ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Parket bij de Hoge Raad 10-03-2026, ECLI:NL:PHR:2026:238

Essentie (gemaakt door AI)

OM gaat in cassatie na partiële vrijspraak bij kindermishandeling. Kernvraag: valt psychische mishandeling onder art. 300 lid 4 Sr (opzettelijke benadeling van de gezondheid)? P‑G oordeelt dat het middel slaagt: hof motiveert afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt onvoldoende. In brede beschouwing adviseert P‑G dat psychische mishandeling onder huidig recht niet zelfstandig strafbaar is onder art. 300 Sr; verduidelijking door HR wenselijk. Conclusie: vernietigen en terugwijzen.

Datum publicatie10-03-2026
Zaaknummer24/04699
RechtsgebiedenStrafrecht
TrefwoordenOverig; Straatverbod/contactverbod/huiselijk geweld
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Conclusie AG. OM-cassatie tegen partiële vrijspraak kindermishandeling. A-G beantwoordt vraag of psychische mishandeling zelfstandig strafbaar kan zijn als mishandeling i.d.z.v. art. 300 lid 1 en/of lid 4 Sr en zo ja, onder welke voorwaarden. Ten behoeve hiervan wordt o.a. ingegaan op vervolgingsbeleid OM, feitenrechtspraak, een aangekondigd wetsvoorstel, internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke verplichtingen, strafbaarheid in andere landen, wetsgeschiedenis en rechtspraak Hoge Raad. A-G komt tot slotsom dat psychische mishandeling onder geldende positieve recht niet zelfstandig strafbaar is o.g.v. art. 300 Sr en dat rechterlijke interpretatie waarmee psychische mishandeling zelfstandig onder deze bepaling wordt gebracht op belangrijke bezwaren stuit. Middel OM bevat slagende UOS-klacht. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.

Volledige uitspraak


PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/04699

Zitting 10 maart 2026

CONCLUSIE

P.H.P.H.M.C. van Kempen

In de zaak

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

hierna: de verdachte

Inhoudsopgave

1. Inleiding (1.1 - 1.2)

2. Waar het in cassatie om gaat (2.1 - 2.5)

3. Bewezenverklaring, bewijsvoering en belangrijke processtukken (3.1 - 3.5)

4. Omschrijving van het middel (4.1 - 4.5)

5. Begripsbepaling: wat is psychische mishandeling? (5.1 - 5.13)

6. Het belang van de rechtsvraag (6.1 - 6.34)

Vervolgingsbeleid (6.2 - 6.4)

Feitenrechtspraak (6.5 - 6.28)

Voornemen tot wetsvoorstel (6.29 - 6.34)

7. Internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke verplichtingen tot strafbaarstelling van psychische mishandeling (7.1 - 7.54)

Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) (7.3 - 7.6)

Verdrag van Istanboel (7.7 - 7.17)

EVRM (7.18 - 7.52)

Richtlijn (EU) 2024/1385 (7.53 - 7.54)

8. Strafbaarheid van psychische mishandeling in andere landen (8.1 - 8.42)

Denemarken (8.3 - 8.8)

Engeland & Wales (8.9 - 8.14)

Frankrijk (8.15 - 8.21)

België (8.22 - 8.28)

Duitsland (8.29 - 8.39)

Conclusie landenbespreking (8.40 – 8.42)

9. Wetsgeschiedenis en rechtspraak van de Hoge Raad (9.1 - 9.20)

10. Slotbeschouwing over psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr (10.1 - 10.10)

11. Beoordeling van het middel (11.1 - 11.17)

12. Afronding (12.1 - 12.3)

1Inleiding

1.1

Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 18 december 2024 (parketnr. 09-236699-22) wegens 1 “mishandeling, begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd” en 2 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot 120 uren taakstraf, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals in het arrest vermeld.

1.2

Het cassatieberoep is ingesteld door N.M. Boersma, advocaat-generaal bij het Ressortsparket Den Haag. Namens het openbaar ministerie heeft W.J.V. Spek, advocaat-generaal bij het Ressortsparket Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld.

2Waar het in cassatie om gaat

2.1

In deze zaak beoogt het openbaar ministerie duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of “ook psychische mishandeling onder de reikwijdte van art. 300 lid 4 Sr valt en de juridische kaders die daarop van toepassing zijn”. Aan de verdachte is, voor zover in cassatie relevant, onder 1 ten laste gelegd mishandeling van haar kind [slachtoffer] . Uit de tenlastelegging valt af te leiden dat de mishandeling zowel fysiek als psychisch van aard zou zijn. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte [slachtoffer] meermalen met vlakke hand een klap in zijn nek heeft gegeven en eenmaal heeft gedreigd [slachtoffer] van een balkon te gooien. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de mishandeling voor zover deze zou hebben bestaan uit [slachtoffer] onder een koude douche zetten, [slachtoffer] gedurende geruime tijd en/of onder dwang op een krukje zetten zonder eten en drinken, [slachtoffer] geruime tijd alleen in de auto achterlaten zonder eten en drinken en het kleinerend en/of denigrerend toespreken van [slachtoffer] door onder andere tegen hem te zeggen “kankerjong”, “je had nooit geboren mogen worden”, “je deugt niet” of woorden van gelijke strekking. Het hof heeft over deze laatste drie gedragingen geoordeeld dat “het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende bewijs opleveren dat deze gedragingen – voor zover bewezen – een strafbare mishandeling opleveren, in die zin dat bij het slachtoffer als gevolg daarvan pijn, letsel of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording is ontstaan of dat het slachtoffer als gevolg daarvan in de gezondheid is benadeeld”.

2.2

In cassatie wordt geklaagd dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door het openbaar ministerie naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

2.3

Deze conclusie houdt in dat het middel slaagt.

2.4

Vanuit een iets breder perspectief dan de door het openbaar ministerie opgeworpen vraag impliceert, wordt in deze conclusie ook uitgebreid ingegaan op het fenomeen psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr. In essentie gaat het dan om de vraag of psychische mishandeling zelfstandig strafbaar kan zijn als mishandeling in de zin van art. 300 lid 1 en/of lid 4 Sr en, zo ja, onder welke voorwaarden. Ter beantwoording van deze vraag besteed ik achtereenvolgens aandacht aan wat psychische mishandeling is (begripsbepaling), het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie, feitenrechtspraak (rechtbanken en hoven), een aangekondigd wetsvoorstel, internationaal- en Europeesrechtelijke verplichtingen tot strafbaarstelling van psychische mishandeling (Verdrag inzake de rechten van het kind, Verdrag van Istanboel, EVRM en EU Richtlijn 2024/1385), de strafbaarheid van psychische mishandeling in diverse andere landen (Denemarken, Engeland & Wales, Frankrijk, België en Duitsland), de wetsgeschiedenis van art. 300 Sr en rechtspraak van de Hoge Raad over mishandeling. In de slotbeschouwing breng ik deze onderwerpen in verband met elkaar en is er bovendien ook aandacht voor het legaliteitsbeginsel en constitutionele verhoudingen c.q. de rechtsvormende taak van de Hoge Raad.

2.5

Een en ander leidt tot de slotsom dat psychische mishandeling onder het geldende positieve recht zelfstandig – dus zonder fysiek aspect of gevolg – niet strafbaar is op grond van art. 300 Sr en verder dat een rechterlijke interpretatie waarmee psychische mishandeling alsnog zelfstandig onder deze bepaling wordt gebracht op belangrijke bezwaren stuit. Gelet daarop beveel ik de Hoge Raad aan om de bestanddelen “mishandeling” (lid 1) en “benadeling van de gezondheid” (lid 4) niet op zodanige wijze uit te leggen dat op grond daarvan psychische mishandeling voortaan ook zelfstandig strafbaar is onder art. 300 Sr. Omdat dit de rechtszekerheid, rechtseenheid en daarmee de rechtsgelijkheid zou bevorderen, geef ik de Hoge Raad bovendien in overweging om nadrukkelijk uit te spreken dat psychische mishandeling niet zelfstandig tot strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden op grond van art. 300 Sr of enige andere bepaling in het Tweede Boek, Titel XX (Mishandeling) van het Wetboek van Strafrecht en voorts om te verduidelijken wanneer psychische mishandeling met een fysiek aspect of gevolg binnen het thans geldende positieve recht wel kan worden bestraft. Vervolgens bespreek ik het middel.

3Bewezenverklaring, bewijsvoering en belangrijke processtukken

3.1

Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat:

“zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 25 december 2017 tot en met 22 februari 2022 te [plaats] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, telkens haar kind, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2012), opzettelijk heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] :

- (met vlakke hand) een klap in zijn gezicht en/of nek te geven en/of te slaan tegen zijn lichaam en/of

- onder een koude douche te zetten en/of

- te dreigen hem van een balkon te gooien en/of

- (gedurende geruime tijd en/of onder dwang) op een krukje te zetten (zonder eten en drinken) en/of

- geruime tijd (meer dan een uur) alleen in een auto achter te laten zonder eten en drinken en/of

- te kleineren en/of denigrerend toe te spreken, door onder andere te zeggen ‘kankerjong’, ‘je had nooit geboren mogen worden’, ‘je deugt niet’, althans woorden van gelijke strekking

waardoor [slachtoffer] pijn en/of letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording bij hem is veroorzaakt en/of waardoor de gezondheid van die [slachtoffer] is benadeeld;”

3.2

Daarvan is ten laste van de verdachte onder 1 bewezen verklaard dat:

“zij in de periode van 25 december 2017 tot en met 22 februari 2022 te [plaats] haar kind, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2012), opzettelijk heeft mishandeld door die [slachtoffer] :

- meermalen met vlakke hand een klap in zijn nek te geven en

- eenmaal te dreigen hem van een balkon te gooien

waardoor [slachtoffer] pijn heeft bekomen en waardoor de gezondheid van die [slachtoffer] is benadeeld;”

3.3

De bewezenverklaring steunt op de volgende in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

“1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2024 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Op de vraag van de voorzitter omtrent de opmerking over het van het balkon gooien van [slachtoffer] , antwoordt de verdachte:

(..) Toen floepte het eruit. Het was de enige keer.

2. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 januari 2023 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik heb [slachtoffer] wel eens met de vlakke hand een tik achter op zijn hoofd verkocht als hij een grote mond had. Het gebeurde wel eens, maar niet vaak. Ik heb één keer tegen [slachtoffer] gezegd dat ik hem van het balkon zou gooien.

3. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 mei 2022 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – […]:

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Omschrijving aangifte

Plaats delict : [a-straat 1] , (…) [plaats]

Pleegdatum (…) : Tussen woensdag 1 december 2021 (…) en zaterdag 19 februari 2022 (…)

Ik ben als manager gerechtigd namens de RDOG HM /Hecht aangifte te doen. Ik doe aangifte van huiselijk geweld, psychische mishandeling, fysieke mishandeling en verwaarlozing van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] -2012 te [plaats] . Gepleegd door de moeder van [slachtoffer] . Bijlage 2 betreft de melding van Veilig Thuis aan de politie:

Bijlage 2 De Melding van Veilig Thuis aan de politie:

Datum melding 03.03.2022

(…)

22-02-2022 Kindgesprek [hof: verslag van een gesprek tussen Veilig Thuis en [slachtoffer] ]

Ook krijgt hij wel eens andere vormen van straf:

* zijn moeder slaat hem wel eens in zijn nek.

* moeder heeft hem wel eens gedreigd van het balkon te gooien. [slachtoffer] was toen heel erg bang dat ze dit ook echt zou doen. Hij is hier nog steeds wel bang voor.

(…)

Letsel/symptomen

[slachtoffer] heeft al langere tijd last van buikpijn/misselijkheid en zou dikwijls (meerdere keren per week) moeten overgeven. Hij vertelt dit vaak zelf op te moeten ruimen.”

3.4

Het hof heeft over de partiële vrijspraak in een nadere bewijsoverweging overwogen:

“De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep bekend dat zij haar zoon [slachtoffer] op enig moment met zijn kleren aan onder de koude douche heeft gezet. Naar eigen zeggen deed de verdachte dit omdat [slachtoffer] kampte met een astma-aanval.

Het hof is desondanks van oordeel dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep te weinig aanknopingspunten bieden om te kunnen vaststellen onder welke omstandigheden zij [slachtoffer] onder de koude douche heeft gezet en of dit bij hem een hevige onlust veroorzakende gewaarwording heeft veroorzaakt. Hierbij speelt een rol dat [slachtoffer] in het kindgesprek met Veilig Thuis op 22 februari 2022 hierover niet heeft verklaard. Ook anderszins bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs op dit punt. Het hof zal de verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Ten aanzien van de overige, door de verdachte ontkende gedragingen, te weten het gedurende geruime tijd en/of onder dwang op een krukje zetten zonder eten en drinken, geruime tijd alleen in de auto achterlaten zonder eten en drinken en het kleinerend en/of denigrerend toespreken door het uiten van de in de tenlastelegging opgenomen opmerkingen, is het hof van oordeel dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende bewijs opleveren dat deze gedragingen – voor zover bewezen – een strafbare mishandeling opleveren, in die zin dat bij het slachtoffer als gevolg daarvan pijn, letsel of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording is ontstaan of dat het slachtoffer als gevolg daarvan in de gezondheid is benadeeld”.

3.5

Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2024 heeft het openbaar ministerie daar het woord gevoerd overeenkomstig het schriftelijke requisitoir dat aan het proces-verbaal is gehecht. Dit requisitoir houdt onder meer het volgende in (met overneming van een aantal voetnoten):

“1. Inleiding

[…]

Het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank omdat zij zich niet kan verenigen met de partiele vrijspraken van feit 1. Dat is dan ook de reden dat we opnieuw praten over waar verdachte van is vrijgesproken. Het OM kan zich niet vinden in de vrijspraak voor met name die onderdelen die psychische kindermishandeling opleveren. […]

Het gaat vandaag voor een groot deel over psychische kindermishandeling.

[…]

2. Toetsingskader psychische kindermishandeling

[...]

Voor psychische mishandeling of emotionele verwaarlozing van kinderen hanteert het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) de volgende definitie:

Aanhoudende of extreme frustratie van elementaire emotionele behoeften van het kind, waaronder ongevoeligheid van de ouders met betrekking tot het ontwikkelingsniveau van het kind alsmede het uiten van bedreigingen (zonder verwondingen). 1

In art. 1.1 van de Jeugdwet (en art. 1.1.1 Wet maatschappelijke ondersteuning) is de definitie van kindermishandeling als volgt gegeven:

Elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel”.

In jurisprudentie over strafbare kindermishandeling wordt bij deze twee definities aansluiting gezocht. 2 Artikel 300 lid 4 Wetboek van Strafrecht bepaalt dat “met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid.” De in artikel 300, vierde lid, Sr. genoemde gelijkstelling van mishandeling met opzettelijke benadeling van de lichamelijke en/of psychische gezondheid biedt aanknopingspunten voor strafbaarheid van niet alleen het veroorzaken van lichamelijke pijn, letsel of een hevig onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording – dat valt onder het eerste lid – maar ook voor mishandeling van psychische aard.

In een arrest uit 2017 3 overwoog uw Hof het volgende:

De vraag die het hof moet beantwoorden is of psychische mishandeling kan worden aangemerkt als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr. Het hof is van oordeel dat de bewoordingen van genoemd artikel dat niet uitsluiten. Hoewel in de wetsgeschiedenis van artikel 300 Sr niet wordt gesproken over de geestelijke gezondheid, kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgesloten dat de wetgever ook dit belang beoogt te beschermen. In ieder geval biedt de in het vierde lid van artikel 300 Sr genoemde gelijkstelling van mishandeling met benadeling van de gezondheid aanknopingspunten voor strafbaarheid van niet alleen het veroorzaken van lichamelijke pijn, letsel of onlust, maar ook voor mishandelingen van psychische aard.

Meerdere rechtbanken en hoven zijn gevolgd. Diverse belangrijke uitspraken zijn in de voetnoten benoemd. Ik zal deze niet voorlezen, maar verzoek deze als integraal onderdeel van het requisitoir mee te wegen.

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat onder de benadeling van gezondheid zoals bedoeld in lid 4, ook benadeling van de geestelijke gezondheid valt. Of denigrerende en/of kleinerende handelingen en opmerkingen ook strafbare psychische (kinder)mishandeling oplevert, hangt volgens dit arrest verder af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht of gemaakt.

Het vereiste dat er sprake moet zijn van een patroon, zoals door sommige rechtbanken en hoven wordt overwogen, volgt echter niet uit de wet noch uit hetgeen de wetgever heeft bedoeld met de strafbaarstellingen in 300 lid 1 en lid 4 Sr. Er moet worden vastgesteld dat het handelen van verdachte psychisch letsel heeft veroorzaakt dan wel daaraan een voldoende substantiële bijdrage is geleverd. Pijnigen, kleineren en uitschelden door een ouder kan een reële kans opleveren op beschadiging van de geestelijke gezondheid en ontwikkeling van het kind. Er hoeft dan ook geen sprake te zijn van een patroon of van een bepaalde duur in tijd om strafbaar handelen te kunnen vaststellen.

Niet alleen fysiek aantoonbaar letsel, maar ook de onaangename verandering in de innerlijke gezondheid kan bij de beoordeling worden betrokken. 4 Ook is het een feit van algemene bekendheid dat een gevoel van affectie en veiligheid een basisbehoefte is voor een kind en dat op de opvoedende ouders de verplichting rust om voor die veilige omgeving te zorgen. 5

Vanwege deze twee definities is het vaststellen van psychisch letsel door een deskundige geen vereiste om het handelen van een verdachte te kwalificeren als mishandeling in de zin van lid 1 dan wel opzettelijke benadeling van de (psychische) gezondheid in de zin van lid 4 van artikel 300 Sr. Immers, daarvan is reeds sprake als door de handelingen psychisch letsel kán ontstaan. 6 Bevestiging daarvan – dat een deskundigenoordeel geen kwalificatievereiste – valt ook af te leiden uit de Kamerstukken uit 2020. 7

[…]

3. De feiten

[…]

In de zaak tegen [verdachte] gaat het dus om meerdere varianten van kindermishandeling die vallen onder lid 1 en lid 4 van artikel 300 Sr. Dat onderscheid is ook gemaakt in de tenlastelegging bij feit 1. De eerste twee gedragingen behorend bij feit 1 van de tenlastelegging hebben betrekking op lid 1. De overige gedragingen hebben betrekking op artikel 300 lid 4 Sr.

Ik zal nu aan de hand van de aanwezige bewijsmiddelen per gedraging ingaan op de vraag of die verweten gedragingen ook daadwerkelijk bewezen kunnen worden verklaard.

3.1.2.

Gevolgen voor [slachtoffer]

[…]

[slachtoffer] is volgens de Raad voor de Kinderbescherming - verder de Raad - zwaar beschadigd geraakt. Aan de hand van het rapport van de Raad stel ik vast dat [slachtoffer] werd bedreigd in zijn fysieke, cognitieve, sociaal- emotionele en persoonlijke ontwikkeling. Verdachte heeft tegenover de Raad verklaard dat [slachtoffer] ontlasting tegen de muur smeerde en in zijn broek poepte. Dit zou allemaal vier jaar daarvoor zijn begonnen en deed hij nog steeds. Volgens verdachte veroorzaakt door stress.

De schade volgt ook uit omstandigheden:

 dat [slachtoffer] op een leeftijd waarop hij zindelijk behoort te zijn in zijn broek poept en (uit frustratie) met zijn ontlasting smeert (waar moeder jarenlang niet voor aan de bel heeft getrokken, schending zorgplicht 1:247 BW)  na een week uithuisplaatsing was dit voorbij;

 dat [slachtoffer] al jarenlang veel misselijk is en vaak moet overgeven (ook op school) zonder vaststelling van ziektebeeld  na een week uithuisplaatsing was dit voorbij;

 school, familie en artsen omschrijven [slachtoffer] als verdrietig jongetje  na de uithuisplaatsing zien zij duidelijk een vrolijker en socialer kind.

Het kan dan ook niet anders dan dat [slachtoffer] zich in een voor hem bijzonder schadelijke situatie bevond. Een situatie waarin hij te maken heeft gehad met fysiek geweld, bedreigingen, scheldpartijen en kleinerend en denigrerende uitspraken van zijn eigen moeder.

[…]

3.1.4

Gedraging […] IV: […] [slachtoffer] (gedurende een ruime tijd en/of onder dwang) op een krukje zetten (zonder eten en drinken)

[…]

Dan het laten zitten op een krukje, onder dwang, zonder eten en/of drinken.

De rechtbank heeft naar oordeel van het Openbaar Ministerie ten onrechte overwogen dat [getuige 1] dit niet zelf heeft waargenomen. Zij heeft verklaard wel degelijk zelf te hebben waargenomen dat [slachtoffer] op het krukje zat.

Ook [getuige 2] heeft verklaard dat hij zelf heeft waargenomen dat hij bij verdachte thuis kwam en zag dat [slachtoffer] op een krukje zat. Verdachte vertelde tegen hem dat hij daar al de hele dag op zat zonder eten en drinken omdat hij straf had.

[slachtoffer] heeft daarnaast zelf tegen [getuige 1] verteld dat hij kapot werd geslagen als hij van het krukje af zou gaan.

Kort en goed: ook het […] op een krukje zetten (zonder eten en drinken) van [slachtoffer] kan wettig en overtuigend worden bewezen.

3.1.5

Gedraging III & IV : dreigen [slachtoffer] van het balkon te gooien en hem geruime tijd alleen in een auto achterlaten

Verdachte is vrijgesproken van de psychische mishandeling van [slachtoffer] in de vorm van het dreigen hem van het balkon af te gooien en hem in een auto achter te laten, omdat de rechtbank niet kon vaststellen dat sprake was van een dusdanige aard van handelingen of handelingen binnen een zodanig patroon van kleineringen / afstand / afwijzing door en van verdachte dat hierdoor bij [slachtoffer] de lichamelijke en geestelijke gezondheid is benadeeld. Ook voor de waardering van deze gedragingen verwijs ik naar hetgeen ik onder de inleiding bij dit feit reeds heb opgemerkt.

Het vereiste dat er sprake moet zijn van een patroon volgt niet uit de wet of hetgeen de wetgever heeft bedoeld met de strafbaarstellingen in 300 lid 1 en lid 4 Sr. Er moet worden vastgesteld dat het handelen van verdachte psychisch letsel heeft veroorzaakt of kan veroorzaken dan wel daaraan een voldoende substantiële bijdrage is geleverd of kan leveren.

De rechtbank heeft naar oordeel van het Openbaar Ministerie het verkeerde criterium toegepast. Dat het handelen van verdachte psychisch letsel bij [slachtoffer] heeft opgeleverd en hij - door alle gedragingen tezamen - ernstig in zijn gezondheid is benadeeld moge wel blijken uit hetgeen ik reeds over de gevolgen voor [slachtoffer] heb opgemerkt en uit het onderzoek door de Raad en Veilig Thuis is gevolgd. Daarbij komt dat het onmiddellijk een stuk beter met [slachtoffer] ging toen hij uit de situatie met verdachte was verwijderd met de uithuisplaatsing

Met betrekking tot het van het balkon “kankeren” van [slachtoffer] het volgende.

Dat verdachte deze bewoordingen meermaals heeft gebruikt tegen [slachtoffer] blijkt uit de anonieme Veilig Thuis meldingen en de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 3] , de broer van verdachte, en [getuige 4] , de schoonzus van verdachte.

Ook verklaarde [getuige 2] dat verdachte diverse keren heeft gezegd dat zij [slachtoffer] van het balkon af zou gooien, met daarbij de toevoeging kankerjong

Daarnaast verklaarde [getuige 5] dat verdachte dit vaker tegen [slachtoffer] heeft gezegd. Verdachte zou ik “gooi je van het balkon” tegen [slachtoffer] hebben gezegd, zoals andere mensen zeggen “ik plak je achter het behang”.

Verdachte erkent ook dat ze eigenlijk wilde zeggen “ik plak je achter het behang”, die ene keer dat ze erkent dit tegen [slachtoffer] gezegd te hebben.

Uit het voorgaande kan naar mijn oordeel wel degelijk worden vastgesteld dat er sprake was van een patroon van het uiten van de ten laste gelegde bewoordingen. Verdachte zou dit immers hebben gezegd zoals een ander zei: “ik plak je achter het behang”.

Dan nog het alleen laten in de auto. Op 19 februari 2022 heeft [slachtoffer] voor straf in de auto gezeten, zonder eten en drinken. Dit kan worden vastgesteld aan de hand van de volgende bewijsmiddelen.

[…]

Anders dan de rechtbank oordeelt, is het Openbaar Ministerie van oordeel dat wel degelijk is vast te stellen dat deze handelingen in gezamenlijkheid de lichamelijke en geestelijke gezondheid van [slachtoffer] hebben benadeeld.

[slachtoffer] was bang dat verdachte hem van het balkon zou gooien, zo vertelde hij in het Kindgesprek met Veilig Thuis. Dit heeft dus wel degelijk een impact heeft gehad op de psychische gezondheid van [slachtoffer] . Dat is ook logisch, want als klein kind is het enorm impactvol als je moeder deze bewoordingen herhaaldelijk tegen je uit.

Het is ook uitermate schadelijk om op zo’n jonge leeftijd alleen te worden gelaten in een auto als straf en daarmee buiten te worden gesloten van een verjaardag. Het kan niet anders dan dat dit impact heeft gehad op de psychische gezondheid en het zelfbeeld van [slachtoffer] .

Ik zal bij de gedragingen hierna uiteenzetten hoe de gezondheid van [slachtoffer] precies is benadeeld door het handelen van verdachte.

Resumerend: De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat nog niet valt vast te stellen dat daarmee reeds sprake was van een dusdanige aard van handelingen of handelingen binnen een zodanig patroon van kleineringen / afstand / afwijzing door en van verdachte dat hierdoor bij [slachtoffer] de lichamelijke en geestelijke gezondheid is benadeeld. Ook deze handelingen kunnen wettig en overtuigend worden bewezen.

3.1.6

Gedraging VI: [slachtoffer] kleineren en/of denigrerend toespreken

[…]

Zoals hiervoor overwogen volgt bovendien niet uit de wet dat sprake moet zijn van een patroon. De rechtbank heeft dus ook hier een onjuist criterium gehanteerd.

Bovendien kan in deze zaak wel degelijk worden gesproken van een patroon naar oordeel van het Openbaar Ministerie.

[getuige 1] heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd dat [slachtoffer] zo bang moet zijn dat hij nooit meer geluid zal maken. Hij hoort van haar al zijn hele leven dat dat hij nooit geboren had moeten worden en dat hij niet deugt, dat hij een mongool is. Aan de hand van deze getuigenverklaring kan ook worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] vaak dreigde met een uithuisplaatsing.

Als verdachte boos is op [slachtoffer] , dan gebruikte ze altijd de woorden: “kanker jong, ondankbaar kankerjong, je had niet geboren moeten worden” zo verklaarde [getuige 1] .

[slachtoffer] heeft niets anders dan in zijn jonge leven gehoord dan dat hij niet gewenst is, hij een niksnut is en nooit iets goeds kan doen in de ogen van zijn moeder.

Volgens [getuige 1] gebeurde dit iedere week, soms wel meerdere keren. Zij stond erbij als verdachte dit tegen [slachtoffer] zei.

Ook aan de hand van een WhatsApp-bericht van [getuige 5] aan [getuige 1] stel ik vast dat verdachte [slachtoffer] op deze nare wijze heeft toegesproken en behandeld, zo schrijft hij: “ gaat hieraan kapot is ziek hoe ze hem behandeld. Wil hem eigenlijk nog wel helpen maar k kan net met haar in 1 ruimte meer zijn. Ze dreigt hem elke keer dat hij naar een pleeggezin moet en hij mag dan niet piepen want dan draait ze bijna zn arm uit de kom. Ben daar al een paar keer tussen gesprongen.”

In zijn verhoor komt [getuige 5] terug op het door hem in 2020 verstuurde WhatsApp-bericht aan [getuige 1] . Zijn verklaring, dat hij er bij [getuige 1] goed op wilde staan, en om die reden dit bericht heeft verstuurd, acht ik ongeloofwaardig.

Je had nooit geboren mogen worden, je deugd niet, kankerjong, je bent een mongool. Vastgesteld kan worden dat verdachte deze opmerkingen gedurende een langere periode, meermalen, tegenover [slachtoffer] heeft gemaakt. Ook stel ik vast dat ze [slachtoffer] meermalen heeft gedreigd met een uithuisplaatsing en dat zij andere lelijke opmerkingen over hem, in zijn bijzijn, heeft gemaakt. Zij heeft zich, zoals verdachte zelf in een sms-bericht stelt, afgereageerd op hem.

Niet iedere kleinerende of denigrerende handeling of opmerking kan worden aangemerkt als psychische mishandeling in de zin van artikel 300 lid 4 Sr. In dit geval kan worden vastgesteld dat gedurende een langere periode sprake is van een patroon van kleinerende, denigrerende opmerkingen en scheldpartijen.

Zoals in de inleiding al overwogen kan psychische mishandeling en/of verwaarlozing gedurende de kindertijd verschillende psychische stoornissen veroorzaken.

De raadsonderzoeker van de Raad van de Kinderbescherming ziet een jongetje dat zwaar beschadigd is. Op basis van eigen onderzoek maakt de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) zich ernstige zorgen om de ontwikkeling van [slachtoffer] . Aan de hand van het rapport van de raad kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] werd bedreigd in zijn fysieke, cognitieve, sociaal- emotionele en persoonlijke ontwikkeling door de situatie waar hij zich in bevond.

Bij [slachtoffer] kwam dit daarnaast fysiek tot uiting zoals hiervoor al aangehaald. Hij moest vaak spugen, was vaak misselijk en smeerde vaak met ontlasting. Dit gebeurde alleen thuis bij moeder en niet op school.

Op basis van informatie van de school, getuigen en de Raad kan worden gesteld dat na uithuisplaatsing, [slachtoffer] veel beter in zijn vel lijkt te zitten. Hij had na de uithuisplaatsing weer een open en blij gezicht. Ook was hij niet meer misselijk en hoefde hij niet meer te spugen.

Ook uit wat [slachtoffer] vertelde tegen [getuige 1] kan worden vastgesteld dat hij psychisch beschadigd is geraakt door de situatie. Zo vertelde hij: “Oma ik weet een oplossing zodat mama nooit meer boos op mij is. Ik moet gewoon maar dood, dan kan mama nooit meer boos op mij worden.”

Naar oordeel van het Openbaar Ministerie kan aan de hand van het voorgaande worden gesteld dat [slachtoffer] langdurig werd bedreigd in zijn fysieke, cognitieve, sociaal-emotionele en persoonlijke ontwikkeling door de situatie waar hij zich in bevond, waaronder het kleinerend en denigrerend toespreken van [slachtoffer] .

Kort en goed: ook deze gedragingen kunnen wettig en overtuigend worden bewezen.

Conclusie feit 1:

Alle aan verdachte ten laste gelegde gedragingen kunnen afzonderlijk en zeker als geheel, gelet op hetgeen ik reeds over het bewijsminimum heb opmerkt, bewezen worden verklaard. Het vonnis dient dan ook te worden vernietigd.

[…]

4. Bewezenverklaring en kwalificatie

Zoals hiervoor uiteengezet, ben ik van oordeel dat feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Deze feiten kunnen als volgt worden gekwalificeerd:

Feit 1 kan worden gekwalificeerd als kindermishandeling in de zin van artikel 300 lid 1 en artikel 300 lid 4 Wetboek van Strafrecht juncto artikel 304 Wetboek van Strafrecht.”

4Omschrijving van het middel

4.1

Het middel klaagt dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door het openbaar ministerie naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt houdt volgens de steller van het middel in “i) dat onder ‘benadeling van de gezondheid’ als omschreven in art. 300 lid 4 Sr, ook dient te worden verstaan ‘benadeling van de geestelijke gezondheid’ ii) dat de tenlastegelegde handelingen geschikt waren om de geestelijke gezondheid van [slachtoffer] te benadelen iii) dat de geestelijke gezondheid van [slachtoffer] door die handelingen ook daadwerkelijk is benadeeld iv) dat de tenlastegelegde (psychische) mishandeling dus wettig en overtuigend kan worden bewezen en kan worden gekwalificeerd als mishandeling in de zin van art. 300 Sr”.

4.2

Ten eerste werpt de toelichting op het middel op dat het hof de vraag of de gedragingen strafbare mishandeling opleveren, ten onrechte heeft beantwoord bij de beoordeling of het ten laste gelegde in zoverre kan worden bewezen verklaard. Volgens de toelichting had de beantwoording moeten plaatsvinden bij de beoordeling of het alsdan bewezen verklaarde kan worden gekwalificeerd als mishandeling. Deze klacht gaat mijns inziens de reikwijdte van het middel te buiten, hetgeen de steller van het middel overigens ook zelf lijkt te erkennen gelet op de toevoeging “Wat daar verder van zij” in randnr. 5.2 van de schriftuur. Aan deze klacht zal bij de beoordeling van het middel onder 11 dan ook worden voorbijgegaan.

4.3

Ten tweede houdt de toelichting op het middel in dat hetgeen door de advocaat-generaal op de terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2024 naar voren is gebracht bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan het hof is voorgelegd. Dit standpunt heeft volgens de steller van het middel niet alleen betrekking op de vraag of deze onderdelen van de tenlastelegging kunnen worden bewezen verklaard, maar tevens of deze onderdelen van de tenlastelegging na bewezenverklaring kunnen worden gekwalificeerd als mishandeling in de zin van art. 300 Sr.

4.4

Ten derde wordt aangevoerd dat het hof van voornoemd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is afgeweken door de verdachte vrij te spreken van voornoemde onderdelen van het onder 1 ten laste gelegde terwijl het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot die afwijking hebben geleid. Uit de motivering door het hof zou niet duidelijk worden of het hof van oordeel is (i) dat benadeling van de geestelijke gezondheid geen benadeling kan opleveren van de gezondheid als bedoeld in art. 300 lid 4 Sr, (ii) dat de onderdelen onder het 4de, 5de en 6de gedachtestreepje van het onder 1 ten laste gelegde feit niet geschikt of ernstig genoeg waren voor het benadelen van de geestelijke gezondheid van [slachtoffer] en (iii) dat niet kan worden aangetoond dat [slachtoffer] ’s geestelijke gezondheid ten gevolge van voornoemde gedragingen daadwerkelijk is benadeeld. Dit zou volgens de steller van het middel temeer klemmen nu het hof wel heeft bewezen verklaard dat de verdachte heeft gedreigd [slachtoffer] van het balkon te gooien en het hof dit bewezen verklaarde onderdeel kennelijk wel heeft gekwalificeerd als benadeling van de gezondheid in de zin van art. 300 lid 4 Sr.

4.5

Volgens de steller van het middel is het belang voor het openbaar ministerie in deze zaak vooral gelegen in “het verkrijgen van meer duidelijkheid omtrent de vragen of ook psychische mishandeling onder de reikwijdte van art. 300 lid 4 Sr valt en de juridische kaders die daarop van toepassing zijn”. Deze vragen zouden “niet eerder aan de Hoge Raad voorgelegd” zijn en “daarom niet uitgekristalliseerd” zijn.

5Begripsbepaling: wat is psychische mishandeling?

5.1

Psychische mishandeling is geen vastomlijnd begrip. Het betreft een fenomeen dat diffuus en complex van aard is. Een eenduidige of algemeen geaccepteerde definitie is niet voorhanden. 8 Bovendien bestaan er naast het begrip psychische mishandeling talloze andere (combinaties van) termen die nu eens naast elkaar worden gebruikt, dan weer worden beschouwd als synoniem voor psychische mishandeling, zoals psychisch geweld, psychologisch geweld, geestelijk geweld en emotioneel geweld. 9 Het aantal termen geeft reeds aan hoe lastig het verschijnsel psychische mishandeling is te duiden. 10 Desalniettemin kunnen uit de definities die door diverse organisaties worden gehanteerd en de omschrijvingen van het verschijnsel die voorkomen in de nationale en internationale literatuur een aantal karakteristieken worden afgeleid die een indruk geven van waar het bij psychische mishandeling om gaat. Benadrukt moet worden dat ik daarmee niet beoog om hier tot een juridische definitie te komen.

5.2

In de eerste plaats valt op dat psychische mishandeling doorgaans wordt geplaatst in de context van huiselijk geweld, in het bijzonder ouder-kind-verhoudingen en partnerrelaties. 11 Bij psychische mishandeling binnen partnerrelaties wordt onder psychische mishandeling doorgaans ook begrepen “coercive control”, wat kan worden vertaald als “dwingende controle”, maar ook wel wordt aangeduid als “intieme terreur”. 12Het gaat daarbij om “a course of calculated, malevolent conduct deployed almost exclusively by men to dominate women by interweaving repeated physical abuse with three equally important tactics: intimidation, isolation and control”. 13De controle kan op verschillende manieren worden bereikt, bijvoorbeeld door fysiek geweld, bedreigen, intimideren, vernederen, kleineren, pesten, “gaslighten”, monitoren en isoleren. 14 Hoewel de nadruk dus veelal ligt op huiselijk geweld komt psychische mishandeling in het Nederlandse politieke debat ook aan de orde in de context van onder meer veiligheid op scholen, geweld in de jeugdzorg, uitsluiting van religieuze gemeenschappen, conversietherapie en prostitutie. 15 Het veld wordt nog ruimer wanneer men breder kijkt naar psychische consequenties van onrechtmatig gedrag, zoals bijvoorbeeld blijkt in discussies over schadelijke gevolgen van online seksuele interactie en ongewenste seksuele berichten. 16 Ook in het Verdrag van Istanboel wordt bovendien onder psychisch geweld niet alleen psychisch geweld in de huiselijke kring verstaan, maar eveneens in andere contexten, zoals op het werk of op school. 17

5.3

Psychische mishandeling manifesteert zich op verschillende manieren. Dit is goed te zien in de definitie van Janssen, Dreissen & Juncker, die psychisch geweld als volgt omschrijven: 18

“Psychisch geweld kan onder andere bestaan uit belaging, intimidatie, sociaal isoleren, vernedering, het beheersen en controleren van gedrag en het beperken van de toegang tot financiële middelen, werkgelegenheid, onderwijs of medische zorg. De gevolgen van psychisch geweld kunnen ernstig en van langdurige aard zijn, denk aan depressie, angst, complexe PTSS-klachten, verslavingen en eetstoornissen.”

Deze omschrijving lijkt niet te impliceren dat de daarin genoemde gedragingen altijd zonder meer in psychische mishandeling resulteren. Zo kunnen het beheersen en controleren van gedrag – mede afhankelijk van wat men daaronder precies verstaat – tot op zekere hoogte tot de normale opvoeding van kinderen behoren. De omschrijving biedt dus geen scherpe afgrenzing maar reikt veeleer een enigszins open indicatie aan. Datzelfde geldt voor de volgende aanduiding.

5.4

In het informatieprotocol beleidsinformatie Veilig Thuis in Bijlage A van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 wordt de volgende typering van psychische mishandeling gehanteerd:

“Psychische mishandeling kan bestaan uit belaging, intimidatie, sociaal isoleren, vernedering en manipulatie, evenals belediging, kleineren, bedreigingen, het beheersen en controleren van gedrag, waaronder het isoleren van een persoon ten aanzien van familie en vrienden, en het beperken van de toegang tot financiële middelen, werkgelegenheid, onderwijs of medische zorg.”

5.5

Meer specifiek in relatie tot kinderen houdt het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (hierna: WODC) de volgende definitie aan van psychische mishandeling of emotionele verwaarlozing: 19

“aanhoudende of extreme frustratie van elementaire emotionele behoeften van het kind, waaronder ongevoeligheid van de ouders met betrekking tot het ontwikkelingsniveau van het kind alsmede het uiten van bedreigingen (zonder verwondingen). Onder psychische mishandeling of emotionele verwaarlozing valt ook het getuige zijn van het kind van geweld tussen de ouders of een van de ouders en zijn/haar (ex-)partner”.

Deze definitie is in elk geval in die zin iets beperkter dan voorgaande omschrijvingen doordat de gedragingen daarin worden verbonden met de feitelijkheid van extreme frustratie van elementaire emotionele behoeften van het kind.

5.6

Vermelding verdient verder de begripsbepaling van “kindermishandeling” die is opgenomen in zowel art. 1.1. Jeugdwet als art. 1.1.1 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015:

“elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel”.

5.7

Voorts zijn in de contourenbeschrijving 20 ten behoeve van een – hierna onder 6.29 t/m 6.34 te bespreken – voornemen voor een wetsvoorstel tot afzonderlijke strafbaarstelling van psychisch geweld van 10 juli 2025 de volgende voorbeelden genoemd van gedragingen die “kunnen” vallen onder de psychische mishandelingsvorm “dwingende controle”: 21

“- het stelselmatig onthouden aan de ander van levensbehoeften (bijvoorbeeld eten, slaap, medicatie) of van de toegang tot middelen (bijvoorbeeld telefoon, financiële middelen, rijbewijs),

- het beperken van de bewegingsvrijheid van de ander (bijvoorbeeld opsluiten in huis, verbieden om (alleen) naar bepaalde plekken te gaan),

- het beperken of controleren van (al dan niet online) sociale interacties van de ander met derden of het voortdurend in de gaten houden van de ander door middel van (al dan niet digitale) monitoring en surveillance,

- het kleineren of vernederen, het intimideren of het manipuleren van de ander, in welk verband ook het fenomeen ‘gaslighting’ (het verdraaien van de waarheid om iemand aan zichzelf te laten twijfelen) wordt genoemd.”

5.8

Naast de reeds genoemde verschijningsvormen bedreigen, intimideren, vernederen, kleineren, pesten, “gaslighten”, monitoren/controleren, belagen, isoleren, beperken van toegang tot financiële middelen, werkgelegenheid, onderwijs en medische zorg, komen in tenlasteleggingen in de Nederlandse feitenrechtspraak ook nog de volgende gedragingen voor: 22 het getuige zijn van huiselijk geweld, 23 het tonen van video’s van martelingen, 24 systematische emotionele afwijzing, 25 het onthouden van fysieke affectie, 26 het opsluiten in een kamer ten gevolge waarvan het kind zijn behoefte in die kamer moet doen 27 en seksueel misbruik. 28

5.9

Als kenmerk van psychische mishandeling wordt ook wel gewezen op het structurele en patroonmatige karakter ervan. 29 Het gaat om een patroon van gedragingen die op zichzelf bezien onbeduidend zijn, maar waarvan “the cumulative effect […] is far greater than the mere sum of its parts”. 30

5.10

De beschermde rechtsbelangen die in veel omschrijvingen van psychische mishandeling terugkomen zijn autonomie en vrijheid 31 en psychische/psychologische integriteit. 32 Psychische mishandeling impliceert dan dus een inbreuk op zulke belangen.

5.11

Volgens Timmers kunnen voor de vraag wat moet worden verstaan onder psychische mishandeling twee benaderingen worden onderscheiden. 33 In de eerste benadering is het psychische aspect gelegen in de aard van de interactie, oftewel het handelen of nalaten van de dader. Psychische mishandeling wordt dan beschouwd als paraplubegrip voor alle gedragingen die een ernstige inbreuk maken op de geestelijke integriteit zonder dat er fysiek contact is geweest tussen de dader en het slachtoffer, zoals schelden, dwingen, kleineren, isoleren, verwaarlozen en vernederen. Een voorbeeld van deze benadering is de werkdefinitie die wordt gegeven in de Consultatienota over de aanpak van psychisch geweld uit 2020 van de Kamerleden Bergkamp, Özütok en Van den Hul. Daarin wordt “psychisch geweld” gebruikt als: 34

“overkoepelende term voor wederrechtelijke handelingen en omissies die, zonder dat sprake is van fysiek geweld, ernstige inbreuken op de psychische integriteit van slachtoffers veroorzaken of voorzienbaar kunnen veroorzaken. Dit kan bijvoorbeeld zijn een patroon van stelselmatig kleinerend en vernederend gedrag, isolatie, ernstige verwaarlozing, het afsluiten van levensbehoeften en het creëren van een vergaande afhankelijkheidsrelatie.”

5.12

In de tweede benadering verwijst het psychische naar de aard van het gevolg. De schade van het slachtoffer is psychisch, terwijl de aard van de gedraging van de verdachte niet relevant is. 35 Het verschil tussen deze benaderingen kan tot op zekere hoogte worden gezien in relatie tot de indeling van strafbare feiten in materiële delicten (een gevolg staat centraal) en formele delicten (waarbij een bepaalde gedraging voldoende is voor strafbaarheid). 36

5.13

Het voorgaande toont dat het fenomeen psychische mishandeling moeilijk grijpbaar en diffuus is, vele verschijningsvormen kent en dat daarover – zoals hierna nog verder zal blijken – uiteenlopende visies bestaan en benaderingen mogelijk zijn. In deze conclusie wordt gekeken naar psychische mishandeling in brede zin, maar wel slechts tegen de achtergrond van het strafbare feit mishandeling in de zin van art. 300 Sr. Dit betekent dat ik niet inga op de mogelijkheid dit verschijnsel strafrechtelijk aan te pakken via onder meer belediging (art. 266 Sr), dwang (art. 284 Sr), bedreiging (art. 285 Sr) en/of belaging (art. 285b Sr). Gezien de beperkte reikwijdte van deze conclusie en erop gelet dat in de cassatieschriftuur het begrip “psychische mishandeling” wordt gebezigd, zal ik voorbijgaan aan de mogelijke nuanceverschillen tussen de diverse termen, deze als inwisselbaar beschouwen en in deze conclusie beide aanduidingen gebruiken. 37

6Het belang van de rechtsvraag

6.1

Het belang van de door het openbaar ministerie opgeworpen rechtsvraag voor de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling kan worden geïllustreerd aan de hand van het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie inzake psychische mishandeling, de feitenrechtspraak over psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr en een aangekondigd wetsvoorstel. 38

Vervolgingsbeleid

6.2

De Aanwijzing huiselijk geweld en kindermishandeling (2022A001) houdt onder meer in dat in de context van huiselijk geweld als strafbare feiten “emotionele of psychische mishandeling” en “emotionele of psychische verwaarlozing” kunnen voorkomen. De officier van justitie houdt bij de beoordeling van de noodzaak om het strafrecht in te zetten rekening met de schade, waarbij opgemerkt is dat het gaat om “zowel fysieke als psychische schade aan personen”. In de Richtlijn voor strafvordering huiselijk geweld (2020R010) wordt niet uitdrukkelijk aandacht besteed aan psychische mishandeling en lijkt de aard van het lichamelijk letsel leidend voor de strafeis. In de Richtlijn voor strafvordering kindermishandeling (2022R005) wordt daarentegen wel expliciet ingegaan op psychische kindermishandeling. Overwogen wordt (met weglating van een voetnoot):

“Psychische (kinder)mishandeling kent geen aparte strafbaarstelling in Nederland. Vervolging is wél mogelijk, op basis van de artikelen 284, 285, 285b en 300 Sr. De beoordelaar bekijkt of één of meer van deze strafbepalingen van toepassing zijn op een specifieke casus.

Denk bij bijvoorbeeld opsluiting van een kind ook aan wederrechtelijke vrijheidsbeneming (282 Sr) of dwang (284 Sr).”

6.3

Verder wordt psychische mishandeling in de tabellen waarin de uitgangspunten voor een strafeis zijn genoemd, uitdrukkelijk genoemd onder vermelding van een aantal voorbeelden, namelijk “opsluiting/ vernedering/ verwaarlozing/ blootstelling aan partnergeweld”. Bij psychische mishandeling is in geval van een first offender een taakstraf voor de duur van 120 uren plus een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden (“evt deels vw”) als uitgangspunt voorgeschreven en bij “1x recidive” een gevangenisstraf vanaf 3 maanden (“evt deels vw”). Opgemerkt wordt dat de ernst, duur en frequentie van de psychische mishandeling strafmaat verhogend kunnen werken. Opvallend is dat als aparte categorie wordt genoemd “PCF – Pediatric Condition Falsification (Münchausen by Proxy) en/of opzettelijk benadelen van de gezondheid (vanaf duur half jaar)”, waarbij een gevangenisstraf tussen de 15 en 24 maanden (“evt. deels vw”) is voorgeschreven bij een first offender en maatwerk bij een recidivist.

6.4

Hieruit blijkt dat psychische mishandeling op dit moment – ook in relatie tot art. 300 Sr – al uitdrukkelijk onderdeel is van het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie wanneer het gaat om kindermishandeling.

Feitenrechtspraak 39

6.5

In lagere rechtspraak is expliciet geoordeeld dat psychische mishandeling onder art. 300 Sr kan vallen. In deze paragraaf zal de Nederlandse feitenrechtspraak over psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr in hoofdlijnen worden besproken (de rechtspraak van de Hoge Raad komt aan de orde onder 9.7 e.v.). Niet is beoogd een uitputtend overzicht van deze rechtspraak te bieden.

6.6

In 2001 overwoog het hof Den Bosch het volgende over art. 300 lid 4 Sr: 40

“Gelet op de uitdrukkelijke bewoordingen van de wet bestaat er naar het oordeel van het hof geen reden -ook in de wetsgeschiedenis is, mede gelet op het voortgeschreden medisch inzicht, geen indicatie te vinden die een andere uitkomst zou rechtvaardigen- om het veroorzaken van een psychische ongesteldheid niet als een benadeling van de gezondheid te kwalificeren”.

6.7

Het hof Den Bosch achtte psychische mishandeling dus strafbaar op grond van art. 300 Sr aangezien dit zou vallen onder “opzettelijke benadeling van de gezondheid” in de zin van art. 300 lid 4 Sr. De argumentatie van het hof houdt in dat de bewoordingen van de wet en de wetsgeschiedenis geen indicatie bevatten dat psychische mishandeling niet onder benadeling van de gezondheid zou kunnen worden geschaard. Naast dit argument wijst het hof op “voortgeschreden medisch inzicht”.

6.8

De opvatting dat psychische mishandeling onder het opzettelijk benadelen van de gezondheid valt komt regelmatig terug in feitenrechtspraak van latere datum. 41 De volgende vooropstelling van het hof Den Haag in zijn arresten van 31 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1539 en 1540, lijkt in veel van die zaken als basis te hebben gediend: 42

“De vraag die het hof moet beantwoorden is of psychische mishandeling kan worden aangemerkt als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr. Het hof is van oordeel dat de bewoordingen van genoemd artikel dat niet uitsluiten.

Hoewel in de wetsgeschiedenis van artikel 300 Sr niet wordt gesproken over de geestelijke gezondheid, kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgesloten dat de wetgever ook dit belang beoogt te beschermen. In ieder geval biedt de in het vierde lid van artikel 300 Sr genoemde gelijkstelling van mishandeling met benadeling van de gezondheid aanknopingspunten voor strafbaarheid van niet alleen het veroorzaken van lichamelijke pijn, letsel of onlust, maar ook voor mishandelingen van psychische aard. Het hof is van oordeel dat niet iedere kleinerende of denigrerende handeling of opmerking als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr kan worden aangemerkt. Het komt aan op de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht of gemaakt.”

6.9

Net als in de onder 6.6 besproken uitspraak van het hof Den Bosch, komt ook in deze vooropstelling de redenering erop neer dat psychische mishandeling onder art. 300 Sr kan vallen, omdat de bewoordingen van de wet en de wetsgeschiedenis dit niet uitsluiten. 43 Hieraan wordt nog als argument toegevoegd dat de gelijkstelling van mishandeling met het benadelen van de gezondheid aanknopingspunten biedt voor strafbaarheid van psychische mishandeling. 44

6.10

Een andere reden om psychische mishandeling als strafbaar aan te merken op grond van art. 300 Sr is te vinden in Rb. Amsterdam 10 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5663:

“Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat niet is uitgesloten dat de benadeling van de gezondheid ook de psychische gezondheid omvat. Het psychische welbevinden is een wezenlijk onderdeel van de algemene gezondheid. Daarop een inbreuk maken, is een ernstige schending van de vrijheid en integriteit waarop elke burger in dit land recht heeft en in feite niet te onderscheiden van een schending van de fysieke integriteit van een mens door fysieke mishandeling. De politierechter gaat er daarom van uit dat ook vormen van psychisch geweld via de weg van lid 4 strafbare mishandeling kunnen opleveren.”

6.11

Verder komt in diverse uitspraken 45 als argument voor dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 1 september 2020 ter beantwoording van Kamervragen over de strafrechtelijke aanpak van psychische mishandeling als volgt heeft verwezen naar art. 300 Sr: 46

“Hoewel psychische mishandeling in het Wetboek van Strafrecht (Sr) niet expliciet is gedefinieerd, biedt de wet reeds de mogelijkheid om psychische mishandeling strafrechtelijk aan te pakken. Dit kan op basis van artikel 300 Sr, eerste en vierde lid, gericht op respectievelijk het «toebrengen van pijn of letsel» en het «opzettelijk benadelen van de gezondheid». Het Gerechtshof van Den Haag heeft dit in een arrest bevestigd.”

6.12

Voor de vraag welke gedragingen kunnen worden aangemerkt als psychische mishandeling wordt verder geregeld 47 aangesloten bij een definitie van psychische kindermishandeling van het WODC 48 (zie onder 5.5) en de definitie van kindermishandeling in de Jeugdwet en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 49 (zie onder 5.6).

6.13

Het valt op dat de strafbaarheid van psychische mishandeling in de meeste gevallen mogelijk wordt geacht op grond van het “benadelen van de gezondheid” in de zin van art. 300 lid 4 Sr 50 en niet op grond van de andere varianten van art. 300 Sr (zie hierna onder 9.9 51).

6.14

In dit verband verdient allereerst Hof Den Haag 8 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:806 aandacht. Het hof overwoog in deze uitspraak: 52

“Het hof overweegt dat onder de verbodsnorm van artikel 300 Wetboek van Strafrecht niet alleen lichamelijk letsel is begrepen maar ook psychisch letsel. Het veroorzaakt zijn van letsel, pijn of (psychische) schade voor de gezondheid vormt een voorwaarde voor strafbaarheid. Het hof is in dit opzicht voorts van oordeel dat niet iedere kleinerende of denigrerende handeling of opmerking, en niet iedere emotionele verwaarlozing, als mishandeling in de zin van artikel 300 Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt. Het komt aan op de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.”

Hoewel het hof in deze uitspraak spreekt over “psychisch letsel” meen ik dat psychische mishandeling ook in deze uitspraak wordt aangemerkt als een vorm van benadeling van de gezondheid in de zin van art. 300 lid 4 Sr en niet als een andere variant van art. 300 Sr. Daarbij is van belang dat het hof alleen bij “schade voor de gezondheid” het woord “psychische” toevoegt.

6.15

In dit kader is een aantal uitspraken opvallend. In Rb. Midden-Nederland 28 september 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4652 houdt de bewezenverklaring van art. 300 lid 1 Sr in: “waardoor die [slachtoffer] pijn en letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende geestelijke gewaarwording bij haar is veroorzaakt”. Tegelijkertijd overwoog de rechtbank dat er een grote waarschijnlijkheid bestond “dat dit de psychische gezondheid van de kinderen ernstig zou benadelen.” Rb. Overijssel 6 april 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:1242 bevat als bewezenverklaring onder meer: “waardoor voornoemde kinderen psychisch letsel hebben bekomen en waardoor opzettelijk de gezondheid van voornoemde kinderen werd benadeeld”. De rechtbank overwoog ook: “Gelet op de omvang, de aard en de duur van de gedragingen van verdachte richting [slachtoffer] in het bijzijn van de kinderen en van de gedragingen van verdachte richting de kinderen bestond er een grote waarschijnlijkheid dat dit de psychische gezondheid van de kinderen ernstig zou benadelen.” In Rb. Zeeland-West-Brabant 15 februari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:878 hield de bewezenverklaring in dat de verdachte “heeft mishandeld en/ de gezondheid heeft benadeeld […] waardoor die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] psychisch letsel hebben bekomen en een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en geestelijke gewaarwording bij hun is veroorzaakt”, maar luidde de bewijsoverweging onder meer: “Gelet op de omvang, duur en aard van de gedragingen van verdachte tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], bestond er een aanmerkelijke kans op de benadeling van hun (psychische) gezondheid.” Daarmee plaatsten deze rechtbanken de gedragingen telkens uiteindelijk alsnog in de context van art. 300 lid 4 Sr.

6.16

In Rb. Zeeland-West-Brabant 22 februari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:843 luidt de bewezenverklaring dat de verdachte het slachtoffer “heeft mishandeld en de gezondheid heeft benadeeld […] waardoor die [slachtoffer] pijn heeft bekomen en een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en geestelijke gewaarwording bij haar is veroorzaakt”. De rechtbank lijkt te suggereren dat psychisch letsel ook strafbaar is, door te overwegen: “Evenmin kan worden bewezen dat [Slachtoffer] psychisch letsel door toedoen van verdachte heeft opgelopen.” Verder overweegt de rechtbank bij de bewijsvoering: “Volgens vaste jurisprudentie geldt dat onder ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht niet alleen moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording (ECLI:NL:HR:2014:2677, ECLI:NL:GHDHA:2017:1540). Het hoeft geen betoog dat voornoemde vastgestelde handelingen van verdachte, mede gelet op het ruime tijdsbestek waarin die hebben plaatsgehad, tot een min of meer hevige onlust veroorzakende lichamelijke én geestelijke gewaarwording bij [Slachtoffer] hebben geleid” [cursiveringen PHvK]. In deze uitspraak wordt psychische mishandeling dus wel uitdrukkelijk onder de andere varianten van art. 300 Sr geschaard.

6.17

Verder noem ik Rb. Midden-Nederland 20 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6977. Daarin hield de bewezenverklaring in: “waardoor een hevig onlust veroorzakende geestelijke gewaarwording bij hem is veroorzaakt en waardoor opzettelijk de gezondheid van voornoemd kind werd benadeeld”. Daarbij overwoog de rechtbank: “Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat door het geweld van verdachte tegenover aangeefster bij [slachtoffer 4] een hevige onlust veroorzakende geestelijke gewaarwording is veroorzaakt en dat [slachtoffer 4] in zijn gezondheid is benadeeld.” Daarmee wordt psychische mishandeling mede gekwalificeerd als het veroorzaken van een hevige onlust veroorzakende gewaarwording.

6.18

In de vonnissen Rb. Midden-Nederland 8 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2376 en Rb. Noord-Holland 14 oktober 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:9068 wordt weliswaar gesproken over “psychisch letsel”, maar zijn de bewezenverklaringen wel toegesneden op het opzettelijk benadelen van de gezondheid. In Rb. Midden-Nederland 28 september 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4652 luidde de bewezenverklaring “waardoor die [slachtoffer 1] pijn en letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording bij haar is veroorzaakt”, maar blijkt uit de vooropstelling eveneens van een directe link met art. 300 lid 4 Sr.

6.19

Hoewel in sommige uitspraken wordt gesteld dat in “de feitenrechtspraak […] inmiddels [lijkt] aanvaard dat ook benadeling van de geestelijke gezondheid valt binnen het bereik van art. 300 Sr”, 53 schaart niet elk gerecht zich achter die benadering. Zo oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden in zijn recente uitspraken van 17 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8129 en 8130, r.o. 4.4 (met weglating van de voetnoten op één na): 54

“Het hof stelt voorop dat artikel 300 Sr niet slechts ziet op het zonder rechtvaardigingsgrond toebrengen van lichamelijke pijn of letsel, maar op iedere aantasting van de lichamelijke integriteit. Volgens vaste rechtspraak worden in dit verband drie categorieën onderscheiden:

- a) gedragingen die pijn of lichamelijk letsel veroorzaken;

- b) gedragingen die geen direct letsel veroorzaken, maar wel een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam teweegbrengen;

- c) gedragingen die leiden tot opzettelijke benadeling van de gezondheid.

[…]

De advocaat-generaal heeft in zijn requisitoir gesteld dat voor alle slachtoffers geldt dat steeds sprake is van mishandeling met (ook) één of meer lichamelijke componenten. Als de advocaat-generaal heeft bedoeld te betogen dat er altijd een lichamelijke component was omdat die in de totale context van de zorgboerderij telkens wel ergens aanwezig was, miskent dat betoog dat niet het samenstel van alle gedragingen van verdachten bepaalt of in individuele gevallen van mishandeling sprake is. De verdediging heeft terecht aangevoerd dat de diverse gedragingen als afzonderlijke mishandelingen zijn ten laste gelegd en dus ook als zodanig moeten worden beoordeeld. Er zal dus per geval moeten worden beoordeeld of een lichamelijke component aanwezig is.

Waar die lichamelijke component ontbreekt, kan geen sprake zijn van mishandeling. Ook niet bij mishandeling van categorie c. Dat volgt uit het gegeven dat de strafbaarstelling van mishandeling in onder meer artikel 300 Sr strekt ter bescherming van de lichamelijke integriteit.

In de tenlastelegging is categorie c uitgebreid door er benadeling van de psychische gezondheid aan toe te voegen. De rechtbank spreekt in haar vonnis van benadeling van de geestelijke gezondheid. In de rechtspraak waar de rechtbank in haar vonnis naar verwijst wordt gerept van psychische mishandeling. Ook in enige andere rechtspraak wordt overwogen dat de bewoordingen van artikel 300 Sr niet uitsluiten dat psychische mishandeling kan worden aangemerkt als mishandeling. De advocaat-generaal heeft in dit kader verwezen naar het requisitoir van de officieren van justitie. Daarin wordt betoogd dat uit vaste jurisprudentie afdoende blijkt dat de wetgever met artikel 300 Sr het belang van de geestelijke gezondheid beoogt te beschermen. Dat ligt naar het oordeel van het hof genuanceerder. De min of meer hevige onlust (b) hoeft weliswaar niet per se lichamelijk te zijn, maar de gedraging van de verdachte moet wel een lichamelijke component of uitwerking hebben om onder art. 300 Sr te kunnen vallen. Dat is naar het oordeel van het hof bij categorie c niet anders. Verder verwijst het hof nog een keer naar de eerdergenoemde conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad, die concludeert dat de louter psychische mishandeling niet onder het strafrechtelijke mishandelingsbegrip van artikel 300 Sr valt. 55 Het hof deelt die conclusie.

Voor zover met het ten laste leggen van benadeling van de psychische gezondheid is bedoeld psychische mishandeling ten laste te leggen, dus mishandeling zonder gedragingen van de verdachte met een lichamelijke component of uitwerking, kan naar het oordeel van het hof van mishandeling in de zin van artikel 300 Sr geen sprake zijn.”

6.20

Er zijn nog andere belangrijke verschillen waar te nemen tussen de uitspraken van de feitenrechters over psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr. Hoewel in de meeste uitspraken wordt vooropgesteld dat “niet iedere kleinerende of denigrerende handeling of opmerking als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr kan worden aangemerkt” en het afhangt van “de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht of gemaakt”, 56 wordt de stelselmatigheid van de gedragingen in sommige zaken als een noodzakelijke voorwaarde voor strafbaarheid gepresenteerd, 57 terwijl in andere uitspraken juist wordt benadrukt dat stelselmatigheid weliswaar een relevante factor is, “maar geen vereiste”. 58

6.21

Verder valt op dat in de feitenrechtspraak verschillend wordt gedacht over de vraag of de psychische gezondheid daadwerkelijk moet zijn benadeeld. Enerzijds is in diverse uitspraken vrijspraak gevolgd vanwege het ontbreken van bewijs dat de psychische gezondheid daadwerkelijk is benadeeld. 59 In die situaties wordt soms belang gehecht aan de aanwezigheid van een deskundigenrapport waaruit blijkt dat daadwerkelijk sprake is van benadeling van de gezondheid. 60 In andere gevallen wordt dit niet nodig geacht en wordt het ontstaan van psychische schade afgeleid uit algemene ervaringsregels. 61 Anderzijds wordt ook wel betoogd dat de mogelijkheid dat door een gedraging psychisch letsel kan ontstaan reeds voldoende is voor de kwalificatie van psychische mishandeling. 62 Dit is opvallend nu art. 300 Sr in de literatuur wordt aangeduid als materieel krenkingsdelict, waarbij het gevolg daadwerkelijk moet zijn ingetreden en de wijze waarop het gevolg is ontstaan niet is omschreven. 63

6.22

Tot slot verdient aandacht dat de feitenrechtspraak over psychische mishandeling nagenoeg altijd betrekking heeft op huiselijk geweld. Het gaat daarbij niet altijd om kinderen, maar ook wel om volwassenen, zoals de partner. 64 Buiten de context van de huiselijke kring ben ik slechts één zaak tegengekomen, te weten Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8129 en ECLI:NL:GHARL:2025:8130. In deze zaak – die overigens hiervoor al aan de orde kwam onder 6.19 en wat betreft psychische mishandeling tot een vrijspraak leidde – ging het om de mishandeling van de bewoners van een zorgboerderij. 65

6.23

Al met al blijkt uit voorgaande bespreking van de feitenrechtspraak over psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr dat in de feitenrechtspraak kwantitatief gezien weliswaar niet unaniem maar toch tamelijk algemeen is aanvaard dat psychische mishandeling (in de context van huiselijk geweld) zelfstandig strafbaar kan zijn op grond van art. 300 Sr. In de meeste uitspraken wordt dit mogelijk geacht op grond van art. 300 lid 4 Sr, in een handjevol zaken op grond van art. 300 lid 1 Sr. Kwalitatief bezien verdient opmerking dat niet al deze uitspraken wezenlijk zijn onderbouwd, terwijl in uitspraken die een uitzonderingspositie innemen daaraan een motivering ten grondslag is gelegd.

6.24

De argumenten om psychische mishandeling aan te merken als het opzettelijk benadelen van de gezondheid in de zin van art. 300 lid 4 Sr die in de feitenrechtspraak naar voren komen, houden kort gezegd in dat:

(i) de bewoordingen van de wet en de wetsgeschiedenis niet uitsluiten dat psychische mishandeling kan worden aangemerkt als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr;

(ii) de gelijkstelling van benadeling van de gezondheid in art. 300 lid 4 Sr met mishandeling aanknopingspunten biedt;

(iii) voortschrijdend medisch inzicht ertoe noopt om onder mishandeling ook psychische mishandeling te verstaan en dat het psychisch welbevinden een wezenlijk deel is van de gezondheid, dat niet te onderscheiden is van de fysieke integriteit;

(iv) in de beantwoording van Kamervragen door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor de aanpak van psychische mishandeling is verwezen naar art. 300 Sr. 66

6.25

De argumenten die in de feitenrechtspraak naar voren komen om psychische mishandeling juist niet zelfstandig aan te merken als mishandeling in de zin van art. 300 lid 4 Sr zijn kort gezegd dat:

(i) art. 300 Sr betrekking heeft op iedere aantasting van de lichamelijke integriteit, in welk verband drie categorieën worden onderscheiden waarvan psychische mishandeling geen deel van uitmaakt, zodat ingeval een lichamelijke component ontbreekt geen sprake kan zijn van mishandeling (ook niet onder de noemer van opzettelijke benadeling van de gezondheid);

(ii) het argument dat de wetgever met art. 300 Sr het belang van de geestelijke gezondheid zou beogen te beschermen niet betekent dat psychische mishandeling zelfstandig strafbaar is onder deze strafbepaling;

(iii) in conclusie ECLI:NL:PHR:2025:318 (voor HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:774, NJ 2025/166) door de advocaat-generaal bij de Hoge Raad (A-G Harteveld) is geconcludeerd dat de louter psychische mishandeling niet valt onder het strafrechtelijke mishandelingsbegrip van art. 300 Sr. 67

6.26

In onder meer de slotbeschouwing onder 10 kom ik tot een meer inhoudelijke beoordeling en waar mogelijk aanvulling van deze en andere argumenten. Wel stel ik hier al vast dat de aangevoerde argumenten veel onduidelijkheid laten nu de wetsgeschiedenis wordt gebruikt om tot tegengestelde conclusies te komen. Bovendien zijn de argumenten niet nader onderbouwd en is het gewicht ervan niet nader geduid, terwijl van een toetsing aan bijvoorbeeld het legaliteitsbeginsel niet uitdrukkelijk sprake is.

6.27

Daarbij komt dat er zelfs ook belangrijke verschillen bestaan tussen uitspraken van feitenrechters die aannemen dat psychische mishandeling wel zelfstandig strafbaar kan zijn op grond van art. 300 Sr. Zo wordt verschillend geoordeeld over de vraag of stelselmatigheid al dan niet een noodzakelijk voorwaarde voor strafbaarheid is. Van verschillende uitgangspunten blijkt verder wat betreft de vraag of de psychische gezondheid door het handelen van de verdachte daadwerkelijk moet zijn benadeeld dan wel dat de mogelijkheid daartoe reeds voldoende is, evenals of die schade wel of niet door een deskundige moet zijn vastgesteld.

6.28

Uit het voorgaande blijkt dat de feitenrechtspraak nogal verschillende benaderingen kent bij de beantwoording van de vraag of en zo ja onder welke voorwaarden psychische mishandeling zelfstandig strafbaar kan zijn op grond van art. 300 Sr. Met het oog op onder meer rechtsgelijkheid, rechtseenheid, legaliteit en legitimiteit is het dan ook van belang dat er duidelijkheid komt over psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr.

Voornemen tot wetsvoorstel

6.29

Tijdens het commissiedebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwen op 16 oktober 2024 heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid toegezegd een wetsvoorstel in te dienen dat strekt tot afzonderlijke strafbaarstelling van psychisch geweld. 68 Een contourenbeschrijving ten behoeve van dit wetsvoorstel is op 10 juli 2025 naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarin ligt de nadruk op “dwingende controle”. 69 De contourenbeschrijving houdt onder meer in (met weglating van een voetnoot): 70

Uitkomsten verkennende gesprekken

Zoals in de brief van 1 april 2025 beschreven heeft het ministerie van Justitie en Veiligheid in de afgelopen periode gesprekken gevoerd met betrokken organisaties en experts. Uit deze verkennende gesprekken is het volgende beeld naar voren gekomen. Bepaalde vormen van psychisch geweld zijn op dit moment al strafbaar, bijvoorbeeld als dwang (artikel 284 Sr), bedreiging (artikel 285 Sr), belaging (artikel 285b Sr) of mishandeling (artikel 300 Sr). Er wordt vooral een leemte ervaren als het gaat om het stelselmatige of patroonmatige handelen dat wordt aangeduid als ‘dwingende controle’. Dit is een patroon van gedragingen, al dan niet escalerend in mate en ernst, waarbij iemand een ander inperkt in diens zelfbeschikkingsrecht, door die ander op stelselmatige basis dominerend, bedreigend of controlerend te bejegenen. Van dit patroon kunnen de volgende gedragingen onderdeel uitmaken:

- het stelselmatig onthouden aan de ander van levensbehoeften (bijvoorbeeld eten, slaap, medicatie) of van de toegang tot middelen (bijvoorbeeld telefoon, financiële middelen, rijbewijs),

- het beperken van de bewegingsvrijheid van de ander (bijvoorbeeld opsluiten in huis, verbieden om (alleen) naar bepaalde plekken te gaan),

- het beperken of controleren van (al dan niet online) sociale interacties van de ander met derden of het voortdurend in de gaten houden van de ander door middel van (al dan niet digitale) monitoring en surveillance,

- het kleineren of vernederen, het intimideren of het manipuleren van de ander, in welk verband ook het fenomeen ‘gaslighting’ (het verdraaien van de waarheid om iemand aan zichzelf te laten twijfelen) wordt genoemd.

[…] In de tot nu toe gevoerde gesprekken wordt dwingende controle vooral geplaatst in de context van de privésfeer en (verbroken) intieme relaties. Veelal gaat het daarbij om (ex-)partnerrelaties of (pleeg)ouder-kindrelaties. Het is met name in deze context dat door de betrokken organisaties en andere experts de oproep wordt gedaan om over te gaan tot strafbaarstelling van het patroonmatige geweld dat kenmerkend is voor het proces van dwingende controle.

Contouren wetsvoorstel

De staatssecretaris Rechtsbescherming constateert op basis van deze verkenning dat er vooral behoefte aan is om het hiervoor beschreven patroonmatige handelen onder het bereik van de strafwet te brengen, om het in de praktijk ervaren gat in het huidige strafrechtelijk kader te dichten. Daarom zal het wetsvoorstel, ook om dit zo effectief mogelijk te maken, zich hierop richten. Bij het formuleren van de strafbaarstelling zal de hiervoor genoemde, in de gevoerde en nog te voeren gesprekken naar voren gebrachte inbreng een belangrijke leidraad zijn. Bij de vormgeving zal verder rekening worden gehouden met internationale en Europese verdragen die (mede) betrekking hebben op of relevant zijn in het kader van psychisch geweld. In het bijzonder gaat het daarbij om het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

[…]

Omdat dwingende controle tot gevolg kan hebben dat het slachtoffer in voortdurende angst leeft voor degene die dwingende controle uitoefent, vervreemd raakt van diens eigen oorspronkelijke normen en waarden, zichzelf schaamt of de schuld bij zichzelf legt, zal er geen klachtvereiste worden gekoppeld aan de beoogde strafbepaling. Dit betekent dat de mogelijkheid om een strafvervolging in te stellen niet afhankelijk zal zijn van de wens daartoe van het slachtoffer.

[…]

Het wetsvoorstel zal naar verwachting voor de zomer van 2026 in (internet)consultatie gaan.”

6.30

Uit een brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 2 oktober 2025 blijkt dat de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid op 11 september 2025 nadere vragen heeft gesteld over de beschrijving van de contouren van dit wetsvoorstel en dat een van deze vragen inhoudt of ook zal worden ingezet op verduidelijking van art. 300 lid 4 Sr. 71 Dit wordt niet met zoveel worden bevestigd door de staatssecretaris. Uit het verslag van een notaoverleg van 22 september 2025 van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid wordt meer duidelijk. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zei daar het volgende:

“In Nederland hebben er nog heel weinig vervolgingen en veroordelingen plaatsgevonden in zaken waarin er een verdenking bestond van alleen psychisch geweld met een volwassen slachtoffer. Dat is ook de reden waarom ik nu hard werk aan de verbetering van de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld, onder meer door middel van een afzonderlijke strafbaarstelling. Daarin wordt expliciet gekeken naar psychisch geweld tegen minderjarige en volwassen slachtoffers.” 72

6.31

In het Coalitieakkoord 2026-2030 is het voornemen om een aparte strafbaarstelling voor psychisch geweld in te voeren overgenomen. 73

6.32

Het kabinet zag dit nog anders in 2022. De Minister voor Rechtsbescherming gaf toen te kennen dat zou worden ingezet op versterking van de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld binnen de mogelijkheden die het Wetboek van Strafrecht al biedt, waarbij hij opmerkte dat het kabinet de meerwaarde van een aparte strafbaarstelling van psychisch geweld betwijfelt “[g]ezien de reeds bestaande wettelijke mogelijkheden voor de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld, ook voor situaties waarin dit niet gepaard gaat met fysiek geweld”. Hij wees er in dat kader op dat art. 284, 285, 285b en 300 Sr “(ten dele) rechtsgronden voor vervolging bij ernstig psychisch geweld” bieden. 74 Ten aanzien van het misdrijf mishandeling (art. 300 Sr) merkte hij nog op dat dit misdrijf aanknopingspunten biedt voor vervolging van psychisch geweld:

“Met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid. In de lagere rechtspraak zijn verschillende voorbeelden terug te vinden van gevallen waarin is geoordeeld dat het hierbij naast de fysieke gezondheid ook om de psychische gezondheid kan gaan (voornamelijk met betrekking tot mishandeling van kinderen). Zoals de onderzoekers constateren zou een uitspraak van de Hoge Raad kunnen bijdragen aan juridische duidelijkheid op dit punt, ook ten aanzien van volwassenen.” 75

6.33

Verder schreef de Minister voor Rechtsbescherming in een brief van 20 maart 2023 (met weglating van voetnoten):

“Gevallen van psychisch geweld kunnen ook gekwalificeerd worden als mishandeling (artikel 300 Sr). Hoewel dit artikel van oudsher betrekking heeft op handelingen die een inbreuk maken op lichamelijke integriteit van het slachtoffer zijn er in de lagere rechtspraak ook uitspraken gedaan die een inbreuk op de psychische integriteit van het slachtoffer als mishandeling aanmerken. In deze uitspraken wordt psychische mishandeling beschouwd als het opzettelijk benadelen van de gezondheid van een ander, dat in het vierde lid van art. 300 Sr expliciet gelijkgesteld is aan mishandeling. Het artikel stelt daarmee een duidelijke strafrechtelijke norm die mede strekt tot bescherming tegen psychisch geweld. Ook in de literatuur wordt betoogd dat het misdrijf mishandeling zich uitstrekt tot de bescherming van de psychische gezondheid van slachtoffers. Ernstige aantastingen van de geestelijke integriteit van een slachtoffer kunnen dus worden beschouwd als een «opzettelijke benadeling van de gezondheid» van het slachtoffer en daardoor strafbaar zijn op grond van artikel 300 Sr.

[…]

Gelet op het voorgaande concludeer ik dat een afzonderlijke strafbaarstelling van psychisch geweld op het punt van aanvullende strafbaarheid geen wezenlijke meerwaarde ten opzichte van de bestaande strafbaarstellingen zal hebben. Wel zou zo’n afzonderlijke strafbaarstelling kunnen leiden tot allerlei afbakeningsvragen. Niet uitgesloten is dat daardoor de hierboven besproken algemene en ruim opgezette strafbepalingen restrictiever dan nu toepassing zullen vinden. Dat potentieel negatieve effect weegt voor het kabinet zwaar, te meer omdat in de rechtspraktijk gevallen van psychische mishandeling steeds vaker succesvol worden vervolgd en in toenemende mate als een vorm van strafbare mishandeling (artikel 300 Sr) worden gekwalificeerd. De introductie van een afzonderlijke strafbaarstelling zou tot gevolg kunnen hebben dat deze toe te juichen rechtsontwikkeling zal worden verstoord of in elk geval ongewild tot onduidelijkheden zal leiden. Die prijs is de enkele signaalwerking van een aparte strafbaarstelling naar de mening van het kabinet niet waard.” 76

6.34

Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een gewijzigd inzicht van het kabinet over de noodzaak om een zelfstandige strafbaarstelling van psychisch geweld – in elk geval in de zin van dwingende controle – op te nemen in het Wetboek van Strafrecht, in die zin dat thans het voornemen bestaat zodanige strafbaarstelling te introduceren. Volgens de met het oog daarop verschenen contourenbeschrijving (zie onder 6.29) zijn “bepaalde vormen van psychisch geweld” op dit moment al strafbaar als onder meer mishandeling (art. 300 Sr), maar wordt “een leemte ervaren als het gaat om het stelselmatige of patroonmatige handelen dat wordt aangeduid als ‘dwingende controle’.” Ook gelet op de gedragingen die van dit patroon onderdeel zouden kunnen uitmaken – waaronder onthouding van levensbehoeften of van de toegang tot middelen, beperking van de bewegingsvrijheid, beperking of controle van sociale interacties en kleinering, vernedering, intimidatie, manipulatie of “gaslighting” – is niet duidelijk welke gedragingen dan thans al wel strafbaar zouden zijn als psychische mishandeling onder art. 300 Sr. Over de precieze inhoud van het wetsvoorstel zal naar verwachting meer duidelijk worden in de loop van 2026. Vooralsnog staat niet vast of met het wetsvoorstel wordt gekozen voor een nieuwe strafbepaling die alle vormen van psychische mishandeling omvat die volgens de wetgever strafwaardig zijn. Ook in zoverre blijft van belang dat er meer helderheid over komt of psychische mishandeling onder omstandigheden zelfstandig strafbaar is op grond van art. 300 Sr. Andersom kan voor de beantwoording van die vraag door de rechter ook relevant zijn dat de wetgever het onderwerp aan zich heeft getrokken.

7. Internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke verplichtingen tot strafbaarstelling van psychische mishandeling

7.1

Uit drie internationaalrechtelijke verdragen en een EU-Richtlijn vloeit voort dat de partij- of lidstaten bij deze instrumenten zorg dienen te dragen voor het psychisch welzijn van hun burgers, in het bijzonder vrouwen en kinderen. Het betreft het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK), 77 het Verdrag van Istanboel, 78 Een aantal van deze instrumenten verplicht partij- of lidstaten ((vormen van) psychisch) geweld strafbaar te stellen. Ik bespreek de uit deze verdragen en Richtlijn voortvloeiende verplichtingen achtereenvolgens, in het bijzonder in hoeverre inzet van het strafrecht (telkens) is vereist en wat die inzet dan moet inhouden.

7.2

Daarbij merk ik op dat het bestaan van deze verplichtingen op zichzelf niet de vraag beantwoordt of het aan de wetgever, de rechter of beide is of kan zijn om de vereiste mogelijkheden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid voor psychische mishandeling binnen het bereik van de strafwet te brengen. Niettemin geldt dat wanneer daartoe wordt overgegaan, internationale verplichtingen tot strafbaarstelling van psychisch geweld in het oog zullen moeten worden gehouden, dus ook wanneer door rechterlijke interpretatie in de strafbaarheid daarvan wordt voorzien.

Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)

7.3

Deel I van het Verdrag inzake de rechten van het kind van de Verenigde Naties bevat algemene bepalingen en artikelen over de rechten van het kind, waaronder het recht op bescherming, opvoeding, gezondheid, onderwijs en participatie. Art. 19 IVRK luidt:

“1. De Staten die partij zijn, nemen alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied om het kind te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van sexueel misbruik, terwijl het kind onder de hoede is van de ouder(s), wettige voogd(en) of iemand anders die de zorg voor het kind heeft.

2. Deze maatregelen ter bescherming dienen, indien van toepassing, doeltreffende procedures te omvatten voor de invoering van sociale programma's om te voorzien in de nodige ondersteuning van het kind en van degenen die de zorg voor het kind hebben, alsmede procedures voor andere vormen van voorkoming van en voor opsporing, melding, verwijzing, onderzoek, behandeling en follow-up van gevallen van kindermishandeling zoals hierboven beschreven, en, indien van toepassing, voor inschakeling van rechterlijke instanties.”

7.4

Het VN Comité voor de Rechten van het Kind is toezichthouder op het Verdrag. 79 Daartoe interpreteert het Comité bepalingen van het Verdrag in ‘General Comments’. In ‘General Comment No. 13 (2011) The Right of the Child to freedom from all forms of violence’ definieert het VN Comité geweld als volgt (met weglating van een voetnoot): 80

“4. Definition of violence. For the purposes of the present general comment, “violence” is understood to mean “all forms of physical or mental violence, injury or abuse, neglect or negligent treatment, maltreatment or exploitation, including sexual abuse” as listed in article 19, paragraph 1, of the Convention. The term violence has been chosen here to represent all forms of harm to children as listed in article 19, paragraph 1, in conformity with the terminology used in the 2006 United Nations study on violence against children, although the other terms used to describe types of harm (injury, abuse, neglect or negligent treatment, maltreatment and exploitation) carry equal weight. In common parlance the term violence is often understood to mean only physical harm and/or intentional harm. However, the Committee emphasizes most strongly that the choice of the term violence in the present general comment must not be interpreted in any way to minimize the impact of, and need to address, non-physical and/or non-intentional forms of harm (such as, inter alia, neglect and psychological maltreatment).”

7.5

In het commentaar op art. 19 IVRK geeft het Comité vervolgens een niet-uitputtende lijst van vormen van geweld (met weglating van voetnoten): 81

“20. Neglect or negligent treatment. Neglect means the failure to meet children’s physical and psychological needs, protect them from danger, or obtain medical, birth registration or other services when those responsible for children’s care have the means, knowledge and access to services to do so. It includes:

(a) Physical neglect: failure to protect a child from harm,6 including through lack of supervision, or failure to provide the child with basic necessities including adequate food, shelter, clothing and basic medical care;

(b) Psychological or emotional neglect: including lack of any emotional support and love, chronic inattention to the child, caregivers being “psychologically unavailable” by overlooking young children’s cues and signals, and exposure to intimate partner violence, drug or alcohol abuse;

(c) Neglect of children’s physical or mental health: withholding essential medical care;

(d) Educational neglect: failure to comply with laws requiring caregivers to secure their children’s education through attendance at school or otherwise; and

(e) Abandonment: a practice which is of great concern and which can disproportionately affect, inter alia, children out of wedlock and children with disabilities in some societies.

21. Mental violence. “Mental violence”, as referred to in the Convention, is often described as psychological maltreatment, mental abuse, verbal abuse and emotional abuse or neglect and this can include:

(a) All forms of persistent harmful interactions with the child, for example, conveying to children that they are worthless, unloved, unwanted, endangered or only of value in meeting another’s needs;

(b) Scaring, terrorizing and threatening; exploiting and corrupting; spurning and rejecting; isolating, ignoring and favouritism;

(c) Denying emotional responsiveness; neglecting mental health, medical and educational needs;

(d) Insults, name-calling, humiliation, belittling, ridiculing and hurting a child’s feelings;

(e) Exposure to domestic violence;

(f) Placement in solitary confinement, isolation or humiliating or degrading conditions of detention; and

(g) Psychological bullying and hazing by adults or other children, including via information and communication technologies (ICTs) such as mobile phones and the Internet (known as “cyberbullying”).

22. Physical violence. […]

23. Children with disabilities may be subject to particular forms of physical violence […]

24. Corporal punishment. […]

25. Sexual abuse and exploitation. […]

26. Torture and inhuman or degrading treatment or punishment. […]

27. Violence among children. […]

28. Self-harm. […]

29. Harmful practices. […]

30. Violence in the mass media. […]

31. Violence through information and communications technologies. […]

32. Institutional and system violations of child rights. […]”

7.6

Duidelijk is dat staten kinderen dienen te beschermen tegen “geestelijke” vormen van geweld. Onder die noemer vallen ook de onder 1 ten laste gelegde gedragingen in de onderhavige zaak. De verplichting om kinderen te beschermen tegen geestelijk geweld houdt evenwel niet in dat dergelijk geweld strafbaar moet worden gesteld. Over de inschakeling van rechterlijke instanties, als bedoeld in art. 19 lid 2 IVRK, merkt het Comité op dat “Judicial involvement may consist of the following: […] (c) Criminal law procedures, which must be strictly applied in order to abolish the widespread practice of de jure or de facto impunity, in particular of State actors”. 82 Gelet op het gebruik van het woord “may” verplicht het Verdrag daartoe niet. Dit blijkt ook uit de mede op het IVRK gebaseerde “Model Strategies”, die onder meer inhouden dat niet noodzakelijk criminalisering van “all forms of violence” is vereist. Daarbij wordt opgemerkt dat “some forms of neglect or improper disciplinary practices in the home included in the broad definition of violence may call for other forms of interventions than criminalization.” 83In de “Model Strategies” is psychische mishandeling ook niet uitdrukkelijk opgenomen in de lijst van gedragingen die wel strafbaar moeten zijn gesteld. 84

Verdrag van Istanboel

7.7

Een van de doelstellingen van het Verdrag van Istanboel van de Raad van Europa is vrouwen te beschermen tegen alle vormen van geweld en geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te voorkomen, te vervolgen en uit te bannen. 85 De partijstaten zelf zijn onder het Verdrag verplicht om zich te onthouden van elke betrokkenheid bij daden van geweld tegen vrouwen. 86 Art. 5 van het Verdrag verplicht de staten daarnaast tot het nemen van “de nodige wetgevende en andere maatregelen teneinde de vereiste zorgvuldigheid in acht te nemen bij het voorkomen, onderzoeken, bestraffen en bewerkstelligen van herstel na daden van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit verdrag en worden gepleegd door actoren die niet behoren tot het staatsapparaat”. 87Onder die groep actoren vallen dus ook derden. 88 Uit het explanatory report bij het Verdrag blijkt dat de “due diligence”-verplichting in art. 5 een inspanningsverplichting is: “Parties are required to organise their response to all forms of violence covered by the scope of this Convention in a way that allows relevant authorities to diligently prevent, investigate, punish and provide reparation for such acts of violence. Failure to do so incurs state responsibility for an act otherwise solely attributed to a non-state actor.” 89

7.8

Het Verdrag is van toepassing op alle vormen van geweld tegen vrouwen, met inbegrip van huiselijk geweld, dat vrouwen buitenproportioneel treft. 90 Het Verdrag verstaat onder “geweld tegen vrouwen” alle vormen van gendergerelateerd geweld die leiden of waarschijnlijk zullen leiden tot fysiek, seksueel of psychologisch letsel of leed of economische schade voor vrouwen, met inbegrip van bedreiging met dit soort geweld, dwang of willekeurige vrijheidsberoving, ongeacht of dit in het openbaar of in de privésfeer geschiedt” (cursivering PHvK). 91 Onder “huiselijk geweld” wordt verstaan “alle vormen van fysiek, seksueel, psychologisch of economisch geweld dat plaatsvindt binnen het gezin of het huishouden of tussen voormalige of huidige echtgenoten of partners, ongeacht of de dader in dezelfde woning als het slachtoffer verblijft of heeft verbleven” (cursivering PHvK). 92 Huiselijk geweld is in het Verdrag niet beperkt tot alleen geweld tegen vrouwen, het omvat ook (ander) geweld binnen het gezin of huishouden. Het kan dus ook gaan om geweld tegen mannen of kinderen. 93 Huiselijk geweld omvat hoofdzakelijk twee soorten geweld: geweld tussen huidige of voormalige echtgenoten of partners en intergenerationeel geweld dat doorgaans voorkomt tussen ouders en kinderen. 94

7.9

Art. 33 Verdrag van Istanboel heeft uitdrukkelijk betrekking op psychisch geweld. De bepaling luidt:

“De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat opzettelijke gedragingen tot het door middel van dwang of bedreiging ernstig beschadigen van de geestelijke integriteit van een ander, strafbaar worden gesteld.”

Het artikel verplicht partijstaten dus om ervoor te zorgen dat opzettelijke gedragingen tot het door middel van dwang of bedreiging ernstig beschadigen van de geestelijke integriteit van een ander strafbaar zijn. Uit het explanatory report bij het Verdrag blijkt dat de “[t]he drafters agreed to criminally sanction any intentional conduct that seriously impairs another person’s psychological integrity through coercion or threats”. 95De verplichting tot strafbaarstelling in art. 33 heeft dus enkel betrekking opzettelijk handelen. De interpretatie van “opzettelijk” wordt overgelaten aan het nationale recht. Uit de toelichting op het Verdrag blijkt voorts dat de opzettelijke gedraging slechts strafbaar moet worden gesteld indien de psychologische integriteit van een persoon ernstig wordt beschadigd. Een definitie van ernstige beschadiging wordt niet gegeven, wel is duidelijk dat “[u]se must be made of coercion or threats for behaviour to come under this provision”. 96 Psychisch geweld is niet beperkt tot de huishoudelijke setting, maar kan ook plaatsvinden in een andere context, zoals op werk of op school. 97

7.10

Uit de toelichting blijkt ook dat art. 33 betrekking heeft op een “course of conduct rather than a single event. It is intended to capture the criminal nature of an abusive pattern of behaviour occurring over time – within or outside the family”. 98Met andere woorden, art. 33 van het Verdrag beoogt niet incidenten maar patronen van psychisch geweld strafbaar te stellen. De verplichting tot strafbaarstelling betreffende psychisch geweld geldt dus – kort gezegd – alleen voor zover sprake is van een patroon van opzettelijk gepleegde gedragingen waarbij het gaat om dwang of bedreiging en die tot een ernstige beschadiging van de psychische integriteit leiden. Verderop onder 7.14 en 7.17 komt de vraag aan de orde of alleen dwingende of bedreigende gedragingen die dit gevolg zelfstandig kunnen veroorzaken van betekenis mogen zijn of dat het slechts erom gaat dat dergelijke gedragingen bij elkaar genomen dit gevolg hebben.

7.11

Art. 33 vereist ondertussen niet dat de ernstige beschadiging van de geestelijke integriteit gepaard moet gaan met fysieke mishandeling of moet uitmonden in fysieke gevolgen en ook uit de toelichting blijkt niet van dergelijke beperkingen. Integendeel: de door deze bepaling vereiste dwang of bedreiging impliceren juist dat het in de kern gaat om niet-fysieke mishandeling en gevolgen. De tekst van art. 33 en de toelichting daarop impliceren mijns inziens dan ook dat deze bepaling staten er – kort gezegd – toe dwingt te garanderen dat psychische mishandeling zelfstandig strafbaar is wanneer deze gepaard gaat met dwang of bedreiging.

7.12

Op grond van art. 78 lid 3 van het Verdrag kunnen partijstaten een voorbehoud maken bij art. 33 opdat kan worden volstaan met niet-strafrechtelijke sancties in plaats van strafrechtelijke sancties. Uit de toelichting op art. 33 van het Verdrag blijkt niettemin dat het de bedoeling van de opstellers van het Verdrag was “to preserve the principle of criminalisation of psychological violence in the Convention, while allowing flexibility where the legal system of a Party provides only for non-criminal sanctions in relation to these behaviours”. Hoe dan ook zullen sancties “effective, proportionate and dissuasive” moeten zijn, ongeacht of een staat kiest voor een strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke benadering. 99

7.13

Het Verdrag van Istanboel is op 1 maart 2016 in Nederland in werking getreden. 100 Nederland heeft geen voorbehoud gemaakt als bedoeld in art. 78 lid 3 Verdrag. In de memorie van toelichting bij de goedkeuringswet van het Verdrag komt naar voren dat de gedragingen in art. 33 Verdrag in Nederland onder art. 284 Sr (dwang) en art. 285 Sr (bedreiging) strafbaar zijn gesteld. Daarbij wordt het volgende opgemerkt: “dat dergelijke gedragingen kunnen leiden tot een ernstige beschadiging van de geestelijke integriteit van een ander vormt in het Nederlands recht veeleer (mede) de ratio achter deze strafbaarstellingen”. 101 De reden dat de Nederlandse wetgever heeft gemeend dat reeds met art. 284 en art. 285 Sr aan art. 33 van het Verdrag is voldaan, is er volgens Janssen, Dreissen en Juncker waarschijnlijk in gelegen dat in de toelichting op het Verdrag is vermeld dat “[u]se must be made of coercion or threats for behaviour to come under this provision”. 102

7.14

De Group of Experts on Action against Violence against Women (hierna: GREVIO), de onafhankelijke expertgroep van de Raad van Europa die toezicht houdt op de naleving van het Verdrag van Istanboel, publiceerde in 2020 een Baseline Evaluation Report over de naleving van het Verdrag door Nederland. In dit rapport moedigt GREVIO de Nederlandse autoriteiten ten zeerste aan om psychisch geweld effectief te onderzoeken, te vervolgen en effectief te bestraffen. 103 In het bijzonder merkt GREVIO op dat de delictsomschrijvingen van art. 284 en 285 Sr een wel zeer hoge drempel opwerpen om het gedrag als crimineel te kunnen aanmerken en verder dat deze misdrijven in de praktijk weinig worden toegepast: “It does not encompass a course of conduct which might consist of several incidents of conduct of a lower intensity, which often form part of the pattern of abuse in domestic violence situations and which is what Article 33 of the Istanbul Convention seeks to define”. 104GREVIO maakt zich zorgen dat de definities van de misdrijven “dwang” en “bedreiging” niet voldoen aan de norm zoals gesteld door het Verdrag “in that it requires a victim to be compelled to act or not to act and it may fail to address or target psychological violence employed against a victim in the early stages of the cycle of violence or abuse, or throughout, in order to control the victim. Women who are isolated, controlled, intimidated and threatened by their partners day after day would be more likely to report this behaviour if they knew that what they were experiencing was a crime. Without a criminal offence that adequately covers this type of conduct, law-enforcement agencies are ill-equipped to respond”. 105

7.15

Eveneens in het rapport van 2020 verwelkomt GREVIO daarentegen “the recent development where, in the context of child abuse, the Court of Appeal decided that belittling or humiliating comments can constitute assault within the meaning of Section 300 of the Criminal Code. This constitutes a first step, but it will remain to be seen whether this interpretation will be applied in adult cases of domestic violence”. 106De uitspraak waar GREVIO naar verwijst is Hof Den Haag 31 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1539 (besproken onder 6.8). Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat GREVIO ervan uitgaat dat art. 300 Sr geschikt is om uitvoering te geven aan de uit art. 33 Verdrag voortvloeiende verplichtingen, maar helemaal gerust is men er kennelijk niet op gezien het belang dat men hecht aan de onder 7.14 genoemde kritiek en gelet op het navolgende.

7.16

In oktober 2025 publiceerde GREVIO wederom een evaluation report over Nederland. 107 De kritiek die vijf jaar eerder werd geuit in het onder 7.14 en 7.15 besproken rapport keert daarin terug:

“As regards psychological violence, GREVIO had noted in its baseline evaluation that although it may come within the remit of existing criminal law provisions such as coercion (section 284 of the Criminal Code) and threat (section 285), this was rarely prosecuted as such in practice. GREVIO regrets that this situation persists, with very few cases of psychological violence reaching the courts, according to indications made by experts in the field. Indeed, the relevant offences in the Criminal Code do not encompass a course of conduct that might consist of several incidents of a lower intensity but that often form part of the pattern of psychological abuse in domestic violence situations, which is what Article 33 of the Istanbul Convention seeks to capture. GREVIO thus notes with interest that a draft bill on criminalising psychological violence has recently been presented to the Dutch Parliament. 108 A specific criminal provision would likely lead to greater legal clarity and coherence, as it would allow law enforcement and the courts to effectively investigate, prosecute and sanction psychological violence, including coercive control, and would contribute to the understanding among professionals and victims of this form of violence. Any change in the criminal law would need to be accompanied by awareness-raising campaigns and a public debate on psychological violence, including coercive control, as had been done with the new Act on Sexual Violence”. 109

7.17

In de literatuur 110 worden kanttekeningen geplaatst bij GREVIO’s lezing van art. 33 Verdrag van Istanboel, in het bijzonder dat het patroon van geweld kan bestaan uit “several incidents of conduct of a lower intensity”. 111 Hiermee lijkt elke gedraging die “een negatieve psychische invloed kan hebben” onder de reikwijdte van art. 33 te kunnen vallen. 112 Deze interpretatie van art. 33 is evenwel niet vanzelfsprekend nu deze bepaling impliceert dat gedragingen dwang of bedreiging moeten behelzen. GREVIO’s ruime lezing volgt niet uit de tekst van art. 33 of de toelichting op deze bepaling en wordt door GREVIO in de evaluatierapporten niet met argumenten gestaafd. Hedlund en Lindenberg zijn van mening dat om die reden lastig te duiden is “wat nu precies van verdragsstaten wordt verwacht om aan de onderhavige verdragsverplichting te voldoen”. 113Janssen, Dreissen en Juncker trekken een verdergaande conclusie wanneer zij schrijven dat het zeer de vraag is of de strafbaarstelling van psychisch geweld in art. 33 Verdrag verder moet gaan dan hetgeen thans reeds strafbaar is op grond van art. 284 Sr en art. 285 Sr: “Art. 33 heeft alleen betrekking op opzettelijke beschadiging van de geestelijke integriteit en is beperkt tot die vormen (dwang en bedreiging) die als een ernstige beschadiging kunnen worden gekwalificeerd”. 114 Zelf kom ik gezien de tekst van art. 33 Verdrag van Istanboel en gelet op het explanatory report bij het Verdrag (zie onder 7.9) tot een iets andere conclusie: de mogelijkheid tot strafrechtelijke aansprakelijkheid is vereist voor gedragingen waarbij sprake is van dwang of bedreiging, maar die gedragingen hoeven daarbij niet ook zelfstandig de geestelijke integriteit van een ander ernstig te beschadigen, mits zij zodanig gevolg maar wel tenminste in combinatie met elkaar hebben.

EVRM

7.18

Uit het eveneens door de Raad van Europa tot stand gebrachte EVRM worden positieve verplichtingen afgeleid tot strafbaarstelling van “psychisch geweld”. De rechtspraak van het EHRM dienaangaande heeft betrekking op het folterverbod (art. 3 EVRM) en het recht op privéleven (art. 8 EVRM) . In het bijzonder van belang zijn de uitspraken Volodina tegen Rusland (art. 3 EVRM) , Tunikova tegen Rusland (art. 3 EVRM) , B.A. tegen IJsland (art. 3 en 8 EVRM) en Volodina tegen Rusland (No. 2) (art. 8 EVRM) . Deze uitspraken staan in het navolgende achtereenvolgens centraal, maar ter verdieping wordt daarbij soms ook andere jurisprudentie betrokken. 115 Ik sluit dit deel over het EVRM af met een conclusie.

Volodina tegen Rusland en andere rechtspraak

7.19

In de zaak Volodina draait het om de klacht dat de Russische autoriteiten niet hun plicht zijn nagekomen om het huiselijk geweld dat zij had ondergaan door toedoen van haar ex-partner, te voorkomen, te onderzoeken en te vervolgen. 116 Dit levert volgens de klaagster een schending op van art. 3 EVRM. Het zou in het bijzonder gaan om mishandeling ten gevolge waarvan zij een abortus moest ondergaan, ontvoering, dwang, bedreiging met de dood, vernieling, sabotage van de remmen van haar auto, het plaatsen van een peilbaken in haar tas en het zonder toestemming verspreiden van intieme foto’s van haar. 117 Omdat het merendeel van de gedragingen naar Russisch recht geen strafbaar feit opleverden, stelden de autoriteiten geen strafrechtelijk onderzoek in. Zo zouden de bedreigingen aan het adres van klaagster “neither real nor specific” zijn. 118

7.20

Het EHRM oordeelt ten eerste dat klaagster is onderworpen aan een behandeling die in strijd is met art. 3 EVRM. Het EHRM overweegt daartoe onder meer dat “Even in the absence of actual bodily harm or intense physical or mental suffering, treatment which humiliates or debases an individual, showing a lack of respect for or diminishing his or her human dignity, or which arouses feelings of fear, anguish or inferiority capable of breaking an individual’s moral and physical resistance, may be characterised as degrading and also fall within the prohibition set forth in Article 3”. 119Het EHRM erkent hiermee dat huiselijk geweld, ook indien het geen “actual bodily harm or intense physical or mental suffering” tot gevolg heeft, kan gelden als behandeling die “a minimum level of severity” behelst en daarom in strijd is met art. 3 EVRM.

7.21

Het EHRM oordeelt dat ook het niet-fysieke geweld van de ex-partner op zichzelf kan worden gekwalificeerd als onmenselijke behandeling in de zin van art. 3 EVRM, gezien de “feelings of fear, anxiety and powerlessness that the applicant must have experienced in connection with his controlling and coercive behaviour”. 120 Vervolgens beoordeelt het EHRM of de Russische autoriteiten hun positieve verplichtingen uit hoofde van art. 1 jo. art. 3 EVRM zijn nagekomen om ervoor te zorgen dat personen binnen hun jurisdictie worden beschermd tegen alle vormen van mishandeling, ook wanneer deze mishandeling door derden wordt toegebracht. 121 Deze positieve verplichtingen, die onderling verband houden, omvatten:

“(a) the obligation to establish and apply in practice an adequate legal framework affording protection against ill-treatment by private individuals;

(b) the obligation to take the reasonable measures that might have been expected in order to avert a real and immediate risk of ill-treatment of which the authorities knew or ought to have know, and

(c) the obligation to conduct an effective investigation when an arguable claim of ill-treatment has been raised.”

7.22

Het is de eerstgenoemde verplichting uit het kader die hier van belang is. Het kader is algemeen van toepassing en dus ook van belang voor gedragingen waarbij het niet gaat om huiselijk geweld. Maar voor gevallen waarin daarvan wel sprake is preciseert het nader door te overwegen dat deze verplichting “in cases involving acts of domestic violence would usually require the domestic authorities to adopt positive measures in the sphere of criminal-law protection. Such measures would include, in particular, the criminalisation of acts of violence within the family by providing effective, proportionate and dissuasive sanctions”. 122Strafbaarstelling is volgens het EHRM in huiselijk-geweldzaken “usually” vereist, dus niet altijd. Het EHRM licht dit niet nader toe in Volodina.

7.23

Niettemin geldt op grond van onder meer Miasyan tegen Armenië in het algemeen dat “where acts that constitute serious offences are directed against a person’s physical or mental integrity, only efficient criminal-law mechanisms can ensure adequate protection and serve as a deterrent factor”. 123 Het lijkt mij in het algemeen lastig voor te stellen dat niet aan dit “serious offences”-criterium wordt voldaan in gevallen van psychisch geweld waarin sprake is van het “minimum level of severity” dat is vereist voor toepasselijkheid van het verbod van onmenselijke behandeling in art. 3 EVRM. Uit het arrest Volodina volgt dan ook dat de daarin vastgestelde tekortkoming in de bescherming van klaagster tegen het jegens haar uitgeoefende huiselijk psychisch geweld – dat zoals opgemerkt zelfstandig als onmenselijke behandeling wordt aangemerkt – een materieel strafrechtelijke gebrek betreft. 124 Maar zoals blijkt uit voormelde zaak Miasyan tegen Armenië (over art. 8 jo. 14 EVRM) en de verderop uitgebreider te bespreken zaak Volodina (No. 2) (art. 8 EVRM) , voor zover “acts encroaching on an individual’s psychological integrity are concerned, the obligation to maintain and apply in practice an adequate legal framework does not always require that a criminallaw provision covering the specific act be put in place. The legal framework could also be made up of administrative or civil-law remedies capable of affording sufficient protection, possibly combined with procedural remedies such as the granting of an injunction”. 125 Dit zal dan in elk geval gelden voor feiten die niet ernstig zijn.

7.24

Aandacht verdient hier echter ook nog Zherdev tegen Oekraïne. In deze zaak – die geen betrekking heeft op huiselijk geweld – hadden politieambtenaren de toen zestienjarige klager, die werd verdacht van moord en voor het eerst met het strafrecht in aanraking kwam, minstens tweeënhalf uur geboeid en vrijwel naakt laten doorbrengen en hem geplaatst bij volwassen gedetineerden. Het EHRM oordeelt dat dit tot een staat van onzekerheid en kwetsbaarheid heeft geleid en dat hij gevoelens van angst, benauwdheid, hulpeloosheid en minderwaardigheid moet hebben ervaren die zijn waardigheid hebben aangetast. Daarmee was sprake van vernederende behandeling in strijd met art. 3 EVRM. Er was echter geen bewijs dat de autoriteiten de intentie hadden om de klager te vernederen. Het EHRM concludeert daarom dat niet noodzakelijkerwijs een strafrechtelijke reactie was vereist; de klachten zouden bijvoorbeeld kunnen worden behandeld in het kader van een administratief onderzoek en/of een tuchtprocedure tegen de betrokken politieambtenaren. 126

7.25

De aan- of afwezigheid van intentie (opzet) op het psychische gevolg kan dus een belangrijke factor zijn bij de beoordeling van de ernst van de gedraging. Het EHRM benadrukt dit in Nicolae Virgiliu Tănase tegen Roemenië:

“In order to determine whether the threshold of severity has been reached, the Court may also take other factors into consideration, in particular: the purpose for which the ill-treatment was inflicted, together with the intention or motivation behind it, although the absence of an intention to humiliate or debase the victim cannot conclusively rule out a finding of a violation of Article 3; the context in which the ill-treatment was inflicted, such as an atmosphere of heightened tension and emotions; and whether the victim was in a vulnerable situation”. 127

7.26

Uit de hiervoor besproken jurisprudentie maak ik op dat de verplichting tot strafbaarstelling van psychische mishandeling in elk geval geldt voor zeer ernstige gedragingen en dat daarvan sprake is indien die gedragingen gelijk zijn te stellen met ten minste onmenselijke behandeling in de zin van art. 3 EVRM terwijl de gedragingen zijn begaan met de bedoeling om de ander onmenselijk c.q. vernederend te behandelen.

7.27

Indien wordt overgegaan tot strafbaarstelling, leiden meerdere wegen naar Rome: “The Court has accepted that different legislative solutions in the sphere of criminal law could fulfil the requirement of an adequate legal mechanism for the protection against domestic violence, provided that such protection remains effective”. 128 In combinatie met andere maatregelen heeft het EHRM goedkeuring gegeven aan “specific criminal sanctions for the commission of acts of violence against members of one’s own family” en aan “criminalising domestic violence as an aggravating form of other offences” 129 (zie ook hierna onder 7.36).

7.28

Het EHRM concludeert in de zaak Volodina dat klaagster slachtoffer is van een schending van art. 3 EVRM. Hier nog van belang is dat er daartoe onder meer op wordt gewezen dat specifieke wetgeving om huiselijk geweld aan te pakken ontbreekt in Rusland, het begrip “huiselijk geweld” niet is gedefinieerd of genoemd in de wetgeving, huiselijk geweld niet afzonderlijk strafbaar is gesteld, de omstandigheid dat geweld plaatsvindt binnen het huishouden ook geen strafverzwarende omstandigheid is, en het Russische Wetboek van Strafrecht geen onderscheid maakt tussen huiselijk geweld en andere vormen van geweld. Dit betekent nog net niet dat uitdrukkelijke strafbaarstelling van huiselijk geweld – dat zoals opgemerkt ook psychische mishandeling omvat – zonder meer noodzakelijk is op grond van het EVRM, maar het is duidelijk dat het belang van zulke expliciete strafwetgeving sterk wordt benadrukt en dat het vereiste “legal framework” bij afwezigheid van zulke wetgeving niet zomaar als toereikend zal worden aangemerkt. Belangrijk is ook dat het EHRM wetsbepalingen afwijst als die inhouden dat mishandeling van familieleden alleen strafbaar is als het feit binnen twaalf maanden voor de tweede keer wordt gepleegd of als het ten minste tot “minor bodily harm” heeft geleid. Het EHRM overweegt daartoe dat “domestic violence may take many forms, some of which do not result in physical injury – such as psychological or economic abuse or controlling or coercive behaviour”. 130 Op grond van het voorgaande oordeelt het EHRM dat het Russische raamwerk “falls short of the requirements inherent in the State’s positive obligation to establish and apply effectively a system punishing all forms of domestic violence and providing sufficient safeguards for victims”. 131

Tunikova e.a. tegen Rusland

7.29

Deze zaak over huiselijk geweld draait om een schending van art. 3 EVRM (mede in combinatie met art. 14), in het bijzonder vanwege het verzuim van de autoriteiten om de klaagsters te beschermen tegen het geweld door haar toenmalige partner en om een effectief onderzoek naar deze feiten in te stellen. 132 Het EHRM beoordeelt eerst of de klaagsters zijn onderworpen aan een behandeling die te scharen valt onder art. 3 EVRM. Het EHRM onderstreept dat ook de “psychological impact” van huiselijk geweld de drempel van art. 3 EVRM kan overstijgen en overweegt:

“in addition to physical injuries, psychological impact forms an important aspect of domestic violence […]. Article 3 does not refer exclusively to the infliction of physical pain but also to that of mental suffering which is caused by creating a state of anguish and stress by means other than bodily assault […]. Fear of further assaults can be sufficiently serious to cause victims of domestic violence to experience suffering and anxiety capable of attaining the minimum threshold of application of Article 3”. 133 Het EHRM oordeelt dat in de “psychological aspects” voor de klaagsters “were sufficiently serious to amount, in their own right, to treatment falling within the scope of Article 3 of the Convention”. 134

7.30

Vervolgens beoordeelt het EHRM of de Russische autoriteiten hun positieve verplichting zijn nagekomen om een wettelijk kader vast te stellen. Het EHRM neemt daarbij overwegingen uit de hiervoor besproken zaak Volodina tegen Rusland (paras. 78-79, zie onder 7.20) in acht. 135 Het EHRM overweegt dat het juridisch raamwerk niet is veranderd in de twee jaren na de uitspraak in de zaak Volodina:

“The concept of “domestic violence” or any of its equivalents has not been defined or referred to in any form in the Russian legislation. Acts of domestic violence have not been criminalised as a separate offence or an aggravating form of any other offences. Russian law does not contain any penalty-enhancing provisions relating to acts of domestic violence and makes no distinction between domestic violence and violence committed by strangers”. 136

7.31

Het EHRM noemt voorts een aantal omstandigheden die illustreren waarom bestaande Russische bepalingen niet volstaan om de vele vormen van huiselijk geweld te bestrijken. Ten eerste zijn volgens de Russische wetgeving vormen van huiselijk geweld die niet leiden tot daadwerkelijk lichamelijk letsel of fysieke pijn – zoals stalking, verbaal, psychisch of economisch geweld, “or any forms of controlling or coercive behaviour” – niet strafbaar. Het EHRM geeft daarbij het volgende voorbeeld:

“In the instant case, although Ms Gracheva’s husband exhibited controlling and coercive behaviour by locking her in the car, preventing her from driving to work on her own, following her around town or loitering outside her home and office (see paragraphs 41-42 above), such conduct on his part did not constitute any prosecutable offence which could give rise to police intervention”. 137

7.32

Ten tweede vereist het Russische strafrecht, zelfs wanneer fysiek geweld is gebruikt, dat de verwondingen van het slachtoffer een bepaalde mate van ernst bereiken voordat strafvorderlijke autoriteiten worden ingeschakeld. 138 Ten derde is na wetswijzingen “the infliction of physical pain without actual injuries” geen strafbaar feit tenzij het voor de tweede keer is gepleegd binnen twaalf maanden na een eerdere administratieve veroordeling. 139Ten vierde, “the Court notes that Ms Gershman and Ms Petrakova unsuccessfully sought to bring criminal proceedings against their abusers on the charge of “tormenting” under Article 117 of the Criminal Code. Although this provision does not specifically target domestic violence, it does, at least in theory, sanction the systematic infliction of suffering through beatings and other violent acts which have not caused significant bodily harm”. 140Als laatste merkt het EHRM op dat in Russische wetgeving een definitie van “huiselijk geweld” ontbreekt en dat dit gebrek de autoriteiten verhindert een alomvattend beeld krijgen “of a continuum of violence and treating it as a single course of conduct rather than isolated incidents”. 141 Met betrekking tot de laatstgenoemde omstandigheid merkt het EHRM nog op dat afhankelijk van de ernst, incidentele gevallen van huiselijk geweld onder verschillende bepalingen van het bestuurs- of strafrecht kunnen vallen, maar dat in een dergelijk geval wel van belang is dat de bestuursorganen en strafvorderlijke autoriteiten hun acties coördineren en informatie uitwisselen om huiselijk geweld alomvattend en systematisch aan te pakken. Hieruit valt op te maken dat, ook indien huiselijk geweld de drempel van art. 3 EVRM overstijgt, de verdragsstaten – mede afhankelijk van de ernst van het geweld – niet altijd zijn gehouden over te gaan tot strafbaarstelling, mits aan de hiervoor omschreven voorwaarden is voldaan. 142

7.33

Ten gevolge van het gebrekkige Russische juridisch kader oordeelt het EHRM op grond van art. 46 EVRM dat de Russische autoriteiten: 143

“153 […] must promptly revise or amend legislation to bring it into compliance with the Convention and international standards on prevention and punishment of domestic violence. They must introduce a legal definition of domestic violence which is sufficiently comprehensive in its scope to cover acts of violence in various forms, including physical, sexual, psychological or economic violence, manifestations of controlling and coercive behaviour, stalking and harassment, whether they take place physically or in cyberspace. The acts of domestic violence should never be considered in isolation but rather as a single course of conduct or a series of related incidents (see paragraph 94 above). The definition of domestic violence should be part of a comprehensive framework for the protection of, and assistance to, all victims which should in particular allocate the responsibilities of State agencies and public officials tasked with responding to, and preventing, domestic violence, create an interagency mechanism for cooperation between State agencies and other stakeholders to prevent domestic violence, establish legal mechanisms for protecting and compensating victims, and fund rehabilitation programmes for perpetrators of domestic violence.

154. Domestic substantive law must criminalise and make punishable by appropriate penalties all acts of domestic violence, including battery and forms other than injuries”.

7.34

Uit het voorgaande valt ten eerste af te leiden dat ook psychisch geweld onder huiselijk geweld moet worden geschaard. Ten tweede volstaat niet dat huiselijk geweld “would usually require the domestic authorities to adopt positive measures in the sphere of criminal-law protection”, 144 maar geldt dat “Domestic substantive law must criminalise and make punishable by appropriate penalties all acts of domestic violence”. 145Voor de verplichting over te gaan tot strafbaarstelling lijkt de ernst van het geweld hier geen rol meer te spelen. 146 Ik onderschrijf Hedlunds analyse over deze ogenschijnlijke tegenstrijdigheden in de uitspraak Tunikova tegen Rusland: 147

“At first glance, the Court’s reasoning appears to be inconsistent. On the one hand, it asserts that criminalisation is usually required in respect of acts of domestic violence. On the other hand, it obliges Russia to criminalise all acts of domestic violence. However, it could be that, in light of the identified deficiency of the Russian criminal law framework, the Court uses absolute language to merely highlight that national criminal law should not by default turn a blind eye to certain types or forms of domestic violence, such as non-physically abusive forms. As mentioned before, the Court notes that forms of domestic violence that lack a physical aspect ‘are not considered even theoretically to constitute an offence against the victim’s physical or psychological integrity’. This is problematic as some of these forms can be serious enough to warrant criminal law protection to comply with the obligations under Article 3. Yet, this does not mean that every instance of domestic psychological violence should be covered by a criminal provision. A margin of appreciation seems to exist under Article 3 when it comes to regulating less serious acts of domestic psychological violence. So, in this interpretation, criminalisation is indeed usually required regarding acts of domestic psychological violence which reach the threshold of Article 3.”

Bij deze analyse verdient nog opmerking dat een strafrechtelijke aanpak – inclusief strafbaarstelling – evenmin altijd vereist is wanneer de onmenselijke behandeling in de zin van art. 3 EVRM niet met die intentie (opzet) heeft plaatsgevonden (zie onder 7.22).

B.A. tegen IJsland

7.35

In deze recente uitspraak – waarin het ook weer om huiselijk geweld gaat – klaagt B.A. over een schending van zowel art. 3 EVRM als art. 8 EVRM. 148 Klaagster zou door haar voormalige partner meer dan eens aan verschillende vormen van mishandeling zijn blootgesteld, waaronder fysiek, seksueel, maar ook psychisch geweld. De zaak betreft onder meer het vermeende verzuim van de IJslandse autoriteiten om een doeltreffend onderzoek in te stellen naar de klachten van klaagster over huiselijk geweld en seksueel misbruik. 149

7.36

Het EHRM stelt voorop dat “in cases concerning violence inflicted by private parties the distinction between the requirements of Articles 3 and 8 of the Convention is not clear-cut”. 150 Om die reden beoordeelt het EHRM de klachten gezamenlijk: “Indeed, both provisions impose an obligation on the State to safeguard an individual’s physical and psychological integrity and, together with Article 2, form a continuum that triggers the State’s duty to provide protection once it has been established that attacks on an individual’s integrity were sufficiently serious to necessitate a response”. 151Zoals uit de hierboven besproken rechtspraak blijkt, bestaat de positieve verplichting die op de autoriteiten rust in de eerste plaats uit het tot stand brengen van een “legislative and regulatory framework of protection”. 152 De positieve verplichtingen bij huiselijk geweld vereisen normaliter “the establishment of effective criminal-law provisions”. 153Het EHRM tekent daarbij aan dat het niet de rol van het EHRM is “to substitute its own assessment for that of national authorities in selecting among the various measures that could ensure compliance with their positive obligations under the Convention […]. Different legislative approaches may fulfil these requirements, provided they offer effective and practical protection against domestic violence. As reflected in the Court’s case-law concerning various Contracting States, domestic violence may be appropriately addressed either through specific criminal offences or by treating it as an aggravating factor in other violent crimes”. 154 (vgl. hiervoor onder 7.27).

7.37

Bij de beoordeling van het IJslands wettelijk kader merkt het EHRM op dat “in Iceland during the relevant period, […] that although Article 218b, which specifically criminalises domestic violence, was not introduced into the GPC [General Penal Code: IJslands Wetboek van Strafrecht, PHvK] until 2016, the legal framework had already provided for enhanced punishment in such cases. […] The Court reiterates that while the Istanbul Convention[ 155] requires the criminalisation of domestic violence, it does not prescribe specific standalone offences. Rather, it allows for the inclusion of domestic violence as either a constituent element of particular offences or an aggravating circumstance in sentencing for other offences established by the Convention”. 156

7.38

Over “psychological violence” in nauwe relaties overweegt het EHRM: 157

“The more complex question concerns psychological violence. Before Article 218b was introduced in 2016, apart from criminalising threats and gross defamation of closely related persons under Articles 233 and 233b of the GPC, Icelandic law contained no specific provision criminalising other types of psychological abuse in close relationships. In examining whether this legislative lacuna violated the Convention, the Court must consider the standards prevailing at the material time. While psychological violence has come to be increasingly recognised as a form of domestic abuse requiring legal protection, an explicit obligation to criminalise such serious conduct was first introduced by the Istanbul Convention in 2011 which notably permitted reservations allowing States to provide for non-criminal sanctions instead (see Articles 33 and 78, paragraph 3, of the Convention). The Court notes that Iceland began preparing for its adoption of the Convention as early as 2012 by reviewing its legislation, leading to the introduction of Article 218b in 2016, two years before ratification in 2018. Even though Articles 233 and 233b of the GPC, applicable before that time, were not specifically designed to address the complex dynamics of coercive control and emotional abuse in intimate relationships, the Court reiterates that the Convention does not require States to adopt a particular legislative approach. Having regard to the emerging but not yet consolidated European consensus on criminalising psychological violence during the period under consideration, and the existence of various legal remedies, the Court finds that the legislative framework, whilst showing room for improvement that Iceland subsequently implemented, did not fall below minimum Convention standards. It is recalled in this connection that the Court’s role is to determine whether a given situation constitutes a violation of the Convention rather than to identify best practices in the field”.

Volodina tegen Rusland (nr. 2) en andere rechtspraak

7.39

In Volodina (nr. 2) gaat het om een klacht (van dezelfde klaagster als in de onder 7.19 e.v. behandelde zaak) over een schending van het recht op privéleven in de zin van art. 8 EVRM. De zaak betreft de verplichting van de staat om Volodina te beschermen tegen “cyberviolence”, waaronder de verspreiding door haar ex-partner van haar intieme foto’s zonder toestemming, stalking en identiteitsfraude, en de verplichting om een effectief onderzoek dienaangaande in te stellen. 158

7.40

Het EHRM stelt voorop dat “the concept of private life includes a person’s physical and psychological integrity which the States have a duty to protect, even if the danger comes from private individuals […]. Children and other vulnerable individuals, in particular, are entitled to effective protection. The particular vulnerability of victims of domestic violence and the need for active State involvement in their protection has been emphasised both in international instruments and in the Court’s well-established case-law”. 159 Vervolgens stelt het EHRM voorop dat “States have a positive obligation to establish and apply effectively a system punishing all forms of domestic violence and to provide sufficient safeguards for the victims”. Deze positieve verplichting omvat ook hier de verplichting om een adequaat wettelijk kader vast te stellen en in de praktijk toe te passen dat bescherming biedt tegen geweld door derden. 160 Maar – zoals hiervoor onder 7.22 al bleek – geldt wat betreft handelingen die de psychische integriteit van een individu aantasten dat “the obligation of an adequate legal framework does not always require that a criminal-law provision covering the specific act be put in place.” 161Om te voldoen aan de verplichtingen van art. 8 EVRM is dus – anders dan in beginsel bij art. 3 EVRM – strafbaarstelling niet altijd vereist nu daarbij soms ook civielrechtelijke en/of bestuursrechtelijke oplossingen kunnen volstaan.

7.41

In Volodina (No. 2) waren “the acts of cyberviolence” echter “sufficiently serious to require a criminal-law response on the part of the domestic authorities”. 162Het EHRM oordeelt dat hoewel het Russisch wettelijk kader de strafvorderlijke autoriteiten de mogelijkheid verschafte om het cybergeweld te vervolgen, de wijze waarop zij de zaak daadwerkelijk hebben behandeld – met name de terughoudendheid om een strafzaak te openen en het trage tempo van het onderzoek, waardoor de dader straffeloos bleef – blijk gaf van een verzuim om uitvoering te geven aan hun positieve verplichtingen uit hoofde van art. 8 EVRM. 163 De feiten en omstandigheden van het geval bepalen dus of strafbaarstelling is vereist om te voldoen aan de positieve verplichtingen die voortvloeien uit art. 8 EVRM. Het EHRM geeft in Volodina (No. 2) geen maatstaf om te bepalen wanneer psychisch geweld dat niet de drempel haalt van art. 3 EVRM, toch als dermate ernstig heeft te gelden dat het strafbaar moet zijn gesteld vanwege art. 8 EVRM. 164 Afgaande op de feiten in Volodina (No. 2) lijkt het er niettemin op dat zowel de gedragingen als de gevolgen behoorlijk ernstig moeten zijn. De feiten in de zaak zijn immers niet mals: het opzettelijk vernederen en kleineren van klaagster (door intieme foto’s van haar te publiceren met de bedoeling om de aandacht van haar zoon, zijn klasgenoten en hun leraar te trekken) en het veroorzaken van gevoelens van angst, verdriet en onveiligheid (door haar met een GPS-apparaat te volgen en haar doodsbedreigingen via sociale media te sturen).

7.42

Ondertussen blijkt uit de zaak M.Ș.D. tegen Roemenië dat er ook bij alleen “online harassment” (in een nauwe relatie) ingevolge art. 8 EVRM een verplichting kan gelden om daartegen strafrechtelijk op te treden, hetgeen impliceert dat dit strafbaar moet zijn gesteld. Die verplichting is kennelijk van toepassing als de gedragingen aanzienlijke gevolgen hebben voor het slachtoffer (“considerably affected the applicant”). In die zaak had de ex-partner van het slachtoffer intieme foto’s van haar samen met haar naam, telefoonnummer en huisadres op websites van escortdiensten geplaatst en die foto’s bovendien onder haar familie en vrienden verspreid en openbaar gemaakt via sociale media door zich opzettelijk voor te doen als één van haar vrienden of als het slachtoffer zelf. Als gevolg van deze gedragingen werd het slachtoffer blootgesteld aan intimidatie door onbekende personen die haar seksuele diensten wilden afnemen. Een en ander heeft het psychisch en fysiek welzijn van het slachtoffer ernstig aangetast en heeft langdurig impact gehad op haar psychische gezondheid, wat uiteindelijk haar vermogen om samen te leven – en relaties aan te gaan, te onderhouden en te koesteren – met anderen heeft beïnvloed.

Enige rechtspraak buiten de context van huiselijk geweld

7.43

Positieve verplichtingen tot strafbaarstelling en verdere inzet van het strafrecht zijn niet beperkt tot alleen gevallen van huiselijk geweld of geweld in nauwe relaties. Dit blijkt uit onder meer K.U. tegen Finland. In lijn met hiervoor geciteerde overwegingen overweegt het EHRM in die zaak over “the State’s positive obligations under Article 8 to safeguard the individual’s physical or moral integrity” onder meer: 165

“While the choice of the means to secure compliance with Article 8 in the sphere of protection against acts of individuals is, in principle, within the State’s margin of appreciation, effective deterrence against grave acts, where fundamental values and essential aspects of private life are at stake, requires efficient criminal-law provisions […]. […] States have a positive obligation inherent in Article 8 of the Convention to criminalise offences against the person, including attempted offences, and to reinforce the deterrent effect of criminalisation by applying criminallaw provisions in practice through effective investigation and prosecution […]. Where the physical and moral welfare of a child is threatened, such injunction assumes even greater importance. […] It is plain that both the public interest and the protection of the interests of victims of crimes committed against their physical or psychological well-being require the availability of a remedy enabling the actual offender to be identified and brought to justice.”

In deze zaak was door een onbekende de foto van een twaalfjarige jongen zonder diens medeweten op een datingsite geplaatst met vermelding van onder meer zijn geboortejaar en website, een gedetailleerde beschrijving van zijn uiterlijk en de tekst dat hij (de jongen) op zoek was naar een intieme relatie met een jongen van zijn leeftijd of ouder “om hem de weg te wijzen”. Het is duidelijk dat dergelijke gedragingen door het hof als dusdanig ernstig (grave, serious) worden beschouwd, dat zij strafbaar dienen te zijn en dat de strafbaarstelling ook moet worden gehandhaafd. Dat het in deze zaak om een twaalfjarig kind ging, heeft er ongetwijfeld aan bijgedragen dat de feiten als ernstig werden aangemerkt, maar de leeftijd van het slachtoffer wordt niet als criterium gebruikt om te bepalen of strafbaarstelling noodzakelijk is.

7.44

Algemeen geldt – in alle zaken en dus ook bij volwassen slachtoffers en buiten de context van huiselijk geweld en geweld in nauwe relaties – dat in gevallen waarin een “act or measure of a private individual which adversely affects the physical and psychological integrity of another […] a severity threshold is necessary for the applicability of Article 8”. Vervolgens kunnen uit art. 8 EVRM verplichtingen tot strafbaarstelling voortvloeien “where fundamental values and essential aspects of private life have been at stake”. 166 Het psychisch geweld en de gevolgen daarvan moeten behoorlijk ernstig zijn, zo blijkt uit zowel de hiervoor behandelde zaken als ook wel uit het navolgende.

7.45

De zaak F.O. tegen Kroatië betreft een destijds nog net 17-jarige jongen die een wiskundeleraar had die onder anderen hem over een periode van tien dagen herhaaldelijk in de klas uitmaakte voor onder meer zwakzinnige, idioot, dwaas en kinkel, die tegen hem schreeuwde en die tijdens een les verklaarde dat de directeur hem had gebeld maar dat “als je tegen een dwaas zegt dat hij een dwaas is, dan hoort dat geen belediging voor hem te zijn.” De huisarts van de jongen stelde in relatie tot de pesterijen van de leraar de werkdiagnose posttraumatische stressstoornis vast en volgens een psycholoog leed de jongen als gevolg van de psychische pesterijen op school aan een acute angststoornis. Ook stelde hij vast dat de jongen opgroeide in een functionerend gezin en dat hij het erg goed deed op school. Volgens de jongen leidde de gebeurtenissen tot slechte schoolresultaten waardoor hij niet werd toegelaten tot de door hem gekozen universitaire opleiding. Het EHRM overwoog dat de motivering van de afwijzing door het openbaar ministerie van de strafrechtelijke aangifte tegen de leraar op gespannen voet stond met de plicht van de autoriteiten om een ​​“zero tolerance”-beleid te voeren aangaande geweld of misbruik in onderwijsinstellingen, maar dat een aanpak ter bescherming van kinderen tegen geweld moet worden afgestemd op de ernst ervan. Het hof oordeelde dat “in the circumstances of the present case” inzet van een strafrechtelijke procedure niet noodzakelijk was om te voldoen aan de verplichtingen van de staat onder art. 8 EVRM. 167

7.46

Dat online of andere vormen van onder meer (ervaren) intimidatie, kwelling, pesterij en lastigvallen, lang niet altijd strafbaar hoeven te zijn gesteld, in het bijzonder niet wanneer zij onvoldoende ernstig zijn, illustreert ook de zaak Nicolae Virgiliu Tănase tegen Romenië. 168 Daarin ging het om allerlei psychisch leed dat de (ruim 60 jaar oude) klager ondervond na een auto-ongeval door de afhandeling daarvan. Dit was onvoldoende voor het EHRM om te kunnen concluderen tot toepasselijkheid en schending van art. 8 EVRM. Daarbij merk ik op dat er in die zaak van opzet op het beschadigen, vernederen of kleineren van de klager geen sprake was.

7.47

Tot slot noem ik Tolić e.a. tegen Kroatië. Daarin overwoog het EHRM uitdrukkelijk dat er uit art. 8 EVRM geen verplichting voor de autoriteiten voortvloeide om strafrechtelijk te reageren op het jarenlang van klagers zijn blootgesteld aan ernstige milieugevaren als gevolg van waterverontreiniging in hun appartementen, hoe onaangenaam die waterverontreiniging ook moet zijn voor de klagers. 169

7.48

Het EHRM toetst in zowel Nicolae Virgiliu Tănase als Tolić inhoudelijk aan art. 8 EVRM. Dit resulteert in een afwijzing van de klachten, niet omdat deze zaken geen minderjarige slachtoffers of huiselijk geweld betroffen, wel omdat de voor de klagers nadelige gedragingen en de gevolgen daarvan onvoldoende ernstig waren. Dat geldt – zij het blijkens het arrest van het EHRM veel minder evident – ook voor F.O. tegen Kroatië, ofschoon het daarin wel om een minderjarige ging.

Conclusie EVRM

7.49

De hiervoor besproken rechtspraak van het EHRM brengt mij tot het volgende. “Psychological violence” is een belangrijke vorm van huiselijk geweld en geweld in nauwe relaties. Hoewel de rechtspraak van het Straatsburgse Hof over psychisch geweld primair op die context betrekking heeft, houdt die eveneens in dat bescherming van de psychische integriteit van mensen ook daarbuiten van belang is. 170 Afhankelijk van de ernst van de omstandigheden van het geval kan “psychisch geweld” de drempel van art. 8 en soms ook die van art. 3 EVRM overstijgen. Dit geldt dus niet alleen voor situaties van huiselijk geweld en geweld in nauwe relaties.

7.50

Op grond van deze bepalingen zijn de verdragsstaten verplicht om personen te beschermen tegen in elk geval alle vormen van huiselijk geweld, ook indien psychisch van aard en ook wanneer toegebracht door derden. De partijstaten bij het EVRM zijn verplicht “to establish and apply effectively a system punishing all forms of domestic violence and to provide sufficient safeguards for the victims”. Deze positieve verplichting omvat de verplichting om een adequaat wettelijk kader vast te stellen. Daarbij leidt het EHRM uit zowel art. 3 als art. 8 EVRM verplichtingen voor de staten af tot “the establishment of effective criminal-law provisions”. In bepaalde gevallen zal dus in strafrechtelijke bescherming moeten zijn voorzien.

7.51

Of de staten verplicht zijn tot strafbaarstelling van een gedraging die de psychische integriteit van een persoon raakt, hangt ten dele van af van de ernst van die gedraging, waarvoor ook de intentie waarmee deze plaatsvindt van belang kan zijn, en de gevolgen ervan. Hoe staten vormgeven aan strafrechtelijke verplichtingen valt binnen de “margin of appreciation” zolang de strafbaarstelling effectieve bescherming biedt tegen huiselijk geweld. De volgende benaderingen kunnen in elk geval rekenen op goedkeuring van het EHRM: zelfstandige strafbaarstelling van huiselijk geweld, huiselijk geweld als bestanddeel van een ander misdrijf, en huiselijk geweld strafbaar stellen als een verzwarende vorm van andere misdrijven. Ook hiermee illustreert de rechtspraak van het EHRM dat wanneer psychisch geweld door wetgeving of rechterlijke interpretatie binnen het bereik van de strafwet wordt gebracht, daarbij allerlei keuzes kunnen en ook zullen moeten worden gemaakt.

7.52

Het voorgaande heeft ook betekenis voor psychisch geweld buiten de context van huiselijk geweld en geweld in nauwe relaties, ook wanneer het slachtoffer daarvan een volwassene is. Dat neemt niet weg dat de omstandigheid dat het geweld plaatsvindt in huiselijke kring en/of tegen minderjarigen, gewicht in de schaal lijkt te leggen bij de beoordeling of de gedragingen en de gevolgen daarvan dusdanig ernstig zijn dat strafbaarstelling ervan is vereist. Wanneer het niet om huiselijk geweld en/of minderjaren gaat, kunnen echter andere omstandigheden meebrengen dat het psychisch geweld dermate ernstig is dat dit strafbaar moet zijn gesteld. Te denken valt dan aan het motief achter en de intentie waarmee het geweld is toegepast, de omstandigheden waaronder dit gebeurde en een eventuele bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer.

Richtlijn (EU) 2024/1385 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld

7.53

Richtlijn 2024/1385 van de Europese Unie voorziet in regels ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. 171 De ter implementatie van deze Richtlijn noodzakelijke wetswijzigingen worden momenteel uitgewerkt in een wetsvoorstel. De Richtlijn bevat minimumvoorschriften betreffende onder meer de bepaling van strafbare feiten en sancties op het gebied van seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen en computercriminaliteit en de rechten van slachtoffers van alle vormen van geweld tegen vrouwen of huiselijk geweld vóór, tijdens en gedurende een passende periode na de strafprocedure. 172 De strafbare feiten in verband met seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen en computercriminaliteit zijn uitgewerkt in art. 3 t/m 8. 173 Het betreft genitale verminking van vrouwen (art. 3), gedwongen huwelijken (art. 4), het zonder toestemming delen van intieme beelden (art. 5), cyberstalking (art. 6), cyberintimidatie (art. 7) en het online aanzetten tot haat of geweld (art. 8).

7.54

Psychische mishandeling, als vorm van geweld tegen vrouwen of huiselijk geweld, is niet een van de door de Richtlijn geharmoniseerde strafbare feiten. Wel dienen lidstaten de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat bij de implementatie van de strafbare feiten in art. 3 t/m 8, een of meer van de in art. 11 opgesomde omstandigheden – overeenkomstig het nationale recht – als een verzwarende omstandigheid kunnen worden beschouwd. In art. 11 onder i is als één van de strafverzwarende omstandigheden genoemd dat “de gedragingen hebben geleid tot de dood van het slachtoffer, of tot ernstige fysieke of psychische schade bij het slachtoffer”. Het psychische element kan dus terugkomen in de aard van het gevolg, maar niet in de aard van het handelen of nalaten. Daarbij zij opgemerkt dat een lidstaat reeds voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit art. 11 indien “een of meer” van de in de bepaling genoemde omstandigheden “overeenkomstig het nationale recht als een verzwarende omstandigheid kunnen worden beschouwd”.

8Strafbaarheid van psychische mishandeling in andere landen

8.1

In verscheidene landen is psychische mishandeling zelfstandig strafbaar gesteld, terwijl andere landen daarvoor tot op heden juist niet hebben gekozen. Het lijkt mij met het oog op de onder 2.4 opgeworpen rechtsvraag om ten minste twee reden aangewezen om hier op enkele andere landen in te gaan. Ten eerste kan door een beschrijving van de wijze waarop wettelijke regelingen van psychische mishandeling in andere landen zijn vormgegeven, duidelijk worden welke vraagpunten zoal naar voren kunnen komen wanneer psychische mishandeling binnen het bereik van de strafwet wordt gebracht (of dit nu door wetgeving of door rechterlijke interpretatie gebeurt). Ten tweede kan het nuttig zijn er enig beeld van te krijgen om welke redenen al dan niet is besloten tot een zelfstandige strafbaarstelling van psychische mishandeling. Beide invalshoeken kunnen inzichten opleveren die van belang zijn voor de vraag of het mogelijk en wenselijk is om te kiezen voor de route van uitbreidende rechterlijke interpretatie van art. 300 Sr en, indien die keuze zou worden gemaakt, voor de wijze waarop die uitbreiding daarbij zou kunnen worden vormgegeven.

8.2

In een in december 2025 verschenen onderzoeksrapport heeft Timmers de zelfstandige strafbaarstellingen van het plegen van psychisch geweld en/of dwingende controle onderzocht voor de landen Denemarken, Engeland & Wales, Ierland, Frankrijk en Cyprus. 174 Voor een uitvoerige beschrijving van de wettelijke regelingen en een analyse van de voorwaarden voor aansprakelijkheid op het gebied van psychische mishandeling in die landen verwijs ik naar dit onderzoek. In deze conclusie beperk ik mij tot het geven van een indruk van de wettelijke regelingen in Denemarken, Engeland & Wales en Frankrijk en in het nog in werking te treden nieuwe Strafwetboek van België op het gebied van psychische mishandeling en de redenen om te kiezen voor een zelfstandige strafbaarstelling. Ik zal dit afzetten tegen een land waarin uitdrukkelijk is gekozen een zelfstandige strafbaarstelling van psychische mishandeling achterwege te laten, te weten Duitsland.

Denemarken

8.3

In Denemarken is sinds 1 april 2019 175 psychisch geweld zelfstandig strafbaar gesteld in § 243 van het Deense Wetboek van Strafrecht (hierna: Straffeloven). 176 De strafbepaling is onderdeel van Hoofdstuk 25 Straffeloven dat de titel “Misdaden tegen leven en lichaam” heeft. 177 De oorspronkelijke wettekst zou als volgt kunnen worden vertaald (tussen de vierkante haken staat een latere toevoeging; zie daarover onder 8.4): 178

“Degene die deel uitmaakt van of nauw verbonden is met het huishouden van een ander of eerder een dergelijke band met het huishouden heeft gehad, en die herhaaldelijk gedurende een periode de ander blootstelt aan grof vernederend, beledigend of kwetsend gedrag dat geschikt is om de ander op ongepaste wijze onder controle te houden, [waaronder het uitoefenen van negatieve sociale controle,] wordt gestraft voor psychische geweldpleging met een boete of gevangenisstraf tot 3 jaar.”

8.4

Uit § 243 Straffeloven blijkt een aantal door de Deense wetgever gemaakte keuzes. Zo beperkt de strafbaarstelling zich tot – kort gezegd – psychisch geweld in het huishouden en in relaties die in nauw verband staan of stonden met dat huishouden. 179 Verder heeft het artikel alleen betrekking op zich over enige periode uitstrekkende herhaalde gedragingen die samen een zekere intensiteit hebben. 180 Onder “grof vernederend, beledigend of kwetsend gedrag” valt het houden van toezicht, maar ook het getuige zijn van huiselijk geweld of misbruik. Voorbeelden zijn verder isoleren, monitoren via digitale diensten of GPS, overnemen van dagelijkse controle door te bepalen wanneer iemand kan slapen, recht ontzeggen om werk te zoeken, regels invoeren, controle nemen over iemands financiën, roddels verspreiden of intieme informatie over het slachtoffer delen. 181 In maart 2021 is de wet gewijzigd door toevoeging van dwingende controle (zie tussen vierkante haken in de wettekst onder 8.3). 182 Een keuze waarvan ook blijkt uit § 243 Straffeloven is om juist niet te vereisen dat zich een bepaald psychisch gevolg bij het slachtoffer heeft gemanifesteerd.

8.5

In § 245 lid 2 Straffeloven (inzake “særlig grov vold”, bijzonder zwaar geweld) was al eerder strafbaar gesteld het toebrengen van schade aan het lichaam of aan de gezondheid van een ander in die gevallen waarin geen sprake is van een fysieke aanval van een zekere ernst of mishandeling. 183 Deze bepaling heeft ook betrekking op het toebrengen van psychisch letsel. 184 Het gaat echter wel alleen om de ernstigste gevallen van psychisch geweld, dat opzettelijk van aard moet zijn, zoals het opzettelijk toebrengen van psychisch trauma. 185 De gedragingen moeten dus psychische gevolgen hebben gehad. § 245 lid 2 Straffeloven moet worden beschouwd als een specialis van § 243 Straffeloven. Als een veroordeling wordt uitgesproken voor § 245 lid 2 Straffeloven worden dezelfde handelingen niet bestraft op grond van § 243 Straffeloven. 186

8.6

Verder bevatte het Straffeloven al een aantal bepalingen over fysiek geweld. § 244 lid 1 Straffeloven stelt het uitoefenen van geweld tegen het lichaam of het op enige andere manier aanvallen van het lichaam strafbaar. § 244 lid 2 Straffeloven biedt een strafverzwaringsgrond voor de gevallen waarin § 244 lid 1 Straffeloven herhaaldelijk over een bepaalde periode wordt gepleegd door een persoon die deel uitmaakt van of nauw verbonden is met het huishouden van het slachtoffer. 187 § 245 lid 1 Straffeloven heeft betrekking op het begaan van een fysieke aanval van een zekere ernst of mishandeling. 188

8.7

De invoering van § 243 Straffeloven impliceert dat de Deense wetgever tot het oordeel is gekomen dat het niet mogelijk of in elk geval wenselijk was om het aan de rechter over te laten om psychisch geweld door interpretatie van bestaande bepalingen binnen het bereik van de strafwet te brengen. In de toelichting op het wetsvoorstel over § 243 Straffeloven is te kennen gegeven dat een zelfstandige bepaling over psychisch geweld in het Wetboek van Strafrecht nodig wordt geacht om uit te drukken dat psychisch geweld net zo ernstig en schadelijk kan zijn als fysiek geweld. 189 In feite beroept de Deense wetgever zich daarmee op de expressieve (ook wel: communicatieve) functie van het strafrecht. Daarnaast boden de bestaande strafbepalingen (o.a. § 244 en 245 Straffeloven) volgens de toelichting op het wetsvoorstel onvoldoende bescherming tegen schendingen van de psychische integriteit, aangezien een aantal handelingen die als psychische mishandeling kunnen worden aangemerkt niet onder deze strafbepalingen vallen. Het kan daarbij gaan om feiten die onvoldoende ernstig zijn om onder de al eerder bestaande artikelen te vallen maar wel een schadelijk effect kunnen hebben wanneer iemand er herhaaldelijk aan wordt blootgesteld. Te denken valt aan bedreigingen en onrechtmatige dwang. In de toelichting wordt opgemerkt dat de (toen) bestaande juridische situatie niet de ernst van psychisch geweld weerspiegelt. Blijkens de toelichting achtte de minister het onwenselijk om het zijn ontstaan van psychisch letsel als voorwaarde voor strafbaarheid op te nemen, aangezien er ook behoefte zou zijn slachtoffers te beschermen in gevallen waarin psychische schade niet aanwezig is of niet kan worden bewezen. 190

8.8 § 243

§ 243 Straffeloven biedt geen algemeen toepasbare definitie van de term “psychisch geweld” en beoogt die ook niet vast te stellen. 191 Ondertussen is de bepaling volgens de Minister van Justitie niet in strijd met het legaliteitsbeginsel, omdat het niet mogelijk is om in de bepaling alle gedragingen die psychisch geweld kunnen opleveren weer te geven. Bovendien is in de toelichting op het wetsvoorstel uitgelegd wat vernederend, beledigend en aanstootgevend gedrag kan zijn en zijn veel voorbeelden gegeven van gedragingen die onderdeel kunnen zijn van totaalgedrag dat psychisch geweld oplevert. 192

Engeland & Wales

8.9

Doordat psychische mishandeling in de wetgeving alleen onderdeel is van de “domestic abuse offences”, ligt de benadering in Engeland & Wales globaal bezien in lijn met die in Denemarken. Niettemin zijn de relevante bepalingen van deze Angelsaksische landen duidelijk gedetailleerder wat betreft definiëring en het stellen van voorwaarden en afgrenzingen. Tegelijkertijd hebben die bepalingen met hun beperking tot huiselijk geweld op een veel beperkter terrein van psychische mishandeling betrekking dan de strafbaarstellingen van Frankrijk en België die verderop aan de orde komen.

8.10

Sinds 29 december 2015 kennen Engeland & Wales 193 de strafbepaling “Controlling or coercive behaviour in an intimate or family relationship”, neergelegd in sectie 76 van de Serious Crime Act 2015. 194 In dit artikel zijn “patterns of controlling or coercive behaviour” strafbaar gesteld. 195“Coercive behaviour” wordt door The Home Office omschreven als “an act or pattern of acts of assault, threats, humiliation and intimidation or other abuse that is used to harm, punish, or frighten the victim”. 196 Dit geldt nog altijd ook al werd sectie 76 van de Serious Crime Act 2015 op 5 april 2023 gewijzigd door sectie 68 van de Domestic Abuse Act 2021. 197 Sectie 76 van de Serious Crime Act 2015 luidt sindsdien:

“(1) A person (A) commits an offence if–

(a) A repeatedly or continuously engages in behaviour towards another person (B) that is controlling or coercive,

(b) at the time of the behaviour, A and B are personally connected,

(c) the behaviour has a serious effect on B, and

(d) A knows or ought to know that the behaviour will have a serious effect on B.

(2) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

(3) But A does not commit an offence under this section if at the time of the behaviour in question–

(a) A has responsibility for B, for the purposes of Part 1 of the Children and Young Persons Act 1933 (see section 17 of that Act), and

(b) B is under 16.

(4) A’s behaviour has a “serious effect” on B if–

(a) it causes B to fear, on at least two occasions, that violence will be used against B, or

(b) it causes B serious alarm or distress which has a substantial adverse effect on B's usual day-to-day activities.

(5) For the purposes of subsection (1)(d) A “ought to know” that which a reasonable person in possession of the same information would know.

(6) A and B are “personally connected” if any of the following applies–

(a) they are, or have been, married to each other;

(b) they are, or have been, civil partners of each other;

(c) they have agreed to marry one another (whether or not the agreement has been terminated);

(d) they have entered into a civil partnership agreement (whether or not the agreement has been terminated);

(e) they are, or have been, in an intimate personal relationship with each other;

(f) they each have, or there has been a time when they each have had, a parental relationship in relation to the same child (see subsection (6A));

(g) they are relatives.

(6A) For the purposes of subsection (6)(f) a person has a parental relationship in relation to a child if–

(a) the person is a parent of the child, or

(b) the person has parental responsibility for the child.

(7) In subsections (6) and (6A)–

“civil partnership agreement” has the meaning given by section 73 of the Civil Partnership Act 2004;

“child” means a person under the age of 18 years;

“parental responsibility” has the same meaning as in the Children Act 1989;

“relative” has the meaning given by section 63(1) of the Family Law Act 1996.

(8) In proceedings for an offence under this section it is a defence for A to show that–

(a) in engaging in the behaviour in question, A believed that he or she was acting in B’s best interests, and

(b) the behaviour was in all the circumstances reasonable.

(9) A is to be taken to have shown the facts mentioned in subsection (8) if–

(a) sufficient evidence of the facts is adduced to raise an issue with respect to them, and

(b) the contrary is not proved beyond reasonable doubt.

(10) The defence in subsection (8) is not available to A in relation to behaviour that causes B to fear that violence will be used against B.

(11) A person guilty of an offence under this section is liable–

(a) on conviction on indictment, to imprisonment for a term not exceeding five years, or a fine, or both;

(b) on summary conviction, to imprisonment for a term not exceeding the general limit in a magistrates’ court, or a fine, or both.”

8.11

Het misdrijf kan alleen worden gepleegd tegen een (voormalig) partner of echtgenoot, een (co-)ouder van een kind, een familielid of binnen een intieme relatie. Uit de explanatory notes blijkt verder dat sectie 76 van de Serious Crime Act niet van toepassing is wanneer het gedrag wordt gepleegd door een ouder of iemand met ouderlijke verantwoordelijkheid tegen een kind onder de 16, omdat dit soort gedrag al gedekt wordt door het strafbare feit “child cruelty” in sectie 1 van de Children and Young Persons Act 1933. 198 In sectie 68 van de Domestic Abuse Act 2021 is de definitie van “personally connected” in de zin van sectie 76 Serious Crime Act 2021 gewijzigd om ervoor te zorgen dat ook gevallen waarin het slachtoffer niet met zijn of haar ex-partner of familielid samenwoont hier onder vallen. 199

8.12

Verder verdient opmerking dat in aanvulling op het voorgaande in Sectie 1 van de Domestic Abuse Act 2021 een definitie van “domestic abuse” is opgenomen. Deze houdt in dat de gedragingen van een persoon jegens een andere persoon “huiselijk geweld” behelzen indien beiden 16 jaar of ouder zijn en een persoonlijke band met elkaar hebben en het gedrag “abusive” (mishandelend, misbruikend, ruw, grof, beledigend) is. Gedrag is (naast “physical or sexual abuse”) “abusive” als het bestaat in “violent or threatening behaviour”, “controlling or coercive behaviour”, “economic abuse” of “psychological, emotional or other abuse”. Al deze vormen vallen onder de definitie van “domestic abuse”, waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat “it does not matter whether the behaviour consists of a single incident or a course of conduct”. 200

8.13

Interessant is dat Sectie 76 van de Serious Crime Act 2015 niet alleen inhoudt welke gedragingen strafbaar zijn en onder welke voorwaarden, maar met de leden (3), (8) en (10) ook uitdrukkelijk bepaalt wanneer in elk geval geen sprake is van strafbare gedragingen.

8.14

Het strafbaar stellen van “coercive and controlling behaviour in intimate or family relationships” werd door de regering nodig en gerechtvaardigd geacht in verband met het uiteenlopende karakter van huiselijk geweld en de ernstige emotionele schade die dit voor slachtoffers veroorzaakt. Daarnaast werd het nodig en gerechtvaardigd geacht “due to the compelling representations received from several voluntary sector organisations pertaining to a perceived gap in the current law and its enforcement in relation to non-violent coercive and controlling behaviours.” De wetgever merkt nog op – uitgaande van de (volgens haar bestrijdbare) veronderstelling dat de strafbaarstellingen inbreuk maakt op het recht op respect voor het privéleven – dat de inmenging “in accordance with the law” zal zijn, aangezien het nieuwe delict duidelijk omschreven wordt in de wetgeving. 201 Hieruit valt af te leiden dat de regering met de strafbaarstelling ook beoogde en meende te voldoen aan het legaliteitsbeginsel (dat ook ligt besloten in art. 8 lid 2 EVRM 202). Kennelijk is de wetgever van Engeland & Wales tot het oordeel gekomen dat het niet mogelijk of in elk geval wenselijk was om het aan de rechter over te laten om dwingend en controlerend gedrag in intieme of familierelaties door interpretatie van bestaande bepalingen binnen het bereik van de strafwet te brengen.

Frankrijk

8.15

In Frankrijk is niet sprake van één apart wetsartikel waarin psychische mishandeling is strafbaar gesteld, maar volgt de strafbaarheid voor allerlei varianten ervan in uiteenlopende contexten uit tal van bepalingen. Daarbij blijkt voor een belangrijk deel van heel andere keuzes dan die naar voren komen in de strafwetgeving van Denemarken, Engeland & Wales en, zoals hieronder blijkt, België. In het navolgende komt bovendien naar voren dat de Franse wetgever er veel belang aan hecht dat de strafwet uitdrukkelijk duidelijk maakt wanneer het veroorzaken van psychische schade strafbaar is. Het gaat de Franse wetgever daarbij klaarblijkelijk niet alleen om het versterken van de expressieve (ook wel: communicatieve) kracht van het strafrecht maar ook om de effectieve toepassing ervan.

8.16

In de eerste plaats bevat het Franse Wetboek van Strafrecht (hierna: Code Pénal) vanaf 2010 een – sindsdien ongewijzigde – bepaling waarvan de inhoud erop neerkomt dat onder de term “geweld” in dat hoofdstuk van de Code Pénal ook “psychisch geweld” moet worden verstaan. 203 Het gaat om art. 222-14-3 Code Pénal. 204 In de jurisprudentie werd al voor het bestaan van deze bepaling aangenomen dat onder het mishandelingsartikel van de Code Pénal (art. 222-13 Code Pénal) moet worden begrepen enige handeling of gedraging die bij het slachtoffer een aantasting van zijn of haar fysieke of psychische integriteit kan veroorzaken, gekenmerkt door een emotionele schok of een psychische verstoring. 205 Bovendien had de Code Pénal al een hoofdstuk met de titel “Aantastingen van de fysieke of psychische integriteit van de persoon”. Toch heeft men ervoor gekozen deze praktijk te codificeren in art. 222-14-3 Code Pénal. 206 In de parlementaire geschiedenis van de bepaling wordt benadrukt dat hoewel art. 222-14-3 Code Pénal het toepasselijke recht niet verandert, het artikel het recht wel duidelijker maakt. Verder wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de bepaling niet is beperkt tot geweld jegens partners. 207

8.17

Daarnaast bevat de Code Pénal art. 222-33-2. 208 In deze bepaling is strafbaar gesteld “harceler”, dat kan worden vertaald als “lastigvallen”, maar ook als “belagen”, “bestoken”, “pesten” en “intimideren” van een ander door herhaaldelijke uitlatingen of gedragingen die tot doel of gevolg hebben dat de arbeidsomstandigheden worden verslechterd, waardoor van die ander de rechten en waardigheid kunnen worden aangetast, de lichamelijke of geestelijke gezondheid kan worden geschaad of de beroepsmatige toekomst in gevaar kan worden gebracht. Dit artikel betreft alleen relaties op werkgebied.

8.18

In 2010 werd – tegelijk met de invoering van art. 222-14-3 Code Pénal – een met art. 222-33-2 Code Pénal vergelijkbaar artikel ingevoerd dat specifiek betrekking heeft op (voormalige) echtgenoten en bepaalde 209 partners: art. 222-33-2-1 Code Pénal. 210 In de parlementaire geschiedenis is benadrukt dat art. 222-14-3 en art. 222-33-2-1 Code Pénal complementaire bepalingen zijn. Geweld (“les violences”) wordt onderscheiden van “le harcèlement”. In geval van geweld kan een enkel incident volstaan om te worden aangemerkt als strafbaar feit, maar moet het wel van een bepaalde ernst zijn, namelijk zodanig dat het een emotionele schok of een psychische verstoring veroorzaakt. Bij “le harcèlement” is sprake van een opeenstapeling van gedragingen die op zichzelf onbeduidend zijn, maar gezamenlijk leiden tot een aanzienlijke verslechtering van de levensomstandigheden van het slachtoffer. Omdat gedragingen zoals gebaren of woorden op zichzelf niet als geweld kunnen worden aangemerkt, achtte men het begrip geweld in de Code Pénal ontoereikend om “harcèlement” te bestraffen, zodat invoering van het specifieke strafbaar feit van art. 222-33-2-1 Code Pénal nodig werd bevonden. 211 Art. 222-33-2-1 Code Pénal houdt een strafverzwaring in voor onder meer de situatie waarin het feit is gepleegd terwijl een minderjarige getuige was van dit feit.

8.19

In 2014 werd in art. 222-33-2-2 Code Pénal “harcèlement” in zijn algemeenheid strafbaar gesteld, dus zonder de beperking van een professionele- of partner context. 212 De wetgever achtte deze bepaling met name noodzakelijk om cyberpesten op scholen te bestrijden. Er zouden behalve “harcèlement” op de werkvloer en binnen relaties ook andere vormen van “harcèlement” bestaan, vooral op school, die nieuwe vormen aannemen door technologische ontwikkelingen. Over art. 222-14-3 werd opgemerkt dat dit artikel tot weinig strafrechtelijke veroordelingen leidt doordat het bewustzijn ontbreekt dat psychisch geweld een misdrijf is en doordat klachten van slachtoffers van intimidatie zeldzaam zijn als gevolg van de afwezigheid van een specifieke strafbaarstelling van wat slachtoffers ervaren als “harcèlement” in plaats van geweld. 213 Art. 222-33-2-1 Code Pénal bevat een aantal strafverzwaringsgronden, bijvoorbeeld wanneer het feit wordt gepleegd tegen een minderjarige jonger dan vijftien jaar, een kwetsbaar persoon of via een online communicatiemiddel. 214

8.20

Voorts werd in 2022 art. 222-33-2-3 Code Pénal ingevoerd. 215 Het betreft een lex specialis van art. 222-33-2-2 Code Pénal. Er wordt uitdrukkelijk verwezen naar de gedragingen van art. 222-33-2-2 Code Pénal. Art. 222-33-2-3 Code Pénal bevat een aantal specifieke bepalingen voor de gevallen waarin het gedrag in de context van opleiding betreft. De wetgever achtte een aparte strafbaarstelling nodig omdat het ontbreken van een zelfstandige strafbaarstelling een deel van de effectiviteit van communicatie over pesten op school zou wegnemen. 216

8.21

Tot slot is op 3 december 2024 een wetsvoorstel over dwingende controle ingediend. 217 Aanvankelijk hield dit voorstel in dat art. 222-14-3 Code Pénal zou worden aangevuld. Uit de toelichting op het wetsvoorstel blijkt dat de aanleiding van het wetsvoorstel is gelegen in vijf uitspraken van het Hof van Beroep van Poitiers waarin het Hof oordeelde dat alledaags gedrag dat onschuldig lijkt wanneer het afzonderlijk wordt bekeken zich kan opstapelen. 218 De wetgever achtte het wenselijk om een definitie van dwingende controle op te nemen in de Code Pénal om dit strafrechtelijke verschijnsel beter te kunnen aanpakken. 219 In januari 2025 werd een amendement aangenomen waarin werd voorgesteld om in plaats van bovenstaande wijziging van art. 222-14-3 Code Pénal een nieuw artikel te introduceren, namelijk art. 222-14-3-1 Code Pénal. De indieners van het amendement merkten op dat met bestaande misdrijven weliswaar sommige aspecten van dwingende controle kunnen worden aangepast, maar dat geen enkel misdrijf volledig de cumulatieve, multidimensionale en patroonmatige aard van dwingende controle vangt. 220 Dit onderdeel van het wetsvoorstel is verworpen, omdat de formulering mogelijk in strijd zou zijn met de Grondwet in verband met het gebruik van termen waarvan de juridische begrenzing niet bekend is. 221 Het wetsvoorstel dat op dit moment nog in behandeling is 222 houdt in dat art. 222-33-2-1 Code Pénal wordt uitgebreid met een alinea waarin – in mijn woorden omschreven – is aangegeven dat onder “harcèlement au sein du couple” ook wordt verstaan herhaaldelijke uitlatingen of (andere) gedragingen die tot doel of gevolg hebben dat zij de bewegingsvrijheid van het slachtoffer of zijn privé- of gezinsleven ernstig beperken dan wel zijn dagelijks leven belemmeren als gevolg van bedreigingen of psychische, economische of financiële druk. 223

België

8.22

In België treedt op 8 april 2026 een nieuw Strafwetboek (hierna: SwN) in werking. Op 22 februari 2024 is het SwN door de Kamer van Volksvertegenwoordigers goedgekeurd. Boek II, Hoofdstuk 4 van het SwN gaat over “Misdrijven tegen de fysieke of psychische integriteit” (art. 193 t/m 218). In de Toelichting op het Wetsvoorstel tot invoering van het nieuwe Strafwetboek merkt de wetgever op dat de “hier vermelde misdrijven […] naast lichamelijke gevolgen ook de mogelijkheid in zich [hebben] om bv. te resulteren in psychische aandoeningen”. 224 De strafbepalingen zijn ingedeeld op basis van de ernst van de gevolgen voor de fysieke of psychische integriteit van het slachtoffer. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen integriteitsaantastingen van de eerste, tweede en derde graad.

8.23

Alvorens nader in te gaan op een aantal artikelen uit het voormelde Boek II, Hoofdstuk 4, SwN, sta ik stil bij enkele relevante definitiebepalingen uit Boek II, Voorafgaande titel, houdende “Gemeenschappelijke bepalingen”.

Art. 79 onder 15° SwN omschrijft een integriteitsaantasting van de eerste graad als “elk lichamelijk letsel of schade aan de gezondheid die niet resulteert in een integriteitsaantasting van de tweede graad, een integriteitsaantasting van de derde graad of de dood”. Volgens de Toelichting gaat het hierbij om “elke aantasting van de fysieke of psychische integriteit die niet dermate ernstig is dat zij één van de gevolgen vereist voor een integriteitsaantasting van de tweede of derde graad, dan wel de dood uitmaakt.” 225 Onder schade aan de gezondheid worden ook psychische ziektes verstaan (zoals kennelijk depressies). 226 Andere psychische gevolgen, zoals angstgevoelens, vallen er dus niet onder.

Een integriteitsschending van de tweede graad is ingevolge art. 79 onder 16° SwN “elk lichamelijk letsel of schade aan de gezondheid die resulteert in een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk van maximum vier maanden of een geneeslijk lijkende ziekte die niet meer dan vier maanden ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk heeft veroorzaakt.” De ongeschiktheid tot het verrichten van werk kan ook psychisch van aard zijn. 227 Hoewel een “ziekte” in de zin van art. 79 onder 16° SwN ook een psychische ziekte is, benadrukt de Toelichting dat dit niet wil zeggen dat “elke verstoring van de psychische rust nu strafbaar wordt of aanleiding zou geven tot bestraffing. Het moet wel degelijk gaan om een psychische ziekte.” De wetgever verwijst in dit verband uitdrukkelijk naar de rechtspraak in Engeland en Wales, waarin “een duidelijk onderscheid [wordt] gemaakt tussen enerzijds psychologische schade die voort kan vloeien uit het misdrijf, zoals bv. angstgevoelens, en anderzijds psychische ziektes, zoals bv. depressies”. Op deze wijze wordt volgens de Belgische wetgever “de ernstige psychische schade die wordt toegebracht relevant voor het strafrecht, zonder dat daarbij elk emotioneel gevolg van deelname aan de samenleving strafrechtelijke gevolgen heeft. Bovendien wordt een te ruime bestraffing ook vermeden doordat de rechter steeds een causaal verband bewezen moet achten tussen de gedraging die de dader heeft gesteld en de vastgestelde psychische ziekte”. 228

Een integriteitsaantasting van de derde graad is op grond van art. 79 onder 17° SwN “elk lichamelijk letsel of schade aan de gezondheid die resulteert in een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk van meer dan vier maanden, een ongeneeslijk lijkende ziekte, het volledig verlies van een orgaan of een lichaamsfunctie, een zware verminking, dan wel een zwangerschapsverlies.” De uitleg van de termen “ziekte” en “ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk” is gelijk aan art. 79 onder 16° SwN.

8.24

In de eerste afdeling van Boek II, Hoofdstuk 4, SwN zijn “Opzettelijke misdrijven tegen de fysieke of psychische integriteit” strafbaar gesteld. Het gaat hierbij telkens gaat om “gewelddaden”. Wat hieronder wordt verstaan is bepaald in art. 193 SwN:

“Gewelddaden zijn alle opzettelijk gestelde gedragingen die bestaan uit:

1° het aanwenden van fysieke kracht of macht tegen een ander persoon en die uit hun aard de mogelijkheid hebben te resulteren in een lichamelijk letsel, pijn of schade aan de gezondheid, of;

2° het op eender welke wijze toebrengen aan een ander persoon van een lichamelijk letsel of schade aan zijn gezondheid.”

Volgens de Toelichting worden onder “schade aan zijn gezondheid” in de zin van art. 193 SwN – conform art. 79 SwN – ook psychische ziektes verstaan. 229 Voor strafbaarheid op grond van de bepaling onder 1° hoeven de genoemde gevolgen zich niet daadwerkelijk te hebben voorgedaan. Het is daarbij voldoende als de mogelijkheid bestaat dat de gedraging resulteert in een lichamelijk letsel, pijn of schade aan de gezondheid. 230 De strafbaarheid onder 1° is wel beperkt tot gedragingen die fysiek zijn. Het moet immers gaan om “het aanwenden van een fysieke kracht of macht tegen een ander persoon”. Kortom: voor zover het psychische mishandeling betreft, impliceert art. 193 onder 1° SwN slechts strafbaarheid indien het daarbij gaat om opzettelijke fysieke gedragingen die psychische ziekte veroorzaken of kunnen veroorzaken. Dit is anders voor de strafbaarstelling van art. 193 onder 2° SwN. Strafbaar op grond daarvan zijn ook opzettelijke niet-fysieke gedragingen (“op eender welke wijze toebrengen”), maar dan wel enkel wanneer daadwerkelijk lichamelijk letsel of schade aan de gezondheid – dat zoals opgemerkt psychische ziekte omvat – is toegebracht. Kortom: voor zover het psychische mishandeling betreft, biedt art. 193 onder 2° SwN een grondslag voor strafrechtelijke aansprakelijkheid in gevallen waarin gedragingen zonder fysiek aspect daadwerkelijk psychische ziekte veroorzaken.

8.25

Afdeling 2 van Hoofdstuk 4, Boek II, SwN gaat over “Aantasting van de fysieke of psychische integriteit door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid”. Het betreft hier culpoze feiten. Art. 217 SwN stelt strafbaar het “op eender welke wijze veroorzaken van een integriteitsaantasting van de eerste, tweede of derde graad bij een ander persoon door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid”. Net als bij art. 193 onder 2° SwN is bij de strafbepalingen in de tweede afdeling het intreden van het gevolg een vereiste. 231 De aard van de gedraging hoeft ook hier niet per se fysiek te zijn, zoals blijkt uit de formulering “op eender welke wijze”. Dit betekent mijns inziens dat het op grond van art. 217 SwN mogelijk zal zijn vormen van psychische mishandeling strafrechtelijk te vervolgen en te bestraffen waarbij noch de aard van de gedraging, noch de aard van het gevolg fysiek is, mits het gevolg (de integriteitsaantasting) daadwerkelijk is ingetreden en deze is ontstaan door “een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid”. Dit betekent dat niet elk gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid volstaat, dit zal “ernstig” moeten zijn. Daarnaast geldt ook bij art. 217 SwN dat er voor zover het psychische gevolgen betreft, alleen ruimte is voor strafrechtelijke aansprakelijkheid wanneer het om een psychische ziekte gaat.

8.26

Wanneer sprake is van huiselijk geweld in die zin dat de dader de ouder of andere bloed- of aanverwant in de rechte lijn dan wel in de zijlijn tot de derde graad is van het slachtoffer, gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of met het slachtoffer samenwoont, moet de rechter dit in overweging nemen bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte daarvan (art. 200 SwN). In art. 201 SwN is een strafverzwaringsgrond opgenomen voor “intrafamiliale gewelddaden”, te weten gewelddaden “gepleegd op een bloed of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen”, waarbij de rechter het bij de strafsoort en -maat moet meewegen wanneer dit werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige. 232

8.27

Met de daarnet geschetste regeling neemt de Belgische wetgever enigszins afstand van het thans nog geldende strafrecht in België. In het huidige Strafwetboek (hierna: Sw) zijn gewelddaden (onder meer) strafbaar gesteld in art. 398 Sw, dat luidt: “Hij die opzettelijk verwondingen of slagen toebrengt […]”. Volgens de wetgever is onder het huidige artikel “de bestraffing van het toebrengen van een geestelijk letsel vaak problematisch”, aangezien “een psychisch letsel niet wordt beschouwd als een verwonding in de zin van art. 398 Strafwetboek.” Het uitgangspunt is dat “verwondingen in de zin van artikel 398 e.v. Sw. steeds fysieke verwondingen moeten zijn die waarneembaar zijn; de aantasting van de gezondheid moet het gevolg zijn van een uitwending of inwendig fysiek letsel. Een depressie werd bijvoorbeeld niet erkend als een verwonding, net zo min als een gevoel van paniek. Ook een emotionele shock komt vandaag niet in aanmerking als verwonding, tenzij wanneer deze shock gevolgen heeft voor de fysieke werking van (een deel van) het lichaam, zoals bv. hartproblemen. In dat geval is er immers sprake van een fysiek letsel, hetzij van organische, hetzij van functionele aard.” 233 De Belgische wetgever is van oordeel dat het “opportuun en logisch zou zijn om, in het licht van de huidige stand van de medische wetenschap, ook de nodige strafrechtelijke bescherming te bieden tegen geweld dat psychische ziektebeelden veroorzaakt.” Daartoe wordt ook als argument genoemd dat het onderscheid tussen fysieke en psychische ziektebeelden in belangrijke mate achterhaald is: “Regelmatig wordt aangetoond dat bepaalde psychische aandoeningen ook lichamelijk waarneembaar zijn (bv. via geavanceerde hersenscans), dat ze een fysieke oorzaak hebben of dat ze enige vorm van lichamelijke gevolgen hebben.” Verder wordt genoemd dat er een tendens bestaat in omringende rechtssystemen om psychische ziektes in zekere mate te erkennen als een letsel waarvan de opzettelijke toediening een strafwaardig feit is. 234 Maar zoals al naar voren kwam onder 8.23, het moet echt gaan om een psychische ziekte, het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat “elke verstoring van de psychische rust” strafbaar wordt of aanleiding zou geven tot bestraffing. 235

8.28

Uit art. 79 onder 15°, 16° en 17° en 193 en 217 SwN kan een aantal door de Belgische wetgever gemaakte keuzes worden afgeleid. De strafbepalingen over psychische mishandeling zijn aan de ene kant tamelijk beperkt, zeker in vergelijking met bijvoorbeeld Denemarken, aangezien het moet gaan om (de kans op het ontstaan van) een psychische ziekte. Bijvoorbeeld het veroorzaken van wezenlijke angstgevoelens of het begaan van grof vernederende gedragingen die geschikt zijn om de ander op ongepaste wijze onder controle te houden, waaronder het uitoefenen van negatieve sociale controle, vallen er als zodanig niet onder. Anderzijds zijn de bepalingen juist ruim doordat zij algemeen van aard zijn en dus niet zijn beperkt tot geweldssituaties in bijvoorbeeld de huiselijke kring. Wanneer de aard van de gedraging fysiek is en sprake is van opzet, is het voldoende als de mogelijkheid bestaat dat de gedraging resulteert in een psychische ziekte. 236 Indien de opzettelijke gedraging daarentegen niet-fysiek van aard is, zal die daadwerkelijk psychische ziekte moeten hebben veroorzaakt. De regeling is ook ruim in de zin dat die van deze laatste opzetvariant een schuldvorm kent: ook wanneer het gaat om een culpoos feit (ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid) hoeft de gedraging niet noodzakelijkerwijs fysiek te zijn en moet de integriteitsaantasting c.q. de psychische ziekte wel daadwerkelijk zijn ingetreden.

Duitsland

8.29

Anders dan de wetgevers van Denemarken, Engeland & Wales, Frankrijk en België, heeft de Duitse wetgever er vooralsnog niet voor gekozen om bepaalde vormen van psychische mishandeling uitdrukkelijk strafbaar te stellen. Het Duitse Wetboek van Strafrecht (hierna: Strafgesetzbuch of StGB) kent geen delictsomschrijving die psychische mishandeling als zodanig zelfstandig criminaliseert. Psychische mishandeling is mogelijk wel strafbaar op grond van de “reguliere” strafbepalingen over mishandeling.

8.30 § 223

§ 223 StGB stelt de zogenoemde “Körperverletzung” strafbaar. Lid 1 daarvan luidt:

“Wer eine andere Person körperlich mißhandelt oder an der Gesundheit schädigt, wird mit Freiheitsstrafe bis zu fünf Jahren oder mit Geldstrafe bestraft.”

8.31

Het bestanddeel “körperlich mißhandelt” verwijst uitdrukkelijk naar gedragingen die een aanzienlijke aantasting van het lichaam veroorzaken. 237 Het is hierbij niet van belang hoe het fysieke gevolg is ontstaan. Psychische mishandeling zonder een fysiek gevolg valt hier niet onder. 238 Tegelijkertijd kan een niet-fysieke gedraging die een lichamelijke reactie teweegbrengt wel vallen onder § 223 StGB. 239 Het teweegbrengen van walging of angst is hiervoor bijvoorbeeld onvoldoende, maar van een fysiek gevolg kan wel sprake zijn als die walging misselijkheid of braken veroorzaakt. 240 De Duitse wetgever is van oordeel dat een geestelijke reactie kan worden onderscheiden van een lichamelijke reactie. 241 In het Münchener Kommentar op het Strafgesetzbuch wordt benadrukt dat hoewel medisch-biologische inzichten het steeds aannemelijker maken dat alle psychische reacties tevens lichamelijk zijn, juristen bij het ontbreken van wetgeving niet voorbij moeten gaan aan de bedoeling van de wetgever om geestelijk leed te onderscheiden van lichamelijk leed. Het recht zou niet bedoeld zijn om wetenschappelijke nauwkeurigheid te implementeren, maar om het samenleven op praktische wijze te regelen. 242

8.32 § 223

§ 223 StGB bevat daarnaast het bestanddeel “der Gesundheit schädigt”. In de Duitse rechtspraak is de gangbare definitie van gezondheidsschade “jedes Hervorrufen oder Steigern eines vom Normalzustand der körperlichen Funktionen des Opfers nachteilig abweichenden Zustandes” (cursivering PHvK). 243 Het Bundesgerichtshof voegde in zaken waarin geen lichamelijke gevolgen bij het slachtoffer konden worden vastgesteld toe dat “rein psychische Empfindungen” onvoldoende zijn voor gezondheidsschade. 244 Er zou sprake moeten zijn van een “pathologischen, somatisch objektivierbaren Zustand, vor allem auch nervlicher Art”. 245 In de rechtspraak is gebleken dat emotionele reacties zoals angststoornissen, 246 nachtmerries 247 of flashbacks 248 niet volstaan voor gezondheidsschade. Wel zou af en toe in de rechtspraak gezondheidsschade worden aangenomen wanneer handelingen leiden tot psychische beperkingen zonder klinische/pathologische waarde die wel lichamelijke gevolgen van “enig gewicht” hebben, zoals bedreigende en dwingende telefoontjes die trillen, slaapstoornissen, ademnood en een huilbui van twintig minuten veroorzaken. 249 Of zuiver psychische aandoeningen zonder bijkomende lichamelijke effecten onder gezondheidsschade vallen zou in de jurisprudentie nog niet concreet aan de orde zijn geweest. 250

8.33

In § 225 StGB is “Mißhandlung von Schutzbefohlenen” strafbaar gesteld. Deze bepaling houdt in:

“(1) Wer eine Person unter achtzehn Jahren oder eine wegen Gebrechlichkeit oder Krankheit wehrlose Person, die

1. seiner Fürsorge oder Obhut untersteht,

2. seinem Hausstand angehört,

3. von dem Fürsorgepflichtigen seiner Gewalt überlassen worden oder

4. ihm im Rahmen eines Dienst- oder Arbeitsverhältnisses untergeordnet ist, quält oder roh mißhandelt, oder wer durch böswillige Vernachlässigung seiner Pflicht, für sie zu sorgen, sie an der Gesundheit schädigt, wird mit Freiheitsstrafe von sechs Monaten bis zu zehn Jahren bestraft.

(2) Der Versuch ist strafbar.

(3) Auf Freiheitsstrafe nicht unter einem Jahr ist zu erkennen, wenn der Täter die schutzbefohlene Person durch die Tat in die Gefahr

1. des Todes oder einer schweren Gesundheitsschädigung oder

2. einer erheblichen Schädigung der körperlichen oder seelischen Entwicklung bringt.

(4) In minder schweren Fällen des Absatzes 1 ist auf Freiheitsstrafe von drei Monaten bis zu fünf Jahren, in minder schweren Fällen des Absatzes 3 auf Freiheitsstrafe von sechs Monaten bis zu fünf Jahren zu erkennen.”

8.34 § 225

§ 225 StGB is alleen van toepassing wanneer het slachtoffer minderjarig is of vanwege een kwetsbaarheid of ziekte weerloos is. Onder “quälen” moet worden verstaan langdurige of terugkerende pijn of lijden, waarbij pijn betrekking heeft op een bijzondere vorm van lichamelijke mishandeling in de zin van § 223 StGB en lijden ruimer is dan het mishandelingsbegrip van § 223 StGB. Ook geestelijk lijden valt hieronder. In dit verband wordt erop gewezen dat “quält” niet wordt voorafgegaan door een beperkend bijvoeglijk naamwoord, zoals “körperlich”. 251 Onder “roh misshandlen” valt naast fysieke mishandeling ook psychische mishandeling, aangezien ook hier – anders dan in § 223 StGB – het woord “körperlich” ontbreekt. 252 Tot slot valt onder § 225 StGB het toebrengen van schade aan de gezondheid “durch böswillige Vernachlässigung seiner Pflicht, für sie zu sorgen”, oftewel door opzettelijke verwaarlozing van de zorgplicht. Gezondheidsschade heeft hier dezelfde betekenis als in § 223 StGB. 253

8.35

Verder wijs ik nog kort op § 226 StGB, waarin “Schwere Körperverletzung” (“zware mishandeling”) is gedefinieerd. Uit § 223 lid 3 StGB blijkt dat hieronder ook wordt verstaan “geistige Krankheit” (“geestelijke ziekte”). 254

8.36

Tot slot kunnen bepaalde vormen van psychische mishandeling net als in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht vallen onder de strafbaarstellingen van belaging (§ 238 StGB: “Nachstellung”), dwang (§ 240 StGB: “Nötigung”), bedreiging (§ 241 StGB: “Bedrohung”) en belediging, laster en smaad (§ 185-187 StGB: “Beleidigung”, “Üble Nachrede” en “Verleumdung”).

8.37

Op de aanbeveling van GREVIO “[t]o effectively criminalise all acts that seriously impair the psychological integrity of a person as required by Article 33 of the Istanbul Convention, GREVIO strongly encourages the German authorities to consider creating a separate offence which takes into account all elements of the crime as required by the convention”, 255 reageerde de Duitse overheid als volgt: 256

“Conduct that affects a person’s mental well-being in such a way that the impairment is physically objectifiable (e.g. in the case of depression) is already punishable under the current law. Thus, the provocation or aggravation of such a psychological pathological impairment can constitute an injury to health, which can be punished as bodily harm under Section 223 of the Criminal Code (Strafgesetzbuch, StGB), with a penalty of imprisonment for up to five years or a fine. No distinction is made between offences committed online and those committed offline. In addition, the offence may constitute coercion (Section 240 StGB) or a threat (Section 241 StGB). Punishable conduct within the meaning of Article 33 IC can therefore be sufficiently covered.”

8.38

Hieruit blijkt dat de Duitse overheid van oordeel is dat de huidige strafwetgeving reeds voldoet en dat er geen aanleiding is psychische mishandeling zelfstandig strafbaar te stellen en evenmin om psychische mishandeling of psychische gevolgen uitdrukkelijk in de strafwet te noemen. Nu er hierbij bijvoorbeeld geen aandacht is voor de rechtspraak van het EHRM zoals die hierboven naar voren komt onder 7.28, betekent een en ander dat men niet is toegekomen aan de vraag of in plaats van de wetgever de rechter psychische mishandeling zelfstandig binnen het bereik van de Duitse strafwet zou kunnen en mogen brengen.

8.39

Niettemin lijkt het oordeel van de rechtspraak te zijn dat het aan de wetgever is om desgewenst het strafrecht in dit opzicht te veranderen, zo valt op te maken uit het strenge vasthouden in de rechtspraak aan bijvoorbeeld de rechtsopvatting dat psychische mishandeling zonder een fysiek gevolg niet valt onder § 223 lid 1 StGB. Overigens merk ik daarbij op dat die bepaling met het bestanddeel “körperlich mißhandelt” minder ruimte voor rechterlijke interpretatie laat dan bijvoorbeeld art. 300 Sr, dat in lid 1 en lid 4 immers geen bestanddeel bevat dat naar het fysieke lichaam verwijst. Maar waar het hiervoor ook genoemde § 225 lid 1 StGB naast “roh mißhandelt” ook het bestanddeel “quält” bevat, kent art. 300 Sr naast het bestanddeel “mishandeling” juist weer niet een dergelijke minder fysiek gerichte term.

Conclusie landenbespreking

8.40

De zojuist geschetste wetgevingssituaties in andere landen illustreren dat wanneer het gaat om het strafbaar stellen van psychische mishandeling talloze keuzevragen kunnen rijzen. Het gaat er dan onder meer om welke verschijningsvormen van psychische mishandeling men strafbaar zou willen stellen (denk ook aan dwingende controle), of strafbaarstelling algemeen of alleen voor bepaalde contexten wenselijk is (zoals huiselijk, relationeel, school, werk), of voor bepaalde groepen in aanvullende strafrechtelijke bescherming moet worden voorzien (minderjarigen, nauwe relaties), wanneer voor het psychisch welzijn bedreigende feiten strafwaardig zijn (psychische ziekten of ook andere psychische effecten) en of daarbij moet worden gekeken naar de gedraging, het gevolg of allebei (materiële en/of formele delicten), en op welke wijze beperkingen van de reikwijdte van de strafbaarstelling moeten worden vormgegeven (bestanddelen en/of excepties), ook in relatie tot bijvoorbeeld de vragen of het naast opzettelijk ook om culpoze gedragingen kan gaan en of de gedragingen zich herhaaldelijk over enige periode moeten hebben voorgedaan.

8.41

Interessant is ook dat uit de behandeling van Denemarken, Engeland & Wales, Frankrijk en België verschillende redenen naar voren komen om psychische mishandeling door nieuwe wetgeving binnen het bereik van het strafrecht te brengen. Naast het willen wegnemen van ervaren lacunes in de bescherming tegen psychische mishandeling, wordt het ook van belang geacht om een duidelijk kader te bieden (legaliteitsbeginsel), expliciet duidelijk te maken dat psychische mishandeling strafwaardig en strafbaar is (expressiefunctie) en een effectieve bescherming tegen psychische mishandeling mogelijk te maken (handhaving).

8.42

Opmerking verdient ten slotte dat bij geen van de landen naar voren is gekomen dat men het uitdrukkelijk aan de rechtspraak wil(de) overlaten om psychische mishandeling binnen het bereik van het strafrecht te brengen (maar dat wil niet zeggen dat zulke landen er niet zijn). Overigens is andersom evenmin uitdrukkelijk gebleken dat men van oordeel is dat het legaliteitsbeginsel of bijvoorbeeld het perspectief van de trias politica en beperkingen aan de rechtsvormende taak van de rechter zich hiertegen zouden verzetten. Dat laat onverlet dat er wat betreft het Bundesgerichtshof in Duitsland geen aanwijzingen zijn dat men via rechterlijke interpretatie tot een bredere bescherming van psychische mishandeling aan het komen is.

9. Wetsgeschiedenis en rechtspraak van de Hoge Raad 257

9.1

Art. 300 Sr luidt voor zover van belang:

“1. Mishandeling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.

[…]

4. Met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid.”

9.2

Het misdrijf “mishandeling” staat al sinds 1886 in het Wetboek van Strafrecht. Ook destijds hield de strafbepaling niet meer in dan dat “mishandeling” met een nader aangeduide straf werd bedreigd. Voorts was in het artikel vastgelegd dat “opzettelijke benadeeling der gezondheid” met mishandeling werd gelijkgesteld. 258 Afgezien van de strafbedreiging zijn de bepalingen die tegenwoordig in het eerste en vierde lid zijn opgenomen dus inhoudelijk ongewijzigd gebleven sinds 1886. In het Oorspronkelijke Regeringsontwerp (hierna: O.R.O.) was de delictsomschrijving van mishandeling wel enigszins anders geformuleerd. Art. 324 O.R.O. hield in: 259

“Hij die door eenige daad aan een ander opzettelijk ligchamelijk leed toebrengt of opzettelijk diens gezondheid benadeelt, wordt, als schuldig aan mishandeling, gestraft […]”.

Dat deze formulering tijdens het wetgevingsproces werd vervangen door de term “mishandeling” heeft twee redenen.

9.3

Ten eerste bestond discussie over de taalkundige correctheid van het begrip “ligchamelijk leed”. Betoogd werd dat dit een contradictio in terminis is “omdat leed alleen van morele smart gebezigd wordt”. Hieruit volgt dat de wetgever zich er in het algemeen bewust van was dat naast lichamelijke gevolgen ook andere gevolgen – waaronder leed – denkbaar zijn. Overigens blijkt uit parlementaire discussies voor het Wetboek van Strafrecht van 1886 soms ook in relatie tot andere (niet tegen de fysiek gerichte) delicten dat men zich realiseerde dat strafbare feiten de psyche, geest en gemoedsrust kunnen raken van degenen tegen wie het strafbare feit wordt begaan. 260

9.4

Ten tweede achtte de Commissie van rapporteurs het woord “mishandeling” geschikt om tot uitdrukking te brengen dat niet alle vormen van het aan een ander toebrengen van lichamelijk leed strafwaardig zijn, zoals “heelkundige operatien” en “castigatia paterna”. 261 Uit art. 324 O.R.O. blijkt dus dat het benadelen van de gezondheid aanvankelijk onderdeel was van de term mishandeling. 262Baaijens-Van Geloven merkt op dat “[u]it de Nederlandse (ontwerp)wetteksten is af te leiden dat mishandeling vooral ziet op de bescherming van het menselijk lichaam en de lichamelijke integriteit, met inbegrip van de gezondheid”, in de wetsgeschiedenis in dit verband “[n]ergens wordt gesproken over de geestelijke gezondheid of mentale of psychische integriteit”, zodat het volgens haar “niet erg aannemelijk [is] dat met de bepalingen in Titel XX van het Tweede Boek aanvankelijk werd beoogd ook deze rechtsbelangen te beschermen”. 263 Dat lijkt bovendien ook daarom niet aannemelijk nu de gehele Titel over mishandeling tekstueel nogal fysiek en in elk geval niet psychisch gericht is. Mijns inziens is er echter ruimte voor een nog wat stelligere conclusie: nu – zoals daarnet onder 9.3 bleek – de wetgever zich realiseerde dat strafbare feiten invloed kunnen hebben op de psyche van het slachtoffer, is er kennelijk bewust van afgezien om psychische mishandeling zelfstandig strafbaar te stellen met art. 300 Sr of enige andere bepaling in Titel XX.

9.5

Wat betreft de wetsgeschiedenis wijs ik verder nog op de memorie van toelichting bij het inmiddels door de Tweede Kamer aangenomen initiatiefwetsvoorstel strafbaarstelling conversiehandelingen. Daarin wordt opgemerkt dat mishandeling “in de rechtspraktijk in vrijwel alle gevallen lichamelijke mishandeling” betekent en verder: “Voor zover conversiehandelingen lichamelijk leed of een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording aan het lichaam teweegbrengen, kunnen zij op basis van bestendige jurisprudentie onder mishandeling vallen.” Uit de toelichting volgt dat daarvan geen sprake is bij psychische mishandeling zoals verbale conversiehandelingen (bijvoorbeeld pseudo-psychotherapeutische sessies en stelselmatig exorcisme), zodat niet bij alle vormen van conversiehandelingen aan de delictsomschrijving van artikel 300 Sr zal zijn voldaan. “Daarom is deze strafbaarstelling niet in alle gevallen geschikt om conversiehandelingen strafrechtelijk te vervolgen.” 264

9.6

Tot slot nog een opmerking over de eerder genoemde uitspraak van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport – waarnaar in de feitenrechtspraak veelvuldig wordt verwezen – en de eerder genoemde contourenbeschrijving (zie onder 6.11 resp. 6.29). Hierin wordt het standpunt ingenomen dat art. 300 Sr de mogelijkheid biedt om (bepaalde vormen van) psychische mishandeling strafrechtelijk aan te pakken. Niet nader wordt aangeduid waarop dit standpunt is gebaseerd of wat er precies mee wordt bedoeld. Niettemin blijkt uit het navolgende dat psychische mishandeling inderdaad strafbaar kan zijn op grond van art. 300 Sr mits daarbij ook sprake is van – kort gezegd – een fysiek element. Dat psychische mishandeling ook geheel zelfstandig tot strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden, valt echter niet af te leiden uit de hiervoor behandelde wetsgeschiedenis en navolgende rechtspraak van de Hoge Raad. Die wetsgeschiedenis en rechtspraak impliceren juist het tegendeel. 265

9.7

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402 bevestigd dat de totstandkomingsgeschiedenis van art. 300 Sr niet duidt op “een wijziging van opvatting ten aanzien van de reikwijdte van wat oorspronkelijk was omschreven als het opzettelijk toebrengen van lichamelijk leed of het opzettelijk benadelen van de gezondheid.” 266 Art. 300 Sr is een materieel delict. Het gevolg als zodanig is dus niet nader omschreven in de wet en (het veroorzaken van) een bepaald gevolg staat centraal. 267 Volgens de Hoge Raad strekt art. 300 Sr ter bescherming van de lichamelijke integriteit 268 en moet gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van het artikel onder “mishandeling” in de zin van art. 300 Sr “niet alleen worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn – zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat […] – maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam.” 269

9.8

In latere arresten over art. 300 Sr heeft de Hoge Raad deze uitleg herhaald, zij het dat de Hoge Raad het “opzettelijk benadelen van de gezondheid” in die latere uitspraken uitdrukkelijk onder “mishandeling” schaart. 270 Hoewel uit art. 324 O.R.O. al blijkt dat het mogelijk is een dergelijke bredere betekenis aan mishandeling toe te kennen, is het hanteren ervan toch in die zin opvallend dat uit art. 300 lid 4 Sr slechts blijkt dat opzettelijke benadeling van de gezondheid met mishandeling “wordt gelijkgesteld”.

9.9

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dus dat vier vormen van mishandeling kunnen worden onderscheiden: (i) het aan een ander toebrengen van “lichamelijk letsel”, (ii) het bij een ander teweegbrengen van “pijn”, (iii) het opzettelijk “benadelen van de gezondheid”, en onder omstandigheden (iv) het bij een ander teweegbrengen van “een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam”. In het navolgende ga ik, in enigszins andere volgorde, nader op deze varianten in. Daarbij besteed ik in het bijzonder aandacht aan de vraag of psychische mishandeling onder een of meer van deze varianten zou kunnen vallen.

9.10

Varianten (i) en (ii). Voor de varianten “lichamelijk letsel” en “pijn” is het antwoord op deze vraag tamelijk duidelijk. De toevoeging “lichamelijk” voor “letsel” maakt dat vormen van psychische mishandeling waarbij het gevolg van de gedraging zuiver psychisch is zijn uitgesloten. 271 De term letsel wordt bovendien in het Wetboek van Strafrecht telkens gebruikt in combinatie met het woord lichamelijk, bijvoorbeeld in art. 302 Sr. 272 In art. 82 Sr wordt tot op zekere hoogte invulling gegeven aan zwaar lichamelijk letsel in de zin van art. 302 Sr. Art. 82 lid 2 Sr houdt in dat hieronder mede wordt begrepen “storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft”. De Hoge Raad heeft bepaald dat “[p]sychische gevolgen die niet zonder meer zijn aan te merken als een (ver)storing van de verstandelijke vermogens als bedoeld in artikel 82 lid 2 Sr, […] echter niet [kunnen] worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel”. 273 Wat betreft “pijn” meen ik met Baaijens-Van Geloven dat uit de memorie van toelichting bij de Uitvoeringswet folteringsverdrag en de memorie van toelichting bij de Wet internationale misdrijven kan worden afgeleid dat onder pijn in de zin van de mishandelingsbepalingen van het Wetboek van Strafrecht alleen lichamelijke pijn moet worden verstaan. 274 Daarnaast blijkt uit het meteen hierna onder 9.11 behandelde arrest HR 11 februari 1929, ECLI:NL:HR:1929:351, NJ 1929, p. 503 dat hoewel de Hoge Raad van opvatting is dat alle leed psychisch is, het bij het strafbaar veroorzaken van pijn om het lichamelijk aspect daarvan gaat. Daarmee is – niet opzienbarend – overigens eveneens duidelijk dat ook de Hoge Raad zich er destijds al van bewust was dat lichamelijke pijn ook psychische gevolgen kan hebben.

9.11

Variant (iv). Minder eenvoudig ligt het bij de variant die de Hoge Raad omschrijft als het bij een ander teweegbrengen van “een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam”. Deze variant is ontleend aan het daarnet genoemde arrest HR 11 februari 1929, ECLI:NL:HR:1929:351, NJ 1929, p. 503. Daarin was bewezenverklaard dat de verdachte iemand met geweld in een kanaal had geduwd, waardoor deze persoon nat en koud was geworden. In cassatie werd onder meer geklaagd dat “het tenlastegelegde en bewezen verklaarde niet insluit, dat aan [het slachtoffer] pijn of letsel is toegebracht, hetgeen een noodzakelijk vereischte zou zijn voor een veroordeling wegens mishandeling”. Het hof had overwogen dat “het opzettelijk met geweld een persoon in een kanaal duwen, ten gevolge waarvan deze geheel nat en koud is geworden en lichamelijk leed heeft ondervonden, zooals ter dagvaarding gesteld en in het vonnis is bewezen verklaard, oplevert “mishandeling” als bedoeld in artikel 300 Wetboek van Strafrecht”. De Hoge Raad oordeelde als volgt: 275

“dat nu, al kan worden toegegeven, dat alle leed psychisch is, zeer goed kan worden onderscheiden tusschen pijn of ander leed, dat is min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in of aan het lichaam eenerzijds en de eigenlijk gezegde gemoedsaandoeningen, voor zoover zij leed opleveren, anderzijds, zijnde blijkbaar bij den term “lichamelijk leed” aan de eerstbedoelde gewaarwordingen te denken;

dat derhalve niet alleen het veroorzaken van pijn, doch ook het opwekken van dergelijke “lichamelijke’” gewaarwordingen onder omstandigheden ‘”mishandeling” kan opleveren en dit ongetwijfeld zoo is in een geval als dit, waarin is telastgelegd en bewezen verklaard, dat de verdachte den getuige [slachtoffer] opzettelijk met geweld in een kanaal heeft geduwd, ten gevolge waarvan deze geheel nat en koud is geworden;”

9.12

Van het teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam was verder sprake in onder meer de volgende gevallen:

- het toedienen van roet aan het slachtoffer waardoor het slachtoffer zich verslikt, een hoestbui krijgt en benauwd wordt; 276

- het slachtoffer met enige kracht in koud water duwen; 277

- het afscheren van een groot gedeelte van het hoofdhaar terwijl het slachtoffer door de verdachten in bedwang werd gehouden; 278

- het meerdere keren vastgrijpen van de testikels; 279

- het gieten van urine over het gezicht, de haren en het shirt van het slachtoffer, waardoor de urine in de mond van het slachtoffer is gekomen en het slachtoffer misselijk werd; 280

- het in de Amstel duwen van het slachtoffer, waardoor het slachtoffer tot op het bot nat was en zich koud voelde; 281

- het van dichtbij vol in het gezicht en in de ogen spugen, hetgeen het slachtoffer “vreselijk vies en walgelijk vond”. 282

9.13

Gelet op deze uitspraken, de in de totstandkomingsgeschiedenis van art. 300 Sr voorkomende term “ligchamelijk leed” en het beschermde rechtsbelang van art. 300 Sr – te weten: de lichamelijke integriteit – kan volgens diverse rechtsgeleerden psychische mishandeling zonder fysiek gevolg niet onder een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam vallen. Veelal wordt aangenomen dat sprake zou moeten zijn van een min of meer hevige lichamelijke onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, 283 oftewel dat de aard van het gevolg ook wat betreft de onlust lichamelijk moet zijn. A-G Harteveld komt echter tot een benadering waarin het fysieke vereiste verder naar de achtergrond wordt gedrukt. Hij is van opvatting dat de gedraging van de verdachte weliswaar een zekere lichamelijke component wat betreft het slachtoffer moet hebben, maar dat de “min of meer hevige onlust” die deze lichamelijke gewaarwording veroorzaakt niet noodzakelijkerwijs lichamelijk hoeft te zijn. Pas wanneer “enige lichamelijke component, zoals [bij] sarren, vitten of kleineren”, niet aan de orde is, zou mishandeling niet kunnen worden bewezen, aldus Harteveld. 284 Harteveld lijkt dus te veronderstellen dat de aard van de gedraging in die zin lichamelijk moet zijn dat deze een lichamelijke gewaarwording tot gevolg heeft, maar dat hetgeen vervolgens weer door die lichamelijke gewaarwording wordt veroorzaakt – te weten: “een min of meer hevige onlust” – niet ook lichamelijk hoeft te zijn.

9.14

Het gaat er dus om of het geheel van de “een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording” lichamelijk moet zijn dan wel – zoals A-G Harteveld concludeert – alleen de “gewaarwording” en niet ook de daaruit voortvloeiende “onlust”. De Hoge Raad maakt niet expliciet duidelijk of hij de benadering van Harteveld overneemt bij de verwerping van het eerste cassatiemiddel in HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:774, NJ 2025/166. Bewezenverklaard was het van dichtbij vol in het gezicht en in de ogen spugen, hetgeen het slachtoffer “vreselijk vies en walgelijk vond”. De gedraging van de verdachte had daarmee in elk geval een lichamelijke inwerking op het slachtoffer, aangezien spuug in het gezicht en in de ogen van het slachtoffer terechtkwam. De gewaarwording daarvan was dus lichamelijk. Volgens de Hoge Raad getuigde het niet van een onjuiste rechtsopvatting en was het toereikend gemotiveerd dat het hof had geoordeeld “dat de verdachte bij het slachtoffer opzettelijk een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording – zoals hiervoor bedoeld – teweeg heeft gebracht en dat hij [benadeelde] heeft mishandeld” (r.o. 2.4). Uit de bewijsvoering bleek niet dat de onlust c.q. het gevolg (zich walgelijk en vies voelen) ook lichamelijk was, bijvoorbeeld doordat dit resulteerde in braken of een andere zich lichamelijk manifesterende onlust. Het heeft er daarmee de schijn van dat de Hoge Raad – in lijn met de opvatting van A-G Harteveld – het vereiste van “het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam” (cursivering PHvK) (r.o. 2.3) zo heeft toegepast dat het lichamelijke alleen op de gewaarwording betrekking hoeft te hebben.

9.15

Hoe dan ook impliceert het voorgaande dat een lichamelijk gevolg in elk geval wat betreft de gewaarwording is vereist. Al met al is naar mijn oordeel op psychische mishandeling waarbij de gedraging van de verdachte geen enkele lichamelijke component ten aanzien van het slachtoffer heeft, gelet op de huidige stand van zaken in de jurisprudentie van de Hoge Raad niet de variant “het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam” van toepassing.

9.16

Variant (iii). Dit brengt mij ten slotte bij mishandeling in de zin van het “opzettelijk benadelen van de gezondheid”. Deze vorm van mishandeling is in de jurisprudentie van de Hoge Raad niet vaak aan de orde geweest. HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5468, NJ 2013/110, r.o. 2.4 houdt in dat “het brengen in een (tijdelijke) staat van bewusteloosheid of onmacht onder omstandigheden kan worden aangemerkt als opzettelijke benadeling van de gezondheid in de zin van art. 300, vierde lid, Sr”. In deze zaak was ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij de aangeefster koffie met een heimelijk daarin vermengd slaapmiddel (Midazolam) had doen drinken ten gevolge waarvan zij in slaap was gevallen. In de tweede cassatieronde herhaalde de Hoge Raad dit oordeel. 285 In de literatuur is wel geopperd dat dit arrest “in ieder geval de algemene aanwijzing [biedt] dat aan het aannemen van een (voltooide) benadeling van de gezondheid niet zonder meer hoge eisen worden gesteld.” 286

9.17

Verder kan nog worden gewezen op HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4858, NJ 2013/423 m.nt. Legemaate. De verdachte, een BIG-geregistreerde arts, had het slachtoffer alternatieve therapie gegeven terwijl hij wist dat zij was gediagnosticeerd met borstkanker en dat de werking van zijn alternatieve geneeswijze nooit wetenschappelijk was aangetoond. Volgens de Hoge Raad konden de vaststellingen van het hof het oordeel dragen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het door zijn handelen en nalaten benadelen van de gezondheid van het slachtoffer, in die zin dat zij verdere gezondheidsschade zou ondervinden bestaande uit aanzienlijke bekorting van de levensverwachting, de toename van ernstige pijnklachten en ernstig lichamelijk letsel als gevolg van het uitblijven van deugdelijke palliatieve zorg. 287

9.18

De vraag of onder het “opzettelijk benadelen van de gezondheid” ook de psychische gezondheid kan worden verstaan is niet eerder aan de Hoge Raad voorgelegd. 288 Enerzijds bestaan er argumenten om deze vraag positief te beantwoorden. 289 Zo kan worden gewezen op de lage eisen die de Hoge Raad zou stellen aan het aannemen van een benadeling van de gezondheid. 290 Daarnaast valt psychische gezondheid taalkundig onder de gezondheid in het algemeen. Voorts is het de vraag of medisch-biologisch gezien een (strikt) onderscheid tussen lichamelijke en geestelijke gezondheid kan worden gemaakt. 291 Bij een en ander is van belang dat de negentiende-eeuwse wetgeschiedenis van art. 300 Sr niet nader aanduidt of illustreert wat onder benadeling van de gezondheid moet worden verstaan (het enige voorbeeld dat bij de Titel over mishandeling naar voren komt is het toedienen van voor de gezondheid schadelijke stoffen, wat is strafbaar gesteld in art. 304 lid 1 onder 4 Sr).

9.19

Anderzijds valt te betogen dat het niet voor de hand ligt dat het woord “psychische” moet worden ingelezen voor “gezondheid”. 292 Zoals al aan de orde kwam onder 9.7 beschouwt de Hoge Raad de bescherming van de lichamelijk integriteit als de strekking van de strafbaarstelling van mishandeling en vereist de Hoge Raad voor de andere varianten van mishandeling steeds een lichamelijke in- of uitwerking op het lichaam. Bovendien komt ook in de wetsgeschiedenis van art. 300 Sr de geestelijke gezondheid of mentale of psychische integriteit geheel niet als zelfstandig te beschermen rechtsgoed naar voren. Dat is in mijn optiek een belangrijke constatering. Dat vandaag de dag anders wordt gekeken naar het onderscheid tussen lichaam en geest, neemt niet weg dat fysieke gedragingen ook eeuwen geleden al psychische effecten hadden, zoals langdurige slapeloosheid of angst als gevolg van een fysieke mishandeling. Het is moeilijk denkbaar dat de wetgever zich dit niet heeft gerealiseerd. Daarom is niet verwonderlijk (zoals hiervoor bleek onder 9.3) dat de wetgever er zich ook destijds van bewust is geweest dat strafbare feiten – inclusief mishandeling – psychische gevolgen kunnen hebben voor degenen tegen wie deze worden begaan. Desondanks heeft de wetgever dergelijke gevolgen niet genoemd als zelfstandige grond voor toepassing van art. 300 Sr. Gelet op de wetsgeschiedenis, het sterk op fysieke gevolgen gerichte systeem van art. 300 Sr en de rechtspraak van Hoge Raad, kom ik dan ook tot de conclusie dat psychische mishandeling onder het geldende positieve recht niet zelfstandig als “benadeling van de gezondheid” geldt.

9.20

De conclusie op grond van de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad is dat psychische mishandeling onder geen van de thans erkende strafbare vormen van mishandeling zelfstandig strafbaar is op grond van art. 300 Sr. De vraag rijst dan echter of de begrippen “mishandeling” en/of “benadeling van gezondheid” via rechterlijke interpretatie zo zouden kunnen worden uitgelegd dat daaraan ook zelfstandig invulling kan worden gegeven door psychische mishandeling. Op daarbij spelende juridische mogelijkheden en bezwaren ga ik nu in.

10Slotbeschouwing over psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr

10.1

Dat psychische mishandeling zelfstandig – dus zonder dat sprake is van een enigszins betekenisvol fysiek aspect of gevolg – niet strafbaar is op grond van art. 300 Sr, 293 neemt niet weg dat zulke mishandeling de psychische integriteit van personen wezenlijk kan schaden en daarmee hevige gevolgen voor hen kan hebben. Dit betekent dat psychische mishandeling wat betreft ernst niet onder hoeft te doen voor strafbare vormen van fysieke mishandeling. 294 Het is in dit opzicht begrijpelijk dat in de vervolgingspraktijk, de feitenrechtspraak, het parlement, de strafrechtswetenschappelijke literatuur, de maatschappij en overigens ook door wetgevers in andere landen wordt gewezen op het belang bij het zelfstandig strafbaar zijn van (bepaalde vormen van) psychische mishandeling. 295 Daarbij komt dat tegenwoordig ook het internationaal recht (i.h.b. het IVRK) en het Europees recht (i.h.b. het Verdrag van Istanboel en de rechtspraak van het EHRM over i.h.b. art. 3 en 8 EVRM) staten verplichten om te verzekeren dat bepaalde vormen van psychische mishandeling strafbaar zijn en dat daartegen strafrechtelijk wordt opgetreden. 296

10.2

Voor zover van zulke internationale verplichtingen sprake is, betreft het strafbaar stellen van psychische mishandeling op zichzelf niet zozeer een rechtspolitieke keuze, maar veeleer het implementeren van juridische verplichtingen (daargelaten dat wat betreft de uit de rechtspraak van het EHRM voortvloeiende verplichtingen nog niet zo gemakkelijk is vast te stellen wat de reikwijdte daarvan is). In zoverre hoeft het via rechterlijke interpretatie binnen de reikwijdte van het strafrecht brengen van psychische mishandeling op minder bezwaren te stuiten dan daar waar het wel echt op rechtspolitieke keuzes aankomt. Er zal voor de te maken afweging echter steeds ook naar andere argumenten moeten worden gekeken, dus zowel voor zover psychische mishandeling erkenning in internationale verplichtingen vindt als wanneer het vormen betreft waarvoor dat niet het geval is.

10.3

Allereerst is dan het legaliteitsbeginsel van belang. Voor wat betreft het daaruit voortvloeiende verbod van te extensieve interpretatie lijken mij er geen onoverkomelijke bezwaren te bestaan tegen een interpretatie van de in art. 300 Sr voorkomende bestanddelen “mishandeling” en “benadeling van de gezondheid” waarbij daaronder naast fysieke mishandeling ook psychische mishandeling zelfstandig zou worden begrepen. Taalkundig laten deze begrippen daarvoor ruimte. Van belang daartoe is dan ook dat deze bepaling – anders dan bijvoorbeeld het Duitse § 223 StGB waarin het gaat om “körperlich mißhandelt” 297 – niet expliciet vereist dat de mishandeling lichamelijk is. Niettemin zou ook een dergelijke interpretatie betekenen dat afstand wordt genomen van de wetsgeschiedenis en van de cassatierechtspraak over mishandeling sinds 1886. Toch lijkt mij verdedigbaar dat het legaliteitsbeginsel in art. 7 EVRM en art. 1 lid 1 Sr zich niet tegen een dergelijke interpretatie verzet.

10.4

Het EHRM stelt voorop dat “criminal law must not be extensively construed to an accused’s detriment, for instance by analogy”, maar dat neemt niet weg dat “in any system of law, including criminal law, there is an inevitable element of judicial interpretation. There will always be a need for elucidation of doubtful points and for adaptation to changing circumstances. Indeed, […] the progressive development of the criminal law through judicial law-making is a well entrenched and necessary part of legal tradition. Article 7 of the Convention cannot be read as outlawing the gradual clarification of the rules of criminal liability through judicial interpretation from case to case, provided that the resultant development is consistent with the essence of the offence and could reasonably be foreseen.” 298 Te beargumenteren valt dat aan de in deze rechtspraak gestelde voorwaarden is voldaan. Er is sprake van gewijzigde omstandigheden met een sinds 1886 sterk toegenomen kennis en bewustzijn over de schadelijke effecten van psychische mishandeling. Daardoor is het ten minste voor ernstige gevallen van psychische mishandeling ook voorzienbaar dat deze binnen het bereik van de strafwet zouden kunnen worden gebracht. Mede erop gelet dat psychische en fysieke mishandeling medisch niet steeds zonder meer strikt kunnen worden onderscheiden en dat mishandeling maatschappelijk bezien ook psychisch geweld is gaan omvatten, zou men een interpretatie waarbij onder mishandeling stapsgewijs ook bepaalde vormen van psychische mishandeling worden geschaard als graduele verduidelijking kunnen aanmerken. Hoewel art. 300 Sr blijkens de wetsgeschiedenis en huidige rechtspraak strekt tot bescherming van de fysieke integriteit, kan bij een iets abstractere benadering worden volgehouden dat de bepaling in essentie tegen geweldsuitoefening jegens personen beoogt te beschermen. De tekst van de bepaling verzet zich niet daartegen. Bij die benadering zou het door interpretatie zelfstandig onder art. 300 Sr brengen van (bepaalde, voldoende ernstige vormen van) psychisch geweld niet de essentie van het delict miskennen.

10.5

Evenmin lijkt een zodanige interpretatie per se te hoeven afstuiten op art. 1 Sr, al wil dat niet zeggen dat het legaliteitsbeginsel geen vragen oproept. Op zichzelf bezien lijkt mij zich bij een uitleg waarbij psychische mishandeling onder het begrip “mishandeling” of “benadeling van de gezondheid” wordt gebracht, geen grotere legaliteitssprong voor te doen dan bij het elektriciteitsarrest en het RuneScape-arrest waarmee elektriciteit respectievelijk virtuele objecten binnen het bereik werden gebracht van het bestanddeel “goed” in art. 310 Sr. 299 In ander opzicht is het inlezen van psychische mishandeling echter wel verstrekkender. Waar het bij elektriciteit en virtuele objecten om technische en maatschappelijke ontwikkelingen gaat die de wetgever niet kon voorzien, 300 geldt voor psychische mishandeling dat de wetgever zich ook destijds al – tot op zekere hoogte – realiseerde dat ook niet fysiek gerichte gedragingen gevolgen voor het psychisch welzijn van de getroffene kunnen hebben. 301 Verder werd ten tijde van het elektriciteitsarrest al algemeen aangenomen dat diefstal van elektriciteit strafwaardig gedrag betreft. 302 Niet aannemelijk is dat de wetgever van 1886 dit anders zag. Daarentegen wijst de reeds toenmalige bewustheid bij de wetgever dat criminaliteit ook psychische gevolgen kan hebben, er wat betreft psychisch geweld op dat de wetgever dit niet zelfstandig strafwaardig heeft geacht. 303 En in elk geval is voor de huidige tijd niet duidelijk voor welke verschijningsvormen en binnen welke grenzen er over de strafwaardigheid van psychisch geweld voldoende consensus bestaat. Dit hangt samen met een ander verschil: waar het begrip virtuele objecten en vooral het begrip elektriciteit tamelijk duidelijk en begrensd zijn, is het begrip psychische mishandeling allesbehalve vastomlijnd en betreft dit een fenomeen dat diffuus van aard is en waarvoor een algemeen geaccepteerde definitie ontbreekt mede doordat de betekenis ervan ook afhankelijk is van maatschappelijke opvattingen. 304

10.6

Daarmee kom ik op een ander aspect van het legaliteitsbeginsel, namelijk het Bestimmtheitsgebot, dat vereist dat strafbepalingen duidelijk, precies en specifiek zijn. 305 Dit gebod zou onder druk kunnen komen te staan wanneer psychische mishandeling door de Hoge Raad onder art. 300 Sr zou worden gebracht. Het daarnet gestelde impliceert immers dat de betekenis van het bestanddeel mishandeling en/of benadeling van de gezondheid veel minder scherp omlijnd zal zijn wanneer dat ook voortaan psychische mishandeling zou omvatten. Juist omdat uit art. 300 Sr en Titel XX nauwelijks vereisten voortvloeien die een begrenzing van het begrip psychisch geweld dicteren, zou de strafbaarstelling daarmee in potentie buitengewoon ruime mogelijkheden bieden om gedragingen die de psyche van andere mensen negatief beïnvloeden binnen het bereik van de strafbepaling te laten vallen. Daarmee zou de rechtsonzekerheid en waarschijnlijk ook de rechtsongelijkheid als gevolg van niet consistente toepassing in de praktijk vermoedelijk juist toenemen. Om dit te voorkomen zou de Hoge Raad diens extensieve interpretatie dan meteen ook duidelijk moeten begrenzen. Maar hoe kan de cassatierechter bepalen welke grenzen daarbij zijn aangewezen?

10.7

Uit de behandeling hiervoor van zowel het internationaal recht als vooral het recht van andere landen blijkt dat bij strafbaarstelling van psychisch geweld een groot aantal keuzes voorliggen wat betreft de reikwijdte, inhoud en vormgeving van de strafbaarstelling. 306 Dient psychische mishandeling bijvoorbeeld algemeen strafbaar te zijn of alleen in bepaalde contexten (huishoudens, nauwe relaties, school, werk) en moeten eenmalige gedragingen die psychische gevolgen hebben tot strafrechtelijke aansprakelijkheid kunnen leiden of alleen herhaalde of patroonmatige gedragingen? Dat keuzes over deze en vele andere vraagpunten in Denemarken, Engeland & Wales, Frankrijk, België en Duitsland op zeer uiteenlopende wijze zijn gemaakt, illustreert dat het hierbij mede om rechtspolitieke afwegingen gaat waarbij opvattingen over wat als psychisch geweld kan worden verstaan en in hoeverre daartegen strafrechtelijke bescherming wenselijk is een belangrijke rol spelen. Dit is daarmee in mijn optiek een belangrijk signaal dat aan het binnen het bereik van het strafrecht brengen van psychische mishandeling een democratisch c.q. parlementair debat vooraf dient te gaan.

10.8

Nu zou men misschien kunnen betogen dat aan zodanig debat geen behoefte is voor zover de Hoge Raad psychische mishandeling alleen binnen de reikwijdte van mishandeling in de zin van art. 300 Sr brengt voor zover het internationaal (inclusief Europees) recht dit vereist. Hoewel de keuze tot strafbaarstelling in zoverre zoals opgemerkt onder 10.2 op zichzelf niet zo zeer rechtspolitiek van aard is, ligt dit anders voor de wijze waarop daaraan vorm wordt gegeven. Ook voor een zorgvuldige inpassing van psychische mishandeling in het strafrechtelijk systeem kan een democratisch debat als nuttig en wenselijk worden beschouwd. De wet van de remmende voorsprong indachtig kan een jurisprudentiële oplossing ter implementatie van internationale verplichtingen bovendien resulteren in het uitblijven van een breder ingestoken debat omtrent de vraag in hoeverre en op welke wijze bescherming tegen psychisch geweld door het strafrecht moet worden geboden. Zodanig debat valt ook daadwerkelijk te verwachten nu er momenteel concrete plannen zijn om met een wetsvoorstel voor zelfstandige strafbaarstelling van (vormen van) psychisch geweld te komen. 307 Daarbij komt dat het uitdrukkelijk in de wet strafbaar stellen van psychische mishandeling (ook wanneer dit slechts ter implementatie van internationale verplichtingen zou gebeuren) een belangrijke expressieve ofwel communicatieve functie heeft. Zoals al bleek komt het belang daarbij sterk naar voren in de rechtspraak van het EHRM (en overigens werd het ook door de wetgevers van in elk geval Denemarken en Frankrijk als argument genoemd voor het uitdrukkelijk opnemen van psychisch geweld in de strafwet). 308

10.9

Vanuit het oogpunt van constitutionele verhoudingen en democratische legitimatie is er dus veel voor te zeggen om psychische mishandeling niet door rechterlijke interpretatie binnen het bereik van de strafwet te brengen. Deze benadering zou passen bij het uitgangspunt dat de wetgever primair is aangewezen om over de strafwaardigheid van gedragingen te oordelen en dat de rechtsvormende taak van de rechter ook daarom aan grenzen is gebonden. 309 Wetgeving kan op dit thema bovendien tot een oplossing leiden die duurzamer is en meer duidelijkheid biedt dan het door rechterlijke interpretatie uitbreiden van het bereik van de strafwet. Daarbij merk ik nog op dat er vooralsnog ook geen dwingende redenen lijken te zijn om desalniettemin wel tot rechtsvormende jurisprudentie te komen. Ten eerste heeft de wetgever immers de handschoen opgepakt om de grenzen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid op het thema van psychische mishandeling vast te stellen. Daarnaast lijkt mij van belang dat in gevallen waarin er naast gedragingen van strikt psychisch geweld ook sprake is van fysieke mishandeling, de psychische mishandeling bij de straftoemeting kan worden betrokken “wanneer dit feit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan”. 310

10.10

Gezien het voorgaande beveel ik de Hoge Raad aan om de bestanddelen “mishandeling” en “benadeling van de gezondheid” niet op zodanige wijze uit te leggen dat op grond daarvan psychische mishandeling voortaan ook zelfstandig – dus zonder dat daarbij sprake is van enig betekenisvol fysiek aspect – strafbaar is onder art. 300 Sr. Omdat dit de rechtszekerheid, rechtseenheid en daarmee de rechtsgelijkheid zou bevorderen, geef ik de Hoge Raad bovendien in overweging om nadrukkelijk uit te spreken dat psychische mishandeling niet zelfstandig tot strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden op grond van art. 300 Sr of enige andere bepaling in het Tweede Boek, Titel XX (Mishandeling) van het Wetboek van Strafrecht en voorts om te verduidelijken wanneer psychische mishandeling met een fysiek aspect of gevolg binnen het thans geldende positieve recht wel kan worden bestraft. Dit betekent ook dat ik bij de navolgende bespreking van het middel uitga van de huidige stand van de rechtspraak van de Hoge Raad over mishandeling.

10.11

In het verlengde van het voorgaande merk ik nog op dat het op ten minste de volgende drie punten mogelijk lijkt om te verduidelijken wanneer psychische mishandeling met een fysiek aspect of gevolg binnen het thans geldende positieve recht wel kan worden bestraft.

- Ten eerste zou de Hoge Raad kunnen expliciteren dat voor wat betreft de variant die de Hoge Raad omschrijft als het bij een ander teweegbrengen van “een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam” de aard van de gedraging in die zin lichamelijk moet zijn dat deze een lichamelijke gewaarwording tot gevolg heeft, maar dat hetgeen vervolgens weer door die lichamelijke gewaarwording wordt veroorzaakt – te weten: “een min of meer hevige onlust” – niet ook lichamelijk hoeft te zijn (zie onder 9.13-9.14).

- Ten tweede – en daarmee loop ik vooruit op de beoordeling van het middel – zou de Hoge Raad duidelijk kunnen maken dat niet voor elk strafrechtelijk relevant gevolg hoeft te worden vastgesteld welke van de ontoelaatbare gedragingen daarvan specifiek de oorzaak was, maar dat het erop aankomt te bepalen welke vastgestelde lichamelijke (en in het verlengde daarvan psychische) effecten als gevolgen van het samenstel van die gedragingen kunnen worden aangemerkt (zie hierna onder 11.12.-11.14; vgl. onder 7.14 en 7.17).

- Ten derde zou de Hoge Raad kunnen verhelderen welke bewijseisen worden gesteld aan de vaststelling van de strafrechtelijk relevante gevolgen, meer in het bijzonder of die vaststelling geheel of gedeeltelijk op algemene ervaringsregels mag worden gebaseerd (vgl. onder 6.21).

11De beoordeling van het middel

11.1

Ten behoeve van de leesbaarheid van deze conclusie herhaal ik hier dat het middel – zoals reeds weergegeven onder 4.1 – klaagt dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door het openbaar ministerie naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt houdt volgens de steller van het middel in “i) dat onder ‘benadeling van de gezondheid’ als omschreven in art. 300 lid 4 Sr, ook dient te worden verstaan ‘benadeling van de geestelijke gezondheid’, ii) dat de tenlastegelegde handelingen geschikt waren om de geestelijke gezondheid van [slachtoffer] te benadelen, iii) dat de geestelijke gezondheid van [slachtoffer] door die handelingen ook daadwerkelijk is benadeeld en iv) dat de tenlastegelegde (psychische) mishandeling dus wettig en overtuigend kan worden bewezen en kan worden gekwalificeerd als mishandeling in de zin van art. 300 Sr”.

11.2

Voor de rechtspraak van de Hoge Raad over mishandeling en verschillende vormen die daarbij worden onderscheiden, verwijs ik naar de uiteenzetting onder 9.7 t/m 9.20.

11.3

Verder is hier van belang hetgeen in HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma is vooropgesteld. De Hoge Raad overwoog onder meer:

“Reikwijdte van het nieuwe art. 359, tweede lid, Sv

[…]

3.6.

Het systeem van de wet komt na de invoering van het huidige art. 359, tweede lid, Sv op het volgende neer. Omtrent de verwerping van een verweer met betrekking tot de zogenoemde voorvragen van art. 348 Sv en de kwalificatie van het bewezenverklaarde alsmede omtrent een beroep op een wettelijke strafverminderings- of strafuitsluitingsgrond moet op grond van art. 358, derde lid, Sv in het vonnis uitdrukkelijk worden beslist. Die beslissing moest ook voorheen reeds — op grond van art. 359, tweede lid (oud), Sv — zijn gemotiveerd. Nu is daar bij gekomen dat indien het openbaar ministerie ter zake van die onderwerpen (de voorvragen, de kwalificatie en de strafbaarheid van feit en dader) ‘uitdrukkelijk onderbouwde standpunten’ heeft ingenomen en de rechter daarvan afwijkt, de beslissing dienaangaande nader moet zijn gemotiveerd. […]

Omvang van de motiveringsplicht

3.8.1.

Het nieuwe art. 359, tweede lid, Sv brengt geen wijziging in de vrijheid van de rechter die over de feiten oordeelt, ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal alsmede de keuze en weging van de factoren die van belang zijn voor de oplegging van de straf en/of de maatregel. Wel brengt die bepaling mee dat hij zijn beslissing dienaangaande in een aantal gevallen nader zal dienen te motiveren. Omtrent de gevallen en de mate waarin een beslissing nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen algemene regels te geven. In dat verband zal betekenis toekomen aan onder meer de aard van het aan de orde gestelde onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.

3.8.2.

De nadere motivering dient in te houden dat het naar voren gebrachte doch door de rechter niet aanvaarde standpunt in de uitspraak beargumenteerd wordt weerlegd.

Dit neemt niet weg

(i) dat zich het geval kan voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt;

(ii) dat ingeval een uitdrukkelijke weerlegging ontbreekt, dit – mede in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, waaronder begrepen hetgeen door of namens de verdachte en het openbaar ministerie over en weer naar voren is gebracht – geen afbreuk behoeft te doen aan de toereikendheid van de begrijpelijkheid van de motivering van de uitspraak;

(iii) dat indien de rechter heeft verzuimd een nadere motivering in zijn uitspraak op te nemen, dit verzuim van zo ondergeschikte betekenis kan zijn dat het niet tot nietigheid leidt.

[…]

3.8.4.

Uit het vorenoverwogende volgt ten aanzien van de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, Sv onder meer

a. dat de motiveringsplicht slechts geldt bij de niet-aanvaarding van een ter terechtzitting ingenomen en “uitdrukkelijk onderbouwd standpunt”;

b. dat de motiveringsplicht niet geldt indien in de einduitspraak niet wezenlijk wordt afgeweken van zo een standpunt. Dat kan zich voordoen in het geval van een afwijking van de eis van het openbaar ministerie of het standpunt van de verdediging ter zake van de strafoplegging, welke afwijking van beperkt belang is;

c. dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard van het onderwerp en de mate waarin wordt afgeweken van het ingenomen standpunt. Zo kan bij afwijking van een “uitdrukkelijk onderbouwd standpunt” van het openbaar ministerie of van de verdediging met betrekking tot de bewijsbeslissing met een beperktere motivering worden volstaan indien de afwijking slechts een onderdeel en niet de gehele tenlastelegging betreft;

d. dat de motiveringsplicht niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een “uitdrukkelijk onderbouwd standpunt” op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan”.

11.4

Onder een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, zo volgt uit het voorgaande, kan enkel worden verstaan een standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan de feitenrechter is voorgelegd. 311

11.5

Hetgeen de advocaat-generaal op de terechtzitting in hoger beroep (mede overeenkomstig het door haar overgelegde schriftelijke requisitoir) heeft aangevoerd over “dat de tenlastegelegde (psychische) mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen en kan worden gekwalificeerd als mishandeling in de zin van art. 300 Sr” – in de schriftuur aangeduid als punt iv) – kan naar mijn oordeel bezwaarlijk anders worden begrepen dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan het hof is voorgelegd. Ik meen echter dat dit niet geldt voor hetgeen de advocaat-generaal naar voren heeft gebracht over de door de steller van het middel als i), ii) en iii) aangeduide punten. 312 Hoewel de advocaat-generaal ook in verband daarmee in onderbouwingen heeft voorzien, meen ik dat deze punten niet als op zichzelf staande uitdrukkelijk onderbouwde standpunten dienen te worden beschouwd, maar als (beargumenterende) onderdelen van het als iv) aangeduide uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. Niet alleen wijst het gebruik door de steller van het middel van het woord “dus” bij de omschrijving van punt iv) in deze richting, ook is – en dat is belangrijker – aan deze punten telkens geen conclusie verbonden. Niet tot uitdrukking is gebracht waartoe de stellingen moeten leiden. Over punt i) kan bovendien nog worden opgemerkt dat het kopje waaronder dit punt is opgenomen in het requisitoir, te weten “2 Toetsingskader psychische mishandeling”, nog tal van andere stellingen behelst, bijvoorbeeld dat het vereiste dat er sprake moet zijn van een patroon niet uit de wet volgt noch uit hetgeen de wetgever heeft bedoeld met de strafbaarstellingen in 300 lid 1 en lid 4 Sr (p. 10 requisitoir) en dat het vaststellen van psychisch letsel door een deskundige geen vereiste is (p. 10 requisitoir). Hoewel de als i), ii) en iii) aangeduide punten hieronder aan de orde komen, zal dat dus niet zijn in de hoedanigheid van zelfstandige klachten.

11.6

Het hof is in zijn arrest van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de advocaat-generaal dat de ten laste gelegde (psychische) mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen en kan worden gekwalificeerd als mishandeling in de zin van art. 300 Sr afgeweken door de verdachte partieel vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de volgende onder 1 ten laste gelegde gedragingen:

- onder een koude douche te zetten en/of

- (gedurende geruime tijd en/of onder dwang) op een krukje te zetten (zonder eten en drinken) en/of

- geruime tijd (meer dan een uur) alleen in een auto achter te laten zonder eten en drinken en/of

- te kleineren en/of denigrerend toe te spreken, door onder andere te zeggen ‘kankerjong’, ‘je had nooit geboren mogen worden’, ‘je deugt niet’, althans woorden van gelijke strekking.

11.7

Het hof heeft onder 1 wel bewezen verklaard dat de verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld door hem “meermalen met vlakke hand een klap in zijn nek te geven en eenmaal te dreigen hem van een balkon te gooien waardoor [slachtoffer] pijn heeft bekomen en waardoor de gezondheid van die [slachtoffer] is benadeeld”. Aangezien het niet aannemelijk is dat de eenmalige dreiging [slachtoffer] van het balkon te gooien bij hem fysieke pijn veroorzaakte, heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de verdachte met deze dreiging de gezondheid van [slachtoffer] heeft benadeeld. Het is de vraag of hierin besloten ligt dat het hof onder het benadelen van de gezondheid ook het benadelen van de geestelijke gezondheid heeft verstaan. Mijns inziens is dit gelet op het volgende niet het geval. Uit bewijsmiddel 3 blijkt over de bedreiging: “ [slachtoffer] was toen heel erg bang dat ze dit ook echt zou doen. Hij is hier nog steeds wel bang voor. (…)”. Verder houdt bewijsmiddel 3 meteen daarna in: “Letsel/symptomen[:] [slachtoffer] heeft al langere tijd last van buikpijn/misselijkheid en zou dikwijls (meerdere keren per week) moeten overgeven.” Weliswaar overweegt het hof niet uitdrukkelijk dat deze symptomen het gevolg zijn geweest van de klappen in de nek of de bedreiging en dit blijkt evenmin nadrukkelijk uit de gebezigde bewijsmiddelen, maar aangezien deze gedragingen de enige zijn die het hof onder feit 1 bewezen heeft verklaard en het hof het gedurende langere tijd last hebben gehad van buikpijn/misselijkheid en het dikwijls (meerdere keren per week) moeten overgeven als redengevend bewijs voor de bewezenverklaring heeft aangemerkt, heeft het hof deze symptomen kennelijk als gevolgen aangemerkt van zowel de klappen in de nek als de bedreiging. Daarbij merk ik op dat buikpijn, misselijkheid en overgeven niet van dusdanige aard zijn dat zij als gevolg aanzienlijk beter passen bij klappen in de nek dan bij een bedreiging tegen het leven, laat staan dat die gevolgen zich niet bij een dergelijke bedreiging zouden kunnen voordoen. Een en ander betekent ook dat het hof tot een bewezenverklaring is gekomen zonder te hebben hoeven beoordelen of onder de benadeling van de gezondheid ook de geestelijke gezondheid kan of moet worden verstaan. Overigens merk ik op dat nu het hof kennelijk van oordeel is geweest dat de bedreiging heeft bijgedragen aan de misselijkheid en het braken, het in zoverre mijns inziens passender zou zijn geweest om bewezen te verklaren dat daardoor “een hevige onlust veroorzakende gewaarwording bij hem is veroorzaakt” in plaats van dat daardoor “de gezondheid van die [slachtoffer] is benadeeld” (vgl. de uiteenzetting onder 9.11 t/m 9.15 en onder 9.16 en 9.17). Over dit punt is in cassatie overigens niet geklaagd.

11.8

Dan over de partiële vrijspraak. Het hof heeft ten eerste niet bewezen verklaard dat de verdachte “opzettelijk heeft mishandeld door 313 [slachtoffer] “onder een koude douche te zetten”. Over het onder een koude douche zetten van [slachtoffer] heeft het hof overwogen dat, hoewel de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft bekend dat zij [slachtoffer] op enig moment met zijn kleren aan onder de douche heeft gezet omdat [slachtoffer] kampte met een astma-aanval, het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende aanknopingspunten bieden om te kunnen vaststellen onder welke omstandigheden zij [slachtoffer] onder de koude douche heeft gezet en of dit bij hem een hevige onlust veroorzakende gewaarwording heeft veroorzaakt. Het hof heeft dus de verdachte niet ervan vrijgesproken dat zij haar zoontje onder een koude douche heeft gezet maar dat zij hem door deze gedraging heeft mishandeld. Kennelijk is het hof van oordeel dat het onder de douche zetten van een kind niet zonder meer een mishandelende gedraging hoeft te zijn en dat van onvoldoende omstandigheden is gebleken waaruit volgt dat de gedraging in concreto wel als zodanig heeft te gelden en dat die bovendien een lichamelijk gevolg heeft gehad of daaraan heeft bijgedragen. Dit oordeel en de motivering daarvan zijn niet onbegrijpelijk en de motivering is evenmin ontoereikend, mede erop gelet dat door het openbaar ministerie geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen waarin uiteen wordt gezet op grond waarvan moet worden aangenomen dat door het onder de koude douche zetten sprake was van mishandeling of een bijdrage daaraan. Daarbij merk ik op dat vrijspraak moet volgen wanneer een op grond van art. 300 Sr ten laste gelegde gedraging die op zichzelf bewijsbaar is naar het oordeel van de rechter niet als mishandeling kan gelden. 314

11.9

Verder heeft het hof niet bewezen verklaard dat de verdachte “opzettelijk heeft mishandeld door 315 [slachtoffer] : “op een krukje te zetten (zonder eten en drinken)”, hem “geruime tijd (meer dan een uur) alleen in een auto achter te laten zonder eten en drinken” en hem “te kleineren en/of denigrerend toe te spreken”. Daartoe heeft het hof overwogen dat “er onvoldoende bewijs is dat deze gedragingen – voor zover bewezen – bij het slachtoffer als gevolg daarvan pijn, letsel of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording is ontstaan of dat het slachtoffer als gevolg daarvan in de gezondheid is benadeeld”. Het hof heeft hiermee als oordeel tot uitdrukking gebracht dat in elk geval niet kan worden bewezen dat de verdachte met genoemde gedragingen heeft mishandeld voor zover al is bewezen dat zij die gedragingen als zodanig heeft begaan. Ook hier geldt dat bij zodanig oordeel inderdaad bij de eerste vraag van art. 350 Sv vrijspraak moet volgen. 316

11.10

De vraag is dan nog of ook die (onder 11.9 genoemde) partiële vrijspraak toereikend is gemotiveerd gelet op het door het openbaar ministerie ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.

11.11

Wat betreft het op het krukje zetten is door het openbaar ministerie in hoger beroep uiteengezet dat kan worden bewezen dat de verdachte deze gedraging heeft begaan, maar is niet onderbouwd het standpunt ingenomen op welke grond moet worden aangenomen dat die gedraging het bestanddeel “mishandeling” kan invullen. Het gaat er dan niet om dat uiteen had moeten worden gezet dat en hoe de gedraging nadelig was – dat het op een krukje zetten in combinatie met de andere gedragingen schadelijk was lijkt mij aannemelijk erop gelet dat dit langdurig en zonder eten en drinken gebeurde en dat het kind naar ik begrijp tussen vier en negen jaar was in de ten laste gelegde periode – maar waarom daarmee sprake was van “mishandeling” c.q. “benadeling van de gezondheid” in de zin van art. 300 lid 1 en lid 4 Sr. Zo is niet aangevoerd dat en waarom kan worden aangenomen dat de gedraging een betekenisvol fysiek aspect of gevolg had. Het voorgaande geldt ook voor de onderbouwing die het openbaar ministerie in hoger beroep gaf bij het in de auto achterlaten, ook al wordt in dat kader nog wel opgemerkt het “ook uitermate schadelijk [is] om op zo’n jonge leeftijd alleen te worden gelaten in een auto als straf en daarmee buiten te worden gesloten van een verjaardag. Het kan niet anders dan dat dit impact heeft gehad op de psychische gezondheid en het zelfbeeld van [slachtoffer] .”

11.12

Het openbaar ministerie heeft in hoger beroep vooral in meer algemene zin toegelicht in welk opzicht het geheel van gedragingen van de verdachte jegens haar zoontje effect op hem heeft gehad. Opgemerkt is dat de gevolgen voor hem dusdanig groot waren dat hij “enige tijd uit huis is geplaatst”, dat hij volgens de Raad voor de Kinderbescherming “zwaar beschadigd geraakt” is en dat uit het rapport van de Raad valt vast te stellen dat hij “werd bedreigd in zijn fysieke, cognitieve, sociaal- emotionele en persoonlijke ontwikkeling”, dat hij “op een leeftijd waarop hij zindelijk behoort te zijn in zijn broek poept en (uit frustratie) met zijn ontlasting smeert”, dat hij “al jarenlang veel misselijk is en vaak moet overgeven (ook op school) zonder vaststelling van ziektebeeld”, dat school, familie en artsen hem omschrijven als “verdrietig jongetje” en dat het dan ook niet anders kan zijn dan dat hij zich in een voor hem bijzonder schadelijke situatie bevond “waarin hij te maken heeft gehad met fysiek geweld, bedreigingen, scheldpartijen en kleinerend en denigrerende uitspraken van zijn eigen moeder.”

11.13

Met deze uiteenzetting heeft het openbaar ministerie zich in hoger beroep kennelijk op het standpunt gesteld dat niet per gedraging hoeft te worden vastgesteld wat het gevolg daarvan is geweest maar dat het erom gaat of het geheel van plaatsgevonden gedragingen de gevolgen hebben veroorzaakt. Ook in relatie tot een tweetal specifieke gedragingen houdt het requisitoir in dat “deze handelingen in gezamenlijkheid de lichamelijke en geestelijke gezondheid van [slachtoffer] hebben benadeeld.” Dat het de advocaat-generaal in hoger beroep (mede) om zodanige meer algemene benadering ging, kan ook nog worden opgemaakt uit de door hem (blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 september 2023) gemaakte opmerking dat het gaat om “de vraag of er een verband bestaat tussen de tenlastegelegde handelingen en het ontstaan van (psychische) schade bij het slachtoffer [slachtoffer] .” Die benadering sluit bovendien aan bij de wijze waarop de tenlastelegging is geformuleerd. Hoewel de steller van het middel er niet uitdrukkelijk over klaagt dat het hof zou hebben miskend dat een zodanig meer algemene benadering is aangewezen, ligt een dergelijke klacht mijns inziens wel besloten in de stelling dat uit de motivering door het hof niet duidelijk wordt of het hof van oordeel was “dat de tenlastegelegde handelingen niet geschikt of niet ernstig genoeg waren voor het benadelen van de geestelijke gezondheid” of “dat niet aangetoond kon worden dat [slachtoffer] zijn geestelijke gezondheid als gevolg van de tenlastegelegde handelingen daadwerkelijk benadeeld was”. 317

11.14

Het standpunt van het openbaar ministerie berust onder meer op de veronderstelling dat een samenstel van uiteenlopende ontoelaatbare gedragingen kan leiden tot een scala aan gezondheidsproblemen en/of min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in of aan het lichaam. Die veronderstelling lijkt mij juist. Daarom dient mijns inziens niet te worden vereist dat voor elk strafrechtelijk relevant gevolg wordt vastgesteld welke gedraging de oorzaak daarvan was. In plaats daarvan komt het erop aan te bepalen welke vastgestelde lichamelijke effecten als gevolg van het samenstel van gedragingen kunnen worden aangemerkt en welke ontoelaatbare gedragingen als mede redengevend voor het geheel van die bepaalde gevolgen moeten worden beschouwd. Vanuit dit perspectief bezie ik de motivering van de partiële vrijspraak door het hof.

11.15

Allereerst verdient aandacht dat uitdrukkelijk onderbouwd het standpunt is ingenomen dat psychische mishandeling (zelfstandig, dus zonder dat daarbij sprake is van enig betekenisvol fysiek aspect) kan gelden als “mishandeling” of “benadeling van de gezondheid” in de zin van art. 300 Sr en dat daarvan in de onderhavige zaak sprake was. Het gaat dan om de door het openbaar ministerie genoemde gevolgen zoals het “zwaar beschadigd geraakt” zijn en de effecten voor de “cognitieve, sociaal- emotionele en persoonlijke ontwikkeling” (zie onder 11.12). Het hof heeft daarop niet gereageerd terwijl het standpunt wel van belang was nu het hof met de woorden “voor zover bewezen” de mogelijkheid heeft opengelaten dat de gedragingen die tot deze psychische gevolgen zouden hebben geleid, op zichzelf bewijsbaar waren. Bij bewijsbaarheid van die gedragingen komt het er dan immers op aan of die gedragingen wanneer deze louter zulke psychische gevolgen hebben als mishandeling kunnen gelden. Indien dat het geval zou zijn, zou de motivering van de vrijspraak tekortschieten. Het hof heeft dit onbesproken in het midden gelaten. In zoverre is het middel terecht voorgesteld. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden, nu het hof het verweer slechts had kunnen verwerpen. 318 Zoals uiteengezet is psychische mishandeling onder het geldende positieve recht immers niet zelfstandig strafbaar op grond van art. 300 Sr (zie onder 9.20).

11.16

Dan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt voor zover dat inhoudt dat ook de niet-fysieke gedragingen (op het krukje zetten, in de auto achterlaten en kleineren/denigreren) wel fysieke gevolgen hebben gehad. Het openbaar ministerie heeft immers onder meer aangevoerd dat het kind als gevolg van de gedragingen “veel misselijk is en vaak moet overgeven”. Deze gevolgen zijn in het requisitoir niet alleen verbonden aan het kleineren en denigreren van [slachtoffer] , maar ook aan het geheel van de gedragingen (zie onder 11.12). Het hof heeft deze gevolgen echter slechts verbonden aan de klappen in de nek van [slachtoffer] en het dreigen hem van een balkon te gooien (zie onder 11.7). Wat betreft de gedragingen van het op het krukje zetten, in de auto achterlaten en kleineren/denigreren heeft het hof zoals opgemerkt met de woorden “voor zover bewezen” de mogelijkheid opengelaten dat deze gedragingen op zichzelf bewijsbaar waren. In elk geval heeft het hof – ook ondanks het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt daarover – dus niet gemotiveerd waarom ze niet bewijsbaar zouden zijn. Voor zover deze gedragingen volgens het hof echter wel bewijsbaar waren rijst de vraag waarom het hof deze – anders dan door het openbaar ministerie is betoogd – niet van betekenis heeft geacht voor het veel misselijk zijn en vaak moeten overgeven. Het hof heeft daarmee (anders dan bij de gedraging van het onder de koude douche zetten) geheel niet gerespondeerd op een wezenlijk onderdeel van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt en de vrijspraak is in dit opzicht niet begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd. Het openbaar ministerie heeft ook belang bij cassatie op dit punt. In geval de gedragingen volgens het hof op zichzelf bewijsbaar zijn, kan het immers tot een veroordeling komen voor die gedragingen wanneer het veel misselijk zijn en vaak moeten overgeven als gevolgen van mede die gedragingen worden aangemerkt. In dat geval behelzen de gedragingen immers mishandeling nu dergelijke gevolgen kunnen gelden als “een hevige onlust veroorzakende gewaarwording” die dan door die gedragingen is veroorzaakt (vgl. onder 9.11 t/m 9.15). Wanneer daarentegen de gedragingen volgens het hof op zichzelf niet bewijsbaar zijn, ontbreekt zoals opgemerkt een motivering van dat partieel vrijsprekende oordeel.

11.17

Het middel is terecht voorgesteld.

12Afronding

12.1

Het middel slaagt.

12.2

Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

12.3

Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1

“6. Van Vianen e.a. (2010), De inzet van het strafrecht bij kindermishandeling, WODC.”

2

“7. Bijvoorbeeld: Rechtbank Midden-Nederland 8 juni 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:2376), Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 augustus 2021 (ECLI:NL:RBZWB:2021:4242), Rechtbank Midden-Nederland, 28 januari 2022,ECU:NL:RBMNE:2022:263. 3”

3

“8. Hof Den Haag, 31 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1539”

4

“9. Rechtbank Rotterdam 27 juni 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:5920”

5

“10. Rechtbank Den Haag 29 maart 2024, ECLI: NL:RBDHA:2024:4454”

6

“11. In gelijke zin oordeelt de Rechtbank Zeeland West-Brabant op 20 augustus 2021 (ECLI:NL:RBZWB:2021:4242, r.o. 4.3.2.). De Hoge Raad heeft bovendien overwogen dat, in gevallen waarin ‘sprake kan zijn van aantasting in persoon ‘op andere wijze’ in de zin van art. 6:106.b BW, de eis van het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven moet zijn vastgesteld, niet inhoudt dat daarvan slechts sprake is indien het een erkend ziektebeeld betreft en evenmin dat dit geestelijk letsel slechts door een psychiater of psycholoog kan worden vastgesteld. Ook als psychisch letsel niet kan worden aangenomen, kan door aard en ernst van de normschending wel sprake zijn van aantasting van persoon “op andere wijze”, Hoge Raad, 29 juni 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1024, r.o. 2.5.)”

7

“12. In dit verband wordt verwezen naar het antwoord van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 september 2020 op Kamervragen over psychische mishandeling waarin hij op vragen over de strafrechtelijke aanpak van psychische mishandeling ingaat, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20192020-3944.html. Zie in het bijzonder onder Antwoord 3, 21 en 22 en de aldaar aangehaalde (wetenschappelijke) bronnen. Onder antwoord 21 en 22 staat: “Voorstelbaar is dat door deskundigen vragen worden beantwoord over de psychische gevolgen en eventuele schade voor het slachtoffer”. Onder andere uit de woordkeuze “voorstelbaar” maak ik op dat een deskundigoordeel geen kwalificatievereiste is. Dit antwoord is gegeven op o.a. de volgende vraag: “Klopt de veronderstelling dat in veel strafzaken rond psychische mishandeling vooral de bewijsbaarheid en verjaring problematisch zijn?””

8

A. van Vossole, S. van der Aa & A. Groenen, ‘Psychisch geweld’, in: M. Liem & E.R. Muller (red.), Geweld. Geweld en geweldsbeheersing in Nederland (Handboeken Veiligheid), Wolters Kluwer 2016, p. 366.

9

R.W. Timmers, ‘‘Psychisch geweld’: een verwarrend begrip’, PROCES 2024/102, nr. 1, p. 3-4.

10

A. van Vossole, S. van der Aa & A. Groenen, ‘Psychisch geweld’, in: M. Liem & E.R. Muller (red.), Geweld. Geweld en geweldsbeheersing in Nederland (Handboeken Veiligheid), Wolters Kluwer 2016, p. 366.

11

A.E. Goldberg e.a., Psychisch geweld in het strafrecht. Een verkennend onderzoek naar de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld, Groningen: University of Groningen Press 2025, p. 11. Zie bijvoorbeeld ook de volgende definitie op de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek: “Psychisch geweld is een vorm van huiselijk geweld, waarbij het gaat om regelmatig voorkomende vormen van verbale agressie, dreiging of intimidatie door een gezins- of familielid, partner of ex-partner. Psychisch geweld kan bijvoorbeeld gaan om treiteren, pesten, vernederen, intimideren en bedreigen.”

12

A.E. Goldberg e.a., Psychisch geweld in het strafrecht. Een verkennend onderzoek naar de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld, Groningen: University of Groningen Press 2025, p. 11. Uit Kamerstukken II 2024/25, 28 345, nr. 285, bijlage 2 blijkt dat de wetgever dwingende controle beschouwt als een vorm van psychische mishandeling.

13

E. Stark, Coercive Control: How Men Entrap Women in Personal Life, Oxford: Oxford University Press 2007, p. 5.

14

A.E. Goldberg e.a., Psychisch geweld in het strafrecht. Een verkennend onderzoek naar de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld, Groningen: University of Groningen Press 2025, p. 12.

15

Resp. Kamerstukken II 2025/26, 29 240, nr. 178, p. 1-2 (scholen), Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 3903 (geweld in de jeugdzorg), Kamerstukken II 2021/22, 33 552, nr. 101, p. 5 en 21 (gesloten gemeenschappen) en Aanhangsel handelingen II 2023/24, nr. 1618 (gesloten gemeenschappen), Aanhangsel Handelingen II 2021/22, nr. 64 (conversietherapie) en Kamerstukken 2021/22, 36 178, nr. 3, p. 21 (conversiehandelingen), en Kamerstukken II 2025/26, 36 800 VI, nr. 11 (prostitutie).

16

Zie o.a. Kamerstukken II 2022/23, 36 222, nr. 3, p. 12-13 (MvT, Wet seksuele misdrijven).

17

Raad van Europa, Explanatory report to the Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence, 2011, par. 181. Zie nader over het Verdrag van Istanboel onder 7.7 t/m 7.17.

18

J.H.L.J. Janssen, W.H.B. Dreissen & K. Juncker, Naar een aparte strafbaarstelling van psychisch geweld? Voor- en tegenargumenten, Den Bosch: Expertisecentrum Veiligheid Avans Hogeschool 2022, p. 6.

19

R.T. van Vianen e.a., De inzet van het strafrecht bij kindermishandeling, Woerden: WODC 2010, p. 16.

20

Zie daarover uitgebreider onder 6.29.

21

Kamerstukken II 2024/25, 28 345, nr. 285, bijlage 2 (Contouren strafbaarstelling van psychisch geweld).

22

Overigens wel steeds in de context van huiselijk geweld gepleegd tegen een minderjarig kind.

23

Rb. Den Haag 10 juni 2025, ECLI:RBDHA:2025:10097, Rb. Midden-Nederland 3 mei 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1786, bij 4, Rb. Zeeland-West-Brabant 20 augustus 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4242, r.o. 4.3.2, Rb. Zeeland-West-Brabant 15 februari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:878, Hof ’s-Hertogenbosch 2 april 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:998.

24

Rb. Den Haag 10 juni 2025, ECLI:RBDHA:2025:10097.

25

Rb. Den Haag 10 juni 2025, ECLI:RBDHA:2025:10097.

26

Rb. Den Haag 1 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:900, r.o. 5.5.

27

Hof Den Haag 31 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1540.

28

Hof Arnhem-Leeuwarden 3 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5368, Rb. Midden-Nederland 8 maart 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:867, Rb. Midden-Nederland 24 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2420.

29

Vgl. Kamerstukken II 2024/25, 28 345, nr. 285, bijlage 2.: “[…] het stelselmatige of patroonmatige handelen dat wordt aangeduid als ‘dwingende controle’. Dit is een patroon van gedragingen, al dan niet escalerend in mate en ernst, waarbij iemand een ander inperkt in diens zelfbeschikkingsrecht, door die ander op stelselmatige basis dominerend, bedreigend of controlerend te bejegenen. Van dit patroon kunnen de volgende gedragingen onderdeel uitmaken […].” [cursiveringen PHvK] en Raad van Europa, Explanatory report to the Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence, 2011, par. 181.

30

E. Stark, Coercive Control: How Men Entrap Women in Personal Life, Oxford: Oxford University Press 2007, p. 95. Zie ook N. Hedlund, ‘The ECHR and the Positive Obligation to Criminalise Domestic Psychological Violence’, Human Rights Law Review, 2024(4), p. 3.

31

A.E. Goldberg e.a., Psychisch geweld in het strafrecht. Een verkennend onderzoek naar de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld, Groningen: University of Groningen Press 2025, p. 12.

32

Consultatienota van de leden Bergkamp, Özütok en Van den Hul over de aanpak van psychisch geweld en oriëntatie op een strafrechtelijke bepaling tegen psychisch geweld, november 2020, p. 4 en Raad van Europa, Explanatory report to the Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence, 2011, par. 179.

33

R.W. Timmers, Een zelfstandige strafbaarstelling van psychisch geweld en/of dwingende controle. Een beschrijving van voorwaarden voor aansprakelijkheid in de Deense, Engelse, Welshe, Ierse, Franse en Cypriotische strafbaarstellingen, Heerlen: Open Universiteit 2025, p. 25. Timmers spreekt overigens van “psychisch geweld”. Zie ook Y.G.M. Baaijens-van Geloven, ‘Is psychische mishandeling strafbaar?’, in: A. Harteveld, D.H. de Jong & E. Stamhuis (red.), Systeem in ontwikkeling, Liber amicorum G. Knigge, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2005, p. 12-13.

34

Consultatienota van de leden Bergkamp, Özütok en Van den Hul over de aanpak van psychisch geweld en oriëntatie op een strafrechtelijke bepaling tegen psychisch geweld, november 2020, p. 4.

35

R.W. Timmers, Een zelfstandige strafbaarstelling van psychisch geweld en/of dwingende controle. Een beschrijving van voorwaarden voor aansprakelijkheid in de Deense, Engelse, Welshe, Ierse, Franse en Cypriotische strafbaarstellingen, Heerlen: Open Universiteit 2025, p. 25.

36

Vgl. R.W. Timmers, ‘‘Psychisch geweld’: een verwarrend begrip’, PROCES 2024/102, nr. 1, p. 5.

37

Vgl. bijv. R.W. Timmers, ‘‘Psychisch geweld’: een verwarrend begrip’, PROCES 2024/102, nr. 1, die het gebruik van de term “psychisch geweld” bepleit in plaats van de term “psychische mishandeling”.

38

Overigens blijkt ook uit een recent onderzoek van de Universiteit Groningen onder professionals van het OM, de advocatuur, rechters en raadsheren, de politie, Slachtofferhulp Nederland, de reclassering, Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming dat volgens sommige respondenten “nog veel onzekerheid heerst rondom de strafbaarheid van psychische mishandeling en welke ernst is vereist om de drempel van het delict te halen”, welke onzekerheid “de rechtsgelijkheid en -eenheid niet ten goede [komt]”. Zie A.E. Goldberg e.a., Psychisch geweld in het strafrecht. Een verkennend onderzoek naar de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld, Groningen: University of Groningen Press 2025, p. 68.

39

Zie voor rechtspraak van de Hoge Raad hierna onder 9.7 t/m 9.20 en voor rechtspraak van het EHRM hierna onder 7.18 t/m 7.48.

40

Hof Den Bosch 30 maart 2001, ECLI:NL:GHSHE:2001:AB0835, onder III.

41

Zie o.a. Hof Arnhem-Leeuwarden 3 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5368, Rb. Den Haag 10 juni 2025, ECLI:RBDHA:2025:10097, Hof Den Haag 8 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:806, Rb. Den Haag 10 juni 2025, ECLI:RBDHA:2025:10097, Rb. Rotterdam 21 maart 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4981, Rb. Zeeland-West-Brabant 11 februari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:713, Rb. Zeeland-West-Brabant 10 oktober 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:6893, Rb. Zeeland-West-Brabant 15 februari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:878, Rb. Zeeland-West-Brabant 12 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2409, Rb. Midden-Nederland 24 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2420, Rb. Den Haag 1 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:900, Rb. Noord-Holland 14 oktober 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:9068, r.o. 4.3.2, Rb. Midden-Nederland 8 maart 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:867, Rb. Zeeland-West-Brabant 20 augustus 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4242, r.o. 4.3.2 en Rb. Midden-Nederland 3 mei 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1786, r.o. 4.

42

Naar deze vooropstelling wordt uitdrukkelijk verwezen in o.a. Rb. Rotterdam 21 maart 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:5034 en Rb. Noord-Holland 14 oktober 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:9068, r.o. 4.3.2.

43

Zie o.a. Hof Den Haag 31 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1540, Rb. Midden-Nederland 28 januari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:263 en Rb. Midden-Nederland 3 mei 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1786, onder 4.

44

Zie o.a. Rb Zeeland-West-Brabant 20 augustus 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4242, r.o. 4.3.2 en Rb. Midden-Nederland 3 mei 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1786, onder 4.

45

Rb. Midden-Nederland 24 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2420, Rb. Midden-Nederland 8 maart 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:867, Rb. Midden-Nederland 28 januari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:263 en Rb. Midden-Nederland 3 mei 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1786, onder 4.

46

Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 3944, p. 3.

47

Rb. Den Haag 10 juni 2025, ECLI:RBDHA:2025:10097, Rb Zeeland-West-Brabant 20 augustus 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4242, r.o. 4.3.2 en Rb. Midden-Nederland 3 mei 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1786, r.o. 4.

48

Bedoeld is kennelijk de definitie zoals gegeven in R.T. van Vianen e.a., De inzet van het strafrecht bij kindermishandeling, Woerden: WODC 2010, p. 16.

49

Bedoeld is kennelijk de definitie zoals gegeven in art. 1.1. Jeugdwet en art. 1.1.1 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

50

Zie o.a. Hof Den Haag 31 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1540, Rb. Midden-Nederland 28 januari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:263, Rb Zeeland-West-Brabant 20 augustus 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4242, r.o. 4.3.2 en Rb. Midden-Nederland 3 mei 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1786, onder 4.

51

Het gaat om het bij een ander toebrengen van lichamelijk letsel, het bij een ander teweegbrengen van pijn en het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam.

52

Hof Den Haag 8 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:806. In Hof Den Bosch 2 april 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:998 wordt naar deze uitspraak verwezen.

53

Rb. Den Haag 1 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:900, r.o. 5.5.

54

Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:8129 en ECLI:NL:GHARL:2025:8130, r.o. 4.4.

55

De hier in de arresten geplaatste voetnoot luidt: “68. ECLI:NL:PHR:2025:318.” Het gaat daarbij om de conclusie van A-G Harteveld voor HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:774, NJ 2025/166, i.h.b. randnr. 3.6-3.18.

56

O.a. Hof Den Haag 31 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1539 en ECLI:NL:GHDHA:2017:1540.

57

Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 3 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5368 (“Hoewel dit handelen van verdachte als (zeer) schokkend heeft te gelden en aangever hierdoor psychisch zou kunnen beschadigen, stelt het hof vast dat deze handeling geen dusdanig structureel karakter had dat daaruit in zijn algemeenheid afgeleid kan worden dat sprake was van psychische mishandeling. Mede hierdoor en daarnaast het ontbreken van gegevens over de gevolgen die dit specifieke handelen bij aangever tot gevolg zou hebben gehad, is dit onvoldoende om tot een bewezenverklaring van mishandeling in de zin van artikel 300 Sr te komen. Dit brengt mee dat verdachte van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op aangever zal worden vrijgesproken.”), Rb. Noord-Holland, ECLI:NL:RBNHO:2025:6690 (“Om te kunnen komen tot de conclusie dat sprake is van psychische mishandeling zal moeten vaststaan dat het gedrag van verdachte zich stelselmatig voordeed.”) en Rb. Zeeland-West-Brabant 12 april 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:2409 (“Uit het dossier kan echter niet worden opgemaakt hoe vaak en met welke intensiteit deze gedragingen hebben plaatsgevonden nu de rechtbank enkel beschikt over een geluidsopname van slechts één dag. Om te kunnen komen tot de conclusie dat sprake is van psychische mishandeling zal moeten vaststaan dat het gedrag van verdachte, zoals te horen op de geluidsopname van 10 november 2022 zich stelselmatig voordeed. […] Nu de stelselmatigheid niet is komen vast te staan, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de aan verdachte tenlastegelegde psychische mishandeling. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken.”).

58

Rb. Midden-Nederland 20 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6977 (“Stelselmatigheid is een relevante factor, maar geen vereiste.”).

59

Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 3 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5368 (in het bijzonder de daaruit in voetnoot 57 geciteerde rechtsoverweging) en Rb. Rotterdam 3 februari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:2033 (“Op grond van het procesdossier en de bespreking op de zitting kan de rechtbank echter niet vaststellen dat sprake is van benadeling van de psychische gezondheid op basis van de omstandigheid dat zij getuige zijn geweest van de mishandeling van de overige kinderen. Daarvoor ontbreekt het wettelijk bewijs. Het enkele feit dat die benadeling kán optreden, is daarvoor onvoldoende. De verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.”). Zie ook Rb. Rotterdam 21 maart 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:5034 en Rb. Den Haag 29 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:926.

60

Rb. Den Haag 3 juni 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:5334, r.o. 3.3 (“De deskundige dr. T.A.W. van der Schoot heeft een rapport opgesteld over het mogelijk psychisch letsel van de twee oudste kinderen - [naam 1] en [naam 2] - en van de moeder, [naam 3]. Uit dit rapport komt niet naar voren dat er sprake is van psychisch letsel bij de gezinsleden die met deze gedragingen van de verdachte verband houden. Ten aanzien van de jongere kinderen is dit niet onderzocht. Alhoewel de rechtbank overweegt dat het in het algemeen zeer goed mogelijk is dat dergelijke gedragingen in hun samenhang bezien tot zogenaamde psychische mishandeling kunnen leiden, is de rechtbank van oordeel dat dit dossier voor bewezenverklaring van die vorm van mishandeling onvoldoende concreet houvast biedt.”).

61

Rb. Zeeland-West-Brabant 11 februari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:713, r.o. 4.3.2 (“Uit de (vele) berichten die in de familieapp zijn gestuurd, blijkt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een lange periode zeer kleinerend en denigrerend door verdachte zijn toegesproken en werden uitgescholden. De rechtbank gaat ervan uit dat deze wijze van bejegening van de kinderen heeft bijgedragen aan het ontstaan van emotionele en psychische schade. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat ook dit ten laste gelegde gedachtestreepje wettig en overtuigend kan worden bewezen en een strafbaar feit oplevert.”).

62

Rb. Midden-Nederland 24 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2420, r.o. 4 (“Uit het dossier blijkt dat de zoon van verdachte heden diverse psychische klachten heeft. Dat uit het dossier niet expliciet blijkt dat de dochter van verdachte psychisch letsel heeft opgelopen, maakt niet dat ten opzichte van haar geen sprake zou zijn van psychische mishandeling. De ervaring leert dat de impact van psychische mishandeling op kinderen groot is en dat psychische schade soms pas na verloop van jaren zichtbaar wordt.”), Rb. Midden-Nederland 8 maart 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:867 (“Dat uit het dossier niet expliciet blijkt dat de kinderen psychisch letsel hebben opgelopen, doet daar niet aan af. De ervaring leert dat de impact van psychische mishandeling op kinderen groot is en dat psychische schade soms pas na verloop van jaren zichtbaar wordt.”), Rb. Zeeland-West-Brabant 20 augustus 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4242, r.o. 4.3.2 (“Gelet op de aard van de gedragingen en de duur van de mishandelingen is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte is te kwalificeren als psychische mishandeling. Dat psychisch letsel in deze zaak niet door een deskundige is vastgesteld doet daaraan niet af. In eerder genoemde definities van psychische mishandeling is daarvan reeds sprake als door de geweldshandelingen psychisch letsel kan ontstaan.”) en Rb. Midden-Nederland 8 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2376 (“Gelet op de aard van de gedragingen van verdachte en de duur van de mishandelingen is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte te kwalificeren is als psychische mishandeling. Dat uit het dossier niet blijkt dat de kinderen daadwerkelijk psychisch letsel hebben opgelopen – waar de advocaat op heeft gewezen –, doet daar niet aan af. Op de zitting is gebleken dat de kinderen zijn aangemeld voor het psychotraumacentrum om veronderstelde trauma’s te verwerken. Dat het psychisch letsel nu nog niet aantoonbaar vaststaat kan overigens ook worden verklaard door het feit dat verdachte pas sinds november 2020 uit hun leven is verdwenen en de impact van het gedrag van verdachte dus nog moet blijken.”).

63

A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 300 Sr, aant. 2, J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. vvan Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 83-85, K. Lindenberg & H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 73-74. Dat dit ook geldt voor het benadelen van de gezondheid wordt betoogd door A-G Knigge, conclusie voor HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4858, NJ 2013/423 m.nt. Legemaate, randnr. 6.3, A-G Aben, conclusie voor HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3055, NJ 2014/501, randnr. 15 en A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 300 Sr, aant. 3.

64

Rb. Amsterdam 10 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5663.

65

In de Aanwijzing huiselijk geweld en kindermishandeling (2022A001) wordt geweld in (zorg)instellingen waarin (semi-)permanent wordt verbleven aangemerkt als huiselijk geweld.

66

Vgl. hierna onder 6.29 het soortgelijke standpunt in de contourenbeschrijving. Zie over het standpunt van de Minister en het standpunt in de contourenbeschrijving ook onder 9.6.

67

Die conclusie komt meer inhoudelijk aan de orde onder 9.13-9.14.

68

Kamerstukken II 2024/25, 34 843, nr. 115, p. 17-20.

69

Zie daarover nader E.C. Gijselaar, A.G. Hendriks en M. Samadi, ‘De strafbaarstelling van dwingende controle’, NJB 2025/13 (698), p. 976-984.

70

Kamerstukken II 2024/25, 28 345, nr. 285, bijlage 2.

71

Brief van van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, VKC verzoek van 11 september 2025 om nadere informatie over strafbaarstelling psychisch geweld, 2 oktober 2025, ref. 6758521, p. 1.

72

Kamerstukken II 2025/26, 36 658, nr. 19, p. 56.

73

Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland, Coalitieakkoord 2026-2030, D66, VVD en CDA, 30 januari 2026, p. 13: “We scherpen wetgeving rondom huiselijk geweld aan om te voldoen aan het Verdrag van Istanbul en introduceren Clare’s Law en een aparte strafbaarstelling voor psychisch geweld.”

74

Kamerstukken II 2022/23, 28 345, nr. 260, p. 4.

75

Kamerstukken II 2022/23, 28 345, nr. 260, p. 5.

76

Kamerstukken II 2022/23, 28 345, nr. 262, p. 3-4.

77

Verdrag inzake de rechten van het kind, New York 20 november 1989 (Trb. 1990, 170) in werking getreden op 8 maart 1995 (Trb. 1995, 92).

78

Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, Istanboel 11 mei 2011 (Trb. 2012, 233) in werking getreden op 1 maart 2016 (Trb. 2015, 197).

79

Richtlijn (EU) 2024/1385 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2025 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (PbEU L 1/36).

80

IVRK, art. 42-45.

81

VN Comité voor de Rechten van het Kind, ‘General Comment No. 13 (2011) The Right of the Child to freedom from all forms of violence’, p. 4.

82

VN Comité voor de Rechten van het Kind, ‘General Comment No. 13 (2011) The Right of the Child to freedom from all forms of violence’, p. 8-12.

83

VN Comité voor de Rechten van het Kind, ‘General Comment No. 13 (2011) The Right of the Child to freedom from all forms of violence’, p. 21-22.

84

UINODC, Introducing the United Nations Model Strategies and Practical Measures on the Elimination of Violence against Children in the Field of Crime Prevention and Criminal Justice. A New Tool for Policymakers, Criminal Justice Officials and Practitioners, New York: United Nations 2015, p. 5. Vgl. C. Whalen, ‘Article 19: The Right to Protection from All Forms of Violence’, in: Z. Vaghri e.a., Monitoring State Compliance with the UN Convention on the Rights of the Child, Springer 2022, p. 293-302 waarin zelfs in het geheel geen gewag wordt gemaakt van verplichtingen tot strafbaarstelling, laat staan i.v.m. psyschisch geweld.

85

Idem, p. 5-6.

86

Verdrag van Istanboel, art. 1 sub a.

87

Verdrag van Istanboel, art. 5 lid 1.

88

Verdrag van Istanboel, art. 5 lid 2.

89

Raad van Europa, Explanatory report to the Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence, 2011, par. 60.

90

Raad van Europa, Explanatory report to the Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence, 2011, par. 59.

91

Verdrag van Istanboel, art. 2 lid 1.

92

Verdrag van Istanboel, art. 3 sub a.

93

Verdrag van Istanboel, art. 3 sub b.

94

Raad van Europa, Explanatory report to the Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence, 2011, par. 37 en 41.

95

Raad van Europa, Explanatory report to the Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence, 2011, par. 41.

96

Raad van Europa, Explanatory report to the Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence, 2011, par. 179.

97

Raad van Europa, Explanatory report to the Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence, 2011, par. 180.

98

Raad van Europa, Explanatory report to the Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence, 2011, par. 181.

99

Raad van Europa, Explanatory report to the Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence, 2011, par. 181.

100

Raad van Europa, Explanatory report to the Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence, 2011, par. 181.

101

Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, Istanboel 11 mei 2011 (Trb. 2012, 233) in werking getreden op 1 maart 2016 (Trb. 2015, 197).

102

Kamerstukken II 2014/15, 34 038 (R2039), nr. 3, p. 31.

103

J. Janssen, W. Dreissen en K. Juncker, Naar een aparte strafbaarstelling van psychisch geweld ? Voor- en tegenargumenten, Den Bosch: Expertisecentrum Veiligheid Avans Hogeschool 2022, p. 22.

104

GREVIO, ‘(Baseline) Evaluation Report on legislative and other measures giving effect to the provisions of the Council of Europe Convention on Preventing and Combating Violence against Women and Domestic Violence (Istanbul Convention) Netherlands’, Straatsburg 20 januari 2020, par. 219.

105

GREVIO, ‘(Baseline) Evaluation Report on legislative and other measures giving effect to the provisions of the Council of Europe Convention on Preventing and Combating Violence against Women and Domestic Violence (Istanbul Convention) Netherlands’, Straatsburg 20 januari 2020, par. 214-215.

106

GREVIO, ‘(Baseline) Evaluation Report on legislative and other measures giving effect to the provisions of the Council of Europe Convention on Preventing and Combating Violence against Women and Domestic Violence (Istanbul Convention) Netherlands’, Straatsburg 20 januari 2020, par. 216.

107

GREVIO, ‘(Baseline) Evaluation Report on legislative and other measures giving effect to the provisions of the Council of Europe Convention on Preventing and Combating Violence against Women and Domestic Violence (Istanbul Convention) Netherlands’, Straatsburg 20 januari 2020, par. 217.

108

GREVIO, ‘First thematic evaluation report. Building trust by delivering support, protection and justice Netherlands’, Straatsburg 21 oktober 2025.

109

Het wetsvoorstel waarnaar wordt verwezen door GREVIO is onder 6.29 en 6.30 besproken.

110

GREVIO, ‘First thematic evaluation report. Building trust by delivering support, protection and justice Netherlands’, Straatsburg 21 oktober 2025, par. 173.

111

Zie N. Hedlund en K.K. Lindenberg, ‘Psychische mishandeling in de zin van artikel 300 Sr? Nationale rechtspraak in een overgangsperiode’, DD 2025/29, par. 2.2, A.E. Goldberg e.a., Psychisch geweld in het strafrecht. Een verkennend onderzoek naar de strafrechtelijke aansprakelijkheid van psychisch geweld, Groningen: University of Groningen Press 2025, p. 29, N. Hedlund, ‘The Obligation to Criminalise Psychological Violence’, European Law Review (49) 2024, p. 133-139 en 148.

112

GREVIO, ‘(Baseline) Evaluation Report on legislative and other measures giving effect to the provisions of the Council of Europe Convention on Preventing and Combating Violence against Women and Domestic Violence (Istanbul Convention) Netherlands’, Straatsburg 20 januari 2020, par. 214.

113

N. Hedlund en K.K. Lindenberg, ‘Psychische mishandeling in de zin van artikel 300 Sr? Nationale rechtspraak in een overgangsperiode’, DD 2025/29, par. 2.2.

114

N. Hedlund en K.K. Lindenberg, ‘Psychische mishandeling in de zin van artikel 300 Sr? Nationale rechtspraak in een overgangsperiode’, DD 2025/29, par. 2.2.

115

J. Janssen, W. Dreissen en K. Juncker, Naar een aparte strafbaarstelling van psychisch geweld ? Voor- en tegenargumenten, Den Bosch: Expertisecentrum Veiligheid Avans Hogeschool 2022, p. 23.

116

Zie over de eerste drie uitspraken uitvoerig N. Hedlund, ‘The ECHR and the Positive Obligation to Criminalise Domestic Psychological Violence’, Human Rights Law Review (24) 2024, par. 2.

117

EHRM 9 juli 2019, nr. 41261/17 (Volodina v. Russia), par. 3 en 67.

118

EHRM 9 juli 2019, nr. 41261/17 (Volodina v. Russia), par. 7-39.

119

EHRM 9 juli 2019, nr. 41261/17 (Volodina v. Russia), par. 23.

120

EHRM 9 juli 2019, nr. 41261/17 (Volodina v. Russia), par. 73.

121

EHRM 9 juli 2019, nr. 41261/17 (Volodina v. Russia), par. 74-75.

122

EHRM 9 juli 2019, nr. 41261/17 (Volodina v. Russia), par. 76.

123

EHRM 9 juli 2019, nr. 41261/17 (Volodina v. Russia), par. 78. Zie bijv. ook EHRM 11 juli 2017, nr. 47666/13 (Ž.B. v. Croatia), par. 50.

124

EHRM 7 januari 2025, nr. 59180/15 (Minasyan and Others v. Armenia), par. 63 (cursivering PHvK). Zie bijv. ook EHRM 9 september 2025, nr. 24729/17 (Ilareva and Others v. Bulgaria), par. 109 en EHRM 3 april 2025, nr. 9796/17 (Hayk Grigoryan v. Armenia), par. 48.

125

EHRM 9 juli 2019, nr. 41261/17 (Volodina v. Russia), par. 78-85.

126

EHRM 7 januari 2025, nr. 59180/15 (Minasyan and Others v. Armenia), par. 63 en EHRM 14 september 2021, nr. 40419/19 (Volodina v. Russia (No. 2)), par. 51.

127

EHRM 27 april 2017, nr. 34015/07 (Zherdev v. Ukraine), par. 78, 93, 96-103.

128

EHRM (GK) 25 juni 2019, nr. 41720/13 (Nicolae Virgiliu Tănase v. Romania), par. 117 i.

129

EHRM 9 juli 2019, nr. 41261/17 (Volodina v. Russia), par. 79.

130

EHRM 9 juli 201s9, nr. 41261/17 (Volodina v. Russia), par. 79.

131

EHRM 9 juli 2019, nr. 41261/17 (Volodina v. Russia), para. 80-81.

132

EHRM 9 juli 2019, nr. 41261/17 (Volodina v. Russia), par. 85.

133

EHRM 14 december 2021, nr. 55974/16 (Tunikova and others v. Russia), par. 100, 111, 121.

134

EHRM 14 december 2021, nr. 55974/16 (Tunikova and others v. Russia), par. 75.

135

EHRM 14 december 2021, nr. 55974/16 (Tunikova and others v. Russia), par. 76.

136

EHRM 14 december 2021, nr. 55974/16 (Tunikova and others v. Russia), par. 86.

137

EHRM 14 december 2021, nr. 55974/16 (Tunikova and others v. Russia), par. 87.

138

EHRM 14 december 2021, nr. 55974/16 (Tunikova and others v. Russia), par. 89.

139

EHRM 14 december 2021, nr. 55974/16 (Tunikova and others v. Russia), par. 90.

140

EHRM 14 december 2021, nr. 55974/16 (Tunikova and others v. Russia), par. 91.

141

EHRM 14 december 2021, nr. 55974/16 (Tunikova and others v. Russia), par. 93.

142

EHRM 14 december 2021, nr. 55974/16 (Tunikova and others v. Russia), par. 94.

143

N. Hedlund, ‘The ECHR and the Positive Obligation to Criminalise Domestic Psychological Violence’, Human Rights Law Review (24) 2024, p. 6. Vgl. ook hiervoor onder 7.22.

144

EHRM 14 december 2021, nr. 55974/16 (Tunikova and others v. Russia), par. 153-154.

145

Vgl. EHRM 9 juli 2019, nr. 41261/17 (Volodina v. Russia), par. 78 door het EHRM herhaald in EHRM 14 december 2021, nr. 55974/16 (Tunikova and others v. Russia), par. 86, besproken onder 7.22 en 7.30.

146

EHRM 14 december 2021, nr. 55974/16 (Tunikova and others v. Russia), par. 154.

147

EHRM 14 december 2021, nr. 55974/16 (Tunikova and others v. Russia), par. 86, besproken onder 7.32.

148

N. Hedlund, ‘The ECHR and the Positive Obligation to Criminalise Domestic Psychological Violence’, Human Rights Law Review (24) 2024, p. 7.

149

Zie in soortgelijke zin EHRM 26 augustus 2025, nr. 59813/19 (M.A. v. Iceland). Ik beperk de bespreking tot EHRM 26 augustus 2025, nr. 17006/20 (B.A. v. Iceland).

150

EHRM 26 augustus 2025, nr. 17006/20 (B.A. v. Iceland), par. 1.

151

EHRM 26 augustus 2025, nr. 17006/20 (B.A. v. Iceland), par. 53.

152

EHRM 26 augustus 2025, nr. 17006/20 (B.A. v. Iceland), par. 53.

153

EHRM 26 augustus 2025, nr. 17006/20 (B.A. v. Iceland), par. 54.

154

EHRM 26 augustus 2025, nr. 17006/20 (B.A. v. Iceland), par. 59.

155

EHRM 26 augustus 2025, nr. 17006/20 (B.A. v. Iceland), par. 59.

156

Zie over het Verdrag van Istanboel hierover onder 7.7 e.v.

157

EHRM 26 augustus 2025, nr. 17006/20 (B.A. v. Iceland), par. 60.

158

EHRM 26 augustus 2025, nr. 17006/20 (B.A. v. Iceland), par. 64.

159

EHRM 14 september 2021, nr. 40419/19 (Volodina v. Russia (No. 2)), par. 1.

160

EHRM 14 september 2021, nr. 40419/19 (Volodina v. Russia (No. 2)), par. 47.

161

EHRM 14 september 2021, nr. 40419/19 (Volodina v. Russia (No. 2)), par. 49.

162

EHRM 14 september 2021, nr. 40419/19 (Volodina v. Russia (No. 2)), par. 51.

163

EHRM 14 september 2021, nr. 40419/19 (Volodina v. Russia (No. 2)), par. 57. Herhaald in EHRM 3 december 2024, nr. 28935/21 (M.Ș.D. v. Romania), par. 121.

164

EHRM 14 september 2021, nr. 40419/19 (Volodina v. Russia (No. 2)), par. 68.

165

N. Hedlund, ‘The ECHR and the Positive Obligation to Criminalise Domestic Psychological Violence’, Human Rights Law Review (24) 2024, p. 9.

166

EHRM 2 december 2008, nr. 2872/02 (K.U. v. Finland), par. 43, 46, 47 (cursiveringen PHvK).

167

EHRM (GK) 25 juni 2019, nr. 41720/13 (Nicolae Virgiliu Tănase v. Romania), par. 125-132.

168

EHRM 22 april 2021, nr. 29555/13 (F.O. v. Croatia), par. 93.

169

EHRM (GK) 25 juni 2019, nr. 41720/13 (Nicolae Virgiliu Tănase v. Romania), par. 125-132. Vgl. EHRM 13 september 2016, nr. 25163/08 (Noveski and Others v. “The Former Yugoslav Republic of Macedonia”), par. 61, 62-64 en EHRM 9 november 2021, nr. 31549/18 (Špadijer v. Montenegro), par. 74, 88-89, 93.

170

EHRM 4 juni 2019, nr. 13482/15 (Tolić and Others v. Croatia), par. 72, 94, 99.

171

Vgl. bijv. D.J. Harris, M. Boyle, E.P. Bates e.a., Law of the European Convention on Human Rights, Oxford: Oxford University Press 2023, o.a. p. 248, 511, 525-528.

172

Richtlijn (EU) 2024/1385 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (PbEU 2024, L 1385).

173

Richtlijn (EU) 2024/1385, art. 1 lid 1 onder a en b.

174

Het betreft vrouwelijke genitale verminking (art. 3), gedwongen huwelijk (art. 4), zonder instemming delen van intiem of bewerkt materiaal (art. 5), cyberstalking (art. 6), cyberintimidatie (art. 7) en online aanzetten tot geweld of haat (art. 8).

175

R.W. Timmers, Een zelfstandige strafbaarstelling van psychisch geweld en/of dwingende controle. Een beschrijving van voorwaarden voor aansprakelijkheid in de Deense, Engelse en Welshe, Ierse, Franse en Cypriotische strafbaarstellingen, Heerlen: Open Universiteit 2025.

176

Zie de parlementaire stukken: Forslag til Lov om ændring af straffeloven og forskellige andre love (Selvstændig bestemmelse om psykisk vold), Sagsforløb 2018/1 LF 139, par. 7.

177

Lov om ændring af straffeloven og forskellige andre love (Selvstændig bestemmelse om psykisk vold), LOV nr. 329, par. 1 lid 2. De wet is blijkens par. 7 in werking getreden op 1 april 2019.

178

Forslag til Lov om ændring af straffeloven og forskellige andre love (Selvstændig bestemmelse om psykisk vold), Sagsforløb 2018/1 LF 139, par. 2.3. In het Deens: “Forbrydelser mod liv og legeme”. De vertalingen in deze conclusie zijn tot stand gekomen met behulp van meerdere vertaalprogramma’s.

179

Niet-officiële vertaling. De originele, Deense tekst luidt: “Den, som tilhører eller er nært knyttet til en andens husstand eller tidligere har haft en sådan tilknytning til husstanden, og som gentagne gange over en periode udsætter den anden for groft nedværdigende, forulempende eller krænkende adfærd, der er egnet til utilbørligt at styre den anden, straffes for psykisk vold med bøde eller fængsel indtil 3 år.” Lov om ændring af straffeloven og forskellige andre love (Selvstændig bestemmelse om psykisk vold), LOV nr 329 af 30/03/2019, par. 1 lid 2.

180

Forslag til Lov om ændring af straffeloven og forskellige andre love (Selvstændig bestemmelse om psykisk vold), Sagsforløb 2018/1 LF 139, par. 2.2 en 2.3.

181

Forslag til Lov om ændring af straffeloven og forskellige andre love (Selvstændig bestemmelse om psykisk vold), Sagsforløb 2018/1 LF 139, par. 2.3.

182

Forslag til Lov om ændring af straffeloven og forskellige andre love (Selvstændig bestemmelse om psykisk vold) Sagsforløb 2018/1 LF 139, “Bemærkninger til lovforslagets enkelte bestemmelser, Til § 1”.

183

De toevoeging luidt in het Deens: “herunder ved udøvelse af negativ social kontrol,”. Zie Lov om ændring af straffeloven, lov om pas til danske statsborgere m.v. og udlændingeloven (Styrket indsats mod negativ social kontrol m.v.), LOV 415 af 13/03/2021, par. 1. De wet is blijkens voetnoot 1 in werking getreden op 15 maart 2021.

184

Bekendtgørelse af straffeloven, LBK nr. 1294 af 07/11/2025, par. 245. De Deense tekst van dit artikel luidt: “Den, der udøver et legemsangreb af særligt rå, brutal eller farlig karakter eller gør sig skyldig i mishandling, straffes med fængsel indtil 6 år. Har et sådant legemsangreb haft betydelig skade på legeme eller helbred til følge, skal dette betragtes som en særligt skærpende omstændighed. Det skal endvidere betragtes som en særligt skærpende omstændighed, hvis legemsangrebet eller mishandlingen er begået mod en person under 18 år af en person i eller nært knyttet til den forurettedes husstand. Stk. 2. Den, der uden for de i stk. 1 nævnte tilfælde tilføjer en anden person skade på legeme eller helbred, straffes med fængsel indtil 6 år.”

185

Forslag til Lov om ændring af straffeloven og forskellige andre love (Selvstændig bestemmelse om psykisk vold), Sagsforløb 2018/1 LF 139, par. 2.1.1.

186

Forslag til Lov om ændring af straffeloven og forskellige andre love (Selvstændig bestemmelse om psykisk vold), Sagsforløb 2018/1 LF 139, par. 2.2 en “Bemærkninger til lovforslagets enkelte bestemmelser, Til § 2” (één-na-laatste alinea).

187

Forslag til Lov om ændring af straffeloven og forskellige andre love (Selvstændig bestemmelse om psykisk vold), Sagsforløb 2018/1 LF 139, “Bemærkninger til lovforslagets enkelte bestemmelser, Til § 1”.

188

Bekendtgørelse af straffeloven, LBK nr. 1294 af 07/11/2025, par. 244.

189

Bekendtgørelse af straffeloven, LBK nr. 1294 af 07/11/2025, par. 244, Forslag til Lov om ændring af straffeloven og forskellige andre love (Selvstændig bestemmelse om psykisk vold), Sagsforløb 2018/1 LF 139, par. 2.1.2.

190

Forslag til Lov om ændring af straffeloven og forskellige andre love (Selvstændig bestemmelse om psykisk vold), Sagsforløb 2018/1 LF 139, par 1.

191

Forslag til Lov om ændring af straffeloven og forskellige andre love (Selvstændig bestemmelse om psykisk vold), Sagsforløb 2018/1 LF 139, par. 2.2.

192

Forslag til Lov om ændring af straffeloven og forskellige andre love (Selvstændig bestemmelse om psykisk vold), Sagsforløb 2018/1 LF 139, par. 2.3.

193

Retsudvalget 2018-19, L139 endeligt svar på spørgsmål 13, p. 2.

194

In Sectie 87 lid 1 sub e Serious Crime Act 2015 is opgenomen dat deze bepaling alleen geldt voor Engeland en Wales.

195

Sectie 76 van de Serious Crime Act 2015.

196

Zie parlementaire stukken: The Home Office, Impact Assessment Domestic Abuse Act 2021, HO0391, May 2021, p. 3.

197

The Home Office, Impact Assessment Domestic Abuse Act 2021, HO0391, May 2021, p. 3 (voetnoot 2).

198

Sectie 68 van de Domestic Abuse Act 2021.

199

Explanatory Notes on the Common Amendments to the Serious Crime Bill as brought from the House of Commons on 24th February 2015 [HL Bill 96], par. 26.

200

The Home Office, Impact Assessment Domestic Abuse Act 2021, HO0391, May 2021, p. 7 en 14.

201

Sectie 1 lid 3 sub c, d en e van de Domestic Abuse Act 2021.

202

Explanatory Notes on the Common Amendments to the Serious Crime Bill as brought from the House of Commons on 24th February 2015 [HL Bill 96], Annex A, par. 15-20.

203

Zie o.a. EHRM 8 april 2021, nr. 47621/13 (Vavřička and others v. The Czech Republic), par. 266-269.

204

Zie parlementaire stukken: Proposition de loi renforçant la protection des victimes et la prévention et la répression des violences faites aux femmes, Texte Adopté n° 428, 25 février 2010, art. 17, onderdeel 1 en 2.

205

Art. 222-14-3 Code Pénal luidt: “Les violences prévues par les dispositions de la présente section sont réprimiées quelle que soit leur nature, y compris s’il s’agit de violences psychologiques.”

206

O.a. Cour de cassation (Chambre criminelle) 18 maart 2008, 07-86.075: “Qu’en effet, le délit de violences est constitué, même sans atteinte physique de la victime, par tout acte de nature à impressionner vivement celle-ci et à lui causer un choc émotif”.

207

Circulaire du 3 août 2010 relative à la présentation des dispositions de droit pénal et de procédure pénale de la loi n° 2010-769 du 9 juillet 2010 relative aux violences faites spécifiquement aux femmes, aux violences au sein des couples et aux incidences de ces dernières sur les enfants, NOR : JUSD1020921C, par. 1.1.

208

Circulaire du 3 août 2010 relative à la présentation des dispositions de droit pénal et de procédure pénale de la loi n° 2010-769 du 9 juillet 2010 relative aux violences faites spécifiquement aux femmes, aux violences au sein des couples et aux incidences de ces dernières sur les enfants, NOR : JUSD1020921C, par. 1.1. Zie ook Proposition de loi violences faites aux femmes (n°2121), amendement présenté par M. Guy Geoffroy, CS 104.

209

Art. 222-33-2 Code Pénal luidt op dit moment: “Le fait de harceler autrui par des propos ou comportements répétés ayant pour objet ou pour effe tune dégradation des conditions de travail susceptible de porter atteinte à ses droits et à sa dignité, d’altérer sa santé physique ou mentale ou de compromettre son avenir professionel, est puni de deux ans d’emprisonnement et de 30 000 € d’amende.” Ingevoerd bij Loi n° 2002-73 du 17 janvier 2002 de modernisation sociale, art. 170.

210

Bedoeld is slechts een (voormalig) geregistreerd partner of een (voormalig) samenwonend partner.

211

Proposition de loi renforçant la protection des victimes et la prévention et la répression des violences faites aux femmes, Texte Adopté n° 428, 25 février 2010, art. 17, onderdeel 3 en 4. Art. 222-33-2 Code Pénal luidt op dit moment: “Le fait de harceler son conjoint, son partenaire lié par un pacte civil de solidarité ou son concubin par des propos ou comportements répétés ayant pour objet ou pour effet une dégradation de ses conditions de vie se traduisant par une altération de sa santé physique physique ou mentale est puni de trois ans d’emprisonnement et de 45 000 € d’amende lorsque ces faits ont causé une incapacité totale de travail inférieure ou égale à huit jours ou n’ont entraîné aucune incapacité de travail et de cinq ans d’emprisonnement et de 75 000 € d’amende lorsqu’ils ont causé une incapacité totale de travail supérieure à huit jours ou ont été commis alors qu’un mineur était présent et y a assisté. Les mêmes peines sont encourues lorsque cette infraction est commise par un ancien conjoint ou un ancien concubin de la victime, ou un ancien partenaire lié à cette dernière par un pacte civil de solidarité. Les peines sont portées à dix ans d’emprisonnement et à 150 000 € d’amende lorsque le harcèlement a conduit la victime à se suicider ou à tenter de se suicider.” In 2014 werd “des agissements” (“handelingen”) veranderd in “des propos ou comportements” (opmerkingen of gedragingen). Zie Loi n° 2014-873 du 4 août 2014 pour l'égalité réelle entre les femmes et les hommes.

212

Rapport fait au nom de la commission spéciale chargée d’examiner la proposition de loi (n° 2121) de mme danielle bousquet, m. guy geoffroy et plusieurs de leurs collègues renforçant la protection des victimes et la prévention et la répression des violences faites aux femmes, n° 2293, Enregistré à la Présidence de l’Assemblée nationale le 10 février 2010, p. 63. Zie ook Circulaire du 3 août 2010 relative à la présentation des dispositions de droit pénal et de procédure pénale de la loi n° 2010-769 du 9 juillet 2010 relative aux violences faites spécifiquement aux femmes, aux violences au sein des couples et aux incidences de ces dernières sur les enfants, NOR : JUSD1020921C, par. 1.1.

213

Loi n° 2014-873 du 4 août 2014 pour l'égalité réelle entre les femmes et les hommes, art. 41. Art. 222-33-2-2 Code Pénal luidt op dit moment: “Le fait de harceler une personne par des propos ou comportements répétés ayant pour objet ou pour effet une dégradation de ses conditions de vie se traduisant par une altération de sa santé physique ou mentale est puni d’un an d’emprisonnement et de 15 000 € d’amende lorsque ces faits ont causé une incapacité totale de travail inférieure ou égale à huit jours ou n’ont entraîné aucune incapacité de travail. L’infraction est également constituée: a) Lorsque ces propos ou comportements sont imposés à une même victime par plusieurs personnes, de manière concertée ou à l’instigation de l’une d’elles, alors même que chacune de ces personnes n’a pas agi de façon répétée; b) Lorsque ces propos ou comportements sont imposés à une même victime, successivement, par plusieurs personnes qui, même en l’absence de concertation, savent que ces propos ou comportements caractérisent une répétition.” In 2018 werd een strafverzwaringsgrond ingevoerd voor o.a. het geval dat een minderjarige getuige is van het feit. Zie Loi n° 2018-703 du 3 août 2018 renforçant la lutte contre les violences sexuelles et sexistes. In 2022 werd de leeftijdsgrens voor de strafverzwaringsgrond bij minderjarigen losgelaten. Zie Loi n° 2022-299 du 2 mars 2022 visant à combattre le harcèlement scolaire, art. 13.

214

Rapport fait au nom de la commission des lois constitutionnelles, de la législation et de l’administration générale de la république, sur le projet de loi, adopté par le sénat (n° 1380), pour l’égalité entre les femmes et les hommes, n° 1663, Enregistré à la Présidence de l’Assemblée nationale le 18 décembre 2013, p. 233-238.

215

Rapport fait au nom de la commission des lois constitutionnelles, de la législation et de l’administration générale de la république, sur le projet de loi, adopté par le sénat (n° 1380), pour l’égalité entre les femmes et les hommes, n° 1663, Enregistré à la Présidence de l’Assemblée nationale le 18 décembre 2013, p. 235.

216

Art. 222-33-2-3 Code Pénal luidt sindsdien: “Constituent un harcèlement scolaire les faits de harcèlement moral définis aux quatre premiers alinéas de l’article 222-33-2-2 lorsqu’ils sont commis à l’encontre d’un élève par toute personne étudiant ou exerçant une activité professionnelle au sein du même établissement d’enseignement. Le harcèlement scolaire est puni de trois ans d’emprisonnement et de 45 000 € d’amende lorsqu’il a causé une incapacité totale de travail inférieure ou égale à huit jours ou n’a entraîné aucune incapacité de travail. Les peines sont portées à cinq ans d’emprisonnement et à 75 000 € d’amende lorsque les faits ont causé une incapacité totale de travail supérieure à huit jours. Les peines sont portées à dix ans d’emprisonnement et à 150 000 € d’amende lorsque les faits ont conduit la victime à se suicider ou à tenter de se suicider. Le présent article est également applicable lorsque la commission des faits mentionnés au premier alinéa du présent article se poursuit alors que l’auteur ou la victime n’étudie plus ou n’exerce plus au sein de l’établissement.” Loi n° 2022-299 du 2 mars 2022 visant à combattre le harcèlement scolaire, art. 11.

217

Rapport fait au nom de la commission des affaires culturelles et de l’éducation sur la proposition de loi visant à combattre le harcèlement scolaire, n° 4712, Enregistré à la Présidence de l’Assemblée nationale le 24 novembre 2021, p. 7.

218

Proposition de loi visant à renforcer la lutte contre les violences faites aux femmes et aux enfants, n° 699, Enregistré à la Présidence de l’Assemblée nationale le 3 décembre 2024.

219

Cour d’appel de Poitiers (Chambre des appels correctionnels) 31 januari 2024, p. 6.

220

Proposition de loi visant à renforcer la lutte contre les violences faites aux femmes et aux enfants, n° 699, Enregistré à la Présidence de l’Assemblée nationale le 3 décembre 2024. p. 4-5.

221

Assemblée Nationale 24 janvier 2025, renforcer la lutte contre les violences faites aux femmes et aux enfants - (N° 845), Amendement n°29, Déposé le vendredi 24 janvier 2025, adopté 28 janvier 2025, article 3, p. 7.

222

Rapport fait au nom de la commission des lois constitutionnelles, de législation, du suffrage universel, du Règlement et d’administration générale (1) sur la proposition de loi, adoptée par l’Assemblée nationale, visant à renforcer la lutte contre les violences sexuelles et sexistes, n°482, Enregistré à la Présidence du Sénat le 26 mars 2025, p. 29.

223

Zie Proposition de loi, modifiée par le Sénat, visant à renforcer la lutte contre les violences sexuelles et sexistes, n° 1256, déposée le vendredi 4 avril 2025.

224

De voorgestelde alinea luidt: “Constituent l’infraction mentionnée au premier alinéa les propos ou comportements répétés ayant pour objet ou pour effet de restreindre gravement la liberté d’aller et venir de la victime ou sa vie privée ou familiale ou de contraindre sa vie quotidienne par des menaces ou des pressions psychologiques, économiques ou financières.”

225

Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Toelichting op het Wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek – Boek 1 en 2, 13 maart 2019, 3651/001, p. 409-410.

226

Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Toelichting op het Wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek – Boek 1 en 2, 13 maart 2019, 3651/001, p. 304-305.

227

Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Toelichting op het Wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek – Boek 1 en 2, 13 maart 2019, 3651/001, p. 409-410.

228

Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Toelichting op het Wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek – Boek 1 en 2, 13 maart 2019, 3651/001, p. 306.

229

Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Toelichting op het Wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek – Boek 1 en 2, 13 maart 2019, 3651/001, p. 309.

230

Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Toelichting op het Wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek – Boek 1 en 2, 13 maart 2019, 3651/001, p. 410.

231

Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Toelichting op het Wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek – Boek 1 en 2, 13 maart 2019, 3651/001, p. 409.

232

Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Toelichting op het Wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek – Boek 1 en 2, 13 maart 2019, 3651/001, p. 426.

233

Wet tot invoering van boek II van het Strafwetboek (1), 29 februari 2024, 2024002088.

234

Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Toelichting op het Wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek – Boek 1 en 2, 13 maart 2019, 3651/001, p. 308.

235

Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Toelichting op het Wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek – Boek 1 en 2, 13 maart 2019, 3651/001, p. 308-309.

236

Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Toelichting op het Wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek – Boek 1 en 2, 13 maart 2019, 3651/001, p. 309.

237

Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Toelichting op het Wetsvoorstel tot invoering van een nieuw Strafwetboek – Boek 1 en 2, 13 maart 2019, 3651/001, p. 409.

238

B. Hardtung, in: Münchener Kommentar Zum Strafgesetzbuch, 5. Auflage 2025, StGB § 223 Körperverletzung, randnr. 26-27.

239

B. Hardtung, in: Münchener Kommentar Zum Strafgesetzbuch, 5. Auflage 2025, StGB § 223 Körperverletzung, randnr. 29-31. Hierin wordt verwezen naar o.a. Bundesgerichtshof, Urteil vom 26 November 1985, 1 StR 393/85 (LG Freiburg), r.o. 3. Zie ook Bundesgerichtshof, Besluß vom 26 Februar 2015 − 4 StR 548/14 (LG Dortmund), r.o. 1(a).

240

B. Hardtung, in: Münchener Kommentar Zum Strafgesetzbuch, 5. Auflage 2025, StGB § 223 Körperverletzung, randnr. 46-47.

241

B. Hardtung, in: Münchener Kommentar Zum Strafgesetzbuch, 5. Auflage 2025, StGB § 223 Körperverletzung, randnr. 41.

242

Dit zou worden bevestigd door een woordelijke en systematische interpretatie van een aantal bepalingen uit het Strafgesetzbuch, bijvoorbeeld StGB § 225 lid 3 of StGB § 226 lid 1 sub 3.

243

B. Hardtung, in: Münchener Kommentar Zum Strafgesetzbuch, 5. Auflage 2025, StGB § 223 Körperverletzung, randnr. 30.

244

Bundesgerichtshof, Urteil vom 4 November 1988, 1 StR 262/88 (LG Nürnberg-Fürth), r.o. 1.

245

B. Hardtung, in: Münchener Kommentar Zum Strafgesetzbuch, 5. Auflage 2025, StGB § 223 Körperverletzung, randnr. 58 onder verwijzing naar rechtspraak van het Bundesgerichtshof.

246

Bundesgerichtshof, Urteil vom 31 Oktober 1995, 1 StR 527/95 (LG Ingolstadt), r.o. 2.

247

Bundesgerichtshof, Besluß vom 18 Juli 2013, 4 StR 168/13 (LG Dortmund).

248

Bundesgerichtshof, Besluß vom 5 Februar 2019, 2 StR 562/18.

249

Bundesgerichtshof, Besluß vom 12 März 2019, 4 StR 63/19 (LG Kaiserslautern).

250

Bundesgerichtshof, Urteil vom 31 oktober 1995, 1 StR 527/95 (LG Ingolstadt), Hardtung, Münchener Kommentar Zum StGB § 223 Körperverletzung, 5, Auflage 2025, par. 58-60.

251

B. Hardtung, in: Münchener Kommentar Zum Strafgesetzbuch, 5. Auflage 2025, StGB § 223 Körperverletzung, randnr. 61-64.

252

B. Hardtung, in: Münchener Kommentar Zum Strafgesetzbuch, 5. Auflage 2025, StGB § 225 Mißhandlung von Schutzbefohlenen, randnr. 11-16.

253

B. Hardtung, in: Münchener Kommentar Zum Strafgesetzbuch, 5. Auflage 2025, StGB § 225 Mißhandlung von Schutzbefohlenen, randnr. 17-19.

254

B. Hardtung, in: Münchener Kommentar Zum Strafgesetzbuch, 5. Auflage 2025, StGB § 225 Mißhandlung von Schutzbefohlenen, randnr. 17-19.

255

B. Hardtung, in: Münchener Kommentar Zum Strafgesetzbuch, 5. Auflage 2025, StGB § 226 Schwere Körperverletzung, randnr. 3, 40.

256

GREVIO Baseline Evaluation Report Germany, 24 juni 2022, p. 69.

257

Comments submitted by Germany on GREVIO’s final report on the implementation of the Council of Europe Convention on preventing and combating violence against women and domestic violence (Baseline Report), 30 september 2022, p. 26.

258

Zie voor een overzicht van feitenrechtspraak hiervoor onder 6.5 t/m 6.28.

259

M. Scharenborg, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht (1886-2017), Deel III, Rotterdam: Mijnmanagementboek.nl, p. 159-160.

260

H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht: deel II, tweede druk, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 478 en deel III, tweede druk, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1892, p. 488 en verder HR 11 februari 1929, ECLI:NL:HR:1929:351, NJ 1929, p. 503.

261

H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht: deel II, tweede druk, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 339 (ziek naar geest i.v.m. koppelarij art. 250), 414 (verstoring van de gemoedsrust i.v.m. belediging in art. 266) en 533 (ernstige schokken gemoedsrust i.v.m. afdreiging art. 318) en deel III, tweede druk, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1892, p. 229 (psychische dwang i.v.m. bedelarij in art. 432 e.v.).

262

H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, tweede druk, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 475; HR 11 februari 1929, ECLI:NL:HR:1929:351, NJ 1929, p. 503. Zie ook Kamerstukken I 1999/2000, 25 768, nr. 67a, p. 10.

263

Y.G.M. Baaijens-van Geloven, ‘Is psychische mishandeling strafbaar?’, in: A. Harteveld, D.H. de Jong & E. Stamhuis (red.), Systeem in ontwikkeling, Liber amicorum G. Knigge, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2005, p. 8. Zie ook S.L.T.J. Ligthart, L.E. van Oploo, E.E. Nauta en J. Bijlsma, ‘Bescherming van de geest in het materiële strafrecht. Een verkenning’, DD 2023/14, p. 170-173, 174, 176-177, waarbij zij opmerken: “Niettemin kan worden gesteld dat artikel 300 lid 4 Sr op zijn minst potentie heeft te voorzien in strafrechtelijke bescherming tegen psychische mishandeling.”.

264

Y.G.M. Baaijens-van Geloven, ‘Is psychische mishandeling strafbaar?’, in: A. Harteveld, D.H. de Jong & E. Stamhuis (red.), Systeem in ontwikkeling, Liber amicorum G. Knigge, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2005, p. 11-12.

265

Kamerstukken 2021/22, 36 178, nr. 3.

266

Tot een soortgelijke slotsom komen o.a. ook A-G Bleichrodt, conclusie voor HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402, randnr. 11-21, A-G Paridaens, conclusie voor HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1751, NJ 2019/456, randnr. 3.5 t/m 3.8 en A-G Harteveld, conclusie voor HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:774, NJ 2025/166, randnr. 3.6 t/m 3.11. Vgl. verder A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 300 Sr, aant. 2 (actueel t/m 31 oktober 2024) (“De bewijsvoering zal echter steeds de conclusie moet kunnen dragen dat er sprake is geweest van [lichamelijke] pijn, van hevige lichamelijke onlust of van letsel.”) en H.D. Wolswijk, in: T&C Strafrecht, art. 300 Sr, aant. 1 en 10b (actueel t/m 15 oktober 2025).

267

HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402, r.o. 3.2.

268

Vgl. A-G Bleichrodt, conclusie voor HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402, randnr. 11.

269

Deze vooropstelling is herhaald in HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1077, r.o. 2.3.2.

270

HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402, r.o. 3.2

271

Zie bijvoorbeeld HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:774, NJ 2025/166, r.o. 2.3, HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1459, r.o. 2.3, HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1554, r.o. 2.3 en HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1077, r.o. 2.3.3.

272

Wanneer psychische mishandeling wordt begrepen naar de aard van de gedraging in plaats van naar de aard van het gevolg zou het mogelijk wel onder art. 300 Sr kunnen vallen voor zover (daardoor) sprake is van lichamelijk letsel, pijn, een opzettelijke benadeling van de gezondheid of een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam.

273

Y.G.M. Baaijens-van Geloven, ‘Is psychische mishandeling strafbaar?’, in: A. Harteveld, D.H. de Jong & E. Stamhuis (red.), Systeem in ontwikkeling, Liber amicorum G. Knigge, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2005, p. 14.

274

HR 20 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:66, r.o. 2.4.4, vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9407, NJ 2013/436 m.nt. Keijzer, r.o. 3.5.

275

Zie Kamerstukken II, 1986/87, 20 042, nr. 3, p. 2: “Naar terminologie van het Nederlandse strafrecht vertaald, komen derhalve alleen zeer ernstige vormen van mishandeling in aanmerking om als foltering te worden aangemerkt. Deze te duiden als vormen van «zware» mishandeling, in de specifieke zin van artikel 302 Wetboek van Strafrecht, zou echter in zeker opzicht te kort doen aan de strekking van de verdragbepalingen. […] Voorts is, in het licht van de verdragsbepaling, in een afzonderlijk lid verduidelijkt, dat ook wijzen van mishandeling die niet zo zeer lichamelijke pijnen veroorzaken, maar psychische kwellingen vormen, foltering kunnen opleveren.” Om die reden werd in art. 1 lid 2 Uitvoeringswet folteringverdrag de volgende bepaling opgenomen: “Met mishandeling wordt gelijkgesteld het opzettelijk teweegbrengen van een toestand van hevige angst of een andere vorm van ernstige geestelijke ontreddering.” (de Uitvoeringswet folteringverdrag is per 1 oktober 2003 vervallen). Zie ook Kamerstukken II 2001/02, 28 337, nr. 3, p. 7-8 (MvT bij de Wet internationale misdrijven): “De regering meent thans dat met name het gebruik van de term «mishandeling» minder juist is, mede tegen de achtergrond van de andere in het voorstel opgenomen internationale misdrijven en de omschrijving daarvan. Reeds bij de Uitvoeringswet folteringverdrag was duidelijk dat de aansluiting bij de mishandeling uit het Wetboek van Strafrecht niet geheel voldeed om de zeer ernstige vormen van mishandeling te omschrijven waar het bij foltering om gaat.”

276

HR 11 februari 1929, ECLI:NL:HR:1929:351, NJ 1929, p. 503.

277

HR 12 december 1967, ECLI:NL:HR:1967:AB4598, NJ 1970/314.

278

HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402. In deze zaak werd gecasseerd, omdat was bewezen verklaard dat het slachtoffer letsel had opgelopen door deze gedraging, terwijl dit volgens de Hoge Raad niet uit de bewijsvoering kon worden afgeleid.

279

HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:197, NJ 2015/99. In deze zaak volgde cassatie, omdat was bewezen verklaard dat het slachtoffer letsel had opgelopen door deze gedraging, terwijl dit volgens de Hoge Raad niet uit de bewijsvoering kon volgen.

280

HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1554.

281

HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1751, NJ 2019/456.

282

HR 11 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1589 (art. 81 lid 1 RO) .

283

HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:774, NJ 2025/166.

284

Zie o.a. J.M. van Bemmelen en W.F.C. van Hattum, Hand- en leerboek van het Nederlandse Strafrecht. Deel II. Bijzondere delicten, Arnhem: S. Gouda Quint - D. Brouwer en Zoon 1954, p. 224, A-G Bleichrodt, conclusie voor HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402, randnr. 15 en 17 en A-G Paridaens, conclusie voor HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1751, NJ 2019/456, randnr. 3.6 en 3.8.

285

A-G Harteveld, conclusie voor HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:774, NJ 2025/166, randnr. 3.17-3.18.

286

HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3055, NJ 2014/501.

287

N. Hedlund & K. Lindenberg, ‘Psychische mishandeling in de zin van artikel 300 Sr?’, DD 2025/29, p. 431.

288

HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4858, NJ 2013/423 m.nt. Legemaate, r.o. 3.4

289

Eén van de aanbevelingen van het onderzoek van Goldberg e.a. is te expliciteren of onder “benadeling van de gezondheid” als bedoeld in art. 300 lid 4 Sr ook de geestelijke gezondheid is begrepen. Zie A.E. Goldberg e.a., Psychisch geweld in het strafrecht. Een verkennend onderzoek naar de strafrechtelijke aanpak van psychisch geweld, Groningen: University of Groningen Press 2025, p. 81.

290

Onder meer Remmelink en Baaijens-Van Geloven zijn van oordeel dat onder benadeling van de gezondheid ook de psychische gezondheid valt. Zie J. Remmelink, ‘Once more talking of stalking’, in: G.P.M.F. Mols & M. Wladimiroff (red.), Homo Advocatus, Spong-Bundel, Den Haag: Sdu 1998, p. 154-155 en Y.G.M. Baaijens-van Geloven, ‘Is psychische mishandeling strafbaar?’, in: A. Harteveld, D.H. de Jong & E. Stamhuis (red.), Systeem in ontwikkeling, Liber amicorum G. Knigge, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2005, p. 18-19.

291

N. Hedlund & K. Lindenberg, ‘Psychische mishandeling in de zin van artikel 300 Sr?’, DD 2025/29, p. 431.

292

A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 300 Sr, aant. 3 (actueel t/m 31 oktober 2024).

293

Krabbe en Wedzinga zijn deze mening toegedaan. Zie H.G.M. Krabbe & W. Wedzinga, ‘Belaging in wetsontwerp 25768’, in: L.M.M. Royakkers & A. Sarlemijn, Stalking strafbaar gesteld, Deventer: Gouda Quint 1998, p. 60: “De wetgever heeft Titel 20 met als opschrift ‘Mishandeling’ gereserveerd voor gedragingen die pijn, een groter of kleiner lichamelijk letsel of zelfs de dood ten gevolge hebben. […] De wetgever heeft welbewust de mishandeling beperkt tot het lichamelijke letsel en de benadeling van de gezondheid. Het is een grote sprong om alleen voor de belaging van een ander mishandelingsbegrip uit te gaan. De reden van de beperking tot het lichamelijke letsel en de gezondheid van een ander zal voor de wetgever zijn geweest, dat de psychische beschadiging veel minder grijpbaar is dan lichamelijk letsel.”

294

Zie hiervoor onder 9.

295

Vgl. onder 6.24 (feitenrechtspraak) en onder 8.7 (Denemarken).

296

Zie o.a. onder 6 (het belang van de rechtsvraag).

297

Zie onder 7.

298

Zie onder 8.29 en 8.30 (Duitsland).

299

EHRM 22 november 1995, NJ 1997/1 m.nt. Knigge (C.R. v. the United Kingdom), par. 33-24 (mijn curs.). Zie bijv. ook EHRM (GK) 26 september 2023, nr. 15669/20 (Yüksel Yalçinkaya v. Turkey), par. 239.

300

HR 23 mei 1921, ECLI:NL:HR:1921:186, NJ 2021, p. 564 m.nt. Taverne en HR 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ9251, NJ 2012/536 m.nt. Keijzer.

301

Vgl. J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 118.

302

Zie onder 9.3 (wetsgeschiedenis).

303

Vgl. de ontwikkelingen die worden beschreven in M.S. Groenhuijsen en F.P.E. Wiemans, Van electriciteit naar computercriminaliteit, Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 9-64.

304

Zie onder 9.3 (wetsgeschiedenis).

305

Zie ook onder 5 (begripsbepaling).

306

J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 106-107 en K. Lindenberg & H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 40-41.

307

Zie o.a. onder 7.27 en 7.51 (EVRM) en onder 8.40-8.42 (conclusie landenbespreking).

308

Zie onder 6.29-6.34 (voornemen tot wetsvoorstel).

309

Zie onder 7.28 (EHRM over specifieke wetgeving) resp. onder 8.7 (Denemarken) en onder 8.15 (Frankrijk).

310

Vgl. M.S. Groenhuijsen en F.P.E. Wiemans, Van electriciteit naar computercriminaliteit, Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 2.

311

HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896, NJ 2021/400 m.nt. Klip, r.o. 2.3.1 onder verwijzing naar HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, NJ 2010/586, r.o. 2.4. Zie meer recent HR 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:340, NJ 2023/173 m.nt. Keijzer, r.o. 2.3.3 en HR 7 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1452, r.o. 2.3.

312

Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, r.o. 3.7.1. Zie recent HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:374, r.o. 2.3.

313

Te weten “i) dat onder “benadeling van de gezondheid” als omschreven in art. 300 lid 4 Sr, ook dient te worden verstaan “benadeling van de geestelijke gezondheid”, ii) dat de tenlastegelegde handelingen geschikt waren om de geestelijke gezondheid van [slachtoffer] te benadelen, iii) dat de geestelijke gezondheid van [slachtoffer] door die handelingen ook daadwerkelijk is benadeeld”.

314

Cursivering PHvK.

315

HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690, NJ 2011/466 m.nt. Keijzer, r.o. 2.3.1 en 2.4.2. Vgl. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402, r.o. 3.3 en HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7678, r.o. 4.2, in welke zaken de feitelijke handeling wel kon worden bewezen, maar niet dat dit mishandeling i.d.z.v. pijn resp. letsel behelsde.

316

Cursivering PHvK.

317

Zie de rechtspraak in de vorige voetnoot.

318

Cursivering PHvK.

319

Vgl. HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148, NJ 2010/24, r.o. 2.3.4 en HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1804, r.o. 2.5.


meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Meer fiscale opties pensioenverrekening samenwoners
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 06-05-2025
Jasper Horsthuis en Rob Welling gaan in gesprek over een recente uitbreiding van de fiscale mogelijkheden voor pensioenverrekening door samenwoners. Zij bepleiten een verdere verruiming van de regeling.
Podcastgesprek: Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente (II)
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 22-04-2025
De Belastingdienst heeft - opnieuw - een standpunt gepubliceerd over de fiscale afwikkeling van een lijfrentepolis bij echtscheiding. Rob Welling en Jasper Horsthuis bespreken de gevolgen hiervan.
Podcastgesprek: Breaking! Vóórhuwelijks vergoedingsrecht halveert niet!
Drs. Jasper Horsthuis en Rob Welling, 08-04-2025
Onze redacteur Jasper Horsthuis en scheidingsfiscalist Rob Welling gingen in gesprek over de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad op 21-03-2025. Super heldere uitleg over inhoud en gevolgen van de uitspraak!
Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN