ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts €199,- per jaar (excl. btw)

Selecteer hier uw rechtsgebied(en) en eventuele andere filteropties

Print

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-03-2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2224

Datum publicatie14-03-2019
Zaaknummer200.202.067/01
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenFamilievermogensrecht. Titel 8 Huwelijksvoorwaarden. Afd. 8.2 Verrekenbedingen. Het vervalbeding art. 1:141. Verrekening inkomsten of vermogen art. 1:132-133. Familieprocesrecht. Convenant / ouderschapsplan / ovk. Uitleg / Haviltex
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Afwikkeling periodiek verrekenbeding. Beroep op vervalbeding faalt. Man mocht er niet op mocht vertrouwen dat vrouw afzag van haar vordering tot verrekening. Uitleg huwelijkse voorwaarden. Geen aanleiding om het begrip "besparingen" beperkter uit te leggen dan het begrip "overgespaarde inkomsten". Onder "besparingen" wordt in ieder geval verstaan het geld dat vd ontslagvergoeding overbleef, na aftrek kosten huishouding. Waarde vd daarmee gekochte privé aandelen moet dus worden verrekend.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.202.067/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/149569 / HA ZA 14-188)

arrest van 12 maart 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. C. Heijs, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. F.B. Flooren, kantoorhoudend te Groningen.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 1 mei 2018 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Ingevolge het tussenarrest van 1 mei 2018 heeft op 23 juli 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich in afschrift bij de stukken. Mr. Heijs en mr. Flooren hebben hierbij comparitieaantekeningen overgelegd.

1.2

Namens [appellante] zijn ter voorbereiding van voornoemde comparitie aan het hof toegezonden een brief van 28 juni 2018 met productie(s) en een brief van 5 juli 2018 met productie(s).

1.3

Namens [geïntimeerde] is ter voorbereiding van voornoemde comparitie aan het hof toegezonden een brief van 6 juli 2018 met productie(s).

1.4

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het voor de comparitie overgelegde dossier, waaraan de onder 1.2 en 1.3 genoemde brieven, het proces-verbaal en voornoemde comparitieaantekeningen zijn toegevoegd.

1.5

De vordering van [appellante] in de memorie van grieven luidt:
" Dat het uw Gerechtshof moge behagen om bij arrest:
I het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 29 juni 2016,

met zaaknummer/rolnummer C/18/149569/HA ZA14-188 gewezen tussen appelante als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en gerequireerde als gedaagde in conventie, eiser in reconventie (deels) te vernietigen voor zover:

a. de rechtbank onder 5.1 van het vonnis heeft beslist dat partijen bij de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden het uitgangspunt dienen te hanteren dat voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dient te worden uitgegaan van hetgeen onder "C. Uitleg huwelijkse voorwaarden waaronder het begrip besparingen" van het vonnis is overwogen en beslist;

en het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 29 juni 2016,

met zaaknummer/rolnummer C/18/149569/HA ZA14-188 gewezen tussen appellante

als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en gerequireerde als gedaagde in

conventie, eiser in reconventie (deels) deels te vernietigen voor zover de rechtbank in

het vonnis onder "C: Uitleg huwelijkse voorwaarden waaronder het begrip

"besparingen" heeft geoordeeld:

b. onder 4.18 dat noch uit de tekst van de huwelijkse voorwaarden noch aan de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de huwelijkse voorwaarden mochten toekennen, kan worden afgeleid dat partijen bedoeld hebben bij het einde van het huwelijk tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden over te gaan als waren zij gehuwd in gemeenschap van goederen;

c. onder 4.19 dat de door [appellante] gestelde omstandigheden, die erop neerkomen dat partijen nimmer hebben verrekend en altijd hebben geleefd als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd (los van de vraag of dit feitelijk juist is) niet tot het oordeel kunnen leiden dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet worden afgewikkeld op de door [appellante] voorgestane wijze;

d. onder 4.20 dat met betrekking tot de ondernemingen - gelet op de door [geïntimeerde] aangehaalde artikelen uit de huwelijkse voorwaarden - niet gezegd kan worden dat deze vermoed worden tot het vermogen van beide partijen te behoren, waarbij de rechtbank betrekt dat [appellante] niet meer heeft bijgedragen aan de ondernemingen dan hand- en spandiensten;

e. onder 4.22 eerste gedachtestreepje dat de ontslagvergoeding die (deels) is gebruikt om de oprichting van de ondernemingen te financieren, deze niet is aan te merken als overgespaarde inkomsten, nu deze inkomsten zijn aangewend ter financiering van de onderneming(en) en [geïntimeerde] op deze wijze na het ontslag bij zijn vorige werkgever weer in staat was inkomen (winst) te verwerven;

f. onder 4.22 derde gedachtestreepje dat indien komt vast te staan dat er overgespaarde inkomsten/winst in beginsel voor verrekening in aanmerking komen/komt, met inachtneming van artikel 6, lid 4 van de huwelijkse voorwaarden (welke bepaling overigens in overeenstemming is met de jurisprudentie van de Hoge Raad) vast gesteld dient te worden tot welk bedrag dit aan de ondernemingen kan worden onttrokken;

II het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 29 juni 2016,

met zaaknummer/rolnummer C/18/149569/HA ZA14-188 gewezen tussen appellante

als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en gerequireerde als gedaagde in

conventie, eiser in reconventie (deels) te vernietigen voor zover de rechtbank onder

5.1

beslist dat wat betreft de verdeling van de woning dient te worden uitgegaan van

hetgeen in rechtsoverweging 4.31 is overwogen en beslist en het vonnis te vernietigen

voor zover onder 4.31 is geoordeeld dat de woning dient te worden verdeeld conform

het voorstel van [appellante] , zij het dat een en ander uiteindelijk te financieren moet zijn

voor haar en dat (wat betreft de waarde van de woning) een onafhankelijk deskundige

deze dient te taxeren per datum verdeling/taxatie;

III a. en opnieuw rechtdoende de vorderingen van appellante ter zake de verrekening van het ondernemingsvermogen toe te wijzen en te beslissen dat het totale ondernemingsvermogen zijdens geïntimeerde tot het te verrekenen vermogen behoort en de helft van de waarde van dat ondernemingsvermogen per peildatum aan appellante toekomt en geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellante van de helft van de waarde van het ondernemingsvermogen, in ieder geval de aandelen in DBP Projectadvisering BV (inclusief DBZ), de helft van de waarde van zijn aandelen in CHE-Eemshaven BV, de helft van de waarde van de aandelen in Side Realty Invest BV, de helft van de waarde van de aandelen in Oude Snik BV en de helft van de waarde van Poldemar, en uw Gerechtshof het bedrag vaststelt dat appellante ter zake het ondernemingsvermogen toekomt, welk bedrag vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente vanaf 1 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, welke waardes nader vastgesteld dienen te worden door een door uw Hof aan te wijzen deskundige,
dan wel de zaak te verwijzen naar een nadere pro forma zitting met de opdracht aan geïntimeerde uiterlijk op de nader te bepalen pro forma zitting opgave te verstrekken van het ondernemingsvermogen, waaronder de waarde van de aandelen in DBP Projectadvisering BV (inclusief DBZ), CHE-Eemshaven BV, Side Realty Invest BV, Oude Snik BV en de waarde van Poldemar, waarop door de vrouw kan worden gereageerd, dan wel een deskundige aan te wijzen die de waarde van het ondernemingsvermogen, waaronder de waarde van de aandelen van de man in DBP Projectadvisering BV (inclusief DBZ), CHE-Eemshaven BV, Side Realty Invest BV, Oude Snik BV en de waarde van Poldemar gaat vaststellen;

b. en opnieuw rechtdoende te beslissen dat de woning te [A] aan de [a-straat] 6 [A] wordt verkocht en geïntimeerde te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan de verkoop van het onroerend goed, staande en gelegen aan de [a-straat] 6 [A] door hem te verplichten samen met appellante een door Uw Gerechtshof aan te wijzen NVM makelaar - binnen vijf dagen na betekening van het in dezen te wijzen arrest - opdracht te verstrekken om tot verkoop over te gaan tegen een volgens deze makelaar geadviseerde vraagprijs althans voor een laatprijs van maximaal 25% lager dan deze geadviseerde vraagprijs, bij gebreke waarvan Uw Gerechtshof appellante machtigt op grond van artikel 3:174 lid 1 BW om het onroerend goed, staande en gelegen aan de [a-straat] 6 te [A] in verkoop te geven, althans Uw Gerechtshof bepaalt dat het in dezen te wijzen arrest de voor de verkoop noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring van geïntimeerde zal vervangen (artikel 3:300 lid 2 BW);
geïntimeerde bij een verkoop te veroordelen op eerste sommatie van appellante en uiterlijk binnen 5 dagen na betekening van het in dezen te wijzen arrest aan hem, tot medewerking aan levering van het onroerend goed, staande en gelegen aan de [a-straat] 6 te [A] aan de kopende partij, door medewerking te verlenen aan het opmaken van en het verlijden van de akte van levering, bij gebreke waarvan Uw Gerechtshof appellante machtigt op grond van artikel 3:174 lid 1 BW om het onroerend goed, staande en gelegen aan de [a-straat] 6 [A] namens geïntimeerde te leveren, althans Uw Gerechtshof bepaalt dat het in dezen te wijzen arrest de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke wilsverklaring van geïntimeerde zal vervangen (artikel 3:300 lid 2 BW);

IV het vonnis voor het overige te bevestigen;

V met veroordeling van gerequireerde in de kosten van het geding in beide instanties, de

kosten van de deskundige en die van de gelegde beslagen ad € 5.015,01 althans

zodanig bedrag als uw Hof juist acht daaronder begrepen, te vermeerderen met de

nakosten ad € 205,- zonder betekening en € 273,- ingeval van betekening, een en

ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest en - voor het

geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te

vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde

termijn voor voldoening;

VI het arrest voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren."

1.6

De conclusie van [geïntimeerde] in de memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, luidt:

" Dat het uw gerechtshof moge behagen om bij arrest, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

IN APPEL:
I. Het vonnis van de Rechtbank Groningen d.d. 29 juni 2016 voor zover is beslist onder

5.1

over het uitgangspunt dat gehanteerd dient te worden voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zoals onder (a) "C Uitleg huwelijkse voorwaarden waaronder het begrip besparingen" van het vonnis is overwogen en beslist ten aanzien van:

(b) Rechtsoverweging 4.18 dat niet afgeleid kan worden uit de huwelijkse voorwaarden dat partijen dienen af te wikkelen als waren zij gehuwd, te concluderen tot het falen van deze grief zodat deze rechtsoverweging bekrachtigt dient te worden;

(c) Rechtsoverweging 4.19 waarin het standpunt van de vrouw dat partijen nimmer hebben verrekend en altijd hebben geleefd als ware zij in gemeenschap gehuwd zodat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid afgewikkeld dient te worden op de door [appellante] voorgestane wijze is afgewezen, te concluderen tot het falen van deze grief en deze rechtsoverweging te bekrachtigen;

(d) Rechtsoverweging 4.20 waarbij is overwogen dat over de ondernemingen van [geïntimeerde] niet gezegd kan worden dat deze tot het vermogen van beide partijen behoren, te concluderen tot het falen van deze grief en deze rechtsoverweging te bekrachtigen;

(e) Rechtsoverweging 4.22 eerste gedachtestreepje dat de ontslagvergoeding niet aan te merken is als overgespaarde inkomsten, te concluderen tot het falen van deze grief en deze rechtsoverweging te bekrachtigen.

(f) Rechtsoverweging 4.22 derde gedachtestreepje dat indien vast komt te staan dat er overgespaarde inkomsten zijn. De winst in beginsel voor verrekening in aanmerking komt, met inachtneming van artikel 6 lid 4 van de huwelijkse voorwaarden vastgesteld dient te worden tot welk bedrag dit aan de ondernemingen kan worden onttrokken, deze grief te laten falen en te concluderen tot bekrachtiging van deze overweging voor zover er is overwogen dat minstens op grond van de tekst van de huwelijkse voorwaarden artikel 6 lid 4 in acht genomen moet worden;

II. Het vonnis van de Rechtbank Groningen d.d. 29 juni 2016 te vernietigen voor zover de rechtbank onder 5.1 heeft beslist onder rechtsoverweging 4.31 dat de woning verdeeld dient te worden conform het voorstel van [appellante] , zij het dat het een en ander te financieren moet zijn voor haar en een onafhankelijke deskundige deze dient te taxeren per datum verdeling/taxatie. Deze grief slaagt voor zover het gaat om aan wie de woning dient te worden toegedeeld, nu partijen het er inmiddels over eens zijn dat de voormalig echtelijke woning het beste verkocht kan worden aan een derde partij.

III. Opnieuw rechtdoende

( (a) Vorderingen ten aanzien van de verrekening van het ondernemingsvermogen toe te wijzen, geconcludeerd wordt tot afwijzing van deze vordering;

Dan wel de zaak te verwijzen naar een pro forma zitting met de opdracht aan geïntimeerde om nadere opgave te verstrekken van het ondernemingsvermogen, onder de voorwaarde dat Uw Gerechtshof eerst een beslissing neemt of en zo ja waarover precies verrekend dient te worden toe te wijzen;

( (b) De voormalig echtelijke woning te verkopen op de wijze zoals de vrouw deze voorstaat af te wijzen.

IV. Het vonnis voor het overige te bekrachtigen, dit af te wijzen.

V. Met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties, af te wijzen.

VI. Het arrest voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, dit toe te wijzen.

IN INCIDENTEEL APPEL MET CONCLUSIE:

" Dat het uw Gerechtshof behagen om bij arrest:

Het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 29 juni 2016, met

zaaknamen C/18/149569/HA 14-188, gewezen tussen appellante als eiseres in conventie,

verweerster in reconventie en geïntimeerde als gedaagde in conventie, eiser in reconventie

(deels) te vernietigen voor zover:

I. Onder rechtsoverweging 4.2, afgezien zou zijn van het verweer verjaring en ontvankelijkheid;

II. Onder rechtsoverweging 4.3, dat nu reeds beslist is dat de reconventionele vorderingen van geïntimeerde slechts als verweer zullen worden meegenomen;

III. Onder rechtsoverweging 4.8 stelt dat het beroep op het vervalbeding niet slaagt;

IV. Onder rechtsoverweging 4.21 het begrip besparingen uitlegt als overgespaarde inkomsten;

V. Onder rechtsoverweging 4.22 tweede gedachtestreepje, dat indien er overgespaarde inkomsten/winst aanwezig is in de onderneming hierover verrekend zal moeten worden;

VI. Onder rechtsoverweging 4.22 derde gedachtestreepje, in beginsel minstens artikel 6 lid 4 in acht wordt genomen mocht er een verrekening dienen plaats te vinden over de ondernemingen, echter dat primair op grond van de redelijkheid en billijkheid er nu geen verrekening meer kan worden gevorderd;

VII. Onder rechtsoverweging 4.23 de rechtbank meent dat mogelijk de vereniging Poldemar in de verdeling betrokken dient te worden hetgeen onjuist is;

VIII. Onder rechtsoverweging 4.27 het overzicht van de vrouw als uitgangspunt is genomen hetgeen onjuist is, het overzicht van de man dient uitgangspunt te zijn;

IX. Onder rechtsoverweging 4.30 de overwaarde van de woning bij helfte verdeeld dient te worden, nu de berekening van de man onduidelijk is, de man toegelaten dient te worden om dit nader uiteen te zetten met als uitgangspunt dat de man niet om niet eigen vermogen heeft ingebracht in de woning;

X. Onder rechtsoverweging 4.31 de woning wel aan een derde verkocht kan worden, maar niet op de wijze zoals [appellante] wil dat dit geschiedt;

Opnieuw rechtdoende:

XI. Dat teneinde de verkoop van de echtelijke woning te kunnen bewerkstelligen de makelaar hiervan de regie krijgt, die dan wel makelaar [C] kan zijn of een andere NVM makelaar door Uw Gerechtshof aan te wijzen;

XII. Het vonnis voor het overige te bekrachtigen;

XIII. De vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties;"

1.7

De conclusie van [appellante] in de memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens houdende wijziging van eis in principaal appel, luidt:

MET CONCLUSIE

In incidenteel appel :

I. Geïntimeerde zich tot uw Gerechtshof wendt met het eerbiedig verzoek, bij arrest in incidenteel appel, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, appellant in zijn incidenteel appel en vorderingen niet ontvankelijk te verklaren althans die hem te ontzeggen of die af te wijzen en het vonnis d.d. van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen d.d. 29 juni 2016 met zaaknummer/rolnummer C/18/149569/HA ZA14-188 - waar nodig met verbetering of aanvulling van gronden - te bekrachtigen voor zover [appellante] daartegen niet heeft geappelleerd;

II. appellant in incidenteel appel te veroordelen in de kosten van het incidentele appel;

En bij wijze van wijziging van eis in principaal appel:

Appellante zich tot uw Gerechtshof wendt en

I. haar vordering onder III sub a tot verkoop van de woning wijzigt/aanvult en uw Gerechtshof verzoekt, bij arrest voor zover mogelijkheid uitvoerbaar bij voorraad:

primair de beslissing van de rechtbank tot toedeling van de woning aan [appellante] te bekrachtigen en de beslissing van de rechtbank ter zake de woning te vernietigen voor zover is geoordeeld dat (wat betreft de waarde van de woning) een onafhankelijk deskundige deze dient te taxeren per datum verdeling/taxatie en op dit onderdeel opnieuw rechtdoende te beslissen en te bepalen dat de woning aan [appellante] wordt toebedeeld voor een bedrag van € 325.000,- mits [appellante] de toedeling van de woning aan haar kan financieren;
subsidiair voor het geval [appellante] de toedeling van de woning aan haar voor
€ 325.000,- niet kan financieren of uw Hof haar primaire vordering ter zake de woning afwijst, hetgeen door [appellante] in de memorie van grieven ter zake de woning is gevorderd toewijst (…).

II. Voor het overige tot persistit! "

2 De vaststaande feiten

2.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 29 juni 2016 (hierna: het bestreden vonnis) is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, zijn de navolgende.

2.2

Partijen hebben voorafgaand aan hun huwelijk samengewoond, eerst in een woning aan de [b-straat] 39 in [A] , welke woning op naam van [geïntimeerde] stond, daarna in een woning aan de [c-straat] 36 te [A] , welke woning op beider naam stond.

2.3

Partijen zijn op 1 juni 1990, toen zij nog woonden aan de [c-straat] 36 te [A] , met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden. In de akte van huwelijkse voorwaarden van 30 mei 1990 is onder andere het volgende opgenomen:
" Artikel 1.

Er zal tussen de echtgenoten geen enkele vermogensgemeenschap bestaan.

(…)

Artikel 4.

(..)

4. Ten aanzien van de zaken betrekking hebbende op beroep of bedrijf geldt het vermoeden dat deze toebehoren aan de echtgenoot die het betreffende beroep of bedrijf uitoefent of heeft uitgeoefend.

(…)

Artikel 6.

1. Ieder kalenderjaar voegen de echtgenoten hun besparingen bijeen ter verdeling bij helfte. Deze samenvoeging en verdeling vindt niet plaats over de perioden dat er, anders dan in onderling overleg, geen gemeenschappelijke huishouding is.

2. Het vorderingsrecht van de ene echtgenoot jegens de andere terzake van de in lid 1 bedoelde verdeling bij helfte, vervalt bij het einde van het derde kalenderjaar volgende op het desbetreffende tenzij lid 4 van toepassing is.

3. Het in de leden 1 en 2 bepaalde laat onverlet de verrekening van pensioenrechten bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed; deze verrekening zal - met toepassing van de beginselen van goede trouw en billijkheid - uitsluitend betrekking hebben op tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten.

4. Indien de op grond van het hiervoor sub 1 bepaalde tot uitkering verplichte echtgenoot een bedrijf of beroep uitoefent en het uit te keren bedrag zou moeten worden onttrokken aan het bedrijfs- of beroepsvermogen, zal, voor het geval een dergelijke onttrekking in het belang van bedoeld bedrijf of beroep niet verantwoord is, de uitkering eerst behoeven plaats te vinden zodra de betrokken echtgenoot daartoe anderszins in staat is casu quo de uitkering uit bedoeld vermogen als verantwoord kan worden aangemerkt. (….)"

Aan de akte van huwelijkse voorwaarden is een staat van aanbrengsten gehecht.

2.4

De arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] bij Geveke Bouw, waar hij sinds 1 september 1996 werkzaam was, is per 1 november 2000 ontbonden. [geïntimeerde] heeft in verband met de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst een ontslagvergoeding ontvangen ten bedrage van ƒ 104.300,- bruto, oftewel ƒ 58.052,89 netto. Dit bedrag is op 31 oktober 2000 bijgeschreven op een en/of rekening van partijen.

2.5

[geïntimeerde] is voor 100% aandeelhouder in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DBP Projectadvisering B.V. (verder te noemen: DBP), welke vennootschap is opgericht op 17 november 2000. DBP houdt op haar beurt 100% van de aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DBZ Planontwikkeling B.V. (verder te noemen: DBZ), welke vennootschap is opgericht op 21 november 2000.

2.6

DBZ heeft sinds 2009 32,66% van de aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CHE Eemshaven B.V.

2.7

Tot 2010 hield DBZ 33,3% van de aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Side Realty Invest B.V. (verder te noemen: Side Realty Invest B.V.).

2.8

[geïntimeerde] is lid van de vereniging Poldemar.

2.9

[geïntimeerde] heeft op 2 september 2010 bij de rechtbank Groningen een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend. [appellante] heeft vervolgens een verweerschrift met nevenverzoeken ingediend, waarna bij beschikking van 29 maart 2011 de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken. Het huwelijk van partijen is op 7 juli 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. Bij de beschikking van 29 maart 2011 zijn de overige verzoeken aangehouden.

2.10

Bij beschikking van 2 augustus 2011 heeft de rechtbank in de echtscheidingsprocedure onder meer het volgende overwogen:

" Niet duidelijk is welke vermogensbestanddelen behoren tot de ondernemingen van de man (of waarin hij deelneemt), en welke behoren tot de boedel. Nu er twee comparities zijn gehouden en er bovendien tussentijds bij tussenbeschikking expliciet om gegevens is gevraagd ziet de rechtbank geen aanleiding om opnieuw tot aanhouding over te gaan teneinde partijen (en dan met name de man) nogmaals in de gelegenheid te stellen de relevante gegevens te overleggen. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank benoeming van een onzijdig persoon als naar de Wet, welke een rol kan vervullen indien een van partijen onwillig is tot medewerking aan de verdeling, het meest aangewezen teneinde te bewerkstelligen dat partijen niet in een onverdeelde boedel blijven zitten."
De rechtbank heeft partijen bij deze beschikking gelast de tussen hun bestaande (beperkte) huwelijksgemeenschap te verdelen, waarbij een notaris is benoemd om de verdeling te bewerkstelligen en een onzijdig persoon. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

2.11

Eind augustus 2013 hebben partijen een gesprek gehad bij de notaris. Zij hebben bij de notaris geen overeenstemming bereikt omtrent de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden/verdeling van de (eenvoudige) gemeenschap. Bij brief van 19 september 2013 heeft de notaris geconstateerd dat tussen partijen wel overeenstemming bestaat over de verdeling van de voormalige echtelijke woning, maar niet over de wijze van afdoening van de huwelijkse voorwaarden en dat partijen daardoor, ook niet deels, tot afspraken zijn gekomen.

3 De procedure in eerste aanleg

3.1

[appellante] heeft [geïntimeerde] op 13 juni 2014 gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen en - kort gezegd - de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en verdeling van het gezamenlijke vermogen van partijen gevorderd. [geïntimeerde] heeft ten aanzien daarvan vorderingen in reconventie ingesteld.

3.2

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 15 oktober 2015 een comparitie van partijen gelast, welke comparitie geen doorgang heeft gevonden. Bij het bestreden vonnis van 29 juni 2016 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, als volgt beslist:
" 5.1 Bepaalt dat partijen bij de wijze van verdeling van de woning en de afwikkeling van

de huwelijkse voorwaarden de volgende uitgangspunten dienen te hanteren:

- Het beroep op het vervalbeding door [geïntimeerde] is niet gerechtvaardigd;

(…)

- Wat betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dient te worden uitgegaan van hetgeen onder "C. Uitleg huwelijkse voorwaarden waaronder het begrip besparingen" is overwogen en beslist;

- De saldi van de bankrekeningen genoemd in rechtsoverweging 4.24 dienen bij helfte worden verdeeld met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.27 is overwogen;

- Wat betreft de verdeling van de woning dient te worden uitgegaan van hetgeen in rechtsoverweging 4.30 en 4.31 is overwogen en beslist."

De rechtbank heeft geoordeeld dat partijen niet hebben bedoeld om bij het einde van het

huwelijk tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden over te gaan als waren zij gehuwd

in gemeenschap van goederen en dat evenmin aanleiding bestaat voor het oordeel dat naar

maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet worden afgewikkeld als waren partijen

in gemeenschap van goederen gehuwd.

Ten aanzien van het begrip "besparingen" heeft de rechtbank, voor zover hier van belang,

geoordeeld dat daaronder niet valt de ontslagvergoeding die [geïntimeerde] heeft ontvangen.

De door de rechtbank genoemde bankrekeningen zijn de bankrekeningen met de nummers

[00000] , [00001] , [00002] , [00003] , [00004] , [00005]

en [00006] .

Ten aanzien van de verdeling van de woning heeft de rechtbank, voor zover hier van belang,

geoordeeld dat de woning dient te worden verdeeld conform het voorstel van [appellante] , wat

kortgezegd inhoudt dat de woning aan [appellante] wordt toegedeeld tegen de waarde die een

onafhankelijke deskundige taxeert per datum verdeling/taxatie.

3.3

De rechtbank heeft voorts bepaald dat van het vonnis van 29 juni 2016 hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen.

3.4

De rechtbank heeft bij het vonnis van 29 juni 2016 tevens een comparitie van partijen bevolen, waarbij aan de orde zal komen of een deskundigenonderzoek noodzakelijk is, welke vragen beantwoord moeten worden en wie partijen als deskundige benoemd willen zien. Deze comparitie is op verzoek van partijen aangehouden in afwachting van de uitkomst van het onderhavige hoger beroep.

4 De verdere motivering van de beslissing

4.1

[appellante] is met zes grieven in principaal hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. [geïntimeerde] is met tien grieven in incidenteel hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk per onderwerp bespreken.
De vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie (de tweede grief in het incidenteel hoger beroep)

4.2

De (voorwaardelijke) reconventionele vorderingen van [geïntimeerde] zijn deels het gevolg van de door hem beoogde wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en verdeling van het gemeenschappelijke vermogen. Blijkens het bestreden vonnis wordt door de rechtbank hetgeen in reconventie is aangevoerd aangemerkt als verweer op de door [appellante] in conventie gedane vorderingen die het gevolg zijn van de door haar gewenste wijze van verdeling en verrekening. Het is kennelijk niet de bedoeling om het door [geïntimeerde] in (voorwaardelijke) reconventie geformuleerde in zoverre buiten beschouwing te laten. Voor zover [geïntimeerde] een vordering heeft geformuleerd wegens gemaakte kosten na de peildatum, valt deze buiten het bestek van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden of de verdeling van de gemeenschap. Het hof gaat er desalniettemin vanuit dat de rechtbank ook deze post zal beoordelen, alvorens een eindbeslissing te geven.

De voormalige echtelijke woning

4.3

Partijen hebben ter comparitie overeenstemming bereikt over de toedeling van de voormalige echtelijke woning aan [appellante] . Het hof verwijst voor de inhoud van de gemaakte afspraken naar het van de comparitie van partijen opgemaakte proces-verbaal. De zesde grief in het principaal hoger beroep en de tiende grief in het incidenteel hoger beroep behoeven gelet hierop geen bespreking meer.

4.4

Partijen twisten nog wel over de vraag of aan [geïntimeerde] een vergoeding toekomt in verband met investeringen die hij met privévermogen stelt te hebben gedaan in de voormalige echtelijke woning.

4.5

Met de negende grief in het incidenteel hoger beroep komt [geïntimeerde] op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet vast is komen te staan dat de voormalige echtelijke woning ook deels met privévermogen van [geïntimeerde] is gefinancierd.

4.6

[geïntimeerde] stelt - kort samengevat - dat hij voor de aankoop van de woning [b-straat] 39 te [A] , welke woning hij in 1982 alleen in eigendom heeft verkregen, een bedrag van
ƒ 40.000,- aan eigen geld heeft ingebracht, dat dit bedrag na verkoop van deze woning vervolgens opnieuw is geïnvesteerd in de gezamenlijke woning [c-straat] 36 te [A] en vervolgens na verkoop van die woning ook weer in de gezamenlijke woning [a-straat] 6 te [A] (de voormalige echtelijke woning). [geïntimeerde] berekent zijn vergoedingsrecht op € 144.960,-.

4.7

[appellante] stelt dat [geïntimeerde] het bedrag van ƒ 40.000,- dat hij uit de verkoop van de woning [b-straat] 39 te [A] heeft ontvangen op een aparte spaarrekening heeft gezet en niet heeft gebruikt voor de financiering van de woning [c-straat] 36 te [A] (en vervolgens voor de woning [a-straat] 6 te [A] ). Van dit geld is volgens [appellante] later onder meer een caravan gekocht.

4.8

Uit de overgelegde stukken komt naar voren dat partijen in 1988 een perceel grond hebben gekocht aan de [c-straat] 36 te [A] en op dat perceel een nieuwbouwhuis hebben gerealiseerd.

4.9

Uit het als productie 110 bij de akte uitlating d.d. 14 november 2016 van [appellante] overgelegde rekeningafschrift (eerste blad, bovenste afschrift) blijkt dat op 19 september 1988 van een niet nader genoemde rekening een bedrag van ƒ 78.500,- is overgeboekt op rekeningnummer [00000] ten name van [geïntimeerde] onder de omschrijving "verstrekking lening".

4.10

Op 31 maart 1989 hebben partijen aan de Rabobank een hypothecaire inschrijving op het pand aan de [c-straat] 36 Te [A] tot een bedrag van ƒ 70.000,- verleend.

4.11

De woning van [geïntimeerde] aan de [b-straat] 39 te [A] is op 26 april 1989 overgedragen en de verkoopopbrengst minus kosten van ƒ 103.640,74 is blijkens het als productie 110 bij de akte uitlating d.d. 14 november 2016 van [appellante] overgelegde rekeningafschrift (eerste blad, middelste afschrift) op 29 april 1989 overgeschreven op rekeningnummer [00000] ten name van [geïntimeerde] .

4.12

Op 1 mei 1989 heeft een afboeking naar een niet nader genoemde rekening plaatsgevonden van rekeningnummer [00000] ten name van [geïntimeerde] van ƒ 78.500,- onder de omschrijving "Aflossing lening".

4.13

Op 22 juni 1989 heeft een overboeking plaatsgevonden van ƒ 40.000,- van rekeningnummer [00000] ten name van [geïntimeerde] naar de spaarrekening met rekeningnummer [00001] ten name van [geïntimeerde] (productie 110 bij de akte uitlating d.d. 14 november 2016 van [appellante] overgelegde rekeningafschriften (eerste blad, onderste afschrift en tweede blad, bovenste afschrift). [appellante] stelt dat [geïntimeerde] hiermee zijn investering van ƒ 40.000,- vanuit de verkoopopbrengst van de woning [b-straat] 39 te [A] weer heeft teruggehaald naar privé. [geïntimeerde] stelt echter dat het slechts toeval is dat de hoogte van deze overboeking overeenstemt met het bedrag van zijn eerder investering en hij betwist dat het bedrag van ƒ 40.000,- afkomstig is uit de verkoop van de [b-straat] 39 in [A] .

4.14

Naar het oordeel van het hof kan op grond van de overgelegde stukken niet worden vastgesteld dat voormelde overboeking van ƒ 40.000,- naar de spaarrekening van [geïntimeerde] is gedaan met gelden afkomstig uit de verkoop van de woning [b-straat] 39 te [A] . De rekening met rekeningnummer [00000] ten name van [geïntimeerde] werd namelijk ook met andere gelden gevoed en bovendien is er een periode van bijna twee maanden gelegen tussen de ontvangst van de verkoopopbrengst van de woning [b-straat] 39 te [A] en de overboeking van ƒ 40.000,- naar de spaarrekening ten name van [geïntimeerde] . Daarmee is de stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] zijn oorspronkelijke investering van
ƒ 40.000,- vanuit de verkoopopbrengst van de woning [b-straat] 39 te [A] heeft teruggehaald naar privé naar het oordeel van hof onvoldoende vast komen te staan.

4.15

Het hof is echter van oordeel dat op grond van de beschikbare informatie in het dossier zoals hiervoor weergegeven evenmin valt vast te stellen dat de woning [c-straat] 36 te [A] gedeeltelijk met privévermogen van [geïntimeerde] is betaald. [geïntimeerde] heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de koopsom en de termijnen van de koop/aannemingsovereenkomst van de woning [c-straat] 36 te [A] zijn voldaan. Niet duidelijk is in hoeverre de verkoopopbrengst van de woning [b-straat] 39 daarvoor is aangewend en in hoeverre zij (zoals [geïntimeerde] ter comparitie heeft gesteld) spaargeld hebben aangewend om de koop/aannemingssom te voldoen. Er is daarom naar het oordeel van het hof niet vast komen te staan dat de woning [c-straat] 36 te [A] gedeeltelijk met privévermogen van [geïntimeerde] is betaald. Dat brengt met zich dat ook ten aanzien van de woning [a-straat] 6 te [A] (de voormalige echtelijke woning) niet vast is komen te staan dat daarin vanuit privévermogen van [geïntimeerde] is geïnvesteerd. De negende grief in het incidenteel hoger beroep faalt derhalve en het hof zal het bestreden vonnis in zoverre bekrachtigen.

De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen

4.16

Partijen zijn in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding overeengekomen.
De peildatum

4.17

De rechtbank heeft geoordeeld dat als peildatum wat betreft de afwikkeling van het verrekenbeding, zowel met betrekking tot de samenstelling als de omvang van hetgeen verrekend dient te worden, dient te worden uitgegaan van 26 augustus 2009, nu partijen op dat moment feitelijk uit elkaar zijn gegaan en vanaf dat moment geen gemeenschappelijke huishouding meer voerden in de zin van artikel 6, lid 1 van de huwelijkse voorwaarden. Nu tegen dit oordeel door partijen niet is gegriefd, zal het hof hiervan uitgaan.
De vervaltermijn

4.18

[geïntimeerde] beroept zich op de in artikel 6 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden opgenomen vervaltermijn.

4.19

Tussen partijen is niet in geschil dat deze vervaltermijn aanvangt op 26 augustus 2009 en eindigt op 26 augustus 2012. Partijen twisten over de vraag of aan de [geïntimeerde] een beroep toekomt op deze vervaltermijn.

4.20

Met de derde grief in het incidenteel hoger beroep komt [geïntimeerde] op tegen het oordeel van de rechtbank dat een beroep op deze vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Na toelichting ter comparitie begrijpt het hof dat ook de eerste grief in het incidenteel hoger beroep betrekking heeft op dit oordeel van de rechtbank.

4.21

Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of [geïntimeerde] een beroep op het vervalbeding toekomt tot uitgangspunt genomen dient te worden dat een dergelijk beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, tenzij blijkt van omstandigheden die een beroep op dit beding rechtvaardigen (vgl. HR 19 januari 1996, NJ 1996, 617 (Rensing/Polak I)).

4.22

Ter onderbouwing van zijn stelling dat een beroep op het vervalbeding in casu gerechtvaardigd is, voert [geïntimeerde] aan dat hij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [appellante] afzag van haar vordering tot verrekening op grond van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden. Dat is echter op grond van de overgelegde stukken naar het oordeel van het hof onvoldoende vast komen te staan. Anders dan [geïntimeerde] stelt, heeft de rechtbank bij de beschikking van 2 augustus 2011 niet afwijzend beslist op het verzoek van [appellante] betreffende de verrekening, maar is bij die beschikking ook ten aanzien van de verrekening een notaris benoemd om de verdere afwikkeling op zich te nemen. Voor [appellante] bestond gelet hierop geen aanleiding om in hoger beroep te komen van de beschikking van
2 augustus 2011 en uit het niet instellen van hoger beroep kan niet worden afgeleid dat [appellante] afzag van haar beroep op verrekening. Dat partijen zich vervolgens pas op
29 augustus 2013 daadwerkelijk tot de (opvolger van) de bij de beschikking van 2 augustus 2011 benoemde notaris hebben gewend, maakt niet dat [geïntimeerde] er op mocht vertrouwen dat [appellante] afzag van haar vordering tot verrekening. Uit de als productie 17 bij de conclusie van antwoord overgelegde e-mail van [appellante] aan de partner van [geïntimeerde] van 15 januari 2013 en de als productie 3 bij de conclusie van antwoord overgelegde e-mail van [appellante] aan [geïntimeerde] van 29 april 2013 blijkt dat [appellante] zich ook in de tussenliggende periode is blijven beroepen op verrekening. Ook het tijdsverloop tussen de brief van de notaris van
19 september 2013 waarin hij mededeelt dat de standpunten van partijen te ver uit elkaar liggen om zijn taak als boedelnotaris te kunnen vervullen, en de dagvaarding van [geïntimeerde] door [appellante] in de onderhavige procedure op 14 juni 2014, maakt niet dat geoordeeld moet worden dat [geïntimeerde] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [appellante] afzag van haar vordering tot verrekening, ook niet in het licht van het feit dat [appellante] werd bijgestaan door een advocaat.
[geïntimeerde] stelt verder dat ook het feit dat hij [appellante] goed verzorgd heeft achtergelaten, doordat hij een hoge kinder- en partneralimentatie met haar is overeenkomen en heeft toegestaan dat zij in de echtelijke woning bleef wonen, maakt dat hij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [appellante] zou afzien van haar aanspraken op grond van het verrekenbeding. Het hof volgt [geïntimeerde] hierin niet. De vermogensrechtelijke aanspraken die [appellante] heeft op grond van het verrekenbeding moeten los worden gezien van de vraag of [geïntimeerde] [appellante] verzorgd heeft achtergelaten en uit de overgelegde stukken komen geen aanwijzingen naar voren dat [appellante] in ruil voor de overeengekomen alimentatie en het verschafte woongenot zou hebben afgezien van haar beroep op verrekening. Het hof is op grond van het vorenstaande dan ook van oordeel dat niet vast is komen te staan dat bij [geïntimeerde] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [appellante] zou afzien van haar aanspraken op grond van het verrekenbeding.

4.23

De feiten en omstandigheden die [geïntimeerde] verder nog heeft aangevoerd, zijn evenmin toereikend om een beroep op het vervalbeding te rechtvaardigen. Het hof is gelet hierop van oordeel dat aan [geïntimeerde] geen beroep toekomt op het vervalbeding. De eerste grief en de derde grief in het incidenteel hoger beroep falen derhalve.
Uitleg van de huwelijkse voorwaarden van partijen

4.24

Partijen twisten over hoe de door hen overeengekomen huwelijkse voorwaarden dienen te worden uitgelegd. Daarbij is in het bijzonder tussen hen in geschil:

- of zij hebben bedoeld om bij het einde van het huwelijk tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden over te gaan als waren zij gehuwd in gemeenschap van goederen;

- wat moet worden verstaan onder het begrip "besparingen" in artikel 6 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden.

4.25

De uitleg van een bepaling in huwelijkse voorwaarden dient volgens vaste rechtspraak te geschieden aan de hand van het zogenaamde Haviltex-criterium. Daarbij komt het aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen (vgl. HR 12 januari 2001, NJ 2001, 199). Hierbij gaat het ook, maar niet uitsluitend, om de formuleringen die partijen hebben gebezigd. Bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden komt mede gewicht toe aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft meegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen daarin volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben. Van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.


* Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden alsof partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen?

4.26

Met de eerste grief in het principaal hoger beroep komt [appellante] op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet vast is komen te staan dat partijen bedoeld hebben om bij het einde van het huwelijk tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden over te gaan als waren zij gehuwd in gemeenschap van goederen.

4.27

[appellante] stelt dat partijen enkel op huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn gehuwd om haar te beschermen tegen schuldeisers van een eventuele toekomstige onderneming van [geïntimeerde] . Het stond partijen volgens [appellante] voor ogen om hun inkomen en vermogen in hun onderlinge verhouding gemeenschappelijk te doen zijn. Dat blijkt volgens [appellante] ook uit het feit dat partijen een periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden hebben opgenomen en uit het feit dat zij daarbij hebben gekozen voor een volgens [appellante] ruim inkomstenbegrip.

4.28

[geïntimeerde] betwist dat partijen beoogden om hun inkomen en vermogen gemeenschappelijk te doen zijn. Uit artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden blijkt volgens [geïntimeerde] dat partijen iedere vermogensrechtelijke gemeenschap hebben willen uitsluiten. De huwelijkse voorwaarden zijn geen standaard voorwaarden, zodat er vanuit moet worden gegaan dat deze weloverwogen op deze wijze zijn opgesteld en besproken. Ten tijde van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden was volgens [geïntimeerde] nog niet te overzien dat het opnemen van een periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden er jaren later in sommige gevallen toe zou leiden dat afgewikkeld moet worden alsof er een gemeenschap van goederen heeft bestaan.

4.29

Het hof stelt voorop dat partijen in artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn overeengekomen dat er tussen hen geen enkele vermogensgemeenschap zal bestaan. Het hof is van oordeel dat aan de letterlijke tekst van deze bepaling groot gewicht toekomt. Hoewel [appellante] stelt zich niet te herinneren of de notaris haar goed heeft geïnformeerd over de inhoud van de huwelijkse voorwaarden, moet er naar het oordeel van het hof vanuit worden gegaan dat door de notaris in elk geval zal zijn besproken dat partijen in artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden iedere vermogensgemeenschap hebben uitgesloten. Door [appellante] zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat zij er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat partijen iets anders zijn overeengekomen dan in artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden is vermeld. Partijen hebben weliswaar in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden een periodiek verrekenbeding opgenomen, maar dat vormt naar het oordeel van het hof geen aanwijzing dat partijen hebben beoogd om (finale afrekening conform) een algehele gemeenschap van goederen met elkaar overeen te komen. Indien partijen hadden willen overeenkomen dat zij aan het einde van het huwelijk zouden afrekenen als waren zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd, dan hadden zij dat met zoveel woorden als finaal verrekenbeding kunnen (en moeten) opnemen in de huwelijkse voorwaarden. Het hof volgt daarbij [geïntimeerde] in zijn stelling dat in 1990 nog niet was te voorzien dat het opnemen van een periodiek verrekenbeding mogelijk tot gevolg zou kunnen hebben dat er afgewikkeld zou moeten worden alsof er een gemeenschap van goederen heeft bestaan.

4.30

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat uitleg van de huwelijkse voorwaarden meebrengt dat partijen niet hebben bedoeld om overeen te komen dat bij het einde van het huwelijk dient te worden afgewikkeld alsof zij in gemeenschap van goederen met elkaar waren gehuwd.

4.31

Het door [appellante] gedane bewijsaanbod om haar moeder, zichzelf, [geïntimeerde] en de notaris te doen horen zal het hof passeren nu dit onvoldoende concreet en niet ter zake dienend is. De eerste grief in het principaal hoger beroep faalt derhalve.
* Uitsluiting van iedere vermogensrechtelijke gemeenschap naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?

4.32

Met de tweede grief in het principaal hoger beroep komt [appellante] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de door [appellante] aangevoerde feiten en omstandigheden er niet toe leiden dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet worden afgewikkeld als waren partijen in gemeenschap van goederen gehuwd.

4.33

[appellante] stelt zich ook in hoger beroep op het standpunt dat onverkorte handhaving van artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.34

Zij voert daartoe in de eerste plaats aan dat partijen zich staande huwelijk hebben gedragen alsof zij in gemeenschap van goederen met elkaar waren gehuwd. Dit blijkt volgens [appellante] onder meer uit het feit dat partijen tijdens het huwelijk testamenten op de langstlevende hebben gemaakt, levensverzekeringen op elkaars leven hebben afgesloten, gezamenlijke bankrekeningen hadden en samen woningen hebben aangekocht. Ook het feit dat partijen tijdens het huwelijk niet periodiek hebben verrekend conform artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden vormt volgens [appellante] een aanwijzing dat partijen hebben geleefd alsof er sprake was van een gemeenschap van goederen.

4.35

Het hof is van oordeel dat op grond van de door [appellante] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet vast is komen te staan dat partijen zich staande huwelijk zodanig hebben gedragen dat afwikkeling volgens de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het maken van testamenten op de langstlevende en het afsluiten van verzekeringen op elkaars leven heeft tot doel om elkaar na overlijden goed verzorgd achter te laten en is niet alleen aan de orde tussen in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwde echtelieden. Dat geldt evenzeer voor de aankoop van een woning, het aangaan van een hypothecaire geldlening en het openen van een gezamenlijke bankrekening. Daar komt bij dat uit de overgelegde stukken vast is komen te staan dat [geïntimeerde] naast de gezamenlijke bankrekeningen ook privé-bankrekeningen had. Voor zover het niet uitvoeren van het periodiek verrekenbeding zoals opgenomen in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden al een bewuste keuze van partijen zou zijn geweest, brengt dat naar het oordeel van het hof op zichzelf nog niet mee dat partijen er in hun onderlinge verhouding vanuit wilden gaan dat zij in gemeenschap van goederen met elkaar waren gehuwd. Daarbij acht het hof ook weer van belang dat in 1990 nog niet was te voorzien dat het niet uitvoeren van een periodiek verrekenbeding tot gevolg zou kunnen hebben dat partijen met elkaar zouden moeten afrekenen alsof zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren geweest.

4.36

Ook de overige door [appellante] gestelde omstandigheden geven naar het oordeel van het hof geen aanleiding om te oordelen dat onverkorte handhaving van artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden van partijen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof neemt bij dit oordeel mede in aanmerking dat, zoals hierna zal worden overwogen, de waarde van de aandelen van [geïntimeerde] in zijn ondernemingen verrekend moet worden. Ook de tweede grief in het principaal hoger beroep faalt derhalve.
* Het object van de verrekening

4.37

Tussen partijen is in geschil wat moet worden verstaan onder het begrip "besparingen", genoemd in artikel 6 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden en meer specifiek of de ontslagvergoeding die [geïntimeerde] heeft ontvangen daar ook onder valt. [geïntimeerde] stelt zich in zijn vierde grief in het incidenteel hoger beroep op het standpunt dat het begrip "besparingen" niet gelijkgesteld kan worden aan het begrip "overgespaarde inkomsten".

4.38

Het hof stelt voorop dat beide partijen ter zitting hebben erkend dat op grond van de verklaringen van partijen niet valt vast te stellen wat partijen hebben bedoeld te verstaan onder het begrip "besparingen" in artikel 6 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden. Partijen zijn het erover eens dat het hof het begrip "besparingen" daarom dient uit te leggen aan de hand van de taalkundige betekenis. Naar het oordeel van het hof is er op grond van een taalkundige uitleg geen aanleiding om het begrip "besparingen" beperkter uit te leggen dan het begrip "overgespaarde inkomsten". Het hof zal er dan ook van uitgaan dat onder het begrip "besparingen" in ieder geval wordt verstaan het geld dat bespaard is gebleven van het inkomen, na aftrek van de kosten van de huishouding. Welke rol de ontslagvergoeding van [geïntimeerde] in dit kader speelt behandelt het hof hierna, zie rechtsoverweging 4.45. De vierde grief in het incidenteel hoger beroep faalt derhalve.
Artikel 1:141 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW)

4.39

Vast staat dat partijen nimmer uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding zoals opgenomen in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden. [geïntimeerde] heeft weliswaar gesteld dat zijn salaris steeds is gestort op de en/of-rekening van partijen, maar dat enkele feit brengt naar het oordeel van het hof nog niet met zich dat partijen aan hun verrekenplicht hebben voldaan.

4.40

Op grond van artikel 1:141 lid 1 BW dienen partijen alsnog tot verrekening over te gaan, waarbij deze verrekening zich uitstrekt tot het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van wat niet is verrekend met inbegrip van de vruchten daarvan.

4.41

Artikel 1:141 lid 3 BW bepaalt dat het gehele vermogen van zowel [geïntimeerde] als [appellante] dat aanwezig is op de peildatum wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

4.42

Tegen het bewijsvermoeden van lid 3 staat tegenbewijs open. Voor het leveren van tegenbewijs is voldoende dat het bewijsvermoeden wordt ontzenuwd. Het is aan [geïntimeerde] om in dat kader per vermogensbestanddeel dat in geschil is te stellen dat de waarde niet is gevormd uit hetgeen op de voet van het in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbeding verrekend had moeten worden (vgl. Hoge Raad 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:161).

4.43

Het hof zal hierna eerst ingaan op de aandelen van [geïntimeerde] in DBP en DBZ.
* De aandelen in DBP en DBZ

4.44

[geïntimeerde] stelt dat de oprichting van DBP en DBZ is betaald met de ontslagvergoeding die hij heeft ontvangen en die in zijn optiek niet behoeft te worden verrekend, nu dit geen "besparing" als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden betreft.

4.45

Het hof dient in de eerste plaats te beoordelen of de ontslagvergoeding die [geïntimeerde] heeft ontvangen een op grond van artikel 6 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden te verrekenen "besparing" is. Het hof is, in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen onder rechtsoverweging 4.38, van oordeel dat de ontslagvergoeding die [geïntimeerde] heeft ontvangen valt onder het begrip "besparingen" en derhalve verrekend had moeten worden. Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat de ontslagvergoeding was bedoeld als inkomenscompensatie voor [geïntimeerde] en dat daarover destijds ook inkomstenbelasting is betaald. De vierde grief in het principaal hoger beroep slaagt derhalve.

4.46

Het hof dient vervolgens te beoordelen of voldoende vast is komen te staan dat de oprichting van DBP is betaald met de ontslagvergoeding.

4.47

Uit het als productie 33 bij de dagvaarding overgelegde rekeningafschrift blijkt dat Geveke Bouw B.V., zijnde de voormalige werkgever van [geïntimeerde] , op 31 oktober 2000 een bedrag van ƒ 58.042,89 heeft overgeboekt op de en/of-girorekening van [geïntimeerde] en [appellante] met rekeningnummer [00007] .

4.48

Uit het als productie 34 bij de dagvaarding overgelegde rekeningafschrift en het als productie 59 van de conclusie van repliek overgelegde rekeningafschrift, volgnummer 0001, blijkt dat op 15 november 2000 van diezelfde en/of-girorekening van [geïntimeerde] en [appellante] met rekeningnummer [00007] een overboeking van ƒ 40.000,- heeft plaatsgevonden op rekeningnummer [00008] ten name van DBP, welke vennootschap op 17 november 2000 is opgericht.

4.49

Uit het als productie 59 overgelegde rekeningafschrift, volgnummer 0001, blijkt dat op 20 november 2000 van de rekening van DBP met rekeningnummer [00008] een bedrag van ƒ 40.000,- is overgeboekt naar rekeningnummer [00009] ten name van DBZ onder vermelding van "inz. oprichting bv". DBZ is op 21 november 2000 opgericht.

4.50

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat zowel het startkapitaal van DBP als het startkapitaal van DBZ is voldaan vanuit voormeld bedrag van ƒ 40.000,- en er moet naar het oordeel van het hof vanuit worden gegaan dat dit bedrag van ƒ 40.000,- afkomstig is uit de ontslagvergoeding van ƒ 58.042,89. Hoewel de ontslagvergoeding is overgemaakt op de gezamenlijke rekening van [geïntimeerde] en [appellante] , welke rekening ook met andere gelden werd gevoed, is naar het oordeel van het hof gelet op de hoogte van het saldo van deze gezamenlijke rekening vóórdat de ontslagvergoeding werd gestort
(ƒ 7.055,22) en de korte termijn gelegen tussen ontvangst van de vergoeding en de overboeking, aannemelijk dat de overboeking van ƒ 40.000,- is gedaan vanuit de gelden van de ontslagvergoeding en dat dit deel van de ontslagvergoeding niet is besteed aan de kosten van de huishouding.

4.51

Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs als hiervoor bedoeld in rechtsoverweging 4.42. [geïntimeerde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de aandelen in DBP en DBZ op de peildatum niet is gevormd uit hetgeen op de voet van het in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbeding verrekend had moeten worden. Het hof stelt dan ook vast dat de aandelen van [geïntimeerde] in DBP en DBZ zijn aangekocht met "besparingen" die nog niet tussen partijen zijn verrekend. Dit leidt tot de conclusie dat de waarde van de aandelen van [geïntimeerde] in DBP en DBZ volledig in de verrekening dienen te worden betrokken. Dat brengt tevens mee dat ook de waarde van de andere ondernemingen van [geïntimeerde] (CHE Eemshaven B.V. en Side Realty Invest) dient te worden verrekend, nu deze op de peildatum onderdeel vormden van DBZ. De derde en vierde grief in het principaal hoger beroep slagen in zoverre.

4.52

Dit betekent dat het hof het bestreden vonnis in zoverre zal vernietigen en opnieuw rechtdoende zal bepalen dat de waarde van de ondernemingen van [geïntimeerde] per peildatum (DBP, DBZ, CHE Eemshaven en Side Realty Invest) volledig dient te worden verrekend. Het hof zal de zaak terugverwijzen naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, opdat daar kan worden beslist over de wijze waarop de waarde van deze ondernemingen per peildatum dient te worden vastgesteld en opdat verder op de vorderingen van [geïntimeerde] en [appellante] kan worden beslist, met inachtneming van hetgeen hiervoor over de afwikkeling van het periodiek verrekenbeding is overwogen en beslist.

4.53

Het hof komt gelet op het vorenstaande oordeel niet toe aan de vijfde grief in het principaal hoger beroep en aan de vijfde, zesde en een deel van de zevende grief in het incidenteel hoger beroep, die betrekking hebben op de vaststelling welk bedrag aan de ondernemingen van [geïntimeerde] kan worden onttrokken.
* De Oude Snik B.V.

4.54

Ten aanzien van De Oude Snik B.V. is naar het oordeel van het hof onvoldoende vast komen te staan dat dit een onderneming van [geïntimeerde] betreft. Uit het als productie 37 bij de conclusie van dupliek overgelegde uittreksel uit het handelsregister komt naar voren dat [D] bestuurder is van De Oude Snik B.V. [geïntimeerde] heeft ter comparitie naar voren gebracht dat DBZ een hypothecaire lening aan De Oude Snik B.V. heeft verstrekt, welke lening in december 2006, bij verkoop van het onderpand, door De Oude Snik B.V. aan DBZ is terugbetaald en welk bedrag vervolgens door DBZ is doorgestort naar Side Realty Invest. Deze lezing wordt naar het oordeel van het hof bevestigd door de als productie 37 overgelegde bankafschriften. Het hof ziet gelet hierop geen aanleiding om te bepalen dat ook de waarde van De Oude Snik B.V. dient te worden verrekend.
* De vereniging Poldemar / de woning " [E] "

4.55

[geïntimeerde] komt in de zevende grief in het incidenteel hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het lidmaatschap van de vereniging Poldemar en het aandeel van [geïntimeerde] in de woning " [E] " in [F] (Spanje).

4.56

Naar het oordeel van het hof is op grond van de overgelegde stukken niet vast komen te staan dat per de peildatum voor verrekening vatbare vermogensbestanddelen aanwezig waren voortvloeiende uit het lidmaatschap van de vereniging Poldemar. Uit het afschrift van de bankrekening van Poldemar bij ING Bank met rekeningnummer [00010] blijkt dat het saldo rond de peildatum (op 21 oktober 2009) € 308,66 bedroeg. Van dit bedrag staat niet vast in hoeverre dat aan de leden kan worden uitgekeerd, zodat dit reeds om die reden niet voor verrekening in aanmerking komt.

4.57

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de vereniging Poldemar in 2001 een huurkoopovereenkomst is aangegaan ten aanzien van de woning " [E] " in [F] (Spanje), op grond van welke overeenkomst de (vier leden van de) vereniging de mogelijkheid werd geboden de woning na tien jaar te kopen, waarbij de betaalde huurpenningen in mindering zouden strekken op de koopprijs. [appellante] stelt dat de (vier leden van de) vereniging Poldemar op de peildatum daarom een vordering hadden op de eigenaar van de woning ter grootte van de op dat moment reeds betaalde huurpenningen en dat het aandeel van [geïntimeerde] in deze vordering voor verrekening in aanmerking komt.

4.58

Naar het oordeel van het hof blijkt uit de brief van 24 april 2008 van mr. drs. [G] (FB) aan het bestuur van de vereniging Poldemar (productie 43 bij de dagvaarding) echter dat vanwege een na het overlijden van de eigenaar van de woning met zijn erfgenamen ontstaan conflict de koopprijs die de (vier leden van de) vereniging Poldemar in 2011 (derhalve na de peildatum) voor de woning hebben betaald van € 400.000,-, uiteindelijk tot stand is gekomen op basis van een schikking. Naar het oordeel van het hof kan gelet hierop niet meer worden vastgesteld in hoeverre de betaalde huurpenningen hebben geleid tot een lagere koopprijs, en dus ook niet of [geïntimeerde] (achteraf bezien) op de peildatum een vordering had betreffende reeds betaalde huurpenningen. Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat het lidmaatschap van [geïntimeerde] van de vereniging Poldemar niet tot enige verrekenplicht leidt. De zevende grief in het incidenteel hoger beroep slaagt derhalve. Voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat het aandeel van [geïntimeerde] in de woning voor verrekening in aanmerking kan komen indien dit met overgespaarde inkomsten is gefinancierd, deelt het hof dit oordeel niet, nu vast staat dat [geïntimeerde] het aandeel in de woning na de peildatum heeft verkregen.

De bankrekeningen

4.59

Tussen partijen is niet in geschil dat dient te worden verrekend het saldo van:
- de gezamenlijk bankrekening met nummer [00000] ad € 188,47;

- de bankrekening ten name van [geïntimeerde] met nummer [00002] ad € 530.675,90;

- de bankrekening ten name van [geïntimeerde] met nummer [00003] ad € 4.004,24;

- de bankrekening ten name van [geïntimeerde] met nummer [00005] ad € 283,55.

* De spaarrekening ten name van [appellante] en [geïntimeerde] met nummer [00001]

4.60

Tussen partijen is niet in geschil dat het saldo van de spaarrekening van partijen met nummer [00001] op de peildatum € 34.027,38 bedroeg en dat [appellante] dit saldo na de peildatum van deze bankrekening heeft opgenomen.

4.61

De rechtbank heeft geoordeeld dat het saldo per peildatum bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld.

4.62

Voor zover [geïntimeerde] zich op het standpunt stelt dat hij een verrekenvordering heeft op [appellante] wegens na de peildatum van deze rekening mede door hem betaalde kosten, had het op zijn weg gelegen om de vordering in zoverre duidelijk te maken en de betaling met bescheiden te onderbouwen. Een consistent overzicht van gemaakte kosten ontbreekt. In hoger beroep stelt [geïntimeerde] het door [appellante] onttrokken bedrag op € 34.027,34 en verwijst naar de conclusie van antwoord, waar hij het bedrag op € 25.527,65 heeft gesteld. Een overzicht van de betalingen is te vinden in de inleiding van de conclusie van antwoord (alwaar het totaalbedrag op € 23.500,- is gesteld, waarbij het hof na optelling van de diverse genoemde posten op € 22.500,- komt). Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst [geïntimeerde] naar een transactieoverzicht van de rekening met nummer [00001] . Van voornoemd overzicht van gestelde betalingen zijn in dit transactieoverzicht terug te vinden betalingen voor een televisie (€ 2.000,-), bank (€ 3.700,-), bed (€ 1.500,-), kast (€ 500,- + € 850,-), tafel (€ 1.200,-), gordijnen (€ 1.500,-), en stoomoven (€ 250,-). Al deze betalingen, waarvan het totaal € 11.500,- bedraagt, zijn na de peildatum van de rekening van partijen gedaan door [appellante] voor aanschaf van nieuwe inventaris en leiden dus niet tot verrekening.

4.63

Het hof ziet gelet hierop geen aanleiding anders te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan, met dien verstande dat de opname door [appellante] tot een ander door [geïntimeerde] te betalen bedrag leidt.

* De bankrekening met nummer [00006] ten name van [geïntimeerde]

4.64

Naar het oordeel van het hof is op grond van het als productie 68 bij de memorie van antwoord in principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, overgelegde rekeningafschrift, in samenhang met de als productie 61 bij de conclusie na comparitie d.d. 19 januari 2016 overgelegde verklaring van de heer [H] van ING Bank, voldoende vast komen te staan dat de bankrekening met rekeningnummer [00006] op de peildatum nog niet bestond. Het saldo op deze bankrekening behoeft daarom niet in de verrekening te worden betrokken.

4.65

Op grond van het vorenstaande bedraagt het totaal te verrekenen dan wel te verdelen saldo van de bankrekeningen van partijen € 569.179,54 (€ 530.675,90 + € 188,47 +
€ 4.004,24 + € 283,55 + € 34.027,38). Daarvan bevindt zich een bedrag van € 535.152,16 onder [geïntimeerde] en een bedrag van € 34.027,38 onder [appellante] . Wanneer [geïntimeerde] een bedrag van € 250.562,39 aan [appellante] uitkeert, beschikken zij elk over de helft van het totale saldo. Het hof zal aldus beslissen. De achtste grief in het incidenteel hoger beroep slaagt gelet hierop deels en faalt deels.
Terugverwijzing

4.66

Nu het geding nog niet in staat van wijzen is, partijen niet aan het hof hebben verzocht de zaak zelf af te doen en het hof evenmin aanleiding ziet om de zaak aan zich te houden, zal de zaak worden terugverwezen naar de rechtbank.

4.67

Het hof zal het vonnis van de rechtbank van 29 juni 2016 vernietigen voor zover daarbij anders is overwogen en beslist dan het hof bij dit arrest heeft gedaan. Partijen hebben in hun petita weliswaar verzocht om het bestreden vonnis per afzonderlijke in geschil zijnde rechtsoverweging te bekrachtigen dan wel te vernietigen, maar het hof zal daaraan vanuit praktische overwegingen en voor de leesbaarheid van het dictum van het onderhavige arrest voorbij gaan.
De proceskosten en de kosten van beslaglegging

4.68

Partijen hebben over en weer, voor zover van belang, gevorderd elkaar te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.

4.69

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun ontbonden huwelijk betreft. Hetgeen namens [appellante] is aangevoerd is voor het hof geen aanleiding om anders te oordelen. Over de proceskosten in eerste aanleg zal het hof geen beslissing geven, nu die procedure nog niet ten einde is.

4.70

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 29 juni 2016, voor zover daarbij anders is overwogen en beslist dan bij dit arrest van het hof, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat partijen bij de wijze van verdeling van de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschappen en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden dienen uit te gaan van hetgeen bij dit arrest van het hof is overwogen en beslist, en daarbij de volgende uitgangspunten dienen te hanteren:

- de waarde van de ondernemingen van [geïntimeerde] (DBP, DBZ, CHE Eemshaven en Side Realty Invest) dient volledig te worden verrekend;

- er behoeft geen verrekening plaats te vinden uit hoofde van het lidmaatschap van [geïntimeerde] van de vereniging Poldemar;

- de waarde van De Oude Snik komt niet voor verrekening in aanmerking;

- [geïntimeerde] dient inzake de verdeling en verrekening van de bankrekeningen met rekeningnummers [00000] , [00003] , [00005] , [00002] en [00001] aan [appellante] een bedrag te voldoen van € 250.562,39;

- de saldi van de bankrekeningen met nummer [00004] en [00006] behoeven niet in de verrekening te worden betrokken;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 29 juni 2016 voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst de zaak terug naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, voor verdere afdoening en beslissing met inachtneming van hetgeen in dit arrest is overwogen en beslist;

verklaart dit arrest (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. B.J.H. Hofstee en mr. M.A.F. Holtvluwer-Veenstra, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
12 maart 2019.

meer >>

BLOGS EN ARTIKELEN

De Wet herziening partneralimentatie: FAQ
(Mr. Geeske van Campen, 22-05-2019)
Op dinsdag 21 mei 2019 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de Wet herziening partneralimentatie. In deze blog bespreekt advocaat en Kennisbank-redacteur Geeske van Campen de meestgestelde vragen over deze wet.
Wie heeft zeggenschap over de asbestemming?
(Mr. Loïs Lok, 20-05-2019)
Nabestaanden hebben niet zelden verschillende ideeën over de asbestemming van een overleden dierbare. De wet voorziet echter niet in een regeling voor het geval hierover serieuze onenigheid ontstaat.
Samenwonen als waren zij gehuwd... een draconische bepaling?
(Mr. Hedy Bollen, 01-05-2019)
Artikel 1:160 BW bepaalt dat het recht op alimentatie eindigt als de alimentatiegerechtigde opnieuw trouwt óf gaat samenwonen met een ander 'als waren zij gehuwd'. Maar: wat houdt dat in? En hoe bewijs je dat daarvan sprake is?
Procederen in het erfrecht: een vak apart
(Mr. Ton van Acht, 29-04-2019)
Het erfrecht is een lappendeken van verzoekschriftprocedures (verzoeken) en dagvaardingsprocedures (vorderingen) die niet in één procesinleiding kunnen worden gecombineerd. Vaak is er echter júist een combinatie van beide nodig.
Storting van privévermogen levert vordering op de gemeenschap op
(Mr. dr. Jan Wouter Alt, 12-04-2019)
In HR 5 april 2019 maakt de Hoge Raad een eind aan de verdeeldheid over de vraag of er een vergoedingsrecht ontstaat als uit het privévermogen van een echtgenoot betalingen zijn gedaan ten behoeve van consumptieve bestedingen.
Hoe ga je als advocaat om met mogelijk wilsonbekwame cliënten?
(Mr. Geeske van Campen, 09-04-2019)
Anders dan in het notariaat is in de advocatuur, buiten BOPZ-zaken, nauwelijks aandacht voor de beoordeling van de wilsbekwaamheid van cliënten. Aan de NOvA de schone taak om werk te maken van het opstellen van een richtlijn.
Wet pensioenverdeling bij scheiding 2021: conversie als hoofdregel!
(Mr. Frits van der Kamp, 19-03-2019)
Het Wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding 2021 heeft als hoofdregel: de pensioenconversie. Wat zijn bij overlijden en pensionering de voor- en nadelen ten opzichte van het huidige regime van verevening?
Welke verlofmogelijkheden hebben ouders in 2019?
(Mr. Casey van Veenendaal, 18-03-2019)
Van welke verlofregelingen kunnen ouders gebruikmaken in 2019? Een overzicht.
Alimentatie is geen kijkgeld…Of toch wel?
(Mr. Robert Broeksema, 04-03-2019)
Het recht op kinderalimentatie staat los van de omgang, dat vertellen we onze cliënten maar al te vaak. Maar als de verzorgende ouder de niet-verzorgende ouder het contact met de kinderen onthoudt, dan kan dat wél gevolgen hebben.
10 aandachtspunten aangifte IB 2018
(Belastingdienst, 01-03-2019)
De Belastingdienst heeft voor belastingadviseurs de 10 belangrijkste aandachtspunten voor de aangifte IB 2018 onder elkaar gezet. De Kennisbank Familierecht heeft toestemming om deze aandachtspunten met haar abonnees te delen.
×

Rapport alimentatienormen versie 2018

Hierbij treft u de digitale versie aan van het rapport alimentatienormen (Tremarapport), zoals dit wordt gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

mr. K.M. Braun, senior rechter rechtbank Den Haag, voorzitter
Mr. J.A.M.H. de Wit, juridisch medewerker rechtbank Midden-Nederland, ambtelijk secretaris

Secretariaat:

p/a rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 
Postbus 16005
3500 DA Utrecht


INHOUDSOPGAVE

  1. Voorwoord

  2. Inleiding

    2.1  Alimentatienormen

    2.2  Onderhoudsgerechtigde / rechthebbende

    2.3  Wanneer alimentatie?

    2.4  Maatstaven voor de bepaling van de omvang van de alimentatieverplichting

  3. Behoefte

    3.1 Kinderalimentatie 

    3.2 Partneralimentatie

  4. Draagkracht

    4.1  Algemeen

    4.2  Kernschema

    4.3  Verklaring van de begrippen

    4.4  “Gelijkheid boven en onder de streep”

    4.5  Draagkrachtberekening ten behoeve van kinderalimentatie

  5. Confrontatie van behoefte en draagkracht

    5.1  Algemeen

    5.2  Indien kinderalimentatie moet worden vastgesteld

    5.3  Ingeval partneralimentatie moet worden vastgesteld

    5.4  Ingeval naast kinderalimentatie tevens partneralimentatie moet worden vastgesteld

  6. Toelichting bij de modellen voor de draagkracht berekening

    6.1  Modellen en tarieven

    6.2  Toelichting bij het model voor de netto methode

    6.3  Toelichting bij het model voor de bruto methode

  7. Afwijking van het rekenmodel

    7.1 Inkomensverlies

    7.2 Kinderalimentatie: extra lasten

    7.2.1  Algemeen

    7.2.2  Woonlasten

    7.3 Kinderalimentatie: de aanvaardbaarheidstoets

    7.4 Schuldsanering

    7.5 Verpleging in een AWBZ-instelling

1.VOORWOORD

Het rapport Alimentatienormen, voor het eerst gepubliceerd in 1979, heeft in de praktijk een ruime toepassing gevonden. In dit rapport zijn sindsdien de diverse aanbevelingen en rapporten die de Werkgroep alimentatienormen van de NVvR in de loop van de jaren heeft gepubliceerd in een uitgave bijeengevoegd. Inmiddels is de Werkgroep alimentatienormen overgegaan in de Expertgroep alimentatienormen. Periodiek, zo mogelijk in januari en juli van ieder jaar, wordt een actuele versie van het rapport gepubliceerd, laatstelijk in januari 2016. Het doel van het rapport is het leveren van een bijdrage aan de voorspelbaarheid en rechtszekerheid van de rechtspraak in alimentatiezaken. Deze aanbevelingen zijn geen wet en rechters en partijen kunnen in individuele zaken daarvan afwijken.

Het rapport met bijlagen, dat dus aanbevelingen geeft voor een eenvormige praktische invulling van de wettelijke maatstaven behoefte en draagkracht, kan worden geraadpleegd op de pagina van de Expertgroep Alimentatienormen op www.rechtspraak.nl.

Wijzigingen per 1 januari 2018

In het rapport zijn, naast kleinere aanpassingen van ondergeschikt belang, de volgende aanpassingen doorgevoerd:

  • Op pagina 12 is de passage over de bepaling van de behoefte van jongmeerderjarigen herzien. Voor de behoeftebepaling van studerende kinderen kan in het algemeen worden aangesloten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud als vermeld in de Wet Studiefinanciering, vermeerderd met het verschuldigde lesgeld of collegegeld. De passage over de studiefinanciering is aangepast aan de wijzigingen die op dat gebied per 1 september 2015 zijn doorgevoerd. Ten aanzien van thuiswonende studenten in het hoger onderwijs wordt aanbevolen dat ontvangen zorgtoeslag en structurele eigen inkomsten van de jongmeerderjarige behoefteverlagend zijn.

  • Op pagina 19 onder het kopje ‘4.5. Draagkrachtberekening ten behoeve van kinderalimentatie’ is in een voetnoot verduidelijkt dat het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning voor de draagkracht t.b.v. kinderalimentatie weliswaar niet bij het netto besteedbaar inkomen dient te worden geteld, maar dat dit fiscaal voordeel wel relevant is voor een juiste berekening van diverse fiscale aspecten, waaronder het kindgebonden budget.

  • Op pagina 22 onder het kopje ‘5.2.2. De invloed van de zorgregeling’ is een zorgkorting van 5% toegevoegd, bedoeld voor gevallen waarin structureel sprake is van een beperkte zorg- of omgangsregeling.

  • Aan het model voor de bruto methode is een post 120a (netto besteedbaar inkomen voor kinderalimentatie) toegevoegd, dit om verwarring met het netto besteedbaar inkomen voor de partneralimentatie te voorkomen. 

De behoeftetabellen, de draagkrachttabel en de draagkrachtformule zijn aangepast aan de huidige normbedragen. Er is verduidelijkt in welke gevallen wordt aanbevolen om gebruik te maken van de draagkrachtformule en in welke gevallen van de vaste bedragen als genoemd in de draagkrachttabel. 

Zoals altijd wordt aanbevolen kennis te nemen van het rapport 'kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie' dat in 1994 voor het eerst is gepubliceerd en dat nog steeds relevant is.

De expertgroep alimentatienormen is - zoals gebruikelijk - collectief verantwoordelijk voor dit rapport.

Utrecht, december 2017

2. INLEIDING

2.1 Alimentatienormen

Dit rapport bevat normen of richtlijnen die bij de vaststelling van alimentatie kunnen worden gehanteerd. De werkgroep beveelt de toepassing van deze richtlijnen aan.

Alimentatie na scheiding

Bij de ontwikkeling van haar richtlijnen heeft de expertgroep voornamelijk het oog gehad op het vaststellen of wijzigen van alimentatie na echtscheiding of scheiding van tafel en bed. Het gaat daarbij om:

  • een uitkering tot levensonderhoud van de gewezen echtgenoot, hierna ook aan te duiden als partneralimentatie (onder partneralimentatie wordt mede verstaan de bijdrage ten behoeve van de gewezen geregistreerde partner);

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind(eren) aan de andere ouder, hierna ook aan te duiden als kinderalimentatie (onder kinderalimentatie wordt mede verstaan de bijdrage ten behoeve van al dan niet door de vader erkende kinderen)

De vaststelling van alimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen geschiedt in principe aan de hand van dezelfde richtlijnen. In verband met het summiere karakter van de procedure zal echter vaak worden volstaan met een minder strikte toepassing. 

Jongmeerderjarigen

In aansluiting op de verplichting van ouders om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen bestaat de verplichting van ouders om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen in de leeftijd van 18 tot 21 jaar. Met de term kosten van levensonderhoud en studie wordt in feite niets anders bedoeld dan de kosten van verzorging en opvoeding. Deze kinderen kunnen jegens hun ouders een zelfstandig recht op een bijdrage in die kosten geldend maken.

Bijstandsverhaal

De aanbevelingen in dit rapport zijn ook geschikt voor toepassing op verhaal van bijstand indien dit verhaal is gegrond op een onderhoudsverplichting. Overigens kan de verhaalsprocedure specifieke vragen opwerpen, bijvoorbeeld van bestuursrechtelijke aard, die buiten het bestek van dit rapport vallen.

2.2 Onderhoudsgerechtigde/rechthebbende

De gewezen partner en de jongmeerderjarige zijn ter zake van hun onderhoudsaanspraken zowel onderhoudsgerechtigde als rechthebbende. Bij kinderalimentatie ligt dit anders: het kind is onder- houdsgerechtigde maar de ouder of voogd die de kosten maakt ten behoeve van de kinderen is rechthebbende ter zake van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding. Bij de vaststelling van kinderalimentatie wordt rekening gehouden met de onderhoudsplicht en uit dien hoofde de eigen inkomsten c.q. draagkracht van de ouder die aanspraak maakt op een kinderbijdrage.

2.3 Wanneer alimentatie?

Wettelijke onderhoudsverplichtingen

De wet bepaalt wie gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Een verplichting kan voortvloeien uit een huwelijk of geregistreerd partnerschap (partneralimentatie) of uit bloed- of aan- verwantschap of gezag (kinderalimentatie, een bijdrage voor jongmeerderjarigen, enz.).

Rangorde onderhoudsgerechtigden

Indien een persoon verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen en zijn draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, hebben zijn kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel leidt ertoe dat allereerst de kinderalimentatie wordt bepaald en dat pas daarna wordt beoordeeld of ook nog ruimte bestaat voor het opleggen van partneralimentatie.

Behoeftigheid

Men is behoeftig indien men zelf niet in het eigen levensonderhoud kan voorzien, dat wil zeggen indien men zelf daartoe de nodige middelen mist en die ook in redelijkheid niet kan verwerven.

De verplichting van (stief)ouders jegens hun minderjarige en jongmeerderjarige (stief)kinderen bestaat onafhankelijk van de vraag of sprake is van behoeftigheid. Bij alle andere betrekkingen bestaat slechts een recht op alimentatie voor degene die behoeftig is.

2.4 Maatstaven voor de bepaling van de omvang van de alimentatieverplichting

Wettelijke maatstaven

De wettelijke maatstaven voor de bepaling van het bedrag dat voor levensonderhoud verschuldigd is, zijn de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Bij partneralimentatie kunnen daarnaast niet-financiële factoren een rol spelen. Deze blijven in het rapport onbesproken.

Behoefte en draagkracht

Deze begrippen staan in dit rapport centraal.

Behoefte is - ook bij kinderen - een voorwaarde voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie kan niet worden uitgegaan van een absoluut behoeftebegrip: behoefte houdt niet op bij het bestaansminimum. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten van geval tot geval worden bepaald. Allerlei omstandigheden kunnen een rol spelen. Een concrete richtlijn geeft de expertgroep slechts ten aanzien van de kosten van minderjarige kinderen. Voor wat betreft de vaststelling van de behoefte aan partneralimentatie bevat hoofdstuk 3, naast een aantal mogelijk relevante factoren (neergelegd in de jurisprudentie van de Hoge Raad), ook een in de praktijk ontwikkelde vuistregel.

Met het oog op de draagkrachtbepaling is een stelsel van gedetailleerde aanbevelingen ontwikkeld. Na een uiteenzetting van de berekeningssystematiek in hoofdstukken 3 tot en met 5 volgt een puntsgewijze bespreking aan de hand van rekenmodellen in hoofdstuk 6.

Maximum

De vast te stellen alimentatie mag de behoefte of de draagkracht niet overstijgen. De laagste van de twee vormt dus het maximum. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen. De ‘confrontatie' van behoefte en draagkracht komt aan de orde in hoofdstuk 5.

3. BEHOEFTE

3.1 Kinderalimentatie

Behoefte aan kinderalimentatie

Voor de vaststelling van de behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen is in samenwerking met het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (het NIBUD) een systeem ontwikkeld, gebaseerd op CBS-cijfers, dat is neergelegd in het rapport ‘Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie', voor het eerst gepubliceerd in Trema 1994, p. 127 e.v., dat hierna is opgenomen als bijlage 1.

Terminologie

De expertgroep hanteert de volgende terminologie:

  • kosten van een kind: het totaal per maand aan het kind bestede bedrag;
  • kinderbijslag: de bijdrage van de overheid in de kosten voor opvoeding en verzorging van een minderjarig kind;
  • kindgebonden budget: de extra inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage (inclusief alleenstaande ouderkop) van de overheid in de kosten voor opvoeding en verzorging van een minderjarig kind voor degene die kinderbijslag voor het kind ontvangt;
  • eigen aandeel ouders in de kosten van het kind: dat deel van de kosten dat door de ouders per maand uit hun eigen inkomen wordt bestreden; dat zijn dus de hiervoor bedoelde kosten van kinderen minus de kinderbijslag en het kindgebonden budget;
  • behoefte aan kinderalimentatie: dat deel van de kosten van een kind dat niet door de kinderbijslag, het kindgebonden budget en de financiële bijdrage van de verzorgende ouder kan of behoeft te worden bestreden.

Uitleg van het systeem

Blijkens CBS-onderzoek besteden ouders een bepaald percentage van het gezinsinkomen aan hun kinderen. Tot dat gezinsinkomen rektent het CBS mede (onder meer) de overheidsbijdragen. Uit dat onderzoek blijkt voorts dat naarmate er meer kinderen tot het huishouden behoren, de totale kosten van de kinderen weliswaar stijgen maar dat de gemiddelde kosten per kind daartegenover dalen. De in het rapport kosten kinderen van 1994 genoemde percentages, gebaseerd op onderzoek van het CBS in de periode 1990 – 1995, bedragen voor 1, 2, 3 en 4 kind(eren) respectievelijk 17, 26, 33 en 40% van genoemd gezinsinkomen inclusief kinderbijslag.

Er bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat die percentages sinds het onderzoek significant zijn gewijzigd. Voor de bepaling van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van kinderen is de kinderbijslag van de gevonden kosten afgetrokken. Deze uitgangspunten vormen de basis van de tabel die in de bijlage ‘tarieven en tabellen' onder 28 is opgenomen en die jaarlijks wordt aangepast. Volgens de tabel wordt bij hetzelfde inkomen het eigen aandeel van de ouders in de kosten van kinderen per kind lager naarmate er meer kinderen zijn en naarmate de kinderen ouder worden. Dit wordt veroorzaakt doordat de kinderbijslag per kind stijgt naarmate er meer kinderen zijn en naarmate zij ouder worden, terwijl de gemiddelde kosten per kind dalen naarmate er meer kinderen zijn en doordat de leeftijd niet bepalend is voor de uitgaven voor de kinderen.

Het kindgebonden budget wordt, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015, niet in mindering op de (tabel)behoefte gebracht.

Het gebruik van de tabel eigen bijdrage kosten van kinderen

a) Het inkomen

Met ‘inkomen’ in de tabel is bedoeld het netto besteedbare gezinsinkomen tijdens het huwelijk (de relatie), dus van beide ouders opgeteld, dan wel na de (echt)scheiding het netto inkomen van de ouder(s) afzonderlijk, dus niet bij elkaar opgeteld, ingeval dit inkomen van één van de ouders het voormalige gezinsinkomen te boven gaat. Dit netto besteedbare inkomen (NBI) wordt in de regel gevormd door de middelen die de ouder(s) gebruikelijk voorafgaand aan het verbreken van de samenleving of – in geval van stijging van het inkomen na het verbreken van de samenleving – nadien ter beschikking staan, dat wil zeggen de daadwerkelijke inkomsten (uit arbeid, uitkering en/of vermogen), verminderd met de op dit inkomen drukkende belastingen en netto uitgaven inkomensvoorzieningen, zoals de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het NBI kan volgens de thans geldende alimentatienormen worden bepaald met behulp van de bruto of netto methode. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigenwoningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente) en de bijtelling vanwege een auto van de zaak. Wel dient rekening te worden gehouden met het kindgebonden budget waar recht op bestond ten tijde van de samenleving. Dit dient bij de ouder die deze bijdrage ontving te worden opgeteld bij diens inkomen.

In het aldus berekende inkomen is de kinderbijslag niet betrokken, omdat deze in de tabel is verwerkt.

b) Het tabelbedrag

Vervolgens wordt aan de hand van de leeftijd van de tot het gezin behorende kinderen het aantal punten bepaald.

Op basis van het netto besteedbare gezinsinkomen en het aantal punten zijn in de tabel vermelde kosten van een kind al verminderd met de kinderbijslag.

Hoewel de tabel ziet op kosten van minderjarige kinderen beveelt de expertgroep aan om in het geval dat op het moment van de scheiding één of enkele tot het gezin behorende kinderen jongmeerderjarig zijn en de/het andere(n) minderjarig, voor het aantal kinderen en het bijbehorende puntenaantal uit te gaan van de situatie dat alle kinderen minderjarig zijn. Bepalend is immers wat normaliter voor alle kinderen werd uitgegeven.

Toelichting

De tabel is ontworpen om bij de vaststelling van kinderalimentatie te beschikken over eenduidige richtlijnen voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen aan een bijdrage in hun kosten van verzorging en opvoeding door de alimentatieplichtige ouder. Zolang ouders niet gescheiden zijn, is het gezinsinkomen bepalend voor de uitgaven die ten behoeve van het kind worden gedaan. Dit gezinsinkomen moet dan ook de maatstaf zijn bij het hanteren van de tabel, ook na de (echt)scheiding. Dit impliceert een duidelijke keus: de kinderen moeten in beginsel niet slechter af zijn na en door de (echt)scheiding van hun ouders.

Bij het hanteren van de tabel moet niet uit het oog worden verloren dat deze slechts bedoeld is om als toetssteen te dienen voor hetgeen de kinderen kosten. Pas bij de berekening van de draagkracht zal blijken of de gevonden draagkracht oplegging van het gevonden ‘eigen aandeel' als alimentatie toelaat. Als beide ouders inkomen hebben kan een draagkrachtvergelijking worden gemaakt (zie verder hoofdstuk 5.2).

Verlaging of wegvallen van inkomen na de (echt)scheiding behoort, op grond van het hiervoor gekozen uitgangspunt dat het welvaartsniveau ten tijde van de (echt)scheiding in beginsel bepalend is voor de kosten van de kinderen, op die kosten geen invloed te hebben. Wel kan een dergelijke wijziging gevolgen hebben voor de draagkracht om een bijdrage in de kosten te betalen.

Stijging van het inkomen van een ouder behoort, voor zover dit inkomen door die stijging hoger wordt dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk/de samenleving, in beginsel wel invloed uit te oefenen op de vaststelling van de behoefte: indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van de kinderen zou zijn uitgegeven. Voor het geval het inkomen van één van de ouders het voormalige gezinsinkomen overschrijdt, is daarom dat hogere inkomen van die ouder de maatstaf voor de bepaling van de kosten van de kinderen.

De behoefte van een kind waarvan de ouders nooit in gezinsverband hebben samengeleefd, wordt bepaald aldus, dat het gemiddelde wordt genomen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder (inclusief het voor het betreffende kind ontvangen kindgebonden budget) en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder (eveneens inclusief het voor het betreffende kind ontvangen kindgebonden budget). De inkomens dienen dus niet bij elkaar te worden opgeteld!. Het aldus gevonden eigen aandeel kan worden vermeerderd met de netto kosten van kinderopvang, dus na aftrek kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming in die kosten door een werkgever, en wordt verminderd met het voor het kind te ontvangen kindgebonden budget. Als het om een eerste vaststelling gaat en de ouder bij wie het kind woont nog niet de beschikking heeft over een bijdrage van de andere ouder, kan volstaan worden met een globale schatting van de kosten van het kind. (HR 27 februari 2004, NJ 2004, 283)

c) Kindgebonden budget

Het na de scheiding ontvangen kindgebonden budget wordt verwerkt bij de vaststelling van de draagkracht (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015. Ter verduidelijking wordt erop gewezen dat met het kindgebonden budget als volgt rekening dient te worden gehouden:

  • bereken het besteedbaar inkomen van beide partijen ten tijde van het huwelijk/de samenleving op de hiervoor onder a), eerste alinea, beschreven wijze;
  • vermeerder dit besteedbaar inkomen met het kindgebonden budget waar partijen voor de kinderen ten tijde van hun huwelijk/samenleving (eventueel) recht op hadden;
  • bepaal vervolgens het eigen aandeel van de ouders in de kosten van het kind aan de hand van het netto gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget en de tabel "eigen aandeel kosten van kinderen".

Voorbeeld:

Besteedbaar inkomen man ten tijde van huwelijk/samenleving € 1.800 per maand
Besteedbaar inkomen vrouw ten tijde van huwelijk/samenleving € 1.150 per maand
Aanspraak kindgebonden budget ten tijde van huwelijk /samenleving € 50 per maand
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000 per maand

Eigen aandeel kosten van kinderen op basis van voormeld besteedbaar gezinsinkomen en uitgaande van 1 kind van 7 jaar (4 kinderbijslagpunten) bedraagt € 450 per maand (tabel 2017/1).

Aanspraak kindgebonden budget van de ouder waar het kind verblijft na uiteengaan € 85,- per maand. Dus eigen aandeel van de ouders in de kosten van het kind komt daarmee op € 365,- per maand.

d) Correcties voor bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle normale kosten zoals die voor voeding en kleding begrepen. Bepaalde extra kosten zijn echter zo uitzonderlijk dat deze niet begrepen kunnen zijn in de standaardbedragen voor de kosten van kinderen.

In welke gevallen naast de tabelbedragen nog met bijzondere kosten rekening moet worden gehouden, kan slechts in globale termen worden aangegeven omdat allerlei kosten/activiteiten uitwisselbaar zijn. Wanneer bijvoorbeeld in de kosten van kinderen een bepaald bedrag begrepen is voor ‘ontspanning', dan kan dat bedrag op verschillende manieren worden ingevuld: van voetbal tot paardrijden of van computergame tot vioolles. Voorts blijkt dat hogere uitgaven aan de ene uitgavenpost samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin meer dan gemiddeld aan kleding besteedt, behoeft dat niet te betekenen dat er voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Gebleken is dat men zich hiervoor bezuinigingen getroost op een andere post.

Correctieposten betreffen dus kosten die niet of onvoldoende in de gehanteerde kosten van kinderen zijn verdisconteerd en welke bovendien niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten. Voorbeelden van kosten die volgens de expertgroep in aanmerking komen voor correctie zijn de kosten van een gehandicapt kind, kosten van topsport, privélessen en extra hoge schoolgelden.

Volgens de tekst van het rapport 'Kosten van kinderen' behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS is echter gebleken dat bij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten c.q. kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Dit onderzoek dateert echter van de tijd voor de huidige systematiek van kinderopvang. Als er sprake is van een alleenstaande ouder kunnen hoge oppaskosten wel worden geacht te leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Daarom beveelt de expertgroep thans aan in geval er sprake is van een alleenstaande ouder met hoge kosten van kinderopvang, allereerst de desbetreffende kosten vóór de scheiding af te trekken van het netto besteedbaar gezinsinkomen en uitgaande van het dan resterende gezinsinkomen de behoefte van de kinderen te berekenen aan de hand van de tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen. Vervolgens kan de behoefte worden vastgesteld door de werkelijke kosten van kinderopvang na de scheiding (dus na aftrek van de kinderopvangtoeslag en de werkgeversbijdrage in die kosten) op te tellen bij het in de tabel gevonden bedrag.

e) Hoger aanbod

De tabel geeft een richtlijn voor de bepaling van de redelijkerwijs in de desbetreffende inkomensklasse te maken kosten voor kinderen. De expertgroep acht deze richtlijn realistisch en beveelt daarom het gebruik ervan aan. Dit neemt natuurlijk niet weg dat ouders hogere bedragen kunnen overeenkomen.

Jongmeerderjarigen

De tabellen van het NIBUD voorzien niet in de berekening van de behoefte van kinderen ouder dan 18 jaar. Voor de vaststelling van de behoefte van jongmeerderjarigen, meestal studerenden die onder de reikwijdte van de Wet Studiefinanciering (hierna: WSF) vallen, zijn nog geen maatstaven ontwikkeld.

Volgens de WSF bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming in de kosten van lesgeld dan wel het collegegeldkrediet, en de reisvoorziening. Voor de behoeftebepaling van studerende kinderen kan in het algemeen bij de WSF-norm (normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, vermeerderd met het verschuldigde lesgeld of collegegeld) aansluiting gezocht worden, waarbij de student kan aantonen dat voor een bepaalde post een hoger budget nodig is. Verder kan rekening worden gehouden met de aanspraken die een student heeft op studiefinanciering. De WSF kan de student onder voorwaarden aanspraak geven op een basisbeurs, een basislening, een aanvullende beurs of aanvullende lening en een collegegeldkrediet. Afhankelijk van het niveau van de opleiding zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs een gift, of kunnen zij dat worden indien binnen de diplomatermijn van 10 jaren een diploma wordt gehaald (prestatiebeurs). Zowel voor de gift als de prestatiebeurs geldt dat deze als behoefteverlagend wordt aangemerkt. Van een student mag in redelijkheid worden verlangd dat binnen de genoemde termijn een diploma wordt gehaald. De basislening, de aanvullende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald, zodat deze niet worden aangemerkt als behoefteverlagend.

Voor niet-studerende jongmeerderjarigen kan voor de berekening van de behoefte eveneens aansluiting gezocht worden bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de WSF-norm, onder aftrek van de daarin begrepen studiekosten (boeken en leermiddelen).

Bij hoger onderwijs maakt de WSF-norm geen verschil tussen thuis- en uitwonende studenten. Ervan uitgaande dat een thuiswonende student in het hoger onderwijs bespaart op zijn woonlast, kan zijn behoefte worden verlaagd, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur. Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt de jongmeerderjarige geacht ook diens premie voor de ziektekostenverzekering te voldoen. Om die reden is een ontvangen zorgtoeslag aan te merken als behoefteverlagend. Structurele eigen inkomsten van de jongmeerderjarige kunnen als behoefteverlagend worden aangemerkt.

3.2 Partneralimentatie

Voor de vaststelling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan een onderhoudsbijdrage dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde.

Een onderhoudsplicht bestaat alleen voor zover de onderhoudsgerechtigde niet in eigen levensonderhoud kan voorzien. Eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde, ook die uit vermogen, verminderen de behoefte aan een bijdrage, oftewel de behoeftigheid. Onder inkomsten worden zowel de daadwerkelijke inkomsten als de in redelijkheid te verwerven inkomsten verstaan. Indien de onderhoudsgerechtigde geen inkomsten heeft, dient derhalve rekening te worden gehouden met het vermogen van de onderhoudsgerechtigde om inkomsten te verwerven (verdiencapaciteit). Daarbij zijn alle omstandigheden van belang, waaronder de opleiding, de werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen. Verwijtbaar, niet voor herstel vatbaar inkomensverlies van de onderhoudsgerechtigde kan buiten beschouwing worden gelaten, onder vergelijkbare voorwaarden als die van toepassing zijn bij het bepalen van de draagkracht.
In geval sprake is van vermogen, kan het onder omstandigheden redelijk zijn te verlangen op dit vermogen in te teren. Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samenleven als ware men gehuwd' of ‘als ware men geregistreerd partner' kan behoefteverlagend werken. De behoefte van de onderhoudsgerechtigde kan mede omvatten de premie voor een voorziening na overlijden van de onderhoudsplichtige (artikel 1:157 lid 2 BW). Een recht op huurtoeslag is van aanvullende aard en dient bij het bepalen van de behoefte geen rol te spelen. Kosten voor rechtsbijstand kunnen de behoefte beïnvloeden als daarvoor een schuld is aangegaan.

Aan de hand van het rekenmodel voor de bepaling van het draagkrachtloos inkomen dat als losse bijlage bij dit rapport hoort, kan men tevens de minimumbehoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen. Tot die minimumbehoefte zijn dan de strikt noodzakelijke lasten te rekenen, net zoals bij de onderhoudsplichtige: de bijstandsnorm voor de kosten van levensonderhoud, een redelijke woonlast, de premie zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) en andere noodzakelijke lasten. Lasten die meer tot de luxe uitgaven zijn te rekenen die men tijdens het huwelijk gewend was - voor zover die in de gegeven situatie redelijk zijn en dan deel uitmaken van de totale behoefte - zoals een auto, kan men, net als bij de onderhoudsplichtige, beter niet tot deze minimumbehoefte rekenen. Deze uitgaven dienen te worden bestreden uit de zogenaamde ‘vrije' ruimte die resteert na aftrek van het draagkrachtloos inkomen. Dit betekent dat de ‘vrije' ruimte zodanig moet zijn dat daarmee de extra lasten, dat wil zeggen het deel van de behoefte dat uitstijgt boven de minimum behoefte, kunnen worden betaald (zie verder hoofdstuk 5.4.)

De bepaling van de behoefte aan partneralimentatie is maatwerk. Voor het bepalen van de netto behoefte is echter ook een vuistregel beschikbaar, indien vaststelling van de behoefte door middel daarvan tussen partijen niet in geschil is. De vuistregel sluit aan bij het netto te besteden gezinsinkomen van partijen voor het uiteengaan, verminderd met het eigen aandeel kosten kinderen. Dit bedrag wordt geacht beschikbaar te zijn geweest voor het levensonderhoud van beide partijen. Omdat een alleenstaande duurder uit is dan een samenwoner, wordt de helft van dit te verdelen inkomen met 20% verhoogd. De behoefte kan derhalve gelijkgesteld worden aan 60% van het netto gezinsinkomen, in voorkomende gevallen te verminderen met het destijds voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen. Het netto gezinsinkomen wordt daarbij gevormd door de daadwerkelijke inkomsten (uit arbeid, uitkering en/of vermogen), verminderd met de op dit inkomen drukkende belastingen en netto uitgaven inkomensvoorzieningen, en kan volgens de thans geldende alimentatienormen worden bepaald met behulp van de bruto of netto methode. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigenwoningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente) en de bijtelling vanwege een auto van de zaak. 

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Het rekensysteem dat hieronder wordt geschetst, is ontwikkeld voor de bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de op basis daarvan maximaal op te leggen alimentatieverplichting. De bepaling geschiedt aan de hand van de modellen die bij dit rapport zijn gevoegd. In die modellen is het rekensysteem uitgewerkt. In de meeste gevallen kan met de vaststelling van de aldus gevonden ‘maximale' alimentatie worden volstaan omdat aanstonds duidelijk is dat deze ontoereikend is om volledig in de behoefte van de onderhoudsgerechtigde(n) te voorzien.

Het gedeelte van de berekening dat betrekking heeft op de bepaling van het draagkrachtloos inkomen kan ook op de onderhoudsgerechtigde worden toegepast om diens minimumbehoefte te berekenen. Ook kan een jusvergelijking worden gemaakt om te bezien of er reden is minder alimentatie toe te kennen dan de gevonden ‘maximale' alimentatie (zie hoofdstuk 5).

4.2 Kernschema

De kern van de draagkrachtberekening schematisch weergegeven:

inkomsten    
netto besteedbaar inkomen volgens netto of bruto methode €...
af: lasten    
bijstandsnorm € …  
andere relevante lasten € …  
draagkrachtloos inkomen   €…
draagkrachtruimte   €...
draagkracht = bepaald percentage (draagkrachtpercentage) van de draagkrachtruimte.

Gaat het erom wat de betrokkene aan alimentatie kan betalen? Dan krijgt het schema als vervolg:

maximale alimentatie = draagkracht + eventueel fiscaal voordeel

4.3 Verklaring van de begrippen

Netto besteedbaar inkomen volgens netto of bruto methode

Het netto besteedbare inkomen bestaat uit het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies (inclusief de inkomensafhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en belasting en eventueel vermeerderd met het kindgebonden budget waarop aanspraak bestaat.

In veel gevallen heeft de onderhoudsplichtige een inkomen uit dienstbetrekking, ambtelijk inkomen daaronder begrepen, of een uitkering. Hiervan kan gewoonlijk een loonspecificatie op maand- of weekbasis worden overgelegd. Indien daaruit blijkt dat het inkomen van degene wiens draagkracht berekend wordt lager is dan € 1.400 bruto per maand (incl. vakantietoeslag), dan wordt in beginsel uitgegaan van het netto inkomen volgens de specificatie. Deze rekenwijze wordt netto methode genoemd. Uitgangspunt hierbij is dat de gehele berekening wordt uitgevoerd met netto bedragen op maandbasis, waarbij weekbedragen worden omgerekend.

In geval van een hoger inkomen, van inkomsten buiten dienstbetrekking of indien fiscale voordelen (bijv. bij een eigen woning, partneralimentatie of de levensloopregeling), bijtellingen, bezittingen die in box III worden belast of specifieke heffingskortingen een rol spelen, wordt het netto besteedbaar inkomen preciezer benaderd door middel van de zogenaamde bruto methode. Deze methode brengt de fiscale positie van de betrokkene in kaart door invulling van een met een aangifte inkomstenheffing vergelijkbaar model.

Bijstandsnorm

Uitgangspunt bij de alimentatiebepaling is, dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum wordt bepaald door de bijstandsnorm, waarmee wordt bedoeld het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als bijstandsuitkering zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van zijn (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën waarvan er drie voor de draagkrachtberekening van belang zijn: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders -ongeacht het aantal kinderen- begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdoms-wet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. De expertgroep beveelt aan in beginsel te rekenen met de norm voor een alleenstaande, waarbij geen rekening wordt gehouden met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet, maar wel rekening wordt gehouden met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm wordt niet toegepast.

De bijstandsnorm in de draagkrachtberekening voorziet in de bewaking van het bestaansminimum van de onderhoudsplichtige. Daarmee zijn eigenlijk alle normale dagelijkse uitgaven in één bedrag tot uitdrukking gebracht. Er wordt echter een correctie voor de werkelijke woon- en ziektekosten toegepast.

Relevante lasten

Ook (redelijke) lasten van de onderhoudsplichtige, al dan niet forfaitair berekend, dienen in de beschouwing te worden betrokken. Naast de normale in de bijstandsnorm verdisconteerde uitgaven kan rekening gehouden met andere uitgaven. Als zulke andere relevante lasten gelden bijvoorbeeld de premie ZVW, aflossing op schulden en door de scheiding van partijen noodzakelijk geworden herinrichtingskosten.

Draagkrachtloos inkomen

De bijstandsnorm en de andere relevante lasten worden tezamen het draagkrachtloos inkomen genoemd (het deel van het inkomen dat geen draagkracht oplevert).

Draagkrachtruimte

Voor zover het inkomen uitgaat boven het draagkrachtloze deel is in beginsel sprake van ‘ruimte' voor alimentatievaststelling. Het verschil tussen inkomen en draagkrachtloos inkomen wordt daarom draagkrachtruimte genoemd. Bij een positieve draagkrachtruimte (zie het schema in hoofdstuk 4.2) wordt de onderhoudsplichtige in beginsel in staat geacht alimentatie te betalen.

Draagkracht, draagkrachtpercentage

Van de gevonden draagkrachtruimte wordt slechts een bepaald percentage, namelijk het draagkrachtpercentage, bestempeld als draagkracht. Deze draagkracht vormt het bedrag dat een onderhoudsplichtige wordt geacht te kunnen missen ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde(n). De ruimte wordt aldus verdeeld over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage.

Alle onderhoudsverplichtingen dienen in beginsel ten laste van de draagkracht te worden gebracht. Het staat partijen natuurlijk vrij een deel van de verplichtingen niet ten laste van de draagkracht maar ten laste van het draagkrachtloos inkomen te brengen. Dit gebeurt wel met een bijdrage voor een (studerend) kind van 21 jaar of ouder. Het gevolg hiervan is dat er dan meer ruimte overblijft voor de andere onderhoudsgerechtigde(n).

Er zijn verschillende draagkrachtpercentages voor alleenstaanden en voor hen die een gezin hebben. Bij hantering van de bruto methode worden lagere percentages toegepast dan bij de wat globalere netto methode.

Fiscaal voordeel

Voldoet de alimentatieplichtige tegenover de gerechtigde, niet bloed- of aanverwant in de rechte lijn of tweede graad van de zijlijn, aan een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende onderhoudsverplichting, dan bestaat voor de betaalde alimentatie recht op een persoonsgebonden aftrekpost.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan aldus in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Deze vermindering wordt aangeduid als fiscaal voordeel.

Voor zover sprake is van fiscaal voordeel neemt de betaalcapaciteit van de onderhoudsplichtige in feite toe zodat per saldo meer gemist kan worden dan de berekende draagkracht. Indien daadwerkelijk aanspraak kan worden gemaakt op een fiscaal voordeel, is dus sprake van ‘extra draagkracht' gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens, te weten de inkomens onder € 1.400 bruto per maand inclusief vakantietoeslag (ongeveer € 1.090 netto), wordt deze extra draagkracht buiten beschouwing gelaten, omdat dat fiscale voordeel veelal niet wordt geëffectueerd. Bij hogere inkomens wordt het fiscaal voordeel in de bruto methode overgeheveld naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.4 ‘Gelijkheid boven en onder de streep’

De draagkrachtberekening volgens de bruto methode valt uiteen in twee gedeelten:

  1. de omrekening van het bruto inkomen naar het netto besteedbaar inkomen;
  2. de berekening van de draagkracht en alimentatie op basis van het gevonden netto inkomen volgens het kernschema in 4.2.

In de alimentatiepraktijk worden de twee trajecten vaak aangeduid als de berekeningen ‘boven de streep' respectievelijk ‘onder de streep'.

In wezen kent de netto methode dezelfde tweedeling maar daarbij wordt wat betreft de omrekening van bruto naar netto in beginsel aangesloten bij de op de loonspecificatie vermelde inhoudingen. Correctie van het nettoloon vindt plaats indien er sprake is van een voorlopige teruggaaf op grond van een andere heffingskorting dan de algemene en arbeidskorting.

Naast zuiver fiscale aftrekposten, zoals de investeringsaftrek en zelfstandigenaftrek, zijn er vele reële uitgaven die in de draagkrachtberekening zowel boven als onder de streep in aanmerking worden genomen. Gaat het daarbij om uitgaven die fiscaal nominaal aftrekbaar zijn, dus niet forfaitair, dan beveelt de expertgroep aan te werken volgens het principe van ‘gelijkheid boven en onder de streep'. Dit is van belang wanneer bepaalde door de onderhoudsplichtige opgevoerde uitgaven niet ten laste van de draagkrachtruimte (‘onder de streep') in aanmerking worden genomen. Volgens genoemd principe is het redelijk in dat geval ook de fiscale aftrekbaarheid (‘boven de streep') van die uitgaven buiten beschouwing te laten. Zou de fiscale aftrek wel in aanmerking worden genomen dan zou immers de onderhoudsplichtige de ‘lasten' van zijn uitgaven geheel alleen dragen en de ‘lusten' daarvan (fiscaal voordeel) met de onderhoudsgerechtigde(n) moeten delen.

Voorbeelden van uitgaven waarbij het principe van gelijkheid boven en onder de streep een rol kan spelen zijn de premies voor pensioen- en arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen. In geval van korting wegens een onredelijke woonlast: zie hoofdstuk 6 onder 123.

4.5 Draagkrachtberekening ten behoeve van kinderalimentatie

(Voor minderjarige en/of jongmeerderjarige kinderen.)

Voor de vaststelling van kinderalimentatie is het netto besteedbaar inkomen van de alimentatieplichtige het uitgangspunt. Om dit te berekenen wordt gebruik gemaakt van de berekening ‘boven de streep’ tot en met het netto besteedbaar inkomen per maand (121). Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning wordt niet bij het netto besteedbaar inkomen geteld. (Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.) Redelijke lasten worden vervolgens ‘onder de streep’ forfaitair in aanmerking genomen, op de wijze omschreven in de draagkrachtformule en - tabel (bijlage bij het rapport). Deze formule en tabel vervangen derhalve de posten 122 tot en met 140.

Forfaitaire benadering draagkracht kinderalimentatie

Voorrang van kinderalimentatie boven alle andere onderhoudsverplichtingen heeft onder meer tot gevolg dat bij de bepaling van de draagkracht alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking wordt genomen en geen rekening wordt gehouden met de nieuwe partner / echtgeno(o)t(e) / geregistreerde partner. Gedachte hierachter is dat een partner in staat moet worden geacht in eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl dit van een kind niet kan worden verwacht. De draagkrachttabel houdt op forfaitaire wijze rekening met de volgende redelijke kosten van levensonderhoud van de onderhoudsplichtige (januari 2017):

  • een redelijke netto woonlast van 30% van het netto inkomen
  • een bedrag van € 905 voor de kosten van levensonderhoud, dat als volgt is opgebouwd:
             Bijstandsnorm € 983
  Wooncomponent € 221 -
  Ziektekosten € 135
  Ziektekostencomponent € 40   -
  Onvoorzien € 50     
  Totaal € 905

Voor de pensioengerechtigden geldt een bijstandsnorm van € 1.104 (januari 2017). Dientengevolge dient het draagkrachtloos inkomen te worden verhoogd tot € 1030.

Van het netto besteedbaar inkomen, verminderd met de hiervoor genoemde forfaitaire bedragen, is bij een inkomen vanaf € 1.575 circa 70% beschikbaar als draagkracht.

Bij de lagere inkomens wordt 70% tot 100% van de ruimte na aftrek van de forfaitaire lasten beschikbaar geacht, waarbij bovendien de post onvoorzien bij de laagste categorie geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing wordt gelaten. Voor zover het inkomen lager is dan € 1.325 wordt uitgegaan van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

De draagkrachttabel is opgenomen in de bijlage bij het rapport.

Premies inkomensvoorzieningen

Sommige werknemers, de resultaatgenieter, de ondernemer en de directeur grootaandeelhouder, komen niet in aanmerking voor de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking worden genomen. Bij de vaststelling van kinderalimentatie wordt daartoe het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

Draagkracht

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige wordt mede beïnvloed door de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. In geval van een tekort aan draagkracht om in de behoefte van de betrokken kinderen te voorzien, wordt de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk verdeeld over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil in behoefte bestaat.

5. CONFRONTATIE VAN BEHOEFTE EN DRAAGKRACHT

5.1 Algemeen

De te bepalen alimentatie wordt begrensd door de vastgestelde draagkracht en behoefte. De laagste van de twee maximeert de alimentatie. De wettelijke opdracht om met behoefte en draagkracht rekening te houden, opent evenwel de mogelijkheid om op grond van de onderlinge verhoudingen tot een lager bedrag dan het maximum te besluiten.

5.2 Indien kinderalimentatie moet worden vastgesteld

5.2.1 Draagkrachtvergelijking

Indien beide ouders na de scheiding een inkomen hebben dat hoger is dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande, rijst de vraag wie welk deel van de behoefte van een kind moet dragen. Ter bepaling van ieders aandeel wordt van de ouders, en indien van toepassing een stiefouder, een draagkrachtvergelijking gemaakt. Dat is niet nodig als de gezamenlijke draagkracht van de ouders lager is dan de behoefte van het kind. Dan wordt de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder beperkt tot diens draagkracht.

Voor het geval wel een volledige draagkrachtvergelijking wordt gemaakt, beveelt de expertgroep aan de betrokken kinderen buiten beschouwing te laten. Dat betekent dat de rechthebbende als alleenstaande wordt beschouwd, tenzij er nog andere gezinsleden zijn die (mede) door de onderhoudsgerechtigde moeten worden onderhouden dan de kinderen van partijen. Wel moet er rekening mee worden gehouden dat rechthebbende door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen voor extra heffingskortingen en/of een kindgebonden budget in verband met deze kinderen.

Een voorbeeld ter verduidelijking: een kind (7 jaar) woont bij moeder (ouder 2) en tijdens het huwelijk waren partijen tweeverdieners. De behoefte bedraagt inclusief kosten kinderopvang € 315,- per maand.

Draagkrachtvergelijking ter verdeling van de behoefte van een kind

  Ouder 1: Ouder 2:
netto inkomen incl. vakantietoeslag 1780 1340
extra heffingskorting na scheiding   50
totaal inkomen 1780 1390
     
draagkrachtloos inkomen 1394 1227
     
draagkracht 270 114

De totale draagkracht van ouder 1 en ouder 2 bedraagt dan tezamen 384 (270 + 114).

De verdeling van de kosten over beide ouders kan dan berekend worden volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel

het deel van ouder 1 bedraagt: 270 / 384 x 315 = € 221
het deel van ouder 2 bedraagt: 114 / 384 x 315 = € 94
samen                                                                € 315

De zorgkorting, zie paragraaf 5.2.2., is hier nog niet in aanmerking genomen.

5.2.2 De invloed van de zorgregeling

Bereiken ouders geen overeenstemming over de verdeling van de uitgaven ten behoeve van de kinderen, dan wordt aanbevolen de kosten in verband met de verdeling van de zorg op de volgende wijze te begroten en te verdisconteren.

De kosten van de zorgregeling worden bepaald aan de hand van de behoefte en het gemiddeld aantal dagen per week - vakanties meegerekend - dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft. De gedachte hierachter is dat de feitelijke zorgverdeling er toe leidt dat de ouder, waar het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, voor een deel niet in de behoefte van het kind hoeft te voorzien, omdat de andere ouder daar in natura in voorziet in de periode dat het kind bij hem verblijft. Om die reden dalen de kosten die de verzorgende ouder ten behoeve van het kind heeft. Uitgangspunt hierbij is en blijft dat de ouder waar het kind hoofdverblijf heeft de ‘vast lasten’ voldoet, zoals schoolgeld, contributie voor sport en dergelijke.

Als vuistregel worden de zorgkosten uitgedrukt in een percentage van de behoefte, hetgeen de zorgkorting oplevert:

5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week
15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week
25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week
35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt ten minste 5% van de behoefte (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang en in ieder geval tot dat bedrag in de zorg zou kunnen worden voorzien. 

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Na het maken van de draagkrachtvergelijking, zie hiervoor in paragraaf 5.2.1., wordt de zorgkorting in beginsel in mindering gebracht op het aldus berekende aandeel.

Voorbeeld:

Behoefte van het kind € 315 per maand
Zorgkorting 15% € 47 per maand

Ouder 1 dient in de onderlinge verhouding € 270 bij te dragen in de behoefte.
In dat geval wordt de te betalen alimentatie vastgesteld op € 270 - € 47 = € 223.

Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om in de behoefte van het kind te voorzien. Indien een tekort aan draagkracht bestaat, vermindert het tekort de zorgkorting. Na toepassing van de zorgkorting wordt het tekort gelijkelijk verdeeld over de onderhoudsplichtigen.

Voorbeeld:

Behoefte van het kind € 415 per maand 
Zorgkorting 15% € 62 per maand

Stel:
draagkracht ouder 1 is € 260
draagkracht ouder 2 is € 115.

De gezamenlijke draagkracht is € 40 minder dan de behoefte van € 415. Gelijke toerekening van het tekort aan de beide ouders leidt tot toerekening van de helft van het tekort, dat wil zeggen € 20, aan ouder 1. In dat geval kan de bijdrage van ouder 1 als volgt worden berekend: € 260 – (€ 62 - € 20) = € 218. Ouder 1 kan zijn zorgkorting dus maar gedeeltelijk verzilveren.

Is het tekort aan gezamenlijke draagkracht van beide ouders om in de behoefte van het kind te voorzien in dit geval twee keer zo groot als de zorgkorting waar ouder 1 recht op heeft, dan dient ouder 1 tot het volledige bedrag van zijn draagkracht bij te dragen. Het tekort om in de behoefte te voorzien wordt over de ouders verdeeld, nu ouder 2 een bijdrage krijgt die lager is dan de behoefte en ouder 1 de zorgkosten niet kan verdisconteren.

5.2.3 Co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet wettelijke term die in de praktijk wordt gebruikt voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorg wordt op de hiervoor in paragraaf 5.2.2 beschreven wijze in de berekening verwerkt, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt in ruime zorgregelingen of co-ouderschap. Bij andere afspraken over kostenverdeling kunnen de onderhoudsplichtigen in onderling overleg een ander of geen kortingspercentage toepassen.

Het is mogelijk dat een co-ouder bij wie een kind is ingeschreven voor een kind aanspraak kan maken op bepaalde heffingskortingen, zoals de inkomensafhankelijke combinatiekorting, en dat hij voor het onderhoud dat hij voor een ander kind voldoet de persoonsgebonden aftrek wegens kinderalimentatie geniet. Hiermee dient bij de berekening van de draagkracht rekening te worden gehouden.

5.3 Ingeval partneralimentatie moet worden vastgesteld

Als er sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn de financiële situatie van partijen op basis van ieders inkomen en lasten te vergelijken. Men noemt dit een jusvergelijking. In het algemeen vindt de expertgroep het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde niet meer “vrije ruimte” of “jus” overhoudt dan de onderhoudsplichtige; met andere woorden de onderhoudsgerechtigde behoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige (N.B: er bestaat geen regel dat partijen na de scheiding in beginsel een gelijk besteedbaar inkomen behoren te hebben). Voorwaarde voor een goede vergelijking is een gelijke behandeling van partijen bij de beoordeling van hun lasten. Voor de onderhoudsgerechtigde kan op dezelfde wijze als voor de onderhoudsplichtige een draagkrachtberekening worden gemaakt met daarin verwerkt de bijstandsnorm, de (redelijke) woonlast, de premie ZVW en andere bijzondere, noodzakelijke lasten. Luxe uitgaven waaraan de onderhoudsgerechtigde tijdens het huwelijk gewend was, dienen niet in het draagkrachtloos inkomen te worden opgenomen; bij de onderhoudsplichtige gebeurt dit immers ook niet. Vervolgens wordt dan vergeleken welke “jus” ieder overhoudt na betaling van een bepaald bedrag aan partneralimentatie door de onderhoudsplichtige.

Bij de onderhoudsplichtige wordt het aandeel in de kosten kinderen dat voor zijn rekening komt, dat wil zeggen voor toepassing van de eventuele zorgkorting (voor hun beider of andere kinderen) als last in mindering op de draagkracht gebracht, zie hierna paragraaf 5.4. De door de onderhoudsgerechtigde ontvangen kinderalimentatie wordt direct toegerekend aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel wordt bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening gehouden met de aan die ouder toekomende fiscale voordelen van het tot het gezin behoren van kinderen, zoals de extra heffingskorting alsmede het kindgebonden budget waarop aanspraak bestaat.

De aldus berekende jus bij elk van beide partijen verschaft inzicht in de financiële gevolgen van een scheiding. Deze jus hebben beide partijen immers nodig om te voorzien in de niet in de berekening verwerkte uitgaven en luxe uitgaven (de welstand) waaraan zij gewend waren tijdens het huwelijk. Denk bij voorbeeld aan vakanties, een auto, contributies van clubs en dergelijke. Het op de volgende pagina afgebeelde schema kan voorgaande beschrijving van een jusvergelijking verduidelijken.

Schema onderhoudsplicht

De berekende jus dient niet te worden verward met het begrip “vrije ruimte” dat in geval van een reguliere draagkrachtberekening gebruikt wordt, te weten het gedeelte van de draagkrachtruimte (40% of 55% dat resteert na 60% of 45% alimentatie van die ruimte in de bruto methode) dat de onderhoudsplichtige zelf mag houden. De jus in een jusvergelijking kan gelijk zijn aan of zelfs groter dan dat zelf te behouden deel van de draagkrachtruimte, maar niet kleiner omdat de vergelijking er volgens de expertgroep niet toe mag leiden dat er meer alimentatie wordt vastgesteld dan de draagkracht van de onderhoudsplichtige op grond van de richtlijnen van de expertgroep toelaat. Dit gevolg acht de expertgroep in het algemeen niet redelijk. Minder alimentatie dan de draagkracht toelaat, is wel mogelijk, bijvoorbeeld indien uit de vergelijking blijkt dat de onderhoudsgerechtigde meer jus overhoudt dan de onderhoudsplichtige. Indien de jus van de onderhoudsgerechtigde groter is dan die van de onderhoudsplichtige, is er reden een lagere alimentatie vast te stellen, in beginsel een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijke vrije ruimte hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit eenvoudig worden berekend.

5.4 Ingeval naast kinderalimentatie tevens partneralimentatie moet worden vastgesteld

Op grond van artikel 1:400 van het Burgerlijk Wetboek heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen op partner- maar ook op kinderalimentatie aanspraak maakt, dient allereerst een draagkrachtberekening te worden gemaakt voor de vaststelling van kinderalimentatie, waarbij altijd de norm voor een alleenstaande wordt gebruikt en de draagkracht in beginsel gelijk wordt verdeeld over alle kinderen die de ouder moet onderhouden (zie voor de bijzonderheden van deze berekening hoofdstuk 4.5. en 5.2).

Vervolgens kan op de hiervoor omschreven wijze een draagkrachtberekening voor de vaststelling van partneralimentatie worden gemaakt (zie verder 5.3), waarbij de kosten van de kinderen ten laste van de alsdan berekende draagkracht worden gebracht. De resterende draagkracht kan worden aangewend voor partneralimentatie.

Als de kosten van de kinderen tussen de onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige worden verdeeld, kan dat deel van deze kosten dat ten laste van de onderhoudsgerechtigde komt in de draagkrachtberekening voor de vaststelling van partneralimentatie worden verwerkt en ten laste van de draagkracht worden gebracht net zoals in de berekening van de onderhoudsplichtige.

Een voorbeeld van deze situatie ter verduidelijking: stel de ouders hebben een kind van 13 jaar. Ouder 1 heeft een besteedbaar inkomen van € 2.000,- per maand en ouder 2 een besteedbaar inkomen, rekening houdend met de extra heffingskortingen, van € 1.500,- per maand. De behoefte van het kind hebben zij, rekening houdend met de tabel kosten kinderen en het gezamenlijk gezinsinkomen toen men nog samenwoonde, vastgesteld op € 500.- per maand.

Volgens de draagkrachtformule (2014) heeft ouder 1 een draagkracht van € 375 en heeft ouder 2 een draagkracht van € 133. Vervolgens wordt ieders bijdrage voor het kind bepaald. Verdeling naar rato van ieders draagkracht (zie voor de formule 5.2) leidt tot een bijdrage van 378/511 x 500 = € 370,- per maand van ouder 1 en van € 130,- per maand van ouder 2. Ieders deel van de kosten van het kind wordt ten laste van de draagkracht gebracht. Vervolgens wordt voor beide ouders een draagkrachtberekening gemaakt zoals hiervoor in 5.3 beschreven, waarin de kosten van het kind aan beide zijden ten laste van de draagkracht worden gebracht. Ten slotte kan met behulp van een jusvergelijking zoals hiervoor in 5.3 beschreven, worden bezien welke partneralimentatie redelijk is.

De ontvangen kinderalimentatie is geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder dat dient ter dekking van de eigen kosten en blijft daarom bij de berekening van diens draagkracht dan wel de behoefte buiten beschouwing.

6. TOELICHTING BIJ DE MODELLEN VOOR DE DRAAGKRACHTBEREKENING

6.1 Modellen en tarieven

Er zijn twee modellen: het netto- en brutomodel. Voor de aanbeveling van welke methode gebruik te maken, zie paragraaf 4.3 Verklaring van de begrippen.

In het netto model wordt geen rekening gehouden met het belastingvoordeel. In het bruto model wordt wel rekening gehouden met belastingvoordeel. In beginsel valt dit voordeel geheel toe aan de onderhoudsgerechtigden.

De twee modellen zijn opgenomen in de losse bijlage bij dit rapport. Dit hoofdstuk bevat een puntsgewijze toelichting op de modellen. De nummering hieronder correspondeert met die in de modellen, zodat bij het gebruik daarvan de toelichting gemakkelijk per onderwerp kan worden geraadpleegd. Tariefgegevens van de laatste jaren zijn onder dezelfde nummering achter de modellen in de bijlage opgenomen (‘tarieven en tabellen').

De expertgroep publiceert halfjaarlijks een actuele bijlage waarin de recente tarieven zijn verwerkt.

6.2 Toelichting bij het model voor de netto methode

1 Netto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking

Onder netto inkomen wordt hier verstaan: het bruto inkomen onder aftrek van de hierover verschuldigde belasting, de eventueel daarop ingehouden of verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW, premies werknemersverzekeringen, pensioenpremie c.q. bijdrageverhaal en andere collectieve werknemerslasten. Voor andere inhoudingen waarvan blijkt uit de loonspecificatie moet zo nodig worden gecorrigeerd.

In geval van inkomsten die sterk aan schommelingen onderhevig zijn, bijvoorbeeld als gevolg van conjunctuur- of seizoensinvloeden of structureel overwerk, kan aanleiding bestaan een langere periode in de beschouwing te betrekken zodat een redelijk gemiddelde wordt verkregen. In die gevallen zou ook overwogen kunnen worden om, uitgaande van een jaaropgave, toch een bruto berekening te maken.

Inkomen van werknemers die vakantiebonnen ontvangen wordt niet bij 1 maar bij 5 ingevuld.

Als het inkomen per vier weken wordt betaald, dient dit te worden omgerekend naar een maandbedrag (vermenigvuldigen met de breuk 13/12).

Het betreft zowel inkomsten uit hoofd- als uit nevenfuncties (zie ook 7a).

In de loonstrook is de standaardloonheffingskorting verwerkt, die bestaat uit: de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en – eventueel, indien daar recht op bestaat – de jonggehandicaptenkorting en de (alleenstaande) ouderenkorting.

2 Netto AOW-uitkering

Onder de netto AOW-uitkering wordt verstaan de bruto AOW-uitkering verminderd met de daarover verschuldigde loonheffing en overige inhoudingen, waaronder de inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW. Over een AOW-uitkering betaalt men geen premie WW. Het basispensioen voor een gehuwde is anders dan voor een ongehuwde. Daarom heeft een scheiding in het algemeen invloed op de hoogte van de AOW-uitkering.

De AOW geeft recht op een vakantietoeslag die jaarlijks in mei wordt betaald. Zie voor het bedrag de desbetreffende regeling.

3 Netto uitkering andere sociale verzekeringswetten

De uitkering dient te worden verminderd met de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW.

Uitkeringen aan werknemers waarbij vakantiebonnen worden verstrekt moeten niet bij 3 maar bij 5 worden ingevuld.

4 Vakantietoeslag

De vakantietoeslag wordt in de berekening betrokken. Daartoe wordt bij het netto inkomen in het algemeen 8% opgeteld.
De bijtelling van vakantietoeslag geldt niet voor werknemers die nog vakantiebonnen ontvangen. Hun inkomsten worden niet bij 1 of 3 maar bij 5 ingevuld. Over een uitkering krachtens de sociale verzekeringswetten en over een AOW-uitkering ontvangt men vakantietoeslag. De vakantietoeslag over de AOW bedraagt echter geen 8% Zie voor het juiste bedrag de desbetreffende regeling. Over de meeste particuliere pensioenen ontvangt men geen afzonderlijke vakantietoeslag.

5 Netto arbeidsinkomen incl. 100 %-waarde vakantiebonnen

In een aantal sectoren wordt gebruik gemaakt van vakantiebonnen. Het netto maandinkomen van werknemers die vakantiebonnen ontvangen, kan niet zonder meer uit de loonstrook worden afgelezen, doch moet berekend worden. Bij deze werknemers is namelijk geen sprake van vakan- tietoeslag en loon over vakantiedagen. De verstrekte vakantiebonnen omvatten gedeeltelijk vakantiegeld en gedeeltelijk een vergoeding ter zake van loonderving voor vakantiedagen, waarover het loon niet wordt doorbetaald. Deze werknemers ontvangen (doorgaans) maximaal 46 weken loon (en vakantiebonnen) per jaar. De vakantiebonnen kunnen 2 à 3 keer per jaar verzilverd worden. In die situatie wordt aan de hand van de salarisgegevens en de waarde van de vakantiebonnen het werkelijk besteedbaar netto inkomen per maand herleid. Op een loonstrook wordt meestal alleen de fiscaal belaste waarde van de vakantiebon vermeld. De fiscaal onbelaste waarde bedroeg tot 1999 meestal 25% en is daarna afgebouwd.

De belaste waarde resp. onbelaste waarde bedraagt in

1999: 77,5 % 22,5 % 
2000: 80 % 20 % 
2001: 82,5 % 17,5 % 
2002: 85 % 15 % 
2003: 87,5 % 12,5 %
2004: 90 % 10,0 %
2005 t/m 2007: 92,5 % 7,5 % 
2008: 95 % 5%
2009: 97,5 % 2,5%
2010: 99% 1%

Per loonperiode wordt over de belaste waarde loonheffing op het loon ingehouden. De 100 %-waarde van de vakantiebon wordt door de werkgever aan de bedrijfsvereniging afgedragen. Bij de verzilvering van de vakantiebon krijgt de werknemer dan ook de gehele waarde uitgekeerd.
Een gebruikelijke berekening van het werkelijk netto maandinkomen op basis van een weekloon gaat als volgt: 46 maal netto weekinkomen vermeerderd met 46 maal de 100 %-waarde van de vakantiebon en het totaal gedeeld door 12.

Over een periode van werkloosheid, bijvoorbeeld bij vorstverlet, ontvangt een werknemer een WW- uitkering. Hieromtrent worden door de desbetreffende uitkerende instantie opgaven (ook jaaropgaven) verstrekt.

In de sector Bouwnijverheid wordt gebruik gemaakt van het zogenaamde Tijdspaarfonds. Het loon wordt over 52 weken betaald, waarnaast per jaar 18 dagen extra worden uitbetaald. Over het totaal van beide bedragen wordt 8% vakantietoeslag uitbetaald. Op de loonstrook worden de extra dagen vermeld als bijvoorbeeld “TSF-dagen” of “tijdspaarfonds”. De daarmee corresponderende bedragen, inclusief de vakantietoeslag daarover, worden door de werkgever rechtstreeks gestort in het tijdspaarfonds. De bouwplaatswerknemer kan de opgebouwde rechten aanwenden voor vrije tijd, de levensloopregeling of een uitkering in geld.

6 Netto pensioen

Onder het netto pensioen wordt verstaan het bruto pensioen verminderd met de daarover ver- schuldigde loonheffing en overige inhoudingen. Over een pensioen betaalt men geen premie WW.

Een pensioen geeft meestal geen recht op een afzonderlijke vakantie-uitkering.

Zie LET OP pensioenverrekening en –verevening onder 7h.

7 Ander netto inkomen

a. Bijverdiensten

Het is niet mogelijk eenduidig aan te geven of en in hoeverre nevenverdiensten, zoals overwerk en gehonoreerde nevenfuncties, mede bepalend moeten zijn voor de draagkracht. Dit zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden. Bij de beoordeling van de vraag of de onderhoudsplichtige vrijwillig mag stoppen met nevenverdiensten of overwerk zou in aanmerking genomen kunnen worden of deze nevenverdiensten in mindere of meerdere mate inherent zijn aan de vervulling van de hoofdfunctie en of deze inkomsten ook al -structureel- tijdens het huwelijk werden verworven. Bij sterke schommelingen in inkomsten moet zoveel mogelijk het gemiddelde worden bepaald.
Fooien worden zoveel mogelijk bij de draagkrachtberekening in aanmerking genomen.

b. Onkostenvergoedingen

Onkostenvergoedingen worden niet bij het inkomen opgeteld, tenzij deze als bovenmatig aangemerkt moeten worden. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of de onkostenvergoeding (gedeeltelijk) als verkapt inkomen is aan te merken. Daarbij zal rekening gehouden moeten worden met het feit dat meestal niet precies is aan te geven waaruit de maandelijkse beroepskosten bestaan. In geval van een vergoeding voor noodzakelijke beroepskosten worden extra kosten alleen in aan- merking genomen voor zover de vergoeding aantoonbaar ontoereikend is.

c. Verhuur van kamers zonder of met pension

Inkomsten uit verhuur van een kamer zonder pension in een gehuurde woning zal in de regel als netto-inkomsten of als bijdrage in de woonlasten in aanmerking kunnen worden genomen.
Structurele verhuur van een kamer met pension zal in de regel worden beschouwd als een werkzaamheid, waarbij de opbrengst verminderd met de kosten in box I in de heffing wordt betrokken. Indien sprake is van een zodanige activiteit, verdient het aanbeveling het brutomodel te gebruiken.

d. Kostgeld kinderen

Kostgeld betaald door inwonende kinderen wordt buiten beschouwing gelaten. Dit kostgeld beïnvloedt de draagkracht niet.

e. Kinderbijslag/kindgebonden budget

DDe ontvangen kinderbijslag wordt rechtstreeks toegerekend aan de bij de onderhoudsplichtige verblijvende kinderen, voor wie de bijdragen zijn bestemd. De kinderbijslag wordt daarom niet bij het inkomen opgeteld.

De kinderbijslag is in de behoeftetabellen verdisconteerd.

Het kindgebonden budget is afhankelijk van het aantal kinderen per huishouden en de hoogte van het verzamelinkomen van de ouder die de kinderbijslag ontvangt en zijn of haar eventuele toeslagpartner. Hoe lager het inkomen, hoe hoger het kindgebonden budget. Er gelden wel inkomensgrenzen, afhankelijk van het aantal kinderen. Vanwege het inkomensafhankelijke karakter kan het kindgebonden budget niet worden verdisconteerd in de behoeftetabellen. Het dient apart te worden verwerkt als klein netto inkomen aan de zijde van de ontvanger.

f. Ontvangen kinderalimentatie

Een voor eigen kinderen of kinderen van de nieuwe partner ontvangen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding wordt niet bij het inkomen opgeteld, tenzij - en dan voor zover - het duidelijk is dat deze bijdrage de behoefte van de kinderen te boven gaat.

g. Inkomen van de nieuwe partner

Bij een nieuwe partner met eigen inkomsten is het uitgangspunt dat deze daarmee in eigen onderhoud kan voorzien. Op grond van dit uitgangspunt blijft dit inkomen buiten de draagkrachtberekening. De partner wordt als het ware als een zelfstandige economische eenheid beschouwd. De helft van de woonkosten en van andere gezamenlijke lasten wordt aan de partner toegerekend en voor wat betreft de toepassing van de bijstandsnorm en het draagkrachtpercentage wordt de nieuwe partner buiten beschouwing gelaten (alleenstaande of alleenstaande ouder, zie ook 9 en 23). Maakt de onderhoudsplichtige aannemelijk dat zijn partner niet geheel in eigen onderhoud kan voorzien dan wordt, indien sprake is van vaststelling van partneralimentatie, het inkomen van de partner als gezinsinkomen bij dat van de onderhoudsplichtige opgeteld (voor de vaststelling van kinderalimentatie, zie hoofdstuk 4.5). Het netto maandinkomen vermeerderd met de vakantietoeslag van de partner wordt in dat geval onder 7 vermeld.

Voor de toepassing van de bijstandsnorm en het draagkrachtpercentage worden de onderhouds- plichtige en zijn partner in deze situatie als gehuwden gezien.
Weigert de onderhoudsplichtige het inkomen van zijn partner bekend te maken dan moet worden aangenomen dat de partner in eigen onderhoud kan voorzien. Indien de partner geen inkomen heeft (of een zeer gering inkomen) dan bestaat er recht op uitkering van een bedrag gelijk aan de voor deze partner geldende algemene heffingskorting.

h. Klein netto inkomen uit vermogen

Hieronder moeten worden begrepen inkomsten uit vermogen, zoals effecten en onroerend goed, dat tot de heffingsgrondslag van box III behoort, maar waarvan de waarde verminderd met de schulden lager is dan het heffingvrije vermogen, zodat per saldo geen belasting in box III is verschuldigd. De inkomsten dienen onder aftrek van de kosten in aanmerking te worden genomen als netto inkomsten.

Elk inkomen uit vermogen behoort een rol te spelen, dus ook inkomsten die uit belegging van door schenkingen, erfstellingen en legaten verkregen vermogen verworven worden. Indien blijkt dat vermogen door een van de wil van de onderhoudsplichtige afhankelijke oorzaak minder opbrengt dan redelijkerwijs verwacht mag worden, kan een redelijke meeropbrengst in aanmerking worden genomen. Onder omstandigheden is interen op het vermogen niet uitgesloten.

Als een uitkering na ontslag mede bestemd is als aanvulling op het inkomen na ontslag, kan dit deel van de uitkering in aanmerking worden genomen bij de berekening van de draagkracht aldus, dat dit deel wordt toegerekend aan een bepaalde periode.

LET OP pensioenverrekening / pensioenvereveningIndien de onderhoudsplichtige een uitkering uit hoofde van pensioenverrekening aan een ex-echtgenoot moet betalen, beveelt de expertgroep aan deze verplichting af te trekken van het (bruto) inkomen en uitsluitend het resterende inkomen in de alimentatieberekening te betrekken.

Als de onderhoudsplichtige een pensioenvereveningsbijdrage moet betalen, is deze bijdrage in beginsel al van het inkomen afgetrokken omdat het pensioenfonds de vereveningsuitkering veelal rechtstreeks aan de gerechtigde betaalt.
Als de pensioenverrekening in het verleden contant is afgerekend, beveelt de expertgroep aan bij de berekening van de draagkracht na pensionering van degene die tot uitkering is overgegaan in beginsel het inkomen te nemen na aftrek van het bedrag van de indertijd berekende voorwaardelijke verrekeningsuitkering.

Als de onderhoudsplichtige een pensioenverrekenings- of -vereveningsuitkering ontvangt, dient dit inkomen bij het overig inkomen te worden opgeteld.

8 Totaal netto besteedbaar inkomen

Nota bene
Eventuele premies voor inkomensvoorzieningen verminderen het netto besteedbaar inkomen.
Voor de berekening van kinderalimentatie is 9 tot en met 23 vervangen door de draagkrachttabel, zie bijlage bij het Rapport.

9 Bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag

Zie paragraaf 4.3. onder Bijstandsnorm.

Met uitzondering van het normbedrag voor pensioengerechtigden, zijn de normbedragen Participatiewet afgeleid van het netto minimumloon. De Participatiewet geeft recht op een maandelijkse uitkering en een vakantie-uitkering. De normbedragen gelden landelijk, ze worden periodiek bijgesteld en halfjaarlijks gepubliceerd.
Het toepassen van deze normen ontslaat de rechter van het instellen van een budgetonderzoek.
Rechtszekerheid en rechtsgelijkheid worden hiermee gediend.

LET OP Nieuwe partner
De samenwoning met een nieuwe partner wordt, indien die partner in eigen onderhoud kan voorzien, bij de keuze van de toe te passen norm buiten beschouwing gelaten. Zie 7 onder g.

10 Woonlasten

a. Algemeen

De werkelijke woonlasten worden in aanmerking genomen. In de bijstandsnorm is echter reeds een component ‘woonlasten' begrepen, gelijk te stellen aan de gemiddelde basishuur conform de Wet op de huurtoeslag. Dit bedrag wordt daarom op de werkelijke woonlasten in mindering gebracht (zie het model voor de netto methode).

In een enkel geval zal het voorkomen dat de woonlasten lager zijn dan de gemiddelde basishuur. Als woonlast wordt dan het bedrag van die ondergrens ingevuld.

b. Huur

In geval van een huurwoning zijn de werkelijke woonlasten te stellen op het bedrag van de kale huur, verminderd met huurtoeslag (deze is belastingvrij), doch vermeerderd met servicekosten als bijdragen in het elektriciteitsverbruik van lift en in het schoonhouden van gemeenschappelijke ruimten. Bij de huur in rekening gebrachte kosten voor gebruik van stoffering, meubilering, verwarming, levering van water, gas en/of elektriciteit van de woning worden niet tot de woonlasten gerekend. Ter verduidelijking dient omtrent de aard van de in rekening gebrachte bedragen zo nodig een verhuurdersverklaring te worden overgelegd.

c. Kostgeld

Alleenstaanden die niet zelfstandig wonen, betalen soms kostgeld. Vaak is onduidelijk wat de woonkostencomponent daarin is. Als woonlast kan dan het bedrag van de huurcomponent in de bijstandsnorm worden aangehouden, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de woonkostencomponent in het kostgeld hoger is.

d. Korting wegens onredelijke woonlast

In individuele gevallen zal, gezien de persoonlijke omstandigheden en de woningmarkt ter plaatse, moeten worden beoordeeld of de woonlasten redelijk zijn. Die beoordeling geldt het totaal van de netto woonlasten. Is dit totaal onredelijk hoog, dan wordt naar redelijkheid een korting toegepast (N.B. geen gelijkheid ‘boven en onder de streep', zie hoofdstuk 4.4 en 123 van dit hoofdstuk).

LET OP Nieuwe partner
De samenwoning met een nieuwe partner wordt, indien die partner in eigen onderhoud kan voorzien, bij de keuze van de toe te passen norm buiten beschouwing gelaten. Zie 7 onder g.

11 Ziektekosten

De premie ZVW, inclusief de premie voor de aanvullende verzekering, kan in beginsel volledig in aanmerking worden genomen. Daarop komt, gezien de inhoud en strekking van artikel 475d lid 5 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in mindering de jaarlijks vastgestelde normpremie voor een alleenstaande dan wel voor een echtpaar als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, welke begrepen is in de bijstandsnorm. In het voorkomende geval komt ook de zorgtoeslag in mindering op het in aanmerking te nemen bedrag. Andere, niet door de verzekering gedekte medische kosten die aannemelijk worden gemaakt, zoals dieetkosten en tandartskosten, kunnen onder omstandigheden in aanmerking worden genomen. Met een verplicht eigen risico wordt slechts rekening gehouden indien aannemelijk wordt gemaakt dat daadwerkelijk van kosten sprake is.

12 Zelf betaalde premie arbeidsongeschiktheidsverzekering / oudedagsvoorziening / nabestaandenpensioen

De niet door de werkgever op het loon ingehouden, maar door de betrokkene zelf betaalde premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering (bijvoorbeeld om het zogenaamde WAO/WIA-gat te dichten), een oudedagsvoorziening en/of een nabestaandenpensioen kan hier worden opgenomen. Deze premies worden slechts in aanmerking genomen als de voorziening noodzakelijk is, bijvoorbeeld als sprake is van een onvolledig pensioen. Slechts die premie die recht geeft op een, gezien het in- komen, redelijke oudedagsvoorziening / nabestaandenpensioen komt voor aftrek bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking. Aansluiting kan worden gezocht bij de situatie zoals die bestond tijdens huwelijk / samenwoning. Indien partijen toen een dergelijke premie nodig achtten en betaalden, is het in beginsel redelijk dat de onderhoudsplichtige na het uiteengaan daarmee doorgaat. Bij de afweging kan ook een rol spelen dat de onderhoudsplicht in beginsel eindig is.

De premie voor een oudedagsvoorziening, gesloten omdat men een deel van zijn pensioen vanwege pensioenverrekening dan wel -verevening mist, wordt in beginsel niet als noodzakelijke last beschouwd.

13 Vervallen
14 Kosten omgangsregeling
Voor de verwerking van kosten verbonden aan de zorgregeling, die paragraaf 5.3.  

15 Andere bijzondere kosten

Bij de bepaling van de noodzakelijke kosten van bestaan kan ook met andere bijzondere kosten rekening gehouden worden. Als voorbeeld kan worden genoemd autokosten, indien deze sociaal en/of medisch noodzakelijk zijn, terwijl daarvoor geen vergoeding kan worden verkregen.

16 Werkelijke verwervingskosten

a. Algemene kosten

Reële, noodzakelijke kosten, gemaakt om het inkomen te verwerven, worden volledig bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen betrokken.

b. Reiskosten woon-werkverkeer

Met reëel gemaakte kosten woon-werkverkeer wordt, indien gereisd wordt met openbaar vervoer, volledig rekening gehouden, onder aftrek van eventueel door de werkgever verstrekte vergoedingen. Indien gebruik moet worden gemaakt van de eigen auto wordt gerekend met 12,5 eurocent per kilo- meter (€ 0,25 per retourkilometer). De eerste tien kilometer zijn niet uitgezonderd. Indien het noodzakelijk was voor de aanschaf van een auto een lening aan te gaan, dan kan met de aflossing van deze lening in beginsel rekening worden gehouden.

17 Studiekosten

Studiekosten kunnen in aanmerking worden genomen indien deze worden gemaakt met het reële vooruitzicht dat het inkomen en daarmee ook de draagkracht in de nabije toekomst stijgt. Voor zover sprake is van fiscaal voordeel beveelt de expertgroep de brutomethode aan, zodat daarmee rekening kan worden gehouden.

18 Rente en aflossing schulden

Betaling van rente en aflossing op schulden, aangegaan ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding vóór de samenwoning van de echtgenoten werd verbroken, en andere uit die tijd stammende verplichtingen worden altijd in aanmerking genomen.
Soms spelen ten tijde van de alimentatievaststelling nog problemen met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap of de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden. Veelal zullen deze problemen ook betrekking hebben op de vraag wie van partijen de bestaande schulden voor zijn rekening zal nemen. Wanneer aannemelijk is dat deze uiteindelijk uit het inkomen van de onderhoudsplichtige zullen moeten worden voldaan, wordt hiermee rekening gehouden, ook vóórdat de vermogensrechtelijke gevolgen van de scheiding zijn afgewikkeld. Dit kan anders zijn met schulden, aangegaan na het verbreken van de samenwoning. Weliswaar zijn dit ten tijde van de alimentatievaststelling bestaande verplichtingen, maar bekeken zal moeten worden of het aangaan van deze schulden zo noodzakelijk was, dat betaling daarvan prevaleert boven de verplichting tot betalen van alimentatie. Schulden die met aanwezig vermogen kunnen worden afgelost dienen buiten beschouwing te blijven.

19 Herinrichtingskosten

Met de kosten van herinrichting van degene die aan zijn ex-partner de inboedel heeft gelaten kan, afhankelijk van de omstandigheden (onder meer of het de betaling van kinderalimentatie betreft, zie hoofdstuk 4.5), geheel of ten dele rekening worden gehouden. Wanneer de noodzaak van herinrichting vaststaat en de kosten niet uit spaargeld kunnen worden voldaan, kan een schuld van maximaal € 5.500,- met een maandelijkse verplichting van € 125,- in het algemeen redelijk worden geacht. Wel moet aannemelijk zijn dat deze kosten daadwerkelijk zijn of moeten worden gemaakt.

20 Overige kosten waaronder advocaatkosten

Dit is een restrubriek voor niet algemeen voorkomende kosten.

In het algemeen beschouwt de expertgroep advocaatkosten gemaakt in het kader van een familierechtelijke procedure niet als een noodzakelijke last die voorrang heeft boven de onderhoudsverplichting, in ieder geval niet voor de vaststelling van kinderalimentatie (zie hoofdstuk 4.5). Indien partneralimentatie wordt vastgesteld kan daarover onder bijzondere omstandigheden anders worden geoordeeld: indien er sprake is van een hoge eigen bijdrage ingeval van gefinancierde rechtshulp dan wel een inkomen boven de grens voor gefinancierde rechtshulp alsmede van een beperkte vrije ruimte voor de onderhoudsplichtige zelf.

Indien aantoonbaar advocaatkosten zijn gemaakt en er geen liquide middelen zijn of binnen afzienbare termijn te verwachten zijn, beveelt de expertgroep aan rekening te houden met een bedrag voor noodzakelijke en redelijke kosten voor rechtshulp in de betreffende procedure van maximaal € 1.368,- met een maandlast van maximaal € 114,- gedurende ten hoogste een jaar.
Indien in een echtscheidingsprocedure bij de vaststelling van alimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen reeds met deze advocaatkosten rekening is gehouden, vangt de termijn van een jaar aan per datum voorlopige voorzieningen.

21 Draagkrachtloos inkomen

De som van de in aanmerking te nemen lasten, inclusief de bijstandsnorm, wordt draagkrachtloos inkomen genoemd. Het is het gedeelte van het inkomen dat geen draagkracht oplevert.

22 Draagkrachtruimte

Het draagkrachtloos inkomen wordt afgetrokken van het totaal netto inkomen. Wanneer het saldo positief is wordt dit draagkrachtruimte genoemd. Deze draagkrachtruimte wordt in een bepaalde verhouding, die vastligt in het draagkrachtpercentage (zie 22), tussen onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) verdeeld.

23 Draagkrachtpercentage

Van de gevonden draagkrachtruimte (zie 22) wordt 60% beschikbaar geacht voor partneralimentatie. Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage in de tabel en de daaraan ten grondslag liggende formule verwerkt

24 Vervallen

25 Resterend bedrag

Het resterende bedrag kan de onderhoudsplichtige geacht worden voor alimentatie te kunnen missen.

26 Kinderalimentatie

Indien vaststelling van kinderalimentatie is verzocht, moet, voor zover deze tussen partijen in geschil is, de behoefte van de kinderen worden vastgesteld. Zie hiervoor hoofdstuk 3.1 en de in de losse bijlage onder 28 opgenomen tabel ‘eigen aandeel kosten van kinderen' met toelichting.

6.3 Toelichting bij het model voor de bruto methode

Box I Inkomen uit werk en woning

41 Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking

Opgegeven moet worden het overeengekomen loon per jaar. Het bedrag dat per 4 weken wordt betaald moet met 13 worden vermenigvuldigd.

Als een jaaropgave beschikbaar is, kan men bij 60 beginnen en 41 tot en met 59 overslaan. Als men niet over een jaaropgaaf beschikt maar wel over de laatste salarisspecificatie van een jaar met cu- mulatieven kan men uitgaan van het heffingsloon dat in de cumulatieven staat, ook wel aangeduid als loon voor loonbelasting/premieheffing, loon lb/ph, belastbaar loon, fiscaal loon of loon loonheffing. Dit loon is gelijk aan het loon dat op een jaaropgaaf staat. Dit loon dient men niet te verwarren met loon OT of loon SVW. Nu over een uitkering uit hoofde van de Ziektewet - in tegenstelling tot die uit andere sociale verzekeringswetten - arbeidskorting wordt berekend (zie 117) en aanspraak kan worden gemaakt op vakantietoeslag, dient een dergelijke uitkering van de werkgever als arbeidsinkomen te worden verwerkt.

Inkomsten van werknemers die vakantiebonnen ontvangen worden niet bij 41 maar bij 45 ingevuld.

Bruto ZW-uitkering van het UWV

Ten aanzien van de uitkering uit hoofde van de Ziektewet van het UWV bestaat recht op de arbeidskorting. De vakantietoeslag is echter, anders dan bij de uitkering van de werkgever, al in de uitkering verwerkt. Indien geen andere inkomsten uit dienstbetrekking worden genoten, kan de uitkering hier worden ingevuld.

42 en 43 Bruto AOW-uitkering en Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten

Een WW-, WAO/WIA- en AOW-uitkering kan hier worden ingevuld, tenzij het een uitkering betreft waarbij aan werknemers vakantiebonnen worden verstrekt. Deze dienen bij 45 te worden ingevuld.

Het basispensioen voor een gehuwde verschilt van dat voor een ongehuwde. Daarom heeft een scheiding in het algemeen invloed op de hoogte van de AOW-uitkering. Over een AOW-uitkering is geen premie WW verschuldigd. Jaarlijks in mei wordt over de AOW-uitkering een vakantietoeslag uitbetaald. Deze toeslag bedraagt niet de gebruikelijke 8% bruto, maar een jaarlijks vast te stellen vast bruto bedrag.

LET OP Pensioenverrekening / pensioenverevening

Indien de onderhoudsplichtige een pensioenverrekeningsuitkering aan een ex-echtgenoot moet betalen beveelt de werkgroep aan deze verplichting af te trekken van het bruto inkomen en uitsluitend het resterende inkomen in de alimentatieberekening te betrekken.
Als de onderhoudsplichtige een pensioenvereveningsbijdrage moet betalen is deze bijdrage in beginsel al van het inkomen afgetrokken omdat het pensioenfonds de vereveningsuitkering rechtstreeks aan de gerechtigde betaalt. Als de pensioenverrekening in het verleden contant is afgerekend beveelt de expertgroep aan bij de berekening van de draagkracht na pensionering van degene die tot uitkering is overgegaan in beginsel het inkomen te nemen na aftrek van het bedrag van de indertijd berekende voorwaardelijke verrekeningsuitkering.

Als de onderhoudsplichtige een pensioenverrekenings- of -vereveningsuitkering ontvangt dient dit inkomen bij het overig inkomen te worden opgeteld. 

44 Vakantietoeslag

De vakantietoeslag wordt in de berekening betrokken door bij het bruto inkomen 8% op te tellen. Er wordt géén vakantietoeslag bijgeteld bij werknemers die vakantiebonnen ontvangen. Hun inkomsten worden niet bij 41 of 42 maar bij 45 ingevuld. Over het vakantiegeld worden geen werknemersverzekering- en pensioenpremies e.d. geheven, maar wel de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage ZVW, voor zover niet reeds op basis van het overige loon het maximum wordt bereikt.

Over een WW-, WAO/WIA- en AOW-uitkering wordt ook vakantietoeslag berekend. Voor het percentage, zie de betreffende regeling.

Over diverse particuliere pensioenen wordt geen vakantietoeslag uitgekeerd.

45 Bruto arbeidsinkomen inclusief belast deel waarde vakantiebonnen

Het bruto inkomen van werknemers in sectoren waarin vakantiebonnen worden verstrekt, kan niet zonder meer uit de salarisspecificatie worden afgelezen, doch moet berekend worden. Bij deze werknemers is er namelijk geen sprake van een vakantietoeslag en loon over vakantiedagen. De ver- strekte vakantiebonnen omvatten gedeeltelijk vakantiegeld en gedeeltelijk een vergoeding ter zake van loonderving voor vakantiedagen, waarover het loon niet wordt doorbetaald. Deze werknemers ontvangen in het algemeen maximaal 46 weken loon (en vakantiebonnen) per jaar. De vakantie- bonnen kunnen 2 à 3 keer per jaar verzilverd worden. In die situatie wordt aan de hand van de salarisgegevens en de waarde van de vakantiebonnen het bruto inkomen per jaar herleid.

Op een loonstrook wordt meestal alleen de fiscaal belaste waarde van de vakantiebon vermeld. 
De fiscaal belaste waarde bedroeg tot 1999 meestal 75 %. De belaste waarde resp. onbelaste waarde bedraagt in
1999: 77,5 % 22,5 % 
2000: 80 % 20 % 
2001: 82,5 % 17,5 % 
2002: 85 % 15 % 
2003: 87,5 % 12,5 %
2004: 90 % 10,0 %
2005 t/m 2007: 92,5 % 7,5 % 
2008: 95 % 5%
2009: 97,5 % 2,5%
2010: 99% 1%

Per loonperiode wordt over deze belaste waarde loonbelasting op het loon ingehouden. De 100%- waarde van de vakantiebon wordt door de werkgever aan de bedrijfsvereniging afgedragen. Bij de verzilvering van de vakantiebon krijgt de werknemer dan ook de gehele waarde uitgekeerd.

Bij 29 moet het fiscale bruto jaarinkomen worden ingevuld. Een gebruikelijke berekening van dit fiscale jaarinkomen in geval van een weekloon gaat als volgt: 46 maal het bruto weekinkomen vermeerderd met 46 maal de belaste waarde van de vakantiebonnen.
Over een periode van werkloosheid, bijvoorbeeld bij vorstverlet, ontvangt een werknemer een WW- uitkering. Hieromtrent worden door de desbetreffende uitkerende instantie opgaven (ook jaaropgaven) verstrekt. Voor zover bij de WW-uitkering vakantiezegels worden verstrekt zijn deze 100 % belast. Over de uitkeringsperiode is het fiscale bruto loon dus het aantal uitkeringsweken maal de bruto weekuitkering vermeerderd met het aantal uitkeringsweken maal de 100%-waarde van de vakantiebonnen. Indien de rest van het jaar gewerkt is, kan voor het aantal gewerkte weken 46 minus het aantal uitkeringsweken worden gerekend. Het fiscale bruto loon over die weken is dan dit aantal weken maal het bruto weekinkomen vermeerderd met dit aantal weken maal de belaste waarde van de vakantiebonnen. Het totaal kan bij 45 als fiscaal bruto jaarinkomen worden ingevuld. De onbelaste waarde van de vakantiebonnen (over de gewerkte weken) dient bij 118 te worden opgegeven.

In de sector Bouwnijverheid wordt sinds 2006 gebruik gemaakt van het Tijdspaarfonds. Het loon wordt over 52 weken betaald, waarnaast per jaar 18 dagen extra worden uitbetaald. Over het totaal van beide bedragen wordt 8% vakantietoeslag uitbetaald. Op de loonstrook worden de extra dagen vermeld als bijvoorbeeld “TSF-dagen” of “tijdspaarfonds”. De daarmee corresponderende bedragen, inclusief de vakantietoeslag daarover, worden door de werkgever rechtstreeks gestort in het tijdspaarfonds. De bouwplaatswerknemer kan de opgebouwde rechten aanwenden voor vrije tijd of een uitkering in geld.

46 Inkomsten uit overwerk

Het is niet mogelijk eenduidig aan te geven of en in hoeverre nevenverdiensten, zoals overwerk en gehonoreerde nevenfuncties, mede bepalend zijn voor de draagkracht. Dit zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden. Bij de beoordeling van de vraag of de onderhoudsplichtige vrijwillig mag stoppen met nevenverdiensten of overwerk zou in aanmerking genomen kunnen worden of deze nevenverdiensten in mindere of meerdere mate inherent zijn aan de vervulling van de hoofdfunctie en of deze inkomsten ook al -structureel- tijdens het huwelijk werden verworven. Bij sterke schommelingen in inkomsten moet zoveel mogelijk het gemiddelde worden bepaald.

Fooien worden zoveel mogelijk bij de draagkrachtberekening in aanmerking genomen.

47 en 48 13e maand/14e periode, belaste gratificaties en tantièmes

Eventueel ander bruto arbeidsinkomen, zoals een dertiende maand, een veertiende periode, gratificaties, tantièmes en eindejaarsuitkeringen worden bij het bruto arbeidsinkomen geteld, tenzij deze posten een incidenteel karakter dragen of reeds in het bruto inkomen onder 41 of 45 zijn verantwoord.

49 Belaste onkostenvergoedingen

Het wel of niet belast zijn van een onkostenvergoeding kan afgeleid worden uit de salarisspecificatie. Aan het feit dat de onkostenvergoeding fiscaal wordt belast kan niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat het gaat om verkapt inkomen.

51 Ingehouden pensioenpremie

De ingehouden pensioenpremie wordt op het bruto arbeidsinkomen in mindering gebracht, omdat deze premie voor de loonheffing niet tot het loon wordt gerekend.
De premie per jaar kan het best worden benaderd door het per maand betaalde bedrag met twaalf of het per 4 weken betaalde bedrag met dertien te vermenigvuldigen.

OP betekent ouderdomspensioen, NP betekent nabestaandenpensioen, IP-BW betekent invaliditeitspensioen bovenwettelijk.

53 Aanvullende door werkgever ingehouden premie nabestaandenpensioen/reparatie WAO/WIA-gat

Het zogenaamde WAO/WIA-gat en het tekort in nabestaandenpensioen kan worden gerepareerd door een collectieve aanvullende pensioenvoorziening. Fiscaal gezien heeft dit dezelfde gevolgen als de betaling van de gewone pensioenpremie. De premie moet dus op het loon in mindering worden gebracht voordat de premies werknemersverzekeringen worden berekend.

Deze premies worden slechts in aanmerking genomen als de voorziening noodzakelijk is, bijvoorbeeld als sprake is van een onvolledig pensioen. Slechts die premie die recht geeft op een, gezien het inkomen, redelijke oudedagsvoorziening dan wel redelijk nabestaandenpensioen komt voor aftrek bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking. Aansluiting kan worden gezocht bij de situatie zoals die bestond tijdens het huwelijk of de periode gedurende welke men samenwoonde. Indien partijen toen een dergelijke premie nodig achtten en betaalden is het in beginsel redelijk dat de onderhoudsplichtige na het uiteengaan daarmee doorgaat. Bij de afweging kan ook een rol spelen dat de onderhoudsplicht in beginsel eindig is.

De premie voor een oudedagsvoorziening, gesloten omdat men een deel van zijn pensioen vanwege pensioenverrekening dan wel -verevening mist, wordt in beginsel niet als een noodzakelijke last beschouwd.
De premie per jaar kan het best worden benaderd door het per maand betaalde bedrag met twaalf of het per 4 weken betaalde bedrag met dertien te vermenigvuldigen.

54 Loon voor de premies werknemersverzekeringen

Het op deze plaats berekende saldo geeft het inkomen, waarover de premies werknemersverzekeringen moeten worden berekend.

55 Premie WW

De premie WW (Werkloosheidswet) moet worden berekend over het loon per werkdag, maar over niet meer dan het maximum dagloon na aftrek van een franchise. Dat betekent dat bij een parttime dienstbetrekking het loon niet gedeeld kan worden door het totaal aantal werkdagen per jaar. Voor de gevallen waarin dit wel kan, volgen voor de verschillende jaren het totaal aantal werkdagen, het maximum dagloon, (door deze getallen met elkaar te vermenigvuldigen) het maximale inkomen en de franchise waarover nog premie betaald moet worden uit de tabel in de bijlage ‘tarieven en tabellen' onder 55.

Het loon waarover de premie moet worden berekend, is vastgelegd in de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen. Het in het model onder (A) berekende totaal zal daar in vrijwel alle gevallen exact mee overeenkomen. Verschillen zijn mogelijk in het geval van beloningen in natura.
Het premiepercentage wordt per bedrijfstak vastgesteld. De wachtgeldpremie en de werkloosheidspremie moeten bij elkaar worden opgeteld. Het voor betrokkene geldende percentage kan worden ontleend aan zijn loonstrook. Alleen indien geen zekerheid kan worden verkregen over het juiste percentage, mag gebruik worden gemaakt van het geschatte gemiddelde percentage (zie tabel in de bijlage 'tarieven en tabellen' onder 55).

56 Premie arbeidsongeschiktheidsverzekering i.v.m. reparatie WAO/WIA-gat

De reparatie van het WAO/WIA-gat, ontstaan door de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, vindt in sommige gevallen plaats via een collectieve aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering. Of dit het geval is blijkt uit de loonstrook. De betaalde premie moet aan de loonstrook worden ontleend en worden omgerekend naar een bedrag per jaar. Uit de loonstrook moet blijken hoe de premie wordt berekend. Het zal gaan om een percentage van het loon, verminderd met de pensioen- en VUT-premie, na aftrek van een franchise.

Een redelijke schatting kan worden verkregen door het per maand betaalde bedrag met 12 of het per 4 weken betaalde bedrag met 13 te vermenigvuldigen.

57 Inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW

Met ingang van 1 januari 2013 wordt over het loon of de uitkering op verschillende manieren de inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW geheven:

  • de werkgever of de uitkeringsinstantie betaalt de zogenoemde werkgeversheffing ZVW. Dit bedrag wordt niet ingehouden op het loon of de uitkering en de werkgever of uitkeringsinstantie betaalt ook geen vergoeding meer. 
  • de onderhoudsplichtige betaalt zelf de bijdrage ZVW. De werkgever of uitkeringsinstantie houdt de bijdrage in op het nettoloon.

Daarnaast kan een directeur grootaandeelhouder op aanslag een inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW verschuldigd zijn.

Met de ingehouden of op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage dient bij de vaststelling van het netto besteedbaar inkomen rekening te worden gehouden, zie 120.

58 Bijdrage werkgever in ziektekosten

Een andere dan de onder 57 bedoelde bijdrage van de werkgever in de door de werknemer te betalen ziektekosten zal over het algemeen worden aangemerkt als belast loon en dient dan hier te worden opgenomen.

59 Inkomsten uit arbeid

Het berekende bedrag geeft het totaal van de belaste inkomsten uit arbeid. Voor zover het niet gaat om besteedbaar (werkelijk) inkomen (de bij 57 opgegeven inkomensafhankelijke bijdrage van de werkgever in de premie ZVW), vindt bij 124 een correctie plaats (door aftrek van de volledige premie, derhalve inclusief de bijdrage van de werkgever in de premie ZVW).

60 Loon volgens jaaropgave(n)

Als een jaaropgave met betrekking tot loon uit dienstbetrekking beschikbaar is kan met 60 worden begonnen. De nummers 1 tot en met 59 behoeven dan niet te worden ingevuld.

Premies

Het loon volgens de jaaropgave is al vermeerderd met alle belaste toeslagen en uitkeringen, de bijdrage premie levensloopregeling, het vakantiegeld en het overwerk. Afgetrokken zijn al de pensioenpremies, de premie WW en de inhoudingen in verband met een collectieve reparatie van het WAO/WIA-gat.

Wordt op het nettoloon de inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW ingehouden, dan dient de jaaropgave in dat te verband te worden gecorrigeerd.

Als men niet over een jaaropgaaf beschikt maar wel over de laatste salarisspecificatie van een jaar met cumulatieven kan men in veel gevallen uitgaan van het heffingsloon dat in de cumulatieven staat, ook wel aangeduid als loon voor loonbelasting/premieheffing, loon lb/ph, belastbaar loon, fiscaal loon of loon loonheffing. Dit loon is gelijk aan het loon dat op een jaaropgaaf staat. Dit loon dient men niet te verwarren met loon OT of loon SVW.

Indien in de jaaropgave inkomsten uit overwerk zijn verwerkt, moet worden nagegaan of deze inkomsten niet een louter incidenteel karakter dragen in welk geval deze meestal niet tot het inkomen worden gerekend.

Bij werknemers die vakantiebonnen ontvangen, is de belaste waarde van de verstrekte vakantiebonnen in het loonbedrag op de jaaropgave begrepen. Bij inkomen uit arbeid is een deel van de waarde onbelast. Dit deel van de waarde moet worden ingevuld bij 118. Van belang is dat de jaaropgaaf het onbelaste deel niet vermeldt. Zie verder 45.

Levensloop

De levensloopregeling is afgeschaft per 1 januari 2012. Deelnemers aan de levensloopregeling die op 31 december 2011 een saldo van minimaal € 3.000 hebben staan, kunnen met de levensloopregeling doorgaan. Bij een nieuwe inleg wordt geen levensloopverlofkorting meer opgebouwd.
Deelname aan de levensloopregeling is een vrije keuze van de werknemer, waardoor een deel van het loon van een werknemer, al dan niet vermeerderd met een werkgeversbijdrage, wordt gereserveerd. Aanbevolen wordt de financiële gevolgen van deze keuze voor rekening van de werknemer te laten. Dat kan door de werkgeversbijdrage en inhouding in de jaaropgave te corrigeren en buiten beschouwing te laten.

Auto van de zaak

Stelt de werkgever een auto ter beschikking, dan wordt voor het privégebruik van deze auto voor de inkomensheffing een forfaitair bedrag bij het inkomen opgeteld, tenzij de werknemer zijn privégebruik beperkt tot minder dan 500 kilometer per jaar en aan de overige voorwaarden voor het achterwege laten van de bijtelling is voldaan. De bijtelling leidt tot een hogere loonheffing. Het gevolg hiervan is dat het besteedbaar inkomen per maand daalt. Bijzondere omstandigheden daargelaten wordt met deze fiscale bijtelling, en dus met de daling van het besteedbaar inkomen, geen rekening gehouden. Immers, de bijtelling betreft in feite een belasting op loon in natura: het door de werkgever gratis ter beschikking gestelde privégebruik van de auto waarvoor betrokkene zelf geen benzine, verzekering, onderhoud of afschrijving betaalt. Tegenover de extra geheven belasting kan worden geacht voor de betrokkene een voordeel in de privésfeer te staan, omdat hij de keuze heeft de auto van de zaak al dan niet te accepteren.

Soms wordt aan de werkgever een vergoeding voor het privégebruik van de auto betaald. Deze vergoeding strekt in mindering op het bedrag dat voor de inkomstenbelasting bij het loon moet worden opgeteld. Tegenover de aan de werkgever betaalde vergoeding staat derhalve een lagere belastingheffing, maar ook lager loon vanwege inhouding van een daadwerkelijk door de werknemer betaalde vergoeding.

Nu de extra heffing ingevolge de bijtelling terzake van het privégebruik en de eventueel betaalde vergoeding het gevolg zijn van een keuze van de werknemer, dient de extra belasting die de bijtelling oplevert in de jaaropgaaf – bijzondere omstandigheden daargelaten – buiten beschouwing te worden gelaten en derhalve te worden gecorrigeerd. Van het inkomen volgens jaaropgaaf dient dan ook de bijtelling – verminderd met de eventuele eigen bijdrage - voor het privégebruik van de zakelijk auto te worden afgetrokken. Het bedrag van de bijtelling is in de regel kenbaar uit de loonstroken.

62 Reisaftrek

De reisaftrek geldt bij regelmatig woon-werkverkeer en wordt uitsluitend in aanmerking genomen voor zover de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand meer bedraagt dan 10 km per dag. De aftrek wordt verminderd met de ontvangen reiskostenvergoeding. In beginsel is een openbaar- vervoerverklaring vereist.

64 Belastbaar loon (a)

Dit is het loon, gecorrigeerd voor de eventuele bijtelling voor het privégebruik van de auto van de zaak en verminderd met de reisaftrek, dat de basis vormt voor de berekening van de loonheffing.

65 Te verwachten beschikbare winst

Verschil bedrijfseconomische en fiscale winst
Een ondernemer die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft, geniet geen salaris, maar winst. Hij zal in de regel voor zijn levensonderhoud bedragen aan het vermogen van de onderneming onttrekken. Die onttrekkingen, verminderd met de betaalde belasting en premies, heeft hij - eventuele andere bronnen van inkomen buiten beschouwing gelaten - in het desbetreffende jaar netto beschikbaar gehad. De belasting die de ondernemer - in privé - moet betalen wordt vastgesteld op basis van zijn belastbare winst uit onderneming. Het betreft hier alleen de winst van de individuele ondernemer, niet die van het eventuele samenwerkingsverband. Hoewel die vaststelling van belastbare winst pas achteraf - na afloop van het jaar - mogelijk is, zal de ondernemer in de regel een voorlopige aanslag krijgen op basis waarvan een geschat bedrag aan belasting moet worden betaald.

Jaarlijks dient voor de onderneming een jaarrekening te worden opgesteld met een balans, winst- en verliesrekening en een toelichting. Veelal maakt de ondernemer ook een kasstroomoverzicht waarin melding wordt gemaakt van de onttrekkingen. Er is een verschil tussen de bedrijfseconomische en fiscale jaarrekening. Een kleine ondernemer kan volstaan met een fiscale jaarrekening en hoeft geen bedrijfseconomische jaarrekening op te stellen.

Bij post 65 (te verwachten beschikbare winst) dient te worden ingevuld het bedrag dat de ondernemer, vanaf het moment van de vaststelling van zijn onderhoudsverplichting, mag worden geacht te kunnen onttrekken aan de onderneming in de zin als hiervoor omschreven. Dat kan een bedrag zijn ter hoogte van het resultaat voor het lopende jaar (geschat op basis van de resultaten van de afgelopen jaren), maar het kan ook een bedrag aan geschatte onttrekkingen zijn, als niet alle of juist meer middelen aan de onderneming kunnen of zullen worden onttrokken. De omvang van de bedragen dient zodanig te zijn dat de continuïteit van de onderneming niet in gevaar komt. Het ligt op de weg van de ondernemer om inzicht te verschaffen in zijn bedrijfsvoering en actuele financiële positie. Wenselijk zijn niet alleen de stukken waarmee de ondernemer inzicht kan geven in de bedrijfsvoering in de afgelopen jaren, zoals - in ieder geval de drie laatste definitieve - jaarstukken over het verleden (met daarin de balans, de winst- en verliesrekening en toelichting inclusief kasstroomoverzichten, belastingaangiften en - aanslagen), maar ook stukken waarmee hij zijn verwachtingen voor de toekomst kan onderbouwen, zoals concept jaarstukken, prognoses, bijvoorbeeld een liquiditeitsprognose, en voorlopige aanslagen.

Berekening van de belastingdruk
Op de te verwachten beschikbare winst dient de belasting in mindering te worden gebracht. De belastingdruk wordt berekend op basis van de (geschatte) fiscale winst uit onderneming voor het desbetreffende jaar. Vanwege beperkingen en faciliteiten in de fiscale wetgeving, kan de

bedrijfseconomische winst afwijken van de belastbare winst uit onderneming op basis waarvan de verschuldigde belasting wordt berekend. Het is daarom van belang rekening te houden met die fiscale beperkingen en faciliteiten. Deze worden behandeld in 66 tot en met 74.

Indien de (geschatte) winst uit onderneming bekend is, kan aparte invulling van 66 tot en met 69 achterwege blijven en kan de winst direct bij 70 worden ingevuld.

Indien de (geschatte) belastbare winst uit onderneming bekend is, kan aparte invulling van 66 tot en met 74 (ondernemersaftrek en MKB-vrijstelling) in de regel achterwege blijven en dient het bedrag van de belastbare winst bij 75 te worden ingevuld. De belastingdruk op de te verwachten beschikbare winst wordt dan rechtstreeks op basis van de belastbare winst berekend.

In geval van privégebruik van een auto van de zaak dient – bij rechtstreekse invulling van de winst uit onderneming bij 70 of de belastbare winst uit onderneming bij 75, bij 75 een correctie te worden toegepast, zie toelichting bij 75 hierna.

Deze exercitie in verband met diverse fiscale correcties en faciliteiten behoeft niet te worden gemaakt in het geval waarin de verrekenbare verliezen ten minste even groot zijn als de geschatte belastbare winst. In dat geval is de belastingdruk op het te verwachten beschikbare winst voor het desbetreffende jaar nihil.

Directeur grootaandeelhouder

Indien een ondernemer zijn onderneming drijft door middel van een aparte rechtspersoon (en meerderheidsaandeelhouder van een BV of NV is), is in de regel sprake van een salaris en mogelijk reguliere - in de zin van met enige regelmaat terugkerende - dividenduitkeringen. In de alimentatieberekening is in dat geval niet de post bedrijfsresultaat van belang, maar post 41 (loon) of 60 (in geval van jaaropgaaf) en post 96 (reguliere voordelen).Ook hier dient te worden beoordeeld wat de ondernemer vanaf het moment van vaststelling van de onderhoudsverplichting in de toekomst mag worden geacht te kunnen onttrekken aan de vennootschap, in de vorm van salaris of dividend. Zie voor de beoordeling verder het hiervoor opgemerkte.

Aanbevolen worden de volgende publicaties:

  • Alimentatie en winst uit onderneming, Trema 1996 nr. 11/12, p. 368
  • Alimentatie en de ondernemer: de verhouding tussen winst, kasstromen en draagkracht, EB 2012/11

66 Aftrekbeperkingen

De belastingwet kent een groot aantal aftrekbeperkingen, zoals bijv. 10% van kosten voor voeding, representatie en congressen e.d.. Voor de berekening van de verschuldigde belasting, dient de bedrijfseconomische winst te worden verhoogd met de kosten die in aftrek zijn gebracht, maar waarvoor een aftrekbeperking geldt. Door hier de kosten op te nemen waarvoor een aftrekbeperking geldt wordt dit bewerkstelligd. De beperking van deze aftrek heeft een belastingverhogend effect.

67 Investeringsaftrek

Bij aftrek in verband met investeringen dient onderscheid te worden gemaakt in aftrek die leidt tot uitstel en aftrek die leidt tot afstel van de heffing van belasting.

Aftrek die leidt tot uitstel van heffing, zoals willekeurige afschrijving, geeft in het jaar van afschrijving een belastingvoordeel. Daar staat een belastingnadeel in een ander jaar tegenover, als in dat jaar niet meer kan worden afgeschreven. Mede gelet op het doel van de regeling, wordt aanbevolen het belastingvoordeel en -nadeel niet te verwerken.

Afstel van heffing kan worden verkregen indien door de ondernemer is geïnvesteerd in bepaalde bedrijfsmiddelen. Naast de afschrijvingen kan in sommige gevallen een deel van het investeringsbedrag ten laste van de winst worden gebracht in de vorm van een (kleinschaligheids-, energie- en milieu-) investeringsaftrek. Het gaat om een eenmalige aftrek waarvan de hoogte afhankelijk is van het geïnvesteerde bedrag. Indien aannemelijk is dat een zodanige investering plaats zal vinden, kan de aangifte over een voorgaand jaar informatie geven over de omvang van de aftrek. Gelet op het doel van de regeling kan de aftrek buiten beschouwing worden gelaten.

68 Vervallen

69 Fiscale oudedagsreserve

Anders dan werknemers hebben ondernemers geen (verplichte) pensioendeelname. De premie voor een pensioenvoorziening drukt dan ook niet automatisch de inkomsten en draagkracht.

Ondernemers (eenmanszaken, vof's en vrijberoepsbeoefenaren) kunnen in beginsel jaarlijks ten laste van de winst uit onderneming een bedrag toevoegen aan hun fiscale oudedagsreserve (FOR). In feite gaat het hierbij om een keuze: wanneer de ondernemer dat bij zijn aangifte verzoekt blijft de toevoeging over het desbetreffende jaar achterwege. Ten aanzien van de omvang van de toevoeging bestaat geen keuzevrijheid. Het bedrag dat kan worden toegevoegd is in de wet vastgelegd als een afgeleide van de winst. De regeling is bedoeld als fiscale tegemoetkoming aan ondernemers die hun financiële middelen in hun onderneming hebben geïnvesteerd en daardoor de mogelijkheid missen hun oudedagsvoorziening extern te financieren. De FOR is overigens geen vrije reserve. De regeling biedt de ondernemer uitstel van de inkomstenheffing over de bedragen die aan de FOR worden toegevoegd. Over het bedrag van de FOR -dit is het totaal van de toevoegingen- moet te zijner tijd de belasting alsnog worden afgerekend voor zover dit bij beëindiging van de onderneming niet wordt aangewend voor de aankoop van een lijfrente. De FOR kan in beginsel niet uitgaan boven het eigen vermogen (het vermogen dat de ondernemer zelf in zijn onderneming gestoken heeft, zie de balans). Om een jaarlijkse toevoeging aan de FOR te kunnen doen moet de ondernemer dus zijn eigen vermogen op peil houden. De (voorlopige) vrijstelling van inkomstenheffing over de gedoteerde bedragen stelt de ondernemer daartoe deels in staat. Het geeft hem extra ruimte om geld in zijn onderneming te steken. Het ondernemingsvermogen kan te zijner tijd worden aangewend om een oudedagsvoorziening te treffen.

Door de vrijstelling van inkomstenheffing over de FOR-dotatie neemt de actuele draagkracht van de onderhoudsplichtige ondernemer toe. Indien de ondernemer besluit te doteren aan de FOR, leidt het invullen van de dotatie op deze plaats tot verlaging van de fiscale winst zodat in het jaar van dotatie minder belasting verschuldigd is. Op de reserve kan niet worden ingeteerd, zodat de betreffende investering in de FOR vervolgens ook in aanmerking moet worden genomen, bij 134 (overige kosten). Besluit de ondernemer niet te doteren, maar extern een – fiscaal gefaciliteerde – voorziening op te bouwen, dan dient daarmee niet op deze plaats maar bij de inkomensvoorzieningen rekening te worden gehouden.

70 Winst uit onderneming

Het saldo van 64 t/m 69 vormt de in aanmerking te nemen winst uit onderneming. De winst uit onderneming, indien bekend, kan hier ook worden ingevuld.

71, 72, 73, 74 Ondernemersaftrek en MKB-winstvrijstelling

a. Zelfstandigenaftrek

De zelfstandigenaftrek, een vast bedrag geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium (ten minste 1225 uur) voldoet en jonger is dan 65 jaar. Indien in de vijf voorafgaande jaren niet meer dan twee maal zelfstandigenaftrek is toegepast wordt deze aftrek verhoogd met de startersaftrek, eveneens een vast bedrag.

b. Speur- en ontwikkelingswerkaftrek

Deze aftrek geldt als de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en jonger is dan 65 jaar tenminste 500 uur besteedt aan werk dat is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk.

c. Meewerkaftrek

Deze aftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en van wie de partner zonder

enige vergoeding arbeid in de onderneming verricht. De aftrek is afhankelijk van het gewerkte aantal uren en wordt uitgedrukt in een percentage van de winst.

d. Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

Op deze aftrek kan aanspraak worden gemaakt indien vanuit de positie van arbeidsongeschiktheid een onderneming wordt gestart. Vereist is dat de ondernemer in de vijf jaar voordien geen ondernemer was en in het kalenderjaar recht heeft op onder meer een WIA-, WAO-, Waz-, of Wajong-uitkering.

e. Stakingsaftrek

De stakingsaftrek, een vast bedrag, wordt verleend bij het staken van een gehele onderneming. Een ondernemer kan daar maar één keer aanspraak op maken.

f. MKB-vrijstelling

De MKB winstvrijstelling is een aftrekpost waarop de ondernemer die aan het urencriterium voldoet recht heeft. De vrijstelling bedraagt een vast percentage van de winst, nadat deze is verminderd met de ondernemersaftrek. Daarbij wordt de totale winst van alle ondernemingen die een ondernemer heeft in aanmerking genomen.

75 Belastbare winst uit onderneming

De belastbare winst uit onderneming is de resultante van de hiervoor bij 70 tot en met 74 ingevulde gegevens.

Indien de belastbare winst bekend is, kan deze hier worden ingevuld. Ingeval van de mogelijkheid tot het invullen van de winst uit onderneming of de belastbare winst gebruik is gemaakt, dient eventueel op deze plaats een correctie plaats te vinden voor het privégebruik van de auto van de zaak.

Privégebruik auto

Een ondernemer kan er voor kiezen om een auto, die hij niet alleen binnen zijn onderneming gebruikt maar ook daarbuiten, als bedrijfsmiddel aan te merken. De kosten van de auto komen dan in mindering op de winst. Indien sprake is van privégebruik, wordt dat fiscaal belast. Dit gebeurt door de winst te verhogen met een bijtelling die op vergelijkbare wijze als bij werknemers met een auto van de zaak wordt bepaald (zie 66).

De expertgroep beveelt aan de belasting over het privégebruik voor de bepaling van de draagkracht buiten beschouwing te laten. Dat kan door de bijtelling bij de bepaling van de belastbare winst niet in aanmerking te nemen. Het gevolg is dat een lagere belastingdruk dan de reële belastingdruk in aanmerking wordt genomen en meer actuele draagkracht resteert.

Uitsluitend indien de winst uit onderneming bij 70 is ingevuld, of de belastbare winst hier is ingevuld, dient hier een correctie te worden toegepast door de bijtelling voor de auto in te vullen. De belastbare winst uit onderneming wordt dan verminderd met de bijtelling.

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

De door de ondernemer op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW dient in mindering te worden gebracht op het netto inkomen van de ondernemer, zodat dit bedrag het uiteindelijke netto besteedbare inkomen verlaagt.

76 Resultaat uit overige werkzaamheden

Het begrip resultaat uit overige werkzaamheden dient ruim te worden geïnterpreteerd. Daaronder vallen o.a. inkomsten die voortvloeien uit enige vorm van arbeid in het economisch verkeer en die niet als belastbaar loon of belastbare winst kunnen worden aangemerkt. In dat geval kunnen geen onbelaste vergoedingen en verstrekkingen worden ontvangen (te denken valt aan: het houden van lezingen, freelance werkzaamheden, politieke functies als lid van gemeenteraad).

Onder resultaat uit overige werkzaamheden valt eveneens het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een eigen onderneming, b.v. het verhuren door een directeur- grootaandeelhouder van een aan hem in eigendom toebehorend pand aan zijn besloten vennootschap.

Alle inkomsten zijn belast en alle kosten (voor zover toegestaan) zijn aftrekbaar.

De door de resultaatgenieter op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW dient in mindering te worden gebracht op het netto inkomen, zodat dit bedrag het uiteindelijke netto besteedbare inkomen verlaagt.

77 Aftrekbeperkingen

Het resultaat wordt becijferd overeenkomstig de bepalingen voor de winst uit onderneming. Een aantal aftrekposten is echter uitgezonderd, bijvoorbeeld met betrekking tot privé getinte uitgaven. Raadpleeg in het voorkomende geval een belastingalmanak (zie ook 66).

78 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden

Dit is de resultante van 76 en 77.

79 Periodieke uitkeringen en verstrekkingen

Dit betreft ondermeer termijnen van lijfrente, pensioenverrekenings- en vereveningsuitkeringen, alimentatie en uitkeringen op grond van een vrijwillige AOW- en ANW-verzekering. Op veel uitkeringen wordt loonheffing ingehouden volgens de regels van de Wet op de Loonbelasting 1964. Over de uitkering kan (op aanslag) inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW verschuldigd zijn, waar rekening mee dient te worden gehouden.

80 Vervallen

82, 83, 84 en 85 Eigenwoningforfait, aftrekbare kosten en belastbare inkomsten uit eigen woning

Nota bene
82 tot en met 85 blijven buiten beschouwing indien kinderalimentatie wordt vastgesteld op basis van de draagkrachttabel.

Voor de belastingwet wordt de woning die eigendom en hoofdverblijf is als bron van inkomen gezien. Dientengevolge zijn bepaalde inkomsten belast en bepaalde kosten aftrekbaar. De inkomsten worden forfaitair bepaald door middel van het eigenwoningforfait.

a. Eigenwoningforfait

Het eigenwoningforfait wordt berekend aan de hand van de WOZ-waarde die is vastgesteld voor het voorgaande jaar en bedraagt een van de waarde van de woning afhankelijke percentage.

b. Aftrekbare kosten

De meest bekende aftrekbare kosten zijn de hypotheekrenten. De mate van gerechtigdheid tot de woning en verschuldigdheid van de lening bepalen de omvang van de inkomsten en de aftrek. Als aftrekbare kosten kunnen verder periodieke betalingen van erfpacht en opstal in aanmerking worden genomen.

Aflossingen en premies voor verzekeringen die aan de hypotheek zijn gekoppeld zijn niet aftrekbaar.

Betaalde hypotheekrente als woonlast van de alimentatieplichtige

De onderhoudsplichtige met een eigen woning (hoofdverblijf) krijgt een bijtelling in box I van het eigen woningforfait. De hypotheekrente die betrekking heeft op de eigenwoningschuld wordt in aanmerking genomen als aftrekbare kosten. Het saldo van het forfait minus de kosten is de aftrekpost belastbare inkomsten uit eigen woning.

Van een eigenwoningschuld is sprake tot het bedrag dat de lening is aangegaan, voor zover die betrekking heeft op de verwerving/onderhoud van die woning, en verminderd met een eventuele eigenwoningreserve. Voor de belastingplichtige die wel een eigen woning heeft, maar geen of een geringe eigenwoningschuld, kan het eigenwoningforfait hoger zijn dan het bedrag waarvoor aanspraak kan worden gemaakt op aftrek. In dat geval is de aftrek in verband met geen of geringe eigenwoningschuld van toepassing (amendement Hillen). Dat leidt er toe dat de bijtelling van het eigenwoningforfait er niet toe kan leiden dat positieve inkomsten uit eigen woning in aanmerking worden genomen.

Een eigen woning in gezamenlijke eigendom leidt tot fiscaal partnerschap. Voor fiscale partners is het saldo van de belastbare inkomsten uit eigen woning en aftrekbare kosten een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel, dat zij in hun aangifte vrij kunnen toerekenen.

LET OP Willekeurige toerekening

Het is mogelijk het saldo van de voordelen uit eigen woning (in het algemeen: de (hypotheek)rente en het eigenwoningforfait) fiscaal willekeurig toe te rekenen aan partners. Willekeurige toerekening betekent dat de partners onderling de percentages kunnen vaststellen zolang ze samen maar
100 % van het saldo in aanmerking nemen. Daarbij is niet van belang wie eigenaar is van de woning of wie de (hypothecaire) schuld is aangegaan. Jaarlijks kunnen de partners een nieuwe keuze maken. In het kader van alimentatievaststelling beveelt de expertgroep aan om in het geval de onderhoudsplichtige samenwoont met iemand die (wordt geacht) in zijn eigen levensonderhoud (te) voorzie(n)t, bij de berekening van de woonlasten aan elk van beiden, zowel in het bruto als ook in het netto traject, de helft van het eigenwoningforfait en de hypotheekrente toe te rekenen.

Betaalde hypotheekrente naast woonlast alimentatieplichtige

Het vertrek uit een eigen woning doet in de regel niet de aansprakelijkheid voor de in verband met de financiering aangegane schuld eindigen. Dat leidt er in scheidingszaken vaak toe dat naast de nieuwe woonlast ook nog een bedrag aan hypotheekrente die betrekking heeft op het voormalige hoofdverblijf wordt doorbetaald. Die hypotheekrente kan betrekking hebben op een woning die geheel in eigendom is van de vertrokken partner, maar ook op een woning die gemeenschappelijk eigendom is.

Het vertrek uit de woning leidt ertoe dat de woning geen hoofdverblijf meer is en in beginsel niet meer aan de definitie van eigen woning voldoet. Dat kan gevolgen hebben voor de hypotheekrenteaftrek. Als de voormalige fiscale partner of duurzaam gescheiden levende echtgenoot in de woning achterblijft, blijft de woning voor de vertrokken partner nog voor maximaal twee jaar na het vertrek als eigen woning kwalificeren. Gevolg is dat nog recht bestaat op de hypotheekrenteaftrek, voor zover deze betrekking heeft op diens aandeel in de woning.

Indien het ter beschikking stellen van de woning aan de gewezen fiscale partner of duurzaam gescheiden levende echtgenoot is te beschouwen als het voldoen aan een onderhoudsverplichting (familierechtelijke of dringende morele plicht, mits in rechte vorderbaar), ontstaat een persoonsgebonden aftrekpost tot het bedrag van het eigen woningforfait, zodat per saldo geen bijtelling van het eigenwoningforfait plaatsvindt.

Voor degene die in de woning is achtergebleven, blijft de betaalde rente voor dat deel dat correspondeert met het aandeel in de eigendom van de woning gewoon aftrekbaar. Ook het eigenwoningforfait dient voor dat deel te worden aangegeven. Indien het genot van de woning door de vertrokken ex-partner op grond van een onderhoudsverplichting ter beschikking wordt gesteld, dient ook de andere helft van het eigenwoningforfait te worden bijgeteld. Per saldo vindt bij de gerechtigde dan volledige bijtelling van het eigenwoningforfait plaats.

In scheidingssituaties komt het regelmatig voor dat de hypotheeklasten en andere gebruikerslasten, ook die ten behoeve van de ex-partner mede-eigenaar, door de meest kapitaalkrachtige van de twee worden voldaan. Gelet op de jurisprudentie kan het voor de onderhoudsgerechtigde schuldenaar voldoen van de woonlasten, waaronder de hypotheekrente, indien deze betaling als het voldoen aan een onderhoudsplicht kwalificeert, voor de onderhoudsplichtige als een aftrekbare betaling van alimentatie worden beschouwd. Bij de onderhoudsgerechtigde is het bedrag als periodieke uitkering belast, waartegenover dan weer de aftrek staat van de door die partij verschuldigde hypotheekrente op grond van de eigenwoningregeling (per saldo dus geen aftrek, maar wel bijtelling van het gehele forfait). Is van deze situatie van betaling van kosten in het kader van een onderhoudsverplichting sprake, dan dienen de betaalde bedragen niet hier, maar onder 138 te worden ingevuld.

Bij het volledig betalen van rente door de partner die in de woning is achtergebleven, verdient het aanbeveling om rekening te houden met de omstandigheid dat in de praktijk – indien geen duidelijkheid bestaat over de vraag of en in welke mate wordt voldaan aan een onderhoudsverplichting – de voor een ander betaalde rente niet in aftrek wordt toegelaten. Deze rente dient in dat geval als niet aftrekbare rente bij de woonlasten onder 123 te worden meegenomen.

Toepassing van de overgangsregeling is beperkt tot een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum van duurzaam gescheiden leven. Nadien is deze regeling niet meer van toepassing en verschuift de voormalige echtelijke woning, voor degene die de woning niet meer bewoont, naar box III. De (hypotheek)rente voor het eigen deel is dan niet meer fiscaal aftrekbaar. Wel strekt de hypo- theekschuld in mindering op de in box III te belasten rendementsgrondslag.

Zolang het fiscaal partnerschap doorloopt of wordt gekozen voor behandeling als partner, blijft de woning een vrij toerekenbaar gemeenschappelijk inkomensbestanddeel.

Leegstand

In geval de woning niet meer wordt bewoond door de voormalige fiscale partner of duurzaam gescheiden levende echtgenoot, kan de woning in 2013 nog als eigen woning worden aangemerkt gedurende drie jaar na vertrek uit de woning, indien deze leeg staat en bestemd is voor de verkoop.

Restschuld na verkoop

Een restschuld ontstaat indien de verkoopprijs van de woning lager ligt dan de op de woning rustende eigenwoningschuld. Met ingang van 1 januari 2013 bestaat recht op aftrek van rente die wordt betaald op een schuld die de onderhoudsplichtige heeft als gevolg van een restschuld die is ontstaan in de periode van 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017.

Financiering in verband met uitkoop

Het komt voor dat de onderhoudsplichtige de voormalige echtelijke woning blijft bewonen, maar dan wel genoodzaakt is ter financiering van zijn overbedeling de hypotheek te verhogen. Extra woonlasten zijn daarvan het gevolg. Deze extra lasten - niet alleen de rente maar ook de 'vermogensvormende' aflossing / premie - worden in aanmerking genomen, in ieder geval tot het plafond van een redelijke totale netto woonlast. Deze aanbeveling heeft als bezwaar dat de onderhoudsgerechtigde of rechthebbende voor de ontvangen overbedelingsuitkering moet boeten in de vorm van een lagere alimentatie. Het zou echter niet reëel zijn de onderhoudsplichtige te dwingen tot verhuizen als dit een even hoge woonlast zou opleveren als de voormalige echtelijke woning met een verhoogde hypotheek.

Gebruiksvergoeding

Indien voor het genot en gebruik van de woning aan de vertrokken partij een vergoeding wordt betaald, is geen sprake van een ter beschikking stellen van de woning in het kader van een onderhoudsverplichting. De bewoner krijgt in dat geval geen bijtelling van het eigenwoningforfait voor het deel dat toebehoort aan een ander en ter beschikking wordt gesteld. Voor de ter beschikking steller bestaat in dat geval evenmin aanspraak op een persoonsgebonden aftrekpost ter hoogte van het met zijn aandeel in de woning corresponderende eigenwoningforfait. De vergoeding vormt voor de ontvanger netto inkomen (119) en voor de betaler een woonlast (123).

Kamerverhuurvrijstelling

Niet-tijdelijke verhuur van (een deel) van de eigen woning kan tot gevolg hebben dat (dat deel van) de woning niet meer als eigen woning kwalificeert en dat de woning in box III in aanmerking dient te worden genomen. Indien alleen een kamer wordt verhuurd, de verhuurinkomsten beperkt blijven tot een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag en overigens is voldaan aan de voorwaarden voor de kamerverhuurvrijstelling, blijft de woning echter geheel als eigen woning kwalificeren. De verhuurinkomsten van een kamer kunnen in dat geval als netto inkomsten in aanmerking worden genomen.

Gelet op de complexiteit van de eigenwoningregeling en de toepasselijkheid van verschillende regels in verschillende situaties verdient het aanbeveling in het voorkomende geval bijvoorbeeld De Vakstudie Inkomstenbelasting 2001 te raadplegen.

Zie 123 voor wat betreft de problematiek van onredelijke woonlast.

c. Belastbare inkomsten eigen woning

Dit is het saldo van het eigenwoningforfait verminderd met de aftrekbare kosten. Gelet op het amendement Hillen kan hier in beginsel geen positief bedrag verschijnen.

86 Premies voor lijfrenten

Premies voor lijfrente ter compensatie van een pensioentekort zijn in bepaalde omstandigheden aftrekbaar.

87 Premies voor uitkering bij invaliditeit, ziekte of ongeval

Deze premies zijn geheel aftrekbaar.

88 Vervallen
89 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Dit is het totaal van de uitgaven (premies) lijfrente (86) en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (87).  

91 Uitgaven voor specifieke zorgkosten en weekenduitgaven voor gehandicapten

Bepaalde zorgkosten zijn aftrekbaar. Om aftrekbaar te zijn, hoeven de zorgkosten niet voor de onderhoudsplichtige zelf gemaakt te zijn. Ook kosten voor zijn partner, de tot het gezin behorende kinderen jonger dan 27 of ernstig gehandicapten ouder dan 27 jaar of zorgafhankelijke ouders, broers of zusters, komen onder omstandigheden voor aftrek in aanmerking. Aanbevolen wordt om alleen met de een eventueel fiscaal voordeel in verband met de zorgkosten van de onderhoudsplichtige zelf of zijn kinderen rekening te houden.

92 Scholingsuitgaven

Uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk of woning zijn aftrekbaar voor zover de drempel wordt overschreden.

93 Persoonsgebonden aftrek

Bedoeld wordt het saldo van 91 en 92.
Niet alle persoonsgebonden aftrekposten worden bij de brutomethode in aanmerking genomen. Voor de persoonsgebonden aftrekposten in verband met de betaling van alimentatie is in de methode op andere wijze voorzien. De uitgaven voor monumentpanden en aftrekbare giften zijn verder buiten beschouwing gelaten, omdat deze aftrekposten worden geacht de woonlast te verminderen, dan wel te behoren tot de besteding van de vrije ruimte en als zodanig niet van invloed zijn op de alimentatieberekening.

94 Belastbaar inkomen uit werk en woning (I)

Het saldo van (a) t/m (h), de nummers 64, 75, 78, 81, 85, 89, 90 en 93 vormt de basis voor de berekening van de inkomensheffing in box I.

95 Inkomensheffing box I

De inkomensheffing in box I kent een progressief tarief met 4 schijven. Box II Inkomen uit aanmerkelijk belang

Er is onder meer sprake van aanmerkelijk belang indien men, al dan niet tezamen met zijn partner direct of indirect voor tenminste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is.

96 en 97 Inkomen uit aanmerkelijk belang - reguliere voordelen

Voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen zijn reguliere voordelen. Te denken is aan dividend.

99 Persoonsgebonden aftrek (het niet in box I of III benutte deel)

Indien het inkomen in box I en box III onvoldoende is voor de verrekening van de persoonsgebonden aftrek, kan de aftrek worden verrekend met inkomen uit box II, maar niet verder dan tot nihil. Is ook dit inkomen onvoldoende, dan wordt de aftrek doorgeschoven naar een later jaar.

100 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

Dit is het inkomen uit aanmerkelijk belang, verminderd met de persoonsgebonden aftrek en eventuele verliezen uit voorgaande jaren.

101 Inkomstenbelasting box II

De inkomstenbelasting in box II kent een vast tarief van 25%.

Box III Inkomen uit sparen en beleggen

Bij het in aanmerking nemen van vermogen en schulden, wordt gekeken naar het saldo van de opbrengsten en de kosten. Zijn de inkomsten per saldo negatief, met andere woorden: is sprake van een last, dan dient te worden beoordeeld of deze lasten noodzakelijk zijn.
Vervolgens wordt aan de hand van de waarde van het vermogen minus de schulden, verminderd met het heffingvrije vermogen, vastgesteld wat de belastingdruk is in verband met de vermogensbestanddelen minus de schulden. Een belastingdruk die hoger is dan het saldo van de inkomsten en kosten heeft een negatieve invloed op de draagkracht. In dat geval dient te worden beoordeeld of deze vermindering van de draagkracht met het oog op de belangen van de onderhoudsgerechtigde noodzakelijk is.

102 Werkelijke of in redelijkheid te verwerven inkomsten (na aftrek van kosten)

Het gaat hier om daadwerkelijke of redelijkerwijs mogelijke opbrengsten uit:

a. (rechten op) onroerende zaken
b. (rechten op) bepaalde roerende zaken
c. rechten op geld (en overige vermogensrechten)
verminderd met de
d. rente en kosten van schulden.

Weliswaar wordt voor de inkomstenbelasting uitgegaan van een rendement van 2,87%, 4,60% of 5,39%, maar in werkelijkheid kan de opbrengst hoger maar ook lager zijn. Voor de berekening van de draagkracht is in beginsel het werkelijke of in redelijkheid te verwerven inkomen uit de diverse vermogensbestanddelen (inclusief die toebehoren aan kinderen waarover gezag wordt uitgeoefend) bepalend. Indien blijkt dat het vermogen door een van de wil van de onderhoudsplichtige afhankelijke oorzaak minder opbrengt dan redelijkerwijs te verwachten is, dan wordt een in redelijkheid te verwerven inkomen in aanmerking genomen. Brengt het vermogen meer op dan redelijkerwijs te verwachten is, dan wordt die meerdere opbrengst, die hoger kan zijn dan 2,87%, 4,60% of 5,39%, in aanmerking genomen.

Onder omstandigheden is interen op het vermogen niet uitgesloten.

Rente en kosten van schulden kunnen van de opbrengst worden afgetrokken voor zover deze schulden redelijk worden geacht, zie ook 18.
Waarschuwing: Als hier rentelasten worden verantwoord, is er geen plaats voor verwerking van diezelfde rentelasten in het draagkrachtloos inkomen (‘onder de streep’).

Het saldo van de inkomsten en uitgaven vormen de werkelijke vermogensinkomsten.

104 Rendementsgrondslag

Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 2,87%, 4,60% of 5,39% (forfaitair rendement 109) van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar(105), voor zover dat meer bedraagt dan het heffingvrij vermogen (106), indien van toepassing vermeerderd met de ouderentoeslag (107).

De rendementsgrondslag wordt gevormd door de waarde van de bezittingen genoemd onder 104 onder a, b en c, verminderd met de waarde van de schulden, mits deze laatste de drempel (€ 2.900 per belastingplichtige in 2012) te boven gaan op de peildatum van 1 januari van het betreffende jaar. Belastingschulden tellen daarbij niet mee. De inkomsten zijn voor de vaststelling van de rendementsgrondslag niet van belang.

De wet kent een aantal vrijstellingen, bijv.: bossen, natuurterreinen en landgoederen, voorwerpen van kunst en wetenschap, rechten op roerende zaken verkregen krachtens erfrecht, rechten op kapitaaluitkering die uitsluitend plaatsvinden bij overlijden, invaliditeit, ziekte of ongeval, spaartegoeden e.d. die worden aangehouden ingevolge de vitaliteitsregeling en groene beleggingen. Kwalificeert de verzekering als een kapitaalverzekering eigenwoning, dan behoort de waarde van de verzekering evenmin tot de rendementsgrondslag van box III.

De bezittingen en schulden worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economisch ver- keer. Voor de bepaling van de waarde kan in beginsel aansluiting worden gezocht bij de aangifte IB die is gedaan onder de Wet IB 2001 en de daarop volgende aanslag IB.

In geval van fiscaal partnerschap is sprake van een gezamenlijke rendementsgrondslag. De bezittingen en schulden worden gesaldeerd en verminderd met het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn fiscale partner. Het saldo is vrij toerekenbaar. Indien van de alleenstaande norm wordt uitgegaan wordt aanbevolen alleen rekening te houden met de bezittingen en schulden van de onderhoudsplichtige.

106 Heffingvrij vermogen

a. Basisbedrag

Op de rendementsgrondslag dient het heffingvrije vermogen van ieder belastingplichtige in mindering te worden gebracht.

In geval van fiscaal partnerschap is sprake van heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn fiscale partner. Indien van de alleenstaande norm wordt uitgegaan wordt aanbevolen alleen rekening te houden met het heffingvrije vermogen van de onderhoudsplichtige.

Het heffingvrij vermogen kan worden verhoogd in geval van groene beleggingen. Voor kinderen bestaat geen aparte aanspraak op heffingvrij vermogen.
b. Ouderentoeslag

Het heffingvrij vermogen wordt verhoogd bij 65 jaar indien de gemiddelde rendementsgrondslag niet hoger is dan een in de wet vastgesteld bedrag. De hoogte van de ouderentoeslag is voorts afhankelijk van de hoogte van het inkomen in box I.

108 Grondslag forfaitair rendement

Dit is het saldo van 105 tot en met 107.

109 Forfaitair rendement 2,87%, 4,60% of 5,39%

Dit is het inkomen uit box III. Vanaf 1 januari 2017 is de forfaitaire bepaling van het inkomen uit vermogen gewijzigd. Hiervoor wordt de grondslag sparen en beleggen in box 3 toegerekend aan een spaardeel en een beleggingsdeel. De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag verminderd met het heffingvrije vermogen. Voor de toerekening wordt gebruik gemaakt van 3 vermogensschijven. Over het spaardeel en het beleggingsdeel bij een rendementsgrondslag tot en met € 75.000 wordt een forfaitair rendement van 1,63%; van € 75.001 tot en met € 975.000 van 4,60% en boven € 975.000 van 5,39% in aanmerking genomen in box 3.

110 Persoonsgebonden aftrek (het niet in box I benutte deel)

Voor zover de persoonsgebonden aftrek het inkomen uit werk en woning (box I) van het kalenderjaar niet vermindert, vermindert de aftrek het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box III) van het jaar, maar niet verder dan tot nihil.

111 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Dit is het forfaitair rendement verminderd met de persoonsgebonden aftrekpost.

112 Inkomstenbelasting box III

De inkomensbelasting van box III kent een vast tarief van 30%.

113 Inkomen voor aftrek inkomensheffing

Het totaal van 59, 60, 65, 76, 79, 98 en 102 vormt het werkelijke inkomen uit de boxen I, II en III. dat hier wordt vermeld. Voor zover op dit inkomen reële kosten drukken die nog niet op deze opbrengst in mindering zijn gebracht, worden deze kosten onder de streep bij de lasten opgenomen.

114 Inkomensheffing box I en inkomstenbelasting boxen II en III

Het totaal van de onder 95, 101 en 112 berekende inkomensheffing en -belasting wordt hier vermeld.

115 Heffingskorting

De berekende belasting wordt vervolgens verminderd met de heffingskortingen (116).

De algemene heffingskorting geldt voor iedereen. De arbeidskorting geldt voor ieder die met tegen- woordige arbeid, winst uit onderneming, loon of resultaat uit een werkzaamheid geniet, evenals voor degene die een uitkering uit hoofde van de Ziektewet ontvangt. Zie voor de voorwaarden van de andere kortingen de belastingalmanak.

NB: De gecombineerde heffingskorting kan nooit meer bedragen dan de verschuldigde (gecombineerde) inkomensheffing. Dit kan alleen anders zijn als er sprake is van fiscaal partnerschap van twee belastingplichtigen waarvan de één niets of weinig verdient waardoor deze partner de heffingskorting waar deze aanspraak op kan maken niet (geheel) kan verzilveren. Afhankelijk van het bedrag aan belasting verschuldigd door de fiscale partner, de leeftijd en de aanwezigheid van kinderen in het gezin kan in dat geval uitbetaling van de heffingskorting plaatsvinden. De uitbetaling kan niet meer bedragen dan het bedrag dat de meest verdienende partner maximaal verschuldigd is aan inkomensheffing minus de heffingskortingen waarop hij aanspraak kan maken.

116 Totaal heffingskortingen

Dit is het gezamenlijke bedrag van alle heffingskortingen.

117 Verschuldigde inkomensheffing

Dit is het bedrag van de berekende inkomstenbelasting, verminderd met de heffingskortingen.

118 Onbelast deel vakantiebonnen

Bij werknemers in sectoren waarin vakantiebonnen worden verstrekt dient, voor zover het niet om een WW-uitkering gaat, de onbelaste waarde van de vakantiebonnen hier opgegeven te worden. Dit onbelaste deel komt niet voor op de jaaropgaaf van de werkgever. Zie 45 en 60.

119a Netto inkomen (zie ook 7)

Indien er sprake is van ander inkomen van de onderhoudsplichtige, een door deze te ontvangen kindgebonden budget (zie 7 onder e) of van inkomen van zijn nieuwe partner die niet geheel in eigen onderhoud kan voorzien (zie 7 onder g), dan dient dit inkomen hier netto te worden opgenomen. Indien sprake is van netto inkomen van de partner, dan dient dit inkomen te worden verhoogd met het bedrag waarvoor deze partner aanspraak kan maken op uitbetaling van de heffingskorting.

119b Netto uitgaven pensioenvoorziening (vrijgesteld in box 3)
Met ingang van 1 januari 2015 is fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw mogelijk tot een brutoloon van maximaal € 103.317,= per jaar (stand per 1 januari 2017). Voor werknemers met een hoger loon is het mogelijk om, voor dat deel van het loon dat deze grens overstijgt, aan netto pensioensparen te doen. Deze premie netto pensioensparen kan, indien deze recht geeft op een gezien het huidige inkomen, redelijke oudedagsvoorziening, in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de draagkracht.

120 Besteedbaar inkomen per jaar na aftrek bijdrage ZVW

Ter bepaling van het besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige wordt de door de onderhoudsplichtige zelf verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (zie post 57) in mindering gebracht op het inkomen.

120a Netto besteedbaar inkomen voor kinderalimentatie

Ter bepaling van het besteedbaar inkomen voor kinderalimentatie wordt een eventueel fiscaal voordeel in verband met de eigen woning buiten beschouwing gelaten. Er kan rekening worden gehouden met de betaling van (niet-bovenmatige) uitgaven voor inkomensvoorzieningen (zie ook 4.5. Draagkrachtberekening ten behoeve van kinderalimentatie). Het aldus gevonden netto besteedbaar inkomen vormt de basis voor de berekening van de draagkracht conform de draagkrachtformule of -tabel. Voor de berekening van de draagkracht voor kinderalimentatie zijn de posten 122 tot en met 140 immers vervangen door de draagkrachtformule en -tabel, zie bijlage bij het Rapport.

121 Besteedbaar inkomen per maand

Het netto besteedbaar inkomen per maand vormt de basis voor de berekening van de draagkracht.

Nota bene
Eventuele premies voor inkomensvoorzieningen verminderen het netto besteedbaar inkomen.
Voor de berekening van de draagkracht voor kinderalimentatie is 122 tot en met 140 vervangen door de draagkrachttabel, zie bijlage bij het Rapport.

122 Bijstandsnorm inclusief vakantiegeld

zie 9 van het brutomodel in de bijlage.

123 Woonlasten (zie ook 10)

Hypotheekrente en erfpachtcanon

Het bij 83 opgevoerde bedrag, omgerekend naar een (bruto) maandbedrag, wordt hier ingevuld.

Hypotheekaflossing/premie levensverzekering

Aflossing van de hypotheek kan verplicht zijn gesteld. Aan de woning is verder regelmatig een verzekering gekoppeld, waarvoor premie wordt betaald. De premie is niet aftrekbaar.

Forfait overige eigenaarslasten

Hieronder vallen de premie voor een opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting, de polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten. Voor deze posten wordt een forfaitair bedrag in aanmerking genomen van € 95 per maand, tenzij wordt aangetoond dat de kosten hoger zijn.

Korting wegens onredelijke woonlast

In individuele gevallen kan, gezien de persoonlijke omstandigheden en de woningmarkt ter plaatse, worden beoordeeld of de woonlasten redelijk zijn. Die beoordeling geldt het totaal van de woonlasten; bij een eigen woning met hypotheek het totaal van de netto woonlasten, dat wil zeggen de bruto lasten, verminderd met het fiscaal voordeel. Hierbij dient onderscheid te worden gemaakt in de woonlasten die de onderhoudsplichtige voor zichzelf betaalt en die welke hij ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde betaalt. Uitsluitend de voor hemzelf betaalde woonlasten worden in aanmerking genomen bij de bepaling of sprake is van een onredelijke woonlast.

124 Ziektekosten (zie ook 11)

Ziektekosten kunnen uit de volgende posten bestaan:
a. nominale premie basisverzekering ZVW
b. premie aanvullende ziektekostenverzekering
c. eigen risico, indien gerealiseerd en/of aannemelijk gemaakt 
d. (vervallen)
e. zelf betaalde, niet vergoede medische kosten.

Daarop strekt in mindering de van de belastingdienst ontvangen zorgtoeslag.

De door de werkgever/uitkeringsinstelling/onderhoudsplichtige afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW is reeds hiervoor verdisconteerd.

125 Premie voor uitkeringen bij ziekte, ongeval of invaliditeit / oudedagsvoorziening / nabestaandenpensioen

Bedoeld zijn de volgende premies:

  • ter reparatie van het WAO/WIA-gat, ter dekking van een pensioenbreuk en ter dekking van het nabestaandenpensioengat voor zover door de werknemer zelf getroffen en betaald;
  • ter dekking van ziekte gedurende het eerste jaar en arbeidsongeschiktheid nadien van een zelfstandige en een directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een BV;
  • voor de opbouw van een pensioen van een zelfstandige, ook bijvoorbeeld een levensverzekering met een lijfrenteclausule.

Ter toelichting dient nog het volgende. Een DGA is niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen indien hij, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, 50% of meer 'aandeelstemmen' in de algemene vergadering van aandeelhouders kan uitbrengen.

Zowel ingeval er sprake is van een eenmanszaak als in geval van een besloten vennootschap zal de ondernemer zich privé moeten verzekeren voor de risico's van arbeidsongeschiktheid (ziekte/invaliditeit).

De premie voor een oudedagsvoorziening, gesloten omdat men een deel van zijn pensioen vanwege pensioenverrekening dan wel -verevening mist, wordt in beginsel niet als noodzakelijke last beschouwd.

De opgegeven premies dienen redelijk te zijn in relatie tot het huidige inkomen en de al getroffen andere voorzieningen. Daarnaast kan ook een rol spelen het feit dat de onderhoudsplicht in beginsel in duur beperkt is.

Zie voor netto pensioensparen nummer 119b.

126 Kosten kinderopvang

Reële, noodzakelijke kosten van kinderopvang gemaakt om het inkomen te verwerven, worden na aftrek van de werkgeversbijdrage en de kinderopvangtoeslag volledig bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen betrokken, tenzij bij de berekening van de behoefte van de kinderen al met deze kosten rekening is gehouden.

127 tot en met 131. Diverse lasten

zie 13 t/m 17

132 Aflossing van schulden

zie 18

Noodzakelijke aflossing van schulden die drukken op het besteedbaar inkomen kan hier in aanmerking worden genomen.

Uitsluitend indien de verschuldigde rente van schulden niet in aanmerking is genomen bij box III (werkelijke inkomsten), kunnen hier ook renten, indien noodzakelijk, in de beschouwing worden betrokken.

133 en 134 Herinrichtingskosten en Overige kosten en advocaatkosten

zie 20 en 21.

135 Draagkrachtloos inkomen

De som van de in aanmerking te nemen lasten, inclusief de bijstandsnorm, wordt draagkrachtloos inkomen genoemd. Het is het gedeelte van het inkomen dat geen draagkracht oplevert.

136 Draagkrachtruimte

Het draagkrachtloos inkomen wordt afgetrokken van het besteedbaar inkomen. Wanneer het saldo positief is wordt dit draagkrachtruimte genoemd. Deze draagkrachtruimte wordt in een bepaalde verhouding, die vastligt in het draagkrachtpercentage, tussen onderhoudsplichtige en onderhouds- gerechtigde(n) verdeeld.

137 Draagkrachtpercentage

Van de gevonden draagkrachtruimte wordt een bepaald percentage, het draagkrachtpercentage, beschikbaar geacht voor alimentatie. Voor partneralimentatie bedraagt dit 60 voor een alleenstaande onderhoudsplichtige. Voor de verwerking van onderhoudsbijdragen en zorgkosten, zie paragraaf 5.3. Wanneer de onderhoudsplichtige een gezin onderhoudt kan eventueel een percentage van 45% worden toegepast. 'Gezin' wordt hier ruim opgevat: ieder die niet alleenstaande is heeft een gezin. Hieronder valt dus niet alleen de hertrouwde onderhoudsplichtige maar ook degene die samenwoont en ook de alleenstaande ouder die geen partner heeft maar wel een of meer kinderen verzorgt.

LET OP Nieuwe partner

De samenwoning met een nieuwe partner wordt, indien die partner in eigen onderhoud kan voorzien, bij de keuze van het te hanteren draagkrachtpercentage buiten beschouwing gelaten. Zie 7 onder g.

Voor de netto methode gelden deels andere draagkrachtpercentages (zie 23).

138 Alimentatie voor een (eerdere) ex-partner

Met uitzondering van het geval dat sprake is van kinderalimentatie (die immers voorrang heeft boven alle andere onderhoudsverplichtingen), moet de eerder vastgestelde alimentatie voor een ex-partner in beginsel als vaststaand worden meegenomen.

De expertgroep beveelt aan om de partneralimentatie hier af te trekken en niet vóór de berekening van het besteedbaar inkomen. De overweging daarbij is dat een draagkrachtberekening wordt gemaakt ter vaststelling van hetgeen de onderhoudsplichtige kan bijdragen, ongeacht of er één of meer ex- partners en/of kinderen uit één of meer huwelijken zijn en dat de draagkracht en het fiscaal voordeel geheel ten goede dient te komen aan de onderhoudsgerechtigden.

Op het moment dat voor de voormalige partner in het kader van een onderhoudsverplichting uitgaven voor rekening van de onderhoudsplichtige worden gedaan, zoals hypotheekrente (zie 82 en 83), dienen deze uitgaven ook hier te worden meegenomen.

139 Voordeel in verband met alimentatie eerdere ex-partner

Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Deze aftrek wordt niet vóór de berekening van de belasting ingevuld. Het fiscaal voordeel dat de onderhoudsplichtige door deze aftrek geniet, werkt dus niet door in het besteedbaar inkomen en de draagkrachtruimte maar komt geheel ten goede aan de onderhoudsgerechtigden.

Vb: stel de alimentatie voor de eerste ex-partner bedraagt € 1.000 per maand (€ 12.000 per jaar), de man valt met € 5.000 per jaar onder het hoogste belastingtarief, thans 52 % en met het restant van € 7.000 onder het lagere tarief van thans 42 %. Het belastingvoordeel bedraagt respectievelijk € 2.600 en € 2.940, derhalve in totaal een belastingvoordeel van € 5.540. Dit laatste bedrag dient hier bij 139 te worden ingevuld. De netto alimentatie bedraagt dan € 2.400 (€5.000-€2.600) +€4.060(€ 7.000-€2.940) =€6.460.

140 Beschikbaar voor kinderalimentatie (uit huidige of eerder huwelijk) en partneralimentatie

Indien zowel kinderalimentatie als partneralimentatie wordt gevraagd, moet de ruimte verdeeld worden. Op grond van artikel 1:400 van het Burgerlijk Wetboek heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Er is alleen ruimte voor partneralimentatie als het bedrag van 140 hoger is dan de verzochte kinderalimentatie, dan wel hoger is dan het bedrag van de vastgestelde totale behoefte en de eventueel geldende kinderalimentatie voor kinderen uit een eerder huwelijk.

141 Kinderalimentatie

Indien vaststelling van kinderalimentatie is verzocht moet, voor zover deze tussen partijen in geschil is, de behoefte van de kinderen worden vastgesteld. Zie hiervoor hoofdstuk 3.1, en de in de bijlage 'tarieven en tabellen' onder 28 opgenomen tabel 'eigen aandeel kosten van kinderen' met toelichting. Het totale voor de kinderen te betalen bedrag wordt ingevuld, uiteraard tenzij de draagkracht reeds voor dat bedrag ontoereikend is. In het laatste geval wordt de bijdrage voor de kinderen in overeenstemming met de draagkracht vastgesteld en is er geen ruimte meer voor partneralimentatie. Indien er kinderen uit twee huwelijken zijn, wordt de geldende kinderalimentatie hier ingevuld, tenzij de draagkracht te gering is om in de behoefte van alle kinderen te voorzien. In dat geval wordt de ruimte over alle kinderen gelijk verdeeld, tenzij er een aantoonbaar verschil in behoefte is.

143 Resteert voor partneralimentatie

Het bedrag dat resteert is hetgeen de onderhoudsplichtige geacht wordt voor partneralimentatie te kunnen missen. Er kan echter veelal een hoger bedrag aan alimentatie worden opgelegd omdat het door de onderhoudsplichtige te behalen fiscaal voordeel bij het thans gevonden bedrag wordt opgeteld.

Dit belastingvoordeel ontstaat doordat betaalde partneralimentatie in beginsel integraal aftrekbaar is voor de inkomensheffing. Deze aftrek levert de onderhoudsplichtige een belastingbesparing op.

Betaling van het gevonden bedrag genereert een fiscaal voordeel waarvan de omvang bepaald wordt door de percentages van de belastingschijven waarin de aftrek wordt gerealiseerd. Deze belastingbe- sparing wordt geheel aan de onderhoudsgerechtigde toegerekend. Dit betekent dat het bedrag dat de onderhoudsplichtige kan missen met de belastingbesparing wordt verhoogd.

Berekening bruto alimentatie

Algemeen

De becijferde netto partneralimentatie is één van de persoonsgebonden aftrekposten. Omdat het belastingvoordeel bij de netto partneralimentatie wordt opgeteld, verhoogt ook dit belastingvoordeel de persoonsgebonden aftrek. Bij de berekening van het belastingvoordeel moet de netto partneralimentatie gebruteerd worden. Dat houdt in dat moet worden nagegaan hoeveel er bruto in het concrete geval nodig is om de netto alimentatie te kunnen betalen. Dit bruto bedrag is de alimentatie inclusief belastingvoordeel.

De brutering vindt plaats in dezelfde volgorde waarin de persoonsgebonden aftrek op het belastbaar inkomen in mindering wordt gebracht. Daarom moet eerst worden gekeken naar box I. Is het belastbaar inkomen in box I minus de te betalen belasting in box I (met andere woorden, wat er netto in box I overblijft) lager dan de becijferde netto partneralimentatie, dan wordt voor het surplus becijferd of dit netto uit box III kan worden gehaald. Is ook het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box III) minus de daarover te betalen belasting ontoereikend om het resterende deel van de netto alimentatie op te brengen, dan moet tot slot in box II worden nagegaan welk deel van het bruto inkomen nodig is om dat resterende deel te voldoen. De som van de gevonden bruto bedragen geeft de partneralimentatie inclusief belastingvoordeel.

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige volgens het gekozen berekeningssysteem voor zichzelf moet overhouden wordt hierdoor niet aangetast.

Als er bij 139 al belastingvoordeel is berekend, kunnen de bij 94, 100 en 111 gevonden bedragen niet zonder meer worden aangehouden. Door de verhoging van de persoonsgebonden aftrek op grond van 138 kan het belastbaar inkomen in box I, III en/of II immers gewijzigd zijn.

144 Wordt er minder netto partneralimentatie gevonden dan het netto inkomen in box I (d.w.z. het belastbaar inkomen in box I minus de inkomensheffing in box I) dan vindt de becijfering van het aan de alimentatiegerechtigde toe te rekenen belastingvoordeel geheel plaats in box I (volgens het stappenschema van Buijs). De boxen III en II blijven in dat geval buiten beschouwing.

145 Wordt meer netto partneralimentatie gevonden dan het hiervoor bedoelde netto inkomen in box I, dan dient ook het belastingvoordeel in (eerst) box III te worden becijferd. Dit belastingvoordeel wordt gevonden door:

  1. als de resterende netto alimentatie hoger is dan wat netto overblijft in box III: de in box III te betalen belasting te nemen;
  2. als de resterende netto alimentatie lager is dan wat netto overblijft in box III: de resterende netto alimentatie te vermenigvuldigen met het in box III te betalen percentage gedeeld door 100 verminderd met dat percentage.

Het aldus becijferde belastingvoordeel in box III dient te worden opgeteld bij het onder 145 becijferde bedrag, te weten de netto partneralimentatie vermeerderd met het belastingvoordeel in box I.

146 Wordt er meer netto partneralimentatie gevonden dan meergenoemd netto inkomen in box I en het netto inkomen in box III, dan wordt tenslotte becijferd welk belastingvoordeel in box II wordt behaald. Dit belastingvoordeel wordt gevonden door de resterende netto alimentatie te vermenigvuldigen met het in box II te betalen percentage gedeeld door 100 verminderd met dat percentage. De bruto partneralimentatie is in dat geval de som van de netto partneralimentatie vermeerderd met het belastingvoordeel in box I, het becijferde belastingvoordeel in box III en het becijferde belastingvoordeel in box II.

LET OP Het is mogelijk dat er meer belastingvoordeel wordt berekend dan er in feite gerealiseerd kan worden. Bij het berekenen van het voordeel is er immers geen rekening mee gehouden dat een deel van de belasting door de heffingskorting niet betaald hoeft te worden. Aan het slot van de berekening moet daarom nog worden nagegaan of er moet worden gecorrigeerd voor de heffingskorting. Die correctie moet de omgekeerde weg afleggen, dus beginnen in box II, dan eventueel verder met box III en eindigen in box I.

7. AFWIJKING VAN HET REKENMODEL

In de volgende gevallen wordt afwijking van het rekenmodel aanbevolen:

  • verwijtbaar, niet voor herstel vatbaar inkomensverlies van de onderhoudsplichtige;
  • extra lasten in verband met verplichtingen die de onderhoudsplichtige niet uit het draagkrachtloos inkomen kan voldoen;
  • schuldsanering;
  • verpleging in een AWBZ instelling.

7.1 Inkomensverlies

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

  1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven en
  2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan kan worden uitgegaan van het oorspronkelijke inkomen. Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing moet blijven. In het bijzonder moet worden bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval dan wordt er gerekend met het nieuwe verminderde inkomen; is dat wel het geval dan wordt met het oude fictieve inkomen gerekend. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag er in beginsel niet toe leiden dat de onderhoudsplichtige, als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht, bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 90 % van de voor hem geldende bijstandsnorm, waarbij er in beginsel vanuit wordt gegaan dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

7.2 Kinderalimentatie: extra lasten

7.2.1 Algemeen

Staat de bepaalde niet vermijdbare en niet te verwijten lasten vast, zoals betalingen in verband met de restschuld voor de voormalige echtelijke woning of andere (huwelijkse) schulden, dan kan daarmee rekening worden gehouden door het draagkrachtloos inkomen, zoals vermeld in de tabel, te verhogen. Na verhoging van het draagkrachtloos inkomen wordt dit in mindering gebracht op het netto besteedbaar inkomen. Van hetgeen overblijft, is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. Bij de inkomens tussen € 1.275 tot € 1.525 kan dit percentage hoger liggen.

Voorbeeld (tebel 2013):
Behoefte van het kind is € 415
Netto besteedbaar inkomen ouder 1: € 2.500
Draagkracht ouder 1: € 630
Netto besteedbaar inkomen ouder 2: € 1.500
Draagkracht ouder 2: € 140
Zorgkorting: € 62
In verband met een restschuld eigen woning betaalt ouder 1 (netto) rente van € 400 per maand.

Op grond van de draagkrachttabel is het draagkrachtloos inkomen van ouder 1 € 1.600. Verhoging van dit bedrag met de recht leidt tot een draagkrachtloos inkomen van ouder 1 van € 2.000. De draagkracht vermindert dan tot 70% van € 500, is € 350. De gezamenlijke draagkracht is nog steeds voldoende om in de behoefte te voorzien, zodat ook met de zorgkorting rekening kan worden gehouden. Ouder 1 betaalt 350/490 x 415 = 296 – 62 = € 234.

7.2.2 Woonlasten

Betreft het extra lasten in verband met de (voormalige) eigen woning, terwijl die woning niet meer wordt bewoond door de onderhoudsplichtige maar wel door zijn voormalige partner, dan kan bij beide partijen het draagkrachtloos inkomen worden verhoogd met de som van de werkelijke eigen woonlast - in plaats van de forfaitaire woonlast - en de in aanmerking te nemen netto lasten met betrekking tot de (voormalige) eigen woning.

Voorbeeld (idem als hierboven in paragraaf 7.2.1.):
Behoefte van het kind is € 415
Netto besteedbaar inkomen ouder 1 € 2.500
Extra last (netto) € 400
De werkelijke woonlast van ouder 1 € 600
Draagkracht ouder 1 € 455
Netto besteedbaar inkomen ouder 2 € 1.500
De werkelijke woonlast van ouder 2 € 150
Draagkracht ouder 2 € 350
Zorgkorting € 62

De gezamenlijke draagkracht is nog steeds voldoende om in de behoefte te voorzien, zodat ook met de zorgkorting rekening kan worden gehouden. Ouder 1 betaalt 455/805 x 415 = 234 – 62 = € 172.

7.3 Kinderalimentatie: de aanvaardbaarheidstoets

Indien sprake is van extra lasten die niet op de voet van paragraaf 7.2 in aanmerking zijn genomen, kan aanleiding bestaan voor toepassing van de aanvaardbaarheidstoets.

In die gevallen waar sprake is van schulden, andere lasten of een lager inkomen dan € 1.325, kan de vaststelling van een bijdrage op basis van de tabel tot een onaanvaardbare situatie leiden voor de onderhoudsplichtige. Van een onaanvaardbare situatie is sprake indien de onderhoudsplichtige:

  • bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, of

  • van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt, waarbij er in beginsel vanuit wordt gegaan dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om te stellen en te onderbouwen dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde bijdrage in dat specifieke geval niet aanvaardbaar is, alle omstandigheden in aanmerking genomen. Tot de omstandigheden die van belang zijn worden gerekend, de financiële situatie (inkomen en vermogen) van de onderhoudsplichtige, de noodzaak van de lasten, de mogelijkheid zich van de lasten te bevrijden, de verhouding tussen de onderhoudsplichtigen en de zorgregeling. Deze toets wordt desgevraagd uitgevoerd na de berekening maar vóór de vaststelling van de te betalen bijdrage.

Bij een beroep op de onaanvaardbaarheid wordt van de onderhoudsplichtige verwacht dat hij volledig en duidelijk – door middel van een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven met onderliggende stukken - inzicht geeft in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen. De rechter dient vervolgens te beoordelen of bij vaststelling van de volgens het rekenmodel berekende bijdrage onvoldoende rekening zou worden gehouden met alle omstandigheden die zijn draagkracht beïnvloeden, zodat geen sprake meer is van een bijdrage conform de wettelijke maatstaven. Bij die beoordeling dient onder meer de jurisprudentie van de Hoge Raad op het gebied van draagkracht (verdiencapaciteit), fictieve draagkracht en schulden tot zijn recht te komen.

In dat verband spelen de verwijtbaarheid en de mogelijkheid tot vermijding van de lasten een rol. Bij de invulling van deze begrippen wordt aangesloten bij de jurisprudentie.

Verwijtbaarheid

In geval sprake is van een groter beslag van de uitgaven op het inkomen dan redelijkerwijs kan worden verwacht, dient te worden onderzocht of de onderhoudsplichtige zich uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedraging die tot zodanige verhoging van zijn noodzakelijke uitgaven heeft geleid, dat hij - gelet op zijn inkomen en de daarbij redelijke lasten – de bijdrage volgens het rekenmodel niet kan voldoen. Als de onderhoudsplichtige de zwaardere lasten uit hoofde van zijn verhouding en met oog op de belangen van de onderhoudsgerechtigde had dienen te voorkomen, is sprake van verwijtbare lasten. Bij lasten en schulden kan verwijtbaarheid bijvoorbeeld aan de orde zijn als deze onnodig zijn aangegaan of hebben voortbestaan.

Vermijdbaarheid/mogelijkheid tot herstel draagkracht

Indien:

  • de mogelijkheid bestaat om zich van de last of schuld te bevrijden; of  
  • de mogelijkheid bestaat om daarvoor een regeling te treffen;

dan kan de onderhoudsplichtige de lasten die uitgaan boven de redelijke lasten vermijden. Betreft de regeling een periodieke aflossing, dan geldt voor dat deel van de lasten dat niet de mogelijkheid bestaat om de lasten te vermijden of zich daarvan te bevrijden.

Er zijn verschillende situaties te onderscheiden:
1. Zijn de lasten verwijtbaar en kan de onderhoudsplichtige zich van de schuld bevrijden of daarvoor een regeling treffen, dan bestaat geen grond voor afwijking van het rekenmodel en wordt alleen rekening gehouden met de redelijke (forfaitaire) uitgaven die ten laste van inkomen komen (draagkrachttabel).

2. Zijn de lasten verwijtbaar, maar bestaat geen mogelijkheid deze te vermijden of zich daarvan te bevrijden, dan dient te worden bezien of de lasten uit de post onvoorzien en de vrije ruimte kunnen worden voldaan. Is dat niet het geval, dan dient een onderzoek naar de draagkracht plaats te vinden. In dat geval is die onderhoudsbijdrage verschuldigd die:

  • de onderhoudsplichtige, de lasten in aanmerking genomen, in staat stelt de noodzakelijke kosten van levensonderhoud te voldoen, dan wel 
  • voor de onderhoudsplichtige van zijn inkomen 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm vrij laat, waarbij er in beginsel vanuit wordt gegaan dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt

3. Zijn de lasten niet verwijtbaar en kan de onderhoudsplichtige zich daarvan bevrijden of daarvoor een regeling treffen, dan bestaat geen grond voor afwijking van het rekenmodel en wordt alleen rekening gehouden met de redelijke (forfaitaire) uitgaven die ten laste van het inkomen komen (draagkrachttabel).

De eventuele afwijzing van een van onderbouwing voorzien aanvaardbaarheidsverweer dient te worden gemotiveerd. Zonder volledig inzicht is een goede uitvoering van de aanvaardbaarheidstoets niet mogelijk. Bij gebreke van een afdoende onderbouwing kan de stelling dat draagkracht ontbreekt worden gepasseerd.

7.4 Schuldsanering

In geval een onderhoudsplichtige is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (WSNP), bestaat voor de ouder de mogelijkheid om de rechter-commissaris te verzoeken bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag (VTLB) rekening te houden met de zorg- of onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. Onder omstandigheden mag van de onderhoudsplichtige ouder worden verwacht van deze mogelijkheid gebruik te maken, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Houdt de rechter-commissaris geen rekening met de zorg- of onderhoudsverplichting of is een toegekende correctie onvoldoende om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan wordt aanbevolen de te betalen bijdrage op nihil te bepalen, althans te verlagen, in ieder geval voor de duur van de schuldsanering.

De rechter-commissaris kan bij het vaststellen van de VTLB voor de alimentatiegerechtigde rekening houden met de omstandigheid dat de ontvangen kinderalimentatie in mindering wordt gebracht op de Participatiewet-uitkering.

7.5 Verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het CAK wordt deze bijdrage vastgesteld op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. Er kan onder omstandigheden rekening gehouden worden met een onderhoudsverplichting jegens kinderen en jongmeerderjarigen. Het verdient de aanbeveling de draagkracht aldus te berekenen dat het netto inkomen van de onderhoudsplichtige wordt verminderd met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage).

Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten

Geen wetnummer opgegeven.

Beschikbare wetten in de kennisbank:

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN