ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Parket bij de Hoge Raad 09-01-2026, ECLI:NL:PHR:2026:49

Essentie (gemaakt door AI)

A‑G in verhuisgeschil artikel 1:253a BW. Hof weert vaders late stukken en standpunten (tiendagentermijn en tweeconclusieregel) en wijst vervangende toestemming af met bevel tot terugverhuizen. A‑G: in 1:253a‑verhuiszaken geldt uitzondering op tweeconclusieregel en (via art. 279 lid 6 Rv) geen strikte toepassing art. 87 lid 6 Rv. Hof had goede‑procesorde‑toets moeten verrichten en vaders nadere standpunten niet mogen passeren. Conclusie: vernietigen en verwijzen. https://www.split-online.nl/kennisbank/uitspraken/75728?token=955da9286d27a04b22834c5496c3d313

Datum publicatie15-01-2026
Zaaknummer25/01264
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen; Gezagsgeschil 1:253a BW; Verhuizing met kind;
Familieprocesrecht; Strijd met goede procesorde; Twee-conclusieregel
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Personen- en familierecht. Art. 1:253a BW. Verhuiszaak. Tiendagentermijn voor het indienen van stukken (art. 87 lid 6 Rv in verbinding met art. 362 en art. 279 lid 6 Rv) . Tweeconclusieregel.

Volledige uitspraak


PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/01264

Zitting 9 januari 2026

CONCLUSIE

L.M. Coenraad

In de zaak

[de vader] ,

verzoeker tot cassatie,

hierna: de vader,

advocaat: mr. M.W. van der Heijden,

tegen

[de moeder] ,

verweerster in cassatie,

hierna: de moeder.

In de bestreden beschikking is als overige belanghebbende aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming Overijssel, de gecertificeerde instelling,

hierna: de GI.

1. Inleiding en samenvatting

1.1 In deze verhuiszaak op grond van artikel 1:253a BW heeft de vader onder meer om vervangende toestemming verzocht voor verhuizing met de twee minderjarige kinderen van partijen van [plaats 1] naar de omgeving van [plaats 2] . De rechtbank heeft deze vervangende toestemming verleend. Het hof heeft dat verzoek van de vader alsnog afgewezen en bepaald dat de vader, die inmiddels al was verhuisd, uiterlijk op 1 augustus 2025 met de kinderen moet zijn terugverhuisd.

1.2 De vader bestrijdt in cassatie in het eerste onderdeel enkele procedurele beslissingen van het hof. Daarbij gaat het ten eerste over de beslissing van het hof dat geen acht wordt geslagen op de door de vader daags voor de mondelinge behandeling (en zonder tussenkomst van een advocaat) in het geding gebrachte producties, omdat deze te laat zijn ingediend. Het onderdeel keert zich verder tegen de beslissing dat in verband met de tweeconclusieregel geen acht wordt geslagen op de verzoeken en standpunten in twee e-mailberichten die de vader voorafgaand aan de mondelinge behandeling aan het hof heeft gestuurd.

1.3 Mijns inziens slagen de klachten die zijn gericht tegen de hiervoor genoemde procedurele beslissingen van het hof. Mede gelet op een recente uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:764) ben ik van mening dat in verhuiszaken op grond van artikel 1:253a BW de aard van de zaak of de procedure zich verzet tegen de toepasselijkheid van zowel de wettelijke tiendagentermijn voor het indienen van stukken van artikel 87 lid 6 Rv als de tweeconclusieregel.

1.4 Nu de klachten van het eerste onderdeel slagen, zal het verwijzingshof na vernietiging en verwijzing eerst moeten beoordelen of, en zo ja in hoeverre het de door de vader in het geding gebrachte stukken alsnog toelaat. Indien dat hof de genoemde stukken geheel of gedeeltelijk toelaat, zal het de verhuisgerelateerde verzoeken van partijen opnieuw moeten beoordelen, mede met inachtneming van deze alsnog toegelaten stukken. Bij die stand van zaken acht ik het niet zinvol de klachten die het middel formuleert tegen de inhoudelijke overwegingen van het hof te bespreken.

2. Feiten 1 en procesverloop 2

2.1 De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [de zoon] (hierna: de zoon), geboren op [geboortedatum] 2010;
- [de dochter] (hierna: de dochter), geboren op [geboortedatum] 2011.
De vader heeft de kinderen erkend en de ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over hen.

2.2 De ouders hebben op 8 juli 2021 een zorgplan (ouderschapsplan) ondertekend. Als zorgregeling zijn de ouders in het zorgplan een zorgschema overeengekomen dat een gelijkwaardig co-ouderschap inhoudt. Voor zover hier van belang zijn de ouders in dat zorgplan verder het volgende overeengekomen: 3

Hoofdverblijf

3. Het oudste kind zal ingeschreven worden op het hoofdverblijf van vader en het jongste kind zal ingeschreven worden op het hoofdverblijf van moeder. Indien nodig zal er een wijziging van de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) plaatsvinden.

3.1 Ouders spreken hierbij af om beiden in de omgeving binnen een straal van 10 km van de huidige school te blijven wonen, zodat de kinderen naar de huidige school kunnen blijven gaan en om onderstaande zorgverdeling te kunnen blijven effectueren. Van deze bepaling kan enkel worden afgeweken als blijkt dat binnen 6 maanden, gerekend vanaf het moment dat partijen geen gezamenlijke huishouding meer voeren, het niet mogelijk is gebleken om binnen bovengenoemde straal passende woonruimte te kunnen betrekken. Ouders zullen dan gezamenlijk bespreken in hoeverre bovengenoemde afspraak aangepast gaat worden.”

2.3 De zoon woont sinds september 2022 bij de vader en diens partner. De zoon heeft vanaf dat moment geen contact meer met de moeder. Sinds 14 mei 2023 woont de dochter bij de vader. Sinds juli 2023 heeft de dochter geen contact meer met de moeder.

2.4 Bij beschikking van 20 december 2023 heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld van de GI tot 20 december 2024. 4

2.5 Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) op 30 juni 2023, heeft de vader, voor zover in cassatie van belang, de rechtbank verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de dochter haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en dat de toestemming van de moeder voor de voorgenomen verhuizing van de kinderen wordt vervangen door toestemming van de rechtbank.

2.6 De moeder heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij wege van zelfstandig verzoek, samengevat weergegeven en voor zover in cassatie van belang, de rechtbank verzocht de vader te verbieden om met de kinderen te verhuizen buiten een straal van 10 kilometer van zijn huidige woning in [plaats 1] , op straffe van een dwangsom, en een opbouwregeling vast te stellen voor het contactherstel tussen de moeder en beide kinderen.

2.7 De rechtbank heeft de zaak op 25 september 2023 mondeling behandeld. Tijdens deze mondelinge behandeling zijn gehoord de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en een zittingsvertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).
Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

2.8 Bij tussenbeschikking van 23 oktober 2023 5 heeft de rechtbank, kort gezegd, de raad verzocht onderzoek te doen en heeft zij iedere verdere beslissing aangehouden.

2.9 Nadat het raadsrapport van 7 december 2023 bij de rechtbank is ingekomen, heeft op 15 januari 2024 de voorgezette mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens deze mondelinge behandeling zijn gehoord de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, een zittingsvertegenwoordiger van de raad en een medewerker van de gecertificeerde instelling (hierna: de GI).
Ook van deze mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

2.10 Bij beschikking van 12 februari 2024 6 heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang en in zoverre uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de dochter haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en heeft zij de vader vervangende toestemming verleend om met de kinderen te verhuizen naar de omgeving van [plaats 2] .

2.11 De moeder is van deze beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof). De moeder heeft het hof verzocht, voor zover in cassatie van belang en kort weergegeven, die beschikking te vernietigen en, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken in eerste aanleg van de vader af te wijzen en de verzoeken in eerste aanleg van de moeder, die in hoger beroep door haar zijn herhaald en nader geconcretiseerd, toe te wijzen, en daarbij te bepalen dat de man wordt veroordeeld terug te verhuizen binnen een straal van 10 km van de oude woning van de vader, in [plaats 1] of de school van de kinderen, zulks op verbeurte van een dwangsom. 7

2.12 De vader heeft een verweerschrift ingediend en heeft het hof verzocht, voor zover in cassatie van belang, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren dan wel haar verzoeken in hoger beroep af te wijzen. 8

2.13 Ook de GI heeft een verweerschrift ingediend.

2.14 Op 11 november 2024 hebben de zoon en de dochter buiten aanwezigheid van de ouders en overige belanghebbenden met een raadsheer van het hof gesproken.

2.15 De mondelinge behandeling bij het hof heeft op 14 november 2024 plaatsgevonden. Aanwezig waren de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vader 9, een vertegenwoordiger van de GI en een vertegenwoordiger van de raad.
Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

2.16 Bij beschikking van 7 januari 2025 10 (hierna: de bestreden beschikking) heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 12 februari 2024 vernietigd voor zover het de beslissingen betreft ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de dochter, de vervangende toestemming tot verhuizing en de zorgregeling. Het hof heeft, opnieuw beschikkende, voor zover in cassatie van belang, de verzoeken van de vader (i) om te bepalen dat de dochter haar hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en (ii) om hem vervangende toestemming te verlenen om met de zoon en de dochter te verhuizen naar de omgeving van [plaats 2] , afgewezen, en daarbij bepaald dat de vader uiterlijk op 1 augustus 2025 met de kinderen moet zijn terugverhuisd naar een woning in de omgeving van [plaats 1] en binnen een straal van 10 kilometer van de in het ouderschapsplan bedoelde school, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat de vader in gebreke blijft om aan die verplichting te voldoen, met een maximum van € 150.000,-. Ook heeft het hof een zorgregeling vastgesteld. Het hof heeft zijn beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 11

2.17 De vader heeft tegen de beschikking van het hof tijdig beroep in cassatie ingesteld. 12 De moeder en de GI hebben geen verweerschrift ingediend.

3Bespreking van het cassatiemiddel

3.1

Het middel bestaat uit vier onderdelen.

Onderdeel 1

3.2

Onderdeel 1 is gericht tegen r.o. 2.2 van de bestreden beschikking, waarin het hof het volgende heeft overwogen (mijn onderstreping; A-G):

“2.2 De moeder heeft bezwaar gemaakt tegen acceptatie door het hof van de door de vader aan het hof gezonden e-mailberichten van 29 oktober 2024 en 13 november 2024 met producties. Deze e-mails zijn volgens haar in strijd met de goede procesorde door vader zelf, zonder tussenkomst van een advocaat, ingediend. Zoals het hof op de mondelinge behandeling heeft beslist, worden de bij het e-mailbericht van de vader van 29 oktober 2024 gevoegde producties wel aan het procesdossier toegevoegd, omdat de vader zelf producties in het geding mag brengen ter ondersteuning van zijn ter zitting te voeren mondelinge verweer, mits deze niet later zijn ingediend dan op de in artikel 1.4.5 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven genoemde tiende kalenderdag voor de mondelinge behandeling. Op de door de vader bij zijn e-mailbericht van 13 november 2024 gevoegde producties wordt dan ook geen acht geslagen, omdat deze te laat zijn ingediend. Hetzelfde geldt voor de namens de moeder bij journaalbericht van 13 november 2024 overgelegde productie XXI.

Het hof slaat voorts geen acht op de verzoeken en standpunten, voor zover deze door de vader zijn opgenomen in zijn e-mailberichten van 29 oktober 2024 en 13 november 2024. Het hof verwijst in dat verband naar de zogenoemde ‘twee-conclusieregel’. Deze regel houdt in dat partijen in één schriftelijk stuk hun standpunt moeten uiteenzetten en dat het aanvoeren van standpunten in nadere stukken in beginsel niet mogelijk is (artikel 347 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding gelezen met artikel 362 Rv) .”

3.3

De overweging over het niet toestaan van de aanvullende producties van 13 november 2024 (eerste onderstreping) wordt in het onderdeel 1 aangeduid met letter a en de overweging over de verzoeken en standpunten in de e-mailberichten van 29 oktober en 13 november 2024 (tweede onderstreping) met letter b. De subonderdelen 1.1 tot en met 1.3 richten zich tegen overweging a. Subonderdeel 1.4 richt zich tegen overweging b.

3.4

Ik zie aanleiding om met subonderdeel 1.4 te beginnen. De subonderdelen 1.1 tot en met 1.3 komen hierna onder 3.22 e.v. aan bod.

3.5

Subonderdeel 1.4 klaagt dat het hof met overweging b heeft miskend dat de aard van het geschil met zich kan brengen dat een uitzondering op de in beginsel strakke tweeconclusieregel moet worden aanvaard. Bij de geschillenregeling van artikel 1:253a BW is sprake van een dergelijk geschil, zeker nu het hof een beslissing moet nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt en waarbij het hof mede daarom ook diverse ambtshalve bevoegdheden ter beschikking heeft, aldus het subonderdeel.
Het subonderdeel wijst er verder op dat de vader in zijn e-mailbericht van 29 oktober 2024 ook omstandigheden aan de orde heeft gesteld die niet eerder aan de orde konden worden gesteld. Voor het overige betreffen de in het e-mailbericht van 29 oktober 2024 genoemde omstandigheden slechts een uitdieping van het bestaande verweer en/of een verweer dat in het verlengde ligt van de door partijen omlijnde rechtsstrijd in hoger beroep. Dat geldt ook voor de omstandigheden die zijn benoemd in het e-mailbericht van 13 november 2024, aldus, kort weergegeven, het subonderdeel.
Volgens het subonderdeel had het hof gezien het voorgaande acht moeten slaan op de nadere standpunten van de vader.

3.6

Dit subonderdeel slaagt.

3.7

In geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen ingevolge artikel 1:253a BW geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. In het kader van deze zogeheten geschillenregeling neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt (art. 1:253a lid 1, tweede volzin, BW) .

3.8

Indien een van de ouders met het kind wenst te verhuizen en de andere ouder daarmee niet instemt, kunnen de ouders op grond van artikel 1:253a lid 1 BW een beslissing vragen over dit geschil. Daarbij geldt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad het volgende beoordelingskader: 13

“3.3 Vooropgesteld dient te worden, dat uit de omstandigheid dat in art. 1:253a BW is bepaald dat de rechtbank zodanige beslissing neemt als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt, niet mag worden afgeleid, dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechter zal bij zijn beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen (…)”

3.9

De tweeconclusieregel brengt mee dat grieven, eisveranderingen of -vermeerderingen (in verzoekschriftprocedures: verandering of vermeerdering van het verzoek), nieuwe verweren en nieuwe feiten en stellingen in beginsel uiterlijk in de memorie van grieven of in de memorie van antwoord (in de verzoekschriftprocedure: in het verzoekschrift of in het verweerschrift) naar voren moeten worden gebracht. 14 De tweeconclusieregel dient het belang van de concentratie van het processuele debat en van een spoedige afdoening van een geschil. In de rechtspraak van de Hoge Raad zijn op deze regel drie categorieën van uitzonderingen aanvaard. Een van die uitzonderingen houdt verband met de aard van het geschil. 15

3.10

Met betrekking tot de aard van een op grond van artikel 1:253a BW aan de rechter voorgelegd verhuisgeschil, en de consequenties daarvan voor de gelding van de tweeconclusieregel, heeft de Hoge Raad in een recente uitspraak van 16 mei 2025 het volgende overwogen (mijn onderstreping): 16

“3.2 Grieven en veranderingen of vermeerderingen van het verzoek in hoger beroep dienen in beginsel bij verzoek- of verweerschrift te worden aangevoerd respectievelijk plaats te vinden. Dit lijdt echter onder meer uitzondering indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van verzoek kan plaatsvinden. 17 Evenals voor de vaststelling van alimentatie en voor de vaststelling van een omgangsregeling, geldt voor een beslissing van de rechter op een op de voet van art. 1:253a BW gedaan verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing met minderjarigen en voor een op grond van diezelfde bepaling gedaan verzoek om een ouder die zonder toestemming met minderjarigen is verhuisd, te bevelen om terug te verhuizen, dat deze dienen te zijn gebaseerd op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak van de rechter. Bovendien neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt (art. 1:253a lid 1, tweede volzin, BW) . Om deze redenen is het ook bij de beslissing op een op de voet van art. 1:253a BW gedaan verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing met minderjarigen of een verzoek tot het geven van een bevel om terug te verhuizen, gewettigd dat de rechter in hoger beroep rekening mag – en in beginsel ook moet – houden met een grief of wijziging van het verzoek die na het verzoek- of verweerschrift wordt aangevoerd respectievelijk plaatsvindt.

3.3 (…)


Blijkens het proces-verbaal heeft de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard:

“Ik vind dat de kinderen moeten terugverhuizen en wil dat het hoofdverblijf van de kinderen bij mij wordt bepaald. Ik heb altijd goed voor de kinderen gezorgd. Het liefst zou ik dan co-ouderschap willen, binnen een straal van vijf kilometer, zodat de kinderen zelf naar hun vader of moeder kunnen. Die 30 kilometer is zomaar gekozen bij de zitting bij de rechtbank. Ik zou eerder denken aan tien kilometer.”

3.4

Uit rov. 6.5.10 van de beschikking van het hof wordt niet duidelijk of het hof de hiervoor in 3.3 geciteerde opmerking van de man tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep als een wijziging van zijn verzoek in het incidentele hoger beroep of zijn verweer heeft opgevat. Uit hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, volgt dat het hof, zo dat het geval is, niet in strijd heeft gehandeld met de tweeconclusieregel door hierop acht te slaan.
Uit hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen blijkt dat het debat tussen partijen de vraag betrof bij wie van hen de minderjarigen zouden wonen en waar dat zou zijn, te weten bij de man in [plaats], bij de vrouw in [woonplaats] of bij de vrouw op beperkte afstand van [plaats]. Bij de beoordeling van dit geschilpunt diende het hof het belang van de minderjarigen te betrekken (zie art. 1:253a BW) . Daarmee is in overeenstemming dat het hof grote vrijheid had alles wat door partijen was aangevoerd bij zijn beoordeling te betrekken. Dat betekent dat het hof bij zijn beslissing acht kon slaan op de hiervoor in 3.3 geciteerde opmerking van de man en overeenkomstig de daarbij uitgesproken wens van de man kon beslissen.

(…)”

3.11

In de onderhavige zaak heeft de vader in de aanloop naar de mondelinge behandeling bij het hof van 14 november 2024 op 29 oktober onderscheidenlijk 13 november 2024 – zonder tussenkomst van een advocaat 18 – e-mailberichten aan het hof gezonden, waarbij hij inhoudelijk op de zaak is ingegaan en enkele aanvullende stukken heeft toegestuurd. De advocaat van de moeder heeft bij brief aan het hof van 13 november 2024 bezwaar gemaakt tegen het e-mailbericht met toelichting en stukken van 29 oktober 2024. Daarbij heeft hij betoogd dat “stukken enkel en alleen in het geding [kunnen] worden gebracht door advocaten”, alsmede dat het stuk een extra schriftelijke ronde betreft en dat dit niet is geoorloofd.

3.12

In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof is voor zover hier van belang het volgende te lezen (p. 1-2):

“Mr. Sardjoe [advocaat van de moeder; A-G]:

Ik heb al schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de door de vader ingediende stukken. Ik herhaal dat bezwaar nu hier.
Die stukken zijn niet alleen te laat maar ook zonder tussenkomst van een advocaat door de vader ingediend.

In vind dat het hof die stukken buiten beschouwing moet laten.

De voorzitter:

De vader kan inderdaad, zonder advocaat, geen proceshandelingen verrichten. Dan gaat het bijvoorbeeld over het indienen van een beroep- of verweerschrift.

Producties mag hij wel indienen, maar het verzoek dat de vader gisteren nog in zijn stukken heeft verwoord, kan dus niet zonder advocaat.

Vader:

Ik vind het heel spannend om hier te zitten. Ik heb geen advocaat, maar ik wilde de zitting toch laten doorgaan, voor de kinderen. Ik wil een uitspraak. Ik had gevraagd aan het hof om de stukken nog toe te sturen, dat mocht. Dat betreft mijn e-mailbericht van 29 oktober 2024. Als ik nu hoor dat het niet mag, dan wil ik me kunnen verweren.

Mr. Sardjoe:

Ik blijf erbij dat die stukken niet meegenomen mogen worden. Ook wil ik niet dat de zaak wordt uitgesteld, als de vader dat bedoelt. Mijn bezwaar betreft beide e-mailberichten van de vader met nastukken.

De voorzitter:

Die producties bij het e-mailbericht van 29 oktober 2024 mogen sowieso wel door de vader worden ingediend zonder advocaat. Bovendien zijn die tijdig ingediend.

Mr. Sardjoe:

Maar ook in beide stukken neemt de vader weer een nieuwe ronde. Ik handhaaf mijn visie: niet meenemen.

De voorzitter:

Ik schors even voor overleg.

Bij terugkeer in de zittingzaal heropent de voorzitter de mondelinge behandeling en verklaart:

Gelet op de twee-conclusieregel: alle stellingen moeten worden opgenomen in het hoger beroepschrift en in het verweerschrift. Voor zover de vader in zijn berichten van 29 oktober 2024 en 13 november 2024 nieuwe stellingen of verzoeken heeft verwerkt: daar zal het hof geen acht op slaan. De bij het bericht van 29 oktober 2024 gevoegde producties worden wel geaccepteerd. De producties bij het bericht van 13 november 2024 zijn te laat ingediend en die worden om die reden niet geaccepteerd.”

3.13

In lijn met hetgeen de voorzitter ter zitting heeft verklaard, heeft het hof in r.o. 2.2 van de bestreden beschikking onder verwijzing naar de tweeconclusieregel overwogen dat het geen acht slaat op de verzoeken en standpunten, voor zover deze door de vader zijn opgenomen in zijn e-mailberichten van 29 oktober en 13 november 2024.

3.14

Aldus heeft het hof mijns inziens miskend, zoals het subonderdeel terecht betoogt, dat in deze procedure op grond van artikel 1:253a BW met betrekking tot een verhuisgeschil, een uitzondering op de tweeconclusieregel moet worden aanvaard. Daarvoor is redengevend, zoals de Hoge Raad in zijn hiervoor onder 3.10 genoemde uitspraak van 16 mei jl. heeft geëxpliciteerd 19, dat een beslissing van de rechter op grond van artikel 1:253a BW in, kortweg, een verhuiszaak dient te zijn gebaseerd op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak van de rechter, en dat de rechter een zodanige beslissing neemt als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Met dit laatste is ook in overeenstemming dat de rechter grote vrijheid heeft alles wat door partijen wordt aangevoerd, bij zijn beoordeling te betrekken, aldus de Hoge Raad.

3.15

Door onder verwijzing naar de tweeconclusieregel “verzoeken en standpunten” van de vader in de e-mailberichten van 29 oktober en 13 november 2024 buiten beschouwing te laten zoals het hof heeft gedaan, heeft het hof dit een en ander miskend.
In zoverre treft subonderdeel 1.4 dus doel.

3.16

Daarmee komt het er niet op aan, zoals in het subonderdeel verder naar voren is gebracht, dat de in de betreffende e-mailberichten genoemde omstandigheden deels niet eerder naar voren konden worden gebracht en voor een ander deel slechts een uitdieping van het bestaande verweer betreffen. 20

3.17

Aan het slagen van de hiervoor genoemde klacht van subonderdeel 1.4 staat mijns inziens overigens niet in de weg dat de beide emailberichten door de vader zonder tussenkomst van een advocaat aan het hof zijn gestuurd.

3.18

Voor de verzoekschriftprocedure geldt een beperkte verplichte procesvertegenwoordiging. De wettelijke regeling van de verzoekschriftprocedure bevat alleen voor het verzoekschrift en het verweerschrift de eis dat deze door een advocaat worden ondertekend (art. 278 lid 3 en art. 282 lid 1 Rv, in hoger beroep in verbinding met art. 362 Rv) . Partijen kunnen zonder advocaat (“in persoon”) op de mondelinge behandeling verschijnen (art. 279 lid 3 Rv) .

3.19

De Hoge Raad heeft met betrekking tot de reikwijdte van de verplichte procesvertegenwoordiging in verzoekschriftprocedures het volgende overwogen: 21

“3.2.5. (…) Hetgeen hierna ten aanzien van de procureur wordt overwogen geldt (…) evenzeer voor de advocaat.

(…)

3.2.9.1. In verzoekschriftprocedures waarin voor de partijen verplichte procesvertegenwoordiging geldt (hierna: procureurszaken), moeten zij zich bij het verrichten van formele proceshandelingen, zoals het indienen van verzoekschrift of verweerschrift, laten vertegenwoordigen door een procureur, en kunnen zij zich ook overigens laten vertegenwoordigen door een procureur, zoals blijkt uit art. 279 lid 3 dat in procureurszaken partijen die voor de mondelinge behandeling zijn opgeroepen, toestaat niet in persoon maar bij procureur ter terechtzitting te verschijnen.”

3.20

Niet geheel duidelijk is wat, afgezien van het indienen van een verzoekschrift en van een verweerschrift, onder het “verrichten van formele proceshandelingen” moet worden verstaan. Voormalig A-G Rank-Berenschot heeft in haar conclusie van 5 juni 2015 mijns inziens terecht geschreven dat in de literatuur in het algemeen wordt aangenomen dat in verzoekschriftprocedures een beperkte procesvertegenwoordigingsplicht geldt die meebrengt “dat afgezien van het ondertekenen van (aanvullend) verzoekschrift (of verweerschrift) geen procesvertegenwoordiging door een advocaat vereist is voor andere handelingen zoals het overleggen van stukken, de indiening van een nadere toelichting of het corresponderen met de betreffende gerechtelijke instantie”. 22 Ook meer recent wordt in de literatuur deze visie in het algemeen gevolgd. 23

3.21

Uit r.o. 2.2 van de bestreden beschikking, waarin het hof spreekt van “verzoeken en standpunten”, lijkt te volgen dat naar het oordeel van het hof de e-mailberichten van de vader, in ieder geval mede, een nadere toelichting bevatten. Uit het voorgaande blijkt dat daarvoor geen verplichte procesvertegenwoordiging nodig is.

3.22

Dan kom ik nu toe aan de subonderdelen 1.1 tot en met 1.3. Deze zijn als gezegd gericht tegen de beslissing van het hof in r.o. 2.2 dat, kort gezegd, op de door de vader bij zijn e-mailbericht van 13 november 2024 gevoegde producties geen acht wordt geslagen, omdat deze te laat zijn ingediend; zie het citaat hiervoor onder 3.2, eerste onderstreping (in het onderdeel aangeduid met letter a, zie hiervoor onder 3.3).

3.23

Subonderdeel 1.1 stelt voorop dat de in artikel 87 lid 6 Rv genoemde termijn van tien dagen voor de mondelinge behandeling voor het indienen van stukken ingevolge artikel 362 Rv in verbinding met artikel 279 lid 6 Rv van toepassing is, tenzij de aard van de zaak of de procedure zich hiertegen verzet. Het subonderdeel klaagt dat het hof die tenzij-bepaling van artikel 279 lid 6 Rv heeft miskend. Volgens het subonderdeel verzet de aard van de geschillenregeling van artikel 1:253a BW zich tegen de toepassing van artikel 87 lid 6 Rv, zeker nu het hof een beslissing moet nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt en het hof mede daarom ook diverse ambtshalve bevoegdheden heeft. Voor zover het geldende procesreglement afwijkt van (doel en strekking van) artikel 279 lid 6 Rv, derogeert die laatstgenoemde bepaling als formele wet aan het procesreglement, aldus het subonderdeel.

3.24

Voor zover artikel 87 lid 6 Rv wel van toepassing zou zijn (ingevolge artikel 362 in verbinding met artikel 279 lid 6 Rv) , betoogt subonderdeel 1.2 dat het hof niet kenbaar heeft onderzocht of het buiten beschouwing laten van stukken die met schending van die termijn zijn ingediend, in strijd met de goede procesorde is. Het subonderdeel klaagt dat het hof daarmee het wettelijk kader heeft miskend, mede gezien de aard van de onderhavige procedure en bezien in het licht van het feit dat de moeder geen bezwaar heeft gemaakt tegen het indienen van stukken en één dag voor de mondelinge behandeling zelf nog een productie heeft ingediend. Voor zover het geldende procesreglement afwijkt van artikel 87 lid 6 Rv (in verbinding met artikel 362 en 279 lid 6 Rv) , derogeert die bepaling als formele wet aan het procesreglement, aldus het subonderdeel.

3.25

Subonderdeel 1.3 klaagt dat voor zover het hof het een en ander niet heeft miskend, het zijn oordeel vanwege het voorgaande onvoldoende heeft gemotiveerd, door niet kenbaar het in artikel 279 lid 6 en/of artikel 87 lid 6 Rv bedoelde wettelijke kader te betrekken.

3.26

Deze subonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Daarbij stel ik het volgende voorop.

Artikel 87 lid 6 Rv

3.27

Sinds de invoering van de Spoedwet KEI 24 op 1 oktober 2019 is in artikel 87 lid 6 Rv het volgende bepaald:

Onverminderd artikel 85, worden processtukken en andere stukken zoveel mogelijk onmiddellijk bij dagvaarding dan wel conclusie van antwoord en tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding gebracht, tenzij de wet een andere termijn voorschrijft. Stukken die na die termijn of ter zitting in het geding worden gebracht, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet.

3.28

Artikel 87 lid 6 Rv is overgenomen uit de KEI-wetgeving en komt naar de strekking overeen met artikel 30k lid 5 KEI-Rv. 25 Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 30k KEI-Rv blijkt dat het doel van deze termijn van tien kalenderdagen is dat de rechter en partijen voldoende gelegenheid hebben de stukken, conclusies en akten voor aanvang van de mondelinge behandeling te bestuderen. 26 De gedachte is dat het bijdraagt aan een goede zitting als tien dagen voor de zitting het gehele dossier compleet ter beschikking ligt voor alle procesdeelnemers. 27
Deze bepaling bevat een signaal dat stukken zo snel mogelijk ingediend moeten worden. Dat is vanuit een oogpunt van hoor en wederhoor wenselijk, en met tijdige indiening van stukken wordt bijgedragen aan een efficiënt procesverloop en het optimaal benutten van de mondelinge behandeling. 28 Tegelijk is het belang van de waarheidsvinding ermee gediend dat de rechter kan kennisnemen van relevante bewijsstukken die in de procedure worden gebracht. Dat kan ervoor pleiten dat de rechter in bepaalde gevallen soepel is met het toelaten van stukken die te laat in het geding worden gebracht. 29

Sanctie artikel 87 lid 6 en uitzondering goede procesorde

3.29

Over de sanctie op het overschrijden van de tiendagentermijn van artikel 87 lid 6 Rv dat stukken door de rechter buiten beschouwing worden gelaten, en de uitzondering daarop, is in de memorie van toelichting bij artikel 30k lid 5 KEI-Rv het volgende te lezen: 30

“Wanneer stukken te laat worden overgelegd, laat de rechter deze buiten beschouwing (vijfde lid). Dit is anders indien de goede procesorde zich daartegen verzet. Zo kan het doelmatig zijn dat partijen nog later dan tien dagen voor de mondelinge behandeling stukken indienen wanneer een omgangsregeling of alimentatie wordt gevorderd en een van de ouders enkele dagen voor de zitting is verhuisd of van baan is veranderd. In dergelijke gevallen is het van belang dat deze informatie in de procedure kan worden betrokken.”

3.30

De rechter kan een niet-tijdig in het geding gebracht stuk dus niet buiten beschouwing laten op de enkele grond dat het niet met inachtneming van de tiendagentermijn in het geding is gebracht. Hij zal in het kader van de toepassing van artikel 87 lid 6 Rv steeds een op de zaak toegesneden afweging moeten maken of de goede procesorde zich verzet tegen het buiten beschouwing laten van een na de termijn ingediend stuk. Met A-G De Bock 31 ben ik van mening dat dit in wezen hetzelfde afwegingskader is als volgt uit de bestaande rechtspraak van de Hoge Raad. Bij de te maken afweging kunnen naar ik aanneem ook in dit kader onder meer een rol spelen of de stukken qua aard en omvang eenvoudig te doorgronden zijn, of de stukken eerder in het geding hadden kunnen worden gebracht en of de wederpartij bezwaar heeft tegen het alsnog in het geding brengen ervan. 32

Overeenkomstige toepassing in verzoekschriftprocedures?

3.31

Artikel 87 lid 6 Rv is ingevolge de schakelbepaling van artikel 279 lid 6 Rv van overeenkomstige toepassing in verzoekschriftprocedures, “tenzij de aard van de zaak of de procedure zich hiertegen verzet”. De tiendagentermijn geldt in beginsel dus ook in familiezaken, die in meerderheid in de verzoekschriftprocedure worden behandeld. Ingevolge artikel 362 Rv is artikel 279 lid 6 Rv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

3.32

Uit de procesreglementen blijkt in welke familiezaken de rechtbanken en de hoven de tiendagentermijn hanteren en in welke zaken niet.

Procesreglementen rechtbanken

3.33

De procesreglementen van de rechtbanken lijken als uitgangspunt te hanteren dat de tiendagentermijn niet geldt in familiezaken. Daarbij lijken ze zich te baseren op de uitzondering van artikel 279 lid 6 Rv dat de aard van de zaak of de procedure zich verzet tegen de toepasselijkheid van artikel 87 lid 6 Rv in familiezaken.
Sinds 1 maart 2021 bevatten alle Procesreglementen familie- en jeugdrecht immers een termijn van drie werkdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling voor het indienen van processtukken. Zo luidt artikel 1.13 van het Procesreglement Gezag en Omgang, ook van toepassing op verhuisgeschillen op grond van artikel 1:253a BW (mijn onderstreping; A-G): 33

“Processtukken worden uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingediend, tenzij de wet of het procesreglement voorschrijft dat de stukken eerder moeten worden ingediend.”

3.34

Die termijn van drie werkdagen heeft geen wettelijke basis. Blijkens de toelichting bij de versie van de Procesreglementen waarin deze driedagentermijn werd geïntroduceerd, is deze termijn bedoeld “om de goede procesorde beter te bewaken dan thans mogelijk is”. 34 Deze termijn voor het overleggen van stukken kan dus worden gezien als een aansporing aan het adres van advocaten en procespartijen om, ondanks het niet gelden van de wettelijke tiendagentermijn, toch tijdig stukken in het geding te brengen. 35

3.35

Artikel 1.13 Procesreglement Gezag en Omgang 36 voorziet in een uitzondering op de hoofdregel van de driedagentermijn, in geval de wet of het procesreglement voorschrijft dat stukken eerder ingediend moeten worden. Van deze uitzondering is sprake in het Procesreglement Scheiding en het Procesreglement Alimentatie en Bijstandsverhaal. In deze procesreglementen wordt voor scheidingszaken, alimentatiezaken en bijstandsverhaalzaken wel een tiendagentermijn gehanteerd voor het indienen van stukken. 37 Zo luidt artikel 7.8 van het Procesreglement Scheiding als volgt (mijn onderstreping; A-G): 38

“Een partij die tijdens de mondelinge behandeling nog een proceshandeling wenst te verrichten of stukken in het geding wenst te brengen, zorgt ervoor dat de rechtbank en iedere belanghebbende uiterlijk tien dagen voor de dag van de mondelinge behandeling een afschrift van het te nemen processtuk of de in het geding te brengen stukken hebben ontvangen.”

Procesreglement hoven

3.36

Anders dan de procesreglementen van de rechtbanken neemt het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven de wettelijke tiendagentermijn voor het indienen van stukken wel als uitgangspunt. 39 Artikel 1.4.5 in het algemene deel van dit Procesreglement luidt, met verwijzing naar artikel 87 lid 6 Rv (mijn onderstreping; A-G): 40

“1. Een belanghebbende die niet-digitaal procedeert en die na de indiening van het beroepschrift en het verweerschrift (op het incidenteel hoger beroep) nog stukken in het geding wenst te brengen, zorgt ervoor dat het hof en iedere overige belanghebbende zo spoedig mogelijk, maar tot uiterlijk tien kalenderdagen voor de mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 87 lid 6 in verbinding met artikel 279 lid 6 Rv, een afschrift van het in te dienen processtuk of de in het geding te brengen bewijsstukken hebben ontvangen. Dit wordt gedaan overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 1.1.9, 1.1.19 en 1.1.20 voor het indienen van stukken.

Het in te dienen processtuk of de in het geding te brengen bewijsstukken worden in het aantal zoals vermeld in Bijlage I ingediend, met inachtneming van artikel 1.1.9.

2. Een belanghebbende die digitaal procedeert dient de onder 1. Genoemde stukken digitaal in, zoveel mogelijk met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 1. is bepaald.

Stukken die na die termijn of op de mondelinge behandeling in het geding worden gebracht, worden door het hof buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet.

(…)”

3.37

Het is mij overigens niet duidelijk waarom deze bepaling zich beperkt tot het indienen van stukken door belanghebbenden, en niet door alle partijen (vgl. de desbetreffende bepalingen in de procesreglementen van de rechtbanken).

3.38

Genoemd procesreglement van de hoven kent voor slechts één categorie familiezaken een uitzondering op de wettelijke tiendagentermijn, te weten de kinderbeschermingszaken. Artikel 2.4.6 van het voor familiezaken geldende procesreglement van de hoven luidt als volgt (mijn onderstreping; A-G):

“In afwijking van het bepaalde in artikel 1.4.5 kunnen in zaken betreffende een maatregel van kinderbescherming ook binnen de in dit artikel genoemde termijn van tien kalenderdagen nog stukken worden overgelegd die van belang zijn en niet eerder konden worden ingediend.”

3.39

Alleen in kinderbeschermingszaken lijkt “de aard van de zaak of de procedure” (zie art. 279 lid 6 Rv) zich volgens het procesreglement dus te verzetten tegen de toepasselijkheid van de tiendagentermijn van artikel 87 lid 6 Rv.

3.40

Artikel 2.4.6 staat in het “bijzonder deel” van het procesreglement voor de hoven. Dit deel bevat bijzondere regels per verzoek, zo ook (in paragraaf 2.4) voor “jeugdzaken”. Dit begrip “jeugdzaken” wordt in artikel 2.4.2 van het procesreglement omschreven als “zaken betreffende gezag, verblijfplaats, omgang, informatie en consultatie ten aanzien van minderjarigen, alsmede maatregelen van kinderbescherming”. 41 Daaronder vallen dus ook verhuisgeschillen op grond van artikel 1:253a BW. Maar omdat artikel 2.4.6 zich uitdrukkelijk beperkt tot kinderbeschermingszaken, geldt op grond van het procesreglement voor verhuiszaken in hoger beroep de wettelijke tiendagentermijn voor het indienen van stukken (zie immers art. 1.4.5 van het procesreglement, hiervoor onder 3.36 geciteerd).

Termijn voor het indienen van stukken in verhuiszaken

3.41

Uit het voorgaande blijkt dat rechtbanken en hoven volgens hun procesreglementen andere termijnen voor het indienen van stukken in verhuiszaken op grond van artikel 1:253a BW hanteren. De rechtbanken gaan uit van een termijn van drie werkdagen en de hoven van een termijn van tien kalenderdagen.

3.42

De hamvraag is of in verhuiszaken op grond van artikel 1:253a BW de “aard van de zaak of de procedure” zich verzet tegen de toepasselijkheid van de wettelijke tiendagentermijn van artikel 87 lid 6 Rv (zie de schakelbepaling van artikel 279 lid 6 Rv) . Ik ben van mening dat deze vraag bevestigend beantwoord moet worden. Dat betekent dat partijen mijns inziens in dergelijke verhuiszaken in beginsel (zie hierna onder 3.44) dus ook korter dan tien kalenderdagen voor de mondelinge behandeling, en ook korter dan drie werkdagen voordien, 42 in het geding mogen brengen.

3.43

Ik wijs daartoe op hetgeen de Hoge Raad in zijn uitspraak van 16 mei 2025 (zie hiervoor onder 3.10) heeft overwogen. Daaruit vloeit immers voort dat de beslissing van de rechter in een verhuisgeschil op grond van artikel 1:253a BW (i) dient te zijn gebaseerd op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak van de rechter, en dat (ii) de rechter een zodanige beslissing neemt als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt (art. 1:253a BW) , waarmee in overeenstemming is dat de rechter grote vrijheid heeft “alles wat door partijen is aangevoerd bij zijn beoordeling te betrekken”. 43 Die combinatie van karakteristieken, die maken dat in een procedure als de onderhavige een uitzondering op de tweeconclusieregel geldt, maken mijns inziens ook dat de aard van de zaak of de procedure zich tegen overeenkomstige toepassing van de tiendagentermijn van artikel 87 lid 6 Rv verzet.

3.44

Dat artikel 87 lid 6 Rv op grond van artikel 279 lid 6 Rv niet van overeenkomstige toepassing is in verhuiszaken op grond van artikel 1:253a BW, betekent echter niet dat de rechter in die zaken stukken die kort voor de mondelinge behandeling in het geding worden gebracht, zonder meer zou moeten toelaten. De rechter dient dat aan de hand van de eisen van een goede procesorde te beoordelen (vgl. hiervoor onder 3.29-3.30). 44

3.45

De rechter die een kort voor de mondelinge behandeling in het geding gebracht stuk toelaat, zal erop moeten letten dat aan het beginsel van hoor en wederhoor recht wordt gedaan en zo nodig maatregelen moeten treffen om wederhoor te waarborgen.

3.46

Ik keer terug naar de klachten van de subonderdelen 1.1 tot en met 1.3. Daar kan ik kort over zijn. Die slagen alle.

3.47

Zoals hiervoor onder 3.42 en 3.43 reeds is opgemerkt, doet zich mijns inziens in deze procedure – waarbij een verhuisgeschil op grond van artikel 1:253a BW aan de rechter is voorgelegd – het in artikel 279 lid 6 Rv genoemde geval voor dat de aard van de zaak of de procedure zich tegen overeenkomstige toepassing van artikel 87 lid 6 Rv verzet. Subonderdeel 1.1 dat klaagt dat het hof de toepasselijkheid van deze tenzij-bepaling heeft miskend, slaagt dan ook.
Dat betekent als gezegd (zie hiervoor onder 3.44) niet zonder meer dat het hof ook acht had moeten slaan op de door de vader bij zijn e-mailbericht van 13 november 2024 (en dus daags voor de mondelinge behandeling) in het geding gebrachte stukken. Mijns inziens had het hof moeten beoordelen of het kort voor de mondelinge behandeling in het geding brengen ervan strijd met de goede procesorde oplevert. Dat heeft het hof niet (kenbaar) gedaan.

3.48

Ook als de regeling van artikel 87 lid 6 Rv wel van overeenkomstige toepassing zou zijn, had het hof niet kunnen volstaan met de constatering dat de door de vader bij zijn e-mailbericht van 13 november 2024 gevoegde producties “te laat”, want niet met inachtneming van de in artikel 1.4.5 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven (en art. 87 lid 6 Rv) genoemde tiendagentermijn, zijn ingediend. Ingevolge voornoemde bepalingen wordt een na de termijn in het geding gebracht stuk door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. Niet blijkt dat het hof een dergelijke beoordeling heeft verricht.
Subonderdeel 1.2 dat klaagt dat het hof het wettelijk kader (art. 87 lid 6 Rv) heeft miskend, treft daarom eveneens doel.

3.49

Subonderdeel 1.3 betoogt tot slot met succes dat als het hof dit een en ander niet heeft miskend, het zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.50

Onderdeel 1 slaagt dus in al zijn subonderdelen. Tot besluit merk ik op dat het verwijzingshof, als het de e-mailberichten van de vader en de daarbij behorende, nog niet toegelaten, producties alsnog in zijn beoordeling betrekt, de moeder in de gelegenheid zal moeten stellen zich daarover uit te laten. 45

Onderdeel 2

3.51

Onderdeel 2 is gericht tegen r.o. 5.8 tot en met 5.14 van de bestreden beschikking, waarin het hof, kort weergegeven, heeft geoordeeld dat het verzoek van de vader tot het verkrijgen van vervangende toestemming om te verhuizen alsnog moet worden afgewezen en dat de vader met de kinderen zal moeten terugverhuizen naar een woning in de omgeving van [plaats 1] en binnen een straal van 10 km van de in het ouderschapsplan bedoelde school. Geklaagd wordt dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Onderdeel 2 valt uiteen in enkele subonderdelen.

3.52

Gelet op het slagen van onderdeel 1 zal het verwijzingshof na vernietiging en verwijzing eerst moeten beoordelen of, en zo ja in hoeverre het de op 29 oktober 2024 en 13 november 2024 door de vader in het geding gebrachte e-mailberichten met, nog niet toegelaten, producties alsnog toelaat. Indien dat hof de genoemde stukken geheel of gedeeltelijk toelaat, zal het de verhuisgerelateerde verzoeken van partijen opnieuw moeten beoordelen, mede met inachtneming van deze alsnog toegelaten stukken. Bij die stand van zaken acht ik het niet zinvol de klachten van onderdeel 2 te bespreken.

Onderdelen 3 en 4

3.53

Onderdeel 3 is gericht tegen r.o. 5.5, waar het hof kort gezegd de standpunten van de vader in hoger beroep samengevat heeft weergegeven. Volgens het onderdeel ligt in de voorafgaande onderdelen besloten dat r.o. 5.5 een onjuiste (want onvolledige) althans onbegrijpelijke samenvatting geeft van het verweer van de vader, omdat geen rekening is gehouden met de standpunten van de vader zoals deze zijn weergegeven in zijn e-mailberichten van 29 oktober 2024 en 13 november 2024 (zie onderdeel 1) en evenmin met de standpunten van de vader in eerste aanleg (waarop onderdeel 2 mede betrekking heeft).

3.54

De vader heeft bij zijn klacht over de weergave door het hof van zijn standpunt geen zelfstandig belang. Het onderdeel faalt dan ook.

3.55

Onderdeel 4 tot slot bevat een voortbouwklacht, die is gericht tegen r.o. 5.16 (beslissing over de hoofdverblijfplaats van de dochter), r.o. 5.17 (beslissing over de zorgregeling) en het dictum van de bestreden beschikking. Deze slaagt in het verlengde van onderdeel 1.

4Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 januari 2025, zoals aangevuld bij herstelbeschikking van 17 juni 2025, en tot verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1

De hierna vermelde feiten zijn ontleend aan de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:19, r.o. 3.1-3.3 en 3.6.

2

Het procesverloop is opgenomen voor zover in cassatie van belang.

3

Het zorgplan is overgelegd als productie 4 bij het inleidend verzoekschrift van de vader.

4

Deze beschikking is overgelegd als productie 5 bij het verweerschrift van de GI in hoger beroep.

5

Rechtbank Gelderland 23 oktober 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:7557.

6

Rechtbank Gelderland 12 februari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:9878.

7

Zie voor een uitgebreidere weergave de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:19, r.o. 4.1. De verzoeken van de moeder om de onmiddellijke werking van de beschikking van de rechtbank van 12 februari 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:9878 te schorsen en om voorlopige voorzieningen te treffen, heeft het hof afgewezen bij beschikking van 16 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4678.

8

Het door de vader ingestelde incidenteel hoger beroep heeft betrekking op de kinderalimentatie en is in cassatie niet van belang; zie de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:19, r.o. 4.2.

9

De advocaat van de vader heeft zich blijkens de kop van de beschikking van het hof van 7 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:19, op 17 oktober 2024 aan de zaak onttrokken.

11

Zie voor deze uitvoerbaarverklaring bij voorraad de herstelbeschikking van 17 juni 2025 op een verzoek op grond van artikel 31 en 32 Rv, zaaknummer 200.341.212/01 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).

12

In de procesinleiding in cassatie is een voorbehoud opgenomen, omdat de vader op het moment van het instellen van dit cassatieberoep nog niet beschikte over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep. Van dit voorbehoud is geen gebruik gemaakt. Overigens bevatte het door de vader gefourneerde procesdossier aanvankelijk niet een kopie van het gehele proces-verbaal (de laatste pagina ontbrak). Op verzoek van de griffie is op 27 november 2025 alsnog een kopie van het gehele document overgelegd.

13

HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901, NJ 2008/414 m.nt. S.F.M. Wortmann en FJR 2008/83 m.nt. I.J. Pieters (Zwitserse verhuiszaak), r.o. 3.3. Zie nadien o.a. HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:487, NJ 2017/148, r.o. 3.3.2. Op dit beoordelingskader ben ik nader ingegaan in mijn conclusie in een recente verhuiszaak: ECLI:NL:PHR:2025:1046, onder 3.4-3.9, voor HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1734 (art. 81 lid 1 RO) .

14

Zie o.m. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders, r.o. 4.2.2-4.2.4; HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2009/39 m.nt. B.T.M. van der Wiel, r.o. 2.4.2 en HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238, NJ 2018/31 en JBPr 2018/9 m.nt. G.C.C. Lewin, r.o. 3.3.2.

15

Zie o.m. HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9226, NJ 2012/552, JBPr 2013/4 m.nt. J.G.A. Linssen en JPF 2013/11 m.nt. P. Vlaardingerbroek, r.o. 3.3.

16

HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:764, JBPr 2025/47 m.nt. J.W.M.K. Meijer en JIN 2025/85 m.nt. J.E. Sondorp.

17

Deze voetnoot in het citaat bevat een vergelijkende verwijzing naar HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9226, r.o. 3.3.

18

Zijn advocaat had zich op dat moment reeds aan de zaak onttrokken; zie ook voetnoot 9 hiervoor.

19

Voor de goede orde merk ik op dat de bestreden beschikking is gegeven voor deze uitspraak van de Hoge Raad.

20

Het middel refereert hiermee aan twee omstandigheden die van belang kunnen zijn als de tweeconclusieregel wél van toepassing is. Dat (kort gezegd) sprake is van nieuwe feiten, is immers een van de in de rechtspraak aanvaarde uitzonderingen op de tweeconclusieregel; zie o.m. HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2009/39 m.nt. B.T.M. van der Wiel, r.o. 2.4.4 en HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:258, NJ 2020/91, r.o. 3.2.2. Voorts is vaste rechtspraak dat de tweeconclusieregel er niet aan in de weg staat dat reeds eerder aangevoerde grieven, stellingen of verweren nader worden uitgewerkt of gepreciseerd; zie o.m. HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1334, NJ 2023/297 en JBPr 2024/8 m.nt. R.M. Andes, r.o. 3.1.2 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/116.

21

HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9287, NJ 2010/127 m.nt. H.J. Snijders, r.o. 3.2.5 en 3.2.9.1.

22

ECLI:PHR:2015:845, onder 2.7 en 2.8 en zie ook onder 2.6, voor HR 25 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2822 (art. 81 lid 1 RO) , onder verwijzing naar W.H.B. den Hartog Jager, Procederen met of zonder procesvertegenwoordiger en andere aspecten van procesvertegenwoordiging. De stand van zaken in 2012, Deventer: Kluwer 2012, nrs. 115-117 en 123, Snijders/Klaassen/Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2011, nr. 300, en, met enige aarzeling ook: E.L. Schaafsma-Beversluis, Groene Serie Rechtsvordering, art. 278 Rv, aant. 17F (inmiddels actueel t/m 1 maart 2024) en de conclusie van voormalig A-G Langemeijer, onder 2.7, voor HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9287, NJ 2010/127 m.nt. H.J. Snijders.

23

Zie naast de in de vorige voetnoot door voormalig A-G Rank-Berenschot genoemde literatuur ook meer recent o.m. A.V.T. de Bie, Sdu Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 278 Rv, aant. 4 (publicatiedatum: 17 maart 2025). Vgl. ook de bijdrage van mijn hand in W.M. Schrama e.a. (red.), Familierecht. Een introductie, Den Haag: Boom juridisch 2023, p. 50 met verwijzing naar genoemde conclusie van voormalig A-G Rank-Berenschot en M.L.C.C. Lückers, ‘Zorgvuldig procederen in familiezaken’, EB 2016/32. Vgl. ook Coenraad, ‘Stukkenverdriet: helpende termijnen’, REP 2021/364, p. 39. Vgl. ook Kamerstukken II 2000-2001, 27 824, nr. 3, p. 35-36 (MvT bij de Wet tot Aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Stb. 2001, 581).

24

Stb. 2019, 241.

25

Stb. 2016, 288.

26

Zie Kamerstukken II 2014-2015, 34 059, nr. 3 (MvT), p. 72 (Van Mierlo & Krzeminski (red.), Parl. Gesch. Rv (‘KEI') 2016/1.29.3). Vgl. ook Kamerstukken II 2014-2015, 34 059, nr. 6 (NV), p. 66-67, met verwijzing naar par. 1.2.2 (zie p. 18) (Van Mierlo & Krzeminski (red.), Parl. Gesch. Rv (‘KEI') 2016/1.29.5).

27

Zie de vorige voetnoot.

28

Zie mijn bijdrage ‘Stukkenverdriet’, in: R.H. de Bock, R.J.Q. Klomp & E.L. Schaafsma-Beversluis (red.), Voor Daan Asser. Procesrechtelijke desiderata ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag, (Asser-bundel), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 56 en Coenraad, a.w. 2021, p. 37. In eerstgenoemde bijdrage (p. 60 en 62) heb ik de invoering van artikel 87 lid 6 Rv aangegrepen om te pleiten voor meer discipline ten aanzien van het tijdig overleggen van stukken in familiezaken.

29

Zie de conclusie van A-G De Bock, ECLI:NL:PHR:2022:454, onder 4.54-4.65, voor HR 2 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1813, NJ 2022/382, TRA 2023/32, m.nt. M.D. Ruizeveld, JIN 2023/20, m.nt. S.C. Verlinden. Zie ook M.J.A.M. Ahsmann, De regierol van de rechter, Naar harmonie tussen effectiviteit, efficiëntie en rechtvaardigheid (Burgerlijk Proces & Praktijk nr. 26), Deventer: Wolters Kluwer 2024/1633 en L.M. Coenraad en A.C. Siemons, 'Kroniek Familieprocesrecht', FJR 2024/5, onder 3.

30

Zie Kamerstukken II 2014-2015, 34 059, nr. 3 (MvT), p. 72 (Van Mierlo & Krzeminski (red.), Parl. Gesch. Rv (‘KEI') 2016/1.29.3).

31

Zie de conclusie van A-G De Bock, ECLI:NL:PHR:2022:454, onder 4.64-4.65, voor HR 2 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1813, NJ 2022/382, TRA 2023/32, m.nt. M.D. Ruizeveld, JIN 2023/20, m.nt. S.C. Verlinden, met verwijzing naar HR 29 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1186, NJ 1990/732; HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF1210, NJ 2004/172 m.nt. H.J. Snijders (Dipasa/[…]); HR 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9613, NJ 2008/554 m.nt. H.J. Snijders. Ook door onder anderen Pauline Ernste is artikel 87 lid 6 Rv gekenmerkt als een codificatie van de bestaande praktijk; zie P.E. Ernste, ‘Het Wetsvoorstel Spoedwet KEI: een verruiming van regie van de rechter en de mogelijkheden rondom de mondelinge behandeling?’, TCR 2019, nr. 3, par. 6.

32

Zie aldus ook Compendium Echtscheiding, Ibili, Staats, Stollenwerck (red.), A.V.T. de Bie en E.E. Kraan, p. 175-177, Den Haag: Sdu 2023 en de hiervoor aangehaalde conclusie van A-G De Bock.

33

Zie voor vergelijkbare bepalingen artikel 1.13 Procesreglement Scheiding, artikel 1.12 Procesreglement Alimentatie en Bijstandsverhaal, artikel 1.12 Procesreglement Adoptie en Overige (Boek 1)zaken en artikel 1.10 Procesreglement Civiel jeugdrecht. Ik heb de meest recente (zevenentwintigste) versie van 1 januari 2026 geraadpleegd (Stcrt. 2025, 39875), te vinden op rechtspraak.nl.

34

Zie Stcrt. 2021, 8418.

35

Zie aldus ook J.C.E. Ackermans-Wijn, ‘De indieningstermijn van stukken in familiezaken’, EB 2023/10, onder 4. Vgl. in dit verband ook HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0197, NJ 2010/650 en JBPr 2011/16 m.nt. K. Teuben, r.o. 3.3.1-3.3.2, waar de Hoge Raad onder meer heeft overwogen dat de procesreglementen aanwijzingen geven voor het tijdig indienen van stukken, alsmede dat aan de in een procesreglement gestelde termijn voor indiening van nadere stukken (in die zaak ging het om de in het destijds geldende Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven gestelde termijn voor het indienen van nadere stukken van vier dagen voor de pleitzitting) het uitgangspunt kan worden ontleend dat in het algemeen indiening van nadere stukken (ruimschoots) voor het in het procesreglement bedoelde tijdstip heeft te gelden als zodanig tijdig dat de wederpartij er voldoende van kennis zal kunnen nemen om er adequaat op te kunnen reageren, zo nodig met een gemotiveerd verzoek om aanhouding van de behandeling, dan wel om bij nadere akte op de ingediende stukken te mogen reageren.

36

En de overige in voetnoot 33 genoemde gelijkluidende bepalingen.

37

Voor deze drie soorten zaken geldt een van artikel 282 lid 1 Rv afwijkende verkorte verweertermijn: zie achtereenvolgens artikel 816 lid 1 en 2 Rv in verbinding met art. 818 lid 1 Rv (echtscheiding), artikel 801 lid 1 Rv (alimentatie) en artikel 62h Participatiewet in verbinding met artikel 801 lid 1 Rv (bijstandsverhaal). Vgl. echter HR 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0159, NJ 2013/258, JPF 2013/84 m.nt. P. Vlaardingerbroek, r.o. 3.6. Zie nader over het verband tussen de verweertermijn en de termijn voor het indienen van stukken: mijn artikel in REP 2021/364, a.w., p. 37-38 en L.M. Coenraad en A.C. Siemons, ‘Kroniek Familieprocesrecht’, FJR 2022/59, onder 11.1. Zie ook Ackermans-Wijn, a.w., onder 2.1.

38

Het Procesreglement Alimentatie en Bijstandsverhaal bevat in artikel 5.9 een vergelijkbare bepaling, die evenwel is toegespitst op bijstandsverhaalzaken. Dat ook de Procesreglementen Scheiding en Alimentatie en Bijstandverhaal de driedagentermijn kennen (zie hiervoor in voetnoot 33), is vanwege de voorlopige voorzieningenprocedure in dit type zaken waarin geen verkorte verweertermijn geldt (vgl. ook de vorige voetnoot). Zie Coenraad, a.w. 2021, p. 38 en 40.

39

Ook hier speelt waarschijnlijk weer een verband met de verkorte verweertermijn mee, die in hoger beroep in beginsel voor opgeroepen belanghebbenden geldt op grond van artikel 361 lid 3 Rv en zie voor alimentatiezaken art. 801 lid 1 Rv in verbinding met art. 806 lid 2 Rv. Zie ook art. 1.3.2 en art. 2.4.5 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, waarbij ik de meest recente versie van 1 januari 2026 heb geraadpleegd (Stcrt. 2025, 40002). Zie ook hiervoor voetnoot 37.

40

Deze bepaling luidt zowel in de in de vorige voetnoot genoemde meest recente versie van het procesreglement als in de ten tijde van de bestreden beschikking geldende vijftiende versie van het procesreglement (Stcrt. 2024, 38427) aldus.

41

Ook op dit punt luiden de meest recente zeventiende versie en de vijftiende versie (Stcrt. 2024, 38427) van het procesreglement voor de hoven identiek.

42

Zie hiervoor onder 3.33 en 3.34.

43

Zie r.o. 3.2 in verbinding met r.o. 3.4.

44

Zie aldus ook Coenraad en Siemons, a.w. 2022, onder 11.1 en Ackermans-Wijn, a.w., onder 2.2.

45

Zie andermaal HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:764, JBPr 2025/47 m.nt. J.W.M.K. Meijer en JIN 2025/85 m.nt. J.E. Sondorp., r.o. 3.4.


meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Er zijn geen blogs of artikelen gevonden bij:
Alle rechtsgebieden (en zoekwoord: ECLI:NL:PHR:2026:49)

×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN