ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Rechtbank Gelderland 16-12-2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11633

Essentie (gemaakt door AI)

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Verzoek man om nadeelcompensatie voor mogelijk niet kunnen overnemen van (zeer) gunstige hypotheekrentecontract afgewezen, bij gebrek aan informatie over mogelijkheden van overname/splitsing van contract hypotheekverstrekker. Waardering activa en passiva eenmanszaak vrouw met correctie op aanwezige zichtbare eigen vermogen, gelet op excessieve privéonttrekkingen door vrouw. Beslissingen over verdeling kosten hypotheekaflossingen en woonlasten over periode vanaf vertrek man uit woning.

Datum publicatie23-01-2026
ZaaknummerC/05/441090 / ES RK 24-407
ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsArnhem
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht; Wettelijke beperkte gemeenschap
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Belangenafweging wie van partijen als eerste de mogelijkheid krijgt om de woning over te nemen, met spoorboekje voor verdeling van de woning inclusief termijnen voor onderzoek, levering en beslissing over voortgezet gebruik van de woning. Verzoek om nadeelcompensatie voor het mogelijk niet kunnen overnemen van het (zeer) gunstige hypotheekrentecontract door de man wordt afgewezen, bij gebrek aan informatie over de mogelijkheden van overname/splitsing van het contract van de hypotheekverstrekker en een nadere onderbouwing van de stellingen. Waardering van de activa en passiva van de eenmanszaak van de vrouw met correctie op het aanwezige zichtbare eigen vermogen, gelet op excessieve privéonttrekkingen door de vrouw. Beslissingen over de verdeling van de kosten van de hypotheekaflossingen en woonlasten over de periode vanaf het vertrek van de man uit de woning.

Volledige uitspraak


beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/441090 / ES RK 24-407 (echtscheiding)

C/05450602 / FA RK 25/1385 (verdeling)

Datum uitspraak: 16 december 2025

beschikking echtscheiding met nevenvoorzieningen

in de zaak van

[naam man] (hierna: de man),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. A.M.J. van Uitert te Waalwijk,

tegen

[naam vrouw] (hierna: de vrouw),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. A.E. Klaassen te Nijmegen.

1Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het verzoekschrift van de man, met bijlage, ontvangen op 11 september 2024;

  • het exploot van betekening van 16 september 2024;

  • het verweerschrift van de vrouw, ontvangen op 25 november 2024;

  • het aanvullend verzoekschrift van de man, met bijlagen, ontvangen op 9 december 2024;

  • het aangevuld en geconcretiseerd petitum van de man, ontvangen op 24 december 2024;

  • het (aanvullend) verweerschrift van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 16 januari 2025;

  • de akte houdende overlegging producties tevens aanvulling van verzoeken van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 5 maart 2025;

  • het nader verweerschrift tevens overlegging nadere producties en aanvulling/wijziging van het verzoek van de man, met bijlagen, ontvangen op 3 april 2025;

  • de akte houdende vermeerdering van het verzoek, tevens overlegging producties van de vrouw, met bijlagen, ontvangen op 2 oktober 2025;

  • het formulier verdelen en verrekenen van de vrouw, ontvangen op 6 oktober 2025;

  • de brief met bijlagen van de man, ontvangen op 9 oktober 2025.

1.2.

De zaak is besproken op de zitting van 20 oktober 2025 met gesloten deuren in het gerechtsgebouw van de rechtbank Gelderland te Zutphen. Daarbij waren de beide partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaten.

2De feiten

2.1.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] met elkaar gehuwd in (beperkte) gemeenschap van goederen.

2.2.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 7 augustus 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw voor de duur van de echtscheidingsprocedure bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] .

3Wat ligt voor?

3.1.

De man verzoekt na wijziging en aanvulling bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I. tussen partijen, op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] gehuwd, de echtscheiding uit te spreken;

II. de wijze van de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen te gelasten als volgt:

 de echtelijke woning aan [adres] toe te delen aan de man tegen de door [naam makelaar] of een nader door de rechtbank aan te wijzen makelaar nog te taxeren waarde, de vrouw te ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de hypothecaire geldlening en aan haar uit te keren de helft van de overwaarde, zodra de hypotheeknemer aan de man de financiering heeft verstrekt. De overdracht van de woning aan de man zal niet later zijn dan drie maanden na afgifte van de beschikking, waarbij de echtscheiding definitief zal moeten zijn door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente;

 voor de situatie dat de echtelijke woning aan de vrouw wordt toegedeeld: de woning aan de vrouw toe te delen tegen de waarde van
€ 515.000, enkel en alleen indien de woning alsdan binnen twee maanden na afgifte van de beschikking aan de vrouw wordt geleverd met gelijktijdig ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de hypothecaire geldlening en voldoening van de helft van de overwaarde per datum toedeling, zulks met oplegging van een dwangsom van € 250 per dag voor elke dag dat de woning later dan twee maanden na afgifte van de beschikking aan de vrouw wordt geleverd en de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid terzake de hypothecaire geldlening en de helft van de overwaarde aan hem per datum toedeling wordt uitgekeerd, en waarbij bij een latere toedeling eerst een nieuwe taxatie dient plaats te vinden;

 voor de situatie dat de echtelijke woning aan de vrouw wordt toegedeeld: te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van

€ 31.690 (€ 19.190 en € 12.500) dient te voldoen wegens ongerechtvaardigde verrijking dan wel op basis van redelijkheid en billijkheid;

primair: toedeling van de inboedel in en rondom de echtelijke woning en de garage aan de man indien de woning aan hem wordt toegedeeld, tegen voldoening door de man van de volledige lening van partijen bij de moeder van de vrouw ten bedrage van € 5.000 dan wel;

subsidiair te bepalen dat de gezamenlijke inboedel voor een bedrag van € 10.000 toekomt aan de partij aan wie de woning wordt toegedeeld. De lening aan de moeder van de vrouw dient dan bij helfte tussen partijen worden gedragen;

 te verklaren voor recht dat de navolgende inboedelzaken eigendom zijn van de man en in de woning dienen te blijven, indien de woning aan hem wordt toegedeeld, dan wel aan de man dienen te worden afgegeven binnen één week na afgifte van de beschikking, indien de woning aan de vrouw wordt toegedeeld:

 alle Fibaro inbouw schakelaars en dimmers (homey);

 schakelkast garage (slimme schakelaars);

 8mm filmprojector, taperecorder en prisma voor 8mm films Sony VCR-4 (zolder);

 Ring Pro doorbel (tuindeur);

 lattenbodems 2x 80 x 200 cm bed;

 Anne’s wood lamp hoek woonkamer;

 bijzettafeltje Gamma (kantoor);

 toedeling van de rekeningen op naam van de man aan de man en toedeling van de rekeningen op naam van de vrouw aan de vrouw en te bepalen dat de vrouw de helft van de toename van haar liquide vermogen (datum huwelijk – peildatum) bij helfte met de man dient te delen;

 toedeling van de eenmanszaak [naam eenmanszaak 1] aan de vrouw en te bepalen dat ter zake de verdeling van de waarde de vrouw een bedrag van
€ 65.000 aan de man dient te betalen, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, zijnde de helft van de waarde van de onderneming;

 te bepalen dat de vrouw de bankafschriften van alle rekeningen van de onderneming in het geding brengt vanaf de start van de onderneming in april 2023 tot de peildatum van 11 september 2024, zodat de privéopnamen van de vrouw kunnen worden geduid, alsook de bankafschriften van al haar privé rekeningen vanaf 1 januari 2024 tot en met de peildatum van 11 september 2024;

 de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 233,88 aan de man, ter zake zijn creditcard schuld en te betalen dat de man deze schuld zal dienen te dragen;

primair te bepalen dat de vrouw aan de man dient te voldoen de helft van de premie van de woonverzekering van € 56,28 per maand vanaf oktober 2024 tot de datum van verlaten van de woning door de vrouw dan wel toedeling van de woning aan haar, en dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 772,28 voor de premies van de overlijdensrisicoverzekering over de periode juni 2024 tot en met oktober 2025, te vermeerderen met € 32,34 per maand vanaf november 2025 totdat de verzekeringen zijn opgezegd dan wel door één van partijen zijn voortgezet;

subsidiair in goede justitie te bepalen welk bedrag de vrouw aan de man dient te vergoeden ter zake de door hem betaalde verzekeringen ten behoeve van partijen;

 te bepalen dat de vrouw ter zake de eindafrekening van energie van Oxxio aan de man dient te voldoen de helft in de opbrengst van teruglevering van de zonne-energie, maar naar evenredigheid het verbruik in de maanden februari 2024 tot en met april 2024;

 de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van de helft van de door haar betaalde voorlopige aanslagen inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke premie zorgverzekeringwet over 2024 tot aan de peildatum;

 te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 3.861,95 aan de man dient te vergoeden wegens aflossing van de studieschulden;

 te bepalen dat partijen over en weer zullen afzien van verevening van ouderdomspensioen en het premievrij reserveren van het partnerpensioen;

dan wel subsidiair de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;

III. primair: (te bepalen dat) de vrouw vanaf oktober 2024 tot de toedeling van de woning aan één van partijen voor betaling van de volledige lasten van de echtelijke woning zal zorgdragen en partijen bij toedeling over en weer zullen afrekenen de helft van de overwaarde van de woning, waarbij de hoogte van de hypothecaire geldlening per datum levering aan één van partijen zal worden meegenomen;

subsidiair: (te bepalen dat) de vrouw met ingang van de datum van ontbinding van de beperkte gemeenschap van goederen, zijnde 11 september 2024, een gebruiksvergoeding van 5% per jaar aan de man verschuldigd is over de helft van de overwaarde van de woning, waarbij de huidige waarde van de woning wordt vastgesteld op € 515.000 en de huidige overwaarde op afgerond € 230.000 zodat een vergoeding van 5% over € 115.000 redelijk is, zijnde € 5.750 per jaar, oftewel € 479,17 per maand, dan wel een in goede justitie door de rechtbank te bepalen gebruiksvergoeding;

3.2.

De vrouw verzoekt na wijziging en aanvulling:

I. tot toewijzing van het verzoek van de man tot echtscheiding;

II. tot afwijzing van het verzoek van de man over de wijze van verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen en de gebruiksvergoeding;

en bij wege van zelfstandig verzoek bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

III. de echtelijke woning, staande en gelegen te [adres] , aan de vrouw toe te delen tegen de waarde ten tijde van verdeling door een nader door de rechtbank te benoemen deskundige, waarbij de waarderingsgrondslag zal zijn: onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur en gebruik;

IV. daarbij te bepalen dat notariële levering eerst geschiedt indien de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire schulden als genoemd in het aanvullend verzoekschrift van de man;

waarbij heeft te gelden dat de toedeling en notariële levering eerst plaatsvindt voor zover de vrouw in staat is de door de rechtbank vast te stellen overbedelingsvordering te financieren, waartoe zij een termijn krijgt van drie maanden te rekenen na de beschikking, waarbij de woning aan haar wordt toegedeeld en te verstaan dat zij voor ommekomst van deze termijn aan de man kenbaar moet maken dat zij kan financieren en te bepalen dat, zo zij niet kan financieren, de woning door partijen gezamenlijk te koop zal worden aangeboden via bemiddeling van [naam] , verbonden aan [naam makelaar] te [plaatsnaam] , en zo zij dit kan financieren, de man op eerste verzoek dient mee te werken aan toedeling/levering van de onverdeelde helft van de woning aan de vrouw, dit tegen betaling van de helft van de overwaarde, dan wel de door de rechtbank vast te stellen overbedelingsvordering aan de man, ter gelegenheid van notariële overdracht, en te verstaan dat partijen ieder de helft van de kosten van de instrumenterende notaris dragen;

V. te bepalen dat indien en voor zover de woning aan één van de echtgenoten wordt toegedeeld en geleverd, deze echtgenoot gehouden is om wanneer hij/zij de woning aan een derde wil verkopen, deze eerst aan de andere echtgenoot aan te bieden tegen de onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur en gebruik, te bepalen door makelaar mw. [naam] te [plaatsnaam] . Deze aanbiedingsplicht is van kracht gedurende drie jaren te rekenen na datum toedeling en (notariële) levering aan de desbetreffende echtgenoot van de voormalige echtelijke woning, een en ander op straffe van verbeurte van een niet voor rechterlijke matiging vatbare boete van € 100.000;

VI. terzake de inboedel te verklaren voor recht dat de vrouw eigenaar is van roerende zaken genoemd in productie 4 onder het kopje ‘persoonlijke spullen [voornaam vrouw] ’ tot en met de items genoemd onder ‘schuur’ en voor het overige te verklaren voor recht dat de verdeling van de inboedel heeft plaatsgevonden en terzake overeenstemming tussen partijen bestaat, waarbij aan de vrouw wordt toegedeeld en de man wordt veroordeeld om aan haar af te geven:

 de hangtafellamp;

 grote kledingkasten slaapkamer;

 schilderij Cambodja;

 batik Indonesië;

 de wasmachine en droger;

 de eettafel en stoelen;

zoals vermeld in productie 4, zulks met gesloten beurzen en de man te veroordelen om aan de vrouw af te geven een Suex onderwaterscooter, een en ander binnen veertien dagen na het geven van de beschikking;

VII. de man te veroordelen aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 50 terzake de creditcard schuld en te verstaan dat de vrouw deze schuld als eigen schuld draagt;

VIII. de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 1.000,22;

IX. de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van (50%) van

€ 830,50 per maand, totdat notariële levering van de echtelijke woning aan één van partijen heeft plaatsgevonden;

X. de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen 50% van € 996,47 =

€ 498,23, alsook de helft van € 508,61, alsook de helft van de woon-/inboedelverzekering, uitgaande van een maandtermijn van € 7,62, ingaande maart 2025 tot aan de dag waarop levering van de woning aan een van partijen heeft plaatsgevonden;

XI. aan de vrouw toe te delen de rechten en verplichtingen behorend bij de door haar geëxploiteerde eenmanszaak [naam eenmanszaak 1] tegen betaling aan de man van de helft van de waarde van € 28.566;

XII. te bepalen dat met de betalingsverplichting van de door de vrouw verschuldigde IB/premieheffing ZVW 2024, voor zover deze betrekking heeft op de periode tot de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten € 27.728, in het kader van de verdeling en verrekening rekening dient te worden gehouden, dan wel de man te veroordelen om aan de vrouw de helft van voormeld bedrag te betalen per de datum van de door de rechtbank te geven beschikking;

XIII. partijen te veroordelen om over te gaan tot pensioenverevening conform de standaard methode als bedoeld in de wet, dit betrekkelijk de ten tijde van het huwelijk over en weer opgebouwde ouderdomspensioen;

XIV. de door de man gehouden bankrekeningen (en saldi) toe te delen aan de man en de door de vrouw gehouden bankrekeningen (en saldi) toe te delen aan de vrouw, onder de verplichting om de saldi per peildatum met elkander te verrekenen, en te verstaan dat dit niet betrekking heeft op de zakelijke bankrekeningen van partijen/de vrouw;

en de man te gelasten om in het geding te brengen:

 afschriften van de bankrekening [rekeningnummer 8] per peildatum, in het bijzonder rekeningafschriften waaronder die van 22 augustus 2024 (zonder zwartregel), opdat duidelijk is naar welke rekening is getransfereerd;

 afschriften van de beleggersrekening van de man onder nummer [rekeningnummer 9] over geheel 2024 tot en met de peildatum;

 afschriften van de bankrekeningen [rekeningnummer 13] , [rekeningnummer 14] , [rekeningnummer 15] en [rekeningnummer 16] , over april 2024 tot en met de peildatum;

 de jaaropgaven van de diverse banken over 2022, 2023 en 2024;

 de aangifte IB 2024;

XV. de man te gelasten om in het geding te brengen het mutatieverloop van eventuele effectenrekeningen over een periode van één jaar voor de peildatum tot en met de peildatum;

XVI. voor het geval de woning aan de man wordt toegedeeld: te bepalen dat de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de daarbij behorende inboedel primair gedurende zes maanden na de notariële overdracht van de woning aan de man, subsidiair zes maanden na inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand;

XVII. de kosten te compenseren, zodat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Echtscheiding

4.1.

Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan, spreekt de rechtbank de echtscheiding uit.

De verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen

4.2.

Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn na 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat voor hen de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt.

4.3.

Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 11 september 2024 ontbonden. 1 Tot de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen behoren alle goederen die al vóór het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor genoemde datum van ontbinding hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfenissen en giften, maar ook pensioenrechten die al op basis van de wet moeten worden verevend. 2 Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren vóór het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor voornoemde datum van ontbinding zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren. 3

4.4.

De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling, tenzij uit een overeenkomst tussen partijen of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken.

4.5.

Partijen zijn het erover eens dat de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:

  1. de woning aan [adres] ;

  2. de hypothecaire geldlening bij ABN AMRO/Florius met lening nummers [nummer 1] en [nummer 2] ;

  3. de inboedel van de hiervoor genoemde woning;

  4. e navolgende bankrekeningen op naam van de man:

o [rekeningnummer 1] ;

o [rekeningnummer 2] ;

o [rekeningnummer 3] ;

o [rekeningnummer 4] ;

o [rekeningnummer 5] ;

o [rekeningnummer 6] ;

o [rekeningnummer 7] ;

o [rekeningnummer 8] ;

o [rekeningnummer 9] ;

de navolgende bankrekeningen op naam van de vrouw:

o [rekeningnummer 10] ;

o [rekeningnummer 11] ;

o [rekeningnummer 12] ;

de (activa en passiva van de) eenmanszaak [naam eenmanszaak 1] ;

diverse schulden:

 de creditcardschulden;

 de schuld aan de moeder van de vrouw;

 de aanslagen inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zwv 2024;

 de studieschulden.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de (activa en passiva van de) eenmanszaak [naam eenmanszaak 2] en de aandelen in [naam bv] niet tot de gemeenschap behoren. Deze ondernemingen zijn opgericht voor het huwelijk en behoren tot het privévermogen van de man.

4.7.

Tussen partijen is wel in geschil of de volgende goederen en schulden aanwezig waren op de peildatum en/of tot de gemeenschap behoren:

  • de onderwaterscooters van het merk Suex;

  • de navolgende bankrekeningen op naam van de man:

o [rekeningnummer 13] ;

o [rekeningnummer 14] ;

o [rekeningnummer 15] ;

o [rekeningnummer 16] ;

- Eventuele effectenrekeningen (aandelen) op naam van de man.

a en b) de woning en de hypothecaire geldlening bij ABN AMRO / Florius

4.8.

Partijen hebben over en weer verzocht om toedeling van de woning aan de één of de ander. De rechtbank zal daarom moeten beoordelen wie van partijen een groter belang heeft bij toedeling van de woning en als eerste mag proberen de woning over te nemen. Partijen hebben hierover ieder voor zich belangen en argumenten aangedragen. De rechtbank zal de verschillende belangen en argumenten hierna stuk voor stuk bespreken en beoordelen.

- Financiële mogelijkheden

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat zowel de man als de vrouw voldoende hebben gesteld en met stukken hebben onderbouwd dat zij in staat zijn om de woning over te nemen en de overbedelingsvergoeding, bestaande uit de helft van de overwaarde, aan de ander te voldoen. Voor zover er aan de zijde van de vrouw onzekerheid zou bestaan over de vraag of zij als zelfstandig ondernemer de woning en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening zou kunnen overnemen, zoals de man heeft aangevoerd, overweegt de rechtbank dat deze situatie niet langer aan de orde is omdat de vrouw per 1 april 2025 in loondienst is gaan werken. De rechtbank gaat bij de afweging van de belangen van partijen uit van de situatie op het moment van de feitelijke verdeling, en is daarom van oordeel dat nu zowel de man als de vrouw kennelijk in staat zijn de woning over te nemen, hieruit niet een doorslaggevend belang voor toedeling van de woning aan de één of de ander volgt.

- Gedragingen van partijen

4.10.

Het is de rechtbank gebleken dat partijen een verschillende visie hebben op de reden dat de man uit de echtelijke woning is vertrokken en elkaar over en verwijten maken over elkaars gedrag over de afgelopen periode. De vrouw geeft aan dat de man vrijwillig uit de echtelijke woning is vertrokken, maar vervolgens te pas en te onpas nog langs kwam, zonder overleg met de vrouw spullen uit de woning heeft meegenomen en probeerde om de vrouw te controleren via de camera’s die rond de woning waren geplaatst. Andersom heeft de man het gevoel door de vrouw te zijn weggepest uit de woning, waarbij de vrouw veelvuldig verbaal agressief was naar de man en de man er plots mee geconfronteerd werd dat de vrouw de sloten van de woning had vervangen. Uit de verhalen van partijen kan de rechtbank slechts concluderen dat sprake is (geweest) van oplopende emoties tussen partijen en dat zij zich over en weer gekwetst voelen door de ander. Echter, nu partijen elkaars verhalen over en weer betwisten en deze procedure niet bedoeld is om vast te stellen wat er feitelijk wel of niet is gebeurd, zal de rechtbank de door partijen gestelde omstandigheden niet meewegen in de belangenafweging over de toedeling van de woning. Om diezelfde reden laat de rechtbank de stelling van de vrouw dat de man zou hebben toegezegd dat zij de woning over mocht nemen, buiten beschouwing. Niet is komen vast te staan dat partijen hierover een bindende afspraak hebben gemaakt.

- Vertrek van de man uit de woning en de woonlasten

4.11.

Anders dan de vrouw zal de rechtbank bij de belangenafweging over de toedeling van de woning niet meewegen wie de afgelopen periode in de woning is blijven wonen of wie de afgelopen periode de eigenaars- en gebruikerslasten heeft gedragen. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht dat hij zich vanwege de oplopende spanningen tussen partijen genoodzaakt voelde om uit de woning te vertrekken en dat hij vervolgens lange tijd in afwachting was van onderhandelingen, waardoor het niet (eerder) lukte om afspraken te maken over de verdeling van de woonlasten of verzoeken over een voorlopige voorziening over het uitsluitend gebruik van de woning in te dienen. Bovendien is gebleken dat partijen tot 1 oktober 2024 de woonlasten gezamenlijk hebben gedragen en liggen in deze procedure verzoeken over de betaling van de woonlasten voor over de periode daarna. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom de vrouw dan een groter belang zou hebben bij toedeling van de woning dan de man. Ook de beslissing in de voorlopige voorzieningenprocedure maakt dit niet anders.

- Alternatieve woonruimte

4.12.

Zowel de man als de vrouw stellen dat zij niet beschikken over een alternatieve woonruimte. Dat de man bij zijn nieuwe vriendin zou zijn ingetrokken, is door de man gemotiveerd weersproken en dat de vrouw bij haar nieuwe partner zou kunnen verblijven, is ook niet komen vast te staan. De rechtbank ziet op basis hiervan dus ook niet dat één van partijen een groter belang dan de ander zou hebben bij toedeling van de woning.

- Medische problematiek van de man

4.13.

De man heeft aangevoerd dat hij vanwege zijn medische problemen een groter belang heeft bij toedeling van de woning dan de vrouw. De rechtbank volgt dit echter niet. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat de man behoefte heeft aan rust en het vermijden van stress, is niet gebleken dat de man kampt met dusdanige medische klachten dat hij niet in staat zou zijn om te kunnen verhuizen naar een andere woning. Dat sprake is van een verhoogde gevoeligheid voor hartritmestoornissen tijdens fysieke inspanning is hiervoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende.

- Ligging van de woning en omgeving

4.14.

De man heeft aangevoerd dat partijen destijds voor deze specifieke woning hebben gekozen zodat de man zijn ondernemingsactiviteiten, al dan niet hobbymatig, in de woning zou kunnen exploiteren. De man is, naast zijn baan in loondienst, werkzaam als duikinstructeur en heeft ook een administratiekantoor. De woning biedt de ruimte om (duik)theorielessen aan huis te geven en (duik)spullen op te slaan. Daarnaast maakt de man gebruik van het zwembad en duikplassen in de buurt van de woning om duiklessen te kunnen geven, en ook zelf zijn duikhobby te kunnen uitoefenen. De man heeft verder nog aangevoerd dat hij voor het behoud en de werving van (nieuwe) klanten afhankelijk is van zijn naamsbekendheid en het moeilijker zal zijn om klanten te werven wanneer hij zijn ondernemingsactiviteiten vanaf een andere locatie zou moeten exploiteren.

4.15.

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de man twee ondernemingen heeft: de eenmanszaak [naam eenmanszaak 2] , opgericht op 4 oktober 2005 en de besloten vennootschap [naam bv] , opgericht op 4 juni 2008. De ondernemingen bestonden al voor de aankoop en levering van de woning aan partijen in 2020. De man heeft jaarcijfers overgelegd van zijn ondernemingen waaruit blijkt dat de omzet van zijn eenmanszaak in 2020 € 5.912 was en in 2023, het laatste jaar waarin partijen nog met elkaar samenleefden, € 11.376. Hieruit blijkt dat er, anders dan de vrouw heeft gesteld, wel degelijk ondernemingsactiviteiten werden verricht door de man en dat daarin ook groei zat. De rechtbank vindt gelet hierop voldoende aannemelijk dat de hobby van de man en zijn (al dan niet hobbymatige) ondernemings-activiteiten een rol hebben gespeeld bij de keuze en aankoop van de woning. Dat de man (nog) geen winst maakte met zijn ondernemingsactiviteiten, maakt dit oordeel niet anders. De woning biedt de faciliteiten om deze ondernemingsactiviteiten in de toekomst, al dan niet hobbymatig, te kunnen blijven exploiteren.

4.16.

Van een dergelijk belang aan de zijde van de vrouw is de rechtbank niet gebleken. De vrouw werkte tot voor kort namelijk als zzp’er in de zorg. Zij was voor haar onderneming niet afhankelijk van de woning, omdat de vrouw haar werkzaamheden verrichte bij zorginstellingen. Inmiddels werkt zij in loondienst. Dat de vrouw rust ervaart vanwege de ligging van de woning weegt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende op tegen voornoemd belang van de man. Daarnaast ziet de rechtbank gelet op de aanzienlijke reisafstand tussen de woning in [plaatsnaam] en het werk van de vrouw in [plaatsnaam 2] niet dat de vrouw daarmee een (groter) belang zou hebben bij toedeling van de woning. Dat de vrouw mogelijk in de toekomst op een andere locatie gaat werken en dan gebaat is bij de centrale ligging van de woning in [plaatsnaam] is door de vrouw niet nader onderbouwd of concreet gemaakt. De omstandigheid dat de vrouw pas sinds 1 april 2025 in loondienst is gaan werken, maakt dat de rechtbank een wisseling in het dienstverband van de vrouw op korte termijn niet aannemelijk voorkomt.

- Conclusie

4.17.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man een groter belang dan de vrouw heeft bij toedeling van de woning. De rechtbank zal daarom beslissen dat de man eerst mag onderzoeken of hij de woning over kan nemen. Op het moment dat de man de woning niet kan overnemen, mag de vrouw proberen of zij de woning over kan nemen. De rechtbank zal de wijze van verdeling van de woning via een zogenoemd ‘spoorboekje’ gelasten en een beslissing nemen over de geschilpunten tussen partijen over de te nemen stappen.

Spoorboekje voor wijze van verdeling van de woning en voortgezet gebruik

4.18.

Omdat partijen het niet eens zijn over de waarde van de woning, dient de woning allereerst te worden getaxeerd. De marktwaarde is daarbij leidend. Tijdens de zitting zijn partijen overeengekomen dat de vrouw drie makelaars aan de man voorstelt, waarna de man er één kiest. De rechtbank zal bepalen dat de vrouw binnen een week na de datum van deze beschikking een voorstel aan de man moet doen en dat de man vervolgens binnen een week daarna zijn keuze aan de vrouw kenbaar maakt. Partijen zullen vervolgens gezamenlijk opdracht aan de makelaar geven om de woning te taxeren. De rechtbank zal bepalen dat dit binnen een week moet zijn gebeurd, gerekend vanaf het moment dat de man zijn keuze aan de vrouw heeft kenbaar gemaakt. Partijen hebben er tijdens de zitting mee ingestemd dat de taxateur de waarde van de woning bindend mag vaststellen en zijn het erover eens dat de zonnepanelen die zich op de woning bevinden bij de waardering betrokken dienen te worden. De kosten van de taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld. Om de voortgang van het verdelingsproces te waarborgen, acht de rechtbank het van belang om in het spoorboekje op te nemen dat de taxatie binnen vier weken dient plaats te vinden, gerekend vanaf het moment dat partijen de opdracht hebben gegeven aan de taxateur.

4.19.

De man zal binnen twee maanden na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw moeten laten weten of hij in staat is de woning tegen de getaxeerde waarde over te nemen, onder vergoeding van de helft van de overwaarde (de getaxeerde waarde van de woning minus de stand van de hypothecaire geldlening op de datum van notariële levering) aan de vrouw, en waarbij de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. De rechtbank overweegt hierbij dat de man tijdens de zitting heeft aangegeven dat voornoemde termijn van twee maanden voor hem voldoende is.

4.20.

Omdat de man het eerst de gelegenheid krijgt om te onderzoeken of hij de woning over kan nemen, maar de vrouw op dit moment feitelijk in de woning verblijft, vindt de rechtbank het redelijk dat de vrouw recht heeft op het voortgezet gebruik van de woning zolang niet duidelijk is of een van partijen in staat is om de woning over te nemen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw, in het geval de man de woning kan overnemen, gedurende drie maanden na de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand in de woning mag blijven wonen. De stelling van de man dat al eerder van de vrouw kan worden gevergd om uit de woning te vertrekken omdat zij al langere tijd de gelegenheid heeft gehad zich te oriënteren op een andere woning, volgt de rechtbank niet. De vrouw heeft immers ook verzocht om toedeling van de woning. De rechtbank vindt dat in deze omstandigheden niet aan de vrouw kan worden tegengeworpen dat zij al eerder op zoek had moeten gaan naar een alternatieve woonruimte. De rechtbank weegt ook mee dat niet is gebleken dat de man in een nijpende situatie terecht komt wanneer de vrouw nog enkele maanden in de woning verblijft. De rechtbank is van oordeel dat redelijkerwijs van de man kan worden verwacht dat hij een alternatieve verblijfplaats zoekt ter overbrugging van de periode tot het moment dat de woning aan hem kan worden geleverd.

4.21.

Indien de man in de gelegenheid is de woning over te nemen, dient de levering plaats te vinden uiterlijk binnen één week na afloop van de termijn van drie maanden van het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw. Beide partijen zijn verplicht hier hun medewerking aan te verlenen.

4.22.

Indien na afloop van voornoemde termijn van drie maanden de man niet in staat blijkt om de woning over te nemen, krijgt vervolgens de vrouw twee maanden de gelegenheid om te onderzoeken of zij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen onder vergoeding van de helft van de overwaarde (de getaxeerde waarde van de woning minus de stand van de hypothecaire geldlening op de datum van notariële levering) aan de man en waarbij de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. In dat geval vindt de rechtbank het redelijk dat de vrouw ook gedurende deze periode (nog) recht heeft op het voortgezet gebruik van de woning, tot uiterlijk zes maanden na de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Indien de vrouw in de gelegenheid is de woning over te nemen, dient de levering plaats te vinden uiterlijk binnen één week na afloop van de termijn van zes maanden van het voortgezet gebruik van de vrouw. Beide partijen zijn verplicht hier hun medewerking aan te verlenen.

4.23.

Indien na afloop van voornoemde termijnen beide partijen niet in staat zijn om de woning over te nemen, dient deze te worden verkocht door de makelaar die ook de taxatie heeft verricht.

4.24.

Anders dan de man ziet de rechtbank geen reden om een dwangsom te verbinden aan de medewerking van de vrouw aan de verdeling van de woning. In het door de rechtbank opgenomen spoorboekje ligt besloten dat ieder van partijen zijn/haar medewerking dient te verlenen aan de verdeling van de woning. De vrouw heeft hier tijdens de zitting mee ingestemd. Het is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden waaruit zou volgen dat de vrouw desondanks niet zal willen meewerken. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de man op dit punt af.

4.25.

De man heeft verzocht te bepalen dat, in geval van een latere toedeling van de woning aan de vrouw dan twee maanden na de datum van deze beschikking, eerst een nieuwe taxatie van de woning zal moeten plaatsvinden. In het door de rechtbank opgestelde spoorboekje over de verdeling van de woning worden echter duidelijke termijnen gehanteerd. De rechtbank overweegt dat hiermee wordt voorkomen dat de verdeling van de woning dermate veel tijd in beslag zou nemen dat de woning op enig moment opnieuw zou moeten worden getaxeerd. Bovendien acht de rechtbank het niet redelijk om de woning opnieuw te taxeren in de situatie dat de man, zoals hij heeft verzocht, eerst in de gelegenheid wordt gesteld om de woning over te nemen en de vrouw pas daarna en daarop dus moet wachten. De rechtbank wijst daarom (ook) dit verzoek van de man af.

Aanbiedingsverplichting

4.26.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat, indien de partij aan wie de woning wordt toegedeeld de woning vervolgens binnen drie jaar wil verkopen, die partij verplicht is om de woning eerst aan te bieden aan de ander. De rechtbank overweegt dat een dergelijke aanbiedingsverplichting redelijk kan zijn in de situatie waarin partijen overeenstemming bereiken over de overname van de woning door één van partijen tegen een door partijen in onderling overleg bepaalde waarde zonder dat een taxatie is verricht of een waarde die lager is dan de taxatiewaarde. In die situatie is namelijk niet onderzocht wat de werkelijke (markt)waarde van de woning is of wijken partijen af van die waarde. Met een aanbiedingsplicht kan dan worden voorkomen dat de overnemende partij, zonder dat de andere partij daarin mee kan delen, winst behaalt door de woning tegen de (hogere) marktwaarde te verkopen aan een derde. Dat is hier echter niet aan de orde, omdat de woning opnieuw zal worden getaxeerd. De rechtbank ziet daarom geen reden waarom in geval van latere verkoop van de echtelijke woning, de woning eerst aan de andere partij dient te worden aangeboden waarmee die partij een voordeligere positie verkrijgt ten opzichte van potentiële derde kopers. Daar komt nog bij dat de rechtbank slechts bevoegd is om een beslissing te nemen over de verdeling van de woning in het kader van de echtscheiding. De beslissing over wat er in de toekomst, na de verdeling van die woning wel of niet met de woning gebeurt, valt buiten het beslissingsbereik van de rechtbank. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw op dit punt afwijzen.

c) de inboedelgoederen

4.27.

Partijen hebben tijdens de zitting overeenstemming bereikt over de verdeling van de inboedel. De rechtbank zal deze afspraken van partijen opnemen in de beschikking.

Deze afspraken houden in dat:

I. aan de vrouw worden toegedeeld, zonder nadere verrekening:

o de inboedelgoederen die staan genoemd in productie 4 van de vrouw, vanaf ‘Logeerkamer’ tot en met ‘Schuur’, met uitzondering van de gordijnen, deze zullen worden toegedeeld aan degene die de woning zal overnemen;

o de rest van het keukengerei (dat op dit moment nog in de woning aanwezig is);

o grasmaaier;

o heggeschaar;

o vriezer schuur;

o resterende kampeerstoel;

o salontafel;

o kleed;

o de Dyson stofzuiger (het exemplaar dat op dit moment in de woning aanwezig is);

o homepod;

o Apple TV (het exemplaar dat op dit moment nog in de woning aanwezig is);

o hoge druk reiniger;

o kledingkasten;

o Batik Indonesië;

o Cambodja schilderij;

o één rieten lamp;

o één sfeerlamp flikkerende kaars lamp;

o de (resterende) helft van de wijnglazen en bierglazen dat op dit moment in de woning aanwezig is;

o één statafel met krukken;

o één verwarmingsdeken;

o wasmachine;

o prullenbak keuken;

o droger;

o de helft van de plantenpotten (binnen- en buiten);

o de helft van de binnenplanten;

o de katten en de katten toebehoren;

II. aan de man worden toegedeeld, onder de verplichting om een bedrag van € 1.500 aan de vrouw te betalen op het moment van notariële levering van de woning:

o de eettafel;

o de eettafelstoelen;

o de hanglamp boven de eettafel;

III. aan de man worden toegedeeld, zonder nadere verrekening:

o alle Fibaro inbouw schakelaars en dimmers (homey);

o schakelkast garage (slimme schakelaars);

o 8mm filmprojector, taperecorder en prisma voor 8mm films Sony VCR-4 (zolder);

o Ring Pro deurbel (tuindeur);

o lattenbodems 2 x 80 x 200 cm bed;

o Anne’s wood lamp hoek woonkamer;

o bijzettafeltje Gamma (kantoor);

o al het Makita gereedschap (in ieder geval: accuzaag, accuboormachine, klopboor, schuurmachines);

o Makita acculader dubbel;

o alle Makita accu’s;

o Makita waterkoker op accu;

o Makita radiolamp;

o al het andere gereedschap en gereedschapskisten (inclusief zagen, hamers en klein gereedschap);

o Bosch elektrische schroevendraaier;

o Bosch (klop)boor;

o dremel;

o Black & Decker accu en adapter;

o kampeerstoel;

o bureau met toebehoren;

o bureaustoel;

o de Dyson stofzuiger (het exemplaar dat door de man al is meegenomen uit de echtelijke woning);

o twee keer accessoire set Dyson stofzuiger;

o speakers (2x libratone);

o Apple TV (het exemplaar dat door de man al is meegenomen uit de echtelijke woning);

o Blaupunkt robotstofzuiger;

o kampeertafel;

o kampeerspullen inclusief servies en bakjes;

o opbergmateriaal, plastic bakken, wandbakken, etc.;

o strijkplank en strijkbout (= ook stoomset);

o Homey;

o Google Home (2x);

o lichtstrip keuken onder keukenkasten;

o airfryer;

o wafelijzer en toebehoren;

o apparaat voor tapijtreiniging;

o accessoires hoge druk reiniger;

o bank (in combinatie met stoel Gamma kantoor);

o één rieten lamp;

o één sfeerlamp flikkerende kaars lamp;

o de helft van de wijnglazen en bierglazen;

o één statafel met krukken;

o één verwarmingsdeken;

o Metabo zaag;

o balansventilatie;

o werkbank;

o staafmixer;

o diverse keukengerei (hetgeen de man al heeft meegenomen uit de echtelijke woning);

o Ring camera’s en deurbellen (de exemplaren die al door de man zijn meegenomen uit de echtelijke woning);

o ophangbuis garage;

o digitale wandthermometers voor smart home besturing;

o schakelaars voor grote kasten voor kastlamp;

o kluis;

o bed;

o kledingkasten logeerkamer;

o lamp Anne’s Wood;

o bijzettafel;

o tuinset;

o parasol;

o loungeset voortuin;

o Karcher stoomreiniger;

o kapstok;

o schoenenrek;

o Skottelbraai;

o sterrenkijker;

o de helft van de plantenpotten (binnen- en buiten);

o de helft van de binnenplanten;

IV. de sleutels gangkast en meterkast en de afstandsbediening garage worden toegedeeld aan degene aan wie de woning zal worden toegedeeld.

Partijen zijn het er ook over eens de inboedelgoederen die schuingedrukt staan genoemd in productie 36 van de vrouw, privé-eigendommen van de een of de ander zijn en dus niet hoeven te worden verdeeld. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

d) de saldi van de bankrekeningen op naam van de man

4.28.

Partijen zijn het erover eens dat de bankrekeningen op naam van de man zullen worden toegedeeld aan de man. De saldi van de diverse bankrekeningen zullen moeten worden verdeeld als hierna is vermeld. De rechtbank hanteert hierbij als uitgangspunt dat de banksaldi aan het begin van het huwelijk tot het privévermogen van de man behoren en alleen de eventuele vermogensopbouw tot aan de peildatum bij helfte gedeeld hoeft te worden met de vrouw.

[rekeningnummer 1]

4.29.

De rechtbank constateert dat uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid wat het saldo van deze bankrekening aan het begin van het huwelijk bedroeg. Er zijn namelijk enkel afschriften overgelegd van 22 februari 2022, terwijl partijen gehuwd zijn op [huwelijksdatum] . Wel is af te leiden dat het saldo op de peildatum € 198,89 bedroeg. De man dient daarom een bankafschrift over te leggen aan de vrouw waaruit blijkt wat het saldo op de huwelijksdatum [huwelijksdatum] ) bedroeg. Voor zover sprake is van een toename van het banksaldo, dient de man de helft hiervan te vergoeden aan de vrouw.

[rekeningnummer 2]

4.30.

Uit de overgelegde bankafschriften kan worden afgeleid dat het saldo van deze bankrekening aan het begin van het huwelijk € 18,53 bedroeg, en op de peildatum € 414,55. Er is dus sprake van een toename van het banksaldo. De man dient de helft hiervan (€ 198) te vergoeden aan de vrouw.

[rekeningnummer 3]

4.31.

Uit de overgelegde bankafschriften kan worden afgeleid dat het saldo van deze bankrekening aan het begin van het huwelijk en op de peildatum € 0 bedroeg. Omdat er geen sprake is van een toename of afname van het saldo hoeft het saldo van deze rekening niet verdeeld te worden.

[rekeningnummer 4]

4.32.

Uit de overgelegde bankafschriften kan worden afgeleid dat het saldo van deze bankrekening aan het begin van het huwelijk PLN 0 bedroeg en op de peildatum PLN 85,96. Er is dus sprake van een toename van het banksaldo. De man dient de helft hiervan (PLN 42,98) te vergoeden aan de vrouw.

[rekeningnummer 5]

4.33.

Uit de overgelegde bankafschriften kan worden afgeleid dat het saldo van deze bankrekening aan het begin van het huwelijk US$ 0 bedroeg en op de peildatum US$ 56,35. Er is dus sprake van een toename van het banksaldo. De man dient de helft hiervan (US$ 28,18) te vergoeden aan de vrouw.

[rekeningnummer 6]

4.34.

Uit de overgelegde bankafschriften kan worden afgeleid dat het saldo op de huwelijksdatum € 282,63 bedroeg. Op de peildatum stond er € 1.228,77 op deze rekening. Het saldo op deze bankrekening is dan in totaal toegenomen met € 946,14. De man dient de helft hiervan (€ 473,07) te vergoeden aan de vrouw.

4.35.

De vrouw heeft echter aangevoerd dat bij de verdeling van het saldo op deze bankrekening rekening dient te worden gehouden met de overeenkomst van geldlening tussen partijen en de moeder van de vrouw van € 20.000. Deze lening is vlak voor het huwelijk (op 1 december 2020) aangegaan, maar feitelijk is de geldsom van deze lening al op 20 oktober 2020 overgeboekt naar partijen. Volgens de vrouw is een gedeelte van die lening, ter hoogte van € 15.277, overgeboekt naar de betaalrekening van de man met rekeningnummer [rekeningnummer 6] . Omdat dit bedrag onderdeel uitmaakt van het saldo van de bankrekening op de huwelijksdatum, dient volgens de vrouw ook de schuld aan de moeder van de vrouw betrokken te worden, wat betekent dat bij het berekenen van verschil in saldi, het saldo op de huwelijksdatum verminderd dient te worden met € 15.277. De man heeft dit betwist. Volgens hem is het geld dat afkomstig is uit de lening van de moeder van de vrouw vóór het huwelijk al volledig besteed aan de aankoop van de echtelijke woning, het plaatsen van zonnepanelen en de aanschaf van een cv-ketel. Daarvoor was de lening ook bedoeld. Omdat partijen ieder partij zijn bij de overeenkomst van geldlening met de moeder van de vrouw, en het geld is besteed aan de woning van partijen, is er volgens de man geen reden om het banksaldo van de man op de huwelijksdatum te corrigeren.

4.36.

De rechtbank overweegt dat de stellingen van de vrouw gemotiveerd zijn betwist door de man. Bij gebreke aan een nadere onderbouwing van de vrouw, volgt de rechtbank de stelling van de man dat de genoemde € 15.277 voor het huwelijk al geheel is besteed aan/geïnvesteerd in de woning. Uit de overgelegde stukken blijkt namelijk dat de lening is aangegaan voor het financieren van de aankoop, verbouwing en verbetering van de woning en dat het bedrag van € 15.277 al op 12 november 2020 is overgeboekt naar de betaalrekening van de man. Op de huwelijksdatum resteert/is aanwezig een saldo van
€ 282,63. Hieruit blijkt niet dat het bedrag van € 15.277 nog onderdeel uitmaakte van het saldo van de bankrekening op de huwelijksdatum. De rechtbank ziet daarom geen reden om het banksaldo op de huwelijksdatum te corrigeren.

[rekeningnummer 7]

4.37.

Uit de overgelegde bankafschriften kan worden afgeleid dat het saldo van deze bankrekening aan het begin van het huwelijk € 0 bedroeg, en op de peildatum € 5.000. Er is dus sprake van een toename van het banksaldo. De man dient de helft hiervan (€ 2.500) te vergoeden aan de vrouw.

[rekeningnummer 8]

4.38.

Uit de overgelegde bankafschriften kan niet worden afgeleid wat het saldo van deze bankrekening aan het begin van het huwelijk bedroeg. Er zijn namelijk enkel afschriften overgelegd van 26 februari 2021, terwijl partijen met elkaar zijn gehuwd op [huwelijksdatum] . Ook kan niet worden afgeleid wat het saldo van deze bankrekening op de peildatum (11 september 2024) bedroeg, omdat er enkel afschriften zijn overgelegd van 30 augustus 2024 en 31 oktober 2024. De man dient daarom een bankafschrift over te leggen aan de vrouw waaruit blijkt wat het saldo op de huwelijksdatum ( [huwelijksdatum] ) en op de peildatum (11 september 2024) bedroeg. Voor zover sprake is van een toename van het banksaldo, dient de man de helft hiervan te vergoeden aan de vrouw.

[rekeningnummer 9]

4.39.

Uit de overgelegde bankafschriften kan niet worden afgeleid wat het saldo van deze bankrekening aan het begin van het huwelijk bedroeg. Er zijn namelijk geen afschriften overgelegd van het saldo per de huwelijksdatum. Ook kan niet worden afgeleid wat het saldo van deze bankrekening op de peildatum (11 september 2024) bedroeg, omdat er enkel een afschrift is overgelegd van 31 juli 2024. De man dient daarom een bankafschrift over te leggen aan de vrouw waaruit blijkt wat het saldo op de huwelijksdatum ( [huwelijksdatum] ) en op de peildatum (11 september 2024) bedroeg. Voor zover sprake is van een toename van het banksaldo, dient de man de helft hiervan te vergoeden aan de vrouw.

Inzage bankrekeningen van de man

4.40.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man binnen twee weken na de datum van deze beschikking aan de vrouw inzage dient te verstrekken in:

  • het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 1] op de huwelijksdatum ( [huwelijksdatum] );

  • het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 8] op de huwelijksdatum ( [huwelijksdatum] ) en op de peildatum (11 september 2024);

  • het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 9] op de huwelijksdatum ( [huwelijksdatum] ) en op de peildatum (11 september 2024).

De rechtbank wijst de verzoeken van de vrouw om inzage in de bankafschriften van de man in zoverre toe.

4.41.

De vrouw heeft daarnaast verzocht om inzage in de afschriften van de bankrekening [rekeningnummer 8] per peildatum, meer specifiek per 22 augustus 2024. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat de vrouw niet nader heeft onderbouwd wat het belang is bij inzage in deze bankrekening over een langere termijn nu de man al inzage zal moeten geven in het saldo op de huwelijksdatum ( [huwelijksdatum] ) en de peildatum (11 september 2024). Voor zover de vrouw heeft bedoeld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:164 BW waarbij de man de gemeenschap zou hebben benadeeld, had het op de weg van de vrouw gelegen haar stellingen nader te onderbouwen. Dit heeft de vrouw niet gedaan.

4.42.

Verder heeft de vrouw verzocht om inzage in het verloop van het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 9] in de periode 1 januari 2024 tot aan de peildatum. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken welk belang de vrouw heeft bij inzage in het verloop van deze rekening. De man zal al inzage moeten geven in het saldo op de huwelijksdatum ( [huwelijksdatum] ) en de peildatum (11 september 2024). De enkele omstandigheid dat deze rekening een beleggersrekening betreft, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Voor zover de vrouw heeft bedoeld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:164 BW waarbij de man de gemeenschap zou hebben benadeeld, had het op de weg van de vrouw gelegen haar stellingen nader te onderbouwen. Dit heeft de vrouw niet gedaan.

4.43.

Ook heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd waarom zij belang heeft bij inzage in de jaaropgaven van de diverse bankrekeningen over 2022, 2023 en 2024 en de aangifte inkomstenbelasting over 2024, nu de man door de rechtbank al bevolen zal worden om inzage te verschaffen in de banksaldi van diverse bankrekeningen op de huwelijksdatum en de peildatum. Voor zover de vrouw heeft bedoeld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:164 BW waarbij de man de gemeenschap zou hebben benadeeld, overweegt de rechtbank dat in dat geval slechts het verloop van de rekening tot maximaal een half jaar voor de peildatum relevant is. Omdat uit de jaaropgaves van 2022 en 2023 enkel informatie kan worden afgeleid buiten deze periode, ziet de rechtbank ook hierin niet welk belang de vrouw heeft bij inzage in deze stukken. Hetzelfde geldt voor de jaaropgave van 2024, omdat hierbij enkel inzage wordt verschaft in het saldo op 1 januari 2024 (ver voor de peildatum) en 31 december 2024 (ver na de peildatum).

4.44.

De vrouw heeft tot slot verzocht om inzage in het verloop van het saldo in de periode april 2024 tot aan de peildatum van de volgende bankrekeningen:

  • [rekeningnummer 13] ;

  • [rekeningnummer 14] ;

  • [rekeningnummer 15] ;

  • [rekeningnummer 16] .

Tussen partijen is in geschil of deze bankrekeningen op naam van de man op de peildatum aanwezig waren en/of tot de gemeenschap behoren. De vrouw heeft ter onderbouwing aangevoerd dat uit de aangifte inkomstenbelasting over 2023 blijkt dat de man op dat moment over deze bankrekeningen beschikte. Nu de man het bestaan van deze rekeningen op zichzelf niet heeft betwist, maar stelt dat de rekeningen voor de peildatum zijn opgeheven, is de rechtbank van oordeel dat in redelijkheid van de man gevergd kan worden dat hij inzage verstrekt in de banksaldi van de hiervoor genoemde bankrekeningen in de periode april 2024 tot aan de peildatum. De verzochte periode waarover de vrouw om inzage verzoekt is namelijk gelegen binnen de periode van maximaal een half jaar voor de peildatum als bedoeld in artikel 1:164 BW. Voor zover deze bankrekeningen niet (meer) bestonden op deze data, dient de man dit aan te tonen met onderbouwing van stukken van de desbetreffende bank.

Inzage effectenrekening(en) van de man

4.45.

Tussen partijen is ook in geschil of er effectenrekeningen (aandelen) op naam van de man op de peildatum aanwezig waren en/of tot de gemeenschap behoren. Uit het door de vrouw overgelegde WhatsApp bericht van 14 maart 2024 en de stellingen van partijen ter zitting maakt de rechtbank op dat de man in maart 2024 in het bezit was van aandelen in een tweetal bedrijven ( [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] ). Gelet op de verklaring van de man dat hij deze aandelen na een maand weer zou hebben verkocht en het relatief korte tijdsverloop tot aan de peildatum, vindt de rechtbank het redelijk dat de man inzage verstrekt over het mutatieverloop van eventuele effectenrekeningen. Omdat tussen partijen niet in geschil is dat de man deze aandelen in de periode maart-april 2024 heeft aangekocht/verkocht, en gelet op artikel 1:164 BW, zal de rechtbank bepalen dat de man over een periode van een half jaar voor de aanvang van de echtscheidingsprocedure inzage dient te verschaffen, dus per 11 maart 2024 tot aan de peildatum. Het meer of anders verzochte wijst de rechtbank af.

e) de saldi van de bankrekeningen op naam van de vrouw

4.46.

De bankrekeningen op naam van de vrouw zullen worden toegedeeld aan de vrouw. De saldi van de diverse bankrekeningen zullen moeten worden verdeeld als hierna is vermeld. De rechtbank hanteert hierbij als uitgangspunt dat de banksaldi aan het begin van het huwelijk tot het privévermogen van de vrouw behoren en alleen de eventuele vermogensopbouw tot aan de peildatum bij helfte gedeeld hoeft te worden met de man.

4.47.

Tussen partijen is niet in geschil dat de banksaldi van de vrouw op de huwelijksdatum in totaal (€ 4.127 + € 427,44 =) € 4.554,44 bedroegen en op de peildatum

(€ 81,31 + € 31.500 + € 186 =) € 31.767,31 bedroegen. De banksaldi van de vrouw zijn tijdens het bestaan van de beperkte gemeenschap van goederen dus in totaal met € 27.212,87 toegenomen. De vrouw moet de helft hiervan, te weten € 13.606,44 aan de man vergoeden.

4.48.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de saldi van de zakelijke bankrekening(en) van de eenmanszaak van de vrouw betrokken zullen worden in de verdeling van de (activa en passiva van de) eenmanszaak van de vrouw.

f) de eenmanszaak [naam eenmanszaak 1]

4.49.

Partijen zijn het niet eens over de waarde van de activa en passiva van de eenmanszaak van de vrouw. De vrouw heeft aangevoerd dat de waarde van de onderneming moet worden vastgesteld op basis van intrinsieke waarde en (daarom) gelijk is aan het zichtbare eigen vermogen, dat volgens de overgelegde tussentijdse cijfers per de peildatum
€ 26.626 bedraagt, te vermeerderen met € 1.940 vanwege het onderhanden werk per de peildatum (na aftrek van de fiscale latentie van 50%). De waarde van de onderneming bedraagt daarom volgens de vrouw € 28.566. Volgens de man kan de waarde van de onderneming echter niet worden vastgesteld aan de hand van de tussentijdse cijfers. Hierin wordt de inventaris voor een te laag bedrag meegenomen (boekhoudkundige waarde in plaats van actuele waarde). Verder worden er privé onttrekkingen van in totaal € 127.361 opgevoerd en in mindering gebracht op het zichtbare eigen vermogen. De privé onttrekkingen hebben volgens de man een excessief karakter, staan niet in verhouding tot het uitgavenpatroon van de vrouw/partijen tijdens het huwelijk en de privéonttrekkingen in 2023 en zijn bovendien niet onderbouwd door de vrouw. De man heeft de vrouw al voor de zitting verzocht om de bankafschriften van alle rekeningen van de onderneming in het geding te brengen om de privéopnamen te duiden. Dit heeft de vrouw nagelaten. De man heeft de indruk dat de vrouw tot aan de peildatum bewust vele privéonttrekkingen heeft gedaan om de waarde van de onderneming te drukken. Gelet op het resultaat van de onderneming in 2023 en 2024 (tot de peildatum) van € 74.219 respectievelijk € 85.904 zou de onderneming volgens de man ruim € 130.000 waard moeten zijn. Een alternatieve veelgebruikte waarderingsmethode is de DCF-methode. Dan komt de waarde volgens de man uit op

€ 329.440.

4.50.

De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat het niet passend is om de eenmanszaak te waarderen op basis van de DCF-methode. De vrouw is werkzaam als zzp’er. Zij biedt als zelfstandig ondernemer diensten aan in de zorg, waarbij zij wordt ingehuurd en op urenbasis wordt betaald door verschillende opdrachtgevers. De omzet van de onderneming van de vrouw bestaat dus uit gewerkte uren door de vrouw. Daar komt bij dat de vrouw op 1 april 2025 in loondienst is gegaan en niet langer werkzaam is als zzp’er. De rechtbank zal de onderneming daarom waarderen op basis van intrinsieke waarde.

4.51.

Omdat de rechtbank niet beschikt over andere (financiële) gegevens waaruit de waarde van de activa en passiva van de eenmanszaak kan worden afgeleid, zal de rechtbank de overgelegde tussentijdse cijfers per de peildatum als uitgangspunt nemen en hierna beoordelen of daarop, zoals de man heeft aangevoerd, correcties moeten worden toegepast.

Correctie in verband met afschrijving op inventaris

4.52.

De rechtbank ziet, anders dan de man, geen aanleiding om het zichtbare eigen vermogen te corrigeren met € 2.000 wegens afschrijving op inventaris. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw heeft de man namelijk niet onderbouwd dat de inventaris, bestaande uit een Iphone15, meer waard is dan het in de tussentijdse cijfers opgenomen bedrag van € 1.221.

Correctie in verband met de privéonttrekkingen

4.53.

In lijn met hetgeen de man heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat wel een correctie dient te worden gedaan op het op de peildatum aanwezige zichtbare eigen vermogen. De rechtbank vindt de privé-onttrekkingen van in totaal € 127.134 per de peildatum excessief voorkomen in vergelijking met de tot de per de peildatum gegenereerde winst uit onderneming en de inkomens van partijen in 2023, zoals die blijken uit de aangiften IB 2023. Anders dan de vrouw heeft gesteld, vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat partijen in de periode vanaf 1 januari 2024 tot mei 2024, waarin zij nog met elkaar samenleefden in de woning en de woonlasten deelden, een zodanige levensstandaard hadden dat zij, bovenop het inkomen van de man, meer dan € 15.000 netto per maand nodig hadden voor de kosten van de huishouding c.q. levensonderhoud. Partijen zijn weliswaar in mei 2024 feitelijk gescheiden gaan leven, maar ook vanaf die periode acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de vrouw meer dan € 15.000 netto per maand nodig had voor de kosten van de huishouding c.q. levensonderhoud. Partijen hebben de lasten van de woning namelijk nog gedeeld tot oktober 2024. De rechtbank zal daarom aan de hand van de stellingen van partijen beoordelen welk bedrag aan privéonttrekkingen redelijk kan worden geacht. Voor zover deze onttrekkingen niet kunnen worden verklaard, is de rechtbank van oordeel dat dit deel bij het zichtbare eigen vermogen dient te worden opgeteld, waardoor de waarde van de eenmanszaak vermeerderd.

4.54.

Allereerst is de rechtbank gebleken dat de vrouw in 2024, in de periode tot aan de peildatum, bedragen aan de onderneming heeft moeten onttrekken om belastingschulden te voldoen. De man heeft niet weersproken dat de vrouw over 2023 een aanslag inkomstenbelasting van € 26.576 moest betalen en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw van € 1.399, totaal € 27.975. Ook heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat zij, op advies van haar boekhouder, een bedrag van
€ 31.500 aan de onderneming heeft onttrokken als reservering voor de inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw over 2024. Het bedrag van € 31.500 stond op de peildatum op haar privé bankrekening met nummer [rekeningnummer 10] en wordt bij de verdeling van de banksaldi meegenomen Dit betekent dat de rechtbank geen aanleiding ziet om deze bedragen (€ 27.975 en € 31.500 = € 59.475) te corrigeren.

4.55.

Daarnaast heeft de vrouw ter zitting verklaard dat zij in 2024, in de periode tot aan de peildatum, € 6.800 aan de onderneming heeft onttrokken ter aflossing van haar studieschuld, en dat ook de kosten van de eerdere taxatie van de woning van partijen vanuit de onderneming zijn voldaan. Omdat de man deze onttrekkingen niet heeft weersproken, zal de rechtbank hiermee rekening houden. Omdat de vrouw de taxatiekosten niet met een factuur heeft onderbouwd, schat de rechtbank de taxatiekosten in redelijkheid op € 500. Verder vindt de rechtbank het aannemelijk dat de vrouw in 2024, in de periode tot aan de peildatum € 1.000 verschuldigd was aan het Broodfonds ter dekking van arbeidsongeschiktheid, gelet op de maandelijkse contributie van € 12,50 per maand en de hoogste trede van de door het Broodfonds gehanteerde maandelijkse inleg van € 112,50. 4 Dit betekent dat de rechtbank geen aanleiding ziet om deze bedragen (€ 6.800 + € 500 + € 1.000 = € 8.300) te corrigeren.

4.56.

Tot slot zal de rechtbank in redelijkheid rekening houden met een privé onttrekking van (gemiddeld) € 4.000 per maand voor de kosten van de huishouding c.q. levensonderhoud. Dit past bij de inkomens van partijen, zoals die blijken uit de aangiften IB 2023. Over de periode tot aan de peildatum houdt de rechtbank daarom rekening met een bedrag van in totaal (8 x € 4.000 + ( € 4.000 / 30 x 10) =) € 33.333.

4.57.

Dat de vrouw nog andere gelden aan haar onderneming heeft onttrokken voor, zoals zij op de zitting heeft gesteld, de aanschaf van gemeenschappelijke goederen van partijen (zonnepanelen, matrassen en/of de oven) of de aflossing van gemeenschappelijke schulden van partijen, is door de man betwist en op geen enkele manier nader onderbouwd door de vrouw. De rechtbank gaat daarom aan deze stellingen van de vrouw voorbij. De rechtbank passeert ook het aanbod van de vrouw om nader bewijs te leveren ter onderbouwing van de privé onttrekkingen over 2024. De man heeft de vrouw immers al in zijn verweerschrift van 3 april 2025 verzocht om hier duidelijkheid over te verschaffen, welk verzoek is herhaald in de brief van de man van 9 oktober 2025. De vrouw heeft in aanloop naar de zitting van 20 oktober 2025 al geruime tijd de gelegenheid om met onderbouwing van stukken de privéopnames over 2024 te verklaren. Omdat de vrouw hier geen gebruik van heeft gemaakt en pas op de zitting voor het eerst heeft aangeboden bewijs te leveren, verbindt de rechtbank hier de conclusie aan die zij geraden acht. Het had, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, op haar weg gelegen om dat voor de zitting te doen. De rechtbank zal het verzoek van de man om inzage wegens gebrek aan belang afwijzen.

4.58.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vrouw van de totale privéonttrekkingen van € 127.134 een bedrag van (€ 59.475+ € 8.300 + € 33.333 =)
€ 101.108 heeft kunnen onderbouwen, en een deel van € 26.026 niet. Dit had op grond van het excessieve karakter en de gemotiveerde betwisting door de man wel op haar weg gelegen. Om die reden zal dit bedrag worden gecorrigeerd op het eigen vermogen.

Correctie in verband met onderhanden werk

4.59.

Tussen partijen is niet in geschil dat bij het aanwezige vermogen van de onderneming per de peildatum een bedrag aan nog te factureren omzet moet worden opgeteld over de periode 1 september 2024 tot de peildatum, omdat de vrouw steeds maandelijks achteraf factureerde. De stelling van de vrouw dat het onderhanden werk op de peildatum
€ 1.940 bedroeg, is echter gemotiveerd door de man betwist. Bij gebrek aan een nadere onderbouwing door de vrouw ziet de rechtbank aanleiding om ook op dit punt een correctie toe te passen. Gelet op de verklaring van de vrouw ter zitting dat zij per dag € 679 factureert, en rekening houdend met een gemiddelde werkweek van vijf dagen, gaat de rechtbank er vanuit dat de vrouw op de peildatum van 11 september 2024 acht werkdagen nog niet had gedeclareerd. De rechtbank schat het onderhanden werk op de peildatum daarom op (8 x
€ 679 =) € 5.432. Rekening houdend met het IB tarief van de hoogste schijf van 51% bedraagt het onderhanden werk op de peildatum (€ 5.432 x 0,49 =) € 2.662.

Conclusie

4.60.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het in de tussentijdse cijfers vermelde eigen vermogen op de peildatum corrigeren met een bedrag van (€ 26.026 + € 2.662 =) € 28.688. Daarmee komt het gecorrigeerde eigen vermogen op de peildatum uit op € 55.314 ( € 26.626 + € 28.688). Zoals verzocht zal de rechtbank de activa en de passiva van de eenmanszaak toedelen aan de vrouw. De vrouw zal vervolgens uit hoofde van overbedeling de helft van de waarde, te weten afgerond € 27.657 aan de man moeten vergoeden.

g) diverse schulden

Creditcardschulden

4.61.

Partijen zijn het erover eens dat de man de creditcardschuld van € 467,75 zal dragen, waarna de vrouw de helft hiervan (€ 233,88) aan de man moet vergoeden, en dat de vrouw de creditcardschuld van € 100 zal dragen, waarna de man de helft hiervan (€ 50) aan de vrouw moet vergoeden. De rechtbank zal deze afspraak van partijen opnemen in de beschikking.

Schuld aan de moeder van de vrouw

4.62.

Tussen partijen is niet in geschil dat ieder van hen voor de helft draagplichtig is voor de (resterende) schuld van partijen aan de moeder van de vrouw. Omdat de schuld op de peildatum nog € 5.000 bedroeg, zullen partijen ieder € 2.500 moeten dragen. De rechtbank zal deze afspraak van partijen opnemen in de beschikking.

Aanslagen inkomstenbelasting en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2024

4.63.

De rechtbank is van oordeel dat ieder partijen de helft van het deel van de aanslagen inkomstenbelasting en de helft van het deel van de aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet over de periode tot de peildatum moeten dragen. Gebleken is dat partijen geen voorlopige aanslagen over 2024 hebben ontvangen/betaald. Ook is gebleken dat zij de definitieve aanslagen over 2024 nog niet hebben ontvangen. De rechtbank zal daarom bepalen dat zodra de definitieve aanslagen over 2024 bekend zijn, partijen elkaar inzage moeten verstrekken. De man dient vervolgens de helft van het deel van de aanslag inkomstenbelasting van de vrouw dat ziet op de periode tot de peildatum aan de vrouw te vergoeden, en de vrouw dient de helft van het deel van de aanslag inkomstenbelasting van de man dat ziet op de periode tot de peildatum aan de man te vergoeden. Dit geldt ook voor de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. Voor zover één van partijen een teruggave ontvangt, dient het deel van deze teruggave dat ziet op de periode tot de peildatum bij helfte te worden gedeeld. De rechtbank zal zo beslissen en wijst het meer of anders verzochte af.

Studieschulden

4.64.

Tijdens de zitting zijn partijen overeengekomen dat zij over en weer de helft van de door hen gedane aflossingen op de studieschulden moeten vergoeden. Omdat de studieschuld van de man op de huwelijksdatum € 7.773,21 bedroeg en de schuld van de vrouw € 14.678, moet de vrouw ( € 14.678 / 2 =) € 7.339 aan de man vergoeden en de man ( € 7.773,21 / 2 =) € 3.886,61 aan de vrouw. Per saldo zal de vrouw dan nog € 3.452,40 aan de man vergoeden. De rechtbank zal deze afspraak van partijen opnemen in de beschikking.

h) de onderwaterscooters van het merk Suex

4.65.

De rechtbank vindt dat de man voldoende heeft onderbouwd dat hij de onderwaterscooters van het merk Suex zakelijk, op naam van zijn eenmanszaak [naam eenmanszaak 2] heeft aangeschaft. Op de door de man overgelegde activalijst van 2024 staan twee onderwaterscooters van het merk Suex vermeld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de onderwaterscooters tot het vermogen van de eenmanszaak behoren. Om die reden wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw om toedeling van één van de onderwaterscooters af.

Overige verzoeken

Nadeelcompensatie

4.66.

De man heeft aangevoerd dat partijen een zeer gunstig hypotheekrentecontract hebben afgesloten, met een rentepercentage van 1,47% en een looptijd van 20 jaar (waarvan 5 jaar inmiddels verstreken zijn). De man stelt dat wanneer de woning aan de vrouw zou worden toegedeeld, de vrouw ongerechtvaardigd verrijkt wordt. Zij behoudt dan immers (100% van) de gunstige voorwaarden, terwijl de man (50% van) de gunstige voorwaarden verliest. Hij zal voor de aankoop van een nieuwe woning een nieuwe hypotheek moeten afsluiten tegen de actuele (hogere) marktrente van 3,8%. Ook zal de man overdrachtsbelasting moeten betalen en andere kosten moeten maken voor de aankoop van een nieuwe woning. Volgens de man wordt hij hierdoor met € 31.690 benadeeld. Hij verzoekt te bepalen dat de vrouw dit bedrag aan hem moet vergoeden.

4.67.

De rechtbank stelt voorop dat het verzoek van de man enkel en alleen is ingediend voor de situatie dat de vrouw de woning toegedeeld krijgt. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, zal zij beslissen dat de man eerst in de gelegenheid wordt gesteld om de woning over te nemen. Dat de woning aan de vrouw zal worden toegediend, is dus nog een onzekere toekomstige omstandigheid.

4.68.

De rechtbank is echter van oordeel dat ook in de situatie dat de man de woning niet kan overnemen en de vrouw in staat blijkt de woning over te nemen, onvoldoende kan worden beoordeeld in hoeverre is van een benadeling van de man. Door partijen zijn namelijk geen stukken van de hypotheekverstrekker overgelegd waaruit de rechtbank zou kunnen afleiden in hoeverre degene aan wie de woning wordt toegedeeld de mogelijkheid heeft, dan wel op enige manier verplicht is het rentecontract geheel of gedeeltelijk over te nemen of dat beide partijen ‘het eigen deel’ van het rentecontract mee zouden kunnen nemen (door splitsing) bij de financiering van de huidige en een andere woning. Nu partijen de stellingen over het wel of niet (gedeeltelijk) kunnen of mogen overnemen van het gunstige rentecontract over en weer betwisten, kan de rechtbank bij gebrek aan nadere onderbouwing niet vaststellen dat bij toedeling van de woning aan de vrouw sprake zou zijn van ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw of dat sprake is van strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man op dit punt afwijzen.

4.69.

Dat de man bij toedeling van de woning aan de vrouw kosten zal moeten maken voor de aanschaf van een nieuwe woning, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te spreken van ongerechtvaardigde verrijking. Dit volgt ook niet uit de jurisprudentie waar de man naar verwijst. Dat sprake is van strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid is door de man niet nader onderbouwd. De rechtbank wijst om die reden ook dat onderdeel van het verzoek van de man af.

Gebruiksvergoeding

4.70.

De rechtbank vindt dat de man recht heeft op een gebruiksvergoeding over de periode vanaf de peildatum tot het moment van de notariële levering van de woning aan een van partijen of een derde, omdat de man niet in de woning verblijft. Dat een dergelijke vergoeding in strijd zou zijn met de eisen van redelijkheid en billijkheid omdat de vrouw alle woonlasten draagt, volgt de rechtbank niet. Partijen hebben immers over en weer verzoeken gedaan over de vergoeding door de ander van de door hen gedragen lasten van de woning, waarbij de vrouw verzoekt te bepalen dat de man (een deel) van de door de vrouw betaalde eigenaars- en gebruikerslasten aan haar moet vergoeden.

4.71.

Daarnaast valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien waarom de verplichting van partijen om op grond van artikel 1:81 BW elkaar gedurende het huwelijk het nodige te verschaffen, in de weg zou staan aan de toekenning van een gebruiksvergoeding aan de man. Deze verplichting geldt namelijk over en weer, en waar de vrouw de afgelopen tijd in de woning kon verblijven, heeft de man al langere tijd geen vaste verblijfplaats en verblijft hij noodgedwongen elders.

4.72.

Dat een gemiddeld rendement van 5% zou kunnen worden behaald met de helft van de overwaarde, zoals de man heeft aangevoerd, acht de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal daarom in lijn met de stellingen van de vrouw de gebruiksvergoeding vaststellen op 2,25% van de helft van de overwaarde (de taxatiewaarde van de woning minus de hypotheekschuld op de peildatum (11 september 2024)). Deze vergoeding dient te worden betaald op het moment van de notariële overdracht.

Maandelijkse aflossingen hypotheek

4.73.

De rechtbank is van oordeel dat partijen, tot aan het moment van de notariële levering van de woning aan één van partijen of aan een derde, ieder de helft van de maandelijkse hypotheekaflossingen moet betalen. De hypotheekschuld op het moment van de notariële levering is namelijk bepalend voor de berekening van de (te verdelen) overwaarde van de woning. Dat betekent dat voor zover de vrouw vanaf 1 oktober 2024 meer dan de helft van de maandelijkse hypotheekaflossingen heeft voldaan, de vrouw op grond van artikel 6:10 BW een regresvordering heeft op de man en hij het meerdere moet vergoeden aan de vrouw. De man is daartoe ook bereid, maar heeft het door de vrouw verzochte bedrag van (50% van) € 830,50 per maand betwist. Dit bedrag is volgens de man niet juist, omdat de maandelijkse aflossing steeds wisselt. Omdat de vrouw niet heeft aangetoond welke maandelijkse aflossingen zij vanaf 1 oktober 2024 heeft betaald, zal de rechtbank bepalen dat de vrouw hiervan bewijsstukken moet tonen aan de man. Op basis daarvan kan dan de door de man te betalen vergoeding worden bepaald. Deze vergoeding dient door de man te worden betaald op het moment van de notariële overdracht. De rechtbank zal zo beslissen.

Premies van de overlijdensrisicoverzekering

4.74.

Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat indien de man door middel van bewijsstukken kan aantonen dat hij na de peildatum de premies van de overlijdensverzekering heeft betaald, de vrouw de helft daarvan aan de man zal vergoeden. De rechtbank zal deze afspraak van partijen opnemen in de beschikking.

Premies van de woonverzekering

4.75.

De rechtbank is van oordeel dat ieder van partijen de helft van de kosten van de premies van de woonverzekering moet betalen, omdat dit eigenaarslasten zijn. Gebleken is dat deze verzekering op enig moment dubbel is afgesloten, omdat voor de vrouw onduidelijk was of de ‘oude’ woonverzekering, waarvan de man de premies voldeed, nog doorliep. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheid voor rekening en risico van partijen komt. Op basis van de stellingen van partijen kan namelijk niet worden afgeleid dat sprake is van onzorgvuldig of verwijtbaar handelen van de man (doordat hij ten onrechte de oude woonverzekering niet zou hebben opgezegd) of van de vrouw (omdat zij ten onrechte een nieuwe woonverzekering zou hebben afgesloten). De rechtbank is daarom van oordeel dat de vrouw de helft van de door de man betaalde premies voor de woonverzekering moet betalen, en dat de man de helft van de door de vrouw betaalde premies voor de woonverzekering moet betalen. Dit betekent dat de man een bedrag van € 3,81 per maand (de helft van € 7,62 per maand) moet vergoeden aan de vrouw over de periode vanaf 1 maart 2025 tot de datum van de notariële overdracht. De vrouw moet een bedrag van € 28,14 per maand (de helft van € 56,28 per maand) aan de man vergoeden over de periode vanaf 1 oktober 2024 tot de datum van de notariële overdracht.

Eindafrekening Oxxio

4.76.

Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat de vrouw inzage zal geven in de eindafrekening van Oxxio die ziet op de periode 1 februari 2024 tot 1 februari 2025. De man wil voor de helft meedelen in de opbrengst van teruglevering van de zonne-energie en voor de helft meebetalen aan de (eventueel extra in rekening gebrachte) energiekosten in de maanden februari 2024 tot en met april 2024. Omdat de vrouw geen verweer heeft gevoerd tegen het verzoek van de man over de eindafrekening, en het de rechtbank ook redelijk voorkomt dat nu de vrouw vanaf mei 2024 alleen in de woning heeft verbleven de energiekosten vanaf die maand geheel voor haar rekening komen, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen.

Gemeentelijke belastingen en lokale belastingen (BSR)

4.77.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man de helft van de aanslag gemeentelijke belastingen (€ 996,47) en de aanslag lokale belastingen (BSR) (€ 508,61) aan de vrouw dient te vergoeden. De man heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij bereid is de helft van het eigenaarsdeel te vergoeden, maar dat de vrouw het deel dat is aan te merken als gebruikerslasten moet betalen, omdat de man de afgelopen tijd geen gebruik van de woning heeft gemaakt.

4.78.

Het is de rechtbank gebleken dat van de aanslag gemeentelijke belastingen de posten ‘OZB eigenaar woning’, ‘Afvalstoffenheffing vastrecht’ en ‘Rioolheffing eigenaar’ eigenaarslasten betreffen, omdat deze belastingen betaald moeten worden ongeacht het gebruik. Omdat de vrouw deze kosten van in totaal (€ 548,68 + € 224,79 + € 184 =)
€ 957,47 geheel voor haar rekening heeft genomen, heeft zij op grond van artikel 6:10 BW een regresvordering op de man. De man dient daarom de helft daarvan (€ 478,74) aan de vrouw te vergoeden. De post ‘rioolheffing gebruiker’ komt alleen voor rekening van de vrouw, omdat zij de afgelopen periode alleen in de woning heeft verbleven. Dat de vrouw zou zijn aangeslagen voor een meerpersoonshuishouden, omdat de man nog wel ingeschreven stond op het adres van de echtelijke woning, kan de rechtbank niet uit de overgelegde specificatie afleiden.

4.79.

Ten aanzien van de aanslag lokale belastingen constateert de rechtbank dat de vrouw is aangeslagen op basis van de tarieven voor een tweepersoons huishouden, omdat de man nog op het adres van de echtelijke woning staat ingeschreven. Omdat partijen over en weer verzoeken hebben gedaan over toedeling van de woning en de man zich bij gebrek aan een alternatieve woonruimte niet heeft uitgeschreven van het woonadres, vindt de rechtbank het niet redelijk dat de aanslagen voor een meerpersoons huishouden enkel voor rekening van de vrouw zouden moeten komen. Omdat de vrouw deze kosten van in totaal € 508,61 geheel voor haar rekening heeft genomen, heeft zij op grond van artikel 6:10 BW een regresvordering op de man. De man dient daarom de helft daarvan (€ 254,31) aan de vrouw te vergoeden.

4.80.

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man (€ 478,74 +
€ 254,31 =) € 733,05 aan de vrouw moet betalen.

Het bedrag van € 1.000,22

4.81.

Omdat de man geen verweer heeft gevoerd tegen het verzoek van de vrouw dat hij nog € 1.000,22 aan de vrouw moet vergoeden vanwege een onverschuldigde betaling op een van zijn bankrekeningen, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen.

Pensioen

4.82.

Op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding geldt dat partijen over en weer aanspraak hebben op de door de ander tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten. Partijen kunnen hier in onderling overleg van afwijken, maar de rechtbank kan hier geen beslissing over nemen. De rechtbank wijst daarom de verzoeken van partijen op dit punt af.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.83.

De rechtbank verklaart de beslissingen ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen direct gelden, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing over de echtscheiding zelf verklaart de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad. Die beslissing geldt namelijk pas als de echtscheiding is ingeschreven en dat kan pas gebeuren als daar geen hoger beroep meer tegen mogelijk is.

De proceskosten

4.84.

Gelet op de (familie)relatie tussen partijen bepaalt de rechtbank dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.

5De beslissing

De rechtbank:

5.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] ;

5.2.

bepaalt dat, in het geval de man de woning kan overnemen onder de hierna bij 5.4.4. genoemde verplichtingen, de vrouw tegenover de man gedurende drie maanden na de inschrijving van deze beschikking het recht heeft in de woning aan [adres] te blijven wonen, en bepaalt dat, in het geval de man de woning niet kan overnemen onder de hierna bij 5.4.4. genoemde verplichtingen, de vrouw tegenover de man gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking het recht heeft in de woning aan [adres] te blijven wonen;

5.3.

bepaalt dat de vrouw, over de periode vanaf 11 september 2024 tot aan de datum van de notariële levering van de woning, voor het hiervoor bij 5.2. vermelde gebruik van de woning een maandelijkse gebruiksvergoeding verschuldigd is aan de man ter grootte van een bedrag gelijk aan 2,25 % x de helft van de overwaarde (de taxatiewaarde van de woning minus de hypotheekschuld op de peildatum (11 september 2024)) / 12 maanden, welke vergoeding dient te worden betaald op het moment van de notariële levering van de woning;

5.4.

gelast de navolgende wijze van verdeling van de woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening:

5.4.1.

de vrouw noemt binnen een week na de datum van deze beschikking drie erkende taxateurs aan de man, van wie de man er binnen een week daarna één uitkiest die belast wordt met een (bindende) taxatie van de woning. Indien de vrouw niet binnen de termijn van een week drie taxateurs voorstelt, is de man gerechtigd zelf een taxateur te kiezen. Indien omgekeerd de man niet binnen een week uit de drie voorgestelde taxateurs een keuze maakt, is de vrouw gerechtigd om zelf een van de drie taxateurs uit te kiezen;

5.4.2.

partijen dienen vervolgens binnen een week gezamenlijk opdracht te geven aan de taxateur om de woning (bindend) te taxeren tegen de actuele marktwaarde, waarbij de zonnepanelen die op/bij de woning aanwezig zijn zullen worden betrokken bij de waardering van de woning. Indien slechts een van partijen binnen deze termijn een opdracht aan de taxateur heeft verstrekt, dan is deze na het verstrijken van de termijn bevoegd om als vertegenwoordiger van de andere partij de opdracht aan de taxateur te verstrekken. De taxatie dient vervolgens binnen vier weken plaats te vinden;

5.4.3.

ieder van partijen draagt de helft van de kosten van de taxatie;

5.4.4.

de man krijgt gedurende twee maanden na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de gelegenheid om de vrouw schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten of hij de woning kan overnemen tegen de getaxeerde waarde, waarbij:

 de man de op de woning rustende hypothecaire geldlening bij de hypotheekverstrekker geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire geldlening;

 de man de helft van de overwaarde van de woning, bestaande uit
de taxatiewaarde minus de hypotheekschuld op het moment van de notariële levering van de woning, aan de vrouw zal vergoeden;

5.4.5.

indien de man de woning kan overnemen onder voornoemde verplichtingen dient de levering van de woning aan de man plaats te vinden binnen één week na afloop van de hiervoor bij 5.2. genoemde termijn van drie maanden voor het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw. Beide partijen zijn verplicht hier hun medewerking aan te verlenen;

5.4.6.

de kosten van het notariële transport van de woning komen in dat geval voor rekening van de man;

5.4.7.

indien de man de vrouw binnen de hiervoor bij 5.4.4. genoemde termijn van twee maanden bericht dat hij niet in staat is de woning over te nemen, dan wel niet binnen deze genoemde termijn van twee maanden schriftelijk heeft bericht dat hij in staat is de woning onder de vermelde verplichtingen over te nemen, zal de vrouw in de gelegenheid worden gesteld te onderzoeken of zij in staat is de woning over te nemen. Hiervoor gelden dezelfde termijnen en voorwaarden als hiervoor bij 5.4.4. zijn weergegeven, waarbij de termijn van twee maanden gaat lopen op de dag waarop de man de vrouw heeft bericht dat hij niet in staat is de woning over te nemen dan wel zodra is gebleken dat de man een van de hiervoor aan hem gestelde termijnen niet heeft gehaald;

5.4.8.

indien de vrouw de woning kan overnemen onder de vermelde verplichtingen dient de levering van de woning aan de vrouw plaats te vinden binnen één week na afloop van de hiervoor bij 5.2. genoemde termijn van zes maanden voor het voortgezet gebruik van de woning door de vrouw. Beide partijen zijn verplicht hier hun medewerking aan te verlenen;

5.4.9.

de kosten van het notariële transport van de woning komen in dat geval voor rekening van de vrouw;

5.4.10.

indien de vrouw de man binnen de hiervoor bij 5.4.4. genoemde termijn van twee maanden bericht dat zij niet in staat is de woning over te nemen, dan wel niet binnen deze genoemde termijn van twee maanden schriftelijk heeft bericht dat zij in staat is de woning onder de voormelde verplichtingen over te nemen, zal de woning door partijen te koop worden aangeboden door de makelaar die de taxatie heeft verricht;

5.4.11.

partijen dienen binnen een week nadat de hiervoor bedoelde omstandigheid zich voordoet een opdracht tot verkoop aan de makelaar te geven;

5.4.12.

partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen;

5.4.13.

indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;

5.4.14.

partijen zijn gehouden de aanwijzingen van de makelaar op te volgen;

5.4.15.

de vrouw dient een sleutel aan de makelaar ter beschikking te stellen voor het maken van foto’s en het kunnen houden van bezichtigingen;

5.4.16.

de vrouw dient de woning op orde te houden en aanwijzingen van de makelaar terzake op te volgen;

5.4.17.

partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen;

5.4.18.

als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning;

5.4.19.

na verkoop moet met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald; het eventuele restant moeten partijen bij helfte delen dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen;

5.4.20.

de verkoopkosten (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) zullen door partijen gezamenlijk gedragen worden, ieder voor de helft;

5.5.

bepaalt dat de man binnen twee weken na datum van deze beschikking aan de vrouw inzage dient te verschaffen in:

  • het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 1] op de huwelijksdatum ( [huwelijksdatum] );

  • het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 8] op de huwelijksdatum ( [huwelijksdatum] ) en op de peildatum (11 september 2024);

  • het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 9] op de huwelijksdatum ( [huwelijksdatum] ) en op de peildatum (11 september 2024);

  • banksaldi in de periode vanaf 1 april 2024 tot aan de peildatum van de hiervoor genoemde bankrekeningen:

o [rekeningnummer 13] ;

o [rekeningnummer 14] ;

o [rekeningnummer 15] ;

o [rekeningnummer 16] ;

waarbij geldt dat voor zover deze bankrekeningen niet (meer) bestonden op voornoemde data, de man dit met onderbouwing van stukken van de desbetreffende bank aan de vrouw dient aan te tonen;

 het mutatieverloop van eventuele effectenrekeningen (aandelen) op naam van de man over de periode vanaf 11 maart 2024 tot aan de peildatum;

5.6.

stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap voor het overige vast als volgt:

5.6.1.

aan de man worden toegedeeld:

i) het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 1] , waarbij de man voor zover sprake is van een toename van het banksaldo in de periode tussen de huwelijksdatum en de peildatum de helft hiervan moet vergoeden aan de vrouw;

ii) het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 2] , onder de verplichting om een bedrag van € 198 te vergoeden aan de vrouw;

iii) het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 3] , zonder nadere verrekening;

iv) het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 4] , onder de verplichting om een bedrag van PLN 42,98 te vergoeden aan de vrouw;

v) het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 5] , onder de verplichting om een bedrag van US$ 28,18 te vergoeden aan de vrouw;

vi) het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 6] , onder de verplichting om een bedrag van € 473,07 te vergoeden aan de vrouw;

vii) het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 7] , onder de verplichting om een bedrag van € 2.500 te vergoeden aan de vrouw;

viii) het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 8] , waarbij de man voor zover sprake is van een toename van het banksaldo in de periode tussen de huwelijksdatum en de peildatum de helft hiervan moet vergoeden aan de vrouw;

ix) het saldo op de bankrekening [rekeningnummer 9] , waarbij de man voor zover sprake is van een toename van het banksaldo in de periode tussen de huwelijksdatum en de peildatum de helft hiervan moet vergoeden aan de vrouw;

5.6.2.

aan de vrouw worden toegedeeld:

i) de saldi van de bankrekeningen:

 [rekeningnummer 10] ;

 [rekeningnummer 11] ;

 [rekeningnummer 12] , onder de verplichting om een bedrag van € 13.606,44 te vergoeden aan de man;

ii) de activa en passiva van de eenmanszaak [naam eenmanszaak 1] , onder de verplichting om een bedrag van € 27.657 te vergoeden aan de man;

5.6.3.

ieder van partijen is voor de helft draagplichtig voor de schuld aan de moeder van de vrouw, welke schuld op de peildatum nog € 5.000 bedroeg;

5.6.4.

zodra de definitieve aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2024 van de man en de vrouw bekend zijn moeten partijen elkaar inzage verstrekken en is ieder van partijen voor de helft draagplichtig. Voor zover één van partijen een teruggave ontvangt, komt de teruggave over de periode tot aan de peildatum aan partijen ieder voor de helft toe;

5.7.

stelt vast dat partijen de volgende afspraken hebben gemaakt over de inboedel, de creditcardschulden, de studieschulden en de premies van de overlijdensrisicoverzekering:

5.7.1.

de inboedelgoederen zullen worden verdeeld zoals hiervoor bij 4.27. is vermeld;

5.7.2.

de man zal de creditcardschuld van € 467,75 dragen, waarna de vrouw de helft hiervan (€ 233,88) aan de man moet vergoeden, en de vrouw zal de creditcardschuld van € 100 dragen, waarna de man de helft hiervan (€ 50) aan de vrouw moet vergoeden;

5.7.3.

de vrouw zal een bedrag van € 3.452,40 aan de man vergoeden ter zake de door partijen gedane aflossingen op de studieschulden;

5.7.4.

indien de man door middel van nog over te leggen bewijsstukken aan de vrouw kan aantonen dat hij na de peildatum (11 september 2024) de premies van de overlijdensrisicoverzekering heeft betaald, zal de vrouw de helft daarvan aan de man vergoeden;

5.8.

partijen dienen met ingang van 1 oktober 2024 tot aan de datum van de notariële levering van de woning ieder de helft van de maandelijkse hypotheekaflossingen te dragen. De vrouw dient aan de man, met onderbouwing van bewijsstukken, aan te tonen welke maandelijkse aflossingen zij vanaf 1 oktober 2024 heeft betaald. Voor zover de vrouw in de periode vanaf 1 oktober 2024 meer dan de helft van de aflossingen heeft betaald, dient de man het meerdere aan de vrouw te vergoeden, welke vergoeding dient te worden betaald op het moment van de notariële levering van de woning;

5.9.

de vrouw dient de helft van de door de man betaalde premies voor de woonverzekering aan de man te betalen over de periode vanaf 1 oktober 2024 tot aan de datum van de notariële levering van de woning, en de man dient de helft van de door de vrouw betaalde premies voor de woonverzekering aan de vrouw te betalen over de periode vanaf 1 maart 2025 tot aan de datum van de notariële levering van de woning;

5.10.

de vrouw dient de man inzage te geven in de eindafrekening van Oxxio, die ziet op de periode vanaf 1 februari 2024 tot aan 1 februari 2025. Partijen dienen de daarin vermelde opbrengst van teruglevering van de zonne-energie bij helfte te delen. De man moet voor de helft meebetalen aan de (eventueel extra in rekening gebrachte) energiekosten in de maanden februari 2024 tot en met april 2024. De vrouw dient de energiekosten vanaf mei 2024 voor haar rekening te nemen;

5.11.

de man dient een bedrag van € 733,05 aan de vrouw te betalen wegens de door de vrouw betaalde gemeentelijke belastingen en lokale belastingen (BSR);

5.12.

de man dient een bedrag van € 1.000,22 aan de vrouw te betalen wegens een door de vrouw aan de man gedane onverschuldigde betaling;

5.13.

verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve de beslissing over de echtscheiding;

5.14.

wijst af wat meer of anders is verzocht;

5.15.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure moet betalen.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Koopman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. V.D. van der Kooij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

1

Artikel 1:99 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek

2

Artikel 1:94 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek

3

Artikel 1:94 lid 7 van het Burgerlijk Wetboek

4

Tabel van Deelnameniveaus op de website www.broodfonds.nl.


meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Podcastgesprek: Meer fiscale opties pensioenverrekening samenwoners
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 06-05-2025
Jasper Horsthuis en Rob Welling gaan in gesprek over een recente uitbreiding van de fiscale mogelijkheden voor pensioenverrekening door samenwoners. Zij bepleiten een verdere verruiming van de regeling.
Podcastgesprek: Nieuwe inzichten fiscale gevolgen verrekening lijfrente (II)
Rob Welling en Drs. Jasper Horsthuis, 22-04-2025
De Belastingdienst heeft - opnieuw - een standpunt gepubliceerd over de fiscale afwikkeling van een lijfrentepolis bij echtscheiding. Rob Welling en Jasper Horsthuis bespreken de gevolgen hiervan.
Podcastgesprek: Breaking! Vóórhuwelijks vergoedingsrecht halveert niet!
Drs. Jasper Horsthuis en Rob Welling, 08-04-2025
Onze redacteur Jasper Horsthuis en scheidingsfiscalist Rob Welling gingen in gesprek over de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad op 21-03-2025. Super heldere uitleg over inhoud en gevolgen van de uitspraak!
Alimentatie berekenen bij samengestelde gezinnen: een tussenstand
Mr. Hedy Bollen, 17-12-2024
Diverse auteurs deden de laatste jaren voorstellen om het alimentatierekenen voor samengestelde gezinnen te verbeteren. De auteur zet de voorstellen op rij en geeft ze een persoonlijke score.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (II)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 13-11-2024
Nadat in het eerste deel van dit tweeluik de achtergrond van de discussie werd geschetst, zoomen Rob van Coolwijk en Jan Bram de Groot in dit deel nader in op de door De Groot voorgestelde rekenmethodiek.
Podcastgesprek: Nieuwe rekenmethodiek voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen? (I)
Mr. Jan Bram de Groot en Mr. Rob van Coolwijk, 11-11-2024
Wat zou er moeten wijzigen voor kinderalimentatie bij samengestelde gezinnen en waarom? Rob van Coolwijk gaat hierover in gesprek met Jan Bram de Groot, voorzitter van de Expertgroep Alimentatienormen.
Vaststelling vaderschap van een overleden man: kan daar verweer tegen worden gevoerd?
Mr. dr. Myriam Lückers, 05-11-2024
De weduwe wordt niet aangemerkt als belanghebbende bij een verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap van haar overleden man, aldus HR 4 oktober 2024. Is verweer in een dergelijke zaak dan niet mogelijk?
Unieke beschikking: van rechtswege onstaan ouderlijk gezag aangetekend in gezagsregister
Michelle Booij-Smid, 05-11-2024
Meeroudergezinnen lopen nog altijd tegen problemen aan met betrekking tot juridisch ouderschap en gezag. In deze zaak bood Rechtbank Amsterdam de moeders en hun kind een oplossing.
Verjaarde vorderingen en de verdeling van de nalatenschap
Mr. Arend de Bakker, 08-10-2024
Kunnen verjaarde rechtsvorderingen in de verdeling van de nalatenschap betrokken worden? De auteur analyseert diepgaand de literatuur en de jurisprudentie hierover. Een blog, bestemd voor de superspecialist!
Aansprakelijkheid bij scheidingsbegeleiding? Een reëel risico
Drs. Jasper Horsthuis, 08-10-2024
In een uitspraak van de rechtbank Den Haag werd een mediator aansprakelijk gesteld voor vermeende tekortkomingen bij de begeleiding. Wat mag van een scheidingsprofessional worden verwacht?
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN