Terug naar de uitspraak

Gerechtshof Den Haag 04-02-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:180

Datum publicatie13-02-2026
Zaaknummer200.354.723/01 & 200.354.731/01
Formele relatiesEerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:2664, Meerdere afhandelingswijzen
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenAlimentatie. Familievermogensrecht. Titel 7 Wettelijke gemeenschap van goederen. Afd. 7.1 Algemene Bepalingen. De uitsluitingsclausule
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Echtscheidingszaak met nevenvoorzieningen; verdeling ontbonden algehele gemeenschap van goederen; giften onder uitsluitingsclausule?; op voorhand een uitsluitingsclausule overeengekomen?; giften (waaronder jubelton) aangewend voor aflossing woningschuld van eerdere woning en voor verbouwing van latere woning; vergoedingsrechten jegens gemeenschap? wijze berekening vergoedingsrecht ingevolge art. 1:87 BW (beleggingsleer); het hof wijkt wat betreft de wijze van berekening vergoedingsrecht dat is ontstaan door de aflossing af van de toelichting op de wettekst in de parlementaire geschiedenis en acht op deze situatie art. 1:87 lid 2 onder b BW van toepassing.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

zaaknummers : 200.354.723/01 en 200.354.731/01

rekestnummers rechtbank : FA RK 23-7333 en FA RK 24-638

zaaknummers rechtbank : C/09/655030 en C/09/660526

beschikking van de meervoudige kamer van 4 februari 2026

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. I.W. van Osch te Schiedam

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Braat te Den Haag.

1Het verloop van de procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het verloop van de procedure bij de rechtbank naar de beschikking van de rechtbank Den Haag (hierna ook: de rechtbank) van 20 februari 2025, uitgesproken onder voormelde rekest- en zaaknummers (hierna: de bestreden beschikking).

2De procedure in hoger beroep

2.1

De man is op 19 mei 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 15 september 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De man heeft op 27 oktober 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep tevens akte houdende eiswijziging ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 23 mei 2025 een journaalbericht van 22 mei 2025 met bijlage;

- op 18 juli 2025 een journaalbericht van 15 juli 2025;

van de zijde van de vrouw:

- een e-mail van 12 november 2025 met bijlagen.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 14 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaten hebben pleitnotities overgelegd.

3De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd op [datum] 2008 te [plaats] .

3.3

De vrouw en de man zijn de ouders van:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , door de man erkend op 2 januari 2007 (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), en

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ).

3.4

De man heeft op 5 oktober 2023 het inleidend verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen bij de rechtbank ingediend.

3.5

In hoger beroep is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking (zijnde de bestreden beschikking) op 17 april 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4Waar de zaak over gaat

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts, uitvoerbaar bij voorraad:

- bepaald de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder;

- bepaald dat tussen [minderjarige 2] en de man een zorgregeling zal gelden in onderling overleg tussen de ouders en [minderjarige 2] te bepalen;

- bepaald dat de man aan de vrouw, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal betalen van:

€ 450,- per maand, per kind, met ingang van 1 december 2023 tot 1 september 2024;

€ 650,- per maand, per kind, met ingang van 1 september 2024 tot 1 januari 2025;

€ 729,- per maand, per kind, met ingang van 1 januari 2025, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- bepaald dat de man hetgeen hij verschuldigd is uit deze verplichting mag verrekenen met hetgeen hij feitelijk aan kinderalimentatie heeft betaald sinds 1 december 2023;

- bepaald dat de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 230,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- bepaald dat uit hoofde van de inboedelverdeling aan de vrouw toekomt een door de man aan

de vrouw te betalen bedrag van € 3.015,63;

- bepaald dat het nog te verdelen bedrag uit hoofde van de verkoopopbrengst van de woning van € 650.681,04 bij helfte zal worden verdeeld, zodat aan ieder van partijen nog een bedrag toekomt van € 325.340,52.

Het meer of anders verzochte is afgewezen.

4.2

De man verzoekt het hof - zoals hij dit verzoek bij zijn verweerschrift op het incidenteel beroep heeft geformuleerd - om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende in hoger beroep:

I. te bepalen dat de man aan de vrouw kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige kinderen van partijen zal betalen van € 729,- per maand per kind, met ingang van 17 april 2025, althans subsidiair met ingang van 20 februari 2025, althans meer subsidiair een door het hof in goede justitie te bepalen ingangsdatum;

II. te bepalen dat de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 230,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en te bepalen dat de man hetgeen hij verschuldigd is uit deze verplichting mag verrekenen met hetgeen hij feitelijk aan partneralimentatie heeft betaald sinds 1 december 2023;

III. te bepalen dat de man primair een vergoedingsrecht (reprise) van € 818.685,17 vanuit de gemeenschap toekomt, op grond waarvan het saldo op de bankrekening van partijen met rekeningnummer [rekeningnummer] toekomt aan de man en met veroordeling van de vrouw tot betaling van de helft van het resterende tekort op het saldo van voornoemde bankrekening (thans ad € 84,002,-) aan de man, althans subsidiair te bepalen dat de man een bedrag van € 42.7069,38 vanuit de gemeenschap toekomt, althans meer subsidiair bepalen dat de man een bedrag van € 302.533,- vanuit de gemeenschap toekomt, althans uiterst subsidiair een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;

IV. te bepalen dat uit hoofde van de overbedelingsvergoeding van de man ter zake van de verdeling van de inboedel een bedrag van € 1.323,68 aan de vrouw toekomt, althans subsidiair een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;

V. kosten rechtens.

4.3

De vrouw verzoekt het hof om de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de verzoeken van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen behoudens de verdeling van de overwaarde van de woning.

In incidenteel appel verzoekt de vrouw het hof primair te bepalen dat de man op grond van artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn aandeel in de overwaarde van de woning aan de vrouw verbeurt en aan de vrouw uit dien hoofde zal toekomen een bedrag van
€ 818.685,17 dan wel een ander door het hof in goede justitie vast te stellen bedrag.

Subsidiair verzoekt de vrouw het hof te bepalen dat de overwaarde van de woning bij helfte dient te worden verdeeld en derhalve aan eenieder nog toekomt een bedrag van € 325.340,52 en in aanvulling daarop te bepalen dat de man aan de vrouw op grond van artikel 6:162 BW een schade dient te vergoeden ten bedrage van € 369.457,36, dan wel meer subsidiair de hoogte van de schadevergoeding in goede justitie vast te stellen.

Voorts verzoekt de vrouw het hof om de man te veroordelen primair in de werkelijke proceskosten van de vrouw in hoger beroep, thans begroot op € 8.000,- PM, dan wel subsidiair de proceskostenveroordeling vast te stellen op basis van het liquidatietarief.

4.4

De man verzet zich daartegen.

5De motivering van de beslissing

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

5.1

De man kan zich niet vinden in de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum voor het betalen van kinderalimentatie. Volgens vaste jurisprudentie dient behoedzaam gebruik te worden gemaakt van de mogelijkheid om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vast te stellen. Als gevolg van de beslissing van de rechtbank is aan de zijde van de man een direct opeisbare achterstand ontstaan van € 5.510,- (na verrekening van de reeds betaalde bijdragen), terwijl hij daarnaast ook per januari 2025 de verhoogde en direct opeisbare kinderalimentatie van € 1.688,- per maand dient te voldoen en een partneralimentatie van € 230,- per maand. De man heeft te weinig financiële middelen en zal hiervoor een lening aan moeten gaan. Ook heeft de vrouw geen rechtens relevante grond gesteld die een verhoging van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht rechtvaardigt. De man wil € 729,- per kind per maand betalen met ingang van 17 april 2025, dan wel subsidiair met ingang van 20 februari 2025.

5.2

De vrouw kan zich vinden in de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van 1 december 2023, de datum van indiening van het inleidend verzoek om kinderalimentatie. Ten einde een voorlopige voorzieningen procedure te vermijden, zijn partijen in onderling overleg een door de man te betalen bijdrage overeengekomen. Daarbij is uitgegaan van een te hoge zorgkorting van 35%. Zodra de man van zijn tijdelijke vakantiewoning medio april 2024 naar zijn nieuwe koopwoning verhuisde, zou de zorgregeling van een tweewekelijkse weekendregeling worden uitgebreid. De kinderen wilden echter niet meer naar hun vader. De vrouw had het financieel niet breed en was voor de kosten van de kinderen sterk afhankelijk van de kinderalimentatie. Hoewel de man nauwelijks tot geen verblijfskosten had, was hij niet bereid de kinderalimentatie aan te passen, terwijl een bedrag van € 311,- per kind per maand niet voldeed aan de wettelijke maatstaven. De jurisprudentie ziet op een behoedzaamheid ten aanzien van een terugbetalingsverplichting van een onderhoudsgerechtigde en niet op de plicht tot nabetaling. De man had immers draagkracht voor de vastgestelde kinderalimentatie en eind mei 2025 heeft hij de volledige achterstand aan de vrouw voldaan. Nu de man geen grieven heeft ingesteld ten aanzien van de draagkracht en de verdeling van het eigen aandeel zijn de overige door de man aangevoerde gronden niet relevant.

5.3

Het hof zal de man niet-ontvankelijk verklaren voor zover zijn verzoek ziet op [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is inmiddels jongmeerderjarig en dient separaat door de man in een procedure te worden betrokken. Het hof verwijst hiervoor naar de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:724. Nu de man dit heeft nagelaten, dient hij in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5.4

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden de kinderalimentatie heeft bepaald met ingang van 1 december 2023. Door de man zijn geen rechtens relevante omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel leiden. Het inkomen en vermogen van de man is voldoende om de vastgestelde onderhoudsbijdrage per die datum te voldoen. Het hof zal de verzoeken van de man dan ook afwijzen en de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.

Partneralimentatie

5.5

De man stelt dat de rechtbank bij de vaststelling van de partneralimentatie geen rekening heeft gehouden met hetgeen hij sinds 1 december 2023 feitelijk heeft betaald. In onderling overleg zijn partijen een partneralimentatie van € 620,- per maand overeengekomen met ingang van 1 februari 2024. Na de bestreden beschikking is de man € 230,- per maand gaan betalen. De man heeft meer dan een jaar teveel betaald en het is niet meer dan redelijk dat de bedragen die over en weer (terug)betaald dienen te worden, kunnen worden verrekend. Verrekening van de door de man te veel betaalde partneralimentatie van € 5.070,- met de te betalen kinderalimentatie van € 5.510,- betekent dat de man nog een bedrag van € 440,- dient te voldoen aan de vrouw.

5.6

De vrouw verzoekt het hof om het verzoek van de man af te wijzen. In eerste aanleg heeft de man ook geen terugbetalingsverzoek gedaan. De ingangsdatum van partneralimentatie is 17 april 2025 en hetgeen de vrouw daarvoor van de man heeft ontvangen, lag niet voor aan de rechtbank en ook nu niet. Bovendien heeft de vrouw niet te veel ontvangen. De behoefte van de vrouw bedraagt € 3.990,- netto per maand en de aanvullende behoefte € 1.895,- netto per maand en € 3.700,- bruto per maand. Met de betaling door de man van € 620,- bruto per maand was er dan ook een aanzienlijk tekort bij de vrouw. Gelet op het consumptieve karakter van partneralimentatie dient behoedzaam gebruik te worden gemaakt van een terugbetalingsverplichting. Bovendien verzoekt de man in zijn petitum slechts om verrekening met partneralimentatie en niet met kinderalimentatie. Vast uitgangspunt is dat niet verrekend mag worden met kinderalimentatie.

5.7

Het hof zal de verzoeken van de man afwijzen. Gebleken is dat partijen bij het uiteengaan een voorlopige afspraak hebben gemaakt. De man is contractueel gebonden aan deze afspraak. Dat de rechtbank de partneralimentatie nadien op een lager bedrag heeft vastgesteld, doet niet af aan de overeenkomst van partijen. De afspraak van partijen ziet op de periode voorafgaand aan de bestreden beschikking. De bij de bestreden beschikking vastgestelde partneralimentatie gaat pas in op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te weten 17 april 2025. Er is geen rechtsgrond aanwezig voor verrekening van hetgeen in het verleden is betaald.

Verdeling huwelijksgoederen gemeenschap

Stukken van 20 januari 2025

5.8

De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte de stukken van 20 januari 2025 van de zijde van de man niet bij de beoordeling heeft betrokken. Bij deze stukken had de man ook een vermeerdering van zijn verzoek geformuleerd. Deze stukken waren bekend bij de vrouw en zij is dan ook niet benadeeld bij een eventuele verlate ontvangst. De man heeft belang bij een inhoudelijke toetsing van zijn reprise recht.

5.9

De vrouw stelt dat wel degelijk sprake was van strijd met de goede procesorde doordat zij werd geschaad in haar verdediging gelet op het late tijdstip van indiening. Partijen woonden nog samen ten tijde van indiening van het inleidend verzoekschrift zodat de man de volledige administratie tot zijn beschikking had. In de door de man gestelde mappen zitten helemaal geen relevante stukken en de vrouw beschikt niet over deze stukken. Hoger beroep dient er echter toe om fouten uit de eerste aanleg te herstellen, zodat het hof kennis kan nemen van de stukken van de zijde van de man van 20 januari 2025. Wel maakt de vrouw bezwaar tegen de vermeerdering van eis van de man over een schenking van € 100.000,- in 2011. Dit was een verstrekkende eiswijziging acht dagen voor de zitting bij de rechtbank, terwijl de stukken waarop de man zijn eis baseerde al bij aanvang van de procedure in het bezit waren van de man. Volgens de vrouw heeft de man e-mails vervalst, de mutatielijst aangepast en kort voor de zitting zijn eis vermeerderd. De man dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard te dien aanzien. Bovendien hebben partijen in november 2023 een afspraak gemaakt waarbij het in geschil zijnde bedrag van € 650.681,04 op een en/en rekening was gestort en partijen ieder € 123.887,29 uit hoofde van de verkoop van de woning van de notaris ontvingen als zijnde het bedrag dat niet in geschil was. Bij de berekening van dit bedrag was rekening gehouden met het door de man in zijn inleidende verzoekschrift gestelde vergoedingsrecht op basis van contante schenkingen en verbouwingskosten. De schenking van € 100.000,- was reeds in maart 2014 in mindering gebracht op de geldlening en was door de man niet gekwalificeerd als een schenking onder uitsluiting en derhalve niet betrokken in het door de man gestelde vergoedingsrecht. De vrouw hoefde er dan ook niet op bedacht te zijn dat dit bedrag alsnog ter discussie zou worden gesteld. De vrouw verwijst naar jurisprudentie.

5.10

Het hof overweegt als volgt. In hoger beroep hebben partijen formele bezwaren geuit tegen de door de rechtbank gevolgde procedure. De rechtbank zou stukken niet hebben meegenomen bij de beoordeling, inclusief een op een laat tijdstip ingediende eiswijziging. De procedure in hoger beroep is een voortzetting en verdieping van het debat bij de rechtbank. Dit betekent dat eventuele formele gebreken in de procedure bij de rechtbank door het hoger beroep kunnen worden hersteld. Vaststaat dat partijen in hoger beroep gelegenheid hebben gekregen om hun standpunten nader toe te lichten en daartoe ook op de mondelinge behandeling zijn verschenen. Nu het hof de zaak volledig inhoudelijk beoordeelt, is daarmee een eventuele schending van het beginsel van fair trial in de procedure bij de rechtbank in hoger beroep hersteld.

Verdeling overwaarde/reprisevorderingen van de man; giften onder uitsluitingsclausule

5.11

De man kan zich niet vinden in de wijze van verdeling bij helfte van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning van € 650.681,05. De ouders van de man hebben namelijk gedurende het huwelijk diverse giften gedaan, goeddeels onder uitsluitingsclausule. Deze giften zijn geïnvesteerd in de woning. De woning is destijds door partijen gekocht voor een bedrag van € 675.000,-. De ouders van de man hebben ook schenkingen gedaan zonder uitsluitingsclausule, zoals een auto voor de vrouw en dertien keer een jaarlijkse belastingvrije schenking van rond de € 5.000,-. De ouders van de man hielden de schenkingen onder uitsluitingsclausule bij op mutatielijsten die ook de vrouw bekend waren. De vrouw heeft de authenticiteit van twee e-mails van de man van 6 juni 2008 en 11 februari 2014, waaruit blijkt dat de giften buiten de gemeenschap vallen, betwist. Zij heeft twee vrijwel gelijke e-mails in het geding gebracht waarin de betreffende passages ontbreken. Een van partijen heeft de rechtbank niet juist voorgelicht. De rechtbank heeft laten doorschemeren dat wat de rechtbank betreft de twijfel aan de zijde van de man lag en is buiten de rechtsstrijd van partijen getreden met de overweging dat de vrouw wellicht een beroep kan doen op artikel 3:194 lid 2 BW. De man heeft de e-mail van de vrouw van 6 juni 2008 voorgelegd aan onderzoeksbureau [onderzoeksbureau] en uit het rapport van 10 mei 2025 blijkt dat er sterke aanwijzingen zijn dat de e-mail niet authentiek is of op zijn minst gemanipuleerd.

Bij e-mail van 27 mei 2011 hebben de ouders aan de man, zijn broer en zus aangekondigd naast de jaarlijkse belastingvrije schenkingen een eenmalige schenking te doen. Deze “jubelton” is onder uitsluiting aan de man geschonken op 1 maart 2014. De woning is inmiddels verkocht en overgedragen aan een derde voor een bedrag van € 1.320.000,- zodat de man conform de beleggingsleer recht heeft op reprise uit de gemeenschap van:

€ 270.610,47, te weten de jubelton (€ 100.000,-) gedeeld door de totale hypotheekschuld bij aankoop van de woning (€ 487.786,-) maal de huidige waarde van de woning (€ 1.320.000,-).

Subsidiair verzoekt de man zijn repriserecht te bepalen op € 224.536,38, en meer subsidiair op een nominale vergoeding van € 100.000,-.

Ook is aan de man € 67.052,- aan contanten door zijn ouders geschonken onder uitsluitingsclausule om daarmee belastingdruk te voorkomen. Deze betalingen zijn ook bijgehouden in de mutatielijsten. Dankzij de contanten kon de man aflossen op de hypothecaire geldlening van partijen bij zijn ouders. De man verwijst naar bijlage 10 in eerste aanleg dat bij productie 1 in hoger beroep zit. Nu het bedrag van € 67.052,- buiten de gemeenschap valt, dient dit bedrag vanuit de gemeenschap aan de man te worden vergoed. Dat betekent dat de man recht heeft op een reprise uit de gemeenschap van € 181.449 (te weten: 67.052 / 487.786 x 1.320.000 = privé aflossing / totale hypotheekschuld bij aankoop x de huidige waarde van de woning), ofwel dient de vrouw de helft van dit bedrag aan de man te vergoeden vanwege de gelijke draagplicht van partijen voor gemeenschapsschulden. Indien en voor zover het hof

van oordeel is dat de beleggingsleer hier niet van toepassing is, verzoekt de man subsidiair de hoogte van zijn vergoeding te bepalen op € 67.052,-.

Ten slotte stelt de man een reprisevordering te hebben in verband met de kosten van verbouwing van de woning. Al het benodigde geld voor de verbouwing door [aannemingsbedrijf] was afkomstig van de ouders van de man. Van de verbouwingskosten van € 345.636,- is € 200.000,- als geldlening Hypo II van 10 augustus 2015 geleend van de ouders en € 135.481,- aan de man geschonken onder uitsluitingsclausule. Ter voorkoming van belastingdruk hebben de ouders deze kosten contant betaald. De man heeft dan ook recht op een reprise uit de gemeenschap van € 366.625,77 (135.481 / 487.786 x 1.320.000 = verbouwingskosten / totale hypotheekschuld bij aankoop woning x huidige waarde van de woning), ofwel dient de vrouw de helft van voornoemd bedrag aan de man te vergoeden vanwege de gelijke draagplicht van partijen voor gemeenschapsschulden. Indien en voor zover het hof van oordeel is dat de beleggingsleer hier niet van toepassing is, verzoekt de man subsidiair de hoogte van zijn vergoeding te bepalen op € 135.481,-.

Concluderend stelt de man een recht van reprise op de gemeenschap te hebben van
€ 818.685,17. Dit betekent dat de resterende verkoopopbrengst op de en/of rekening van partijen van € 650.681,04 toekomt aan de man. Voor het tekort van deze gemeenschapsschuld

zijn beide partijen gelijkelijk draagplichtig, zodat de vrouw de helft van het verschil van
€ 168.004,13 aan de man dient te vergoeden, te weten € 84.002,-.

5.12

De vrouw stelt dat er weliswaar een aantal schenkingen gedaan, maar nooit is kenbaar gemaakt dat deze onder uitsluiting zouden zijn gedaan. Op de man rust de bewijslast om dit aan te tonen. De uitsluitingen zoals opgenomen in de door de man overgelegde e-mails van 6 juni 2008 en 11 februari 2014 zijn later toegevoegd. De man toont niet aan wat de exacte hoogte is van de contante schenkingen en ook niet dat deze onder uitsluiting hebben plaatsgevonden. Bovendien kan geen sprake zijn van een vergoedingsrecht, omdat niet in geschil is dat deze contante bedragen niet zijn aangewend ter aflossing van de hypothecaire geldlening.

Wat betreft de verbouwingskosten heeft de man ook niet aangetoond dat de in 2015 gemaakte verbouwingskosten door de ouders aan de man zijn geschonken, laat staan onder uitsluiting. Partijen hebben de verbouwing van de woning zelf gefinancierd. Ook stelt de vrouw vraagtekens bij de hoogte van de door de man gestelde verbouwingskosten door zijn broer die samen met hun vader de verbouwing uitvoerde.

Wat betreft de schenking van € 100.000,- is het verzoek van de man te laat gedaan, maar daarbij is deze niet onder uitsluiting gedaan. De schenking is juist overduidelijk aan partijen gezamenlijk gedaan.

De vrouw stelt dat de stukken waar de man naar verwijst ter onderbouwing van zijn stellingen onbetrouwbaar zijn, zodat sprake is van een schending van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

5.13

Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn gehuwd op [datum] 2008 te [plaats] in algehele gemeenschap van goederen. De gemeenschap van goederen omvat tegenwoordige en toekomstige goederen van echtgenoten, uitgezonderd de goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen (zie het “oude” artikel 1:94 lid 2 BW) . Op 5 oktober 2023 is de huwelijksgemeenschap van rechtswege ontbonden door indiening van het inleidend verzoekschrift tot echtscheiding. Deze datum is de peildatum voor de vaststelling van de samenstelling en omvang van de huwelijksgemeenschap. Na ontbinding van het huwelijk wordt de huwelijksgemeenschap bij helfte gedeeld, nadat eerst daaruit de bedragen zijn voldaan ter betaling van de vergoedingsvorderingen die de echtgenoten jegens de gemeenschap hebben. Mocht dit niet of slechts gedeeltelijk mogelijk zijn, bijvoorbeeld wegens een ontoereikend gemeenschapsvermogen, dan kan een echtgenoot die een vordering heeft tot terugneming (reprise) uit de gemeenschap van hem toekomende goederen, de helft van zijn restantvordering verhalen op het privévermogen van de andere echtgenoot. Voor vergoedingsrechten die zijn ontstaan na 1 januari 2012 geldt artikel 1:87 BW, in beginsel de beleggingsleer. Bij vergoedingsrechten die voor die tijd zijn ontstaan, geldt dat uitgegaan moet worden van het nominale bedrag, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzet. Degene die stelt een vergoedingsrecht te hebben, draagt de bewijslast daarvan.

5.14

Tussen partijen staat vast dat tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde de echtelijke woning aan [adres 1] (hierna ook: de woning). Vast staat dat de woning op 10 augustus 2015 door partijen is gekocht voor een bedrag van € 625.000,-. De woning is deels gefinancierd met een lening van de ouders van de man van € 487.786,-. Na het uiteengaan van partijen hebben zij de woning in 2024 verkocht voor € 1.320.000,-. De man is van mening dat hij vergoedingsrechten op de gemeenschap heeft in verband met schenkingen van zijn ouders die aan hem zijn gedaan onder uitsluiting, te weten: contante betalingen aan de man ter hoogte van € 67.052,-, verbouwingskosten van € 135.481,- en een schenking van € 100.000,- (de zogenaamde “jubelton”). De vrouw heeft de stellingen gemotiveerd weersproken. Volgens de vrouw dient de overwaarde bij helfte te worden verdeeld.

5.15

Met betrekking tot de contante bedragen overweegt het hof als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de ouders van de man het gezin financieel ondersteunden met maandelijkse bedragen die zij in een envelop klaarlegden voor het gezin. Uit de whatsapp conversatie van partijen onderling en de vader en de man blijkt dat dit geld nodig was omdat er anders een tekort ontstond en rekeningen niet betaald konden worden. Dat de bedragen benut zijn voor het aflossen van de lening bij de ouders van de man is het hof niet gebleken. De van de ouders van de man ontvangen contanten zijn gedurende het huwelijk uitgegeven aan de kosten van de huishouding van partijen. Deze bedragen zijn niet op een bankrekening gestort en niet geïnvesteerd in een goed en onweersproken is dat de contanten op de peildatum waren verbruikt. De man heeft dan ook geen vergoedingsrecht te dien aanzien en het hof zal het verzoek van de man in zoverre afwijzen.

5.16

Rest nog de vraag of de man een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap heeft met betrekking tot de zogenaamde jubelton en de verbouwingskosten.

5.17

Uit artikel 1:94 lid 2 onder a BW (oud) blijkt dat de gever aan een gift (waaronder ook het begrip ‘schenking’ valt) een uitsluitingsclausule kan verbinden. Uit de bewoordingen “bij de gift” volgt echter dat deze clausule onderdeel moet zijn van de rechtshandeling waarbij de bevoordeling plaatsheeft. Het is daarom niet mogelijk om na afloop alsnog een uitsluitingsclausule aan de gift toe te voegen. Ook de aanvullende werking van de redelijkheid en de billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) kan er niet toe leiden dat achteraf alsnog een uitsluitingsclausule aan een gift wordt toegevoegd (zie onder meer: T.M. Subelack, De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (diss. Utrecht; Recht en Praktijk nr. PFR10), Deventer: Wolters Kluwer 2024/358). Hoewel het niet mogelijk is om achteraf nog een uitsluitingsclausule aan de gift te verbinden, verzetten de bewoordingen “bij de gift” zich er naar het oordeel van het hof niet tegen dat de gever en een begiftigde op voorhand een uitsluitingsclausule overeenkomen voor de giften die de begiftigde van de gever zal ontvangen. In deze zin ook: hof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:2131. De begiftigde moet dan deze uitsluitingsclausule wel hebben aanvaard. Als de uitsluitingsclausule door de echtgenoot van de begiftigde wordt betwist, moet de begiftigde bewijzen dat deze kennis heeft genomen van die eerdere uitsluitingsclausule en deze vervolgens heeft aanvaard.

5.18

De ouders van de man hebben in de niet door de vrouw betwiste e-mail van 27 mei 2011 een gesprek met hun kinderen, waaronder de man, bevestigd. In dit gesprek is aan de orde geweest dat de ouders in de toekomst mogelijk schenkingen zullen doen aan hun kinderen. Deze schenkingen, zo stellen de ouders, zullen onder een uitsluitingsclausule geschieden. In de e-mail is dit als volgt verwoord: “Voorts worden er schenkingen verricht als voorschot op de erfenis. Deze schenkingen sluiten jullie partners (de koude kant) uit. Wij hebben dit als uitsluitingsclausule vastgelegd in ons testament.” Uit het overgelegde testament van de moeder van de man blijkt dat er in het testament een uitsluitingsclausule is opgenomen. Eveneens is er in het testament een inbrengverplichting voor door de erflater gedane giften opgenomen in de zin van artikel 4:229 BW. Hoewel het niet vaststaat dat dit testament niet later is herroepen, is het voor het hof voldoende om aan te nemen dat aan de kant van de schenkers, de ouders, het vaste voornemen bestond om aan schenkingen aan de kinderen een uitsluitingsclausule te verbinden. Het hof leest de inbrengverplichting in het testament als het verlengde daarvan: als een gift in een gemeenschap van goederen zou vallen (hetgeen het geval zou zijn als er geen uitsluitingsclausule aan de gift zou zijn verbonden), dan bemoeilijkt dit dan wel benadeelt dit de verkrijger bij de inbreng van de gehele gift. Nu de e-mail gelezen kan worden als de bevestiging van een eerder gevoerd gesprek van de ouders met hun kinderen, na advies te hebben ingewonnen over giften en testamenten, gaat het hof ervan uit dat de man tijdens dit gesprek de uitsluitingsclausule heeft aanvaard. Als de uitsluitingsclausule niet zou zijn aanvaard, dan zouden de ouders vervolgens ook geen giften hebben gedaan aan de man.

5.19

Onbetwist is tussen partijen dat de ouders de jubelton (het destijds vrijgestelde bedrag aan schenkbelasting van € 100.000,-, aan te wenden door een begiftigde voor de eigen woning) hebben geschonken in de vorm van een kwijtschelding op een (hypothecaire) geldlening die de ouders van de man aan de man en de vrouw tezamen hadden verstrekt. Uit de overgelegde aangifte schenkbelasting 2014 blijkt dat de vader van de man, aan de man een schenking heeft gedaan van € 100.000,-. Dit betreft dus de schenking die bij mail van 11 februari 2014 is aangekondigd aan beide partijen. De man en de vrouw woonden toen op de [adres 2] . Het betreft dus een indirecte investering van de man in voormelde woning, namelijk aflossing van een lening die betrekking heeft op het goed [adres 2] , welke woning aan partijen gezamenlijk toebehoorde. In het kader van de fiscale afwikkeling naar de Belastingdienst is het helder dat het een schenking van de vader van de man aan de man is.

5.20

In geschil tussen partijen is aan wie de schenking door kwijtschelding op de geldlening is gedaan en, als deze aan de man is gedaan, of deze met een uitsluitingsclausule heeft plaatsgehad. Het hof stelt vast dat artikel 6:10 BW er niet aan in de weg staat dat de schuldeisers niet aan beide maar aan een van de (hoofdelijke) schuldenaren een deel van de hoofdsom kwijtschelden. Zoals het hof hiervoor ook al heeft overwogen, hebben de ouders van de man een duidelijk beleid uitgestippeld met betrekking tot de vermogensoverheveling. Bepaalde schenkingen kwamen aan de man en de vrouw gezamenlijk toe, maar bepaalde schenkingen die beschouwd werden als een voorschot op de erfenis van de ouders kwamen alleen toe aan de man. Het hof verwijst nogmaals naar de e-mail van 27 mei 2011. Het hof acht het aannemelijk dat beide partijen op de hoogte waren van het beleid dat de ouders van de man hadden met betrekking tot de schenkingen. De ouders van de man hebben feitelijk de geldlening die zij aan beide partijen hadden verstrekt in 2014 met een bedrag van € 100.000,- verminderd. Door de vermindering van de geldlening werden de maandelijkse (rente)lasten voor beide partijen lager, terwijl het besteedbaar inkomen voor beide partijen toenam. De rechtsvraag die dus voorligt is of de vermindering van de hoofdelijke schuld alleen ten goede komt aan de man of aan de man en de vrouw gezamenlijk. Uit de feitelijke gang van zaken volgt naar het oordeel van het hof dat de vermindering op de lening (gift onder uitsluitingsclausule) alleen betrekking heeft op de man. Dit volgt onder meer uit de e-mail van 27 mei 2011, maar eveneens uit de aangifte schenkbelasting 2014. Als de schenking aan de man en de vrouw had plaatsgevonden dan had de vrouw de aangifte schenkbelasting ook moeten mede ondertekenen hetgeen niet het geval is. Dat de ouders van de man aan de man en de vrouw per e-mail van 11 februari 2014 berichtten dat het bedrag op hun lopende lening in mindering wordt gebracht, is niet doorslaggevend voor het standpunt dat de kwijtschelding aan beiden heeft plaatsgehad. De al dan niet toegevoegde zin in de e-mail van 11 februari 2014 acht het hof niet relevant voor de vraag aan wie geschonken is. Omdat de vermindering (gift) van de hypothecaire geldlening onder uitsluitingsclausule heeft plaatsgehad, is op het moment van de vermindering van de geldlening een vergoedingsrecht van de man op de gemeenschap ontstaan op grond van artikel 1:96 lid 4 BW. Dit vergoedingsrecht wordt vervolgens berekend overeenkomstig artikel 1:87 lid 2 en lid 3 BW aangezien het vergoedingsrecht na 1 januari 2012 is ontstaan. Het hof stelt vast dat deze vergoeding moet worden berekend op grond van artikel 1:96 lid 4 juncto 1:87 lid 2 onder b BW. In artikel 1:87 lid 2, aanhef en onder b BW is het navolgende bepaald:

“2. De vergoeding beloopt een gedeelte van de waarde van het goed op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan. Dit gedeelte: (…) b. komt in het geval van een voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot overeen met de verhouding tussen het uit diens vermogen voldane of afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van het goed op het tijdstip van die voldoening of aflossing.”

5.21

Het hof is zich ervan bewust dat het hof afwijkt van hetgeen in de toelichting op de wettekst in de parlementaire geschiedenis in de Eerste Kamer is gesteld (Kamerstukken I 2008/09, 28 867, nr. C, p. 15-16). In de Memorie van Antwoord wordt – ondanks de wettekst van artikel 1:87 lid 2 onder b BW – ervan uitgegaan dat artikel 1:87 lid 2 onder a BW in deze situatie van aflossing van toepassing is, hetgeen betekent dat in de noemer moet worden vermeld de waarde van het goed op het moment van aankoop. Economisch gezien heeft de man echter geïnvesteerd op het moment van de aflossing. Om die reden dient naar het oordeel van het hof voor de berekening van het vergoedingsrecht bezien te worden wat de waarde van het goed is op het moment van de aflossing. De man heeft dan het mogelijk profijt van een waardestijging van het goed of het nadeel indien het goed in waarde daalt. Het hof acht dat een redelijke uitkomst en acht het dan ook niet juist dat in de parlementaire geschiedenis letterlijk wordt afgeweken van de wettekst hetgeen in wezen contra legem is. Vergelijk ook het artikel van prof. mr. P.C. van Es, ‘Huwelijksvermogensrechtelijk beleggen met voorkennis’, in: J.H.M. ter Haar e.a. (red), Met grootse passen door het recht. Footprints in law (Ars Notariatus nr. 183), Deventer: Wolters Kluwer 2024/7.

5.22

Het vergoedingsrecht wordt naar het oordeel van het hof op basis hiervan aldus berekend:

in de teller wordt het bedrag van de aflossing gezet en in de noemer van de breuk de waarde van de woning op het moment van de aflossing. Deze breuk wordt vervolgens vermenigvuldigd met de waarde van de woning ten tijde van het geldend maken van het vergoedingsrecht.

5.23

Na de verkoop van [adres 2] is relevant welk deel van de verkoopopbrengst tot het privévermogen van de man behoorde. Dit privévermogen investeerde de man in [adres 1] als gevolg waarvan (wederom) een vergoedingsrecht ontstaat. Gekeken moet worden naar de aankoopsom van [adres 1] en de investering in de vorm van verbouwingen, te weten € 625.000,- plus € 335.481,-. De totale investering is € 960.481,-. Wat is het vergoedingsrecht van de man in totaal? Nu het hof het vergoedingsrecht met betrekking tot [adres 2] niet kan berekenen (zo is onbekend wat de waarde van die woning was ten tijde van de aflossing), schat het hof conform artikel 1:87 lid 5 BW het door de man in [adres 1] geïnvesteerde bedrag op € 100.000,-. Het hof gaat er hierbij van uit dat, in de korte periode van aflossing en de aankoop van [adres 1] , de waarde van de [adres 2] niet exceptioneel is gestegen. Het hof gaat voor de berekening van het vergoedingsrecht met betrekking tot [adres 1] vervolgens uit van het volgende.

5.24

Partijen hebben direct na de aankoop van de woning [adres 1] deze woning voor een aanzienlijk bedrag verbouwd. In randnummer 70 van zijn hoger beroepschrift stelt de man dat de totale verbouwingskosten € 335.481,- hebben bedragen. In de visie van de man zijn de kosten van de verbouwing gefinancierd door zijn ouders door een geldlening van € 200.000,- alsmede een gift aan de man van € 135.481,- die onder een uitsluitingsclausule valt. Het hof berekent de totale gift aan de man op basis van de door de man verstrekte gegevens op
€ 144.290,11. Echter de man beperkt zijn vordering tot € 135.481,-. De rechtsvraag die het hof moet beantwoorden is wat zijn de verbouwingskosten geweest en welk aandeel daarvan heeft hij als gift gekregen die niet in de huwelijksgemeenschap valt. Het hof kan vaststellen dat de ouders van de man rekeningen hebben betaald aan de aannemer (de broer van de man) en geld hebben overgemaakt naar de rekening van partijen. Het hof beschouwt dit als een gift aan de man. Voorts stelt de man in randnummer 70 van zijn hoger beroepschrift dat de ouders de facturen [factuurnummer] (€ 39.646,86) en [factuurnummer] (€ 31.835,10) - totaal € 71.471,96 - rechtstreeks aan de aannemer hebben betaald in 2016. Deze betaling kwalificeert de man als een gift die niet in de huwelijksgemeenschap valt. De factuur [factuurnummer] van de aannemer van € 72.818,15 is betaald van de gemeenschappelijke rekening van de man en de vrouw, echter voorafgaande aan de betaling hebben de ouders van de man op de gemeenschappelijke rekening een bedrag van € 50.000,- en € 25.000,- gestort. De man beschouwt voormelde betaling door zijn ouders op de gemeenschappelijke rekening als een gift aan hem die niet valt in de gemeenschap van goederen van partijen. Het hof gaat hier echter niet in mee aangezien uit de door de man overgelegde bankafschriften blijkt dat de ouders genoemde bedragen op 12 december 2015 hebben overgemaakt met als omschrijving “lening [adres 1] ”.

Het hof kwalificeert in dit verband uitsluitend de rechtstreekse betalingen aan de aannemer als een gift en becijfert het vergoedingsrecht van de man (inclusief de investering door de man van € 100.000,-; zie rov. 5.23) als volgt:

€ 100.000,- + € 71.471,- = € 171.471,- / € 960.481,- x € 1.320.000,- = € 235.654,55.

Het hof zal dan ook de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat het nog te verdelen bedrag uit hoofde van de verkoopopbrengst van [adres 1] van € 650.681,04 bij helfte zal worden verdeeld, en bepalen dat de man een vergoedingsrecht toekomt van € 235.654,55 en het restant (€ 650.681,04 -/- € 235.654,55 = € 415.026,49) bij helfte zal moeten worden verdeeld, te weten € 415.026,49 / 2 = € 207.513,24.

Inboedel

5.25

De man kan zich niet vinden in het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 3.015,63 dat de man aan de vrouw zou moeten voldoen ter zake van overbedeling van de inboedel. Partijen hebben de inboedel in overleg verdeeld. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van de begroting van de vrouw in plaats van die van de man. De man heeft € 2.215,- aan de vrouw overgemaakt en is van mening dat dit ruimhartig is, maar de vrouw heeft het teruggestort naar de man. De man becijfert de overbedeling van inboedel thans op € 2.647,36 waarvan de man de helft aan de vrouw dient te vergoeden.

5.26

De vrouw stelt dat partijen in onderling overleg tot een verdeling van de inboedel zijn gekomen op basis van een door de man op 1 oktober 2023 opgesteld overzicht inclusief waardes. De vrouw heeft ten aanzien van twee goederen de waarde naar beneden bijgesteld en vervolgens de door haar aangevinkte inboedel meegenomen bij haar verhuizing in januari 2024. Partijen zijn aldus overgegaan tot een feitelijke verdeling en de man dient de vrouw dan ook € 3.015,63 te voldoen wegens overbedeling.

5.27

Het hof overweegt als volgt. Gebleken is dat partijen de inboedel in onderling overleg hebben verdeeld, maar van mening verschillen over de financiële afwikkeling daarvan. Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stelling dat hij € 1.323,68 aan de vrouw zou moeten voldoen in plaats van de door de rechtbank vastgestelde € 3.015,63 niet onderbouwd met verifieerbare stukken. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.

Bewijsaanbod

5.28

De man doet een bewijsaanbod zoals geformuleerd onder 82 en 83 van het beroepschrift.

De vrouw verzoekt het hof om het bewijsaanbod te passeren. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, komt het hof niet toe aan het bewijsaanbod van de man, zodat het hof dit bewijsaanbod zal passeren.

Incidenteel appel

5.29

De vrouw doet een beroep op artikel 3:194 BW dat als volgt luidt:

1. Ieder der deelgenoten kan vorderen dat een verdeling aanvangt met een boedelbeschrijving.

2. Een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.

Volgens de vrouw heeft de man getracht aanzienlijke gelden aan de gemeenschap te onttrekken door valselijk bewijs op te maken. Als de vrouw niet had beschikt over de originele e-mails, dan had zij zich niet kunnen verweren tegen die van de man en zou zij in ernstige mate zijn benadeeld. Door ook in hoger beroep vervalste e-mails over te leggen en zelfs een rapport waaruit zou moeten blijken dat de vrouw e-mails heeft vervalst, handelt de man in strijd met artikel 21 Rv en toont hij een oneerlijke houding en opzet om op onrechtmatige wijze gelden aan de gemeenschap te onttrekken. Dit moet ertoe leiden dat hij € 818.685,17 aan de vrouw verbeurt.

5.30

Subsidiair doet de vrouw een beroep op artikel 6:162 BW dat als volgt luidt:

1. Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

5.31

Het hof is van oordeel dat de verzoeken van de vrouw in incidenteel appel moeten worden afgewezen. Van een situatie als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW is het hof niet gebleken. De man heeft geen goederen zoekgemaakt of verzwegen. Wat betreft de stelling van de vrouw dat de man onrechtmatig heeft gehandeld als gevolg waarvan zij schade heeft geleden, heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht. Wat betreft de overgelegde e-mails van partijen is niet komen vast te staan wie van de twee tot vervalsing daarvan is overgegaan. Uit het aan het hof voorliggende dossier is in ieder geval duidelijk geworden dat gedurende het huwelijk sprake was van belastingontwijking en dat beide partijen daarvan hebben geprofiteerd. Dat partijen vervolgens in een ernstig conflict zijn geraakt waar de kinderen de dupe van zijn, is ook duidelijk. Het hof spreekt de hoop uit dat partijen in het belang van hun kinderen hun verantwoordelijkheid gaan nemen als ouders en zich in zullen zetten om hun onderlinge problematiek te boven te komen.

Proceskosten

5.32

De vrouw verzoekt het hof om de man te veroordelen in de werkelijke proceskosten, dan wel conform het liquidatietarief. Volgens de vrouw heeft de man zich schuldig gemaakt aan een zeer grove schending van de goede procesorde.

5.33

De man is van mening dat er geen enkele grond is voor afwijking van de hoofdregel in artikel 237 lid 1 Rv, te weten compensatie van proceskosten. Het is de vrouw die stukken heeft gemanipuleerd en bewust bewijs onder zich houdt. Dit heeft de man veel tijd en geld gekost en hij heeft ook een deskundige om de misleiding en manipulatie van de vrouw aan te tonen moeten inschakelen.

5.34

Het hof is onvoldoende gebleken dat de man zich schuldig heeft gemaakt aan een zeer grove schending van de goede procesorde. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in beide instantie compenseren.

6De beslissing

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk voor zover zijn verzoek ziet op de jongmeerderjarige [minderjarige 1] ;

vernietigt de bestreden beschikking uitsluitend voor zover het betreft het te verdelen bedrag uit hoofde van de verkoopopbrengst van [adres 1] en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man een vergoedingsrecht op de huwelijksgemeenschap heeft van
€ 235.654,55;

bepaalt dat partijen gelijk gerechtigd zijn tot de overwaarde van [adres 1] van
€ 415.026,49, zodat aan ieder nog een bedrag toekomt van € 207.513,24;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, G.G.B. Boelens en L.A.G.M. van der Geld, bijgestaan door mr. A.C. van Waning, en is op 4 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733