de Jong, ‘De eis van inschrijving van een rechtsmiddel tegen rechterlijke uitspraken betreffende registergoederen in het rechtsmiddelenregister: een kritische benadering’, NTBR 2009/7, p. 44 e.v., H.W. Heyman, S.E. Bartels & V. Tweehuysen, Vastgoedtransacties. Overdracht, Den Haag: Boom juridisch 2019, nr. 505 e.v. (p. 442 e.v.) en H.J. Snijders, ‘Openbare registers van afdeling 3.1.2 BW en rechtsmiddelenregister van art. 433 Rv’, in P.C. van Es e.a. (red.), Hulde aan Huijgen. Liber amicorum Pim Huijgen, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 258-261. Ook kritisch (zij het op iets andere gronden) is J.P. Jas, ‘De inschrijvingsverplichting in het rechtsmiddelenregister: woke of gecanceld? Naar aanleiding van HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, NJ 2020, 112 (X/VM Vastgoed)’, in H. Boom & P.A. Fruytier (red.), Versmallen en verbreden. Liber amicorum Jan-Paul Heering, Den Haag: Boom juridisch 2024, p. 155-158.

25

Voor de reikwijdte van de sanctie verwijs ik naar randnummer 2.24 van deze conclusie.

26

HR 27 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7908, NJ 2003/328 (over een verklaring van waardeloosheid), HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7611, NJ 2008/140 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/60 m.nt. J.J. Dammingh, HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, NJ 2008/141 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/61 m.nt. J.J. Dammingh en hof Amsterdam 10 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2014:2437 – cassatieberoep verworpen in HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3420, RvdW 2016/15 (art. 81 RO) . Zie over het een en ander H.W. Heyman, S.E. Bartels & V. Tweehuysen, Vastgoedtransacties. Overdracht, Den Haag: Boom juridisch 2019, nr. 495 e.v. (p. 437 e.v.).

27

In zoverre kan ik slechts adhesie betuigen aan de hierna nog te noemen conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2025:1209) in een zaak waarin Uw Raad nog geen uitspraak heeft gedaan.

28

HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7611, NJ 2008/140 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/60 m.nt. J.J. Dammingh, rov. 3.4, HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2531, NJ 2015/368 en JBPr 2015/5 m.nt. J.J. Dammingh (Boerenhofstede Strand-Vliet), rov. 3.3.2, HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, NJ 2022/112 m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2020/60 m.nt. J.J. Dammingh, JIN 2020/63 m.nt. M.A.J.G. Janssen en JOR 2020/193 m.nt. A. Steneker (VM Vastgoed), rov. 3.4 en (over art. 3:29 BW) HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1599, NJ 2023/338, JOR 2024/53 m.nt. A. Steneker en JBPr 2025/21 m.nt. R.M. Andes ([…]), rov. 3.2.

29

Zie voor het een en ander A-G Valk in randnummer 3.1 van zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:1209).

30

Zie paragraaf 3 van de conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:1209).

31

De formulering is ontleend aan randnummer 3.5 van zijn al genoemde conclusie.

32

Zie HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1599, NJ 2023/338, JOR 2024/53 m.nt. A. Steneker en JBPr 2025/21 m.nt. R.M. Andes ([…]), rov. 3.2. Uit de verwijzingen in de voetnoot (die steeds zien op art. 3:301 BW) is af te leiden dat ook Uw Raad de beide regelingen vergelijkbaar acht.

33

In dit verband wordt voor de verplichting tot aantekening in het rechtsmiddelenregister wel onderscheid gemaakt tussen een vonnis ter vervanging van een verklaring en een vonnis ter vervanging van een akte of een deel daarvan, in de zin dat art. 3:301 BW alleen op het laatste geval van toepassing zou zijn. Volgens A-G Valk is dit onderscheid kunstmatig. Zie A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2022:244, randnummer 3.4) voor HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:617, NJ 2022/177, JOR 2022/224 m.nt. R.F. Groos en JIN 2022/91 M.A.J.G. Janssen. Ik onderschrijf Valks opmerking aldaar dat hoe dan ook sprake is van materieel zeer vergelijkbare gevallen, zodat niet aanspreekt dat in het ene geval de regels van art. 3:301 BW wel van toepassing zouden zijn en in het andere niet.

34

Dit cassatiemiddel is besproken in randnummers 3.3 tot en met 3.17 van mijn eerdere conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:428) in deze zaak.

35

Zie in dit verband randnummer 2.24 van deze conclusie.

36

Zie in dit verband randnummer 2.11 e.v. van deze conclusie.

37

Iets anders is onlangs mogelijk gesuggereerd in S.C. Braun & V. van Eenennaam, ‘Tijdige inschrijving rechtsmiddelenregister cruciaal’, Advocatenblad 2026, afl. 2, p. 74-75. Braun & Van Eenennaam schrijven op p. 75: “Inschrijving in het rechtsmiddelenregister vindt niet automatisch plaats bij het instellen van een rechtsmiddel. De advocaat dient de griffie van de rechtbank die de uitspraak heeft gedaan uitdrukkelijk te verzoeken tot inschrijving. Een griffiestempel ter bevestiging van de ontvangst van het rechtsmiddel volstaat niet. Voor inschrijving in het rechtsmiddelenregister is een afzonderlijke griffiersverklaring vereist.” Uit deze passage blijkt niet welke griffie het stempel voor ontvangst van het rechtsmiddel zou hebben gezet. De eerste zin van het citaat suggereert dat de auteurs met de derde zin van het citaat het oog hebben gehad op de griffie van het aangezochte gerecht. Voor deze lezing pleit ook dat in de derde zin van het citaat sprake is van een stempel voor ontvangst “van het rechtsmiddel” – en dus niet voor ontvangst van een verzoek tot aantekening of iets dergelijks. De slotzin van het citaat suggereert daarentegen (wellicht vooral vanwege de daar genoemde griffiersverklaring) dat zij het oog hebben gehad op de griffie die het rechtsmiddelenregister aanhoudt. In dat geval is onduidelijk op welke grond volgens de auteurs een afzonderlijke verklaring van de griffier (die kennelijk niet in een griffiestempel kan zijn vervat) nodig is.

38

Zie randnummer 2.36 van deze conclusie en randnummer 3.5 van de aldaar besproken conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2025:1209).

39

HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4005, NJ 2000/495 m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.1.

40

HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7611, NJ 2008/140 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/60 m.nt. J.J. Dammingh, rov. 3.4, HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7615, NJ 2008/141 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2007/61 m.nt. J.J. Dammingh (Brongersma Stichting), rov. 3.3.1, HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:647, NJ 2021/164, JOR 2021/167 m.nt. A. Steneker en JERF 2021/122 m.nt. J.W.A. Biemans, rov. 3.2.3 en HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1108, NJ 2023/272 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2023/2 m.nt. P.A. Fruytier, rov. 3.2.1.

41

In de literatuur blijft deze kwestie tot dusver enigszins onderbelicht.

42

Zie randnummer 2.21 van deze conclusie.


meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Meer fiscale opties pensioenverrekening samenwoners
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 06-05-2025
Jasper Horsthuis en Rob Welling gaan in gesprek over een recente uitbreiding van de fiscale mogelijkheden voor pensioenverrekening door samenwoners. Zij bepleiten een verdere verruiming van de regeling.
Podcastgesprek: Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente (II)
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 22-04-2025
De Belastingdienst heeft - opnieuw - een standpunt gepubliceerd over de fiscale afwikkeling van een lijfrentepolis bij echtscheiding. Rob Welling en Jasper Horsthuis bespreken de gevolgen hiervan.
Podcastgesprek: Breaking! Vóórhuwelijks vergoedingsrecht halveert niet!
Drs. Jasper Horsthuis en Rob Welling, 08-04-2025
Onze redacteur Jasper Horsthuis en scheidingsfiscalist Rob Welling gingen in gesprek over de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad op 21-03-2025. Super heldere uitleg over inhoud en gevolgen van de uitspraak!
Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN