ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts €199,- per jaar (excl. btw)

Selecteer hier uw rechtsgebied(en) en eventuele andere filteropties

Print

Parket bij de Hoge Raad 28-09-2018, ECLI:NL:PHR:2018:1142

Datum publicatie23-11-2018
Zaaknummer17/05118
Formele relatiesArrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:2159 Gevolgd
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenFamilievermogensrecht. Verdeling. Titel 8 Huwelijksvoorwaarden. Afd. 8.2 Verrekenbedingen. Verrekening inkomsten of vermogen art. 1:132-133. Pensioen. Pensioen van de DGA. Pensioenverevening
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Art. 81 lid 1 RO. Huwelijksvermogensrecht. Procesrecht.
De AG zet onder 2.32 e.v. het kader uiteen voor de waardering van een onderneming. Onder 3.9 e.v. gaat zij in op het afwijken van het in HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:693 geformuleerde uitgangspunt mbt pensioenverevening (het ‘delen vh tekort’). Situatie waarin BV/DGA door eigen toedoen de situatie heeft veroorzaakt waarin de voorheen bestaande pensioenvoorziening ontoereikend is geworden en de pensioenverplichtingen niet meer (volledig) kunnen worden nagekomen.

Volledige uitspraak


Zaaknr: 17/05118

mr. M.L.C.C. Lückers

Zitting: 28 september 2018

Conclusie inzake:

[de man]

(hierna: de man),

verzoeker tot cassatie,

verweerder in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.B.A. Alkema

tegen

[de vrouw]

(hierna: de vrouw),

verweerster in cassatie,

verzoekster in het incidenteel cassatieberoep,

advocaten: mrs. D.M. de Knijff en M.S. van der Keur

In deze langslepende (en bewerkelijke) ontvlechting van de vele (deels gemeenschappelijke) bezittingen en schulden van op huwelijkse voorwaarden (inclusief periodiek verrekenbeding) gehuwde ex-echtgenoten, komen vele verschillende aspecten aan de orde. In principaal cassatieberoep wordt geklaagd over de afhandeling door het hof van de regresvordering die de man op de vrouw stelt te hebben in verband met de aflossing van de in oorsprong gezamenlijke (hypotheek-)schuld met de verkoopopbrengst van verschillende gemeenschappelijke onroerende zaken, de verdeling dan wel afgifte van de inboedel, de waardering van de aandelen in de B.V. van de vrouw in het kader van de huwelijkse verrekening en de daarbij te hanteren methode, en de verevening van het in eigen beheer door de vrouw in haar B.V. opgebouwde pensioen. Hierbij wordt ook geklaagd over enige procesrechtelijke aspecten (stelplicht en betwisting, twee-conclusie-regel, grenzen rechtsstrijd). In incidenteel cassatieberoep wordt geklaagd over de kwestie van de afdracht van de helft van de door de vrouw met betrekking tot een gemeenschappelijke onroerende zaak ontvangen huurpenningen/gebruiksvergoeding en eveneens over de pensioenverevening. Ik acht alle klachten ongegrond.

1 Feiten en procesverloop

1.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten1:

(i) Partijen zijn op 13 augustus 1982 te Amsterdam gehuwd. Zij hebben voorafgaand aan het huwelijk op 6 augustus 1982 bij notariële akte huwelijkse voorwaarden gemaakt.

(ii) Het huwelijk van partijen is op 1 juli 2010 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2010.

(iii) Zij hebben in hun huwelijkse voorwaarden iedere gemeenschap van goederen uitgesloten en zijn een periodiek verrekenbeding overeengekomen, waaraan zij tijdens huwelijk geen uitvoering hebben gegeven. Zij hebben tijdens hun huwelijk samen registergoederen verkregen en zijn samen geldleningen en kredieten aangegaan, onder meer bij de ABN AMRO Bank. De man is bestuurder en enig aandeelhouder van [de B.V.] (hierna ook: de B.V. van de man). De vrouw is bestuurder en enig aandeelhouder van [de B.V. van de vrouw] (hierna ook: de B.V. van de vrouw). Zij exploiteert in deze B.V. een onderneming op het gebied van juridische dienstverlening en heeft daarin in eigen beheer pensioen opgebouwd.

1.2

Nadat bij de hierboven bij 1.1 onder (ii) genoemde beschikking van 23 juni 2010 in de zaak met nummer 447550 / FA RK 09-10299 door de rechtbank Amsterdam de echtscheiding tussen partijen was uitgesproken, en de behandeling van de nevenvoorzieningen en iedere verdere beslissing werd aangehouden, is deze zaak – blijkens de tussenbeschikking van 4 juli 2012 van de rechtbank Amsterdam – gevoegd met de tussen partijen gevoerde zaak betreffende de afwikkeling van het huwelijkse vermogen (met nummer 467075 / FA RK 10-6746).

1.3

Beide partijen hebben in deze gevoegde procedure – blijkens de tussenbeschikking van 4 juli 2012 van de rechtbank Amsterdam – een verzoek ingediend met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen. De man heeft voorts verzocht te bepalen dat de vrouw als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud een bedrag van € 5.635,10 per maand dient te voldoen, en tevens verzocht daartoe reeds een voorlopige voorziening te treffen.2

1.4

Bij tussenbeschikking van 4 juli 2012 heeft de rechtbank Amsterdam partijen gelegenheid gegeven zich nader uit te laten en nadere gegevens in het geding te brengen met betrekking tot verschillende geschilpunten betreffende de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen. De verzoeken van de man met betrekking tot partneralimentatie heeft de rechtbank afgewezen.

1.5

Bij tussenbeschikking van 9 januari 2013 heeft de rechtbank Amsterdam een deskundige benoemd ter waardering van de B.V.’s van ieder der partijen en daarbij onder meer de aan de deskundige voor te leggen vragen geformuleerd. Voorts heeft zij partijen andermaal in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten, en iedere verdere beslissing aangehouden.

1.6

Bij eindbeschikking van 7 mei 2015 heeft de rechtbank Amsterdam – voor zover in cassatie van belang – de vrouw veroordeeld om aan de man uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 234.592,67 te betalen. Hieraan ten grondslag heeft de rechtbank onder meer gelegd dat de vrouw ter zake van de verrekening van de waarde van de aandelen van haar B.V. – overeenkomstig het deskundigenbericht – na aftrek van nog verschuldigde belastingen een waarde van € 507.000 met de man dient te verrekenen, zodat zij hem uit dien hoofde de helft van dit bedrag dient te betalen (rov. 2.13-2.21 en 2.38 van de eindbeschikking) Daarop wordt in mindering gebracht het te verrekenen vermogen aan de zijde van de man van € 37.814,65.

Ook heeft de rechtbank bepaald dat de man van het ABN AMRO krediet3 een bedrag van € 478.954,86 als eigen schuld voor zijn rekening dient te nemen. Hiertoe heeft zij overwogen dat de man (i) ter zake van de aankoop van onroerend goed in Roemenië een van de gezamenlijke rekening van partijen opgenomen bedrag van € 330.000,-, (ii) ter zake van de verkoopopbrengst van een aan zijn B.V. toebehorende loods, waarmee niet op dit krediet is afgelost, een bedrag van € 125.954,86 en (iii) ter zake van de na de peildatum door de man van het gezamenlijk ABN AMRO krediet aangeschafte Rover P5B-auto een bedrag van € 23.000,- in het kader van de onderlinge draagplicht van partijen aangaande de schuld bij de ABN AMRO bank als eigen schuld dient te voldoen (rov. 4.7, 4.8.5 respectievelijk 4.13.3 van de tussenbeschikking van 4 juli 2012 en rov. 2.50 van de eindbeschikking).

De verzoeken van de man ten aanzien van de verdeling van de inboedel, de benoeming van een deskundige ter beschrijving en taxatie van de inboedel en de afgifte van verschillende inboedelgoederen heeft de rechtbank afgewezen (rov. 2.7.1-2.7.3 van de tussenbeschikking van 9 januari 2013 en (de tweede) rov. 2.51 van de eindbeschikking). Met betrekking tot de pensioenverevening heeft de rechtbank het verzoek van de man tot afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van de in de B.V. van de vrouw opgebouwde pensioenvoorziening tot een bedrag van € 565.023,00 per 1 mei 2014 afgewezen (rov. 2.43 van de eindbeschikking).

1.7

Bij op 6 augustus 2015 ingekomen appelschrift heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam tegen de tussenbeschikkingen van 4 juli 2012 en 9 januari 2013 en de eindbeschikking van 7 mei 2015. Zij heeft daartoe zestien grieven aangevoerd, verzocht de beschikkingen van 4 juli 2012 en 7 mei 2015 te vernietigen en het hof voorts diverse verzoeken gedaan om opnieuw recht te doen.

1.8

De man heeft verweer gevoerd en incidenteel hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft hij op zijn beurt vijftien grieven aangevoerd, verzocht de hieronder bij 1.9 bedoelde grieven hier (ook) als incidentele grieven te behandelen, verzocht de eindbeschikking van 7 mei 2015 en de voorgaande beschikkingen die tot deze beschikking hebben geleid (gedeeltelijk) te vernietigen en opnieuw te beschikken conform genoemde vijftien en de hieronder bij 1.9 bedoelde grieven.

Tegen het incidentele hoger beroep heeft de vrouw verweer gevoerd.

1.9

Bij eveneens op 6 augustus 2015 ingekomen beroepschrift heeft de man ook zijnerzijds hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam tegen de tussenbeschikkingen van 23 juni 2010, 4 juli 2012 en 9 januari 2013 en de eindbeschikking van 7 mei 2015. Hij heeft daartoe tien grieven aangevoerd, het hof verzocht de eindbeschikking van 7 mei 2015 en de voorgaande beschikkingen die tot deze beschikking hebben geleid (gedeeltelijk) te vernietigen en verschillende verzoeken gedaan om opnieuw recht te doen.

1.10

De vrouw heeft verweer gevoerd en is met één grief in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep gekomen, waarmee zij verzoekt om – kennelijk indien de zaken niet overeenkomstig haar verzoek gevoegd behandeld worden – de tekst van het door haar zelf ingediende appelschrift als herhaald en woordelijk ingelast te beschouwen in haar verweerschrift.

De man heeft zich in het voorwaardelijke incidentele hoger beroep gerefereerd aan het oordeel van het hof en zijnerzijds ook verzocht de zaken te voegen.

1.11

Bij beschikking van 15 november 2016 heeft het gerechtshof Amsterdam de za(a)k(en) in de stand waarin deze zich bevond(en) naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verwezen, omdat naar zijn oordeel door betrokkenheid van het hof behandeling van de za(a)k(en) door een ander hof gewenst was.

1.12

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de zaken gevoegd behandeld en beslist. Op de mondelinge behandeling van 12 juni 2017 hebben partijen desgevraagd verklaard ermee in te stemmen dat in beide zaken ook acht dient te worden geslagen op de stukken die telkens in de andere zaak zijn overgelegd.

1.13

Bij beschikking van 1 augustus 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het principaal hoger beroep van de man alle beschikkingen van de rechtbank bekrachtigd en de vrouw veroordeeld op eerste daartoe strekkend verzoek van de man over te gaan tot onvoorwaardelijke afgifte aan hem van de inboedel die zij heeft doen opslaan, waarbij zij die afgifte niet afhankelijk mag doen zijn van betaling door de man van door haar gemaakte opslagkosten ongeacht door wie deze kosten moeten worden gedragen (rov. 5.19). Het in deze zaak door de vrouw ingestelde (voorwaardelijke) incidentele hoger beroep heeft het hof bij gebrek aan belang verworpen (rov. 5.20). In het principaal hoger beroep van de vrouw heeft het hof eveneens alle beschikkingen van de rechtbank bekrachtigd behoudens – voor zover in cassatie van belang – wat betreft de veroordeling van de vrouw tot betaling van € 234.592,67 aan de man in verband met de uitvoering van het periodiek verrekenbeding. Voor wat betreft dat onderdeel heeft het hof de beschikkingen vernietigd en, opnieuw beschikkende, de man veroordeeld om aan de vrouw uit dien hoofde een bedrag van € 18.907,32 te betalen. Voorts heeft het hof bepaald dat de B.V. van de vrouw niet in staat is tot afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de man toekomende deel van de pensioenaanspraak (rov. 5.33). In het in deze zaak door de man ingestelde incidentele hoger beroep heeft het hof ten slotte ook alle beschikkingen van de rechtbank bekrachtigd en de vrouw veroordeeld tot het afdragen aan de man van (a) de helft van de gebruiksvergoeding voor de [A-straat I] voor de periode van 1 januari 2008 tot 1 september 2011 ten bedrage van € 60.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verschuldigdheid, en (b) de helft van de gebruiksvergoeding van de [A-straat II] , nader door partijen te bepalen (rov. 5.50). Het meer of anders verzochte heeft het hof afgewezen.

1.14

De man heeft tegen de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden – tijdig4 – cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel cassatieberoep ingesteld. In het incidentele cassatieberoep heeft de man ook verweer gevoerd.

2 Bespreking van het principale cassatieberoep

2.1

De man heeft één middel van cassatie voorgesteld, dat bestaat uit vier onderdelen, die op hun beurt zijn onderverdeeld in verschillende subonderdelen.

2.2

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 5.9 van de bestreden beschikking. Daarin oordeelt het hof over de door de man in zijn principale hoger beroep voorgestelde grief 2. Met deze grief stelt de man een regresvordering op de vrouw te hebben, die zou zijn ontstaan doordat op het ABN AMRO krediet is afgelost met de verkoopopbrengsten van verschillende, partijen gezamenlijk toebehorende panden, terwijl van (de afbetaling van) dat krediet een groot gedeelte door de vrouw alleen diende te worden gedragen. Voor een goed begrip is van belang wat het hof in rov. 5.1 en 5.3 reeds had vastgesteld:

“5.1 Partijen hebben bij notariële akte van 25 februari 2011 de rechten van erfpacht van een tweetal percelen grond met de rechten van de erfpachter op de zich op die grond bevindende opstallen plaatselijk aangeduid als [A-straat 2] en [B-straat] te Amsterdam aan de vrouw toegedeeld tegen een waarde van € 3.250.000.-. Deze toedeling is geschied onder de verplichting voor de vrouw een gedeelte ter grootte van € 3.250.000,- van de totale hypothecaire schulden aan de Nationale Nederlanden Financiering Maatschappij B.V.5 en de ABN AMRO Bank met ingang van de overnamedatum voor haar rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen alsmede alle daarmee samenhangende renten en kosten. De ABN AMRO Bank heeft toestemming gegeven voor deze schuldoverneming.

(…)

5.3

Ter mondelinge behandeling bij het hof hebben partijen eenparig verklaard dat de schuld aan de ABN AMRO Bank (hierna verder ook: de bank) nagenoeg geheel is afgelost en dat de bank het restant van haar vordering ten bedrage van € 60.000,- heeft overgedragen aan de zoon van partijen. Gelet hierop gaat bet hof ervan uit dat de rente en kosten ter zake van deze schuld uit geldlening aan de bank zijn voldaan. De man specificeert zijn stelling dat tot heden de rente en kosten niet door de vrouw zijn voldaan niet.”

In de nu relevante rov. 5.9, en de daaraan voorafgaande rov. 5.7-5.8, overweegt het hof voorts als volgt:

“grief 2

5.7

De man stelt dat hij in verband met de schuld die partijen hebben gehad aan de bank een regresvordering heeft op de vrouw. Op de mondelinge behandeling bij dit hof op 12 juni 2017 heeft hij deze vordering nader toegelicht onder verwijzing naar de door hem overgelegde stukken D 44-46, D 48, D52 en D56-58. D56 is een stuk getiteld ‘regresopstelling’ en komt op het volgende neer. Ten tijde van de ondertekening van de hiervoor al vermelde notariële akte van verdeling en schuldoverneming bedroeg de schuld van partijen aan de bank nog € 4.844.721,74. De vrouw heeft van deze schuld een deel groot € 3.250.000,- overgenomen; het restant van € 1.594.721,74 bleven partijen samen dragen, zodat de man € 797.360,87 van de schuld moest dragen en de vrouw € 4.047.360,87. In de periode 2011-2014 zijn de panden die aan partijen samen toebehoorden aan [C-straat] , [D-straat] huis, [A-straat I] en [A-straat II] verkocht. De totale opbrengst van € 2.926.914,- is in mindering gebracht op de schuld aan de bank. Aan de man kwam van deze opbrengst de helft of € 1.463.457,- toe, zodat hij de schuld aan de bank heeft voldaan voor meer dan het deel dat hem aangaat. Dat meerdere is in elk geval al € 666.097,- (€ 1.463.457,- minus € 797.360,-). Daarnaast heeft hij meer betaald aan rente en kosten, maar de man heeft deze bedragen niet gespecificeerd.

5.8

De vrouw betwist dat de man een regresvordering op haar heeft en voert het volgende aan. Partijen zijn in augustus 2005 een SWAP-contract aangegaan met de bank dat uit twee onderdelen bestond, te weten een hypothecaire lening van € 3.780.000,- en een rekening courant krediet van € 2.867.000,- onder nummer 581994000. De totale schuld bedroeg € 6.647.000,-. De man neemt het bedrag van € 4.844.721,- als uitgangspunt voor zijn regresopstelling. Bij dat bedrag is geen rekening gehouden met het krediet en ook niet met de door de vrouw tot 25 februari 2011 uit eigen middelen betaalde rente van ongeveer € 500.000,- en evenmin met de rente over de eigen schuld van de man aan de bank van € 478.954,86. De vrouw wijst erop dat de bank in augustus 2011 de hypothecaire lening van € 3.780.000,- heeft opgezegd en op 1 september 2011 heeft geboekt in de rekening courant, waarvan het debetsaldo op 19 september 2011 € 5.156.872,05 bedroeg (productie D53 van de man). De vrouw heeft bij de rechtbank in Amsterdam in verband met de betalingen ten aanzien van de hier besproken schuld aan de bank een regresvordering jegens de man ingesteld. In deze procedure is nog geen uitspraak gedaan.

5.9

Het hof oordeelt als volgt. Om te kunnen vaststellen dat de man ten aanzien van de schuld aan de bank meer heeft betaald dan het deel da(t) hem aangaat dient het hof in elk geval te beschikken over een compleet overzicht van het verloop van deze schuld met inbegrip van alle aflossingen en betalingen van rente en kosten en vermelding van de persoon van de betaler (man of vrouw of samen). Weliswaar heeft de man afschriften van het krediet overgelegd en stukken die betrekking hebben op de verkoop van de panden van partijen, maar daarmee nog niet het nodige volledig overzicht van het verloop van de schuld gegeven. Daarbij komt dat de vrouw de stellingen van de man ten aanzien van het regres gemotiveerd betwist en dat de man die betwisting niet weerspreekt. Het is voor het hof niet mogelijk aan de hand van de in deze procedure overgelegde stukken vast te stellen of de man meer heeft betaald dan hem aangaat. De man voldoet op dit punt niet aan zijn stelplicht. Het hof merkt ten overvloede op dat de man ook geen bewijs heeft aangeboden van zijn stelling. Grief 2 faalt.”

2.3

Subonderdeel 1.1 klaagt dat voor zover het hof in rov. 5.9 tot uitdrukking heeft gebracht dat het noodzakelijk is dat het hof zichzelf overtuigt van de juistheid van de stellingen van de man, het hof het recht heeft miskend omdat het hof niet zelf/ambtshalve de juistheid van een stelling moet/mag onderzoeken, maar het hof op basis van de regels van stelplicht en bewijslast de door de vrouw niet of onvoldoende (gemotiveerd) weersproken stellingen in rechte als vaststaand feit had moeten aannemen.

2.4

Het hof heeft in rov. 5.9, anders dan het subonderdeel aanneemt, niet de opvatting gehuldigd dat het overtuigd moet zijn geraakt van de juistheid van de stellingen van de man, maar heeft slechts onderzocht of de man voldoende had gesteld (of de stellingen van de man voldoende omvatten en voldoende gespecificeerd en onderbouwd waren) om te kunnen concluderen tot toewijzing van zijn verzoek, en geoordeeld dat dit niet het geval was. Subonderdeel 1.1 faalt derhalve.

2.5

Subonderdeel 1.2 klaagt dat de beslissingen van het hof in rov. 5.9 dat de vrouw de stellingen van de man omtrent het regres gemotiveerd heeft betwist, dat de man die betwisting niet weerspreekt en dat de man niet aan zijn stelplicht voldoet doordat aan de hand van de overgelegde stukken niet is vast te stellen of de man meer heeft betaald dan hem aangaat, onbegrijpelijk zijn. Het hof doelt met de betwisting door de vrouw (kennelijk) op de stellingen die het hof weergeeft in rov. 5.8. Deze beslissingen zijn onbegrijpelijk omdat de vrouw zowel in haar verweerschrift in het principale beroep van de man (t.a.v. grief 2, nr. 8) als in haar verweerschrift in zijn incidentele beroep (t.a.v. grief 11, nr. 15-17) heeft volstaan met het verweer dat er – samengevat – op neerkomt dat “de rekenkundige exercitie van de man kant nog wal slaat” volstrekt ondoorzichtig is en dat als de man meent een regresvordering te hebben, hij die kan indienen in de (door de vrouw gestarte) separate procedure waarin zij haar regresvordering wil laten vaststellen. Pas ten tijde van de mondelinge behandeling heeft de vrouw op dit punt inhoudelijke en (dus) nieuwe verweren gevoerd, zoals door het hof (overigens niet geheel juist) weergegeven in rov. 5.8. Voorts is ter mondelinge behandeling op het punt van het regres door de man herhaaldelijk aangegeven dat alle mutaties van alle leningen op de “000-rekening” in debet zijn gesteld, onder verwijzing naar de overgelegde bankafschriften.

2.6

Het oordeel van het hof in rov. 5.9 komt op het volgende neer. De man heeft onvoldoende gesteld om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat de man een regresvordering heeft op de vrouw, en derhalve om zijn verzoek te kunnen toewijzen (hij heeft immers geen compleet overzicht van het verloop van deze schuld met inbegrip van alle aflossingen en betalingen van rente en kosten en vermelding van de persoon van de betaler (man of vrouw of samen) gegeven). Daarbij komt dat de vrouw de stellingen van de man ten aanzien van het regres gemotiveerd heeft betwist (althans daartegen verweren heeft aangevoerd) en de man die betwisting (die verweren) niet weerspreekt. De man voldoet niet aan zijn stelplicht en het is “voor het hof niet mogelijk aan de hand van de in deze procedure overgelegde stukken vast te stellen of de man meer heeft betaald dan hem aangaat”.

2.7

Uit het voorgaande – en dus uit rov. 5.9 – blijkt dat het hof het verzoek reeds afwijst omdat de man naar het oordeel van het hof zelf al onvoldoende heeft gesteld om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat de man een regresvordering heeft op de vrouw, nu hij geen compleet overzicht van het verloop van deze schuld met inbegrip van alle aflossingen en betalingen van rente en kosten en vermelding van de persoon van de betaler (man of vrouw of samen) heeft gegeven. Tegen dat oordeel komt het subonderdeel niet op dan met de opmerking (onder verwijzing naar het proces-verbaal) dat ter mondelinge behandeling op het punt van het regres door de man herhaaldelijk is aangegeven dat alle mutaties van alle leningen op de “000-rekening” in debet zijn gesteld, onder verwijzing naar de overgelegde bankafschriften. Nog daargelaten of met dit ‘zoekplaatje’ een voldoende overzicht van deze mutaties wordt gegeven – en dat dit in ieder geval niet gebeurt in de op de aangehaalde vindplaats in het proces-verbaal genoemde producties D56, D57 en D58 – kan in ieder geval worden vastgesteld dat de man daarmee géén compleet overzicht van het verloop van deze schuld met inbegrip van alle aflossingen en betalingen van rente en kosten en vermelding van de persoon van de betaler (man of vrouw of samen) heeft gegeven.

Er is bovendien in ieder geval géén compleet overzicht gegeven waarmee hij zijn verzoek tot veroordeling van de vrouw tot betaling van een regresvordering van € 666.097,- (voldoende) heeft onderbouwd. Al zouden de overgelegde bankafschriften alle mutaties bevatten, dan is daarmee immers nog niet gezegd dat (de berekening van de man van) de regresvordering (van € 666.097,-) hierop ook kan worden gebaseerd. Een onderbouwing hiervan aan de hand van alle mutaties ontbreekt. De in rov. 5.7 weergegeven berekening van de man, die in cassatie niet wordt bestreden, is immers enkel gebaseerd op de stelling dat de hypotheekschuld ten tijde van de ondertekening van de hiervoor al vermelde notariële akte van verdeling en schuldoverneming (van 25 februari 2011) € 4.844.721,74 bedroeg en dat daarop met de verkoopopbrengsten uit de periode 2011-2014 van de [C-straat] , de [D-straat] huis, de [A-straat I] en [A-straat II] ten bedrage van in totaal € 2.926.914,- is afgelost. Er is dus bijvoorbeeld geen rekening gehouden met eventuele rentebetalingen door (een van beide) partijen, en de vraag of deze ook voor rekening van die partij(en) dienen te komen. Ook wordt – om puur ter illustratie nog een voorbeeld te noemen – niet gerept van de verkoopopbrengst van de (reeds aan de vrouw tegen schuldovername toebedeelde) [B-straat] ten bedrage van € 1.241.377,67, die wel op een door de man als productie 4 overgelegd bankafschrift van 17 december 2012 van de rekening met nummer 581994000 is terug te vinden.6 Hetzelfde geldt voor de verkoopopbrengst van de (eveneens aan de vrouw tegen schuldovername toebedeelde) [A-straat 2] ten bedrage van € 1.948.154,31, opgenomen op een door de man als productie D52 ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 12 juni 2017 overgelegd bankafschrift van 17 juli 2015 van dezelfde rekening. Overigens is met de hier genoemde drie aflossingsbedragen (van € 2.926.914,-, € 1.241.377,67 en € 1.948.154,31, in totaal € 6.116.445,98) al een bedrag aan aflossing gemoeid dat boven de door de man genoemde in 2011 resterende schuld van € 4.844.721,74 uitgaat.

Uit de stellingen van de man blijkt dus niet (zonder meer) dat de man in de onderlinge relatie met de vrouw (in totaal) meer (en wel € 666.097,- meer) heeft afgelost op de schuld dan hem aangaat.

2.8

Reeds om deze reden – dat deze zelfstandig dragende grond in cassatie niet (met succes) wordt bestreden – dient het subonderdeel mijns inziens te falen. Bij de overige klachten – gericht tegen de tweede dragende grond van het niet weerspreken van de gemotiveerde betwisting van de vrouw – bestaat dan geen belang meer.

Ik zal deze voor de volledigheid hieronder toch bespreken. Hierbij laat ik de vraag naar het al of niet tardief en/of ontoelaatbaar zijn van het door de vrouw op de mondelinge behandeling van 12 juni 2017 gevoerde verweer nog even buiten beschouwing, nu die vraag in subonderdeel 1.3 nader aan de orde wordt gesteld.

2.9

Los van laatstgenoemde kwestie, behelst het subonderdeel voorts niet meer dan dat het onbegrijpelijk zou zijn dat het hof heeft geoordeeld dat de vrouw de stellingen van de man omtrent het regres gemotiveerd heeft betwist en dat de man die betwisting niet weerspreekt. Als bij deze beoordeling wordt betrokken wat de vrouw in zijn totaliteit – ook op de mondelinge behandeling van 12 juni 2017 – aan verweer heeft gevoerd, zoals weergegeven in rov. 5.8, dan kan echter niet gezegd worden dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is. De vrouw heeft volgens de weergave in rov. 5.8 immers verschillende inhoudelijke en relevante verweren aangevoerd, die de man volgens het hof niet heeft weersproken. Het subonderdeel richt zich niet tegen deze overwegingen in rov. 5.8 en betoogt ook niet dat de man de daar genoemde verweren van de vrouw wél zou hebben weersproken.

2.10

Subonderdeel 1.3 klaagt dat het hof in rov. 5.9 het recht heeft miskend omdat de door de vrouw op de mondelinge behandeling van 12 juni 2017 gevoerde verweren – door het subonderdeel aangeduid als de ‘nieuwe verweren’ – ontoelaatbaar zijn, want in strijd met de in beginsel strakke regel (de twee-conclusie-regel), zeker nu er geen enkele aanleiding was (die is door de vrouw ook niet gesteld, aldus het subonderdeel) om die verweren niet reeds in een eerder stadium aan te voeren. Voor zover het hof deze nieuwe verweren wel bij zijn beoordeling mocht betrekken, heeft het hof het recht miskend omdat de eisen van de goede procesorde meebrengen dat de man genoegzaam gelegenheid wordt geboden zijn verweer of stellingen naar aanleiding daarvan aan te vullen en, voor zover nodig, ook overigens zijn standpunt te herzien, doch het hof de man daartoe niet in de gelegenheid heeft gesteld. Het hof heeft in het verlengde daarvan miskend dat een nadere betwisting van de pas ter mondelinge behandeling geuite verweren ter zitting van de man niet kon worden gevergd. Voor zover het hof dit niet zou hebben miskend, betoogt het subonderdeel dat de beslissingen in het licht van het feit dat de weren eerst ter mondelinge behandeling door de vrouw zijn gevoerd, onbegrijpelijk zijn, nu het hof niet motiveert waarom de man desalniettemin wordt tegengeworpen dat hij de weren van de vrouw niet heeft weersproken.

2.11

Ook voor de klachten van de subonderdeel 1.3 geldt dat deze gericht zijn tegen een tweede dragende grond van het oordeel van het hof in rov. 5.9, en zij derhalve bij gebrek aan belang moeten falen.

Ook hier zal ik echter voor de volledigheid deze subonderdelen ook inhoudelijk bespreken.

2.12

De man heeft niet alleen in grief 2 van zijn principale hoger beroep, maar ook in zijn incidentele grief 11 in het principale hoger beroep van de vrouw een beroep gedaan op het feit dat hij een regresvordering op de vrouw zou hebben. Gelet op hetgeen hierboven onder 1.12 is opgenomen, dient in elk van beide zaken ook te worden gelet op hetgeen in de andere zaak door partijen is aangevoerd.

2.13

In reactie op grief 2 van de man in zijn principale hoger beroep heeft de vrouw in haar verweerschrift7 (onder 8) aangegeven dat de verkoopopbrengst van de [A-straat 2] integraal aan de bank is overgemaakt. Ook heeft zij verwezen naar haar eerder in dat verweerschrift (onder 3) gemaakte opmerkingen over de vermindering van de schuld aan de bank door verkoop en levering van dit pand en van de [B-straat] , en de consequenties van dit alles voor de – door haar erkende – verplichting om de rente en kosten vanaf 25 februari 2011 voor de schuld à € 3.250.000,- voor haar eigen rekening te nemen. Aansluitend aan die opmerkingen (onder 4) wordt gesteld dat de vrouw als enige rente heeft betaald over de oorspronkelijke hoofdschuld bij de ABN AMRO vanaf de peildatum van 1 januari 2008 tot 1 augustus 2011, en dat dit voor de onderliggende draagplicht uiteraard significante gevolgen heeft. In de opmerkingen waarnaar in haar reactie wordt verwezen, wordt ook gewezen op de nadere toelichting die de vrouw nog in de tussenliggende paragraaf (onder 5) geeft, en waarin zij erop wijst dat zij zelf in een andere lopende procedure heeft verzocht de man te veroordelen tot betaling van een bedrag dat is opgebouwd uit de eigen schuld van de man conform de eindbeschikking van de rechtbank ten bedrage van € 478.954,86 (die de man van het ABN AMRO krediet voor zijn eigen rekening dient te nemen), haar regresvordering op de man, nu zij meer dan haar deel van de totaalschuld waarvoor zij draagplichtig is heeft bijgedragen (het gaat hier blijkens de hierna genoemde dagvaarding onder 17 om door haar meer betaalde rente dan haar deel), en de eigen schuld van de man in verband met kosten. Zij heeft hierbij de dagvaarding in die lopende procedure als productie ingebracht en geeft aan dat deze grotendeels (onder 14-17) de opbouw en berekening van ieders participatie in de vordering van de bank, ‘voorwaar geen sinecure’, behelst. In dat licht vermeldt zij dat de rekenkundige exercitie van de man de plank volledig misslaat. Voorts heeft zij aangegeven deze ‘rekenkundige exercitie’ volstrekt ondoorzichtig te vinden, dat haar ook onduidelijk is waartegen de man nu precies grieft, en dat de man, voor zover hij meent op zijn beurt een regresvordering op de vrouw te hebben, deze stelling kan inbrengen in eerdergenoemde lopende procedure. In de overgelegde dagvaarding wordt reeds bij aanvang (onder 3, maar ook onder 14) vermeld dat het gaat om een – tegenover de vele onroerende zaken staande – schuld bij de ABN AMRO die oorspronkelijk bestond uit een middellange lening van € 3.780.000 en een rekening-courant van € 2.867.000, totaal € 6.647.000,-, die beide in de berekening moeten worden betrokken. Ook wordt (onder 14) vermeld dat de precieze berekening van de totaal verschuldigde rente ter zake de ABN AMRO-lening/kredietovereenkomst op dat moment nog niet bekend is, en nogal complex (ook vanwege de afname van de schuld als gevolg van verkoop van onroerende zaken), maar dat de accountant al wel een overzicht heeft gemaakt aan de hand van de eerste opgave van de bank over een beperkte periode, welk overzicht sluit op een rentebedrag van € 699.009,90 en (onder 19) dat de vrouw in 2009 in totaal € 517.114,- rente heeft betaald en de totale rente op dit moment op € 2.099.009,90 lijkt uit te komen.

2.14

In reactie op de incidentele grief 11 van de man heeft de vrouw in haar verweerschrift8 (onder 16) betoogd dat de stellingen van de man onnavolgbaar zijn en niet onderbouwd met producties, verwezen naar de lopende regresprocedure, en gesteld dat zij pas met het betalen van rente is gestopt per 1 augustus 2011.

2.15

Op basis van het voorgaande kan mijns inziens genoegzaam worden geconcludeerd dat het wat betreft de in rov. 5.8 door het hof genoemde betwisting en/of verweer van de vrouw, voor zover deze op de mondelinge behandeling naar voren zijn gebracht, niet gaat om ter mondelinge behandeling aangevoerde nieuwe verweren, maar slechts om een herhaling en/of nadere uitwerking en onderbouwing van haar eerdere, in de verweerschriften opgenomen betwisting en/of verweer. Voor zover het hof zich bij zijn hierboven onder 2.6 weergegeven oordeel derhalve (mede) heeft gebaseerd op de door beide partijen op de mondelinge behandeling bij het hof op 12 juni 2017 nader onderbouwde stellingen, zowel door de man – die blijkens rov. 5.7 (eerst ten tijde van deze behandeling) zijn vordering nader heeft toegelicht onder verwijzing naar de door hem overgelegde stukken (D44-46, D48, D52 en) D56-58 – als door de vrouw – voor zover zij (ook) op die mondelinge behandeling heeft aangevoerd wat in rov. 5.8 door het hof is opgenomen (in zoverre in cassatie niet bestreden, behoudens met de daartoe ontoereikende opmerking dat de weergave van het hof wat betreft de vrouw “overigens niet geheel juist” is) – getuigt dat, gelet op de voorgaande vaststelling, in ieder geval wat betreft de vrouw niet van een onjuiste rechtsopvatting. Evenmin behoefde het hof dat oordeel in dit kader nader te motiveren. Bovendien moet worden aangenomen dat beide partijen aldaar de gelegenheid hebben gekregen om op elkaar te reageren (hierover wordt ook niet geklaagd), hetgeen in dit kader voldoende moet worden geacht.

2.16

Subonderdeel 1.4 klaagt dat het hof in rov. 5.9 miskent dat de door de vrouw aangevoerde verweren niet als gemotiveerde betwisting van de stellingen van de man kunnen worden beschouwd, althans heeft het hof zijn beslissing dat sprake was van een deugdelijke betwisting onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het subonderdeel herhaalt hier de in de door de man overgelegde ‘regresopstelling’ opgenomen berekening (zoals ook door het hof was opgenomen in rov. 5.7). Volgens het subonderdeel is – kennelijk in dit licht – onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het, om te kunnen vaststellen dat de man ten aanzien van de schuld aan de bank meer heeft betaald dan zijn aandeel, in elk geval dient te beschikken over een compleet overzicht van het verloop van deze schuld met inbegrip van alle aflossingen en betalingen van rente en kosten en vermelding van de persoon van de betaler (man of vrouw of samen), alsmede dat de man de betwisting door de vrouw van zijn stellingen omtrent zijn (regres)vordering niet zou hebben weersproken en het voor het hof aan de hand van de overgelegde stukken niet vast is te stellen of de man meer betaald heeft dan hem aangaat en de man op dat punt niet voldoet aan zijn stelplicht.

2.17

Welbeschouwd klaagt de man hier slechts dat het hof niet heeft kunnen oordelen zoals het heeft gedaan in het licht van de stellingen van de man die het hof ook aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd, zonder uit te wijden over welke steken het hof daarbij precies zou hebben laten vallen. Daarmee vraagt het subonderdeel in feite om een feitelijke herbeoordeling, waarvoor in cassatie geen plaats is. Overigens geldt hiervoor wat hierboven onder 2.9 ook al werd opgemerkt, namelijk dat niet (zonder meer) gezegd kan worden dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is. De vrouw heeft volgens de weergave in rov. 5.8 immers verschillende inhoudelijke en relevante verweren aangevoerd, die de man volgens het hof niet heeft weersproken. Het subonderdeel richt zich niet tegen deze overwegingen in rov. 5.8 en betoogt – anders dan met de algemene stelling dat onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat de man de betwisting door de vrouw van zijn stellingen omtrent zijn (regres)vordering niet zou hebben weersproken – niet werkelijk dat de man de daar genoemde verweren van de vrouw wél zou hebben weersproken. Wat betreft de eigen stelplicht van de man, kan ten slotte ook voor dit subonderdeel nog verwezen worden naar hetgeen hierboven onder 2.7 reeds werd opgemerkt.

2.18

In dit kader kan ook nog gewezen worden op het feit dat de man in ieder geval op één van de stellingen die de vrouw aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd – dat de schuld bij de ABN AMRO oorspronkelijk uit twee onderdelen bestond, te weten een middellange of hypothecaire lening van € 3.780.000 en een rekening-courant krediet van € 2.867.000 (die beide in de berekening moeten worden betrokken), en dat de bank de lening van € 3.780.000 heeft opgezegd en heeft geboekt in de rekening courant (waardoor het debetsaldo op die rekening logischerwijs hoger is geworden) – blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 juni 2017 (p. 7) als volgt heeft gereageerd:

“Het kan kloppen dat er een lening was van 3,7 miljoen euro en een rekening-courantschuld van 2,8 miljoen euro. Dat weet ik niet uit mijn hoofd. De 000-rekening is de enige rekening waarop werd gemuteerd.

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen contracten en leningen. De verplichtingen, debetmutaties en creditmutaties liepen allemaal via de 000-rekening. De middellange leningen zijn geliquideerd en in debet gesteld op de mutatierekening. Alles wat betrekking heeft of de leningen, is allemaal in debet gesteld op die ene rekening. Dit is vanaf het begin af aan al zo geweest.”

Hierin valt niet alleen een niet-weerspreking, maar zelfs een erkenning te lezen van een deel van de (relevante) verweren van de vrouw.

2.19

Subonderdeel 1.5 klaagt dat aan de stellingen van de man zoals weergegeven in subonderdeel 1.4 – dus conform de door het hof in rov. 5.7 weergegeven ‘regresopstelling’ – duidelijk ten grondslag lag dat de partiële verdelingsakte zo moet worden uitgelegd dat deze niet alleen jegens de bank de verplichtingen bepaalt, maar dat daarmee ook in de onderlinge verhouding tussen de man en de vrouw is bepaald welk deel van de schuld wie aangaat (namelijk: € 3.250.000,- gaat de vrouw aan, het restant van € 1.594.721,74 gaat hen beiden voor de helft aan). Volgens het subonderdeel impliceren enkele van de voor het eerst ter mondelinge behandeling in hoger beroep geuite verweren van de vrouw dat zij meent dat de partiële verdelingsakte anders moet worden uitgelegd (namelijk zo, dat de externe afspraken met de bank geen enkele invloed hebben op de onderlinge verhouding waarin de man en de vrouw ten opzichte van deze schuld draagplichtig zijn, ook voor opnames en rente uit de periode van voor de verdeling.) Het hof heeft met zijn beslissingen in rov. 5.9 het recht miskend, nu beide partijen een andere uitleg aan de partiële verdelingsakte geven en uitleg van deze akte op grond van het Haviltex-arrest9 had dienen plaats te vinden overeenkomstig de daarin opgenomen maatstaf (Haviltex-norm), hetgeen het hof heeft nagelaten, aldus het subonderdeel. Uit rov. 5.9 is niet kenbaar hoe het hof de akte uitlegt en op basis van welke argumenten c.q. afwegingen het hof tot die uitleg komt.

2.20

Dit subonderdeel mist iedere relevantie. De uitleg van de partiële verdelingsakte door het hof is hier niet aan de orde. Partijen verschilden volgens het hof ook niet van mening over deze uitleg, voor zover hier relevant: nog los van de vraag wat de vrouw op de bedoelde plaatsen precies zou hebben aangevoerd, is het hof er in ieder geval van uitgegaan dat de vrouw de in het subonderdeel aangegeven uitleg niet heeft betwist (zie de vaststelling van het hof in rov. 5.1, die hierboven onder 2.2 reeds werd geciteerd: de vrouw neemt de verplichting op zich een gedeelte ter grootte van € 3.250.000,- van de totale hypothecaire schulden aan de Nationale Nederlanden Financiering Maatschappij B.V. en de ABN AMRO Bank met ingang van de overnamedatum voor haar rekening te nemen en als eigen schulden te voldoen alsmede alle daarmee samenhangende renten en kosten; logischerwijs is dan in beginsel de rest van de schuld dan nog gemeenschappelijk, los gezien uiteraard van andere redenen die tot een individuele draagplicht kunnen leiden of hebben geleid) en heeft het hof ook zelf deze uitleg gevolgd, althans – bij gebrek aan relevantie voor zijn oordeel – niet van de hand gewezen. Voor zover echter nog van enige uitleg van bedoelde akte door het hof sprake was, heeft het hof in rov. 5.36 overwogen dat de akte geen aanknopingspunten bood om anders te oordelen over een van de in de akte opgenomen verdeling volledig losstaand feit, namelijk dat de man de schuld bij de bank voor een bedrag van € 478.954,- voor zijn rekening moet nemen in verband met (niet door de man betwiste) opnames in 2006 op het krediet bij de bank. Niet valt in te zien dat het hof daarmee de toepasselijke uitlegmaatstaf zou hebben miskend of zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.21

Subonderdeel 1.6 klaagt dat de beslissing in rov. 5.9, dat de vrouw de stellingen van de man op dit punt (weergegeven in rov. 5.7) gemotiveerd zou hebben betwist (met de stellingen weergegeven in rov. 5.8), bij nadere beschouwing bovendien onbegrijpelijk is, nu de ter mondelinge behandeling uit door de vrouw ingenomen stellingen niet de onjuistheid van de stellingen en berekening van de man blijkt. Het subonderdeel doet hierop volgen welke (ook in rov. 5.8 opgenomen) stellingen de vrouw heeft betrokken en wat de man ten aanzien daarvan heeft aangevoerd.

Dit laatste betreft onder meer – met verwijzing naar het hierboven onder 2.18 opgenomen citaat – dat alle mutaties, ook van rente en van beide leningdelen, op de 000-rekening werden bijgeboekt, zodat het door de man genoemde saldo op 25 februari 2011 alle verplichtingen jegens de bank omvat. Uit de stellingen van de vrouw volgt geenszins dat het saldo op 25 februari 2011 geen € 4.844.721,74 kan zijn, aldus het subonderdeel. Met name heeft de vrouw niet gesteld dat op het hypotheekleningdeel tussen 2005 en 2011 nimmer is afgelost en dat het krediet in rekening-courant integraal was opgenomen.

De man betoogt voorts dat het door de vrouw genoemde saldo per september 2011 (€ 5.156.872,05) evenmin uitsluit dat het door de man genoemde saldo per 25 februari 2011 (€ 4.844.721,74) juist is: het verschil tussen beide saldi is daarvoor volgens de man zelfs een aanwijzing, nu het verschil zo’n 6% is en (dus) heel goed kan zijn ontstaan door mutaties na de verdelingsakte. Bovendien heeft de man van het door hem genoemde saldo bewijsstukken overgelegd.

Wat betreft de bedragen aan door de vrouw uit eigen middelen betaalde rente en aan door de man over zijn eigen schuld verschuldigde rente, gaat de vrouw volgens het subonderdeel uit van een andere uitleg van de verdelingsakte dan de man aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd. Over het feit dat het hof de verdelingsakte naar de Haviltex-maatstaf had moeten uitleggen, althans zijn beslissingen had moeten motiveren met verwijzing naar de gezichtspunten uit deze maatstaf, heeft de man in subonderdeel 1.5 geklaagd.

2.22

Ook hier wordt weer even in herinnering gebracht – met verwijzing naar hetgeen hierboven onder 2.8 en 2.11 werd opgemerkt – dat deze klacht belang ontbeert en slechts voor de volledigheid wordt besproken.

2.23

Aan het subonderdeel kan voorts absoluut worden toegegeven dat de vrouw niet heeft aangevoerd dat de in rov. 5.7 opgenomen stellingen van de man inhoudelijk onjuist zijn (bijvoorbeeld dat het saldo op de 000-rekening op 25 februari 2011 geen € 4.844.721,74 was). Dat is echter ook niet de reden waarom het hof in rov. 5.9 in voor de man ongunstige zin heeft beslist. Die is immers gelegen (in het feit dat de man zelf al niet aan zijn stelplicht heeft voldaan én) in het feit dat de vrouw zelfstandige verweren heeft aangevoerd, waarmee zij de door de man uit zijn stellingen getrokken conclusie heeft weerlegd, en de man de daarbij door haar betrokken stellingen niet heeft weersproken. Het subonderdeel betoogt niet dat de man de daar genoemde verweren van de vrouw wél zou hebben weersproken. De verweren van de vrouw zagen er onder meer op dat de man in zijn berekening geen rekening houdt met een (belangrijk) deel van de schuld aan de ABN AMRO bank, nu de door de bank opgezegde middellange of hypothecaire lening volgens haar ná 25 februari 2011 (namelijk op 1 september 2011) in de rekening courant is geboekt (waardoor het door beide partijen verschuldigde debetsaldo op die rekening toen logischerwijs hoger is geworden). Dit verweer moet worden gezien in het licht van het feit dat de man in het hierboven onder 2.18 opgenomen citaat – anders dan het subonderdeel doet vermoeden – niet (met zoveel woorden) heeft gesteld dat al in het saldo van 25 februari 2011 beide onderdelen van de schuld waren meegenomen, maar slechts in zijn algemeenheid (en in die zin overeenkomstig het verweer van de vrouw) heeft gesteld dat (op enigerlei tijdstip) “de middellange leningen zijn geliquideerd en in debet gesteld op de mutatierekening”. Ook zagen de verweren van de vrouw erop dat volgens haar geen rekening is gehouden met de door de vrouw tot 25 februari 2011 uit eigen middelen betaalde rente van ongeveer € 500.000,- (waarvoor zijzelf een regresrecht op de man heeft) en met de rente over de eigen schuld van de man aan de bank van € 478.954,86 (die kennelijk niet door hem alleen is betaald, zodat de vrouw ook hier regres toekomt). Beide verweren strekken, indien zij worden gevolgd, tot de conclusie dat de door de man berekende regresvordering niet (meer), of niet tot die omvang, bestaat. De door de man genoemde stellingen heeft de vrouw daarvoor niet hoeven innemen. Dat het door de man genoemde saldo alle op dat moment bestaande verplichtingen jegens de bank zou omvatten (inclusief verschuldigde rente), zegt bovendien nog niets over de onderlinge draagplicht tussen man en vrouw en dus over de vraag of, alle (ook latere) mutaties en (ook onderling) verschuldigde renteberekeningen meegenomen, voor de man uiteindelijk een regresvordering resteert of niet. Dat de vrouw uit zou gaan van een onjuiste uitleg van de verdelingsakte, valt, zeker zonder nadere toelichting, niet in te zien. De vrouw spreekt immers slechts van de rente tot aan 25 februari 2011 (de dag van de verdelingsakte ofwel de overnamedatum, vanaf wanneer de vrouw volgens die akte de verplichting op zich nam om € 3.250.000,- van de totale schuld voor haar eigen rekening te nemen) en van de rente over een deel van de schuld dat de man om andere redenen dan deze verdeling voor eigen rekening diende te nemen. Bovendien heeft dit alles (zoals hierboven onder 2.20 reeds aan de orde kwam) mijns inziens weinig met de uitleg van de bedoelde akte door het hof te maken, en voor zover dat nog wel het geval zou zijn, valt niet in te zien dat het hof de toepasselijke uitlegmaatstaf zou hebben miskend of zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.

Op het voorgaande stuit het subonderdeel mijns inziens in zijn geheel af.

2.22

Subonderdeel 1.7 bevat een voortbouwende klacht over rov. 5.35, die gelet op het falen van alle voorgaande subonderdelen niet kan slagen. Hetzelfde geldt voor de voortbouwende klacht over rov. 5.36 van subonderdeel 1.8.

2.23

Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 5.14 van de bestreden beschikking, waarin het hof oordeelt over de door de man in zijn principale hoger beroep voorgestelde grief 6, alsmede de door de man in zijn incidentele hoger beroep voorgestelde grief 23, die beide de (afgifte dan wel verdeling van de) inboedel betreffen. Rov. 5.14 luidt als volgt:

“grief 6 (tevens grief 23 incidenteel hoger beroep van de man in de zaak met nummer 200.203.922)

5.14

De man verzoekt niet (meer) vaststelling van de verdeling van de inboedel, maar dat de vrouw aan hem zijn inboedel afgeeft. Het hof ziet gelet op de stellingen van partijen op dit punt aanleiding de vrouw te veroordelen op eerste daartoe strekkend verzoek van de man over te gaan tot onvoorwaardelijke afgifte aan hem van de inboedel die zij heeft doen opslaan, waarbij zij die afgifte niet afhankelijk mag doen zijn van betaling door de man van door haar gemaakte opslagkosten ongeacht door wie deze kosten uiteindelijk moeten worden gedragen. Het hof is van oordeel dat onvoorwaardelijke afgifte nodig is om een langer durende impasse en het oplopen van de kosten voor opslag te voorkomen. In zoverre slagen deze grieven.”

2.24

Subonderdeel 2.1 klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof de principale grief 6 en de incidentele grief 23 heeft gelijkgesteld, evenals de overweging in rov. 5.14 dat de man niet meer vaststelling van de inboedel vordert, maar afgifte. Volgens het subonderdeel heeft grief 6 betrekking op (de verdeling van) de gezamenlijke (tijdens huwelijk verworven) inboedel, bestaande uit (o.a.) de in zijn beroepschrift (p. 14-15) genoemde “antiquiteiten, juwelencollectie, pennencollectie, schilderijen, zilveren bestek, zilveren kandelaars, zeventiende en achttiende eeuwse klokken, glaswerkverzameling, bronzen beelden, boeken, televisie radio, CD’s” en heeft grief 23 betrekking op (de afgifte van) de door de vrouw opgeslagen inboedel van de man. De man heeft in zijn pleitaantekeningen (onder 11) ook verzocht “de huwelijkse boedel, de kostbare juwelencollectie, poppen- en pennenverzameling te laten beschrijven en (…) de verdeling te gelasten” en daarbij verwezen naar de in producties D10 en D11 overgelegde lijsten van respectievelijk de inboedel van de man (D10) en de gezamenlijk tijdens het huwelijk verworven inboedel (D11). Ook ter mondelinge behandeling op 12 juni 2017 is naar als producties 11, 62 en 63 overgelegde beschrijvingen van inboedel verwezen, aldus het subonderdeel.

Subonderdeel 2.2 voegt hieraan toe dat de overweging van het hof in rov. 5.14 dat de man niet meer vaststelling van de verdeling van de inboedel vordert, maar nog slechts afgifte van de inboedel, onbegrijpelijk is en hiervoor geen grondslag is te vinden in de processtukken. Ook heeft het hof niet aangegeven hoe het tot die conclusie komt. Tijdens de mondelinge behandeling is slechts over de afgifte van de goederen van de man gesproken. Uit het proces-verbaal blijkt dat gesproken is over de afgifte van de goederen van de man, maar niet dat gesproken is over de beschrijving en verdeling van de gezamenlijke, tijdens het huwelijk verworven inboedel, en dus ook niet dat de man niet meer de vaststelling van de verdeling van de inboedel zou vorderen.

2.25

De principale grief 6 van de man luidt als volgt:

Grief 6 Inboedel

Ten onrechte overweegt de rechtbank dat het partijen zou moeten lukken de verdeling van de inboedel zelf overeen te komen. De man heeft slechts enkele truien gekregen en schoenen. De man beschikt daarnaast slechts over de wekker van Hermes, miniatuur deur van Edinburgh, zilveren Dupon wekker en bretels. Daarnaast zou over de rest ook overeenstemming mogelijk zijn, volgens de vrouw, hetgeen ten onrechte wordt gevolgd door de rechtbank. Ten onrechte is aldus niet ingegaan op de lijsten en stukken die zijn ingebracht bij akte 1 november 2014, althans moeten die stukken nu wel als bewijs gelden. In producties 10 vindt u de inbreng voor het huwelijk zoals omschreven op de laatste 2 bladzijdes. In productie 11 vindt u verschillende stukken inclusief bewijzen dat deze van de man zijn, zoals deze zijn opgeslagen in een door vrouw gehuurde box. Daarop moest nota bene zelfs (gedeeltelijk) beslag worden gelegd en er is aangifte gedaan van verduistering van verschillende spullen. De aangifte zal nog ingebracht worden. Het gaat om antiquiteiten, juwelencollectie, pennencollectie, schilderijen, zilveren bestek, zilveren kandelaars, zeventiende en achttiende eeuwse klokken, glaswerkverzameling, bronzen beelden, boeken, televisie radio, CD’s. De waarde hiervan worden geschat op vele honderdduizenden euro’s. Een gespecificeerdere lijst dan reeds is overgelegd in de producties 10 en 11 zal nog in het geding worden gebracht.”

Op deze grief heeft de man het verzoek (onder 5) doen volgen dat “het gedeelte van de inboedel dat aan de man toebehoort wordt overgedragen conform de aangeleverde lijsten.”

2.26

Hierover valt het volgende op te merken. In grief 6 wordt weliswaar gesproken van de verdeling van de boedel, maar in het aansluitende verzoek wordt alléén gevraagd om overdracht van het gedeelte van de in boedel dat aan de man toebehoort (en derhalve niet behoeft te worden verdeeld). In de grief en het verzoek (en óók bij het in de pleitaantekeningen nog opgenomen verzoek om “de afgifte te bevelen van de eigendommen van de man, de huwelijkse boedel, de kostbare juwelencollectie, poppen- en pennenverzameling te laten beschrijven en – zo nodig na het horen van degenen die daarover kunnen verklaren – de verdeling te gelasten”) wordt verwezen naar aangeleverde lijsten (producties 10 en/of 11). Productie 10 betreft, zoals de grief zelf aangeeft, de inbreng voor het (buiten iedere gemeenschap van goederen gesloten) huwelijk, dat derhalve door het huwelijk niet gemeenschappelijk is geworden en dus ook niet hoeft te worden verdeeld. In productie 11 zijn, zoals de grief zelf aangeeft, verschillende stukken opgenomen inclusief bewijzen dat deze van de man zijn.10 De grief geeft ook aan dat deze stukken zijn opgeslagen in een door de vrouw gehuurde box (net als de zaken waarop grief 23 betrekking heeft). Als deze stukken inderdaad van de man zijn, valt ook hier niet in te zien dat deze zouden moeten worden verdeeld, in plaats van slechts afgegeven. Nu alle goederen zich kennelijk in de door de vrouw gehuurde opslagruimte bevinden, heeft het hof in rov. 5.14 ook over al deze goederen geoordeeld, al heeft het dan – gelet op wat in grief 6 over de eigendom van deze goederen wordt gesteld, en gelet op het feit dat een nadere toelichting voorts nagenoeg geheel ontbreekt, terecht – geoordeeld dat deze moeten worden afgegeven in plaats van verdeeld.

In de nog in het subonderdeel (en in het verzoek in de pleitaantekeningen) genoemde producties (D)62 en (D)63 zijn enkele foto’s (van inboedelgoederen) respectievelijk een overzicht van personen die over de inboedel uit de [A-straat 2] kunnen getuigen, overgelegd (in D61 is wederom de lijst met aanbrengsten ten huwelijk van de man overgelegd; in D64 wordt slechts vermeld dat van de oorspronkelijke inboedel in de [D-straat] nog twee witte stoelen en een zwarte koffietafel over zijn en de huidige – schaarse – inboedel is aangeschaft na het uiteengaan). Wat voor inboedelgoederen dit precies betreft, en aan wie ze toebehoren, blijft (grotendeels) onduidelijk. Als het gaat over na het uiteengaan aangeschafte inboedel, zal die in ieder geval niet gemeenschappelijk zijn.

In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 juni 2017 is niet duidelijk terug te vinden of (door de man) ten aanzien van de inboedel over verdeling of afgifte wordt gesproken – al geeft de voorzitter bij aanvang aan dat het gaat over verdeling van opgeslagen inboedel – en aan wie de inboedel toebehoort waarover wordt gesproken. Wel wordt namens de man verklaard dat hij wel zaken wil ophalen als er een beschrijving voorhanden is (p. 9) en namens de vrouw dat zij graag wil dat de man de loods leeghaalt en de man van haar alles mag hebben wat er in zit (p. 10). Er blijkt niet dat het tussen partijen nog om andere inboedel gaat dan die welke – zoals de voorzitter aangaf – staat opgeslagen.

2.27

Al met al kan mijns inziens niet gezegd worden dat het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan deze grief door te overwegen dat de man niet meer de vaststelling van de inboedel vordert, maar afgifte, en de grieven 6 en 23 voornoemd in die zin gelijk te stellen en te behandelen. Het onderdeel faalt.

2.28

Onderdeel 3 richt zich met de subonderdelen 3.1-3.4 tegen de waardering door het hof van de aandelen in de B.V. van de vrouw in rov. 5.27-5.29, en bevat in de subonderdelen 3.5-3.6 hierop voortbouwende klachten tegen rov. 5.12-5.13.

2.29

De voor de eerste subonderdelen relevante rov. 5.27-5.29 gaan in op enkele principale grieven van de vrouw over de waardering van de aandelen in haar B.V. en luiden – voorafgegaan door 5.25-5.26 – als volgt:

“de grieven III-X

5.25

Deze grieven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank ter zake van de waardering van de aandelen in [A] B.V. De rechtbank heeft de waarde van deze aandelen op de peildatum 1 januari 2008 op basis van het deskundigenbericht van drs. P. Hoiting RA RV bepaald op € 830.000,- te verminderen met een AB-claim van € 203.000,- en een latente IB schuld van € 120.000,-, wat resulteert in een te verrekenen bedrag aan de zijde van de vrouw van € 507.000,-. De deskundige heeft de onderneming van [A] B.V. gezien als een onderneming die na de waarderingsdatum nog actief is en de zogeheten APV- waarderingsmethode toegepast met als prognoseperiode 2008-2012. Vervolgens is in verband met de leeftijd van de vrouw en de ingrijpende wijzigingen in de procespraktijk waardoor de activiteiten verlieslatend zijn geworden, de liquidatiewaarde op 31 december 2012 berekend en is de contante waarde daarvan opgenomen in de waarde op de peildatum.

5.26

De grieven komen kort weergegeven erop neer dat de deskundige en in zijn spoor de rechtbank geen oog hebben gehad voor de aard en soort van de werkzaamheden van de B.V. en de persoonlijke kennis en goodwill van de vrouw als bestuurder en enige aandeelhouder en ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat de activiteiten van de B.V. aan derden kunnen worden overgedragen en de waardering ‘going concern’ moet plaatsvinden. De vrouw bepleit toepassing van de liquidatiewaarde van de B.V. op de peildatum. Verder voert de vrouw aan dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de waarde van de B.V. vooral wordt bepaald door een vordering in rekening courant op partijen, waarvan vaststaat dat betaling nimmer mogelijk zal zijn. De vrouw verwijst voor de onderbouwing van haar grieven naar de reactie van E.R. Lankester RA RV bij diens brief van 31 oktober 2014 op het rapport van de deskundige (productie 43 bij de brief van de vrouw aan de rechtbank van 31 oktober 2014) en verwijt de rechtbank dat zij de bevindingen van Lankester niet is gevolgd.

5.27

Het hof stelt voorop dat voor de bepaling van de waarde van aandelen in een B.V. als de onderhavige geen algemeen geldende maatstaf is te geven, omdat deze afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.

Tot die omstandigheden behoren in dit geval:

- [A] B.V. is actief op het gebied van de juridische dienstverlening aan advocatenkantoren die vooral bestaat uit rolwaarnemingen;

- op 1 januari 2008 zijn naast de vrouw drie administratieve medewerkers werkzaam in de B.V.;

- over de jaren 2004 tot en met 2007 bedraagt het resultaat na belasting gemiddeld € 316.500,-;

- op de balansdatum 1 januari 2008 bedraagt het eigen vermogen € 2.817.000,- (inclusief € 20.000,- geplaatst kapitaal);

- in de B.V. is een pensioenvoorziening getroffen die op 1 januari 2008 € 322.000,- bedraagt en op 1 januari 2012 € 363.000,-;

- tot de activa van de B.V. op 1 januari 2008 behoort een vordering in rekening courant op de aandeelhouder van € 2.509.000,-;

- de aandeelhouder heeft geen middelen om die schuld in rekening courant te betalen; dat zou alleen kunnen door uitkering van de vrije reserves en betaling van de daarmee gepaard gaande belasting;

- de overige activa van de B.V. zijn: vaste activa ten bedrage van € 106.000.-, een vordering op [de B.V.] van € 186.000,-, handelsvorderingen/debiteuren van € 527.000,- en liquide middelen van € 242.000,-;

- op 1 januari 2008 is voorzienbaar dat door de afschaffing van het procuraat en de wijzigingen van de competentiegrenzen voor kantonzaken de activiteiten van de B.V. sterk zullen afnemen;

- de vrouw is op 1 januari 2008 61 jaar oud en heeft de exploitatie van de onderneming van de B.V. tot heden toe voortgezet;

- na de peildatum is in 2008 een bruto marge omzet van € 1.532.000,- geboekt en een resultaat na belasting behaald van € 648.000,-; daarna zijn zowel de omzet en de bruto marge daarvan als het resultaat na belasting gestaag afgenomen; in 2012 bedragen deze respectievelijk € 364.000,- en (negatief) € 35.000,-; het resultaat bestaat vooral uit de rente op de vordering in rekening courant op de aandeelhouder; het resultaat voor rente en belastingen is sedert 2010 negatief.

5.28

Voor de waardering van de aandelen is van groot belang of de onderneming van de B.V. op de peildatum overdraagbaar was. Het hof is anders dan de rechtbank en de deskundige van oordeel dat dit niet het geval was. [A] B.V. verrichtte diensten waaraan vanaf 2008 gelet op de ingrijpende wijzigingen in de procespraktijk een sterk verminderde behoefte bestond. Dat was op de peildatum al te voorzien. Dat blijkt niet alleen uit de sterk teruglopende omzet van [A] B.V. na de peildatum maar ook uit de omstandigheid dat andere kantoren dit deel van hun praktijk afstootten met het tijdelijk effect dat de omzet en het resultaat van [A] B.V. over 2008 nog eenmalig toenamen. Het is dan ook niet goed voorstelbaar dat op dat moment voor de onderneming van [A] B.V. nog een koper had kunnen worden gevonden. Voor zover de grieven van de vrouw zich richten tegen het andersluidende oordeel van de rechtbank slagen zij.

5.29

Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat in de gegeven omstandigheden de waarde van de aandelen in [A] B.V. in het economisch verkeer dient te worden bepaald op de liquidatiewaarde en niet zoals de rechtbank heeft gedaan op de going concern waarde. De balans van [A] B.V. op 1 januari 2008 is kenbaar uit het deskundigenrapport. Het hof acht zich voldoende geïnformeerd om zelf de liquidatiewaarde vast te stellen. De activa bedragen in totaal € 3.569.000,-. Het hof gaat ervan uit dat alle activa met uitzondering van de vordering in rekening courant op de aandeelhouder ten bedrage van € 2.509.000,- te gelde worden gemaakt, ook de nog in geding zijnde vordering van € 186.000,- van [A] B.V. op de B.V. van de man. Dat levert een bedrag op van € 1.061.000,-. Daarmee worden de kortlopende en overlopende schulden ten bedrage van € 427.000,- betaald, zodat resteert € 634.000,-. Het hof gaat ervan uit dat de schuld in rekening courant op de peildatum alleen door verrekening met een dividenduitkering te betalen is. De vrij uitkeerbare reserves bedragen € 2.797.000,-. Uitkering daarvan leidt tot een AB-heffing van € 699.000,-. Vervolgens dient de B.V. te zorgen voor afstorting van het pensioen. De voorziening bedraagt € 322.000,-, maar het af te storten bedrag zal naar verwachting hoger zijn dan deze voorziening, Ten slotte zijn er nog liquidatiekosten te voldoen. Het bedrag van € 634.000,- is bij lange na niet toereikend voor de betaling van de AB-heffing, de afstorting van het pensioen en de betaling van liquidatiekosten. Het hof stelt de waarde van de aandelen op 1 januari 2008 dan ook vast op nihil. De grieven III-X slagen.”

2.30

Subonderdeel 3.1 klaagt dat de beslissing in rov. 5.28 dat voor de waardering van de aandelen van groot belang is of de onderneming van de B.V. op de peildatum overdraagbaar was en dat het hof – anders dan de rechtbank en de deskundige – van oordeel is dat dit niet het geval was, en de beslissing in rov. 5.29 dat op grond daarvan in de gegeven omstandigheden de waarde van de aandelen in de B.V. in het economische verkeer dient te worden bepaald op de liquidatiewaarde en niet – zoals de rechtbank heeft gedaan – op de ‘going concern’-waarde, onbegrijpelijk zijn. Het hof heeft volgens het subonderdeel immers niet gemotiveerd waarom het van groot belang acht voor de waardering van de aandelen of de onderneming van de B.V. op de peildatum overdraagbaar was, terwijl ook voortzetting van de onderneming na 1 januari 2008 van groot belang is voor de waardering van de aandelen en even goed als overdraagbaarheid van de onderneming pleit tegen toepassing van de maatstaf van de liquidatiewaarde per 1 januari 2008.

Voorts zijn die beslissingen onbegrijpelijk nu:

- de ‘going concern’- waarde geen waarderingsmaatstaf betreft;

- de rechtbank is uitgegaan van de APV-waarderingsmaatstaf, waarbij voor de waardering is uitgegaan van een fictieve staking van de onderneming in 2012 en de daadwerkelijk gerealiseerde exploitatie over 2008-2012, gebruik makend van de werkelijke resultatenrekeningen en balansen over die periode;

- de deskundige uitsluitend heeft aangegeven dat bij de waardering tegen de peildatum van 1 januari 2008 wordt uitgegaan van “een going concern situatie, waarbij de exploitatie wordt voortgezet tot en met mei 2012”;

- de deskundige en de rechtbank (ook) uitgingen van de staking van de activiteiten, maar dan tegen 2012;

- het hof er op 1 augustus 2017 blijkens rov. 5.17 van uitging dat de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de onderneming waaraan deze is verbonden zijn gecontinueerd.

Volgens subonderdeel 3.2 zijn de beslissingen van het hof in rov. 5.28 en 5.29 ook onbegrijpelijk omdat de vaststellingen die het hof in rov. 5.27 ten grondslag legt aan zijn beslissing om uit te gaan van de niet-overdraagbaarheid van de onderneming op de peildatum en de liquidatiewaarde, geen onderscheidend vermogen hebben bij de keuze tussen liquidatiewaarde of APV-waarderingsmethode als waarderingsmaatstaf. Voorts wordt het uitgangspunt van het hof in rov. 5.28 dat de APV-methode uitsluitend in beeld zou kunnen komen indien de onderneming overdraagbaar was op de peildatum, onbegrijpelijk geacht, nu ook bij niet-overdraagbaarheid van de onderneming op de peildatum de APV-methode toepasbaar is, getuige het feit dat de deskundige op 14 augustus 2014 zijn rapport heeft afgegeven waarin is uitgegaan van de APV-methode, terwijl op dat moment al vaststond dat de onderneming niet was overgedragen op de peildatum en werd uitgegaan van een fictieve staking per 2012.

Subonderdeel 3.3 betoogt aansluitend dat de beslissing om van de liquidatiewaarde uit te gaan, onbegrijpelijk is in het licht van stellingen van de man en de vrouw die erop neerkomen dat (rekening gehouden moet worden met het feit dat) de vrouw de onderneming na de peildatum (volgens de vrouw noodgedwongen) heeft voortgezet, daarmee winst heeft gemaakt en twee of drie medewerkers aan het werk heeft gehouden.

2.31

Bij de beoordeling van deze subonderdelen wordt het volgende vooropgesteld.

2.32

Voor de waardebepaling van (de aandelen in) een onderneming als hier aan de orde bestaat, zoals ook het hof in rov. 5.27 opmerkt, geen vaste of algemeen geldende maatstaf.11 Het Burgerlijk Wetboek noch het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevatten richtlijnen voor de waardebepaling van vermogensbestanddelen en ook in het algemeen bestaat er geen eenduidige waarderingsmethode voor de bepaling van de waarde van een onderneming12, maar verschillende waarderingsmethoden die tot verschillende resultaten (kunnen) leiden. Als partijen daaromtrent van mening verschillen, is het derhalve aan de feitenrechter om een keuze te maken tussen deze verschillende methoden, waarbij hem een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Zijn oordeel hierover is in cassatie niet op juistheid te toetsen, maar dient wel voldoende te zijn gemotiveerd.13

Zijn keuze is daarmee (mede) afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Bij de keuze van een waarderingsmethode mag de rechter acht slaan op de omstandigheid dat de onderneming wordt voortgezet na de peildatum die is bepaald voor de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk. Voorts mag de rechter bij zijn keuze voor de waarderingsmaatstaf betekenis toekennen aan hetgeen partijen daaromtrent naar voren hebben gebracht.14 In het algemeen kunnen de tussen partijen geldende eisen van redelijkheid en billijkheid bij de waardebepaling een rol spelen. Zo kan de rechter bijvoorbeeld tot het oordeel komen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat één van beide partijen uit hoofde van een verrekenbeding ten aanzien van het bedrijf van de andere partij, omdat de broodwinning van die andere partij afhankelijk is van het voortbestaan van dat bedrijf, niet meer krijgt dan hetgeen deze partij met behulp van het bedrijfsvermogen kan financieren zonder het bedrijf buiten staat te stellen een eventuele matige tegenslag in de naaste toekomst te overleven.15

2.33

De keuze van het hof om voor de bepaling van de waarde van de B.V. van de vrouw – anders dan de rechtbank en de deskundige – uit te gaan van de liquidatiewaarde, heeft het hof gegrond op zijn – van rechtbank en deskundige afwijkende16, en in cassatie als zodanig niet bestreden – oordeel dat de onderneming van de B.V. op de peildatum niet overdraagbaar was, nu niet goed voorstelbaar is dat op dat moment voor de onderneming nog een koper had kunnen worden gevonden. Dit oordeel heeft het hof gemotiveerd door erop te wijzen dat aan de door de B.V. verrichte diensten vanaf 2008 gelet op de ingrijpende wijzigingen in de procespraktijk een sterk verminderde behoefte bestond, dat dit op de peildatum al te voorzien was, en dat dit niet alleen blijkt uit de sterk teruglopende omzet van de B.V. na de peildatum maar ook uit de omstandigheid dat andere kantoren dit deel van hun praktijk afstootten met het tijdelijk effect dat de omzet en het resultaat van B.V. over 2008 nog eenmalig toenamen. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat het hof in rov. 5.27 – in cassatie overigens onbestreden – al had vastgesteld dat de B.V. actief is op het gebied van de juridische dienstverlening aan advocatenkantoren die vooral bestaat uit rolwaarnemingen en dat op 1 januari 2008 voorzienbaar was dat door de afschaffing van het procuraat en de wijzigingen van de competentiegrenzen voor kantonzaken de activiteiten van de B.V. sterk zouden afnemen. Hieruit blijkt dat het hof niet alleen rekening heeft gehouden met de onoverdraagbaarheid van de B.V. op de peildatum, maar ook meer in het algemeen met een sterk teruglopende omzet die de onderneming al snel na de peildatum (absoluut gezien in 2012, maar gelet op het feit dat het resultaat vooral bestaat uit de rente op de vordering in rekening courant op de aandeelhouder, die deze bovendien niet uit eigen middelen kan betalen, in feite al in 2010, zie rov. 5.27 laatste gedachtestreepje) verliesgevend zou maken.

2.34

Mijns inziens heeft het hof daarmee zijn keuze voor de door hem te hanteren waarderingsmethode voldoende gemotiveerd, en is die keuze derhalve niet onbegrijpelijk.

De overdraagbaarheid van de onderneming is in het algemeen een factor die de keuze voor een waarderingsmethode (mede) kan bepalen, zoals ook wel blijkt uit het advies van de deskundige (die deze factor zelf in dit geval echter anders heeft ingeschat, zie hiervoor rov. 2.14 van de eindbeschikking van de rechtbank). Als een onderneming niet overdraagbaar is vanwege onder meer een sterk teruglopende omzet tot op het punt dat de onderneming snel verliesgevend zal worden, zoals het hof heeft overwogen, en dus ook bij voortzetting van de onderneming (zonder overdracht) logischerwijs snel verliesgevend zal worden, ligt het niet erg voor de hand om een methode te kiezen waarbij de waardering geschiedt op basis van de waarde van een op dezelfde voet voortgezette onderneming (zoals het hof hier niet onbegrijpelijk met (een methode met bepaling op) ‘going concern’-waarde aanduidt). Integendeel, het is in dat geval verre van onlogisch om uit te gaan van de liquidatiewaarde van de onderneming. Dat heeft het hof niet nader hoeven motiveren. Dat op basis van één of meerdere van de factoren die het hof in aanmerking heeft genomen, ook een andere keuze mogelijk kan zijn geweest, vormt op zich nog geen reden om het oordeel van het hof onbegrijpelijk te maken. Het hof komt hier immers een ruime beoordelingsvrijheid toe. Het hoeft daarbij geen volkomen sluitende motivering te geven, die de toepassing van elke andere waarderingsmethode uitsluit, maar slechts een voldoende motivering voor de waarderingsmethode die het toepast. Het hof heeft in zijn oordeel op relevante punten anders geoordeeld dan de rechtbank, waarmee het de keuze voor een andere waarderingsmethode rechtvaardigt. Het hof heeft ten slotte niet miskend dat de vrouw de onderneming na de peildatum heeft voortgezet17 (zie ook rov. 5.27, een na laatste gedachtestreepje), daarmee (op papier) nog enige tijd winst heeft behaald (zie ook rov. 5.27, laatste gedachtestreepje), en enige medewerkers aan het werk heeft gehouden (zie ook rov. 5.27, tweede gedachtestreepje), ondanks dat naar zijn oordeel voorzienbaar was dat deze na de peildatum (in werkelijkheid, en later ook op papier) snel verliesgevend zou worden (en ook is geworden) en derhalve tussen partijen ten aanzien van deze onderneming op basis van liquidatiewaarde moest worden afgerekend. Onder die omstandigheden heeft het hof immers kunnen oordelen dat de voortzetting door de vrouw van de onderneming aan een dergelijke waardering niet in de weg stond.18

2.35

Op het voorgaande stuiten de subonderdelen 3.1-3.3 af.

2.36

Subonderdeel 3.4 klaagt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door aan zijn oordeel in rov. 5.28 – dat de onderneming niet-overdraagbaar is en dat niet goed voorstelbaar is dat een koper voor de onderneming kon worden gevonden – de omstandigheid ten grondslag te leggen dat andere kantoren dit deel van hun praktijk afstootten met het tijdelijk effect dat de omzet en het resultaat van de B.V. over 2008 nog eenmalig toenam, terwijl geen der partijen deze stellingen heeft geponeerd. Ook klaagt het dat de deskundige heeft vermeld dat de resultaten in 2008 en 2009 mede zijn ontstaan doordat de B.V. werkzaamheden heeft overgenomen van andere kantoren.

2.37

Bedoelde stelling is niet alleen niet gegrond op deze omstandigheid, maar op de – ook in 5.27, twee na laatste gedachtestreepje, door het hof vastgestelde – in cassatie onbestreden omstandigheid dat aan de door de B.V. verrichte diensten vanaf 2008 gelet op de ingrijpende wijzigingen in de procespraktijk een sterk verminderde behoefte bestond en dit op de peildatum al te voorzien was, waarbij het hof de hier bedoelde omstandigheid slechts (als één van twee omstandigheden) ter illustratie heeft genoemd – zodat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag ontbeert – maar voorts kan nog worden opgemerkt dat de omstandigheid ook door de deskundige in zijn rapport naar voren is gebracht (deskundigenbericht onder 4.2), waarop partijen niet alleen in eerste aanleg (rov. 1.5.11 van de eindbeschikking van de rechtbank) maar ook in hoger beroep nogmaals hebben kunnen reageren (hetgeen de vrouw ook in de door haar overgelegde productie 43 met verwijzing naar deze omstandigheid heeft gedaan (p. 3 bovenaan), aan welke productie zij in haar brief aan de rechtbank van 31 oktober 2014 (p. 5) refereert) – zodat deze onderdeel van de rechtsstrijd is geworden – terwijl ten slotte verdedigbaar is dat het hier een feit van algemene bekendheid betreft. Om al deze redenen dient het subonderdeel te falen. Genoemde opmerking van de deskundige – dat ook het resultaat in 2009 mede is ontstaan door overname van werkzaamheden – wil nog niet zeggen dat omzet en resultaat in dat jaar ook nog zijn toegenomen. Integendeel het hof heeft in rov. 5.27, laatste gedachtestreepje, (in cassatie wederom onbestreden) vastgesteld dat na 2008 zowel de omzet en de bruto marge daarvan als het resultaat na belasting gestaag zijn afgenomen, en spreekt ook in rov. 5.28 van “de sterk teruglopende omzet van [A] B.V. na de peildatum”.

2.38

Subonderdeel 3.5 bevat een op het voorgaande voortbouwende klacht over rov. 5.12, die gelet op het falen van de overige subonderdelen, niet kan slagen. Het tegen de in rov. 5.13 ten overvloede door het hof gegeven overweging gerichte subonderdeel 3.6 kan dan ook niet slagen.

2.39

Onderdeel 4 betreft het in rov. 5.30 door het hof gegeven oordeel over de in het kader van pensioenverevening door de man gevraagde pensioenafstorting dan wel jaarlijkse pensioenbetaling door de vrouw en/of haar B.V., naar aanleiding van de door de vrouw in haar principaal appel aangevoerde grieven IX-XIV. Voorts betreft het het in rov. 5.17 door het hof gegeven oordeel over de door de man gevraagde pensioenafstorting, naar aanleiding van de door de man in zijn principaal appel aangevoerde grief 9.

De rechtbank had in dit kader het verzoek van de man tot afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van de in de B.V. van de vrouw opgebouwde pensioenvoorziening tot een bedrag van € 565.023,00 per 1 mei 2014, afgewezen, omdat zij uit de bevindingen van de deskundige afleidde dat de onderneming hiertoe niet in staat kon worden geacht, en voorts overwogen dat een en ander naar haar oordeel niet wegneemt dat de B.V. gehouden is het in de B.V. opgebouwde pensioen te verevenen en dat de man derhalve recht heeft op de helft van het in de B.V. opgebouwde pensioen met ingang van de dag dat de vrouw 65 jaar oud is geworden, te weten 24 mei 2011, welke uitkering door de man onbestreden is begroot op € 16.289,- per jaar (rov. 2.43 van de eindbeschikking). In het dictum is over het onderwerp van de pensioenverevening niets opgenomen, anders dat dan daarin het meer of anders gevorderde is afgewezen.

2.40

De overwegingen van het hof in rov. 5.17 luiden als volgt:

“grief 9

5.17

Deze grief komt erop neer dat – althans zo begrijpt het hof deze onduidelijk geformuleerde grief – de vrouw als bestuurder en enig aandeelhouder van [A] B.V. in staat is te zorgen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de man toekomende deel van de pensioenaanspraak. Naar het oordeel van het hof is uit de stukken die in het geding zijn gebracht ten aanzien van [A] B.V. gebleken dat er niet alleen op dit moment, maar al langer onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn om de afstorting te realiseren. Het hof verwijst verder naar zijn overwegingen hierna in 5.25-5.29 ten aanzien van de waardering van de aandelen in [A] B.V. Bovendien staat naar het oordeel van het hof vast dat de voor afstorting benodigde liquide middelen ook niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de onderneming waaraan deze is verbonden in gevaar te brengen. Het hof baseert dat oordeel op het antwoord van de deskundige op de vraag van de rechtbank of [A] B.V. in staat is tot afstorting van het aan de man toekomende deel van het pensioen op pagina 30 van het rapport:

In het waarderingsscenario wordt geen rekening gehouden met de substantiële, ongedekte onttrekkingen door de aandeelhouder in 2008 en 2000 (ruim € 1.1 mln.). In werkelijkheid hebben deze onttrekkingen wel plaatsgevonden. Daardoor is de vennootschap op dit moment niet in staat tot afstorting van het aan de man toekomend deel over te gaan.”

Het hof neemt dit oordeel van de deskundige over. Daarbij kan in het midden blijven of de bedoelde onttrekkingen zijn gedaan ten behoeve van kosten van aan partijen gezamenlijk toebehorende registergoederen, zoals de vrouw stelt, of aan huizen die eigendom van de vrouw alleen zijn, zoals de man stelt. De bestemming van de onttrokken bedragen is immers niet relevant voor de vraag of [A] B.V. in staat is tot afstorting over te gaan. Grief 9 faalt.”

En die in rov. 5.30 als volgt:

“de grieven XI-XIV

5.30

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is [A] B.V. niet in staat tot afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de man toekomende deel van de pensioenaanspraak. Het hof zal aldus bepalen. In zoverre slagen deze grieven. Dat [A] B.V. niet in staat is tot afstorting doet geen afbreuk aan het recht op pensioenvervening [pensioenverevening, AG] van de man en de voor partijen en [A] B.V. als pensioenuitvoerder uit de Wet [verevening AG] pensioenrechten bij scheiding voortvloeiende rechten en verplichtingen. Het hof ziet in de gegeven omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man zich beroept op zijn recht tot pensioenverevening en de daaruit voortvloeiende uitkeringen/betalingen. Daarvoor is van doorslaggevend belang dat naar het oordeel van het hof niet is komen vast te staan dat de man door het doen van opnames [A] B.V. heeft leeggegeten (zoals de vrouw stelt) en vervolgens van diezelfde [A] B.V. ook nog eens betaling van pensioen verlangt. De man betwist deze stelling. Bovendien komt uit de stukken naar voren dat de vrouw sedert 2008 omvangrijke bedragen in rekening-courant heeft opgenomen of doen opnemen, terwijl zij zelf niet beschikte noch beschikt over de middelen deze schuld in rekening-courant te vereffenen. Het was aan haar als bestuurder en enig aandeelhouder van [A] B.V. om zoveel mogelijk ervoor te zorgen dat de vennootschap de pensioentoezegging te zijner tijd zou kunnen nakomen. Zij had zich dienen te onthouden van het doen of toestaan van deze onttrekkingen in rekening courant nu mede daardoor en door de daaraan inherente (fiscale) risico’s het gestand doen van de pensioentoezegging onmogelijk is gemaakt. In zoverre falen de grieven XI-XIV.”

Het hof heeft vervolgens in zijn dictum naar aanleiding van het principale appel van de vrouw opgenomen:

“[Het hof] bepaalt voorts dat [A] B.V. niet in staat is tot afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de man toekomende deel van de pensioenaanspraak;”

2.41

Subonderdeel 4.1 klaagt dat het hof hiermee heeft miskend dat de pensioenverevening een bestaande, actuele pensioenverplichting is en dat het ex nunc recht had moeten doen op de grieven en verzoeken van de man en de vrouw, en niet heeft kunnen verwijzen naar de status quo op de datum van de rapportage van de deskundige (14 juli/augustus 2014), doch recht had moeten doen naar de meest recente hem bekende situatie waarbij het hof er op 1 augustus 2017 blijkens rov. 5.17 van uitgaat dat de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de onderneming waaraan deze is verbonden, zijn gecontinueerd. Volgens subonderdeel 4.2 zijn de beslissingen van het hof in rov. 5.17 en 5.30 ten aanzien van de pensioenafstorting onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van de man dat door de man is aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de B.V. van de vrouw langer is doorgegaan, dat de vrouw het afgelopen jaar met haar B.V. twee ton winst heeft gemaakt, dat de vrouw heeft aangegeven te stoppen met haar B.V. doch dit niet heeft gedaan, dat de vrouw heeft erkend dat zij is doorgegaan met haar bedrijf en dat de vrouw heeft erkend dat zij op dit moment werk heeft om twee mensen op het kantoor aan het werk te houden, en zijn deze beslissingen voorts onbegrijpelijk in het licht van het feit dat het hof er op 1 augustus 2017 blijkens rov. 5.17 zelf van uitgaat dat de onderneming is voortgezet, omdat het immers heeft beslist dat de continuïteit van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de onderneming waaraan deze is verbonden in gevaar zou worden gebracht.

2.42

Ik begrijp de subonderdelen als volgt, namelijk dat de man meent dat het hof bij het geven van zijn oordeel inzake de pensioenafstorting rekening had moeten houden met de door de man aangevoerde, op de situatie ten tijde van de mondelinge behandeling van 12 juni 2017 betrekking hebbende, stellingen als bedoeld in subonderdeel 4.2 en van de uit de beschikking van het hof blijkende omstandigheid dat de onderneming ook op 1 augustus 2017 nog werd voortgezet.

2.43

Het onderdeel kan niet slagen. Het hof heeft immers in rov. 5.27, laatste gedachtestreepje, in cassatie onbestreden vastgesteld dat het resultaat na 2008 vooral bestaat uit de rente op de (niet inbare) vordering in rekening courant op de aandeelhouder en het resultaat voor rente en belastingen sedert 2010 negatief is (een en ander overigens conform het in eerste aanleg gegeven deskundigenbericht en conform hetgeen de vrouw ook op de door de man aangehaalde vindplaats van haar in het subonderdeel bedoelde stellingen in 2017 nog heeft aangevoerd). In dat licht konden de door de man aangevoerde stellingen, en het voortzetten van de onderneming tot in ieder geval 1 augustus 2017, niet, althans niet zonder enige nadere toelichting, die daarbij ontbreekt, in de weg staan aan het oordeel van het hof. Daarbij wordt nog afgezien van het feit dat de man voor de door hem bedoelde stellingen slechts verwijst naar vindplaatsen in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 juni 2017, en derhalve naar stellingen die, het onderdeel volgende, pas ter mondelinge behandeling zijn ingenomen. Bovendien heeft het hof in rov. 5.17 met zoveel woorden overwogen dat hem uit de stukken die ten aanzien van de B.V. in het geding zijn gebracht, gebleken is dat er niet alleen op dit moment, maar al langer onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn om de afstorting te realiseren. Daarmee ontvalt ook de grond aan de – eventueel ook los van de door de man genoemde stellingen aangevoerde – klacht dat niet ex nunc zou zijn geoordeeld over de pensioenafstorting.

2.44

Subonderdeel 4.3 klaagt dat de overweging van het hof in rov. 5.30 dat “het gestand doen van de pensioentoezegging onmogelijk is gemaakt”, onbegrijpelijk is, nu het hof uitsluitend heeft vastgesteld dat de B.V. niet in staat is tot afstorting bij een externe pensioenverzekeraar. Daarmee is echter niet gezegd dat het gestand doen van de pensioentoezegging onmogelijk is gemaakt, omdat een pensioentoezegging ook op andere wijzen kan worden nagekomen, zoals de door de rechtbank (in rov. 2.43 van haar eindbeschikking) geconstateerde wijze en de door de man meer subsidiair verzochte wijze waarbij jaarlijks een bedrag van € 16.289,- wordt uitgekeerd. Indien en voor zover het hof heeft bedoeld dat ook een dergelijke jaarlijkse uitkering onmogelijk is gemaakt, is zijn beslissing onbegrijpelijk, nu het hof niet heeft gemotiveerd waarom ook een dergelijke jaarlijkse uitkering onmogelijk is gemaakt.

2.45

Mijns inziens blijkt uit rov. 5.30 duidelijk dat het hof van oordeel is dat de vrouw en haar B.V. – ondanks dat deze laatste niet in staat is tot afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de man toekomende deel van de pensioenaanspraak – nog altijd wel verplicht zijn om hun uit de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding voortvloeiende verplichtingen jegens de man tot pensioenverevening, met de daaruit voortvloeiende uitkeringen/betalingen, na te komen, en dat ook de redelijkheid en billijkheid hieraan niet in de weg staan. Daarmee heeft de man bij zijn klacht geen belang. Het hof heeft in het dictum ook niet opgenomen dat de door de man bedoelde jaarlijkse uitkering onmogelijk is (gemaakt), zeker niet voor de toekomst, maar daarin slechts bepaald dat de B.V. niet in staat is tot afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de man toekomende deel van de pensioenaanspraak. Het subonderdeel houdt voorts geen klacht in dat het hof niet heeft beslist op het door het subonderdeel genoemde meer subsidiaire verzoek van de man, zodat ook op die grond niet tot cassatie kan worden geconcludeerd.

2.46

Alle onderdelen van het principale cassatieberoep falen derhalve.

3 Bespreking van het incidentele cassatieberoep

3.1

Ook de vrouw heeft, in incidenteel cassatieberoep, met twee onderdelen klachten tegen de beschikking van het hof naar voren gebracht.

3.2

Onderdeel I is gericht tegen rov. 5.42. Hierin behandelt het hof de incidentele grief 17 van de man. Deze grief luidde als volgt:

Incidentele Grief 17

De [A-straat I] en [A-straat II] werden anti kraak bewoond. De gebruiksvergoeding daarvan werden door de vrouw opgestreken. Eerst werd dat per bank betaald, daarvan zijn twee afschriften. Daarna is dit contant gegaan. De bewoners kunnen dat verklaren, De opbrengst van 64 huis en I was € 1.500,00 per maand. Voor nummer II hoog is de gebruiksvergoeding niet bekend. De vergoeding moet voor de helft worden betaald door de vrouw vanaf peildatum, 1 januari 2008. De bewoners zijn vertrokken per 1 september 2014, net vóór de verkoop in november en december 2014. De vordering die hieruit ontstaan is de helft van €1.500,00 maal zes jaren en acht maanden (80 maanden maal € 750,00), € 60.000,00. De gebruiksvergoeding voor 62 2 hoog is onbekend.”

De vrouw heeft hier in haar verweerschrift in incidenteel appel19 als volgt op gereageerd:

Ad incidentele grief 17

24. Ook hier geldt dat de man behoorlijk dient te procederen: tegen welke overwegingen en in welke beslissing grieft de man nu eigenlijk?

De losse flodder: de bewoners kunnen dat verklaren, is typerend voor de wijze waarop de man al zijn schrifturen inricht. De vrouw verzoekt uw Hof aan deze grief voorbij te gaan.”

In rov. 5.42 oordeelt het hof over deze grief ten slotte als volgt:

“grief 17

5.42

De man verzoekt de vrouw te veroordelen tot het afdragen van de helft van de gebruiksvergoeding voor de [A-straat I] voor de periode van 1 januari 2008 tot 1 september 2011 ten bedrage van € 60.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verschuldigdheid en de gebruiksvergoeding van de [A-straat II] te begroten bij staat dan wel in goede justitie te bepalen. De vrouw voert geen inhoudelijk verweer tegen dit verzoek. Zij gaat niet in op de stellingen van de man. Zij vraagt zich af tegen welke beslissing de man grieft. Het hof ziet deze grief als een in hoger beroep toelaatbare vermeerdering van zijn verzoek. In echtscheidingsprocedures staat het elk van partijen vrij in hoger beroep het treffen van nieuwe nevenvoorzieningen te verzoeken. Bij gebreke van een inhoudelijke en gemotiveerde betwisting van de stellingen van de man door de vrouw zal het hof dit verzoek toewijzen. Het hof gaat ervan uit dat partijen in staat zijn aan de hand van de administratie de gebruiksvergoeding van de [A-straat II] te (laten) bepalen. Grief 17 van de man slaagt.”

3.3

De klachten van dit onderdeel houden onder 1 in dat het hof de vrouw, gelet op haar verweer dat voor haar niet duidelijk is waartegen deze ‘grief’ zich richt, ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zich hierover (nader) uit te laten toen het hof voornemens was deze grief als een toelaatbare eiswijziging aan te merken.

3.4

Deze klacht kan niet slagen. Met de grief van de man – hoewel deze niet is gericht tegen een specifiek overweging en/of beslissing van het hof, maar een vermeerdering van zijn verzoek in hoger beroep inhoudt, die volgens het hof is toegelaten (tegen welke toelating in cassatie niet wordt opgekomen) – verzoekt hij duidelijk om toewijzing van een aan hem te betalen bedrag aan gebruiksvergoeding met betrekking tot de [A-straat I] . Het hof heeft derhalve kunnen oordelen, zoals het kennelijk heeft gedaan, dat de vrouw uit de grief heeft moeten kunnen begrijpen dat de man daarmee de bedoelde vermeerdering van zijn verzoek heeft willen doen. In dat geval mocht ook van de vrouw worden verwacht dat zij hierop inhoudelijk in haar verweerschrift in incidenteel appel zou ingaan. Het hof heeft de vrouw dan ook niet in de gelegenheid hoeven stellen zich hierover (nader) uit te laten toen het hof voornemens was deze grief als een toelaatbare eiswijziging aan te merken, alleen maar omdat de vrouw heeft gesteld dat haar niet duidelijk was tegen welke overwegingen en beslissing de man grieft en/of dat de man niets meer stelt dan dat de bewoners hierover kunnen verklaren.

3.5

De klachten van het onderdeel houden onder 2 in dat althans het impliciete oordeel van het hof dat het (kennelijk) van de vrouw gevergd kon worden in incidentele grief 17 een toelaatbare vermeerdering van het verzoek van de man te lezen, en daarop in haar verweerschrift in incidenteel appel te reageren, onbegrijpelijk is. Uit het procesverloop blijkt immers dat de man in eerste aanleg (uitsluitend) een gebruiksvergoeding ter zake [A-straat 2] had gevorderd, en niet (ook) ter zake [A-straat I] . Door een grief te richten tegen het rechtbankvonnis en niet te vermelden dat hij zijn verzoek vermeerderde, heeft de man de vrouw op het verkeerde been gezet. Dit is eens te meer het geval, nu de man bij de mondelinge behandeling uitsluitend heeft gesproken over de door hem verzochte gebruiksvergoeding ter zake de voormalige echtelijke woning ( [A-straat 2] ), en uit het proces-verbaal blijkt dat niet is gesproken over het toekennen van een gebruiksvergoeding ter zake [A-straat I] .

3.6

Ook (alleen) om de reden dat de man zijn vermeerdering van verzoek (slechts) als grief heeft aangeduid, kan het oordeel van het hof niet als onbegrijpelijk worden aangemerkt. Daarbij moet bovendien in aanmerking worden genomen dat onder een grief moet worden verstaan elke grond die wordt aangevoerd ten betoge dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd.20 Als grief moet daarom ook worden aangemerkt een verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep indien toewijzing daarvan zou meebrengen dat het dictum van het beroepen vonnis (beschikking) door een ander moet worden vervangen zodat het vonnis (de beschikking) vernietigd moet worden. Wat betreft de [A-straat 2] heeft de man voorts – zoals ook het onderdeel vaststelt – de kwestie omtrent de gebruiksvergoeding voorgelegd in een separate grief (zijn principale grief 1.2), zodat het de vrouw ook om die reden duidelijk moest zijn dat het hier twee verschillende kwesties betrof. Dat ter mondelinge behandeling de ene kwestie wel aan de orde is gekomen, en nader is toegelicht, en de andere kwestie niet, kan daaraan niet afdoen.

3.7

De klachten van het onderdeel houden ten slotte onder 3 in dat het oordeel van het hof dat de vrouw de stellingen van de man die hij ten grondslag legt aan de vermeerdering van zijn verzoek niet inhoudelijk en gemotiveerd heeft betwist, onbegrijpelijk is. De vrouw heeft immers aangegeven dat de man onvoldoende stelt voor toewijzing van de door hem gevorderde gebruiksvergoeding, nu hij slechts aangeeft “de bewoners kunnen dat verklaren”, maar – dus – verder zijn stellingen op geen enkele wijze met stukken onderbouwt. Bovendien heeft de vrouw gesteld dat alleen zij rente heeft betaald over de hoofdschuld bij de ABN AMRO vanaf de peildatum van 1 januari 2008 tot 1 augustus 2011, terwijl de man nog heel lang de volledige huur van de [A-straat III] ontvangen heeft.

3.8

Ook deze klacht faalt. Het door de vrouw aangevoerde kan niet worden gelezen als een (inhoudelijke en gemotiveerde) betwisting van de stellingen die de man aan zijn vermeerderde verzoek ten grondslag heeft gelegd. Dat de vrouw heeft aangegeven dat de man slechts aanvoert dat hij bewijs kan leveren van (een deel van) die stellingen (kennelijk bedoelt de vrouw te zeggen: maar dit niet doet), is daarvoor onvoldoende. Het houdt immers überhaupt geen betwisting in van de stellingen van de man, maar hoogstens een betwisting van het feit dat hij die stellingen zou kunnen bewijzen, terwijl bewijsvoering niet aan de orde is (gelet op de tweede volzin van art. 149 lid 1 Rv. in beginsel ook niet aan de orde mag komen) als een voldoende betwisting ontbreekt. De vrouw heeft ook niet aangevoerd dat de man onvoldoende heeft gesteld voor toewijzing van de door hem gevorderde gebruiksvergoeding (en ook zonder meer valt niet in te zien dat de man zijn verzoek – nog los van enige betwisting – reeds onvoldoende zou hebben onderbouwd). Een onderbouwing met stukken is daarvoor in ieder geval niet zonder meer vereist. Genoemde stellingen van de vrouw – dat de vrouw van 1 januari 2008 tot 1 augustus 2011 alleen de rente heeft betaald over de hoofdschuld en dat de man nog heel lang de volledige huur van de [A-straat III] ontvangen heeft – kan niet afdoen aan het verzoek van de man om een gebruiksvergoeding voor de [A-straat I] en [A-straat II] , maar zou hooguit kunnen leiden tot een bepaalde verrekening van aan elkaar verschuldigde bedragen.

3.9

Onderdeel II betreft wederom de kwestie van de pensioenverevening en keert zich tegen de overweging in – de hierboven onder 2.40 reeds geciteerde – rov. 5.30 dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is dat de man zich beroept op zijn recht op pensioenverevening en de daaruit voortvloeiende uitkeringen/betalingen, op grond waarvan het hof in het dictum het verzoek van de vrouw afwijst om te bepalen dat de B.V. niet in staat is het gereserveerde pensioen (kennelijk: niet in enige vorm, ook niet anders dan door afstorting) te betalen en de directeur-grootaandeelhouder van de onderneming (de vrouw) niet tot verevening van enig pensioen met de man verplicht of gehouden is. Dat oordeel is volgens het onderdeel onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd, nu het hof hiermee heeft miskend dat (i) uitgangspunt is dat echtgenoten in gelijke mate aanspraak kunnen maken op het pensioen dat gedurende het huwelijk door één van hen is opgebouwd, en (ii) de vrouw heeft gesteld dat zij géén pensioen ontvangt, de B.V. geen pensioen kan betalen en het hof ook in rov. 5.30 aanneemt dat de pensioentoezegging niet gestand kán worden gedaan. De omstandigheden die het hof in rov. 5.30 noemt, kunnen niet rechtvaardigen dat de man wél aanspraak op (een deel van) zijn helft van het pensioen zou kunnen maken, terwijl de vrouw niet (een deel van) haar helft ontvangt. Immers, een ‘dekkingstekort’ in de B.V. tussen de ex-partners moet worden verdeeld, ook indien het dekkingstekort zou zijn ontstaan als gevolg van verwijtbaar handelen van de directeur-grootaandeelhouder, aldus het onderdeel met verwijzing naar HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:693, NJ 2017/237 m.nt. S.F.M. Wortmann, PJ 2017/87 m.nt. W.P.M. Thijssen.

3.10

Het hof heeft hier het uitgangspunt van het onderdeel – dat als de pensioengerechtigde zelf geen pensioen ontvangt omdat de pensioeninstelling in de onmogelijkheid tot uitkering daarvan verkeert, de partner die op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: de Wet) recht zou hebben op pensioenverevening, dit dan ook niet zou hebben, (kennelijk, het onderdeel volgende) omdat dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn – niet miskend. Het hof heeft echter in ieder geval in het onderhavige geval waarin

- de pensioenopbouw door de B.V. van de vrouw in eigen beheer en onder haar verantwoordelijkheid heeft plaatsgevonden,

- de onmogelijkheid van pensioenuitkering is veroorzaakt doordat de vrouw sedert 2008 omvangrijke bedragen in rekening-courant uit de B.V. heeft opgenomen of doen opnemen terwijl zij zelf niet beschikte noch beschikt over de middelen deze schuld in rekening-courant te vereffenen, en niet is komen vast te staan dat de man hieraan schuld heeft gehad, terwijl de nakoming te zijner tijd van de pensioentoezegging door de vennootschap (het zoveel mogelijk voorkomen dat daarbij een dergelijk ‘dekkingstekort’ ontstaat) wél tot de verantwoordelijkheden van de vrouw als bestuurder en enig aandeelhouder behoorde,

geoordeeld dat dit anders ligt (of kan liggen). Daarmee is over de algemene juistheid van een dergelijk, door het onderdeel verdedigd uitgangspunt echter nog niets gezegd. Ook acht ik het oordeel van het hof daarmee voldoende gemotiveerd, ook in het licht van de beschikking21 waarnaar het onderdeel verwijst.

Die beschikking betreft op zich een soortgelijke situatie als hier aan de orde. Het kapitaal in de B.V. van één van de echtgenoten (de vrouw), welke B.V. in eigen beheer pensioenopbouw voor deze echtgenoot verzorgde, was voor de gedane pensioentoezegging ontoereikend, maar met dit verschil dat het tekort daar niet was veroorzaakt door niet terug te betalen onttrekkingen aan de B.V. door de echtgenoot die daarvan bestuurder en enig aandeelhouder was, maar doordat in verband met art. 3.29 Wet IB 2001 (die een rekenrente voorschrijft van ten minste 4%, terwijl de marktrente in de daar relevante periode sterk was gedaald) de fiscale pensioenreserve voor volledige afstorting onvoldoende was (een verschijnsel dat mede aanleiding is geweest voor de totstandkoming van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen, Stb. 2017, 115). De Hoge Raad heeft in die situatie (waarbij de heersende marktrente tot uitgangspunt dient te worden genomen) overwogen dat indien op het tijdstip van scheiding onvoldoende kapitaal in de B.V. aanwezig is om én het aandeel van de tot verevening gerechtigde echtgenoot af te storten én voldoende kapitaal in de vennootschap achter te laten om de met het aandeel van de tot verevening verplichte echtgenoot corresponderende pensioenaanspraak te dekken, het tekort in beginsel zal moeten worden gedeeld, evenredig met de verhouding waartoe de verevening overeenkomstig de Wet leidt (rov. 3.4.5). De Hoge Raad heeft aldus geoordeeld omdat het recht op pensioenverevening blijkens de regeling in de Wet berust op het uitgangspunt dat echtgenoten in gelijke mate aanspraak kunnen maken op het pensioen dat gedurende de deelnemingsjaren tussen huwelijkssluiting en het tijdstip van scheiding door een van hen is opgebouwd, en dus evenredig met de duur van het huwelijk (rov. 3.4.2), dat dit wettelijke uitgangspunt onverkort van toepassing is indien een verplichting tot afstorting van het voor het aandeel van de ander benodigde kapitaal bij een externe pensioenverzekeraar bestaat, en omdat alleen aldus (dus met de in rov. 3.4.5 bedoelde verdeling van het tekort) voldoende recht gedaan wordt aan het uitgangspunt dat de aanspraken van partijen (zoveel mogelijk) in dezelfde mate zijn verzekerd.

Afgezien van het feit dat de in deze beschikking aan de orde zijnde zaak het tekort aan kapitaal in het kader van een (volledige) afstorting van het aandeel van de man bij een externe verzekeraar betrof (die in de onderhavige zaak niet meer aan de orde is) – en uit die zaak niet blijkt of er ook sprake van was dat de B.V. en/of de vrouw ook een periodieke uitkering van het aan de beide echtgenoten toekomende pensioen feitelijk niet kon(den) verrichten – was, - mijns inziens belangrijker- in die zaak géén sprake van een situatie waarin kon worden gezegd dat de B.V. en/of zijn bestuurder en enig aandeelhouder door eigen toedoen de situatie heeft/hebben veroorzaakt waarin de voorheen bestaande pensioenvoorziening ontoereikend is geworden en de pensioenverplichtingen (op het tijdstip van scheiding) niet meer (volledig), of zelfs in het geheel niet meer kunnen worden nagekomen. Dat acht ik een belangrijk verschil, dat het oordeel van het hof kan rechtvaardigen om het in de beschikking van de Hoge Raad genoemde beginseluitgangspunt (althans een daarmee vergelijkbaar uitgangspunt voor het geval geen sprake kan zijn van afstorting), voor zover dat uitgangspunt in het onderhavige oordeel al aan de orde zou zijn, in dit geval los te laten22, althans om in ieder geval het door de vrouw gedane verzoek om te bepalen dat de B.V en/of de directeur-grootaandeelhouder van de onderneming (de vrouw) niet tot verevening van enig pensioen met de man verplicht of gehouden is, af te wijzen (zoals het hof hier heeft gedaan). Immers heeft het hof ook het door de man gedane (meer) subsidiaire verzoek om de vrouw en/of de B.V. te veroordelen om aan hem (vanaf de pensioendatum van de vrouw) een jaarlijks pensioen ter grootte van (zijn volledige aandeel van) € 16.289,- uit te betalen, niet toegewezen, en daarmee dus in ieder geval óók niet, althans niet met zoveel woorden, geoordeeld dat de vrouw en/of de B.V. het gehele aandeel van de man in de pensioenvoorziening, ook als dat ten koste zou gaan van haar eigen aandeel in dat pensioen, aan de man moet uitkeren. Het heeft, als gezegd, slechts met zoveel woorden geoordeeld over het verzoek van de vrouw, en als eindoordeel gegeven dat niet kan worden gezegd dat de vrouw en/of de B.V. niet (meer) tot verevening van enig pensioen met de man is gehouden.

Bedacht moet hierbij overigens worden, dat een dergelijke veroorzaking van de niet-nakoming van pensioenverplichtingen doordat door eigen toedoen een voorheen bestaande pensioenvoorziening ontoereikend is geworden, zoals hierboven bedoeld, zich over het algemeen alleen zal voordoen indien een dergelijke voorziening in eigen beheer wordt opgebouwd, en (doorgaans) niet als dit gebeurt bij een externe verzekeraar.

Daarnaast kan tegen het door het onderdeel ingenomen standpunt worden ingebracht dat als betaling aan de man van diens aandeel in de pensioenuitkering op enig moment tijdens of na de scheiding (in het geheel) niet mogelijk blijkt, dit niet wil zeggen dat de vrouw en/of de B.V. daarmee (ook voor toekomst) van de gehele verplichting tot pensioenverevening is vrijgesteld, hetgeen ook op zichzelf reeds pleit tegen de toewijzing van het door de vrouw gedane verzoek om te bepalen dat de B.V en/of de directeur-grootaandeelhouder van de onderneming (de vrouw) niet tot verevening van enig pensioen met de man verplicht of gehouden is.

3.11

Ook alle onderdelen van het incidentele cassatieberoep falen derhalve.

4 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan rov. 3.1-3.2 van de bestreden beschikking.

2 In zowel het A-dossier als het B-dossier ontbreken inleidende stukken van partijen in deze procedure. Blijkens de daarin (wel) opgenomen brieven gaat het, wat betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen, om een voortzetting in een bodemprocedure van een deel van de tussen partijen bestaande geschilpunten uit (een) eerder tussen partijen gevoerd(e) kort geding-procedure(s), waarin partijen hierover enkele afspraken hebben gemaakt (zie daarvoor het proces-verbaal van de zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, gehouden op 27 december 2010, opgenomen bij de brief van de zijde van de man van 19 januari 2011). Voor het alimentatieverzoek kan worden gewezen op de brief van de zijde van de man van 11 april 2012.

3 Opmerking hierbij verdient nog dat de rechtbank in rov. 2.3.1 van de eindbeschikking aangeeft dat de schuld bestaande uit de bij Nationale Nederlanden en de ABN AMRO bank door partijen tezamen, ter financiering van hun (aanzienlijke) onroerend goed portefeuille, aangegane kredietfaciliteit verder mede zal worden aangeduid als het ABN AMRO krediet.

4 Het cassatieverzoekschrift is op 1 november 2017 per fax binnengekomen ter griffie van de Hoge Raad.

5 De rechtbank duidde met de door haar gebruikte term ABN AMRO krediet mede de schuld aan de Nationale Nederlanden aan, zie voetnoot 3 hierboven. Overigens blijkt uit het door de man als productie 4 bij zijn principale hoger beroepschrift overgelegde (door beide partijen voor akkoord getekende) financieel overzicht van 23 februari 2011 dat de hypothecaire lening bij de Nationale Nederlanden Financiering Maatschappij pro resto nihil bedraagt.

6 Ook overgelegd als productie D48 ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van 12 juni 2017.

7 Verweerschrift hoger beroep, tevens voorwaardelijk incidenteel appel van 17 november 2015.

8 Verweerschrift incidenteel appel van 28 januari 2016.

9 HR 13 maart 1981 (Haviltex), ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 m.nt. C.J.H. Brunner.

10 Overigens bevat het subonderdeel geen verwijzing waar producties (D)10 en (D)11 zouden zijn te vinden in de processtukken in feitelijke instantie. Ik vind in de dossiers een door de man in eerste aanleg overgelegde productie 10 bij ongedateerde brief met bijlagen (waarschijnlijk 2 augustus 2012) van mr. van den Heerik, waarmee rekeningafschriften en een lijst met betalingen door de man aan o.a. Nuon zijn overgelegd; de bijbehorende productie 11 bevat wel een lijst van aanbrengsten ten huwelijk van de man. Bij het (principale) appelschrift van de man van 6 augustus 2015 is voorts een productie 10 overgelegd, waarin de huwelijkse voorwaarden zijn opgenomen met bijbehorende lijsten van ten huwelijk aangebrachte goederen; in de daarop volgende productie 11 worden foto’s, (handgeschreven) lijsten van goederen, rekeningafschriften en een grote stapel aankoopbewijzen overgelegd. Als toelichting op productie 11 wordt nog gegeven “[de vrouw] heeft zeer waardevolle sieraden in bezit die tijdens huwelijk zijn aangeschaft. Aangezien het kostbare stukken zijn zijn deze meer te zien als beleggingsobjecten.”. De in grief 6 genoemde akte van 1 november 2014 heb ik niet kunnen ontdekken in één van de dossiers.

11 Vgl. HR 2 maart 2001 (Vissersbedrijf), ECLI:NL:HR:2001:AB0382, NJ 2001/584 m.nt. S.F.M. Wortmann. Zie ook Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/514 voor verrekeningen in het kader van huwelijkse voorwaarden. Bij de verdeling van gemeenschapsgoederen is dit niet anders, zie Asser/Perrick 3-V 2015/147. Voor de aansluiting in deze laatste categorie (inzake de toedeling van een aandelenpakket) bij, in beginsel, de waarde in het economische verkeer – de prijs die daarvoor door derden wordt geboden – kan nog wel gewezen worden op HR 19 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5867, NJ 2000/441. Bij de waardering van (de onroerende zaken in) een onroerend goed-onderneming in het kader van een huwelijkse verrekening moet echter niet ongeacht de door partijen aangevoerde waarderingsgrondslag(en) worden uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer op de peildatum (de getaxeerde verkoopwaarde op die datum), maar hangt ook in dat geval de keuze voor een waarderingsmethode af van de omstandigheden van het geval, zie HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3462, NJ 2015/4.

12 Aldus A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie (onder 2.4) vóór HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3462, NJ 2015/4 met verdere verwijzingen.

13 HR 2 maart 2001 (Vissersbedrijf), ECLI:NL:HR:2001:AB0382, NJ 2001/584 m.nt. S.F.M. Wortmann. Aldus ook A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie (onder 2.6) vóór HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3462, NJ 2015/4 met verdere verwijzingen.

14 HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3462, NJ 2015/4.

15 HR 2 maart 2001 (Vissersbedrijf), ECLI:NL:HR:2001:AB0382, NJ 2001/584 m.nt. S.F.M. Wortmann.

16 De deskundige is dus niet uitgegaan van niet-overdraagbaarheid van de onderneming op de peildatum (zie bijv. ook rov. 2.14 van de eindbeschikking van de rechtbank), zoals subonderdeel 3.2 lijkt te suggereren.

17 Een dergelijke voortzetting zou overigens niet per definitie een hogere waardering van de onderneming opleveren. In het algemeen kan dit ook heel goed juist tot een lagere waardering leiden, nl. als met liquidatie van een onderneming en verkoop van de activa juist een hogere waarde kan worden behaald dan bij voortzetting (zoals bijv. vaak bij agrarische ondernemingen het geval is, of kennelijk bij de onderneming die onroerende zaken exploiteert uit HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3462, NJ 2015/4 en het visserijbedrijf uit HR 2 maart 2001 (Vissersbedrijf), ECLI:NL:HR:2001:AB0382, NJ 2001/584 m.nt. S.F.M. Wortmann).

18 Overigens geeft de vrouw in cassatie, met verwijzing naar vindplaatsen in feitelijke instantie, aan dat de voortzetting, ondanks haar – inmiddels – 71 jaar, meer noodgedwongen geschiedt, dan uit vrije wil, en in belangrijke mate verband hield met de hoge, niet inbare rekening-courantschuld en het feit dat zij geen pensioen ontvangt (verweerschrift, tevens verzoekschrift in incidenteel cassatieberoep, onder 4.4 en 4.9). Dit blijkt (bv.) uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 juni 2017, p. 4 en 5.

19 Verweerschrift incidenteel appel van 28 januari 2016.

20 Vaste rechtspraak, vgl. bv. HR 19 juni 2009 ([…] q.q./ […]), ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2009/39 m.nt. B.T.M. van der Wiel.

21 HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:693, NJ 2017/237 m.nt. S.F.M. Wortmann, PJ 2017/87 m.nt. W.P.M. Thijssen.

22 Ik ben het dan ook niet eens met Thijssen in zijn annotatie onder PJ 2017/87 (onder 12), waarin hij vermeldt dat met deze uitspraak in elk geval vast staat dat een dekkingstekort in de BV tussen de ex-partners moet worden verdeeld, en dat dit niet anders ligt als het tekort is ontstaan als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van de directeur-grootaandeelhouder. In zijn opvatting kan in dat laatste geval kennelijk alleen sprake zijn van persoonlijke aansprakelijkheid van de directeur-grootaandeelhouder voor het tekort dat daarbij voor rekening van de tot verevening gerechtigde echtgenoot komt (en komt deze echtgenoot jegens de B.V. dan dus nooit een volledig recht op zijn pensioen toe, ook niet anders dan door afstorting). Deze conclusie kan mijns inziens niet getrokken worden uit de beschikking van de Hoge Raad, al was het maar omdat daar slechts een regel wordt gegeven die (slechts) in beginsel gelding heeft (en die voorts grotendeels is afgestemd op de in die beschikking aan de orde zijnde omstandigheden). Ook de door Thijssen genoemde uitspraken van het gerechtshof Den Haag (van 18 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3016, PJ 2014/136 en van 23 maart 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1032, PJ 2016/131) leiden niet tot die conclusie. Ook uit het artikel van Holtermans in JBN 2017/47 (‘Afstorten pensioen in eigen beheer bij echtscheiding in geval van onderdekking: hoe verder ná afstorting?’), m.n. onder 2.1, blijkt mijns inziens van een van die van Thijsen verschillende opvatting, nu daaruit valt af te leiden dat de vennootschap ook na afstorting aansprakelijk blijft jegens de tot verevening gerechtigde echtgenoot voor diens uit de Wet voorvloeiende pensioenaanspraken en -uitkeringsrechten.

meer >>

BLOGS EN ARTIKELEN

Oude en nieuwe donorcontracten en de toegang tot de rechter
(Mr. Nicoline Grijmans-Veenendaal, 14-08-2019)
In donorcontracten die wensouders met elkaar afsluiten staat regelmatig dat de donor niet naar de rechter kan om omgang en/of ouderrechten af te dwingen. Betekent dit dat de donor niet-ontvankelijk is?
Co-ouderschap en kindregelingen: een overzicht
(Drs. Jasper Horsthuis, 13-08-2019)
Volgens het CBS is het aantal kinderen dat opgroeit in een co-oudersituatie gestegen van 5% in 2001 tot 27% in 2013. Maar hoe zit het eigenlijk met toeslagen en kortingen? Welke ouder heeft waar recht op? Een overzicht.
Wet herziening partneralimentatie: spoorboekje voor het bepalen van de alimentatieduur
(Mr. Lonneke Timmermans, 05-07-2019)
De Wet herziening partneralimentatie treedt waarschijnlijk op 1 januari 2020 in werking. Wat betekent dit voor de bepaling van de (maximale) duur van partneralimentatie bij nieuwe scheidingen? Een spoorboekje.
Tips voor een ouderschapsplan bij internationale echtscheidingen
(Mr. Maria Bowmer, 04-07-2019)
Waar moet je aan denken bij het opstellen van een ouderschapsplan als de ex-partners na de scheiding in verschillende landen gaan wonen? Maria Bowmer geeft in deze blog een aantal tips uit de praktijk.
Uit de media
Internationaal huwelijk? Expats, let op! De nieuwe EU-verordening is in werking getreden
(Mr. Marina Marić, 21-06-2019)
Als een Europees echtpaar in Nederland is gevestigd en besluit te gaan scheiden, welk recht is dan van toepassing op de verdeling van het huwelijksvermogen? En kan er een rechtskeuze worden gemaakt voor een ander rechtsstelsel?
De Wet herziening partneralimentatie: FAQ
(Mr. Geeske van Campen, 22-05-2019)
Op dinsdag 21 mei 2019 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de Wet herziening partneralimentatie. In deze blog bespreekt advocaat en Kennisbank-redacteur Geeske van Campen de meestgestelde vragen over deze wet.
Wie heeft zeggenschap over de asbestemming?
(Mr. Loïs Lok, 20-05-2019)
Nabestaanden hebben niet zelden verschillende ideeën over de asbestemming van een overleden dierbare. De wet voorziet echter niet in een regeling voor het geval hierover serieuze onenigheid ontstaat.
Samenwonen als waren zij gehuwd... een draconische bepaling?
(Mr. Hedy Bollen, 01-05-2019)
Artikel 1:160 BW bepaalt dat het recht op alimentatie eindigt als de alimentatiegerechtigde opnieuw trouwt óf gaat samenwonen met een ander 'als waren zij gehuwd'. Maar: wat houdt dat in? En hoe bewijs je dat daarvan sprake is?
Procederen in het erfrecht: een vak apart
(Mr. Ton van Acht, 29-04-2019)
Het erfrecht is een lappendeken van verzoekschriftprocedures (verzoeken) en dagvaardingsprocedures (vorderingen) die niet in één procesinleiding kunnen worden gecombineerd. Vaak is er echter júist een combinatie van beide nodig.
Storting van privévermogen levert vordering op de gemeenschap op
(Mr. dr. Jan Wouter Alt, 12-04-2019)
In HR 5 april 2019 maakt de Hoge Raad een eind aan de verdeeldheid over de vraag of er een vergoedingsrecht ontstaat als uit het privévermogen van een echtgenoot betalingen zijn gedaan ten behoeve van consumptieve bestedingen.
×

Rapport alimentatienormen versie 2018

Hierbij treft u de digitale versie aan van het rapport alimentatienormen (Tremarapport), zoals dit wordt gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

mr. K.M. Braun, senior rechter rechtbank Den Haag, voorzitter
Mr. J.A.M.H. de Wit, juridisch medewerker rechtbank Midden-Nederland, ambtelijk secretaris

Secretariaat:

p/a rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 
Postbus 16005
3500 DA Utrecht


INHOUDSOPGAVE

  1. Voorwoord

  2. Inleiding

    2.1  Alimentatienormen

    2.2  Onderhoudsgerechtigde / rechthebbende

    2.3  Wanneer alimentatie?

    2.4  Maatstaven voor de bepaling van de omvang van de alimentatieverplichting

  3. Behoefte

    3.1 Kinderalimentatie 

    3.2 Partneralimentatie

  4. Draagkracht

    4.1  Algemeen

    4.2  Kernschema

    4.3  Verklaring van de begrippen

    4.4  “Gelijkheid boven en onder de streep”

    4.5  Draagkrachtberekening ten behoeve van kinderalimentatie

  5. Confrontatie van behoefte en draagkracht

    5.1  Algemeen

    5.2  Indien kinderalimentatie moet worden vastgesteld

    5.3  Ingeval partneralimentatie moet worden vastgesteld

    5.4  Ingeval naast kinderalimentatie tevens partneralimentatie moet worden vastgesteld

  6. Toelichting bij de modellen voor de draagkracht berekening

    6.1  Modellen en tarieven

    6.2  Toelichting bij het model voor de netto methode

    6.3  Toelichting bij het model voor de bruto methode

  7. Afwijking van het rekenmodel

    7.1 Inkomensverlies

    7.2 Kinderalimentatie: extra lasten

    7.2.1  Algemeen

    7.2.2  Woonlasten

    7.3 Kinderalimentatie: de aanvaardbaarheidstoets

    7.4 Schuldsanering

    7.5 Verpleging in een AWBZ-instelling

1.VOORWOORD

Het rapport Alimentatienormen, voor het eerst gepubliceerd in 1979, heeft in de praktijk een ruime toepassing gevonden. In dit rapport zijn sindsdien de diverse aanbevelingen en rapporten die de Werkgroep alimentatienormen van de NVvR in de loop van de jaren heeft gepubliceerd in een uitgave bijeengevoegd. Inmiddels is de Werkgroep alimentatienormen overgegaan in de Expertgroep alimentatienormen. Periodiek, zo mogelijk in januari en juli van ieder jaar, wordt een actuele versie van het rapport gepubliceerd, laatstelijk in januari 2016. Het doel van het rapport is het leveren van een bijdrage aan de voorspelbaarheid en rechtszekerheid van de rechtspraak in alimentatiezaken. Deze aanbevelingen zijn geen wet en rechters en partijen kunnen in individuele zaken daarvan afwijken.

Het rapport met bijlagen, dat dus aanbevelingen geeft voor een eenvormige praktische invulling van de wettelijke maatstaven behoefte en draagkracht, kan worden geraadpleegd op de pagina van de Expertgroep Alimentatienormen op www.rechtspraak.nl.

Wijzigingen per 1 januari 2018

In het rapport zijn, naast kleinere aanpassingen van ondergeschikt belang, de volgende aanpassingen doorgevoerd:

  • Op pagina 12 is de passage over de bepaling van de behoefte van jongmeerderjarigen herzien. Voor de behoeftebepaling van studerende kinderen kan in het algemeen worden aangesloten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud als vermeld in de Wet Studiefinanciering, vermeerderd met het verschuldigde lesgeld of collegegeld. De passage over de studiefinanciering is aangepast aan de wijzigingen die op dat gebied per 1 september 2015 zijn doorgevoerd. Ten aanzien van thuiswonende studenten in het hoger onderwijs wordt aanbevolen dat ontvangen zorgtoeslag en structurele eigen inkomsten van de jongmeerderjarige behoefteverlagend zijn.

  • Op pagina 19 onder het kopje ‘4.5. Draagkrachtberekening ten behoeve van kinderalimentatie’ is in een voetnoot verduidelijkt dat het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning voor de draagkracht t.b.v. kinderalimentatie weliswaar niet bij het netto besteedbaar inkomen dient te worden geteld, maar dat dit fiscaal voordeel wel relevant is voor een juiste berekening van diverse fiscale aspecten, waaronder het kindgebonden budget.

  • Op pagina 22 onder het kopje ‘5.2.2. De invloed van de zorgregeling’ is een zorgkorting van 5% toegevoegd, bedoeld voor gevallen waarin structureel sprake is van een beperkte zorg- of omgangsregeling.

  • Aan het model voor de bruto methode is een post 120a (netto besteedbaar inkomen voor kinderalimentatie) toegevoegd, dit om verwarring met het netto besteedbaar inkomen voor de partneralimentatie te voorkomen. 

De behoeftetabellen, de draagkrachttabel en de draagkrachtformule zijn aangepast aan de huidige normbedragen. Er is verduidelijkt in welke gevallen wordt aanbevolen om gebruik te maken van de draagkrachtformule en in welke gevallen van de vaste bedragen als genoemd in de draagkrachttabel. 

Zoals altijd wordt aanbevolen kennis te nemen van het rapport 'kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie' dat in 1994 voor het eerst is gepubliceerd en dat nog steeds relevant is.

De expertgroep alimentatienormen is - zoals gebruikelijk - collectief verantwoordelijk voor dit rapport.

Utrecht, december 2017

2. INLEIDING

2.1 Alimentatienormen

Dit rapport bevat normen of richtlijnen die bij de vaststelling van alimentatie kunnen worden gehanteerd. De werkgroep beveelt de toepassing van deze richtlijnen aan.

Alimentatie na scheiding

Bij de ontwikkeling van haar richtlijnen heeft de expertgroep voornamelijk het oog gehad op het vaststellen of wijzigen van alimentatie na echtscheiding of scheiding van tafel en bed. Het gaat daarbij om:

  • een uitkering tot levensonderhoud van de gewezen echtgenoot, hierna ook aan te duiden als partneralimentatie (onder partneralimentatie wordt mede verstaan de bijdrage ten behoeve van de gewezen geregistreerde partner);

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kind(eren) aan de andere ouder, hierna ook aan te duiden als kinderalimentatie (onder kinderalimentatie wordt mede verstaan de bijdrage ten behoeve van al dan niet door de vader erkende kinderen)

De vaststelling van alimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen geschiedt in principe aan de hand van dezelfde richtlijnen. In verband met het summiere karakter van de procedure zal echter vaak worden volstaan met een minder strikte toepassing. 

Jongmeerderjarigen

In aansluiting op de verplichting van ouders om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen bestaat de verplichting van ouders om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen in de leeftijd van 18 tot 21 jaar. Met de term kosten van levensonderhoud en studie wordt in feite niets anders bedoeld dan de kosten van verzorging en opvoeding. Deze kinderen kunnen jegens hun ouders een zelfstandig recht op een bijdrage in die kosten geldend maken.

Bijstandsverhaal

De aanbevelingen in dit rapport zijn ook geschikt voor toepassing op verhaal van bijstand indien dit verhaal is gegrond op een onderhoudsverplichting. Overigens kan de verhaalsprocedure specifieke vragen opwerpen, bijvoorbeeld van bestuursrechtelijke aard, die buiten het bestek van dit rapport vallen.

2.2 Onderhoudsgerechtigde/rechthebbende

De gewezen partner en de jongmeerderjarige zijn ter zake van hun onderhoudsaanspraken zowel onderhoudsgerechtigde als rechthebbende. Bij kinderalimentatie ligt dit anders: het kind is onder- houdsgerechtigde maar de ouder of voogd die de kosten maakt ten behoeve van de kinderen is rechthebbende ter zake van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding. Bij de vaststelling van kinderalimentatie wordt rekening gehouden met de onderhoudsplicht en uit dien hoofde de eigen inkomsten c.q. draagkracht van de ouder die aanspraak maakt op een kinderbijdrage.

2.3 Wanneer alimentatie?

Wettelijke onderhoudsverplichtingen

De wet bepaalt wie gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Een verplichting kan voortvloeien uit een huwelijk of geregistreerd partnerschap (partneralimentatie) of uit bloed- of aan- verwantschap of gezag (kinderalimentatie, een bijdrage voor jongmeerderjarigen, enz.).

Rangorde onderhoudsgerechtigden

Indien een persoon verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen en zijn draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, hebben zijn kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel leidt ertoe dat allereerst de kinderalimentatie wordt bepaald en dat pas daarna wordt beoordeeld of ook nog ruimte bestaat voor het opleggen van partneralimentatie.

Behoeftigheid

Men is behoeftig indien men zelf niet in het eigen levensonderhoud kan voorzien, dat wil zeggen indien men zelf daartoe de nodige middelen mist en die ook in redelijkheid niet kan verwerven.

De verplichting van (stief)ouders jegens hun minderjarige en jongmeerderjarige (stief)kinderen bestaat onafhankelijk van de vraag of sprake is van behoeftigheid. Bij alle andere betrekkingen bestaat slechts een recht op alimentatie voor degene die behoeftig is.

2.4 Maatstaven voor de bepaling van de omvang van de alimentatieverplichting

Wettelijke maatstaven

De wettelijke maatstaven voor de bepaling van het bedrag dat voor levensonderhoud verschuldigd is, zijn de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Bij partneralimentatie kunnen daarnaast niet-financiële factoren een rol spelen. Deze blijven in het rapport onbesproken.

Behoefte en draagkracht

Deze begrippen staan in dit rapport centraal.

Behoefte is - ook bij kinderen - een voorwaarde voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie kan niet worden uitgegaan van een absoluut behoeftebegrip: behoefte houdt niet op bij het bestaansminimum. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten van geval tot geval worden bepaald. Allerlei omstandigheden kunnen een rol spelen. Een concrete richtlijn geeft de expertgroep slechts ten aanzien van de kosten van minderjarige kinderen. Voor wat betreft de vaststelling van de behoefte aan partneralimentatie bevat hoofdstuk 3, naast een aantal mogelijk relevante factoren (neergelegd in de jurisprudentie van de Hoge Raad), ook een in de praktijk ontwikkelde vuistregel.

Met het oog op de draagkrachtbepaling is een stelsel van gedetailleerde aanbevelingen ontwikkeld. Na een uiteenzetting van de berekeningssystematiek in hoofdstukken 3 tot en met 5 volgt een puntsgewijze bespreking aan de hand van rekenmodellen in hoofdstuk 6.

Maximum

De vast te stellen alimentatie mag de behoefte of de draagkracht niet overstijgen. De laagste van de twee vormt dus het maximum. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen. De ‘confrontatie' van behoefte en draagkracht komt aan de orde in hoofdstuk 5.

3. BEHOEFTE

3.1 Kinderalimentatie

Behoefte aan kinderalimentatie

Voor de vaststelling van de behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen is in samenwerking met het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (het NIBUD) een systeem ontwikkeld, gebaseerd op CBS-cijfers, dat is neergelegd in het rapport ‘Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie', voor het eerst gepubliceerd in Trema 1994, p. 127 e.v., dat hierna is opgenomen als bijlage 1.

Terminologie

De expertgroep hanteert de volgende terminologie:

  • kosten van een kind: het totaal per maand aan het kind bestede bedrag;
  • kinderbijslag: de bijdrage van de overheid in de kosten voor opvoeding en verzorging van een minderjarig kind;
  • kindgebonden budget: de extra inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage (inclusief alleenstaande ouderkop) van de overheid in de kosten voor opvoeding en verzorging van een minderjarig kind voor degene die kinderbijslag voor het kind ontvangt;
  • eigen aandeel ouders in de kosten van het kind: dat deel van de kosten dat door de ouders per maand uit hun eigen inkomen wordt bestreden; dat zijn dus de hiervoor bedoelde kosten van kinderen minus de kinderbijslag en het kindgebonden budget;
  • behoefte aan kinderalimentatie: dat deel van de kosten van een kind dat niet door de kinderbijslag, het kindgebonden budget en de financiële bijdrage van de verzorgende ouder kan of behoeft te worden bestreden.

Uitleg van het systeem

Blijkens CBS-onderzoek besteden ouders een bepaald percentage van het gezinsinkomen aan hun kinderen. Tot dat gezinsinkomen rektent het CBS mede (onder meer) de overheidsbijdragen. Uit dat onderzoek blijkt voorts dat naarmate er meer kinderen tot het huishouden behoren, de totale kosten van de kinderen weliswaar stijgen maar dat de gemiddelde kosten per kind daartegenover dalen. De in het rapport kosten kinderen van 1994 genoemde percentages, gebaseerd op onderzoek van het CBS in de periode 1990 – 1995, bedragen voor 1, 2, 3 en 4 kind(eren) respectievelijk 17, 26, 33 en 40% van genoemd gezinsinkomen inclusief kinderbijslag.

Er bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat die percentages sinds het onderzoek significant zijn gewijzigd. Voor de bepaling van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van kinderen is de kinderbijslag van de gevonden kosten afgetrokken. Deze uitgangspunten vormen de basis van de tabel die in de bijlage ‘tarieven en tabellen' onder 28 is opgenomen en die jaarlijks wordt aangepast. Volgens de tabel wordt bij hetzelfde inkomen het eigen aandeel van de ouders in de kosten van kinderen per kind lager naarmate er meer kinderen zijn en naarmate de kinderen ouder worden. Dit wordt veroorzaakt doordat de kinderbijslag per kind stijgt naarmate er meer kinderen zijn en naarmate zij ouder worden, terwijl de gemiddelde kosten per kind dalen naarmate er meer kinderen zijn en doordat de leeftijd niet bepalend is voor de uitgaven voor de kinderen.

Het kindgebonden budget wordt, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015, niet in mindering op de (tabel)behoefte gebracht.

Het gebruik van de tabel eigen bijdrage kosten van kinderen

a) Het inkomen

Met ‘inkomen’ in de tabel is bedoeld het netto besteedbare gezinsinkomen tijdens het huwelijk (de relatie), dus van beide ouders opgeteld, dan wel na de (echt)scheiding het netto inkomen van de ouder(s) afzonderlijk, dus niet bij elkaar opgeteld, ingeval dit inkomen van één van de ouders het voormalige gezinsinkomen te boven gaat. Dit netto besteedbare inkomen (NBI) wordt in de regel gevormd door de middelen die de ouder(s) gebruikelijk voorafgaand aan het verbreken van de samenleving of – in geval van stijging van het inkomen na het verbreken van de samenleving – nadien ter beschikking staan, dat wil zeggen de daadwerkelijke inkomsten (uit arbeid, uitkering en/of vermogen), verminderd met de op dit inkomen drukkende belastingen en netto uitgaven inkomensvoorzieningen, zoals de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het NBI kan volgens de thans geldende alimentatienormen worden bepaald met behulp van de bruto of netto methode. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigenwoningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente) en de bijtelling vanwege een auto van de zaak. Wel dient rekening te worden gehouden met het kindgebonden budget waar recht op bestond ten tijde van de samenleving. Dit dient bij de ouder die deze bijdrage ontving te worden opgeteld bij diens inkomen.

In het aldus berekende inkomen is de kinderbijslag niet betrokken, omdat deze in de tabel is verwerkt.

b) Het tabelbedrag

Vervolgens wordt aan de hand van de leeftijd van de tot het gezin behorende kinderen het aantal punten bepaald.

Op basis van het netto besteedbare gezinsinkomen en het aantal punten zijn in de tabel vermelde kosten van een kind al verminderd met de kinderbijslag.

Hoewel de tabel ziet op kosten van minderjarige kinderen beveelt de expertgroep aan om in het geval dat op het moment van de scheiding één of enkele tot het gezin behorende kinderen jongmeerderjarig zijn en de/het andere(n) minderjarig, voor het aantal kinderen en het bijbehorende puntenaantal uit te gaan van de situatie dat alle kinderen minderjarig zijn. Bepalend is immers wat normaliter voor alle kinderen werd uitgegeven.

Toelichting

De tabel is ontworpen om bij de vaststelling van kinderalimentatie te beschikken over eenduidige richtlijnen voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen aan een bijdrage in hun kosten van verzorging en opvoeding door de alimentatieplichtige ouder. Zolang ouders niet gescheiden zijn, is het gezinsinkomen bepalend voor de uitgaven die ten behoeve van het kind worden gedaan. Dit gezinsinkomen moet dan ook de maatstaf zijn bij het hanteren van de tabel, ook na de (echt)scheiding. Dit impliceert een duidelijke keus: de kinderen moeten in beginsel niet slechter af zijn na en door de (echt)scheiding van hun ouders.

Bij het hanteren van de tabel moet niet uit het oog worden verloren dat deze slechts bedoeld is om als toetssteen te dienen voor hetgeen de kinderen kosten. Pas bij de berekening van de draagkracht zal blijken of de gevonden draagkracht oplegging van het gevonden ‘eigen aandeel' als alimentatie toelaat. Als beide ouders inkomen hebben kan een draagkrachtvergelijking worden gemaakt (zie verder hoofdstuk 5.2).

Verlaging of wegvallen van inkomen na de (echt)scheiding behoort, op grond van het hiervoor gekozen uitgangspunt dat het welvaartsniveau ten tijde van de (echt)scheiding in beginsel bepalend is voor de kosten van de kinderen, op die kosten geen invloed te hebben. Wel kan een dergelijke wijziging gevolgen hebben voor de draagkracht om een bijdrage in de kosten te betalen.

Stijging van het inkomen van een ouder behoort, voor zover dit inkomen door die stijging hoger wordt dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk/de samenleving, in beginsel wel invloed uit te oefenen op de vaststelling van de behoefte: indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van de kinderen zou zijn uitgegeven. Voor het geval het inkomen van één van de ouders het voormalige gezinsinkomen overschrijdt, is daarom dat hogere inkomen van die ouder de maatstaf voor de bepaling van de kosten van de kinderen.

De behoefte van een kind waarvan de ouders nooit in gezinsverband hebben samengeleefd, wordt bepaald aldus, dat het gemiddelde wordt genomen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder (inclusief het voor het betreffende kind ontvangen kindgebonden budget) en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder (eveneens inclusief het voor het betreffende kind ontvangen kindgebonden budget). De inkomens dienen dus niet bij elkaar te worden opgeteld!. Het aldus gevonden eigen aandeel kan worden vermeerderd met de netto kosten van kinderopvang, dus na aftrek kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming in die kosten door een werkgever, en wordt verminderd met het voor het kind te ontvangen kindgebonden budget. Als het om een eerste vaststelling gaat en de ouder bij wie het kind woont nog niet de beschikking heeft over een bijdrage van de andere ouder, kan volstaan worden met een globale schatting van de kosten van het kind. (HR 27 februari 2004, NJ 2004, 283)

c) Kindgebonden budget

Het na de scheiding ontvangen kindgebonden budget wordt verwerkt bij de vaststelling van de draagkracht (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015. Ter verduidelijking wordt erop gewezen dat met het kindgebonden budget als volgt rekening dient te worden gehouden:

  • bereken het besteedbaar inkomen van beide partijen ten tijde van het huwelijk/de samenleving op de hiervoor onder a), eerste alinea, beschreven wijze;
  • vermeerder dit besteedbaar inkomen met het kindgebonden budget waar partijen voor de kinderen ten tijde van hun huwelijk/samenleving (eventueel) recht op hadden;
  • bepaal vervolgens het eigen aandeel van de ouders in de kosten van het kind aan de hand van het netto gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget en de tabel "eigen aandeel kosten van kinderen".

Voorbeeld:

Besteedbaar inkomen man ten tijde van huwelijk/samenleving € 1.800 per maand
Besteedbaar inkomen vrouw ten tijde van huwelijk/samenleving € 1.150 per maand
Aanspraak kindgebonden budget ten tijde van huwelijk /samenleving € 50 per maand
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000 per maand

Eigen aandeel kosten van kinderen op basis van voormeld besteedbaar gezinsinkomen en uitgaande van 1 kind van 7 jaar (4 kinderbijslagpunten) bedraagt € 450 per maand (tabel 2017/1).

Aanspraak kindgebonden budget van de ouder waar het kind verblijft na uiteengaan € 85,- per maand. Dus eigen aandeel van de ouders in de kosten van het kind komt daarmee op € 365,- per maand.

d) Correcties voor bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle normale kosten zoals die voor voeding en kleding begrepen. Bepaalde extra kosten zijn echter zo uitzonderlijk dat deze niet begrepen kunnen zijn in de standaardbedragen voor de kosten van kinderen.

In welke gevallen naast de tabelbedragen nog met bijzondere kosten rekening moet worden gehouden, kan slechts in globale termen worden aangegeven omdat allerlei kosten/activiteiten uitwisselbaar zijn. Wanneer bijvoorbeeld in de kosten van kinderen een bepaald bedrag begrepen is voor ‘ontspanning', dan kan dat bedrag op verschillende manieren worden ingevuld: van voetbal tot paardrijden of van computergame tot vioolles. Voorts blijkt dat hogere uitgaven aan de ene uitgavenpost samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin meer dan gemiddeld aan kleding besteedt, behoeft dat niet te betekenen dat er voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Gebleken is dat men zich hiervoor bezuinigingen getroost op een andere post.

Correctieposten betreffen dus kosten die niet of onvoldoende in de gehanteerde kosten van kinderen zijn verdisconteerd en welke bovendien niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten. Voorbeelden van kosten die volgens de expertgroep in aanmerking komen voor correctie zijn de kosten van een gehandicapt kind, kosten van topsport, privélessen en extra hoge schoolgelden.

Volgens de tekst van het rapport 'Kosten van kinderen' behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS is echter gebleken dat bij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten c.q. kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Dit onderzoek dateert echter van de tijd voor de huidige systematiek van kinderopvang. Als er sprake is van een alleenstaande ouder kunnen hoge oppaskosten wel worden geacht te leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Daarom beveelt de expertgroep thans aan in geval er sprake is van een alleenstaande ouder met hoge kosten van kinderopvang, allereerst de desbetreffende kosten vóór de scheiding af te trekken van het netto besteedbaar gezinsinkomen en uitgaande van het dan resterende gezinsinkomen de behoefte van de kinderen te berekenen aan de hand van de tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen. Vervolgens kan de behoefte worden vastgesteld door de werkelijke kosten van kinderopvang na de scheiding (dus na aftrek van de kinderopvangtoeslag en de werkgeversbijdrage in die kosten) op te tellen bij het in de tabel gevonden bedrag.

e) Hoger aanbod

De tabel geeft een richtlijn voor de bepaling van de redelijkerwijs in de desbetreffende inkomensklasse te maken kosten voor kinderen. De expertgroep acht deze richtlijn realistisch en beveelt daarom het gebruik ervan aan. Dit neemt natuurlijk niet weg dat ouders hogere bedragen kunnen overeenkomen.

Jongmeerderjarigen

De tabellen van het NIBUD voorzien niet in de berekening van de behoefte van kinderen ouder dan 18 jaar. Voor de vaststelling van de behoefte van jongmeerderjarigen, meestal studerenden die onder de reikwijdte van de Wet Studiefinanciering (hierna: WSF) vallen, zijn nog geen maatstaven ontwikkeld.

Volgens de WSF bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming in de kosten van lesgeld dan wel het collegegeldkrediet, en de reisvoorziening. Voor de behoeftebepaling van studerende kinderen kan in het algemeen bij de WSF-norm (normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, vermeerderd met het verschuldigde lesgeld of collegegeld) aansluiting gezocht worden, waarbij de student kan aantonen dat voor een bepaalde post een hoger budget nodig is. Verder kan rekening worden gehouden met de aanspraken die een student heeft op studiefinanciering. De WSF kan de student onder voorwaarden aanspraak geven op een basisbeurs, een basislening, een aanvullende beurs of aanvullende lening en een collegegeldkrediet. Afhankelijk van het niveau van de opleiding zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs een gift, of kunnen zij dat worden indien binnen de diplomatermijn van 10 jaren een diploma wordt gehaald (prestatiebeurs). Zowel voor de gift als de prestatiebeurs geldt dat deze als behoefteverlagend wordt aangemerkt. Van een student mag in redelijkheid worden verlangd dat binnen de genoemde termijn een diploma wordt gehaald. De basislening, de aanvullende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald, zodat deze niet worden aangemerkt als behoefteverlagend.

Voor niet-studerende jongmeerderjarigen kan voor de berekening van de behoefte eveneens aansluiting gezocht worden bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de WSF-norm, onder aftrek van de daarin begrepen studiekosten (boeken en leermiddelen).

Bij hoger onderwijs maakt de WSF-norm geen verschil tussen thuis- en uitwonende studenten. Ervan uitgaande dat een thuiswonende student in het hoger onderwijs bespaart op zijn woonlast, kan zijn behoefte worden verlaagd, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur. Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt de jongmeerderjarige geacht ook diens premie voor de ziektekostenverzekering te voldoen. Om die reden is een ontvangen zorgtoeslag aan te merken als behoefteverlagend. Structurele eigen inkomsten van de jongmeerderjarige kunnen als behoefteverlagend worden aangemerkt.

3.2 Partneralimentatie

Voor de vaststelling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan een onderhoudsbijdrage dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde.

Een onderhoudsplicht bestaat alleen voor zover de onderhoudsgerechtigde niet in eigen levensonderhoud kan voorzien. Eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde, ook die uit vermogen, verminderen de behoefte aan een bijdrage, oftewel de behoeftigheid. Onder inkomsten worden zowel de daadwerkelijke inkomsten als de in redelijkheid te verwerven inkomsten verstaan. Indien de onderhoudsgerechtigde geen inkomsten heeft, dient derhalve rekening te worden gehouden met het vermogen van de onderhoudsgerechtigde om inkomsten te verwerven (verdiencapaciteit). Daarbij zijn alle omstandigheden van belang, waaronder de opleiding, de werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen. Verwijtbaar, niet voor herstel vatbaar inkomensverlies van de onderhoudsgerechtigde kan buiten beschouwing worden gelaten, onder vergelijkbare voorwaarden als die van toepassing zijn bij het bepalen van de draagkracht.
In geval sprake is van vermogen, kan het onder omstandigheden redelijk zijn te verlangen op dit vermogen in te teren. Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samenleven als ware men gehuwd' of ‘als ware men geregistreerd partner' kan behoefteverlagend werken. De behoefte van de onderhoudsgerechtigde kan mede omvatten de premie voor een voorziening na overlijden van de onderhoudsplichtige (artikel 1:157 lid 2 BW). Een recht op huurtoeslag is van aanvullende aard en dient bij het bepalen van de behoefte geen rol te spelen. Kosten voor rechtsbijstand kunnen de behoefte beïnvloeden als daarvoor een schuld is aangegaan.

Aan de hand van het rekenmodel voor de bepaling van het draagkrachtloos inkomen dat als losse bijlage bij dit rapport hoort, kan men tevens de minimumbehoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen. Tot die minimumbehoefte zijn dan de strikt noodzakelijke lasten te rekenen, net zoals bij de onderhoudsplichtige: de bijstandsnorm voor de kosten van levensonderhoud, een redelijke woonlast, de premie zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) en andere noodzakelijke lasten. Lasten die meer tot de luxe uitgaven zijn te rekenen die men tijdens het huwelijk gewend was - voor zover die in de gegeven situatie redelijk zijn en dan deel uitmaken van de totale behoefte - zoals een auto, kan men, net als bij de onderhoudsplichtige, beter niet tot deze minimumbehoefte rekenen. Deze uitgaven dienen te worden bestreden uit de zogenaamde ‘vrije' ruimte die resteert na aftrek van het draagkrachtloos inkomen. Dit betekent dat de ‘vrije' ruimte zodanig moet zijn dat daarmee de extra lasten, dat wil zeggen het deel van de behoefte dat uitstijgt boven de minimum behoefte, kunnen worden betaald (zie verder hoofdstuk 5.4.)

De bepaling van de behoefte aan partneralimentatie is maatwerk. Voor het bepalen van de netto behoefte is echter ook een vuistregel beschikbaar, indien vaststelling van de behoefte door middel daarvan tussen partijen niet in geschil is. De vuistregel sluit aan bij het netto te besteden gezinsinkomen van partijen voor het uiteengaan, verminderd met het eigen aandeel kosten kinderen. Dit bedrag wordt geacht beschikbaar te zijn geweest voor het levensonderhoud van beide partijen. Omdat een alleenstaande duurder uit is dan een samenwoner, wordt de helft van dit te verdelen inkomen met 20% verhoogd. De behoefte kan derhalve gelijkgesteld worden aan 60% van het netto gezinsinkomen, in voorkomende gevallen te verminderen met het destijds voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen. Het netto gezinsinkomen wordt daarbij gevormd door de daadwerkelijke inkomsten (uit arbeid, uitkering en/of vermogen), verminderd met de op dit inkomen drukkende belastingen en netto uitgaven inkomensvoorzieningen, en kan volgens de thans geldende alimentatienormen worden bepaald met behulp van de bruto of netto methode. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigenwoningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente) en de bijtelling vanwege een auto van de zaak. 

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Het rekensysteem dat hieronder wordt geschetst, is ontwikkeld voor de bepaling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de op basis daarvan maximaal op te leggen alimentatieverplichting. De bepaling geschiedt aan de hand van de modellen die bij dit rapport zijn gevoegd. In die modellen is het rekensysteem uitgewerkt. In de meeste gevallen kan met de vaststelling van de aldus gevonden ‘maximale' alimentatie worden volstaan omdat aanstonds duidelijk is dat deze ontoereikend is om volledig in de behoefte van de onderhoudsgerechtigde(n) te voorzien.

Het gedeelte van de berekening dat betrekking heeft op de bepaling van het draagkrachtloos inkomen kan ook op de onderhoudsgerechtigde worden toegepast om diens minimumbehoefte te berekenen. Ook kan een jusvergelijking worden gemaakt om te bezien of er reden is minder alimentatie toe te kennen dan de gevonden ‘maximale' alimentatie (zie hoofdstuk 5).

4.2 Kernschema

De kern van de draagkrachtberekening schematisch weergegeven:

inkomsten    
netto besteedbaar inkomen volgens netto of bruto methode €...
af: lasten    
bijstandsnorm € …  
andere relevante lasten € …  
draagkrachtloos inkomen   €…
draagkrachtruimte   €...
draagkracht = bepaald percentage (draagkrachtpercentage) van de draagkrachtruimte.

Gaat het erom wat de betrokkene aan alimentatie kan betalen? Dan krijgt het schema als vervolg:

maximale alimentatie = draagkracht + eventueel fiscaal voordeel

4.3 Verklaring van de begrippen

Netto besteedbaar inkomen volgens netto of bruto methode

Het netto besteedbare inkomen bestaat uit het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies (inclusief de inkomensafhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en belasting en eventueel vermeerderd met het kindgebonden budget waarop aanspraak bestaat.

In veel gevallen heeft de onderhoudsplichtige een inkomen uit dienstbetrekking, ambtelijk inkomen daaronder begrepen, of een uitkering. Hiervan kan gewoonlijk een loonspecificatie op maand- of weekbasis worden overgelegd. Indien daaruit blijkt dat het inkomen van degene wiens draagkracht berekend wordt lager is dan € 1.400 bruto per maand (incl. vakantietoeslag), dan wordt in beginsel uitgegaan van het netto inkomen volgens de specificatie. Deze rekenwijze wordt netto methode genoemd. Uitgangspunt hierbij is dat de gehele berekening wordt uitgevoerd met netto bedragen op maandbasis, waarbij weekbedragen worden omgerekend.

In geval van een hoger inkomen, van inkomsten buiten dienstbetrekking of indien fiscale voordelen (bijv. bij een eigen woning, partneralimentatie of de levensloopregeling), bijtellingen, bezittingen die in box III worden belast of specifieke heffingskortingen een rol spelen, wordt het netto besteedbaar inkomen preciezer benaderd door middel van de zogenaamde bruto methode. Deze methode brengt de fiscale positie van de betrokkene in kaart door invulling van een met een aangifte inkomstenheffing vergelijkbaar model.

Bijstandsnorm

Uitgangspunt bij de alimentatiebepaling is, dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum wordt bepaald door de bijstandsnorm, waarmee wordt bedoeld het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als bijstandsuitkering zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van zijn (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën waarvan er drie voor de draagkrachtberekening van belang zijn: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders -ongeacht het aantal kinderen- begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdoms-wet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. De expertgroep beveelt aan in beginsel te rekenen met de norm voor een alleenstaande, waarbij geen rekening wordt gehouden met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet, maar wel rekening wordt gehouden met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm wordt niet toegepast.

De bijstandsnorm in de draagkrachtberekening voorziet in de bewaking van het bestaansminimum van de onderhoudsplichtige. Daarmee zijn eigenlijk alle normale dagelijkse uitgaven in één bedrag tot uitdrukking gebracht. Er wordt echter een correctie voor de werkelijke woon- en ziektekosten toegepast.

Relevante lasten

Ook (redelijke) lasten van de onderhoudsplichtige, al dan niet forfaitair berekend, dienen in de beschouwing te worden betrokken. Naast de normale in de bijstandsnorm verdisconteerde uitgaven kan rekening gehouden met andere uitgaven. Als zulke andere relevante lasten gelden bijvoorbeeld de premie ZVW, aflossing op schulden en door de scheiding van partijen noodzakelijk geworden herinrichtingskosten.

Draagkrachtloos inkomen

De bijstandsnorm en de andere relevante lasten worden tezamen het draagkrachtloos inkomen genoemd (het deel van het inkomen dat geen draagkracht oplevert).

Draagkrachtruimte

Voor zover het inkomen uitgaat boven het draagkrachtloze deel is in beginsel sprake van ‘ruimte' voor alimentatievaststelling. Het verschil tussen inkomen en draagkrachtloos inkomen wordt daarom draagkrachtruimte genoemd. Bij een positieve draagkrachtruimte (zie het schema in hoofdstuk 4.2) wordt de onderhoudsplichtige in beginsel in staat geacht alimentatie te betalen.

Draagkracht, draagkrachtpercentage

Van de gevonden draagkrachtruimte wordt slechts een bepaald percentage, namelijk het draagkrachtpercentage, bestempeld als draagkracht. Deze draagkracht vormt het bedrag dat een onderhoudsplichtige wordt geacht te kunnen missen ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde(n). De ruimte wordt aldus verdeeld over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage.

Alle onderhoudsverplichtingen dienen in beginsel ten laste van de draagkracht te worden gebracht. Het staat partijen natuurlijk vrij een deel van de verplichtingen niet ten laste van de draagkracht maar ten laste van het draagkrachtloos inkomen te brengen. Dit gebeurt wel met een bijdrage voor een (studerend) kind van 21 jaar of ouder. Het gevolg hiervan is dat er dan meer ruimte overblijft voor de andere onderhoudsgerechtigde(n).

Er zijn verschillende draagkrachtpercentages voor alleenstaanden en voor hen die een gezin hebben. Bij hantering van de bruto methode worden lagere percentages toegepast dan bij de wat globalere netto methode.

Fiscaal voordeel

Voldoet de alimentatieplichtige tegenover de gerechtigde, niet bloed- of aanverwant in de rechte lijn of tweede graad van de zijlijn, aan een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende onderhoudsverplichting, dan bestaat voor de betaalde alimentatie recht op een persoonsgebonden aftrekpost.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan aldus in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Deze vermindering wordt aangeduid als fiscaal voordeel.

Voor zover sprake is van fiscaal voordeel neemt de betaalcapaciteit van de onderhoudsplichtige in feite toe zodat per saldo meer gemist kan worden dan de berekende draagkracht. Indien daadwerkelijk aanspraak kan worden gemaakt op een fiscaal voordeel, is dus sprake van ‘extra draagkracht' gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens, te weten de inkomens onder € 1.400 bruto per maand inclusief vakantietoeslag (ongeveer € 1.090 netto), wordt deze extra draagkracht buiten beschouwing gelaten, omdat dat fiscale voordeel veelal niet wordt geëffectueerd. Bij hogere inkomens wordt het fiscaal voordeel in de bruto methode overgeheveld naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.4 ‘Gelijkheid boven en onder de streep’

De draagkrachtberekening volgens de bruto methode valt uiteen in twee gedeelten:

  1. de omrekening van het bruto inkomen naar het netto besteedbaar inkomen;
  2. de berekening van de draagkracht en alimentatie op basis van het gevonden netto inkomen volgens het kernschema in 4.2.

In de alimentatiepraktijk worden de twee trajecten vaak aangeduid als de berekeningen ‘boven de streep' respectievelijk ‘onder de streep'.

In wezen kent de netto methode dezelfde tweedeling maar daarbij wordt wat betreft de omrekening van bruto naar netto in beginsel aangesloten bij de op de loonspecificatie vermelde inhoudingen. Correctie van het nettoloon vindt plaats indien er sprake is van een voorlopige teruggaaf op grond van een andere heffingskorting dan de algemene en arbeidskorting.

Naast zuiver fiscale aftrekposten, zoals de investeringsaftrek en zelfstandigenaftrek, zijn er vele reële uitgaven die in de draagkrachtberekening zowel boven als onder de streep in aanmerking worden genomen. Gaat het daarbij om uitgaven die fiscaal nominaal aftrekbaar zijn, dus niet forfaitair, dan beveelt de expertgroep aan te werken volgens het principe van ‘gelijkheid boven en onder de streep'. Dit is van belang wanneer bepaalde door de onderhoudsplichtige opgevoerde uitgaven niet ten laste van de draagkrachtruimte (‘onder de streep') in aanmerking worden genomen. Volgens genoemd principe is het redelijk in dat geval ook de fiscale aftrekbaarheid (‘boven de streep') van die uitgaven buiten beschouwing te laten. Zou de fiscale aftrek wel in aanmerking worden genomen dan zou immers de onderhoudsplichtige de ‘lasten' van zijn uitgaven geheel alleen dragen en de ‘lusten' daarvan (fiscaal voordeel) met de onderhoudsgerechtigde(n) moeten delen.

Voorbeelden van uitgaven waarbij het principe van gelijkheid boven en onder de streep een rol kan spelen zijn de premies voor pensioen- en arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen. In geval van korting wegens een onredelijke woonlast: zie hoofdstuk 6 onder 123.

4.5 Draagkrachtberekening ten behoeve van kinderalimentatie

(Voor minderjarige en/of jongmeerderjarige kinderen.)

Voor de vaststelling van kinderalimentatie is het netto besteedbaar inkomen van de alimentatieplichtige het uitgangspunt. Om dit te berekenen wordt gebruik gemaakt van de berekening ‘boven de streep’ tot en met het netto besteedbaar inkomen per maand (121). Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning wordt niet bij het netto besteedbaar inkomen geteld. (Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.) Redelijke lasten worden vervolgens ‘onder de streep’ forfaitair in aanmerking genomen, op de wijze omschreven in de draagkrachtformule en - tabel (bijlage bij het rapport). Deze formule en tabel vervangen derhalve de posten 122 tot en met 140.

Forfaitaire benadering draagkracht kinderalimentatie

Voorrang van kinderalimentatie boven alle andere onderhoudsverplichtingen heeft onder meer tot gevolg dat bij de bepaling van de draagkracht alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking wordt genomen en geen rekening wordt gehouden met de nieuwe partner / echtgeno(o)t(e) / geregistreerde partner. Gedachte hierachter is dat een partner in staat moet worden geacht in eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl dit van een kind niet kan worden verwacht. De draagkrachttabel houdt op forfaitaire wijze rekening met de volgende redelijke kosten van levensonderhoud van de onderhoudsplichtige (januari 2017):

  • een redelijke netto woonlast van 30% van het netto inkomen
  • een bedrag van € 905 voor de kosten van levensonderhoud, dat als volgt is opgebouwd:
             Bijstandsnorm € 983
  Wooncomponent € 221 -
  Ziektekosten € 135
  Ziektekostencomponent € 40   -
  Onvoorzien € 50     
  Totaal € 905

Voor de pensioengerechtigden geldt een bijstandsnorm van € 1.104 (januari 2017). Dientengevolge dient het draagkrachtloos inkomen te worden verhoogd tot € 1030.

Van het netto besteedbaar inkomen, verminderd met de hiervoor genoemde forfaitaire bedragen, is bij een inkomen vanaf € 1.575 circa 70% beschikbaar als draagkracht.

Bij de lagere inkomens wordt 70% tot 100% van de ruimte na aftrek van de forfaitaire lasten beschikbaar geacht, waarbij bovendien de post onvoorzien bij de laagste categorie geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing wordt gelaten. Voor zover het inkomen lager is dan € 1.325 wordt uitgegaan van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

De draagkrachttabel is opgenomen in de bijlage bij het rapport.

Premies inkomensvoorzieningen

Sommige werknemers, de resultaatgenieter, de ondernemer en de directeur grootaandeelhouder, komen niet in aanmerking voor de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking worden genomen. Bij de vaststelling van kinderalimentatie wordt daartoe het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

Draagkracht

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige wordt mede beïnvloed door de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. In geval van een tekort aan draagkracht om in de behoefte van de betrokken kinderen te voorzien, wordt de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk verdeeld over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil in behoefte bestaat.

5. CONFRONTATIE VAN BEHOEFTE EN DRAAGKRACHT

5.1 Algemeen

De te bepalen alimentatie wordt begrensd door de vastgestelde draagkracht en behoefte. De laagste van de twee maximeert de alimentatie. De wettelijke opdracht om met behoefte en draagkracht rekening te houden, opent evenwel de mogelijkheid om op grond van de onderlinge verhoudingen tot een lager bedrag dan het maximum te besluiten.

5.2 Indien kinderalimentatie moet worden vastgesteld

5.2.1 Draagkrachtvergelijking

Indien beide ouders na de scheiding een inkomen hebben dat hoger is dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande, rijst de vraag wie welk deel van de behoefte van een kind moet dragen. Ter bepaling van ieders aandeel wordt van de ouders, en indien van toepassing een stiefouder, een draagkrachtvergelijking gemaakt. Dat is niet nodig als de gezamenlijke draagkracht van de ouders lager is dan de behoefte van het kind. Dan wordt de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder beperkt tot diens draagkracht.

Voor het geval wel een volledige draagkrachtvergelijking wordt gemaakt, beveelt de expertgroep aan de betrokken kinderen buiten beschouwing te laten. Dat betekent dat de rechthebbende als alleenstaande wordt beschouwd, tenzij er nog andere gezinsleden zijn die (mede) door de onderhoudsgerechtigde moeten worden onderhouden dan de kinderen van partijen. Wel moet er rekening mee worden gehouden dat rechthebbende door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen voor extra heffingskortingen en/of een kindgebonden budget in verband met deze kinderen.

Een voorbeeld ter verduidelijking: een kind (7 jaar) woont bij moeder (ouder 2) en tijdens het huwelijk waren partijen tweeverdieners. De behoefte bedraagt inclusief kosten kinderopvang € 315,- per maand.

Draagkrachtvergelijking ter verdeling van de behoefte van een kind

  Ouder 1: Ouder 2:
netto inkomen incl. vakantietoeslag 1780 1340
extra heffingskorting na scheiding   50
totaal inkomen 1780 1390
     
draagkrachtloos inkomen 1394 1227
     
draagkracht 270 114

De totale draagkracht van ouder 1 en ouder 2 bedraagt dan tezamen 384 (270 + 114).

De verdeling van de kosten over beide ouders kan dan berekend worden volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel

het deel van ouder 1 bedraagt: 270 / 384 x 315 = € 221
het deel van ouder 2 bedraagt: 114 / 384 x 315 = € 94
samen                                                                € 315

De zorgkorting, zie paragraaf 5.2.2., is hier nog niet in aanmerking genomen.

5.2.2 De invloed van de zorgregeling

Bereiken ouders geen overeenstemming over de verdeling van de uitgaven ten behoeve van de kinderen, dan wordt aanbevolen de kosten in verband met de verdeling van de zorg op de volgende wijze te begroten en te verdisconteren.

De kosten van de zorgregeling worden bepaald aan de hand van de behoefte en het gemiddeld aantal dagen per week - vakanties meegerekend - dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft. De gedachte hierachter is dat de feitelijke zorgverdeling er toe leidt dat de ouder, waar het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, voor een deel niet in de behoefte van het kind hoeft te voorzien, omdat de andere ouder daar in natura in voorziet in de periode dat het kind bij hem verblijft. Om die reden dalen de kosten die de verzorgende ouder ten behoeve van het kind heeft. Uitgangspunt hierbij is en blijft dat de ouder waar het kind hoofdverblijf heeft de ‘vast lasten’ voldoet, zoals schoolgeld, contributie voor sport en dergelijke.

Als vuistregel worden de zorgkosten uitgedrukt in een percentage van de behoefte, hetgeen de zorgkorting oplevert:

5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week
15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week
25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week
35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt ten minste 5% van de behoefte (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang en in ieder geval tot dat bedrag in de zorg zou kunnen worden voorzien. 

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Na het maken van de draagkrachtvergelijking, zie hiervoor in paragraaf 5.2.1., wordt de zorgkorting in beginsel in mindering gebracht op het aldus berekende aandeel.

Voorbeeld:

Behoefte van het kind € 315 per maand
Zorgkorting 15% € 47 per maand

Ouder 1 dient in de onderlinge verhouding € 270 bij te dragen in de behoefte.
In dat geval wordt de te betalen alimentatie vastgesteld op € 270 - € 47 = € 223.

Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om in de behoefte van het kind te voorzien. Indien een tekort aan draagkracht bestaat, vermindert het tekort de zorgkorting. Na toepassing van de zorgkorting wordt het tekort gelijkelijk verdeeld over de onderhoudsplichtigen.

Voorbeeld:

Behoefte van het kind € 415 per maand 
Zorgkorting 15% € 62 per maand

Stel:
draagkracht ouder 1 is € 260
draagkracht ouder 2 is € 115.

De gezamenlijke draagkracht is € 40 minder dan de behoefte van € 415. Gelijke toerekening van het tekort aan de beide ouders leidt tot toerekening van de helft van het tekort, dat wil zeggen € 20, aan ouder 1. In dat geval kan de bijdrage van ouder 1 als volgt worden berekend: € 260 – (€ 62 - € 20) = € 218. Ouder 1 kan zijn zorgkorting dus maar gedeeltelijk verzilveren.

Is het tekort aan gezamenlijke draagkracht van beide ouders om in de behoefte van het kind te voorzien in dit geval twee keer zo groot als de zorgkorting waar ouder 1 recht op heeft, dan dient ouder 1 tot het volledige bedrag van zijn draagkracht bij te dragen. Het tekort om in de behoefte te voorzien wordt over de ouders verdeeld, nu ouder 2 een bijdrage krijgt die lager is dan de behoefte en ouder 1 de zorgkosten niet kan verdisconteren.

5.2.3 Co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet wettelijke term die in de praktijk wordt gebruikt voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorg wordt op de hiervoor in paragraaf 5.2.2 beschreven wijze in de berekening verwerkt, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt in ruime zorgregelingen of co-ouderschap. Bij andere afspraken over kostenverdeling kunnen de onderhoudsplichtigen in onderling overleg een ander of geen kortingspercentage toepassen.

Het is mogelijk dat een co-ouder bij wie een kind is ingeschreven voor een kind aanspraak kan maken op bepaalde heffingskortingen, zoals de inkomensafhankelijke combinatiekorting, en dat hij voor het onderhoud dat hij voor een ander kind voldoet de persoonsgebonden aftrek wegens kinderalimentatie geniet. Hiermee dient bij de berekening van de draagkracht rekening te worden gehouden.

5.3 Ingeval partneralimentatie moet worden vastgesteld

Als er sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn de financiële situatie van partijen op basis van ieders inkomen en lasten te vergelijken. Men noemt dit een jusvergelijking. In het algemeen vindt de expertgroep het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde niet meer “vrije ruimte” of “jus” overhoudt dan de onderhoudsplichtige; met andere woorden de onderhoudsgerechtigde behoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige (N.B: er bestaat geen regel dat partijen na de scheiding in beginsel een gelijk besteedbaar inkomen behoren te hebben). Voorwaarde voor een goede vergelijking is een gelijke behandeling van partijen bij de beoordeling van hun lasten. Voor de onderhoudsgerechtigde kan op dezelfde wijze als voor de onderhoudsplichtige een draagkrachtberekening worden gemaakt met daarin verwerkt de bijstandsnorm, de (redelijke) woonlast, de premie ZVW en andere bijzondere, noodzakelijke lasten. Luxe uitgaven waaraan de onderhoudsgerechtigde tijdens het huwelijk gewend was, dienen niet in het draagkrachtloos inkomen te worden opgenomen; bij de onderhoudsplichtige gebeurt dit immers ook niet. Vervolgens wordt dan vergeleken welke “jus” ieder overhoudt na betaling van een bepaald bedrag aan partneralimentatie door de onderhoudsplichtige.

Bij de onderhoudsplichtige wordt het aandeel in de kosten kinderen dat voor zijn rekening komt, dat wil zeggen voor toepassing van de eventuele zorgkorting (voor hun beider of andere kinderen) als last in mindering op de draagkracht gebracht, zie hierna paragraaf 5.4. De door de onderhoudsgerechtigde ontvangen kinderalimentatie wordt direct toegerekend aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel wordt bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening gehouden met de aan die ouder toekomende fiscale voordelen van het tot het gezin behoren van kinderen, zoals de extra heffingskorting alsmede het kindgebonden budget waarop aanspraak bestaat.

De aldus berekende jus bij elk van beide partijen verschaft inzicht in de financiële gevolgen van een scheiding. Deze jus hebben beide partijen immers nodig om te voorzien in de niet in de berekening verwerkte uitgaven en luxe uitgaven (de welstand) waaraan zij gewend waren tijdens het huwelijk. Denk bij voorbeeld aan vakanties, een auto, contributies van clubs en dergelijke. Het op de volgende pagina afgebeelde schema kan voorgaande beschrijving van een jusvergelijking verduidelijken.

Schema onderhoudsplicht

De berekende jus dient niet te worden verward met het begrip “vrije ruimte” dat in geval van een reguliere draagkrachtberekening gebruikt wordt, te weten het gedeelte van de draagkrachtruimte (40% of 55% dat resteert na 60% of 45% alimentatie van die ruimte in de bruto methode) dat de onderhoudsplichtige zelf mag houden. De jus in een jusvergelijking kan gelijk zijn aan of zelfs groter dan dat zelf te behouden deel van de draagkrachtruimte, maar niet kleiner omdat de vergelijking er volgens de expertgroep niet toe mag leiden dat er meer alimentatie wordt vastgesteld dan de draagkracht van de onderhoudsplichtige op grond van de richtlijnen van de expertgroep toelaat. Dit gevolg acht de expertgroep in het algemeen niet redelijk. Minder alimentatie dan de draagkracht toelaat, is wel mogelijk, bijvoorbeeld indien uit de vergelijking blijkt dat de onderhoudsgerechtigde meer jus overhoudt dan de onderhoudsplichtige. Indien de jus van de onderhoudsgerechtigde groter is dan die van de onderhoudsplichtige, is er reden een lagere alimentatie vast te stellen, in beginsel een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijke vrije ruimte hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit eenvoudig worden berekend.

5.4 Ingeval naast kinderalimentatie tevens partneralimentatie moet worden vastgesteld

Op grond van artikel 1:400 van het Burgerlijk Wetboek heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen op partner- maar ook op kinderalimentatie aanspraak maakt, dient allereerst een draagkrachtberekening te worden gemaakt voor de vaststelling van kinderalimentatie, waarbij altijd de norm voor een alleenstaande wordt gebruikt en de draagkracht in beginsel gelijk wordt verdeeld over alle kinderen die de ouder moet onderhouden (zie voor de bijzonderheden van deze berekening hoofdstuk 4.5. en 5.2).

Vervolgens kan op de hiervoor omschreven wijze een draagkrachtberekening voor de vaststelling van partneralimentatie worden gemaakt (zie verder 5.3), waarbij de kosten van de kinderen ten laste van de alsdan berekende draagkracht worden gebracht. De resterende draagkracht kan worden aangewend voor partneralimentatie.

Als de kosten van de kinderen tussen de onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige worden verdeeld, kan dat deel van deze kosten dat ten laste van de onderhoudsgerechtigde komt in de draagkrachtberekening voor de vaststelling van partneralimentatie worden verwerkt en ten laste van de draagkracht worden gebracht net zoals in de berekening van de onderhoudsplichtige.

Een voorbeeld van deze situatie ter verduidelijking: stel de ouders hebben een kind van 13 jaar. Ouder 1 heeft een besteedbaar inkomen van € 2.000,- per maand en ouder 2 een besteedbaar inkomen, rekening houdend met de extra heffingskortingen, van € 1.500,- per maand. De behoefte van het kind hebben zij, rekening houdend met de tabel kosten kinderen en het gezamenlijk gezinsinkomen toen men nog samenwoonde, vastgesteld op € 500.- per maand.

Volgens de draagkrachtformule (2014) heeft ouder 1 een draagkracht van € 375 en heeft ouder 2 een draagkracht van € 133. Vervolgens wordt ieders bijdrage voor het kind bepaald. Verdeling naar rato van ieders draagkracht (zie voor de formule 5.2) leidt tot een bijdrage van 378/511 x 500 = € 370,- per maand van ouder 1 en van € 130,- per maand van ouder 2. Ieders deel van de kosten van het kind wordt ten laste van de draagkracht gebracht. Vervolgens wordt voor beide ouders een draagkrachtberekening gemaakt zoals hiervoor in 5.3 beschreven, waarin de kosten van het kind aan beide zijden ten laste van de draagkracht worden gebracht. Ten slotte kan met behulp van een jusvergelijking zoals hiervoor in 5.3 beschreven, worden bezien welke partneralimentatie redelijk is.

De ontvangen kinderalimentatie is geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder dat dient ter dekking van de eigen kosten en blijft daarom bij de berekening van diens draagkracht dan wel de behoefte buiten beschouwing.

6. TOELICHTING BIJ DE MODELLEN VOOR DE DRAAGKRACHTBEREKENING

6.1 Modellen en tarieven

Er zijn twee modellen: het netto- en brutomodel. Voor de aanbeveling van welke methode gebruik te maken, zie paragraaf 4.3 Verklaring van de begrippen.

In het netto model wordt geen rekening gehouden met het belastingvoordeel. In het bruto model wordt wel rekening gehouden met belastingvoordeel. In beginsel valt dit voordeel geheel toe aan de onderhoudsgerechtigden.

De twee modellen zijn opgenomen in de losse bijlage bij dit rapport. Dit hoofdstuk bevat een puntsgewijze toelichting op de modellen. De nummering hieronder correspondeert met die in de modellen, zodat bij het gebruik daarvan de toelichting gemakkelijk per onderwerp kan worden geraadpleegd. Tariefgegevens van de laatste jaren zijn onder dezelfde nummering achter de modellen in de bijlage opgenomen (‘tarieven en tabellen').

De expertgroep publiceert halfjaarlijks een actuele bijlage waarin de recente tarieven zijn verwerkt.

6.2 Toelichting bij het model voor de netto methode

1 Netto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking

Onder netto inkomen wordt hier verstaan: het bruto inkomen onder aftrek van de hierover verschuldigde belasting, de eventueel daarop ingehouden of verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW, premies werknemersverzekeringen, pensioenpremie c.q. bijdrageverhaal en andere collectieve werknemerslasten. Voor andere inhoudingen waarvan blijkt uit de loonspecificatie moet zo nodig worden gecorrigeerd.

In geval van inkomsten die sterk aan schommelingen onderhevig zijn, bijvoorbeeld als gevolg van conjunctuur- of seizoensinvloeden of structureel overwerk, kan aanleiding bestaan een langere periode in de beschouwing te betrekken zodat een redelijk gemiddelde wordt verkregen. In die gevallen zou ook overwogen kunnen worden om, uitgaande van een jaaropgave, toch een bruto berekening te maken.

Inkomen van werknemers die vakantiebonnen ontvangen wordt niet bij 1 maar bij 5 ingevuld.

Als het inkomen per vier weken wordt betaald, dient dit te worden omgerekend naar een maandbedrag (vermenigvuldigen met de breuk 13/12).

Het betreft zowel inkomsten uit hoofd- als uit nevenfuncties (zie ook 7a).

In de loonstrook is de standaardloonheffingskorting verwerkt, die bestaat uit: de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en – eventueel, indien daar recht op bestaat – de jonggehandicaptenkorting en de (alleenstaande) ouderenkorting.

2 Netto AOW-uitkering

Onder de netto AOW-uitkering wordt verstaan de bruto AOW-uitkering verminderd met de daarover verschuldigde loonheffing en overige inhoudingen, waaronder de inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW. Over een AOW-uitkering betaalt men geen premie WW. Het basispensioen voor een gehuwde is anders dan voor een ongehuwde. Daarom heeft een scheiding in het algemeen invloed op de hoogte van de AOW-uitkering.

De AOW geeft recht op een vakantietoeslag die jaarlijks in mei wordt betaald. Zie voor het bedrag de desbetreffende regeling.

3 Netto uitkering andere sociale verzekeringswetten

De uitkering dient te worden verminderd met de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW.

Uitkeringen aan werknemers waarbij vakantiebonnen worden verstrekt moeten niet bij 3 maar bij 5 worden ingevuld.

4 Vakantietoeslag

De vakantietoeslag wordt in de berekening betrokken. Daartoe wordt bij het netto inkomen in het algemeen 8% opgeteld.
De bijtelling van vakantietoeslag geldt niet voor werknemers die nog vakantiebonnen ontvangen. Hun inkomsten worden niet bij 1 of 3 maar bij 5 ingevuld. Over een uitkering krachtens de sociale verzekeringswetten en over een AOW-uitkering ontvangt men vakantietoeslag. De vakantietoeslag over de AOW bedraagt echter geen 8% Zie voor het juiste bedrag de desbetreffende regeling. Over de meeste particuliere pensioenen ontvangt men geen afzonderlijke vakantietoeslag.

5 Netto arbeidsinkomen incl. 100 %-waarde vakantiebonnen

In een aantal sectoren wordt gebruik gemaakt van vakantiebonnen. Het netto maandinkomen van werknemers die vakantiebonnen ontvangen, kan niet zonder meer uit de loonstrook worden afgelezen, doch moet berekend worden. Bij deze werknemers is namelijk geen sprake van vakan- tietoeslag en loon over vakantiedagen. De verstrekte vakantiebonnen omvatten gedeeltelijk vakantiegeld en gedeeltelijk een vergoeding ter zake van loonderving voor vakantiedagen, waarover het loon niet wordt doorbetaald. Deze werknemers ontvangen (doorgaans) maximaal 46 weken loon (en vakantiebonnen) per jaar. De vakantiebonnen kunnen 2 à 3 keer per jaar verzilverd worden. In die situatie wordt aan de hand van de salarisgegevens en de waarde van de vakantiebonnen het werkelijk besteedbaar netto inkomen per maand herleid. Op een loonstrook wordt meestal alleen de fiscaal belaste waarde van de vakantiebon vermeld. De fiscaal onbelaste waarde bedroeg tot 1999 meestal 25% en is daarna afgebouwd.

De belaste waarde resp. onbelaste waarde bedraagt in

1999: 77,5 % 22,5 % 
2000: 80 % 20 % 
2001: 82,5 % 17,5 % 
2002: 85 % 15 % 
2003: 87,5 % 12,5 %
2004: 90 % 10,0 %
2005 t/m 2007: 92,5 % 7,5 % 
2008: 95 % 5%
2009: 97,5 % 2,5%
2010: 99% 1%

Per loonperiode wordt over de belaste waarde loonheffing op het loon ingehouden. De 100 %-waarde van de vakantiebon wordt door de werkgever aan de bedrijfsvereniging afgedragen. Bij de verzilvering van de vakantiebon krijgt de werknemer dan ook de gehele waarde uitgekeerd.
Een gebruikelijke berekening van het werkelijk netto maandinkomen op basis van een weekloon gaat als volgt: 46 maal netto weekinkomen vermeerderd met 46 maal de 100 %-waarde van de vakantiebon en het totaal gedeeld door 12.

Over een periode van werkloosheid, bijvoorbeeld bij vorstverlet, ontvangt een werknemer een WW- uitkering. Hieromtrent worden door de desbetreffende uitkerende instantie opgaven (ook jaaropgaven) verstrekt.

In de sector Bouwnijverheid wordt gebruik gemaakt van het zogenaamde Tijdspaarfonds. Het loon wordt over 52 weken betaald, waarnaast per jaar 18 dagen extra worden uitbetaald. Over het totaal van beide bedragen wordt 8% vakantietoeslag uitbetaald. Op de loonstrook worden de extra dagen vermeld als bijvoorbeeld “TSF-dagen” of “tijdspaarfonds”. De daarmee corresponderende bedragen, inclusief de vakantietoeslag daarover, worden door de werkgever rechtstreeks gestort in het tijdspaarfonds. De bouwplaatswerknemer kan de opgebouwde rechten aanwenden voor vrije tijd, de levensloopregeling of een uitkering in geld.

6 Netto pensioen

Onder het netto pensioen wordt verstaan het bruto pensioen verminderd met de daarover ver- schuldigde loonheffing en overige inhoudingen. Over een pensioen betaalt men geen premie WW.

Een pensioen geeft meestal geen recht op een afzonderlijke vakantie-uitkering.

Zie LET OP pensioenverrekening en –verevening onder 7h.

7 Ander netto inkomen

a. Bijverdiensten

Het is niet mogelijk eenduidig aan te geven of en in hoeverre nevenverdiensten, zoals overwerk en gehonoreerde nevenfuncties, mede bepalend moeten zijn voor de draagkracht. Dit zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden. Bij de beoordeling van de vraag of de onderhoudsplichtige vrijwillig mag stoppen met nevenverdiensten of overwerk zou in aanmerking genomen kunnen worden of deze nevenverdiensten in mindere of meerdere mate inherent zijn aan de vervulling van de hoofdfunctie en of deze inkomsten ook al -structureel- tijdens het huwelijk werden verworven. Bij sterke schommelingen in inkomsten moet zoveel mogelijk het gemiddelde worden bepaald.
Fooien worden zoveel mogelijk bij de draagkrachtberekening in aanmerking genomen.

b. Onkostenvergoedingen

Onkostenvergoedingen worden niet bij het inkomen opgeteld, tenzij deze als bovenmatig aangemerkt moeten worden. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of de onkostenvergoeding (gedeeltelijk) als verkapt inkomen is aan te merken. Daarbij zal rekening gehouden moeten worden met het feit dat meestal niet precies is aan te geven waaruit de maandelijkse beroepskosten bestaan. In geval van een vergoeding voor noodzakelijke beroepskosten worden extra kosten alleen in aan- merking genomen voor zover de vergoeding aantoonbaar ontoereikend is.

c. Verhuur van kamers zonder of met pension

Inkomsten uit verhuur van een kamer zonder pension in een gehuurde woning zal in de regel als netto-inkomsten of als bijdrage in de woonlasten in aanmerking kunnen worden genomen.
Structurele verhuur van een kamer met pension zal in de regel worden beschouwd als een werkzaamheid, waarbij de opbrengst verminderd met de kosten in box I in de heffing wordt betrokken. Indien sprake is van een zodanige activiteit, verdient het aanbeveling het brutomodel te gebruiken.

d. Kostgeld kinderen

Kostgeld betaald door inwonende kinderen wordt buiten beschouwing gelaten. Dit kostgeld beïnvloedt de draagkracht niet.

e. Kinderbijslag/kindgebonden budget

DDe ontvangen kinderbijslag wordt rechtstreeks toegerekend aan de bij de onderhoudsplichtige verblijvende kinderen, voor wie de bijdragen zijn bestemd. De kinderbijslag wordt daarom niet bij het inkomen opgeteld.

De kinderbijslag is in de behoeftetabellen verdisconteerd.

Het kindgebonden budget is afhankelijk van het aantal kinderen per huishouden en de hoogte van het verzamelinkomen van de ouder die de kinderbijslag ontvangt en zijn of haar eventuele toeslagpartner. Hoe lager het inkomen, hoe hoger het kindgebonden budget. Er gelden wel inkomensgrenzen, afhankelijk van het aantal kinderen. Vanwege het inkomensafhankelijke karakter kan het kindgebonden budget niet worden verdisconteerd in de behoeftetabellen. Het dient apart te worden verwerkt als klein netto inkomen aan de zijde van de ontvanger.

f. Ontvangen kinderalimentatie

Een voor eigen kinderen of kinderen van de nieuwe partner ontvangen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding wordt niet bij het inkomen opgeteld, tenzij - en dan voor zover - het duidelijk is dat deze bijdrage de behoefte van de kinderen te boven gaat.

g. Inkomen van de nieuwe partner

Bij een nieuwe partner met eigen inkomsten is het uitgangspunt dat deze daarmee in eigen onderhoud kan voorzien. Op grond van dit uitgangspunt blijft dit inkomen buiten de draagkrachtberekening. De partner wordt als het ware als een zelfstandige economische eenheid beschouwd. De helft van de woonkosten en van andere gezamenlijke lasten wordt aan de partner toegerekend en voor wat betreft de toepassing van de bijstandsnorm en het draagkrachtpercentage wordt de nieuwe partner buiten beschouwing gelaten (alleenstaande of alleenstaande ouder, zie ook 9 en 23). Maakt de onderhoudsplichtige aannemelijk dat zijn partner niet geheel in eigen onderhoud kan voorzien dan wordt, indien sprake is van vaststelling van partneralimentatie, het inkomen van de partner als gezinsinkomen bij dat van de onderhoudsplichtige opgeteld (voor de vaststelling van kinderalimentatie, zie hoofdstuk 4.5). Het netto maandinkomen vermeerderd met de vakantietoeslag van de partner wordt in dat geval onder 7 vermeld.

Voor de toepassing van de bijstandsnorm en het draagkrachtpercentage worden de onderhouds- plichtige en zijn partner in deze situatie als gehuwden gezien.
Weigert de onderhoudsplichtige het inkomen van zijn partner bekend te maken dan moet worden aangenomen dat de partner in eigen onderhoud kan voorzien. Indien de partner geen inkomen heeft (of een zeer gering inkomen) dan bestaat er recht op uitkering van een bedrag gelijk aan de voor deze partner geldende algemene heffingskorting.

h. Klein netto inkomen uit vermogen

Hieronder moeten worden begrepen inkomsten uit vermogen, zoals effecten en onroerend goed, dat tot de heffingsgrondslag van box III behoort, maar waarvan de waarde verminderd met de schulden lager is dan het heffingvrije vermogen, zodat per saldo geen belasting in box III is verschuldigd. De inkomsten dienen onder aftrek van de kosten in aanmerking te worden genomen als netto inkomsten.

Elk inkomen uit vermogen behoort een rol te spelen, dus ook inkomsten die uit belegging van door schenkingen, erfstellingen en legaten verkregen vermogen verworven worden. Indien blijkt dat vermogen door een van de wil van de onderhoudsplichtige afhankelijke oorzaak minder opbrengt dan redelijkerwijs verwacht mag worden, kan een redelijke meeropbrengst in aanmerking worden genomen. Onder omstandigheden is interen op het vermogen niet uitgesloten.

Als een uitkering na ontslag mede bestemd is als aanvulling op het inkomen na ontslag, kan dit deel van de uitkering in aanmerking worden genomen bij de berekening van de draagkracht aldus, dat dit deel wordt toegerekend aan een bepaalde periode.

LET OP pensioenverrekening / pensioenvereveningIndien de onderhoudsplichtige een uitkering uit hoofde van pensioenverrekening aan een ex-echtgenoot moet betalen, beveelt de expertgroep aan deze verplichting af te trekken van het (bruto) inkomen en uitsluitend het resterende inkomen in de alimentatieberekening te betrekken.

Als de onderhoudsplichtige een pensioenvereveningsbijdrage moet betalen, is deze bijdrage in beginsel al van het inkomen afgetrokken omdat het pensioenfonds de vereveningsuitkering veelal rechtstreeks aan de gerechtigde betaalt.
Als de pensioenverrekening in het verleden contant is afgerekend, beveelt de expertgroep aan bij de berekening van de draagkracht na pensionering van degene die tot uitkering is overgegaan in beginsel het inkomen te nemen na aftrek van het bedrag van de indertijd berekende voorwaardelijke verrekeningsuitkering.

Als de onderhoudsplichtige een pensioenverrekenings- of -vereveningsuitkering ontvangt, dient dit inkomen bij het overig inkomen te worden opgeteld.

8 Totaal netto besteedbaar inkomen

Nota bene
Eventuele premies voor inkomensvoorzieningen verminderen het netto besteedbaar inkomen.
Voor de berekening van kinderalimentatie is 9 tot en met 23 vervangen door de draagkrachttabel, zie bijlage bij het Rapport.

9 Bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag

Zie paragraaf 4.3. onder Bijstandsnorm.

Met uitzondering van het normbedrag voor pensioengerechtigden, zijn de normbedragen Participatiewet afgeleid van het netto minimumloon. De Participatiewet geeft recht op een maandelijkse uitkering en een vakantie-uitkering. De normbedragen gelden landelijk, ze worden periodiek bijgesteld en halfjaarlijks gepubliceerd.
Het toepassen van deze normen ontslaat de rechter van het instellen van een budgetonderzoek.
Rechtszekerheid en rechtsgelijkheid worden hiermee gediend.

LET OP Nieuwe partner
De samenwoning met een nieuwe partner wordt, indien die partner in eigen onderhoud kan voorzien, bij de keuze van de toe te passen norm buiten beschouwing gelaten. Zie 7 onder g.

10 Woonlasten

a. Algemeen

De werkelijke woonlasten worden in aanmerking genomen. In de bijstandsnorm is echter reeds een component ‘woonlasten' begrepen, gelijk te stellen aan de gemiddelde basishuur conform de Wet op de huurtoeslag. Dit bedrag wordt daarom op de werkelijke woonlasten in mindering gebracht (zie het model voor de netto methode).

In een enkel geval zal het voorkomen dat de woonlasten lager zijn dan de gemiddelde basishuur. Als woonlast wordt dan het bedrag van die ondergrens ingevuld.

b. Huur

In geval van een huurwoning zijn de werkelijke woonlasten te stellen op het bedrag van de kale huur, verminderd met huurtoeslag (deze is belastingvrij), doch vermeerderd met servicekosten als bijdragen in het elektriciteitsverbruik van lift en in het schoonhouden van gemeenschappelijke ruimten. Bij de huur in rekening gebrachte kosten voor gebruik van stoffering, meubilering, verwarming, levering van water, gas en/of elektriciteit van de woning worden niet tot de woonlasten gerekend. Ter verduidelijking dient omtrent de aard van de in rekening gebrachte bedragen zo nodig een verhuurdersverklaring te worden overgelegd.

c. Kostgeld

Alleenstaanden die niet zelfstandig wonen, betalen soms kostgeld. Vaak is onduidelijk wat de woonkostencomponent daarin is. Als woonlast kan dan het bedrag van de huurcomponent in de bijstandsnorm worden aangehouden, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de woonkostencomponent in het kostgeld hoger is.

d. Korting wegens onredelijke woonlast

In individuele gevallen zal, gezien de persoonlijke omstandigheden en de woningmarkt ter plaatse, moeten worden beoordeeld of de woonlasten redelijk zijn. Die beoordeling geldt het totaal van de netto woonlasten. Is dit totaal onredelijk hoog, dan wordt naar redelijkheid een korting toegepast (N.B. geen gelijkheid ‘boven en onder de streep', zie hoofdstuk 4.4 en 123 van dit hoofdstuk).

LET OP Nieuwe partner
De samenwoning met een nieuwe partner wordt, indien die partner in eigen onderhoud kan voorzien, bij de keuze van de toe te passen norm buiten beschouwing gelaten. Zie 7 onder g.

11 Ziektekosten

De premie ZVW, inclusief de premie voor de aanvullende verzekering, kan in beginsel volledig in aanmerking worden genomen. Daarop komt, gezien de inhoud en strekking van artikel 475d lid 5 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in mindering de jaarlijks vastgestelde normpremie voor een alleenstaande dan wel voor een echtpaar als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, welke begrepen is in de bijstandsnorm. In het voorkomende geval komt ook de zorgtoeslag in mindering op het in aanmerking te nemen bedrag. Andere, niet door de verzekering gedekte medische kosten die aannemelijk worden gemaakt, zoals dieetkosten en tandartskosten, kunnen onder omstandigheden in aanmerking worden genomen. Met een verplicht eigen risico wordt slechts rekening gehouden indien aannemelijk wordt gemaakt dat daadwerkelijk van kosten sprake is.

12 Zelf betaalde premie arbeidsongeschiktheidsverzekering / oudedagsvoorziening / nabestaandenpensioen

De niet door de werkgever op het loon ingehouden, maar door de betrokkene zelf betaalde premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering (bijvoorbeeld om het zogenaamde WAO/WIA-gat te dichten), een oudedagsvoorziening en/of een nabestaandenpensioen kan hier worden opgenomen. Deze premies worden slechts in aanmerking genomen als de voorziening noodzakelijk is, bijvoorbeeld als sprake is van een onvolledig pensioen. Slechts die premie die recht geeft op een, gezien het in- komen, redelijke oudedagsvoorziening / nabestaandenpensioen komt voor aftrek bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking. Aansluiting kan worden gezocht bij de situatie zoals die bestond tijdens huwelijk / samenwoning. Indien partijen toen een dergelijke premie nodig achtten en betaalden, is het in beginsel redelijk dat de onderhoudsplichtige na het uiteengaan daarmee doorgaat. Bij de afweging kan ook een rol spelen dat de onderhoudsplicht in beginsel eindig is.

De premie voor een oudedagsvoorziening, gesloten omdat men een deel van zijn pensioen vanwege pensioenverrekening dan wel -verevening mist, wordt in beginsel niet als noodzakelijke last beschouwd.

13 Vervallen
14 Kosten omgangsregeling
Voor de verwerking van kosten verbonden aan de zorgregeling, die paragraaf 5.3.  

15 Andere bijzondere kosten

Bij de bepaling van de noodzakelijke kosten van bestaan kan ook met andere bijzondere kosten rekening gehouden worden. Als voorbeeld kan worden genoemd autokosten, indien deze sociaal en/of medisch noodzakelijk zijn, terwijl daarvoor geen vergoeding kan worden verkregen.

16 Werkelijke verwervingskosten

a. Algemene kosten

Reële, noodzakelijke kosten, gemaakt om het inkomen te verwerven, worden volledig bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen betrokken.

b. Reiskosten woon-werkverkeer

Met reëel gemaakte kosten woon-werkverkeer wordt, indien gereisd wordt met openbaar vervoer, volledig rekening gehouden, onder aftrek van eventueel door de werkgever verstrekte vergoedingen. Indien gebruik moet worden gemaakt van de eigen auto wordt gerekend met 12,5 eurocent per kilo- meter (€ 0,25 per retourkilometer). De eerste tien kilometer zijn niet uitgezonderd. Indien het noodzakelijk was voor de aanschaf van een auto een lening aan te gaan, dan kan met de aflossing van deze lening in beginsel rekening worden gehouden.

17 Studiekosten

Studiekosten kunnen in aanmerking worden genomen indien deze worden gemaakt met het reële vooruitzicht dat het inkomen en daarmee ook de draagkracht in de nabije toekomst stijgt. Voor zover sprake is van fiscaal voordeel beveelt de expertgroep de brutomethode aan, zodat daarmee rekening kan worden gehouden.

18 Rente en aflossing schulden

Betaling van rente en aflossing op schulden, aangegaan ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding vóór de samenwoning van de echtgenoten werd verbroken, en andere uit die tijd stammende verplichtingen worden altijd in aanmerking genomen.
Soms spelen ten tijde van de alimentatievaststelling nog problemen met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap of de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden. Veelal zullen deze problemen ook betrekking hebben op de vraag wie van partijen de bestaande schulden voor zijn rekening zal nemen. Wanneer aannemelijk is dat deze uiteindelijk uit het inkomen van de onderhoudsplichtige zullen moeten worden voldaan, wordt hiermee rekening gehouden, ook vóórdat de vermogensrechtelijke gevolgen van de scheiding zijn afgewikkeld. Dit kan anders zijn met schulden, aangegaan na het verbreken van de samenwoning. Weliswaar zijn dit ten tijde van de alimentatievaststelling bestaande verplichtingen, maar bekeken zal moeten worden of het aangaan van deze schulden zo noodzakelijk was, dat betaling daarvan prevaleert boven de verplichting tot betalen van alimentatie. Schulden die met aanwezig vermogen kunnen worden afgelost dienen buiten beschouwing te blijven.

19 Herinrichtingskosten

Met de kosten van herinrichting van degene die aan zijn ex-partner de inboedel heeft gelaten kan, afhankelijk van de omstandigheden (onder meer of het de betaling van kinderalimentatie betreft, zie hoofdstuk 4.5), geheel of ten dele rekening worden gehouden. Wanneer de noodzaak van herinrichting vaststaat en de kosten niet uit spaargeld kunnen worden voldaan, kan een schuld van maximaal € 5.500,- met een maandelijkse verplichting van € 125,- in het algemeen redelijk worden geacht. Wel moet aannemelijk zijn dat deze kosten daadwerkelijk zijn of moeten worden gemaakt.

20 Overige kosten waaronder advocaatkosten

Dit is een restrubriek voor niet algemeen voorkomende kosten.

In het algemeen beschouwt de expertgroep advocaatkosten gemaakt in het kader van een familierechtelijke procedure niet als een noodzakelijke last die voorrang heeft boven de onderhoudsverplichting, in ieder geval niet voor de vaststelling van kinderalimentatie (zie hoofdstuk 4.5). Indien partneralimentatie wordt vastgesteld kan daarover onder bijzondere omstandigheden anders worden geoordeeld: indien er sprake is van een hoge eigen bijdrage ingeval van gefinancierde rechtshulp dan wel een inkomen boven de grens voor gefinancierde rechtshulp alsmede van een beperkte vrije ruimte voor de onderhoudsplichtige zelf.

Indien aantoonbaar advocaatkosten zijn gemaakt en er geen liquide middelen zijn of binnen afzienbare termijn te verwachten zijn, beveelt de expertgroep aan rekening te houden met een bedrag voor noodzakelijke en redelijke kosten voor rechtshulp in de betreffende procedure van maximaal € 1.368,- met een maandlast van maximaal € 114,- gedurende ten hoogste een jaar.
Indien in een echtscheidingsprocedure bij de vaststelling van alimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen reeds met deze advocaatkosten rekening is gehouden, vangt de termijn van een jaar aan per datum voorlopige voorzieningen.

21 Draagkrachtloos inkomen

De som van de in aanmerking te nemen lasten, inclusief de bijstandsnorm, wordt draagkrachtloos inkomen genoemd. Het is het gedeelte van het inkomen dat geen draagkracht oplevert.

22 Draagkrachtruimte

Het draagkrachtloos inkomen wordt afgetrokken van het totaal netto inkomen. Wanneer het saldo positief is wordt dit draagkrachtruimte genoemd. Deze draagkrachtruimte wordt in een bepaalde verhouding, die vastligt in het draagkrachtpercentage (zie 22), tussen onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) verdeeld.

23 Draagkrachtpercentage

Van de gevonden draagkrachtruimte (zie 22) wordt 60% beschikbaar geacht voor partneralimentatie. Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage in de tabel en de daaraan ten grondslag liggende formule verwerkt

24 Vervallen

25 Resterend bedrag

Het resterende bedrag kan de onderhoudsplichtige geacht worden voor alimentatie te kunnen missen.

26 Kinderalimentatie

Indien vaststelling van kinderalimentatie is verzocht, moet, voor zover deze tussen partijen in geschil is, de behoefte van de kinderen worden vastgesteld. Zie hiervoor hoofdstuk 3.1 en de in de losse bijlage onder 28 opgenomen tabel ‘eigen aandeel kosten van kinderen' met toelichting.

6.3 Toelichting bij het model voor de bruto methode

Box I Inkomen uit werk en woning

41 Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking

Opgegeven moet worden het overeengekomen loon per jaar. Het bedrag dat per 4 weken wordt betaald moet met 13 worden vermenigvuldigd.

Als een jaaropgave beschikbaar is, kan men bij 60 beginnen en 41 tot en met 59 overslaan. Als men niet over een jaaropgaaf beschikt maar wel over de laatste salarisspecificatie van een jaar met cu- mulatieven kan men uitgaan van het heffingsloon dat in de cumulatieven staat, ook wel aangeduid als loon voor loonbelasting/premieheffing, loon lb/ph, belastbaar loon, fiscaal loon of loon loonheffing. Dit loon is gelijk aan het loon dat op een jaaropgaaf staat. Dit loon dient men niet te verwarren met loon OT of loon SVW. Nu over een uitkering uit hoofde van de Ziektewet - in tegenstelling tot die uit andere sociale verzekeringswetten - arbeidskorting wordt berekend (zie 117) en aanspraak kan worden gemaakt op vakantietoeslag, dient een dergelijke uitkering van de werkgever als arbeidsinkomen te worden verwerkt.

Inkomsten van werknemers die vakantiebonnen ontvangen worden niet bij 41 maar bij 45 ingevuld.

Bruto ZW-uitkering van het UWV

Ten aanzien van de uitkering uit hoofde van de Ziektewet van het UWV bestaat recht op de arbeidskorting. De vakantietoeslag is echter, anders dan bij de uitkering van de werkgever, al in de uitkering verwerkt. Indien geen andere inkomsten uit dienstbetrekking worden genoten, kan de uitkering hier worden ingevuld.

42 en 43 Bruto AOW-uitkering en Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten

Een WW-, WAO/WIA- en AOW-uitkering kan hier worden ingevuld, tenzij het een uitkering betreft waarbij aan werknemers vakantiebonnen worden verstrekt. Deze dienen bij 45 te worden ingevuld.

Het basispensioen voor een gehuwde verschilt van dat voor een ongehuwde. Daarom heeft een scheiding in het algemeen invloed op de hoogte van de AOW-uitkering. Over een AOW-uitkering is geen premie WW verschuldigd. Jaarlijks in mei wordt over de AOW-uitkering een vakantietoeslag uitbetaald. Deze toeslag bedraagt niet de gebruikelijke 8% bruto, maar een jaarlijks vast te stellen vast bruto bedrag.

LET OP Pensioenverrekening / pensioenverevening

Indien de onderhoudsplichtige een pensioenverrekeningsuitkering aan een ex-echtgenoot moet betalen beveelt de werkgroep aan deze verplichting af te trekken van het bruto inkomen en uitsluitend het resterende inkomen in de alimentatieberekening te betrekken.
Als de onderhoudsplichtige een pensioenvereveningsbijdrage moet betalen is deze bijdrage in beginsel al van het inkomen afgetrokken omdat het pensioenfonds de vereveningsuitkering rechtstreeks aan de gerechtigde betaalt. Als de pensioenverrekening in het verleden contant is afgerekend beveelt de expertgroep aan bij de berekening van de draagkracht na pensionering van degene die tot uitkering is overgegaan in beginsel het inkomen te nemen na aftrek van het bedrag van de indertijd berekende voorwaardelijke verrekeningsuitkering.

Als de onderhoudsplichtige een pensioenverrekenings- of -vereveningsuitkering ontvangt dient dit inkomen bij het overig inkomen te worden opgeteld. 

44 Vakantietoeslag

De vakantietoeslag wordt in de berekening betrokken door bij het bruto inkomen 8% op te tellen. Er wordt géén vakantietoeslag bijgeteld bij werknemers die vakantiebonnen ontvangen. Hun inkomsten worden niet bij 41 of 42 maar bij 45 ingevuld. Over het vakantiegeld worden geen werknemersverzekering- en pensioenpremies e.d. geheven, maar wel de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage ZVW, voor zover niet reeds op basis van het overige loon het maximum wordt bereikt.

Over een WW-, WAO/WIA- en AOW-uitkering wordt ook vakantietoeslag berekend. Voor het percentage, zie de betreffende regeling.

Over diverse particuliere pensioenen wordt geen vakantietoeslag uitgekeerd.

45 Bruto arbeidsinkomen inclusief belast deel waarde vakantiebonnen

Het bruto inkomen van werknemers in sectoren waarin vakantiebonnen worden verstrekt, kan niet zonder meer uit de salarisspecificatie worden afgelezen, doch moet berekend worden. Bij deze werknemers is er namelijk geen sprake van een vakantietoeslag en loon over vakantiedagen. De ver- strekte vakantiebonnen omvatten gedeeltelijk vakantiegeld en gedeeltelijk een vergoeding ter zake van loonderving voor vakantiedagen, waarover het loon niet wordt doorbetaald. Deze werknemers ontvangen in het algemeen maximaal 46 weken loon (en vakantiebonnen) per jaar. De vakantie- bonnen kunnen 2 à 3 keer per jaar verzilverd worden. In die situatie wordt aan de hand van de salarisgegevens en de waarde van de vakantiebonnen het bruto inkomen per jaar herleid.

Op een loonstrook wordt meestal alleen de fiscaal belaste waarde van de vakantiebon vermeld. 
De fiscaal belaste waarde bedroeg tot 1999 meestal 75 %. De belaste waarde resp. onbelaste waarde bedraagt in
1999: 77,5 % 22,5 % 
2000: 80 % 20 % 
2001: 82,5 % 17,5 % 
2002: 85 % 15 % 
2003: 87,5 % 12,5 %
2004: 90 % 10,0 %
2005 t/m 2007: 92,5 % 7,5 % 
2008: 95 % 5%
2009: 97,5 % 2,5%
2010: 99% 1%

Per loonperiode wordt over deze belaste waarde loonbelasting op het loon ingehouden. De 100%- waarde van de vakantiebon wordt door de werkgever aan de bedrijfsvereniging afgedragen. Bij de verzilvering van de vakantiebon krijgt de werknemer dan ook de gehele waarde uitgekeerd.

Bij 29 moet het fiscale bruto jaarinkomen worden ingevuld. Een gebruikelijke berekening van dit fiscale jaarinkomen in geval van een weekloon gaat als volgt: 46 maal het bruto weekinkomen vermeerderd met 46 maal de belaste waarde van de vakantiebonnen.
Over een periode van werkloosheid, bijvoorbeeld bij vorstverlet, ontvangt een werknemer een WW- uitkering. Hieromtrent worden door de desbetreffende uitkerende instantie opgaven (ook jaaropgaven) verstrekt. Voor zover bij de WW-uitkering vakantiezegels worden verstrekt zijn deze 100 % belast. Over de uitkeringsperiode is het fiscale bruto loon dus het aantal uitkeringsweken maal de bruto weekuitkering vermeerderd met het aantal uitkeringsweken maal de 100%-waarde van de vakantiebonnen. Indien de rest van het jaar gewerkt is, kan voor het aantal gewerkte weken 46 minus het aantal uitkeringsweken worden gerekend. Het fiscale bruto loon over die weken is dan dit aantal weken maal het bruto weekinkomen vermeerderd met dit aantal weken maal de belaste waarde van de vakantiebonnen. Het totaal kan bij 45 als fiscaal bruto jaarinkomen worden ingevuld. De onbelaste waarde van de vakantiebonnen (over de gewerkte weken) dient bij 118 te worden opgegeven.

In de sector Bouwnijverheid wordt sinds 2006 gebruik gemaakt van het Tijdspaarfonds. Het loon wordt over 52 weken betaald, waarnaast per jaar 18 dagen extra worden uitbetaald. Over het totaal van beide bedragen wordt 8% vakantietoeslag uitbetaald. Op de loonstrook worden de extra dagen vermeld als bijvoorbeeld “TSF-dagen” of “tijdspaarfonds”. De daarmee corresponderende bedragen, inclusief de vakantietoeslag daarover, worden door de werkgever rechtstreeks gestort in het tijdspaarfonds. De bouwplaatswerknemer kan de opgebouwde rechten aanwenden voor vrije tijd of een uitkering in geld.

46 Inkomsten uit overwerk

Het is niet mogelijk eenduidig aan te geven of en in hoeverre nevenverdiensten, zoals overwerk en gehonoreerde nevenfuncties, mede bepalend zijn voor de draagkracht. Dit zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden. Bij de beoordeling van de vraag of de onderhoudsplichtige vrijwillig mag stoppen met nevenverdiensten of overwerk zou in aanmerking genomen kunnen worden of deze nevenverdiensten in mindere of meerdere mate inherent zijn aan de vervulling van de hoofdfunctie en of deze inkomsten ook al -structureel- tijdens het huwelijk werden verworven. Bij sterke schommelingen in inkomsten moet zoveel mogelijk het gemiddelde worden bepaald.

Fooien worden zoveel mogelijk bij de draagkrachtberekening in aanmerking genomen.

47 en 48 13e maand/14e periode, belaste gratificaties en tantièmes

Eventueel ander bruto arbeidsinkomen, zoals een dertiende maand, een veertiende periode, gratificaties, tantièmes en eindejaarsuitkeringen worden bij het bruto arbeidsinkomen geteld, tenzij deze posten een incidenteel karakter dragen of reeds in het bruto inkomen onder 41 of 45 zijn verantwoord.

49 Belaste onkostenvergoedingen

Het wel of niet belast zijn van een onkostenvergoeding kan afgeleid worden uit de salarisspecificatie. Aan het feit dat de onkostenvergoeding fiscaal wordt belast kan niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat het gaat om verkapt inkomen.

51 Ingehouden pensioenpremie

De ingehouden pensioenpremie wordt op het bruto arbeidsinkomen in mindering gebracht, omdat deze premie voor de loonheffing niet tot het loon wordt gerekend.
De premie per jaar kan het best worden benaderd door het per maand betaalde bedrag met twaalf of het per 4 weken betaalde bedrag met dertien te vermenigvuldigen.

OP betekent ouderdomspensioen, NP betekent nabestaandenpensioen, IP-BW betekent invaliditeitspensioen bovenwettelijk.

53 Aanvullende door werkgever ingehouden premie nabestaandenpensioen/reparatie WAO/WIA-gat

Het zogenaamde WAO/WIA-gat en het tekort in nabestaandenpensioen kan worden gerepareerd door een collectieve aanvullende pensioenvoorziening. Fiscaal gezien heeft dit dezelfde gevolgen als de betaling van de gewone pensioenpremie. De premie moet dus op het loon in mindering worden gebracht voordat de premies werknemersverzekeringen worden berekend.

Deze premies worden slechts in aanmerking genomen als de voorziening noodzakelijk is, bijvoorbeeld als sprake is van een onvolledig pensioen. Slechts die premie die recht geeft op een, gezien het inkomen, redelijke oudedagsvoorziening dan wel redelijk nabestaandenpensioen komt voor aftrek bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking. Aansluiting kan worden gezocht bij de situatie zoals die bestond tijdens het huwelijk of de periode gedurende welke men samenwoonde. Indien partijen toen een dergelijke premie nodig achtten en betaalden is het in beginsel redelijk dat de onderhoudsplichtige na het uiteengaan daarmee doorgaat. Bij de afweging kan ook een rol spelen dat de onderhoudsplicht in beginsel eindig is.

De premie voor een oudedagsvoorziening, gesloten omdat men een deel van zijn pensioen vanwege pensioenverrekening dan wel -verevening mist, wordt in beginsel niet als een noodzakelijke last beschouwd.
De premie per jaar kan het best worden benaderd door het per maand betaalde bedrag met twaalf of het per 4 weken betaalde bedrag met dertien te vermenigvuldigen.

54 Loon voor de premies werknemersverzekeringen

Het op deze plaats berekende saldo geeft het inkomen, waarover de premies werknemersverzekeringen moeten worden berekend.

55 Premie WW

De premie WW (Werkloosheidswet) moet worden berekend over het loon per werkdag, maar over niet meer dan het maximum dagloon na aftrek van een franchise. Dat betekent dat bij een parttime dienstbetrekking het loon niet gedeeld kan worden door het totaal aantal werkdagen per jaar. Voor de gevallen waarin dit wel kan, volgen voor de verschillende jaren het totaal aantal werkdagen, het maximum dagloon, (door deze getallen met elkaar te vermenigvuldigen) het maximale inkomen en de franchise waarover nog premie betaald moet worden uit de tabel in de bijlage ‘tarieven en tabellen' onder 55.

Het loon waarover de premie moet worden berekend, is vastgelegd in de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen. Het in het model onder (A) berekende totaal zal daar in vrijwel alle gevallen exact mee overeenkomen. Verschillen zijn mogelijk in het geval van beloningen in natura.
Het premiepercentage wordt per bedrijfstak vastgesteld. De wachtgeldpremie en de werkloosheidspremie moeten bij elkaar worden opgeteld. Het voor betrokkene geldende percentage kan worden ontleend aan zijn loonstrook. Alleen indien geen zekerheid kan worden verkregen over het juiste percentage, mag gebruik worden gemaakt van het geschatte gemiddelde percentage (zie tabel in de bijlage 'tarieven en tabellen' onder 55).

56 Premie arbeidsongeschiktheidsverzekering i.v.m. reparatie WAO/WIA-gat

De reparatie van het WAO/WIA-gat, ontstaan door de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, vindt in sommige gevallen plaats via een collectieve aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering. Of dit het geval is blijkt uit de loonstrook. De betaalde premie moet aan de loonstrook worden ontleend en worden omgerekend naar een bedrag per jaar. Uit de loonstrook moet blijken hoe de premie wordt berekend. Het zal gaan om een percentage van het loon, verminderd met de pensioen- en VUT-premie, na aftrek van een franchise.

Een redelijke schatting kan worden verkregen door het per maand betaalde bedrag met 12 of het per 4 weken betaalde bedrag met 13 te vermenigvuldigen.

57 Inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW

Met ingang van 1 januari 2013 wordt over het loon of de uitkering op verschillende manieren de inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW geheven:

  • de werkgever of de uitkeringsinstantie betaalt de zogenoemde werkgeversheffing ZVW. Dit bedrag wordt niet ingehouden op het loon of de uitkering en de werkgever of uitkeringsinstantie betaalt ook geen vergoeding meer. 
  • de onderhoudsplichtige betaalt zelf de bijdrage ZVW. De werkgever of uitkeringsinstantie houdt de bijdrage in op het nettoloon.

Daarnaast kan een directeur grootaandeelhouder op aanslag een inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW verschuldigd zijn.

Met de ingehouden of op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage dient bij de vaststelling van het netto besteedbaar inkomen rekening te worden gehouden, zie 120.

58 Bijdrage werkgever in ziektekosten

Een andere dan de onder 57 bedoelde bijdrage van de werkgever in de door de werknemer te betalen ziektekosten zal over het algemeen worden aangemerkt als belast loon en dient dan hier te worden opgenomen.

59 Inkomsten uit arbeid

Het berekende bedrag geeft het totaal van de belaste inkomsten uit arbeid. Voor zover het niet gaat om besteedbaar (werkelijk) inkomen (de bij 57 opgegeven inkomensafhankelijke bijdrage van de werkgever in de premie ZVW), vindt bij 124 een correctie plaats (door aftrek van de volledige premie, derhalve inclusief de bijdrage van de werkgever in de premie ZVW).

60 Loon volgens jaaropgave(n)

Als een jaaropgave met betrekking tot loon uit dienstbetrekking beschikbaar is kan met 60 worden begonnen. De nummers 1 tot en met 59 behoeven dan niet te worden ingevuld.

Premies

Het loon volgens de jaaropgave is al vermeerderd met alle belaste toeslagen en uitkeringen, de bijdrage premie levensloopregeling, het vakantiegeld en het overwerk. Afgetrokken zijn al de pensioenpremies, de premie WW en de inhoudingen in verband met een collectieve reparatie van het WAO/WIA-gat.

Wordt op het nettoloon de inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW ingehouden, dan dient de jaaropgave in dat te verband te worden gecorrigeerd.

Als men niet over een jaaropgaaf beschikt maar wel over de laatste salarisspecificatie van een jaar met cumulatieven kan men in veel gevallen uitgaan van het heffingsloon dat in de cumulatieven staat, ook wel aangeduid als loon voor loonbelasting/premieheffing, loon lb/ph, belastbaar loon, fiscaal loon of loon loonheffing. Dit loon is gelijk aan het loon dat op een jaaropgaaf staat. Dit loon dient men niet te verwarren met loon OT of loon SVW.

Indien in de jaaropgave inkomsten uit overwerk zijn verwerkt, moet worden nagegaan of deze inkomsten niet een louter incidenteel karakter dragen in welk geval deze meestal niet tot het inkomen worden gerekend.

Bij werknemers die vakantiebonnen ontvangen, is de belaste waarde van de verstrekte vakantiebonnen in het loonbedrag op de jaaropgave begrepen. Bij inkomen uit arbeid is een deel van de waarde onbelast. Dit deel van de waarde moet worden ingevuld bij 118. Van belang is dat de jaaropgaaf het onbelaste deel niet vermeldt. Zie verder 45.

Levensloop

De levensloopregeling is afgeschaft per 1 januari 2012. Deelnemers aan de levensloopregeling die op 31 december 2011 een saldo van minimaal € 3.000 hebben staan, kunnen met de levensloopregeling doorgaan. Bij een nieuwe inleg wordt geen levensloopverlofkorting meer opgebouwd.
Deelname aan de levensloopregeling is een vrije keuze van de werknemer, waardoor een deel van het loon van een werknemer, al dan niet vermeerderd met een werkgeversbijdrage, wordt gereserveerd. Aanbevolen wordt de financiële gevolgen van deze keuze voor rekening van de werknemer te laten. Dat kan door de werkgeversbijdrage en inhouding in de jaaropgave te corrigeren en buiten beschouwing te laten.

Auto van de zaak

Stelt de werkgever een auto ter beschikking, dan wordt voor het privégebruik van deze auto voor de inkomensheffing een forfaitair bedrag bij het inkomen opgeteld, tenzij de werknemer zijn privégebruik beperkt tot minder dan 500 kilometer per jaar en aan de overige voorwaarden voor het achterwege laten van de bijtelling is voldaan. De bijtelling leidt tot een hogere loonheffing. Het gevolg hiervan is dat het besteedbaar inkomen per maand daalt. Bijzondere omstandigheden daargelaten wordt met deze fiscale bijtelling, en dus met de daling van het besteedbaar inkomen, geen rekening gehouden. Immers, de bijtelling betreft in feite een belasting op loon in natura: het door de werkgever gratis ter beschikking gestelde privégebruik van de auto waarvoor betrokkene zelf geen benzine, verzekering, onderhoud of afschrijving betaalt. Tegenover de extra geheven belasting kan worden geacht voor de betrokkene een voordeel in de privésfeer te staan, omdat hij de keuze heeft de auto van de zaak al dan niet te accepteren.

Soms wordt aan de werkgever een vergoeding voor het privégebruik van de auto betaald. Deze vergoeding strekt in mindering op het bedrag dat voor de inkomstenbelasting bij het loon moet worden opgeteld. Tegenover de aan de werkgever betaalde vergoeding staat derhalve een lagere belastingheffing, maar ook lager loon vanwege inhouding van een daadwerkelijk door de werknemer betaalde vergoeding.

Nu de extra heffing ingevolge de bijtelling terzake van het privégebruik en de eventueel betaalde vergoeding het gevolg zijn van een keuze van de werknemer, dient de extra belasting die de bijtelling oplevert in de jaaropgaaf – bijzondere omstandigheden daargelaten – buiten beschouwing te worden gelaten en derhalve te worden gecorrigeerd. Van het inkomen volgens jaaropgaaf dient dan ook de bijtelling – verminderd met de eventuele eigen bijdrage - voor het privégebruik van de zakelijk auto te worden afgetrokken. Het bedrag van de bijtelling is in de regel kenbaar uit de loonstroken.

62 Reisaftrek

De reisaftrek geldt bij regelmatig woon-werkverkeer en wordt uitsluitend in aanmerking genomen voor zover de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand meer bedraagt dan 10 km per dag. De aftrek wordt verminderd met de ontvangen reiskostenvergoeding. In beginsel is een openbaar- vervoerverklaring vereist.

64 Belastbaar loon (a)

Dit is het loon, gecorrigeerd voor de eventuele bijtelling voor het privégebruik van de auto van de zaak en verminderd met de reisaftrek, dat de basis vormt voor de berekening van de loonheffing.

65 Te verwachten beschikbare winst

Verschil bedrijfseconomische en fiscale winst
Een ondernemer die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft, geniet geen salaris, maar winst. Hij zal in de regel voor zijn levensonderhoud bedragen aan het vermogen van de onderneming onttrekken. Die onttrekkingen, verminderd met de betaalde belasting en premies, heeft hij - eventuele andere bronnen van inkomen buiten beschouwing gelaten - in het desbetreffende jaar netto beschikbaar gehad. De belasting die de ondernemer - in privé - moet betalen wordt vastgesteld op basis van zijn belastbare winst uit onderneming. Het betreft hier alleen de winst van de individuele ondernemer, niet die van het eventuele samenwerkingsverband. Hoewel die vaststelling van belastbare winst pas achteraf - na afloop van het jaar - mogelijk is, zal de ondernemer in de regel een voorlopige aanslag krijgen op basis waarvan een geschat bedrag aan belasting moet worden betaald.

Jaarlijks dient voor de onderneming een jaarrekening te worden opgesteld met een balans, winst- en verliesrekening en een toelichting. Veelal maakt de ondernemer ook een kasstroomoverzicht waarin melding wordt gemaakt van de onttrekkingen. Er is een verschil tussen de bedrijfseconomische en fiscale jaarrekening. Een kleine ondernemer kan volstaan met een fiscale jaarrekening en hoeft geen bedrijfseconomische jaarrekening op te stellen.

Bij post 65 (te verwachten beschikbare winst) dient te worden ingevuld het bedrag dat de ondernemer, vanaf het moment van de vaststelling van zijn onderhoudsverplichting, mag worden geacht te kunnen onttrekken aan de onderneming in de zin als hiervoor omschreven. Dat kan een bedrag zijn ter hoogte van het resultaat voor het lopende jaar (geschat op basis van de resultaten van de afgelopen jaren), maar het kan ook een bedrag aan geschatte onttrekkingen zijn, als niet alle of juist meer middelen aan de onderneming kunnen of zullen worden onttrokken. De omvang van de bedragen dient zodanig te zijn dat de continuïteit van de onderneming niet in gevaar komt. Het ligt op de weg van de ondernemer om inzicht te verschaffen in zijn bedrijfsvoering en actuele financiële positie. Wenselijk zijn niet alleen de stukken waarmee de ondernemer inzicht kan geven in de bedrijfsvoering in de afgelopen jaren, zoals - in ieder geval de drie laatste definitieve - jaarstukken over het verleden (met daarin de balans, de winst- en verliesrekening en toelichting inclusief kasstroomoverzichten, belastingaangiften en - aanslagen), maar ook stukken waarmee hij zijn verwachtingen voor de toekomst kan onderbouwen, zoals concept jaarstukken, prognoses, bijvoorbeeld een liquiditeitsprognose, en voorlopige aanslagen.

Berekening van de belastingdruk
Op de te verwachten beschikbare winst dient de belasting in mindering te worden gebracht. De belastingdruk wordt berekend op basis van de (geschatte) fiscale winst uit onderneming voor het desbetreffende jaar. Vanwege beperkingen en faciliteiten in de fiscale wetgeving, kan de

bedrijfseconomische winst afwijken van de belastbare winst uit onderneming op basis waarvan de verschuldigde belasting wordt berekend. Het is daarom van belang rekening te houden met die fiscale beperkingen en faciliteiten. Deze worden behandeld in 66 tot en met 74.

Indien de (geschatte) winst uit onderneming bekend is, kan aparte invulling van 66 tot en met 69 achterwege blijven en kan de winst direct bij 70 worden ingevuld.

Indien de (geschatte) belastbare winst uit onderneming bekend is, kan aparte invulling van 66 tot en met 74 (ondernemersaftrek en MKB-vrijstelling) in de regel achterwege blijven en dient het bedrag van de belastbare winst bij 75 te worden ingevuld. De belastingdruk op de te verwachten beschikbare winst wordt dan rechtstreeks op basis van de belastbare winst berekend.

In geval van privégebruik van een auto van de zaak dient – bij rechtstreekse invulling van de winst uit onderneming bij 70 of de belastbare winst uit onderneming bij 75, bij 75 een correctie te worden toegepast, zie toelichting bij 75 hierna.

Deze exercitie in verband met diverse fiscale correcties en faciliteiten behoeft niet te worden gemaakt in het geval waarin de verrekenbare verliezen ten minste even groot zijn als de geschatte belastbare winst. In dat geval is de belastingdruk op het te verwachten beschikbare winst voor het desbetreffende jaar nihil.

Directeur grootaandeelhouder

Indien een ondernemer zijn onderneming drijft door middel van een aparte rechtspersoon (en meerderheidsaandeelhouder van een BV of NV is), is in de regel sprake van een salaris en mogelijk reguliere - in de zin van met enige regelmaat terugkerende - dividenduitkeringen. In de alimentatieberekening is in dat geval niet de post bedrijfsresultaat van belang, maar post 41 (loon) of 60 (in geval van jaaropgaaf) en post 96 (reguliere voordelen).Ook hier dient te worden beoordeeld wat de ondernemer vanaf het moment van vaststelling van de onderhoudsverplichting in de toekomst mag worden geacht te kunnen onttrekken aan de vennootschap, in de vorm van salaris of dividend. Zie voor de beoordeling verder het hiervoor opgemerkte.

Aanbevolen worden de volgende publicaties:

  • Alimentatie en winst uit onderneming, Trema 1996 nr. 11/12, p. 368
  • Alimentatie en de ondernemer: de verhouding tussen winst, kasstromen en draagkracht, EB 2012/11

66 Aftrekbeperkingen

De belastingwet kent een groot aantal aftrekbeperkingen, zoals bijv. 10% van kosten voor voeding, representatie en congressen e.d.. Voor de berekening van de verschuldigde belasting, dient de bedrijfseconomische winst te worden verhoogd met de kosten die in aftrek zijn gebracht, maar waarvoor een aftrekbeperking geldt. Door hier de kosten op te nemen waarvoor een aftrekbeperking geldt wordt dit bewerkstelligd. De beperking van deze aftrek heeft een belastingverhogend effect.

67 Investeringsaftrek

Bij aftrek in verband met investeringen dient onderscheid te worden gemaakt in aftrek die leidt tot uitstel en aftrek die leidt tot afstel van de heffing van belasting.

Aftrek die leidt tot uitstel van heffing, zoals willekeurige afschrijving, geeft in het jaar van afschrijving een belastingvoordeel. Daar staat een belastingnadeel in een ander jaar tegenover, als in dat jaar niet meer kan worden afgeschreven. Mede gelet op het doel van de regeling, wordt aanbevolen het belastingvoordeel en -nadeel niet te verwerken.

Afstel van heffing kan worden verkregen indien door de ondernemer is geïnvesteerd in bepaalde bedrijfsmiddelen. Naast de afschrijvingen kan in sommige gevallen een deel van het investeringsbedrag ten laste van de winst worden gebracht in de vorm van een (kleinschaligheids-, energie- en milieu-) investeringsaftrek. Het gaat om een eenmalige aftrek waarvan de hoogte afhankelijk is van het geïnvesteerde bedrag. Indien aannemelijk is dat een zodanige investering plaats zal vinden, kan de aangifte over een voorgaand jaar informatie geven over de omvang van de aftrek. Gelet op het doel van de regeling kan de aftrek buiten beschouwing worden gelaten.

68 Vervallen

69 Fiscale oudedagsreserve

Anders dan werknemers hebben ondernemers geen (verplichte) pensioendeelname. De premie voor een pensioenvoorziening drukt dan ook niet automatisch de inkomsten en draagkracht.

Ondernemers (eenmanszaken, vof's en vrijberoepsbeoefenaren) kunnen in beginsel jaarlijks ten laste van de winst uit onderneming een bedrag toevoegen aan hun fiscale oudedagsreserve (FOR). In feite gaat het hierbij om een keuze: wanneer de ondernemer dat bij zijn aangifte verzoekt blijft de toevoeging over het desbetreffende jaar achterwege. Ten aanzien van de omvang van de toevoeging bestaat geen keuzevrijheid. Het bedrag dat kan worden toegevoegd is in de wet vastgelegd als een afgeleide van de winst. De regeling is bedoeld als fiscale tegemoetkoming aan ondernemers die hun financiële middelen in hun onderneming hebben geïnvesteerd en daardoor de mogelijkheid missen hun oudedagsvoorziening extern te financieren. De FOR is overigens geen vrije reserve. De regeling biedt de ondernemer uitstel van de inkomstenheffing over de bedragen die aan de FOR worden toegevoegd. Over het bedrag van de FOR -dit is het totaal van de toevoegingen- moet te zijner tijd de belasting alsnog worden afgerekend voor zover dit bij beëindiging van de onderneming niet wordt aangewend voor de aankoop van een lijfrente. De FOR kan in beginsel niet uitgaan boven het eigen vermogen (het vermogen dat de ondernemer zelf in zijn onderneming gestoken heeft, zie de balans). Om een jaarlijkse toevoeging aan de FOR te kunnen doen moet de ondernemer dus zijn eigen vermogen op peil houden. De (voorlopige) vrijstelling van inkomstenheffing over de gedoteerde bedragen stelt de ondernemer daartoe deels in staat. Het geeft hem extra ruimte om geld in zijn onderneming te steken. Het ondernemingsvermogen kan te zijner tijd worden aangewend om een oudedagsvoorziening te treffen.

Door de vrijstelling van inkomstenheffing over de FOR-dotatie neemt de actuele draagkracht van de onderhoudsplichtige ondernemer toe. Indien de ondernemer besluit te doteren aan de FOR, leidt het invullen van de dotatie op deze plaats tot verlaging van de fiscale winst zodat in het jaar van dotatie minder belasting verschuldigd is. Op de reserve kan niet worden ingeteerd, zodat de betreffende investering in de FOR vervolgens ook in aanmerking moet worden genomen, bij 134 (overige kosten). Besluit de ondernemer niet te doteren, maar extern een – fiscaal gefaciliteerde – voorziening op te bouwen, dan dient daarmee niet op deze plaats maar bij de inkomensvoorzieningen rekening te worden gehouden.

70 Winst uit onderneming

Het saldo van 64 t/m 69 vormt de in aanmerking te nemen winst uit onderneming. De winst uit onderneming, indien bekend, kan hier ook worden ingevuld.

71, 72, 73, 74 Ondernemersaftrek en MKB-winstvrijstelling

a. Zelfstandigenaftrek

De zelfstandigenaftrek, een vast bedrag geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium (ten minste 1225 uur) voldoet en jonger is dan 65 jaar. Indien in de vijf voorafgaande jaren niet meer dan twee maal zelfstandigenaftrek is toegepast wordt deze aftrek verhoogd met de startersaftrek, eveneens een vast bedrag.

b. Speur- en ontwikkelingswerkaftrek

Deze aftrek geldt als de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en jonger is dan 65 jaar tenminste 500 uur besteedt aan werk dat is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk.

c. Meewerkaftrek

Deze aftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en van wie de partner zonder

enige vergoeding arbeid in de onderneming verricht. De aftrek is afhankelijk van het gewerkte aantal uren en wordt uitgedrukt in een percentage van de winst.

d. Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

Op deze aftrek kan aanspraak worden gemaakt indien vanuit de positie van arbeidsongeschiktheid een onderneming wordt gestart. Vereist is dat de ondernemer in de vijf jaar voordien geen ondernemer was en in het kalenderjaar recht heeft op onder meer een WIA-, WAO-, Waz-, of Wajong-uitkering.

e. Stakingsaftrek

De stakingsaftrek, een vast bedrag, wordt verleend bij het staken van een gehele onderneming. Een ondernemer kan daar maar één keer aanspraak op maken.

f. MKB-vrijstelling

De MKB winstvrijstelling is een aftrekpost waarop de ondernemer die aan het urencriterium voldoet recht heeft. De vrijstelling bedraagt een vast percentage van de winst, nadat deze is verminderd met de ondernemersaftrek. Daarbij wordt de totale winst van alle ondernemingen die een ondernemer heeft in aanmerking genomen.

75 Belastbare winst uit onderneming

De belastbare winst uit onderneming is de resultante van de hiervoor bij 70 tot en met 74 ingevulde gegevens.

Indien de belastbare winst bekend is, kan deze hier worden ingevuld. Ingeval van de mogelijkheid tot het invullen van de winst uit onderneming of de belastbare winst gebruik is gemaakt, dient eventueel op deze plaats een correctie plaats te vinden voor het privégebruik van de auto van de zaak.

Privégebruik auto

Een ondernemer kan er voor kiezen om een auto, die hij niet alleen binnen zijn onderneming gebruikt maar ook daarbuiten, als bedrijfsmiddel aan te merken. De kosten van de auto komen dan in mindering op de winst. Indien sprake is van privégebruik, wordt dat fiscaal belast. Dit gebeurt door de winst te verhogen met een bijtelling die op vergelijkbare wijze als bij werknemers met een auto van de zaak wordt bepaald (zie 66).

De expertgroep beveelt aan de belasting over het privégebruik voor de bepaling van de draagkracht buiten beschouwing te laten. Dat kan door de bijtelling bij de bepaling van de belastbare winst niet in aanmerking te nemen. Het gevolg is dat een lagere belastingdruk dan de reële belastingdruk in aanmerking wordt genomen en meer actuele draagkracht resteert.

Uitsluitend indien de winst uit onderneming bij 70 is ingevuld, of de belastbare winst hier is ingevuld, dient hier een correctie te worden toegepast door de bijtelling voor de auto in te vullen. De belastbare winst uit onderneming wordt dan verminderd met de bijtelling.

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW

De door de ondernemer op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW dient in mindering te worden gebracht op het netto inkomen van de ondernemer, zodat dit bedrag het uiteindelijke netto besteedbare inkomen verlaagt.

76 Resultaat uit overige werkzaamheden

Het begrip resultaat uit overige werkzaamheden dient ruim te worden geïnterpreteerd. Daaronder vallen o.a. inkomsten die voortvloeien uit enige vorm van arbeid in het economisch verkeer en die niet als belastbaar loon of belastbare winst kunnen worden aangemerkt. In dat geval kunnen geen onbelaste vergoedingen en verstrekkingen worden ontvangen (te denken valt aan: het houden van lezingen, freelance werkzaamheden, politieke functies als lid van gemeenteraad).

Onder resultaat uit overige werkzaamheden valt eveneens het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een eigen onderneming, b.v. het verhuren door een directeur- grootaandeelhouder van een aan hem in eigendom toebehorend pand aan zijn besloten vennootschap.

Alle inkomsten zijn belast en alle kosten (voor zover toegestaan) zijn aftrekbaar.

De door de resultaatgenieter op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW dient in mindering te worden gebracht op het netto inkomen, zodat dit bedrag het uiteindelijke netto besteedbare inkomen verlaagt.

77 Aftrekbeperkingen

Het resultaat wordt becijferd overeenkomstig de bepalingen voor de winst uit onderneming. Een aantal aftrekposten is echter uitgezonderd, bijvoorbeeld met betrekking tot privé getinte uitgaven. Raadpleeg in het voorkomende geval een belastingalmanak (zie ook 66).

78 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden

Dit is de resultante van 76 en 77.

79 Periodieke uitkeringen en verstrekkingen

Dit betreft ondermeer termijnen van lijfrente, pensioenverrekenings- en vereveningsuitkeringen, alimentatie en uitkeringen op grond van een vrijwillige AOW- en ANW-verzekering. Op veel uitkeringen wordt loonheffing ingehouden volgens de regels van de Wet op de Loonbelasting 1964. Over de uitkering kan (op aanslag) inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW verschuldigd zijn, waar rekening mee dient te worden gehouden.

80 Vervallen

82, 83, 84 en 85 Eigenwoningforfait, aftrekbare kosten en belastbare inkomsten uit eigen woning

Nota bene
82 tot en met 85 blijven buiten beschouwing indien kinderalimentatie wordt vastgesteld op basis van de draagkrachttabel.

Voor de belastingwet wordt de woning die eigendom en hoofdverblijf is als bron van inkomen gezien. Dientengevolge zijn bepaalde inkomsten belast en bepaalde kosten aftrekbaar. De inkomsten worden forfaitair bepaald door middel van het eigenwoningforfait.

a. Eigenwoningforfait

Het eigenwoningforfait wordt berekend aan de hand van de WOZ-waarde die is vastgesteld voor het voorgaande jaar en bedraagt een van de waarde van de woning afhankelijke percentage.

b. Aftrekbare kosten

De meest bekende aftrekbare kosten zijn de hypotheekrenten. De mate van gerechtigdheid tot de woning en verschuldigdheid van de lening bepalen de omvang van de inkomsten en de aftrek. Als aftrekbare kosten kunnen verder periodieke betalingen van erfpacht en opstal in aanmerking worden genomen.

Aflossingen en premies voor verzekeringen die aan de hypotheek zijn gekoppeld zijn niet aftrekbaar.

Betaalde hypotheekrente als woonlast van de alimentatieplichtige

De onderhoudsplichtige met een eigen woning (hoofdverblijf) krijgt een bijtelling in box I van het eigen woningforfait. De hypotheekrente die betrekking heeft op de eigenwoningschuld wordt in aanmerking genomen als aftrekbare kosten. Het saldo van het forfait minus de kosten is de aftrekpost belastbare inkomsten uit eigen woning.

Van een eigenwoningschuld is sprake tot het bedrag dat de lening is aangegaan, voor zover die betrekking heeft op de verwerving/onderhoud van die woning, en verminderd met een eventuele eigenwoningreserve. Voor de belastingplichtige die wel een eigen woning heeft, maar geen of een geringe eigenwoningschuld, kan het eigenwoningforfait hoger zijn dan het bedrag waarvoor aanspraak kan worden gemaakt op aftrek. In dat geval is de aftrek in verband met geen of geringe eigenwoningschuld van toepassing (amendement Hillen). Dat leidt er toe dat de bijtelling van het eigenwoningforfait er niet toe kan leiden dat positieve inkomsten uit eigen woning in aanmerking worden genomen.

Een eigen woning in gezamenlijke eigendom leidt tot fiscaal partnerschap. Voor fiscale partners is het saldo van de belastbare inkomsten uit eigen woning en aftrekbare kosten een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel, dat zij in hun aangifte vrij kunnen toerekenen.

LET OP Willekeurige toerekening

Het is mogelijk het saldo van de voordelen uit eigen woning (in het algemeen: de (hypotheek)rente en het eigenwoningforfait) fiscaal willekeurig toe te rekenen aan partners. Willekeurige toerekening betekent dat de partners onderling de percentages kunnen vaststellen zolang ze samen maar
100 % van het saldo in aanmerking nemen. Daarbij is niet van belang wie eigenaar is van de woning of wie de (hypothecaire) schuld is aangegaan. Jaarlijks kunnen de partners een nieuwe keuze maken. In het kader van alimentatievaststelling beveelt de expertgroep aan om in het geval de onderhoudsplichtige samenwoont met iemand die (wordt geacht) in zijn eigen levensonderhoud (te) voorzie(n)t, bij de berekening van de woonlasten aan elk van beiden, zowel in het bruto als ook in het netto traject, de helft van het eigenwoningforfait en de hypotheekrente toe te rekenen.

Betaalde hypotheekrente naast woonlast alimentatieplichtige

Het vertrek uit een eigen woning doet in de regel niet de aansprakelijkheid voor de in verband met de financiering aangegane schuld eindigen. Dat leidt er in scheidingszaken vaak toe dat naast de nieuwe woonlast ook nog een bedrag aan hypotheekrente die betrekking heeft op het voormalige hoofdverblijf wordt doorbetaald. Die hypotheekrente kan betrekking hebben op een woning die geheel in eigendom is van de vertrokken partner, maar ook op een woning die gemeenschappelijk eigendom is.

Het vertrek uit de woning leidt ertoe dat de woning geen hoofdverblijf meer is en in beginsel niet meer aan de definitie van eigen woning voldoet. Dat kan gevolgen hebben voor de hypotheekrenteaftrek. Als de voormalige fiscale partner of duurzaam gescheiden levende echtgenoot in de woning achterblijft, blijft de woning voor de vertrokken partner nog voor maximaal twee jaar na het vertrek als eigen woning kwalificeren. Gevolg is dat nog recht bestaat op de hypotheekrenteaftrek, voor zover deze betrekking heeft op diens aandeel in de woning.

Indien het ter beschikking stellen van de woning aan de gewezen fiscale partner of duurzaam gescheiden levende echtgenoot is te beschouwen als het voldoen aan een onderhoudsverplichting (familierechtelijke of dringende morele plicht, mits in rechte vorderbaar), ontstaat een persoonsgebonden aftrekpost tot het bedrag van het eigen woningforfait, zodat per saldo geen bijtelling van het eigenwoningforfait plaatsvindt.

Voor degene die in de woning is achtergebleven, blijft de betaalde rente voor dat deel dat correspondeert met het aandeel in de eigendom van de woning gewoon aftrekbaar. Ook het eigenwoningforfait dient voor dat deel te worden aangegeven. Indien het genot van de woning door de vertrokken ex-partner op grond van een onderhoudsverplichting ter beschikking wordt gesteld, dient ook de andere helft van het eigenwoningforfait te worden bijgeteld. Per saldo vindt bij de gerechtigde dan volledige bijtelling van het eigenwoningforfait plaats.

In scheidingssituaties komt het regelmatig voor dat de hypotheeklasten en andere gebruikerslasten, ook die ten behoeve van de ex-partner mede-eigenaar, door de meest kapitaalkrachtige van de twee worden voldaan. Gelet op de jurisprudentie kan het voor de onderhoudsgerechtigde schuldenaar voldoen van de woonlasten, waaronder de hypotheekrente, indien deze betaling als het voldoen aan een onderhoudsplicht kwalificeert, voor de onderhoudsplichtige als een aftrekbare betaling van alimentatie worden beschouwd. Bij de onderhoudsgerechtigde is het bedrag als periodieke uitkering belast, waartegenover dan weer de aftrek staat van de door die partij verschuldigde hypotheekrente op grond van de eigenwoningregeling (per saldo dus geen aftrek, maar wel bijtelling van het gehele forfait). Is van deze situatie van betaling van kosten in het kader van een onderhoudsverplichting sprake, dan dienen de betaalde bedragen niet hier, maar onder 138 te worden ingevuld.

Bij het volledig betalen van rente door de partner die in de woning is achtergebleven, verdient het aanbeveling om rekening te houden met de omstandigheid dat in de praktijk – indien geen duidelijkheid bestaat over de vraag of en in welke mate wordt voldaan aan een onderhoudsverplichting – de voor een ander betaalde rente niet in aftrek wordt toegelaten. Deze rente dient in dat geval als niet aftrekbare rente bij de woonlasten onder 123 te worden meegenomen.

Toepassing van de overgangsregeling is beperkt tot een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum van duurzaam gescheiden leven. Nadien is deze regeling niet meer van toepassing en verschuift de voormalige echtelijke woning, voor degene die de woning niet meer bewoont, naar box III. De (hypotheek)rente voor het eigen deel is dan niet meer fiscaal aftrekbaar. Wel strekt de hypo- theekschuld in mindering op de in box III te belasten rendementsgrondslag.

Zolang het fiscaal partnerschap doorloopt of wordt gekozen voor behandeling als partner, blijft de woning een vrij toerekenbaar gemeenschappelijk inkomensbestanddeel.

Leegstand

In geval de woning niet meer wordt bewoond door de voormalige fiscale partner of duurzaam gescheiden levende echtgenoot, kan de woning in 2013 nog als eigen woning worden aangemerkt gedurende drie jaar na vertrek uit de woning, indien deze leeg staat en bestemd is voor de verkoop.

Restschuld na verkoop

Een restschuld ontstaat indien de verkoopprijs van de woning lager ligt dan de op de woning rustende eigenwoningschuld. Met ingang van 1 januari 2013 bestaat recht op aftrek van rente die wordt betaald op een schuld die de onderhoudsplichtige heeft als gevolg van een restschuld die is ontstaan in de periode van 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017.

Financiering in verband met uitkoop

Het komt voor dat de onderhoudsplichtige de voormalige echtelijke woning blijft bewonen, maar dan wel genoodzaakt is ter financiering van zijn overbedeling de hypotheek te verhogen. Extra woonlasten zijn daarvan het gevolg. Deze extra lasten - niet alleen de rente maar ook de 'vermogensvormende' aflossing / premie - worden in aanmerking genomen, in ieder geval tot het plafond van een redelijke totale netto woonlast. Deze aanbeveling heeft als bezwaar dat de onderhoudsgerechtigde of rechthebbende voor de ontvangen overbedelingsuitkering moet boeten in de vorm van een lagere alimentatie. Het zou echter niet reëel zijn de onderhoudsplichtige te dwingen tot verhuizen als dit een even hoge woonlast zou opleveren als de voormalige echtelijke woning met een verhoogde hypotheek.

Gebruiksvergoeding

Indien voor het genot en gebruik van de woning aan de vertrokken partij een vergoeding wordt betaald, is geen sprake van een ter beschikking stellen van de woning in het kader van een onderhoudsverplichting. De bewoner krijgt in dat geval geen bijtelling van het eigenwoningforfait voor het deel dat toebehoort aan een ander en ter beschikking wordt gesteld. Voor de ter beschikking steller bestaat in dat geval evenmin aanspraak op een persoonsgebonden aftrekpost ter hoogte van het met zijn aandeel in de woning corresponderende eigenwoningforfait. De vergoeding vormt voor de ontvanger netto inkomen (119) en voor de betaler een woonlast (123).

Kamerverhuurvrijstelling

Niet-tijdelijke verhuur van (een deel) van de eigen woning kan tot gevolg hebben dat (dat deel van) de woning niet meer als eigen woning kwalificeert en dat de woning in box III in aanmerking dient te worden genomen. Indien alleen een kamer wordt verhuurd, de verhuurinkomsten beperkt blijven tot een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag en overigens is voldaan aan de voorwaarden voor de kamerverhuurvrijstelling, blijft de woning echter geheel als eigen woning kwalificeren. De verhuurinkomsten van een kamer kunnen in dat geval als netto inkomsten in aanmerking worden genomen.

Gelet op de complexiteit van de eigenwoningregeling en de toepasselijkheid van verschillende regels in verschillende situaties verdient het aanbeveling in het voorkomende geval bijvoorbeeld De Vakstudie Inkomstenbelasting 2001 te raadplegen.

Zie 123 voor wat betreft de problematiek van onredelijke woonlast.

c. Belastbare inkomsten eigen woning

Dit is het saldo van het eigenwoningforfait verminderd met de aftrekbare kosten. Gelet op het amendement Hillen kan hier in beginsel geen positief bedrag verschijnen.

86 Premies voor lijfrenten

Premies voor lijfrente ter compensatie van een pensioentekort zijn in bepaalde omstandigheden aftrekbaar.

87 Premies voor uitkering bij invaliditeit, ziekte of ongeval

Deze premies zijn geheel aftrekbaar.

88 Vervallen
89 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Dit is het totaal van de uitgaven (premies) lijfrente (86) en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (87).  

91 Uitgaven voor specifieke zorgkosten en weekenduitgaven voor gehandicapten

Bepaalde zorgkosten zijn aftrekbaar. Om aftrekbaar te zijn, hoeven de zorgkosten niet voor de onderhoudsplichtige zelf gemaakt te zijn. Ook kosten voor zijn partner, de tot het gezin behorende kinderen jonger dan 27 of ernstig gehandicapten ouder dan 27 jaar of zorgafhankelijke ouders, broers of zusters, komen onder omstandigheden voor aftrek in aanmerking. Aanbevolen wordt om alleen met de een eventueel fiscaal voordeel in verband met de zorgkosten van de onderhoudsplichtige zelf of zijn kinderen rekening te houden.

92 Scholingsuitgaven

Uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk of woning zijn aftrekbaar voor zover de drempel wordt overschreden.

93 Persoonsgebonden aftrek

Bedoeld wordt het saldo van 91 en 92.
Niet alle persoonsgebonden aftrekposten worden bij de brutomethode in aanmerking genomen. Voor de persoonsgebonden aftrekposten in verband met de betaling van alimentatie is in de methode op andere wijze voorzien. De uitgaven voor monumentpanden en aftrekbare giften zijn verder buiten beschouwing gelaten, omdat deze aftrekposten worden geacht de woonlast te verminderen, dan wel te behoren tot de besteding van de vrije ruimte en als zodanig niet van invloed zijn op de alimentatieberekening.

94 Belastbaar inkomen uit werk en woning (I)

Het saldo van (a) t/m (h), de nummers 64, 75, 78, 81, 85, 89, 90 en 93 vormt de basis voor de berekening van de inkomensheffing in box I.

95 Inkomensheffing box I

De inkomensheffing in box I kent een progressief tarief met 4 schijven. Box II Inkomen uit aanmerkelijk belang

Er is onder meer sprake van aanmerkelijk belang indien men, al dan niet tezamen met zijn partner direct of indirect voor tenminste 5% van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is.

96 en 97 Inkomen uit aanmerkelijk belang - reguliere voordelen

Voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen zijn reguliere voordelen. Te denken is aan dividend.

99 Persoonsgebonden aftrek (het niet in box I of III benutte deel)

Indien het inkomen in box I en box III onvoldoende is voor de verrekening van de persoonsgebonden aftrek, kan de aftrek worden verrekend met inkomen uit box II, maar niet verder dan tot nihil. Is ook dit inkomen onvoldoende, dan wordt de aftrek doorgeschoven naar een later jaar.

100 Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang

Dit is het inkomen uit aanmerkelijk belang, verminderd met de persoonsgebonden aftrek en eventuele verliezen uit voorgaande jaren.

101 Inkomstenbelasting box II

De inkomstenbelasting in box II kent een vast tarief van 25%.

Box III Inkomen uit sparen en beleggen

Bij het in aanmerking nemen van vermogen en schulden, wordt gekeken naar het saldo van de opbrengsten en de kosten. Zijn de inkomsten per saldo negatief, met andere woorden: is sprake van een last, dan dient te worden beoordeeld of deze lasten noodzakelijk zijn.
Vervolgens wordt aan de hand van de waarde van het vermogen minus de schulden, verminderd met het heffingvrije vermogen, vastgesteld wat de belastingdruk is in verband met de vermogensbestanddelen minus de schulden. Een belastingdruk die hoger is dan het saldo van de inkomsten en kosten heeft een negatieve invloed op de draagkracht. In dat geval dient te worden beoordeeld of deze vermindering van de draagkracht met het oog op de belangen van de onderhoudsgerechtigde noodzakelijk is.

102 Werkelijke of in redelijkheid te verwerven inkomsten (na aftrek van kosten)

Het gaat hier om daadwerkelijke of redelijkerwijs mogelijke opbrengsten uit:

a. (rechten op) onroerende zaken
b. (rechten op) bepaalde roerende zaken
c. rechten op geld (en overige vermogensrechten)
verminderd met de
d. rente en kosten van schulden.

Weliswaar wordt voor de inkomstenbelasting uitgegaan van een rendement van 2,87%, 4,60% of 5,39%, maar in werkelijkheid kan de opbrengst hoger maar ook lager zijn. Voor de berekening van de draagkracht is in beginsel het werkelijke of in redelijkheid te verwerven inkomen uit de diverse vermogensbestanddelen (inclusief die toebehoren aan kinderen waarover gezag wordt uitgeoefend) bepalend. Indien blijkt dat het vermogen door een van de wil van de onderhoudsplichtige afhankelijke oorzaak minder opbrengt dan redelijkerwijs te verwachten is, dan wordt een in redelijkheid te verwerven inkomen in aanmerking genomen. Brengt het vermogen meer op dan redelijkerwijs te verwachten is, dan wordt die meerdere opbrengst, die hoger kan zijn dan 2,87%, 4,60% of 5,39%, in aanmerking genomen.

Onder omstandigheden is interen op het vermogen niet uitgesloten.

Rente en kosten van schulden kunnen van de opbrengst worden afgetrokken voor zover deze schulden redelijk worden geacht, zie ook 18.
Waarschuwing: Als hier rentelasten worden verantwoord, is er geen plaats voor verwerking van diezelfde rentelasten in het draagkrachtloos inkomen (‘onder de streep’).

Het saldo van de inkomsten en uitgaven vormen de werkelijke vermogensinkomsten.

104 Rendementsgrondslag

Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 2,87%, 4,60% of 5,39% (forfaitair rendement 109) van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar(105), voor zover dat meer bedraagt dan het heffingvrij vermogen (106), indien van toepassing vermeerderd met de ouderentoeslag (107).

De rendementsgrondslag wordt gevormd door de waarde van de bezittingen genoemd onder 104 onder a, b en c, verminderd met de waarde van de schulden, mits deze laatste de drempel (€ 2.900 per belastingplichtige in 2012) te boven gaan op de peildatum van 1 januari van het betreffende jaar. Belastingschulden tellen daarbij niet mee. De inkomsten zijn voor de vaststelling van de rendementsgrondslag niet van belang.

De wet kent een aantal vrijstellingen, bijv.: bossen, natuurterreinen en landgoederen, voorwerpen van kunst en wetenschap, rechten op roerende zaken verkregen krachtens erfrecht, rechten op kapitaaluitkering die uitsluitend plaatsvinden bij overlijden, invaliditeit, ziekte of ongeval, spaartegoeden e.d. die worden aangehouden ingevolge de vitaliteitsregeling en groene beleggingen. Kwalificeert de verzekering als een kapitaalverzekering eigenwoning, dan behoort de waarde van de verzekering evenmin tot de rendementsgrondslag van box III.

De bezittingen en schulden worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economisch ver- keer. Voor de bepaling van de waarde kan in beginsel aansluiting worden gezocht bij de aangifte IB die is gedaan onder de Wet IB 2001 en de daarop volgende aanslag IB.

In geval van fiscaal partnerschap is sprake van een gezamenlijke rendementsgrondslag. De bezittingen en schulden worden gesaldeerd en verminderd met het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn fiscale partner. Het saldo is vrij toerekenbaar. Indien van de alleenstaande norm wordt uitgegaan wordt aanbevolen alleen rekening te houden met de bezittingen en schulden van de onderhoudsplichtige.

106 Heffingvrij vermogen

a. Basisbedrag

Op de rendementsgrondslag dient het heffingvrije vermogen van ieder belastingplichtige in mindering te worden gebracht.

In geval van fiscaal partnerschap is sprake van heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn fiscale partner. Indien van de alleenstaande norm wordt uitgegaan wordt aanbevolen alleen rekening te houden met het heffingvrije vermogen van de onderhoudsplichtige.

Het heffingvrij vermogen kan worden verhoogd in geval van groene beleggingen. Voor kinderen bestaat geen aparte aanspraak op heffingvrij vermogen.
b. Ouderentoeslag

Het heffingvrij vermogen wordt verhoogd bij 65 jaar indien de gemiddelde rendementsgrondslag niet hoger is dan een in de wet vastgesteld bedrag. De hoogte van de ouderentoeslag is voorts afhankelijk van de hoogte van het inkomen in box I.

108 Grondslag forfaitair rendement

Dit is het saldo van 105 tot en met 107.

109 Forfaitair rendement 2,87%, 4,60% of 5,39%

Dit is het inkomen uit box III. Vanaf 1 januari 2017 is de forfaitaire bepaling van het inkomen uit vermogen gewijzigd. Hiervoor wordt de grondslag sparen en beleggen in box 3 toegerekend aan een spaardeel en een beleggingsdeel. De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag verminderd met het heffingvrije vermogen. Voor de toerekening wordt gebruik gemaakt van 3 vermogensschijven. Over het spaardeel en het beleggingsdeel bij een rendementsgrondslag tot en met € 75.000 wordt een forfaitair rendement van 1,63%; van € 75.001 tot en met € 975.000 van 4,60% en boven € 975.000 van 5,39% in aanmerking genomen in box 3.

110 Persoonsgebonden aftrek (het niet in box I benutte deel)

Voor zover de persoonsgebonden aftrek het inkomen uit werk en woning (box I) van het kalenderjaar niet vermindert, vermindert de aftrek het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box III) van het jaar, maar niet verder dan tot nihil.

111 Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Dit is het forfaitair rendement verminderd met de persoonsgebonden aftrekpost.

112 Inkomstenbelasting box III

De inkomensbelasting van box III kent een vast tarief van 30%.

113 Inkomen voor aftrek inkomensheffing

Het totaal van 59, 60, 65, 76, 79, 98 en 102 vormt het werkelijke inkomen uit de boxen I, II en III. dat hier wordt vermeld. Voor zover op dit inkomen reële kosten drukken die nog niet op deze opbrengst in mindering zijn gebracht, worden deze kosten onder de streep bij de lasten opgenomen.

114 Inkomensheffing box I en inkomstenbelasting boxen II en III

Het totaal van de onder 95, 101 en 112 berekende inkomensheffing en -belasting wordt hier vermeld.

115 Heffingskorting

De berekende belasting wordt vervolgens verminderd met de heffingskortingen (116).

De algemene heffingskorting geldt voor iedereen. De arbeidskorting geldt voor ieder die met tegen- woordige arbeid, winst uit onderneming, loon of resultaat uit een werkzaamheid geniet, evenals voor degene die een uitkering uit hoofde van de Ziektewet ontvangt. Zie voor de voorwaarden van de andere kortingen de belastingalmanak.

NB: De gecombineerde heffingskorting kan nooit meer bedragen dan de verschuldigde (gecombineerde) inkomensheffing. Dit kan alleen anders zijn als er sprake is van fiscaal partnerschap van twee belastingplichtigen waarvan de één niets of weinig verdient waardoor deze partner de heffingskorting waar deze aanspraak op kan maken niet (geheel) kan verzilveren. Afhankelijk van het bedrag aan belasting verschuldigd door de fiscale partner, de leeftijd en de aanwezigheid van kinderen in het gezin kan in dat geval uitbetaling van de heffingskorting plaatsvinden. De uitbetaling kan niet meer bedragen dan het bedrag dat de meest verdienende partner maximaal verschuldigd is aan inkomensheffing minus de heffingskortingen waarop hij aanspraak kan maken.

116 Totaal heffingskortingen

Dit is het gezamenlijke bedrag van alle heffingskortingen.

117 Verschuldigde inkomensheffing

Dit is het bedrag van de berekende inkomstenbelasting, verminderd met de heffingskortingen.

118 Onbelast deel vakantiebonnen

Bij werknemers in sectoren waarin vakantiebonnen worden verstrekt dient, voor zover het niet om een WW-uitkering gaat, de onbelaste waarde van de vakantiebonnen hier opgegeven te worden. Dit onbelaste deel komt niet voor op de jaaropgaaf van de werkgever. Zie 45 en 60.

119a Netto inkomen (zie ook 7)

Indien er sprake is van ander inkomen van de onderhoudsplichtige, een door deze te ontvangen kindgebonden budget (zie 7 onder e) of van inkomen van zijn nieuwe partner die niet geheel in eigen onderhoud kan voorzien (zie 7 onder g), dan dient dit inkomen hier netto te worden opgenomen. Indien sprake is van netto inkomen van de partner, dan dient dit inkomen te worden verhoogd met het bedrag waarvoor deze partner aanspraak kan maken op uitbetaling van de heffingskorting.

119b Netto uitgaven pensioenvoorziening (vrijgesteld in box 3)
Met ingang van 1 januari 2015 is fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw mogelijk tot een brutoloon van maximaal € 103.317,= per jaar (stand per 1 januari 2017). Voor werknemers met een hoger loon is het mogelijk om, voor dat deel van het loon dat deze grens overstijgt, aan netto pensioensparen te doen. Deze premie netto pensioensparen kan, indien deze recht geeft op een gezien het huidige inkomen, redelijke oudedagsvoorziening, in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de draagkracht.

120 Besteedbaar inkomen per jaar na aftrek bijdrage ZVW

Ter bepaling van het besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige wordt de door de onderhoudsplichtige zelf verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (zie post 57) in mindering gebracht op het inkomen.

120a Netto besteedbaar inkomen voor kinderalimentatie

Ter bepaling van het besteedbaar inkomen voor kinderalimentatie wordt een eventueel fiscaal voordeel in verband met de eigen woning buiten beschouwing gelaten. Er kan rekening worden gehouden met de betaling van (niet-bovenmatige) uitgaven voor inkomensvoorzieningen (zie ook 4.5. Draagkrachtberekening ten behoeve van kinderalimentatie). Het aldus gevonden netto besteedbaar inkomen vormt de basis voor de berekening van de draagkracht conform de draagkrachtformule of -tabel. Voor de berekening van de draagkracht voor kinderalimentatie zijn de posten 122 tot en met 140 immers vervangen door de draagkrachtformule en -tabel, zie bijlage bij het Rapport.

121 Besteedbaar inkomen per maand

Het netto besteedbaar inkomen per maand vormt de basis voor de berekening van de draagkracht.

Nota bene
Eventuele premies voor inkomensvoorzieningen verminderen het netto besteedbaar inkomen.
Voor de berekening van de draagkracht voor kinderalimentatie is 122 tot en met 140 vervangen door de draagkrachttabel, zie bijlage bij het Rapport.

122 Bijstandsnorm inclusief vakantiegeld

zie 9 van het brutomodel in de bijlage.

123 Woonlasten (zie ook 10)

Hypotheekrente en erfpachtcanon

Het bij 83 opgevoerde bedrag, omgerekend naar een (bruto) maandbedrag, wordt hier ingevuld.

Hypotheekaflossing/premie levensverzekering

Aflossing van de hypotheek kan verplicht zijn gesteld. Aan de woning is verder regelmatig een verzekering gekoppeld, waarvoor premie wordt betaald. De premie is niet aftrekbaar.

Forfait overige eigenaarslasten

Hieronder vallen de premie voor een opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting, de polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten. Voor deze posten wordt een forfaitair bedrag in aanmerking genomen van € 95 per maand, tenzij wordt aangetoond dat de kosten hoger zijn.

Korting wegens onredelijke woonlast

In individuele gevallen kan, gezien de persoonlijke omstandigheden en de woningmarkt ter plaatse, worden beoordeeld of de woonlasten redelijk zijn. Die beoordeling geldt het totaal van de woonlasten; bij een eigen woning met hypotheek het totaal van de netto woonlasten, dat wil zeggen de bruto lasten, verminderd met het fiscaal voordeel. Hierbij dient onderscheid te worden gemaakt in de woonlasten die de onderhoudsplichtige voor zichzelf betaalt en die welke hij ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde betaalt. Uitsluitend de voor hemzelf betaalde woonlasten worden in aanmerking genomen bij de bepaling of sprake is van een onredelijke woonlast.

124 Ziektekosten (zie ook 11)

Ziektekosten kunnen uit de volgende posten bestaan:
a. nominale premie basisverzekering ZVW
b. premie aanvullende ziektekostenverzekering
c. eigen risico, indien gerealiseerd en/of aannemelijk gemaakt 
d. (vervallen)
e. zelf betaalde, niet vergoede medische kosten.

Daarop strekt in mindering de van de belastingdienst ontvangen zorgtoeslag.

De door de werkgever/uitkeringsinstelling/onderhoudsplichtige afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW is reeds hiervoor verdisconteerd.

125 Premie voor uitkeringen bij ziekte, ongeval of invaliditeit / oudedagsvoorziening / nabestaandenpensioen

Bedoeld zijn de volgende premies:

  • ter reparatie van het WAO/WIA-gat, ter dekking van een pensioenbreuk en ter dekking van het nabestaandenpensioengat voor zover door de werknemer zelf getroffen en betaald;
  • ter dekking van ziekte gedurende het eerste jaar en arbeidsongeschiktheid nadien van een zelfstandige en een directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een BV;
  • voor de opbouw van een pensioen van een zelfstandige, ook bijvoorbeeld een levensverzekering met een lijfrenteclausule.

Ter toelichting dient nog het volgende. Een DGA is niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen indien hij, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot, 50% of meer 'aandeelstemmen' in de algemene vergadering van aandeelhouders kan uitbrengen.

Zowel ingeval er sprake is van een eenmanszaak als in geval van een besloten vennootschap zal de ondernemer zich privé moeten verzekeren voor de risico's van arbeidsongeschiktheid (ziekte/invaliditeit).

De premie voor een oudedagsvoorziening, gesloten omdat men een deel van zijn pensioen vanwege pensioenverrekening dan wel -verevening mist, wordt in beginsel niet als noodzakelijke last beschouwd.

De opgegeven premies dienen redelijk te zijn in relatie tot het huidige inkomen en de al getroffen andere voorzieningen. Daarnaast kan ook een rol spelen het feit dat de onderhoudsplicht in beginsel in duur beperkt is.

Zie voor netto pensioensparen nummer 119b.

126 Kosten kinderopvang

Reële, noodzakelijke kosten van kinderopvang gemaakt om het inkomen te verwerven, worden na aftrek van de werkgeversbijdrage en de kinderopvangtoeslag volledig bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen betrokken, tenzij bij de berekening van de behoefte van de kinderen al met deze kosten rekening is gehouden.

127 tot en met 131. Diverse lasten

zie 13 t/m 17

132 Aflossing van schulden

zie 18

Noodzakelijke aflossing van schulden die drukken op het besteedbaar inkomen kan hier in aanmerking worden genomen.

Uitsluitend indien de verschuldigde rente van schulden niet in aanmerking is genomen bij box III (werkelijke inkomsten), kunnen hier ook renten, indien noodzakelijk, in de beschouwing worden betrokken.

133 en 134 Herinrichtingskosten en Overige kosten en advocaatkosten

zie 20 en 21.

135 Draagkrachtloos inkomen

De som van de in aanmerking te nemen lasten, inclusief de bijstandsnorm, wordt draagkrachtloos inkomen genoemd. Het is het gedeelte van het inkomen dat geen draagkracht oplevert.

136 Draagkrachtruimte

Het draagkrachtloos inkomen wordt afgetrokken van het besteedbaar inkomen. Wanneer het saldo positief is wordt dit draagkrachtruimte genoemd. Deze draagkrachtruimte wordt in een bepaalde verhouding, die vastligt in het draagkrachtpercentage, tussen onderhoudsplichtige en onderhouds- gerechtigde(n) verdeeld.

137 Draagkrachtpercentage

Van de gevonden draagkrachtruimte wordt een bepaald percentage, het draagkrachtpercentage, beschikbaar geacht voor alimentatie. Voor partneralimentatie bedraagt dit 60 voor een alleenstaande onderhoudsplichtige. Voor de verwerking van onderhoudsbijdragen en zorgkosten, zie paragraaf 5.3. Wanneer de onderhoudsplichtige een gezin onderhoudt kan eventueel een percentage van 45% worden toegepast. 'Gezin' wordt hier ruim opgevat: ieder die niet alleenstaande is heeft een gezin. Hieronder valt dus niet alleen de hertrouwde onderhoudsplichtige maar ook degene die samenwoont en ook de alleenstaande ouder die geen partner heeft maar wel een of meer kinderen verzorgt.

LET OP Nieuwe partner

De samenwoning met een nieuwe partner wordt, indien die partner in eigen onderhoud kan voorzien, bij de keuze van het te hanteren draagkrachtpercentage buiten beschouwing gelaten. Zie 7 onder g.

Voor de netto methode gelden deels andere draagkrachtpercentages (zie 23).

138 Alimentatie voor een (eerdere) ex-partner

Met uitzondering van het geval dat sprake is van kinderalimentatie (die immers voorrang heeft boven alle andere onderhoudsverplichtingen), moet de eerder vastgestelde alimentatie voor een ex-partner in beginsel als vaststaand worden meegenomen.

De expertgroep beveelt aan om de partneralimentatie hier af te trekken en niet vóór de berekening van het besteedbaar inkomen. De overweging daarbij is dat een draagkrachtberekening wordt gemaakt ter vaststelling van hetgeen de onderhoudsplichtige kan bijdragen, ongeacht of er één of meer ex- partners en/of kinderen uit één of meer huwelijken zijn en dat de draagkracht en het fiscaal voordeel geheel ten goede dient te komen aan de onderhoudsgerechtigden.

Op het moment dat voor de voormalige partner in het kader van een onderhoudsverplichting uitgaven voor rekening van de onderhoudsplichtige worden gedaan, zoals hypotheekrente (zie 82 en 83), dienen deze uitgaven ook hier te worden meegenomen.

139 Voordeel in verband met alimentatie eerdere ex-partner

Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Deze aftrek wordt niet vóór de berekening van de belasting ingevuld. Het fiscaal voordeel dat de onderhoudsplichtige door deze aftrek geniet, werkt dus niet door in het besteedbaar inkomen en de draagkrachtruimte maar komt geheel ten goede aan de onderhoudsgerechtigden.

Vb: stel de alimentatie voor de eerste ex-partner bedraagt € 1.000 per maand (€ 12.000 per jaar), de man valt met € 5.000 per jaar onder het hoogste belastingtarief, thans 52 % en met het restant van € 7.000 onder het lagere tarief van thans 42 %. Het belastingvoordeel bedraagt respectievelijk € 2.600 en € 2.940, derhalve in totaal een belastingvoordeel van € 5.540. Dit laatste bedrag dient hier bij 139 te worden ingevuld. De netto alimentatie bedraagt dan € 2.400 (€5.000-€2.600) +€4.060(€ 7.000-€2.940) =€6.460.

140 Beschikbaar voor kinderalimentatie (uit huidige of eerder huwelijk) en partneralimentatie

Indien zowel kinderalimentatie als partneralimentatie wordt gevraagd, moet de ruimte verdeeld worden. Op grond van artikel 1:400 van het Burgerlijk Wetboek heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Er is alleen ruimte voor partneralimentatie als het bedrag van 140 hoger is dan de verzochte kinderalimentatie, dan wel hoger is dan het bedrag van de vastgestelde totale behoefte en de eventueel geldende kinderalimentatie voor kinderen uit een eerder huwelijk.

141 Kinderalimentatie

Indien vaststelling van kinderalimentatie is verzocht moet, voor zover deze tussen partijen in geschil is, de behoefte van de kinderen worden vastgesteld. Zie hiervoor hoofdstuk 3.1, en de in de bijlage 'tarieven en tabellen' onder 28 opgenomen tabel 'eigen aandeel kosten van kinderen' met toelichting. Het totale voor de kinderen te betalen bedrag wordt ingevuld, uiteraard tenzij de draagkracht reeds voor dat bedrag ontoereikend is. In het laatste geval wordt de bijdrage voor de kinderen in overeenstemming met de draagkracht vastgesteld en is er geen ruimte meer voor partneralimentatie. Indien er kinderen uit twee huwelijken zijn, wordt de geldende kinderalimentatie hier ingevuld, tenzij de draagkracht te gering is om in de behoefte van alle kinderen te voorzien. In dat geval wordt de ruimte over alle kinderen gelijk verdeeld, tenzij er een aantoonbaar verschil in behoefte is.

143 Resteert voor partneralimentatie

Het bedrag dat resteert is hetgeen de onderhoudsplichtige geacht wordt voor partneralimentatie te kunnen missen. Er kan echter veelal een hoger bedrag aan alimentatie worden opgelegd omdat het door de onderhoudsplichtige te behalen fiscaal voordeel bij het thans gevonden bedrag wordt opgeteld.

Dit belastingvoordeel ontstaat doordat betaalde partneralimentatie in beginsel integraal aftrekbaar is voor de inkomensheffing. Deze aftrek levert de onderhoudsplichtige een belastingbesparing op.

Betaling van het gevonden bedrag genereert een fiscaal voordeel waarvan de omvang bepaald wordt door de percentages van de belastingschijven waarin de aftrek wordt gerealiseerd. Deze belastingbe- sparing wordt geheel aan de onderhoudsgerechtigde toegerekend. Dit betekent dat het bedrag dat de onderhoudsplichtige kan missen met de belastingbesparing wordt verhoogd.

Berekening bruto alimentatie

Algemeen

De becijferde netto partneralimentatie is één van de persoonsgebonden aftrekposten. Omdat het belastingvoordeel bij de netto partneralimentatie wordt opgeteld, verhoogt ook dit belastingvoordeel de persoonsgebonden aftrek. Bij de berekening van het belastingvoordeel moet de netto partneralimentatie gebruteerd worden. Dat houdt in dat moet worden nagegaan hoeveel er bruto in het concrete geval nodig is om de netto alimentatie te kunnen betalen. Dit bruto bedrag is de alimentatie inclusief belastingvoordeel.

De brutering vindt plaats in dezelfde volgorde waarin de persoonsgebonden aftrek op het belastbaar inkomen in mindering wordt gebracht. Daarom moet eerst worden gekeken naar box I. Is het belastbaar inkomen in box I minus de te betalen belasting in box I (met andere woorden, wat er netto in box I overblijft) lager dan de becijferde netto partneralimentatie, dan wordt voor het surplus becijferd of dit netto uit box III kan worden gehaald. Is ook het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box III) minus de daarover te betalen belasting ontoereikend om het resterende deel van de netto alimentatie op te brengen, dan moet tot slot in box II worden nagegaan welk deel van het bruto inkomen nodig is om dat resterende deel te voldoen. De som van de gevonden bruto bedragen geeft de partneralimentatie inclusief belastingvoordeel.

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige volgens het gekozen berekeningssysteem voor zichzelf moet overhouden wordt hierdoor niet aangetast.

Als er bij 139 al belastingvoordeel is berekend, kunnen de bij 94, 100 en 111 gevonden bedragen niet zonder meer worden aangehouden. Door de verhoging van de persoonsgebonden aftrek op grond van 138 kan het belastbaar inkomen in box I, III en/of II immers gewijzigd zijn.

144 Wordt er minder netto partneralimentatie gevonden dan het netto inkomen in box I (d.w.z. het belastbaar inkomen in box I minus de inkomensheffing in box I) dan vindt de becijfering van het aan de alimentatiegerechtigde toe te rekenen belastingvoordeel geheel plaats in box I (volgens het stappenschema van Buijs). De boxen III en II blijven in dat geval buiten beschouwing.

145 Wordt meer netto partneralimentatie gevonden dan het hiervoor bedoelde netto inkomen in box I, dan dient ook het belastingvoordeel in (eerst) box III te worden becijferd. Dit belastingvoordeel wordt gevonden door:

  1. als de resterende netto alimentatie hoger is dan wat netto overblijft in box III: de in box III te betalen belasting te nemen;
  2. als de resterende netto alimentatie lager is dan wat netto overblijft in box III: de resterende netto alimentatie te vermenigvuldigen met het in box III te betalen percentage gedeeld door 100 verminderd met dat percentage.

Het aldus becijferde belastingvoordeel in box III dient te worden opgeteld bij het onder 145 becijferde bedrag, te weten de netto partneralimentatie vermeerderd met het belastingvoordeel in box I.

146 Wordt er meer netto partneralimentatie gevonden dan meergenoemd netto inkomen in box I en het netto inkomen in box III, dan wordt tenslotte becijferd welk belastingvoordeel in box II wordt behaald. Dit belastingvoordeel wordt gevonden door de resterende netto alimentatie te vermenigvuldigen met het in box II te betalen percentage gedeeld door 100 verminderd met dat percentage. De bruto partneralimentatie is in dat geval de som van de netto partneralimentatie vermeerderd met het belastingvoordeel in box I, het becijferde belastingvoordeel in box III en het becijferde belastingvoordeel in box II.

LET OP Het is mogelijk dat er meer belastingvoordeel wordt berekend dan er in feite gerealiseerd kan worden. Bij het berekenen van het voordeel is er immers geen rekening mee gehouden dat een deel van de belasting door de heffingskorting niet betaald hoeft te worden. Aan het slot van de berekening moet daarom nog worden nagegaan of er moet worden gecorrigeerd voor de heffingskorting. Die correctie moet de omgekeerde weg afleggen, dus beginnen in box II, dan eventueel verder met box III en eindigen in box I.

7. AFWIJKING VAN HET REKENMODEL

In de volgende gevallen wordt afwijking van het rekenmodel aanbevolen:

  • verwijtbaar, niet voor herstel vatbaar inkomensverlies van de onderhoudsplichtige;
  • extra lasten in verband met verplichtingen die de onderhoudsplichtige niet uit het draagkrachtloos inkomen kan voldoen;
  • schuldsanering;
  • verpleging in een AWBZ instelling.

7.1 Inkomensverlies

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

  1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven en
  2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan kan worden uitgegaan van het oorspronkelijke inkomen. Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing moet blijven. In het bijzonder moet worden bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval dan wordt er gerekend met het nieuwe verminderde inkomen; is dat wel het geval dan wordt met het oude fictieve inkomen gerekend. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag er in beginsel niet toe leiden dat de onderhoudsplichtige, als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht, bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 90 % van de voor hem geldende bijstandsnorm, waarbij er in beginsel vanuit wordt gegaan dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

7.2 Kinderalimentatie: extra lasten

7.2.1 Algemeen

Staat de bepaalde niet vermijdbare en niet te verwijten lasten vast, zoals betalingen in verband met de restschuld voor de voormalige echtelijke woning of andere (huwelijkse) schulden, dan kan daarmee rekening worden gehouden door het draagkrachtloos inkomen, zoals vermeld in de tabel, te verhogen. Na verhoging van het draagkrachtloos inkomen wordt dit in mindering gebracht op het netto besteedbaar inkomen. Van hetgeen overblijft, is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. Bij de inkomens tussen € 1.275 tot € 1.525 kan dit percentage hoger liggen.

Voorbeeld (tebel 2013):
Behoefte van het kind is € 415
Netto besteedbaar inkomen ouder 1: € 2.500
Draagkracht ouder 1: € 630
Netto besteedbaar inkomen ouder 2: € 1.500
Draagkracht ouder 2: € 140
Zorgkorting: € 62
In verband met een restschuld eigen woning betaalt ouder 1 (netto) rente van € 400 per maand.

Op grond van de draagkrachttabel is het draagkrachtloos inkomen van ouder 1 € 1.600. Verhoging van dit bedrag met de recht leidt tot een draagkrachtloos inkomen van ouder 1 van € 2.000. De draagkracht vermindert dan tot 70% van € 500, is € 350. De gezamenlijke draagkracht is nog steeds voldoende om in de behoefte te voorzien, zodat ook met de zorgkorting rekening kan worden gehouden. Ouder 1 betaalt 350/490 x 415 = 296 – 62 = € 234.

7.2.2 Woonlasten

Betreft het extra lasten in verband met de (voormalige) eigen woning, terwijl die woning niet meer wordt bewoond door de onderhoudsplichtige maar wel door zijn voormalige partner, dan kan bij beide partijen het draagkrachtloos inkomen worden verhoogd met de som van de werkelijke eigen woonlast - in plaats van de forfaitaire woonlast - en de in aanmerking te nemen netto lasten met betrekking tot de (voormalige) eigen woning.

Voorbeeld (idem als hierboven in paragraaf 7.2.1.):
Behoefte van het kind is € 415
Netto besteedbaar inkomen ouder 1 € 2.500
Extra last (netto) € 400
De werkelijke woonlast van ouder 1 € 600
Draagkracht ouder 1 € 455
Netto besteedbaar inkomen ouder 2 € 1.500
De werkelijke woonlast van ouder 2 € 150
Draagkracht ouder 2 € 350
Zorgkorting € 62

De gezamenlijke draagkracht is nog steeds voldoende om in de behoefte te voorzien, zodat ook met de zorgkorting rekening kan worden gehouden. Ouder 1 betaalt 455/805 x 415 = 234 – 62 = € 172.

7.3 Kinderalimentatie: de aanvaardbaarheidstoets

Indien sprake is van extra lasten die niet op de voet van paragraaf 7.2 in aanmerking zijn genomen, kan aanleiding bestaan voor toepassing van de aanvaardbaarheidstoets.

In die gevallen waar sprake is van schulden, andere lasten of een lager inkomen dan € 1.325, kan de vaststelling van een bijdrage op basis van de tabel tot een onaanvaardbare situatie leiden voor de onderhoudsplichtige. Van een onaanvaardbare situatie is sprake indien de onderhoudsplichtige:

  • bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, of

  • van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt, waarbij er in beginsel vanuit wordt gegaan dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om te stellen en te onderbouwen dat de op basis van het rekenmodel vastgestelde bijdrage in dat specifieke geval niet aanvaardbaar is, alle omstandigheden in aanmerking genomen. Tot de omstandigheden die van belang zijn worden gerekend, de financiële situatie (inkomen en vermogen) van de onderhoudsplichtige, de noodzaak van de lasten, de mogelijkheid zich van de lasten te bevrijden, de verhouding tussen de onderhoudsplichtigen en de zorgregeling. Deze toets wordt desgevraagd uitgevoerd na de berekening maar vóór de vaststelling van de te betalen bijdrage.

Bij een beroep op de onaanvaardbaarheid wordt van de onderhoudsplichtige verwacht dat hij volledig en duidelijk – door middel van een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven met onderliggende stukken - inzicht geeft in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen. De rechter dient vervolgens te beoordelen of bij vaststelling van de volgens het rekenmodel berekende bijdrage onvoldoende rekening zou worden gehouden met alle omstandigheden die zijn draagkracht beïnvloeden, zodat geen sprake meer is van een bijdrage conform de wettelijke maatstaven. Bij die beoordeling dient onder meer de jurisprudentie van de Hoge Raad op het gebied van draagkracht (verdiencapaciteit), fictieve draagkracht en schulden tot zijn recht te komen.

In dat verband spelen de verwijtbaarheid en de mogelijkheid tot vermijding van de lasten een rol. Bij de invulling van deze begrippen wordt aangesloten bij de jurisprudentie.

Verwijtbaarheid

In geval sprake is van een groter beslag van de uitgaven op het inkomen dan redelijkerwijs kan worden verwacht, dient te worden onderzocht of de onderhoudsplichtige zich uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedraging die tot zodanige verhoging van zijn noodzakelijke uitgaven heeft geleid, dat hij - gelet op zijn inkomen en de daarbij redelijke lasten – de bijdrage volgens het rekenmodel niet kan voldoen. Als de onderhoudsplichtige de zwaardere lasten uit hoofde van zijn verhouding en met oog op de belangen van de onderhoudsgerechtigde had dienen te voorkomen, is sprake van verwijtbare lasten. Bij lasten en schulden kan verwijtbaarheid bijvoorbeeld aan de orde zijn als deze onnodig zijn aangegaan of hebben voortbestaan.

Vermijdbaarheid/mogelijkheid tot herstel draagkracht

Indien:

  • de mogelijkheid bestaat om zich van de last of schuld te bevrijden; of  
  • de mogelijkheid bestaat om daarvoor een regeling te treffen;

dan kan de onderhoudsplichtige de lasten die uitgaan boven de redelijke lasten vermijden. Betreft de regeling een periodieke aflossing, dan geldt voor dat deel van de lasten dat niet de mogelijkheid bestaat om de lasten te vermijden of zich daarvan te bevrijden.

Er zijn verschillende situaties te onderscheiden:
1. Zijn de lasten verwijtbaar en kan de onderhoudsplichtige zich van de schuld bevrijden of daarvoor een regeling treffen, dan bestaat geen grond voor afwijking van het rekenmodel en wordt alleen rekening gehouden met de redelijke (forfaitaire) uitgaven die ten laste van inkomen komen (draagkrachttabel).

2. Zijn de lasten verwijtbaar, maar bestaat geen mogelijkheid deze te vermijden of zich daarvan te bevrijden, dan dient te worden bezien of de lasten uit de post onvoorzien en de vrije ruimte kunnen worden voldaan. Is dat niet het geval, dan dient een onderzoek naar de draagkracht plaats te vinden. In dat geval is die onderhoudsbijdrage verschuldigd die:

  • de onderhoudsplichtige, de lasten in aanmerking genomen, in staat stelt de noodzakelijke kosten van levensonderhoud te voldoen, dan wel 
  • voor de onderhoudsplichtige van zijn inkomen 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm vrij laat, waarbij er in beginsel vanuit wordt gegaan dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt

3. Zijn de lasten niet verwijtbaar en kan de onderhoudsplichtige zich daarvan bevrijden of daarvoor een regeling treffen, dan bestaat geen grond voor afwijking van het rekenmodel en wordt alleen rekening gehouden met de redelijke (forfaitaire) uitgaven die ten laste van het inkomen komen (draagkrachttabel).

De eventuele afwijzing van een van onderbouwing voorzien aanvaardbaarheidsverweer dient te worden gemotiveerd. Zonder volledig inzicht is een goede uitvoering van de aanvaardbaarheidstoets niet mogelijk. Bij gebreke van een afdoende onderbouwing kan de stelling dat draagkracht ontbreekt worden gepasseerd.

7.4 Schuldsanering

In geval een onderhoudsplichtige is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen (WSNP), bestaat voor de ouder de mogelijkheid om de rechter-commissaris te verzoeken bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag (VTLB) rekening te houden met de zorg- of onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. Onder omstandigheden mag van de onderhoudsplichtige ouder worden verwacht van deze mogelijkheid gebruik te maken, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Houdt de rechter-commissaris geen rekening met de zorg- of onderhoudsverplichting of is een toegekende correctie onvoldoende om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan wordt aanbevolen de te betalen bijdrage op nihil te bepalen, althans te verlagen, in ieder geval voor de duur van de schuldsanering.

De rechter-commissaris kan bij het vaststellen van de VTLB voor de alimentatiegerechtigde rekening houden met de omstandigheid dat de ontvangen kinderalimentatie in mindering wordt gebracht op de Participatiewet-uitkering.

7.5 Verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het CAK wordt deze bijdrage vastgesteld op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. Er kan onder omstandigheden rekening gehouden worden met een onderhoudsverplichting jegens kinderen en jongmeerderjarigen. Het verdient de aanbeveling de draagkracht aldus te berekenen dat het netto inkomen van de onderhoudsplichtige wordt verminderd met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage).

Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten

Geen wetnummer opgegeven.

Beschikbare wetten in de kennisbank:

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN