ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-02-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:522

Essentie (gemaakt door AI)

Geding na verwijzing door de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2024:165). Vraag is of de wijzigingen huwelijkse voorwaarden (2009, 2016) en vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand kwamen. Hof oordeelt dat bij vrouw wil ontbrak en dat man geen gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben (art. 3:33, 3:35 BW), mede gezien kennisvoorsprong man en niet-naleving notariële waarschuwingsplicht. Wijzigingsakten en vaststellingsovereenkomst zijn nietig; afwikkeling vindt plaats volgens huwelijkse voorwaarden 1997.


Datum publicatie05-03-2026
Zaaknummer200.337.461_01 en 200.337.555_01
ProcedureVerwijzing na Hoge Raad
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Titel 8 Huwelijksvoorwaarden
WetsverwijzingenBurgerlijk Wetboek Boek 3 33; Burgerlijk Wetboek Boek 3 35

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Geding na verwijzing door Hoge Raad bij beschikking van 2 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:165). Nietigheid gewijzigde huwelijkse voorwaarden en daarmee samenhangende vaststellingsovereenkomst. Geen gerechtvaardigd vertrouwen bij de man (art. 3:33, 3:35 BW) .

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummers : 200.337.461/01 en 200.337.555/01

zaaknummers rechtbank : C/16/433687 / FA RK 17-1074 en

C/16/442218 / FA RK 17-3760

zaaknummer in hoger beroep bij gerechtshof Arnhem-Leeuwarden: 200.248.115/01

beschikking van de meervoudige kamer van 26 februari 2026

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R. van Coolwijk te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep;

hierna te noemen: de vrouw,

advocaten mr. A.M.L. van As en mr. M.H.G. Plieger te Nieuwegein

in het geding na verwijzing door de Hoge Raad bij beschikking van 2 februari 2024, zaaknummers 22/03945 en 22/03944 (ECLI:NL:HR:2024:165).

De zaak in het kort

Partijen zijn gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden. Deze zaak na verwijzing gaat over de vraag of de wijzigingen van die huwelijkse voorwaarden in 2009 en in 2016 en de in dat verband in 2009 gesloten vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand zijn gekomen. Tussen partijen is in geschil of de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dient te geschieden volgens de eerste huwelijkse voorwaarden uit 1997 dan wel volgens de nadien gewijzigde huwelijkse voorwaarden en de gesloten vaststellingsovereenkomst. Kernvraag is of de man er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de wil van de vrouw gericht was op de rechtsgevolgen van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden en de met de eerste wijziging verband houdende vaststellingsovereenkomst.

1Het verloop van het geding in feitelijke instanties en in cassatie

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in feitelijke instanties naar de beschikking van de Hoge Raad van 2 februari 2024, nummers 22/03945 en 22/03944 gegeven in:

  • de zaak met nummer 22/03945 tussen de vrouw als verzoekster tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep en de man als verweerder in cassatie, verzoeker in het incidentele cassatieberoep;

  • de zaak met nummer 22/03944 tussen de man als verzoeker in cassatie en verweerder in het incidentele cassatieberoep en de vrouw als verweerster in cassatie en verzoeker in het incidentele cassatieberoep.

2Het verloop van het geding na verwijzing

2.1.

Bij brief van 28 februari 2024 heeft de vrouw de zaak aangebracht bij dit hof ter verdere behandeling en beslissing. Partijen zijn door het hof in de gelegenheid gesteld schriftelijk aan te geven wat, na de beschikking van de Hoge Raad, nog ter beslissing voorligt.

2.2.

Bij ‘memorie na verwijzing’, ingekomen ter griffie op 15 mei 2024, heeft de man verzocht om, al dan niet onder aanvulling van de gronden, het inhoudelijk oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 21 juni 2022 in stand te laten althans de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 juni 2018, voor zover daarin vernietiging van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden en vaststellingsovereenkomst uit 2009 en 2016 is aanvaard (rechtsoverwegingen 3.41 tot en met 3.50 van die beschikking) te vernietigen. De man verzoekt voorts het hof te bepalen dat de vaststellingsovereenkomst en de akte wijziging huwelijkse voorwaarden van 3 maart 2009 (het hof begrijpt:) en de akte wijziging huwelijkse voorwaarden van 13 juni 2016 onverkort van kracht zijn, althans een zodanige beslissing als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

2.3.

Bij ‘verweerschrift na cassatie en verwijzing’ heeft de vrouw verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de man niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep althans de grieven van de man, zoals nog aan het verwijzingshof voorgelegd (in het bijzonder grief 5), als ongegrond en onbewezen af te wijzen;

  2. de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen zo nodig onder verbetering van de gronden;

  3. subsidiair: bij wege van vermeerdering van de verzoeken in eerste aanleg, en voor het geval de wijzigingsakten huwelijksvoorwaarden uit 2009 en 2016 en – naar het hof begrijpt – de in 2009 gesloten vaststellingsovereenkomst – in stand blijven, te verklaren voor recht dat de man zich onrechtmatig jegens de vrouw heeft gedragen en daarom gehouden is om de door de vrouw te lijden en geleden schade (nader op te maken bij staat) aan haar te vergoeden.

2.4.1.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 juni 2025. Het aan de mondelinge behandeling voorafgaande verzoek om verlengde spreektijd (zie de ingekomen brieven vermeld in rov. 2.5) is door het hof afgewezen.

2.4.2.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. R. van Coolwijk;

- de vrouw, bijstaan door mr. A.M.L. van As en mr. M.H.G. Plieger.

Zowel mr. Van Coolwijk als mr. Plieger hebben spreekaantekeningen overgelegd en dienovereenkomstig gepleit.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • een V8-formulier d.d. 15 mei 2025 van de advocaat van de vrouw met een begeleidende brief van diezelfde datum en bijlagen 1 tot en met 3. Het hof heeft ten aanzien van deze stukken beslist dat deze worden toegelaten.

  • een V8-formulier d.d. 22 mei 2025 van de advocaat van de man met een begeleidende brief en bijlage 1;

  • een V8-formulier d.d. 5 juni 2025 van de advocaat van de vrouw met een begeleidende brief van diezelfde datum en bijlagen 4 tot en met 7;

  • een V8-formulier d.d. 10 juni 2025 van de advocaat van de vrouw met een begeleidende brief van diezelfde datum en bijlage 8;

  • twee V8-formulieren d.d. 12 juni 2025 van de advocaat van de vrouw waarin zij verzoekt om verlengde spreektijd in beide zaaknummers;

  • twee V8-formulieren d.d. 12 juni 2025 van de advocaat van de man waarin hij verzoekt om de verzoeken van de advocaat van de vrouw om een verlengde spreektijd in beide zaaknummers af te wijzen;

  • twee V8-formulieren d.d. 28 augustus 2025 van de advocaat van de man waarin hij het hof verzoekt om een beschikking te geven;

  • twee V8-formulieren d.d. 28 augustus 2025 van de advocaat van de vrouw waarin zij verzoekt om een beschikking te geven.

3De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2.

Partijen zijn op 28 mei 1997 met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan dit huwelijk – op 7 mei 1997 – zijn zij huwelijkse voorwaarden overeengekomen. In die huwelijkse voorwaarden zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

VERREKENING VAN PENSIOENRECHTEN

Artikel 8

a. Indien het huwelijk van de echtgenoten door echtscheiding wordt ontbonden danwel indien tussen de echtgenoten de scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, zullen de door de echtgenoten opgebouwde pensioenaanspraken worden verevend conform het in de artikelen 2 en 3 bepaalde van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. (...)

JAARLIJKSE VERREKENING OVERGESPAARDE INKOMSTEN

Artikel 9

a. Partijen verplichten zich jegens elkander ter verdeling bij helfte bijeen te voegen hetgeen van hun inkomsten als hiervoor bedoeld in artikel 5 lid b niet is besteed ter dekking van de kosten van de huishouding, ter bestrijding van de hiervoor in artikel 4 leden a. en b. bedoelde belastingen, de hiervoor in artikel 6 bedoelde premies of op andere wijze gelijkelijk aan beiden is ten goede gekomen.

b. De verrekening geschiedt doordat de verrekenplichtige partij binnen twaalf maanden na verloop van een kalenderjaar een zodanig bedrag uitkeert aan de andere partij dat daardoor per saldo ieder van partijen de helft heeft genoten van de gezamenlijke inkomsten als bedoeld in lid a. van dit artikel.

(...)

d. Vorderingen ter zake van verrekening verjaren niet en vervallen evenmin door tijdsverloop.

(...)

e. (...)

Verrekening blijft achterwege over het kalenderjaar waarin het netto-inkomen van een echtgenoot onder aftrek als in lid a bedoeld ten gevolge van verlies in een zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf van die echtgenoot negatief is en over volgende kalenderjaren indien en voor zover het voor verrekening overeenkomstig lid a vatbare inkomen van de betreffende echtgenoot niet het bedrag van het verlies heeft bereikt.”

3.3.

Tijdens het huwelijk zijn de huwelijkse voorwaarden tweemaal gewijzigd, in 2009 en

in 2016.

3.4.

Partijen hebben voorafgaand aan de wijziging van de huwelijkse voorwaarden in 2009 op dezelfde dag een bij notariële akte opgemaakte overeenkomst gesloten (hierna ook: de vaststellingsovereenkomst). Daarin is onder meer bepaald dat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen en te verrekenen hebben op grond van de in die overeenkomst aangehaalde bepalingen en bedingen uit de huwelijkse voorwaarden van 1997, waaronder het periodiek verrekenbeding.

3.5.

In de ‘akte wijziging huwelijkse voorwaarden’ van 3 maart 2009 is onder meer bepaald:

WIJZIGING HUWELIJKSE VOORWAARDEN

(…)

De comparanten verklaren dat zij hun huwelijkse voorwaarden thans wensen te wijzigen in die zin dat onder andere het overeengekomen periodiek verrekenbeding als bedoeld in artikel 9 van de huidige huwelijkse voorwaarden komt te vervallen.

Partijen verklaren zich ervan bewust te zijn dat door de huidige regeling van jaarlijkse verrekening als bedoeld in artikel 9 van de huidige huwelijkse voorwaarden aan het einde van het jaar de inkomens van beide echtgenoten bij elkaar dienen te worden gevoegd en dat na aftrek van de kosten van de huishouding en de belastingen het aldus resterende inkomen dient te worden gedeeld bij helfte, met als gevolg dat wordt bereikt dat beide echtgenoten, ongeacht de inkomensverhouding, ieder evenveel sparen.

Partijen verklaren deze verplichting te willen beëindigen aangezien de jaarlijkse verrekening niet door hen wordt toegepast en zij de gevolgen daarvan niet kunnen overzien casu quo gewenst achten.

(...)

GEEN JAARLIJKSE VERREKENING

Artikel 8

De echtgenoten komen geen periodieke verrekening van gespaard inkomen overeen.

PENSIOEN

Artikel 9

Indien het huwelijk van de echtgenoten door echtscheiding wordt ontbonden dan wel indien tussen de echtgenoten de scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, zal geen pensioenverevening conform de wet verevening pensioenrechten bij scheiding plaatsvinden, noch zal er pensioenverrekening overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van zeven en twintig november negentienhonderd één en tachtig (Boon-Van Loon) plaatsvinden. Het vorenstaande laat onverlet de aanspraak op nabestaandenpensioen.

(…)

AFREKENING AAN HET EINDE VAN HET HUWELIJK (FINAAL VERREKENBEDING)

Artikel 11

(...)

2. Bij het einde van het huwelijk door echtscheiding alsmede bij scheiding van tafel en bed zullen de echtgenoten met elkaar afrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren (...).

In de verrekening worden niet betrokken:

(...)

  • goederen die deel uitmaken van het bedrijfs- of beroepsvermogen van een echtgenoot;

  • aandelen in (een) besloten vennootschap(pen);

(...)

7. Er wordt niet verrekend, indien het vermogen van een van de echtgenoten negatief is.”

3.6.

In de 'akte wijziging huwelijkse voorwaarden’ van 13 juni 2016 is lid 7 van art. 11 (hiervoor weergegeven onder rov. 3.5) als volgt komen te luiden:

“Er wordt eveneens verrekend, indien het vermogen van een van de echtgenoten negatief is.”

Het geding vóór verwijzing door de Hoge Raad.

4.1.

Op 23 februari 2017 is het verzoek van de man tot echtscheiding bij de rechtbank Midden-Nederland ingekomen.

De vrouw heeft bij zelfstandig verzoek eveneens de echtscheiding verzocht en – voor zover thans van belang – verzocht de wijzigingsakte huwelijkse voorwaarden van 2009, de vaststellingsovereenkomst van 2009 en de wijzigingsakte huwelijkse voorwaarden van 2016 te vernietigen en de afwikkeling van de initiële akte huwelijkse voorwaarden uit 1997 vast te stellen.

4.2.

Bij beschikking van 19 juni 2018 heeft de rechtbank Midden-Nederland de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts heeft de rechtbank in die beschikking over de wijziging van de huwelijkse voorwaarden in 2009 overwogen (rov. 3.49) dat

“(…) het de bedoeling van partijen was om op een financieel gelijkwaardiger voet verder met elkaar te gaan.

De rechtbank zal bij de verdere beoordeling derhalve er van uitgaan dat partijen met hun

wijziging van de huwelijks voorwaarden hebben bedoeld om hen beiden in een

gelijkwaardiger vermogenspositie te brengen.”

En:

“In aanmerking nemende het hiervoor genoemde uitgangspunt over de bedoeling van partijen met de wijziging van hun huwelijksvoorwaarden en de strekking en de gevolgen van de in de akte van 2009 opgenomen wijziging, gaat de rechtbank ervan uit dat geen van partijen de rechtsgevolgen van de wijziging zoals weergegeven in de akte van 3 maart 2009 heeft willen aanvaarden. Aangezien de man dezelfde bedoeling had als de vrouw heeft hij onder deze omstandigheid de verklaring van de vrouw als neergelegd in de akte niet kunnen opvatten als een verklaring die de strekking had zoals beschreven in die akte. Zodoende is bij de totstandkoming van de wijziging van 3 maart 2009 sprake geweest van oneigenlijke dwaling (…).”

De rechtbank heeft vervolgens – onder aanvulling van rechtsgronden – geoordeeld dat het beroep van de vrouw op vernietiging van de bij akte van 3 maart 2009 en 13 juni 2006 (wegens oneigenlijke dwaling) slaagt en het verzoek van de vrouw om bij aanvullend verzoek een voorstel tot afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden op de voet van de akte van 7 mei 1997 te doen, toegewezen.

4.3.

De echtscheidingsbeschikking is op 5 oktober 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.4.

Voor zover thans van belang, is de man bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met grief 5 opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank Midden-Nederland (Utrecht), zoals hierboven in rov. 4.2. is weergegeven. De man heeft verzocht te bepalen dat de vaststellingsovereenkomst en akte wijziging huwelijkse voorwaarden d.d. 9 maart 2009 onverminderd van kracht zijn, evenals de akte wijziging huwelijkse voorwaarden d.d. 13 juni 2016, en dat van vernietiging geen sprake is en dat met in achtneming van deze akten de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling moet plaatsvinden en dat indien partijen hierover geen overeenstemming bereiken de rechtbank in eerste aanleg hierover dient te beslissen, althans een zodanige beslissing dient te nemen als het hof juist acht.

De vrouw heeft zich verweerd en bij wege van vermeerdering van de verzoeken in eerste aanleg, en voor het geval de wijzigingsakten huwelijkse voorwaarden uit 2009 en 2016 in stand blijven, verzocht voor recht te verklaren dat de man zich onrechtmatig jegens haar heeft gedragen en deswege gehouden is om de door de vrouw te lijden en geleden schade (nader op te maken bij staat) aan haar te vergoeden.

4.5.

Bij beschikking van 12 december 2019 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, voor zover thans van belang, een voorlopig getuigenverhoor bevolen en de behandeling van de zaak over de wijziging van de huwelijkse voorwaarden, alsmede iedere beslissing, aangehouden tot na de getuigenverhoren.

4.6.

Op 12 oktober 2020, 13 oktober 2020 en 6 april 2021 hebben de voorlopige getuigenverhoren plaatsgevonden, waarvan processen-verbaal zijn opgemaakt.

4.7.

Bij beschikking van 21 juli 2022 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, voor zover thans van belang, grief 5 van de man geslaagd geacht en de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland vernietigd voor zover daarin vernietiging van de gewijzigde huwelijkse voorwaarden uit 2009 en 2016 is aanvaard en, in zoverre opnieuw beschikkende, bepaald dat de vaststellingsovereenkomst en de akte wijziging huwelijkse voorwaarden van 3 maart 2009 en de akte wijziging huwelijkse voorwaarden van 13 juni 2016 onverkort van kracht zijn en het meer of anders verzochte afgewezen.

Het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden heeft daartoe het volgende overwogen:

“2.12. Wat er ook zij van de informatie die de man aan de vrouw gegeven heeft met betrekking tot de door hem beoogde wijzigingen van de huwelijkse voorwaarden, de tussenkomst van de notaris in beide gevallen en de wijze waarop dezen zich hebben gekweten van hun taak laat nauwelijks ruimte voor de stelling dat de vrouw onvoldoende is voorgelicht over de gevolgen van de wijzigingen en dat daarom haar wil niet in overeenstemming zou zijn geweest met haar verklaring. En in ieder geval heeft naar het oordeel van het hof de wijze waarop de vrouw heeft meegewerkt aan de door de notarissen in beide gevallen gevolgde werkwijze bij de man het vertrouwen opgewekt dat haar wil gericht was op de rechtsgevolgen van de gewijzigde akten huwelijkse voorwaarden en de met de eerste wijziging verband houdende vaststellingsovereenkomst.”

De procedure bij de Hoge Raad

4.8.

Tegen voorgaande beslissing is, voor zover thans relevant, door de vrouw cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 2 februari 2024, in principaal beroep in zaak 22/03945 en in het incidentele beroep in zaak 22/03944 de beschikking van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden vernietigd.

De Hoge Raad overweegt:

“3.1 Het hof heeft op de voet van art. 3:35 BW beoordeeld of de man er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de medewerking van de vrouw aan de wijzigingen van de huwelijkse voorwaarden in overeenstemming was met haar wil. Daarbij heeft het hof in het midden gelaten welke informatie de man aan de vrouw heeft gegeven over de door hem beoogde wijzigingen van de huwelijkse voorwaarden, en overwogen dat de wijze waarop de notarissen zich hebben gekweten van hun taak nauwelijks ruimte laat voor de stellingen van de vrouw dat zij onvoldoende is voorgelicht over de gevolgen van de wijzigingen en dat daarom haar wil niet in overeenstemming zou zijn geweest met haar verklaring. Het hof heeft verder in dat verband overwogen dat in ieder geval de wijze waarop de vrouw heeft meegewerkt aan de door de notarissen in beide gevallen gevolgde werkwijze, bij de man het vertrouwen heeft opgewekt dat haar wil gericht was op de rechtsgevolgen van de gewijzigde akten huwelijkse voorwaarden en de met de eerste wijziging verband houdende vaststellingsovereenkomst.

3.2

Onderdeel II.2 van beide middelen bevat onder meer de klacht dat het oordeel van het hof dat de notarissen aan hun zorgplicht hebben voldaan, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende is gemotiveerd.

3.3

Huwelijkse voorwaarden moeten volgens art. 1:115 BW op straffe van nietigheid bij notariële akte worden aangegaan. Daaronder valt ook de wijziging ervan. De notariële tussenkomst strekt mede tot bescherming van partijen. De functie van de notaris in het rechtsverkeer brengt mee dat hij beroepshalve gehouden is naar vermogen te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht. Art. 43 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) bepaalt in dit verband niet alleen (in de eerste zin) dat de notaris aan partijen tijdig tevoren de gelegenheid moet bieden om van de inhoud van de akte kennis te nemen en (in de tweede zin) dat de notaris de zakelijke inhoud van een akte moet mededelen en daarop een toelichting moet geven, maar ook (in de derde zin) dat de notaris zo nodig wijst op de gevolgen die voor partijen of een of meer van hen uit de inhoud van de akte voortvloeien. Laatstbedoelde verplichting om op de gevolgen te wijzen omvat mede de verplichting zich ervan te vergewissen dat de partij(en) die gevolgen begrijpt/begrijpen.

De verplichting om op de gevolgen te wijzen en zich ervan te vergewissen dat de partij(en) die gevolgen begrijpt/begrijpen, wint aan gewicht naarmate die gevolgen voor partijen of een van hen nadeliger of riskanter zijn.

3.4

De vrouw heeft blijkens de gedingstukken in de feitelijke instanties gemotiveerd aangevoerd dat de in 2009 en 2016 doorgevoerde wijzigingen in de huwelijkse voorwaarden voor haar uiterst nadelig waren, nu daarmee haar recht op verrekening van overgespaarde inkomsten, waaronder begrepen opgepotte winst uit onderneming, en haar recht op pensioenverevening werden geschrapt, respectievelijk zij verplicht werd bij echtscheiding mee te delen in een eventueel negatief privévermogen van de man. Tevens heeft de vrouw blijkens de gedingstukken in de feitelijke instanties aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst (zie hiervoor in 2.1 onder (iv)) voor haar uiterst nadelig was, omdat zij daarmee haar recht op verrekening van in het verleden overgespaarde, nog niet verrekende inkomsten prijsgaf. Uitgaande van de juistheid van die, door het hof niet verworpen, stellingen waren de bij de wijzigingen betrokken notarissen dan ook op grond van art. 43 lid 1 Wna gehouden de vrouw specifiek op de nadeligheid van de gevolgen van de aktes te wijzen en zich ervan te vergewissen dat de vrouw deze begreep en aanvaardde.

3.5

De vrouw heeft onder meer gesteld dat de notarissen haar niet erop hebben gewezen dat en waarom de gevolgen van de wijzigingsakten en de vaststellingsovereenkomst voor haar nadelig waren. Uit de overwegingen van het hof (rov. 2.9-2.11) blijkt niet dat het hof heeft onderzocht of de notarissen specifiek aan de hiervoor in 3.3, slot, bedoelde waarschuwingsverplichting hebben voldaan. De door het hof vermelde passages uit de getuigenverklaringen van de notarissen en de kandidaat-notaris die betrokken waren bij de wijzigingsakte en de vaststellingsovereenkomst van 2009, houden zulks niet in. Indien het hof heeft miskend dat op de notarissen die waarschuwingsplicht rustte, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof heeft geoordeeld dat de notarissen aan die verplichting hebben voldaan, is dat oordeel tegen de achtergrond van de hiervoor vermelde stellingen en verklaringen van de vrouw, de getuigenverklaringen en de overige gedingstukken onvoldoende gemotiveerd.

3.6

Onderdeel II. 2 is voorts gericht tegen het oordeel (in rov. 2.12) dat de wijze waarop de vrouw heeft meegewerkt aan de door de notarissen in beide gevallen gevolgde werkwijze, bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen heeft doen ontstaan dat haar wil gericht was op de rechtsgevolgen van de gewijzigde akten huwelijkse voorwaarden en de met de eerste wijziging verband houdende vaststellingsovereenkomst. Het onderdeel klaagt in dit verband onder meer dat dit oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is tegen de achtergrond van de door de vrouw aangevoerde stellingen. Het betreft onder meer de stellingen van de vrouw dat zij op haar 15e een bijbaan kreeg in de supermarkt van de ouders van de man, dat zij op haar 17e een relatie kreeg met de man, die acht jaar ouder is, dat zij is gezakt voor de havo waarna zij fulltime is gaan werken in de supermarkt van de ouders van de man, dat partijen zijn gaan samenwonen toen de vrouw 18 was, dat partijen nadat zij met elkaar getrouwd zijn drie kinderen hebben gekregen, dat de vrouw toen is gestopt met werken in de supermarkt en zorgde voor het huishouden en de kinderen, dat de man de onderneming van zijn ouders heeft overgenomen, dat uitsluitend de man de post opende en afhandelde, ook de post die aan de vrouw was gericht, dat de man alle administratie en de financiën deed, dat de man na een buitenechtelijke relatie van de man en een huwelijkscrisis in 2007/2008 tegen de vrouw heeft gezegd dat hij toch met haar door wilde en dat hij de zaken vermogensrechtelijk gelijkwaardiger wilde regelen, dat de wijziging van de huwelijksvoorwaarden geheel op initiatief van de man plaatsvond en volgens de mededelingen van de man aan de vrouw dus ten gunste van de vrouw strekte, dat de man voor haar verzwegen heeft dat hij in zijn vriendenclub had gehoord dat een verrekenbeding in huwelijksvoorwaarden bij echtscheiding zeer ongunstig kon uitpakken en dat toen aan een notaris uit het netwerk van een van de vrienden is gevraagd daar nader over te komen vertellen in de vriendenclub, dat de man ook door anderen vanuit zijn zakelijke kring werd geadviseerd, dat de man tegen de vrouw heeft gezegd dat ze geen vragen moest stellen bij het passeren van de akte bij de notaris omdat ze anders dom zou overkomen, dat voor de man, anders dan de vrouw, duidelijk was wat de juridische consequenties waren van de wijzigingsakten en de onderliggende vaststellingsovereenkomst, dat de man, anders dan de vrouw, inzicht had in de financiële situatie van zijn onderneming en de omvang van het te verrekenen vermogen kende en dat de man over de achtergrond van de wijzigingen in de huwelijkse voorwaarden en van de vaststellingsovereenkomst bewust geen open kaart heeft gespeeld.

3.7

Deze klacht is eveneens gegrond. Het hof heeft de hiervoor in 3.6 vermelde stellingen niet in zijn beoordeling betrokken en op de enkele grond dat de notarissen naar behoren aan hun zorgplicht jegens de vrouw hebben voldaan, geoordeeld dat de man erop mocht vertrouwen dat ten aanzien van de wijzigingen van de huwelijkse voorwaarden en de vaststellingsovereenkomst de wil van de vrouw strookte met haar verklaring (art. 3:35 BW) .

Die stellingen kunnen echter, indien juist, leiden tot het oordeel dat de man niet erop mocht vertrouwen dat de vrouw op basis van de toezending van de concept-akten wijziging huwelijksvoorwaarden en de uitleg bij de notaris begreep waarmee zij instemde. Het oordeel van het hof dat de wijze waarop de vrouw heeft meegewerkt aan de door de notarissen in beide gevallen gevolgde werkwijze, bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen heeft doen ontstaan dat haar wil gericht was op de rechtsgevolgen van de gewijzigde akten huwelijkse voorwaarden en de met de eerste wijziging verband houdende vaststellingsovereenkomst, is daarom in het licht van deze stellingen onvoldoende gemotiveerd.

3.8

Onderdeel VI van beide middelen kan niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO) .

3.9

De overige klachten behoeven geen behandeling.”

5Beoordeling na verwijzing.

De omvang van het geschil na cassatie en verwijzing

5.1.

Ingevolge art. 424 Rv dient de rechter naar wie het geding is verwezen, de behandeling daarvan voort te zetten en te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. Daarbij is uitgangspunt dat de verwijzingsrechter de zaak moet behandelen in de stand waarin deze zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd gewezen, en is gebonden aan de in die uitspraak gegeven beslissingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden (HR 16 januari 2026,ECLI:NL:HR:2026:54, rov. 3.2.1). Dit uitgangspunt brengt mee dat in het geding na verwijzing (in beginsel) geen plaats is voor het aanvoeren van nieuwe feiten en omstandigheden, alsmede voor een wijziging/ vermeerdering van eis.

Het vorenstaande laat echter onverlet dat partijen zich in het geding na verwijzing mogen beroepen op (wijziging van) feiten en omstandigheden die zich na de vernietigde uitspraak (heeft) hebben voorgedaan, mits partijen daardoor de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie niet overschrijden, en dat de rechter die na verwijzing over de zaak oordeelt, de hiervoor bedoelde (wijziging van) feiten en omstandigheden in zijn beoordeling dient te betrekken (vgl. HR 22 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2998, NJ 1999/799, rov. 3.2). Deze uitzondering vindt haar rechtvaardiging hierin dat zij voorkomt dat het geschil zou moeten worden beslist aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens (HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1221 en HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1972)

In dit verband is verder van belang dat (ingevolge vaste rechtspraak over de tweeconclusieregel) (ook) uitzonderingen mogelijk zijn op de ‘in beginsel strakke regel’ dat de oorspronkelijke eiser zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of van antwoord mag veranderen of vermeerderen. Een dergelijke uitzondering is – onder meer – mogelijk indien met de eiswijziging of eisvermeerdering aanpassing wordt beoogd aan eerst na de memorie van grieven of van antwoord voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eiswijziging of eisvermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de eiswijziging of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde (HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:236).

5.2.

De vrouw heeft bezwaar gemaakt (nr. 5.3 van haar “verweerschrift na cassatie en verwijzing”) tegen de stellingen die de man in zijn “memorie na verwijzing” in nrs. 3.9 en 3.10 heeft aangevoerd. Zij voert aan dat de betreffende stellingen van de man gelet op art. 424 Rv dan wel art. 347 Rv buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Het betreft de stelling dat tussen partijen bij het opmaken van de initiële huwelijkse voorwaarden helder was dat de onderneming buiten de verrekening zou blijven en dat de wijziging in 2009 tot doel heeft gehad om dit uitgangspunt vast te leggen en de stelling dat de vrouw aan de man heeft verklaard dat zij heel goed op de hoogte was van die bedoeling, maar dat haar procesfinancierder het toch de moeite waard vindt om te proberen de waarde van de onderneming te laten verrekenen.

5.3.

Het hof is van oordeel dat de door de vrouw benoemde stellingen van de man geen nieuwe stellingen inhouden doch veeleer een precisering, nadere uitwerking zijn van al eerder in de procedure ingenomen stellingen van de man, hetgeen in de procedure na verwijzing is toegestaan. De man heeft al in de procedure vóór verwijzing door de Hoge Raad betoogd dat het de bedoeling van partijen was dat de onderneming buiten de verrekening zou blijven en dat de vrouw het daarmee eens was (vgl. randnrs 7.4. t/m 7.8 in de memorie van grieven). Van strijd met art. 424 Rv en art. 347 Rv is aldus geen sprake.

Inhoudelijke beoordeling na verwijzing.

Wilsontbreken en gerechtvaardigd vertrouwen.

5.4.

Volgens de vrouw kan het, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, niet anders dan dat grief 5 van de man – waarover dit hof nog heeft te oordelen – faalt. Volgens de vrouw was het de bedoeling dat de wijziging van de huwelijkse voorwaarden zou resulteren in een gelijkwaardige verdeling van het vermogen tussen partijen. Partijen waren in 2007 in een huwelijkscrisis beland en tijdens de jaarwisseling 2007-2008 deelde de man aan de vrouw mede dat hij voor haar had gekozen en dat ten bewijze van zijn oprechte bedoelingen de huwelijkse voorwaarden uit 1997 zouden worden aangepast. Voortaan zouden partijen het vermogen van partijen 50-50 zouden delen. Zo zou de scheve eigendomsverhouding van de woning in [woonplaats vrouw] (60% eigendom van de man en 40%

eigendom van de vrouw) worden gewijzigd, zodat de vrouw aanspraak zou kunnen maken

op de helft van de waarde van deze woning. De vrouw heeft altijd gedacht dat zij door

de wijziging in een gelijkwaardige positie met de man zou komen en daarom heeft zij de wijziging van de huwelijkse voorwaarden ondertekend. De man kende de omvang van het te verrekenen vermogen. Dit in tegenstelling tot de vrouw. De consequentie van de wijzigingsakten huwelijkse voorwaarden is dat de vrouw bij echtscheiding geen aanspraak meer kan maken op de opgepotte winsten in [BV] BV (de onderneming van de man), geen aanspraak meer kan maken op de pensioenvoorziening in [BV] BV en dat partijen ook met elkaar dienden te verrekenen wanneer sprake was van een negatief vermogen. De man wist van de hoed en de rand, nadat hij een zakelijke bijeenkomst had bijgewoond waarbij een notaris voorlichting gaf over huwelijkse voorwaarden. De man heeft ook het initiatief genomen tot de wijzigingen. De man had de vrouw daarover moeten inlichten en dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft geen open kaart gespeeld. De notaris heeft de

vrouw niet gewezen op de voor haar zeer nadelige consequenties van het opgeven

van haar rechten op verrekening. Evenmin heeft de notaris de vrouw voorgehouden dat, als zij al bewust instemde met deze voor haar zeer nadelige regeling, er tóch in ieder geval tot maart 2009 zou moeten worden afgerekend over de overgespaarde winsten. Deze verrekening heeft überhaupt niet plaatsgevonden.

De vrouw verzoekt het hof om te beslissen zoals hiervoor in rov. 2.3 is weergegeven.

5.5.

De man signaleert allereerst dat de Hoge Raad geen onderscheid maakt tussen de akte wijziging huwelijksvoorwaarden d.d. 3 maart 2009 en de akte wijziging

huwelijksvoorwaarden d.d. 13 juni 2016 daar waar de klachten en de advocaat-generaal dat onderscheid wel maken. De man meent dat het hof, met een aanvullende motivering, tot het oordeel kan en dient te komen dat de notarissen aan hun waarschuwingsplicht hebben voldaan en dat er geen grond voor vernietiging van de aktes wijziging huwelijkse voorwaarden bestaat. De man betwist dat bij de vrouw de wil ontbrak om de vaststellingsovereenkomst en de gewijzigde huwelijkse voorwaarden aan te gaan en dat zij niet wist waarvoor zij tekende. In ieder geval heeft hij er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat de vrouw de vaststellingsovereenkomst en de gewijzigde huwelijkse voorwaarden wilde, omdat deze door tussenkomst van de notaris zijn overeengekomen. De man mocht erop vertrouwen dat de vrouw instemde met de wijzigingen. Het was voor haar ook duidelijk dat de onderneming buiten de verrekening diende te blijven en zij stemde daarmee in. De man verzoekt het hof te beslissen zoals hiervoor in rov. 2.2. is weergegeven.

5.6.

Het hof ziet aanleiding allereerst de door de vrouw aangevoerde stellingen (zoals door de Hoge Raad weergegeven in rov. 3.6 van zijn beschikking) te beoordelen. Uit de beschikking van de Hoge Raad (rov. 3.7) volgt dat die stellingen, indien juist, ook kunnen leiden tot het oordeel dat de man niet erop mocht vertrouwen dat de vrouw op basis van de toezending van de concept-akten wijziging huwelijksvoorwaarden en de uitleg bij de notaris begreep waarmee zij instemde. De man heeft (een aantal van) deze stellingen weersproken in de processtukken en licht in zijn memorie na verwijzing (nogmaals) toe waarom die stellingen niet kunnen leiden tot een ander oordeel dan het in stand blijven van de beschikking van hof Arnhem-Leeuwaren van 21 juli 2022.

5.7.

Het hof stelt bij de beoordeling van die stellingen en het verweer daartegen van de man voorop dat de wilsvertrouwensleer (art. 3:33 in verbinding met art. 3:35 BW) meebrengt dat het antwoord op de vraag of een rechtshandeling tot stand is gekomen en zo ja, met welke inhoud, gedeeltelijk een rechtsoordeel is dat zich niet voor bewijslevering leent. De vraag wat de man in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht of moest afleiden uit de verklaring of gedraging van de andere partij, waaronder begrepen de vraag welk onderzoek eventueel ter voorkoming van misverstand van eerstgenoemde partij mocht worden gevergd, is immers normatief van aard. Slechts van de feiten en omstandigheden waarop dat oordeel is gebaseerd, kan bewijs worden geleverd.

Voorts geldt dat bij de beoordeling of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van art. 3:35 BW rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, zoals de aard van de rechtshandeling, de bijzondere deskundigheid of ondeskundigheid van partijen en de mogelijkheid van nader onderzoek naar de wil van degene die verklaarde. Ook het door partijen over een weer te lijden nadeel is een van de factoren die wordt meegewogen bij de beoordeling of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van art. 3:35 BW.

5.8.

De vrouw heeft een aantal feiten en omstandigheden aangevoerd, waarmee zij – kort gezegd – betoogt dat de man een aanzienlijk overwicht had op haar en dat de man verstand had van financiële zaken en zij niet. De Hoge Raad somt de stellingen die de vrouw in dit verband heeft aangevoerd, op in rov. 3.6 van zijn beschikking:

( a) de vrouw kreeg op haar 15e een bijbaan in de supermarkt van de ouders van de man;

( b) de vrouw kreeg op haar 17e een relatie met de man, die acht jaar ouder is dan de vrouw;

( c) de vrouw is gezakt voor de havo, waarna zij fulltime is gaan werken in de supermarkt van de ouders van de man;

( d) partijen zijn gaan samenwonen toen de vrouw achttien was;

( e) nadat partijen zijn getrouwd, hebben zij drie kinderen gekregen. De vrouw is toen gestopt met werken in de supermarkt en zorgde voor het huishouden en de kinderen;

( f) de man heeft de onderneming van zijn ouders overgenomen;

( g) dat uitsluitend de man de post opende en afhandelde, ook de post die aan de vrouw gericht was;

( h) dat de man alle administratie en financiën deed;

( i) dat de man na een buitenechtelijke relatie van hem en een huwelijkscrisis in 2007/2008 tegen de vrouw heeft gezegd dat hij toch met haar door wilde en dat hij de zaken vermogensrechtelijk gelijkwaardiger wilde regelen;

( j) dat de wijziging van de huwelijkse voorwaarden geheel op initiatief van de man plaatsvond en volgens de mededelingen van de man ten gunste van de vrouw strekte;

( k) dat de man voor de vrouw verzwegen heeft dat hij in zijn vriendenclub had gehoord dat een verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden bij echtscheiding zeer ongunstig kon uitpakken en dat toen aan een notaris uit het netwerk van een van de vrienden is gevraagd daar nader over te komen vertellen in de vriendenclub;

( l) dat de man ook door anderen vanuit zijn zakelijke kring werd geadviseerd;

( m) dat de man tegen de vrouw heeft gezegd dat ze geen vragen moest stellen bij het passeren van de akte bij de notaris omdat ze anders dom zou overkomen;

( n) dat voor de man, anders dan de vrouw, duidelijk was wat de juridische consequenties waren van de wijzigingsakten en de onderliggende vaststellingsovereenkomst;

( o) dat de man, anders dan de vrouw, inzicht had in de financiële situatie van zijn onderneming en de omvang van het te verrekenen vermogen kende;

( p) dat de man over de achtergrond van de wijzigingen in de huwelijkse voorwaarden en van de vaststellingsovereenkomst geen open kaart heeft gespeeld.

5.9.

Het hof stelt vast dat de stellingen (a) tot en met (f) feiten betreffen, die niet, althans onvoldoende, door de man zijn weersproken. Aldus gaat het hof uit van de juistheid van deze feiten. De stellingen (g) tot en met (p) betreffen betwiste feiten en dus dient het hof te oordelen over de vraag of deze stellingen, in het licht van de betwisting door de man, zijn komen vast te staan. De gevolgen van de (on)juistheid van deze stellingen komen hierna – evenals de implicaties van de stellingen (a) tot en met (f) – aan de orde.

5.10.

Allereerst staat vast dat partijen met het aangaan van hun huwelijkse voorwaarden op 7 mei 1997 een beperkte huwelijksgemeenschap zijn overeengekomen, die wat betreft haar goederen enkel – kort gezegd – de woning en inboedelgoederen omvat (artikel 1). Verder zijn partijen, voor zover thans relevant, verrekening van pensioenrechten (artikel 8) overeengekomen en behelst de akte een periodiek verrekenbeding (artikel 9), waarbij onder het inkomensbegrip onder meer de winst uit onderneming wordt begrepen (artikel 5 sub b1) en de zogenaamde opgepotte winsten (artikel 5 sub b3).

5.11.

De man heeft aangevoerd dat een zakenvriend van hem was gescheiden en deze vriend tijdens zijn echtscheiding geconfronteerd werd met de werking van de huwelijkse voorwaarden en het effect daarvan op de afwikkeling hiervan. De man heeft vervolgens een bijeenkomst bijgewoond bij een bevriend notaris van deze zakenvriend. “Het werd de man op dat moment onduidelijk hoe dit in zijn situatie zat. Hij had steeds onthouden dat de onderneming buiten de verrekening zou blijven.” (beroepschrift d.d. 17 september 2018, onder 7.4) Dat was volgens de man ook de bedoeling van de huwelijkse voorwaarden die partijen in 1997 waren overeengekomen. Nadat de man bij de bijeenkomst was geweest, heeft hij dit naar zijn zeggen met de vrouw besproken in juni/juli 2008. De man stelt expliciet dat de aanleiding voor de wijziging van de huwelijkse voorwaarden in 2009 daarin lag, om duidelijk vast te leggen dat de onderneming van de man buiten de verrekening zou blijven en dat hiernaast ten aanzien van de overige bestanddelen een finale verrekening zou plaatsvinden bij echtscheiding (beroepschrift man d.d. 17 september 2018).

In zijn memorie na verwijzing herhaalt de man dat het altijd de bedoeling van partijen is geweest dat de onderneming in geen enkele verrekening zou worden betrokken en alleen eigendom van de man zou zijn en dat de vrouw daarop geen aanspraken had. Hij stelt dat de tekst van de huwelijkse voorwaarden d.d. 7 mei 1997 hiermee niet in overeenstemming is. De akte huwelijksvoorwaarden die zijn opgemaakt in 2009 hebben naar zeggen van de man tot doel gehad om dit uitgangspunt, dat beide partijen hanteerden, vast te leggen.

5.12.

Echter, het hof stelt vast dat nergens uit de huwelijkse voorwaarden van 1997 blijkt dat de onderneming niet buiten enige verrekening zou blijven. Dat partijen een periodiek verrekenbeding zijn overeengekomen en om hen moverende redenen tijdens het huwelijk geen uitvoering hebben gegeven aan dit periodiek verrekenbeding, waardoor de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand blijft en zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan (art. 1:141 lid 1 BW) , doet daar niet aan af.

5.13.

Voor wat betreft de wijziging van de huwelijkse voorwaarden en de daarmee verband houdende vaststellingsovereenkomst in 2009 had de man een kennisvoorsprong op de vrouw. Hij had zich immers door een vriend – die zich geconfronteerd zag met een echtscheiding – en een daarop georganiseerde bijeenkomst (“team 6”) door een notaris uit zijn zakelijke netwerk laten voorlichten over de gevolgen van een echtscheiding voor ondernemers. De man stelt weliswaar dat hij de vrouw hierover heeft ingelicht, maar – nog daargelaten dat de vrouw dat weerspreekt – gelet op het feit dat de man in zijn beroepschrift aanvoert dat het op dat moment voor hem onduidelijk was hoe het precies in zijn situatie zat, lijkt uiterst onaannemelijk dat hij de vrouw heeft ingelicht over de voor hem nadelige gevolgen van een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding bij echtscheiding.

De man zegt ook (zie hiervoor rov. 5.11) dat het altijd de bedoeling van partijen is geweest dat de onderneming in geen enkele verrekening worden zou betrokken en alleen eigendom van de man zou zijn en dat de vrouw daarop geen aanspraken had. Dit is echter nietszeggend, omdat (zie ook rov. 5.12) uit de huwelijkse voorwaarden in 1997 ook helemaal niet blijkt dat de onderneming in de verrekening moest worden betrokken en/of de opgepotte winsten verrekend zouden moeten worden. Het prangende punt was juist dat partijen tot dan toe geen uitvoering hadden gegeven aan het in de huwelijkse voorwaarden van 1997 opgenomen periodiek verrekenbeding en dat de man bekend was geworden met de gevolgen daarvan voor hem bij echtscheiding. Opvallend is ook dat de man het heeft over de onduidelijkheid met betrekking tot zijn situatie en niet over de situatie van partijen, wat past in het beeld dat de man met name oog heeft gehad voor de op hem betrekking hebbende negatieve gevolgen van het niet uitgevoerde periodiek verrekenbeding.

Hoewel de man het heeft over onduidelijkheid met betrekking tot zijn situatie, is het hof van oordeel dat de man na de bijeenkomst van “team 6” waarin een notaris voorlichting gaf, wel degelijk op de hoogte was wat voor hem bij echtscheiding de gevolgen zouden zijn van het niet uitgevoerde periodiek verrekenbeding. Hij verklaart immers (voorlopig getuigenverhoor d.d. 12 oktober 2020) over het gesprek dat hij met de notaris tijdens de bijeenkomst met team 6 had: “Ik vertelde hem dat wij nooit verrekend hadden. Hij zei toen dat het gevolg daarvan was dat we als het ware in gemeenschap van goederen waren getrouwd.” De man verklaart verder weliswaar dat hij “(…) dit bij thuiskomst ook met [de vrouw] besproken” heeft. Echter, in het licht van het vorenoverwogene, is niet komen vast te staan dat de man de vrouw heeft gewezen op haar situatie en de gevolgen die dit voor haar zou hebben.

5.14.

De man heeft zich nadien ook nog laten adviseren door dhr. [bedrijfsadviseur] , zijn bedrijfsadviseur. De man heeft weliswaar verklaard dat dit een driegesprek was met de vrouw erbij (“Wij, dat wil zeggen [de vrouw] en ik, hebben één gesprek met [bedrijfsadviseur] gehad.”), maar uit de verklaring van [bedrijfsadviseur] (getuigenverhoor d.d. 12 oktober 2020) blijkt dat [bedrijfsadviseur] “… voor [de man] en zijn vennootschappen [heeft] gewerkt (…) en “De contacten verliepen eigenlijk altijd met [de man] . Ik heb nooit rechtstreeks contact gehad met [de vrouw] , ook niet over haar aangifte inkomstenbelasting. Dat liep via [de man] . Het gebeurde wel dat ik met [de man] sprak op het bedrijf en dat [de vrouw] tijdens de bespreking erbij kwam zitting [sic] om een kop koffie kwam [sic] drinken.” Op de vraag of [bedrijfsadviseur] ook betrokkenheid heeft gehad bij het huwelijk van de man, verklaart [bedrijfsadviseur] onder andere: “Later heb ik hem naar de huwelijkse voorwaarden gevraagd, vanuit een zakelijk belang. Dit speelde ongeveer tussen 2005 en 2010.” (…) Dit wordt ook bevestigd door de man zelf, die verklaart: “ [bedrijfsadviseur] heeft mij er op geattendeerd dat pensioenverevening in eigen beheer bij een andere relatie van hem tot grote liquiditeitsproblemen had geleid in diens onderneming en dat hij daarom ons adviseerde die bepaling uit de voorwaarden te halen.” Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof dat de man in ieder geval óók met zijn financieel adviseur heeft gesproken over de (zakelijke gevolgen van) de (uitwerking van de) huwelijkse voorwaarden en dat hij, in tegenstelling tot de vrouw, derhalve ook vanuit zijn zakelijke kring werd geadviseerd. Het hof neemt dan ook als vaststaand aan dat sprake was van een kennisvoorsprong van de man ten opzichte van de vrouw.

5.15.

Voor zover de man in dit verband in zijn memorie na verwijzing nog gewezen heeft op de verklaringen van [zelfstandig bedrijfsadviseur, tevens buurman] , zelfstandig bedrijfsadviseur, tevens buurman van partijen, inhoudende dat de financiële en juridische zaken van de man openlijk in aanwezigheid van beide echtgenoten werden besproken, kan dit niet tot een ander oordeel leiden. Nog daargelaten dat de aanwezigheid bij een gesprek niet zonder meer betekent dat op een gelijkwaardige basis aan die gesprekken is deelgenomen, blijkt uit de verklaringen van [zelfstandig bedrijfsadviseur, tevens buurman] dat hij pas ná de eerste wijziging van de huwelijkse voorwaarden/vaststellingsovereenkomst (3 maart 2009) tegenover partijen is komen te wonen: “U vraagt mij wanneer ik de familie [de man] heb leren kennen. Dat was begin 2009. Op 7 maart 2009 zijn wij verhuisd naar [woonplaats vrouw] en kwamen wij tegenover hen te wonen.” Voor zover de man in zijn memorie na verwijzing onder verwijzing naar de verklaringen van [zelfstandig bedrijfsadviseur, tevens buurman] weerspreekt dat i) hij geen open kaart heeft gespeeld en ii) alleen hij op de hoogte was van de gang van zaken binnen de onderneming, kan dit voor wat betreft de wijziging huwelijkse voorwaarden/vaststellingsovereenkomst d.d. 3 maart 2009 geen doel treffen.

5.16.

Verder acht het hof relevant dat de man, als ondernemer, op de hoogte was van de financiële ins and outs van zijn onderneming(en) en daarmee dus ook van de omvang van het te verrekenen vermogen. Volgens de man was ook de vrouw hiervan op de hoogte. Hij verklaart in het getuigenverhoor (d.d. 12 oktober 2020) dat de vrouw betreffende de financiën van de onderneming, over dezelfde informatie beschikte (“U vraagt mij of ik meer of minder informatie had, financieel gezien, betreffende [BV] dan [de vrouw] . Ik antwoord u dat onze informatievoorziening gelijk was, ook [de vrouw] had de jaarrekeningen. Alle relevante financiële informatie staat in de jaarrekeningen, dit is ook verplicht. [BV] is controleplichtig, waardoor er een uitgebreid jaarverslag voorhanden is.”). Verder heeft hij in zijn memorie na verwijzing er op gewezen dat i) alle financiële stukken in huis lagen, ii) de vrouw wel degelijk post opende en deze ook las, iii) de jaarrekeningen en de aangifte IB werden in het bijzijn beide partijen met de accountant besproken en iv) de vrouw heeft haar handtekening gezet onder aangifte IB.

Voor zover dit al juist zou zijn, acht het hof het echter niet aannemelijk dat de vrouw voor de financiën van de onderneming over dezelfde kennis op basis van de beschikbare informatie beschikte als de man. [bedrijfsadviseur] was degene die de belastingaangifte van partijen en van de vennootschappen deed en verklaart hierover in het getuigenverhoor: “In de jaren dat ik voor [de man] en zijn vennootschappen heb gewerkt heb ik ook de aangifte inkomstenbelasting voor [de vrouw] gedaan, ik denk voor het laatst in 2016.” Zoals reeds uit het voorgaande (zie rov. 5.14) blijkt, verliepen de contacten eigenlijk altijd via de man en heeft [bedrijfsadviseur] nooit rechtstreeks contact gehad met de vrouw, ook niet over haar aangifte inkomstenbelasting. Dat de vrouw haar handtekening onder haar aangifte IB heeft gezet, houdt dan ook niet in dat zij op de hoogte was de van de inhoud van haar eigen aangifte IB. Het illustreert juist dat de man degene was die de financiën en administratie deed. In dat licht bezien acht het hof het ook aannemelijk dat de man degene was die de post opende en afhandelde, óók de post die aan de vrouw gericht was, daaronder begrepen post van de notaris. Zo ging het immers ook met de aangifte IB. Ook [zelfstandig bedrijfsadviseur, tevens buurman] bevestigt dit in zijn getuigenverhoor: “U vraagt mij of bekend is wie de financiën binnen het gezin uitvoerde. Ik antwoordde dat [de man] dat deed.” Voor zover de man nog stelt dat de vrouw op geen enkele wijze aantoont dat zij niet betrokken was bij het indienen van de jaarrekeningen, is het hof van oordeel dat het aan de man, als ondernemer, is om inzichtelijk te maken dat de vrouw wel betrokken was bij het indienen van de jaarrekeningen van zijn onderneming. Dit heeft hij – gelet ook op het vorenoverwogene – echter niet gedaan, zeker niet in het licht van zijn eigen stellingen dat de onderneming alleen eigendom van de man is (memorie na verwijzing, punt 3.9) en het feit dat de jaarrekeningen die zich in de processtukken bevinden enkel aan de directie – zijnde de man – van [BV] BV zijn gericht. Dat de financiële stukken over de onderneming en de conceptakten van de notaris zich in huis bevonden en de vrouw deze stukken naar zeggen van de man kon inzien, doet daar – nog los van het feit dat zij dit weerspreekt – niet aan af. Van de vrouw kan niet worden verwacht dat zij jaarrekeningen, jaarverslagen, financiële stukken over de onderneming en notariële aktes en dergelijke uit zichzelf op dezelfde wijze kan doorgronden als de man. Het hof neemt daarbij de volgende omstandigheden in aanmerking, te weten dat de vrouw op haar 15e een bijbaan in de supermarkt van de ouders van de man kreeg, op haar zeventiende een relatie met man kreeg – die acht jaar ouder is dan de vrouw –, zij gezakt is voor de havo, waarna zij fulltime is gaan werken in de supermarkt van de ouders van de man, zij op haar achttiende met de man is gaan samenwonen en gestopt is met werken in de supermarkt nadat partijen drie kinderen hadden gekregen en toen voor het huishouden en de kinderen is gaan zorgen. Dit, terwijl de man de onderneming van zijn ouders heeft overgenomen en, in tegenstelling tot de vrouw, wél financieel onderlegd is en een netwerk om zich heeft met de benodigde kennis van zaken, daaronder begrepen een notaris (bijeenkomst team 6). Dat de vrouw heeft verklaard dat zij op de hoogte was van het bestaan van een terugkoopovereenkomst doet daar niet aan af en kan dan ook niet tot het oordeel leiden dat de vrouw op de hoogte was van de gang van zaken binnen de onderneming en daarmee van de omvang van de (financiële) gevolgen van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden en de daarmee samenhangende vaststellingsovereenkomst.

5.17.

Het hof acht het bij de beoordeling of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van de man, ook van belang dat dit alles speelde in 2008, toen partijen net een huwelijkscrisis achter de rug hadden. De man had immers in 2006/2007 een buitenechtelijke relatie gehad en ook de vrouw had, nadat zij bekend was geworden met die relatie van de man, een korte buitenechtelijke affaire. Weliswaar hadden partijen besloten om samen verder te gaan, maar dit laat onverlet dat de man inmiddels goed geïnformeerd was over de voor hem negatieve vermogensrechtelijke gevolgen in het geval van een toekomstige echtscheiding. Dit, in tegenstelling tot de vrouw, die op geen enkele wijze was geïnformeerd, anders dan door hetgeen de man haar (niet) had verteld.

De man weerspreekt weliswaar de stelling van de vrouw dat, toen partijen besloten hun huwelijk voort te zetten, hij tegen de vrouw heeft gezegd dat hij de zaken vermogensrechtelijk gelijkwaardiger wilde regelen, maar het hof acht deze betwisting in het licht van alle omstandigheden, onvoldoende onderbouwd. Vast staat dat het initiatief tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden en het opmaken van een vaststellingsovereenkomst in 2009 van de man uitging (zie proces-verbaal rechtbank d.d. 15 mei 2018, p. 6). De verklaring van de man (getuigenverhoor d.d. 12 oktober 2020): “Toen heb ik voorgesteld dit verrekenbeding eruit te halen, en daar was [de vrouw] het mee eens. Als je ieder jaar moet verrekenen lijkt het net alsof je iedere keer van elkaar af wilt. Als het goed gaat, dan doe je dat niet” onderstreept naar het oordeel van het hof dat hij de nadelige gevolgen voor de vrouw onderbelicht heeft gelaten en het deed voorkomen dat de wijziging was ingegeven vanuit liefdevolle bedoelingen. De man verklaart in het getuigenverhoor “Mr. Plieger vraagt mij of wij destijds hebben afgesproken door te gaan op basis van financiële gelijkwaardigheid. Het antwoord daarop is nee, want er is altijd vast blijven staan dat de bedrijven van mij zouden blijven, dus dat is geen gelijkwaardigheid. Wel is afgesproken dat de privé vermogensbestanddelen 50/50 gesplitst zouden worden. Hiermee bedoel ik alles behalve de onderneming.” Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg (proces-verbaal mondelinge behandeling d.d. 15 mei 2018, p. 6) heeft de man verklaard: “Mijn intentie was dat de aandelen van de holding buiten de gemeenschap vielen en de rest zou 50-50 verdeeld worden.” In de memorie na verwijzing (5.30) voert de man aan: “De vrouw stelt dat zij dacht dat zij huwelijksvoorwaarden maakten om een meer gelijke verdeling te krijgen. Dat is juist met uitzondering van de onderneming.” De aandelen van de holding/ de onderneming viel(en) op grond van de huwelijkse voorwaarden uit 1997 echter reeds buiten iedere gemeenschap. De ondernemingen waren reeds uitsluitend van de man. In zoverre veranderde er dus niets ten opzichte van de oorspronkelijke huwelijkse voorwaarden en is het alleszins aannemelijk dat de vrouw door toedoen van de man in de veronderstelling verkeerde dat zijn initiatief tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden was ingegeven door “50/50” of wel: gelijkwaardigheid. De scheve eigendomsverhouding van de woning in [woonplaats vrouw] (60/40) werd rechtgetrokken en de vordering die de man op de vrouw had van fl. 100.000,-- ter zake de aanbreng in de beperkte gemeenschap van de woning in [woonplaats vrouw] , kwam te vervallen. Dát is wat de vrouw wist. De man heeft weliswaar nog aangevoerd (memorie na verwijzing 3.25) dat de vrouw miskent dat óók de bepalingen over de kosten van de huishouding zijn aangepast ten voordele van de vrouw, maar – wat daar ook van zij – deze voordelen voor de vrouw wegen geenszins op tegen de nadelen en zijn in dat licht bezien slechts “kruimelwerk”.

De man heeft de vrouw niet verteld dat het periodiek verrekenbeding uit de akte van 1997 zou vervallen, waarmee haar recht op verrekening van overgespaarde inkomsten, waaronder begrepen opgepotte winst uit onderneming zou vervallen. Ook heeft hij haar niet verteld dat het finale verrekenbeding werd aangevuld met een regeling in geval van echtscheiding, inhoudende dat zij bij echtscheiding geen recht meer zou hebben op pensioenverevening en dat de beperkte huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap werd vervangen door een algehele uitsluiting van huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap, waardoor haar huwelijksvermogensrechtelijke positie zwaar werd aangetast.

Daar komt bij dat óók de vaststellingsovereenkomst voor haar uiterst nadelig was, omdat zij daarmee haar recht op verrekening van in het verleden overgespaarde, nog niet verrekende inkomsten prijsgaf. In de akte van 3 maart 2009 staat ook onder “WIJZIGING HUWELIJKSE VOORWAARDEN” dat “de jaarlijkse verrekening niet door hen wordt toegepast en dat zij de gevolgen daarvan niet kunnen overzien casu quo gewenst achten.” Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, moet het er voor worden gehouden dat de vrouw de gevolgen van het niet periodiek verrekenen niet heeft kunnen overzien en de man de gevolgen niet wenselijk achtte. Uit niets blijkt dat de man de vrouw heeft gewaarschuwd voor de negatieve gevolgen die de wijzigingsakte/vaststellingsovereenkomst voor haar zou hebben en dat deze negatieve gevolgen voor haar vele malen groter waren dat de voordelen die haar werden voorgehouden. Dit had van de man, zowel als contractspartij als huwelijkspartner, gezien de tussen echtgenoten geldende redelijkheid en billijkheid en de tussen hen geldende zorgplicht, wel mogen worden verwacht. In plaats daarvan heeft de man haar in de waan gelaten dat zij aanspraak zou krijgen op de helft van het huwelijkse vermogen en haar bewust onwetend gelaten over de rechten die zij zou prijsgeven. De man betwist weliswaar dat de vrouw benadeeld werd, maar dit nadeel staat in rechte vast (zie HR rov. 3.4).

5.18.

Het hof is van oordeel dat uit de hierboven weergegeven omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, volgt dat de man er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de vrouw op basis van de toezending van de concept-akten wijziging huwelijksvoorwaarden en de uitleg bij de notaris begreep waarmee zij in 2009 instemde, laat staan dat haar wil gericht was op de rechtsgevolgen die daaruit voortvloeiden. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking. Uit de beschikking van de Hoge Raad volgt dat op notarissen een waarschuwingsplicht rust voor de gevolgen van de met tussenkomst van een notaris verrichte rechtshandeling, zoals het wijzigen van huwelijkse voorwaarden. De verplichting om op de gevolgen te wijzen en zich ervan te vergewissen dat de partij(en) die gevolgen begrijpt/begrijpen, wint aan gewicht naarmate die gevolgen voor partijen of een van hen nadeliger of riskanter zijn. Echter, ook op de man rustte gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en gelet op de redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen echtgenoten beheerst, in dit geval de plicht om de vrouw goed te informeren over – en te waarschuwen voor – de nadelige gevolgen voor de vrouw van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden. De man heeft dat nagelaten en kan zich daarbij niet verschuilen achter de voorlichting door de notarissen.

5.19.

Eenzelfde conclusie geldt voor de wijzigingsakte uit 2016. Nog los van het feit dat het voorgaande met zich brengt dat de huwelijkse voorwaarden/vaststellingsovereenkomst nietig zijn en dit tot gevolg heeft dat de wijziging/aanvulling in 2016 gebaseerd is op een nietige akte/overeenkomst, geldt ook voor de wijziging in 2016 dat de man er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de vrouw bij deze wijziging wist waarmee zij instemde. Ook hier ontvouwt zich eenzelfde patroon als bij de wijziging in 2009. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat de man er ten tijde van de wijzigingsakte uit 2016 een buitenechtelijke relatie op nahield, hetgeen kort na het ondertekenen van de wijzigingsakte uitkwam (verweerschrift vrouw in hoger beroep d.d. 30 november 2018). In ieder geval staat vast dat het huwelijk van partijen kort na de wijziging van de huwelijkse voorwaarden in 2016 is geklapt, waarna de man in februari 2017 een verzoek tot echtscheiding heeft ingediend. Ook voorafgaand aan deze wijziging heeft de man zich laten adviseren door een specialist, te weten [specialist] (zie ook getuigenverhoor man). De man verklaart onder andere: “Ik weet niet meer hoeveel besprekingen ik met [specialist] heb gehad. Deze besprekingen deed ik zelf, daar was [de vrouw] niet bij.” De betreffende notaris ( [notaris 1] ), die de wijzigingsakte heeft opgesteld is evenals de man lid van [organisatie] en vandaar uit kennen zij elkaar (getuigenverhoor [notaris 1] : “ [de man] en ik zijn beide lid van [organisatie] , zo ken ik [de man] .”) De vrouw verkeerde in de veronderstelling dat zij naar de notaris gingen om hun testament aan te passen. Dit strookt ook met het beeld dat juist aan de aanpassing van de testamenten bij de notaris veel tijd is besteed (getuigenverhoor [notaris 1] : “Specifiek ging het over één onderdeel van de huwelijkse voorwaarden en dus hebben we ook veel tijd besteedt [sic] aan het testament, dit is een lastige materie.”). De man heeft verklaard dat de wijziging huwelijkse voorwaarden in 2016 was ingegeven ter beperking van een nadeel van de vrouw in geval van overlijden. De wijziging in 2016 beperkt zich echter niet tot de situatie van overlijden en ziet (óók) op de situatie van echtscheiding, in welk geval deze wijziging voor de vrouw zéér nadelig uitpakt, aangezien zij bij echtscheiding moet meedelen in het negatieve te verrekenen (privé)vermogen van de man. Gelet hierop, alsook gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden met betrekking tot de wijziging in 2009, die óók in 2016 onverkort van toepassing waren (het feit dat de man verstand had van financiële zaken en de vrouw niet, het feit dat de man degene was die de post en financiën deed etc.) mocht de man er óók in 2016 niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de vrouw de uitleg bij de notaris begreep waarmee zij in 2016 instemde, laat staan dat haar wil gericht was op de rechtsgevolgen die daaruit voortvloeiden. In dat verband acht het hof ook nog van belang dat notaris [notaris 1] ook heeft verklaard dat “Het was ter beperking van een mogelijk nadeel van [de vrouw] , dus het was in haar voordeel.”

5.20.

Het voorgaande brengt met zich dat grief 5 van de man faalt.

5.21.

Voor zover de man (tegen)bewijs heeft aangeboden aan door het nogmaals horen van notaris [notaris 2] , notaris [notaris 1] alsmede beide partijen en de heer [betrokkene] teneinde heel specifiek alle betrokken partijen te ondervragen, verwerpt het hof dit aanbod als niet ter zake dienend en onvoldoende specifiek. De door hem te bewijzen aangeboden feiten en omstandigheden kunnen indien bewezen niet tot een ander oordeel leiden.

5.22.

Het voorgaande brengt met zich dat de wijziging huwelijkse voorwaarden d.d. 3 maart 2009, de daarmee samenhangende vaststellingsovereenkomst, alsmede de wijziging huwelijkse voorwaarden in d.d. 13 juni 2016 nietig zijn. De afwikkeling huwelijkse voorwaarden dient dan ook te geschieden conform de akte huwelijkse voorwaarden van 7 mei 1997. Het subsidiaire verzoek van de vrouw (kort gezegd, dat de man onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld) behoeft daardoor geen bespreking.

5.23.

Ingevolge het bepaalde in art. 424 Rv zal het hof de zaak aan zich houden ter verdere behandeling en beslissing (vgl. HR 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1626 en HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO2882).

5.24.

Beslist wordt als volgt.

6De beslissing

Het hof:

in zaaknummers 200.337.461/01 en 200.337.555/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederlands, locatie Utrecht, van

19 juni 2018, onder aanvulling van gronden, aldus dat de (akte) huwelijkse voorwaarden en de daarbij behorende vaststellingsovereenkomst d.d. 3 maart 2009 alsmede de (akte) huwelijkse voorwaarden d.d. 13 juni 2016 nietig zijn;

bepaalt dat de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dient te geschieden aan de hand van de akte huwelijkse voorwaarden d.d. 7 mei 1997;

stelt partijen in de gelegenheid binnen zes weken na heden (uiterlijk op 9 april 2026) een akte te nemen houdende afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden d.d. 7 mei 1997, waarna zij binnen vier weken daarna (uiterlijk 7 mei 2026) op elkaars akte kunnen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 14 mei 2026.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en G.J. Vossestein en op 26 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Meer fiscale opties pensioenverrekening samenwoners
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 06-05-2025
Jasper Horsthuis en Rob Welling gaan in gesprek over een recente uitbreiding van de fiscale mogelijkheden voor pensioenverrekening door samenwoners. Zij bepleiten een verdere verruiming van de regeling.
Podcastgesprek: Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente (II)
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 22-04-2025
De Belastingdienst heeft - opnieuw - een standpunt gepubliceerd over de fiscale afwikkeling van een lijfrentepolis bij echtscheiding. Rob Welling en Jasper Horsthuis bespreken de gevolgen hiervan.
Podcastgesprek: Breaking! Vóórhuwelijks vergoedingsrecht halveert niet!
Drs. Jasper Horsthuis en Rob Welling, 08-04-2025
Onze redacteur Jasper Horsthuis en scheidingsfiscalist Rob Welling gingen in gesprek over de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad op 21-03-2025. Super heldere uitleg over inhoud en gevolgen van de uitspraak!
Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN