Huurovereenkomst. Dringend eigen gebruik. Vordering niet-ontvankelijk, deelgenoten vordering niet gezamenlijk ten behoeve gemeenschap ingesteld.
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12143785 \ CV EXPL 26-1169
Vonnis van 28 oktober 2026
[verhuurder]
,
te [woonplaats 1] , [gemeente] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: mr. A.L. Stegeman,
[huurder]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. P.W. Switalska.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 t/m 15
- de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van voorwaardelijke eis in reconventie, met producties 1 t/m 15
- nagekomen productie 16 behorende bij de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van voorwaardelijke eis in reconventie
- conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, met producties 16 t/m 20
- de mondelinge behandeling van 8 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij door beide partijen spreekaantekeningen zijn overlegd
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
In conventie en voorwaardelijke reconventie
2.1.
[verhuurder] en haar echtgenoot de heer [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot] ) zijn gezamenlijk eigenaar van een woning aan de [adres] te [woonplaats 2] (hierna: de woning). [verhuurder] en [echtgenoot] zijn feitelijk gescheiden.
2.2.
Vanaf 1 januari 2025 huurt [huurder] de woning.
2.3.
Op 26 november 2025 heeft [verhuurder] de huurovereenkomst per brief tussentijds opgezegd per 31 januari 2026 wegens dringend eigen gebruik.
2.4.
[huurder] heeft per brief van 26 november 2025 niet ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomst.
2.5.
Op 17 december 2025 heeft [verhuurder] de huurovereenkomst wederom per brief tussentijds opgezegd per 30 april 2026 wegens dringend eigen gebruik.
2.6.
[huurder] heeft per brief van 22 december 2026 wederom niet ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomst.
3Het geschil
3.1.
[verhuurder] vordert uitvoerbaar bij voorraad:
I. de datum van het einde van de huurovereenkomst vast te stellen;
II. [huurder] te veroordelen tot ontruiming van de woning en oplevering van de woning aan [verhuurder] op de hiervoor bedoelde datum;
III. [huurder] te veroordelen om aan [verhuurder] een vergoeding wegens proceskosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 14e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening.
3.2.
[verhuurder] legt aan deze vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag:
3.3.
[huurder] voert verweer. [huurder] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [verhuurder] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [verhuurder] :
in voorwaardelijke reconventie
3.4.
Voor het geval de vorderingen van [verhuurder] worden toegewezen, vordert [huurder] veroordeling van [verhuurder] tot betaling van een bedrag van
€ 7.926 ter vermeerderen met de wettelijke rente, in verband met verhuis- en inrichtingskosten. [huurder] legt aan deze vordering ten grondslag dat een eventuele beëindiging van de huurovereenkomst kosten met zich meebrengt o.a. voor verhuizing en herinrichting nieuwe woning. De hoogte van de vordering sluit aan bij het wettelijk minimum
3.5.
[verhuurder] voert verweer. [verhuurder] voert aan dat [huurder] haar kosten niet onderbouwd heeft en dat [huurder] geen causaal verband aantoont. Het minimumbedrag dat [huurder] noemt is niet aan de orde, dit minimumbedrag komt uit een Ministerieel Besluit dat enkel ziet op renovatie of sloop van de woning.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
[verhuurder] is niet-ontvankelijk in haar vordering
4.1.
Voordat de kantonrechter komt tot een inhoudelijke beoordeling, dient de kantonrechter vast te stellen of [verhuurder] ontvankelijk is in haar vordering.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [verhuurder] en [echtgenoot] gezamenlijk eigenaar zijn van het gehuurde. Tevens is niet in geschil dat alleen [verhuurder] de huurovereenkomst heeft opgezegd en de onderhavige vorderingen heeft ingesteld.
4.3.
Uit artikel 3:170 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat het opzeggen van een huurovereenkomst door deelgenoten gezamenlijk dient te geschieden. Artikel 3:171 BW geeft aan een deelgenoot de bevoegdheid om namens alle deelgenoten ten behoeve van de gemeenschap een vordering in te stellen, ook voor handelingen betreffende de gemeenschap waartoe de deelgenoten op grond van artikel 3:170 BW alleen gezamenlijk bevoegd zijn. Gaat het om deze laatstgenoemde handelingen, dan is het instellen van een vordering alleen mogelijk als (onbetwist) is gesteld dat deze vordering namens alle deelgenoten en ten behoeve van de gemeenschap is ingesteld.
4.4.
[verhuurder] heeft in de dagvaarding niet tot uiting gebracht dat de vorderingen namens alle deelgenoten en namens de gemeenschap zijn ingesteld. [verhuurder] heeft later wel een verklaring van de heer [echtgenoot] overlegd waarin de heer [echtgenoot] aangeeft dat de procedure bij de rechter mede namens hem wordt gevoerd. [echtgenoot] heeft in deze verklaring niet aangevoerd dat de vordering ten behoeve van de gemeenschap is ingesteld.
4.5.
Ter zitting heeft [verhuurder] toegelicht dat zij en [echtgenoot] in een zeer ingewikkelde, zeer belastende en trage echtscheidingsprocedure zitten, waarvan de afhandeling vermoedelijk nog lang zal duren. Wanneer [verhuurder] uit de caravan kan vertrekken en niet meer naast het chalet van [echtgenoot] woont, is zij niet meer van hem afhankelijk voor o.a. water en stroom. Dit kan voor de afwikkeling van de echtscheiding en daarmee de gemeenschap zeer dienstig zijn. De gemeenschap wordt door deze procedure dus niet benadeeld, aldus [verhuurder] . Daarbij heeft [verhuurder] ter zitting ook aangegeven dat zij en [echtgenoot] een beheersregeling hebben, waardoor [verhuurder] zelfstandig bevoegd zou zijn tot het instellen van deze rechtsvordering.
4.6.
De kantonrechter oordeelt dat het aan [verhuurder] is om te onderbouwen dat de vordering ten behoeve van de gemeenschap is ingesteld. De kantonrechter oordeelt dat [verhuurder] dit onvoldoende heeft gedaan. De kantonrechter kan zich voorstellen dat het in het licht van de feitelijke en toekomstige scheiding prettig is om niet langer naast elkaar te wonen en niet van elkaar afhankelijk te zijn. Dit is echter niet voldoende ter onderbouwing dat de vordering ten behoeve van de gemeenschap is ingesteld. Zeker niet aangezien [verhuurder] heeft aangegeven dat dit voor de gemeenschap dienstig kan zijn. Daarbij merkt de kantonrechter op dat het aannemelijk is dat het logische gevolg van toewijzing van de vordering is dat minder huurinkomsten binnen de gemeenschap worden ontvangen. Dit zou juist kunnen leiden tot een benadeling van de (nog steeds bestaande) gemeenschap, mede gelet op de zeer trage afwikkeling van de echtscheidingsprocedure waardoor de gemeenschap nog lang zal blijven bestaan en de financiële situatie waarin [verhuurder] zelf aangeeft te verkeren. [verhuurder] heeft de beheersregeling daarnaast op geen enkele wijze nader onderbouwd, terwijl het op haar weg had gelegen om dit wel te doen. Dat [echtgenoot] , volgens de door [verhuurder] ingebrachte verklaring heeft ingestemd met het instellen van de vorderingen, maakt bovenstaande niet anders. Uit deze enkele verklaring volgt zonder nadere onderbouwing immers niet dat de ingestelde vorderingen strekken ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap.
4.7.
Overigens zou de kantonrechter ook niet aan een inhoudelijke beoordeling van het dringend eigen gebruik zijn toegekomen indien [verhuurder] de vordering wel samen met [echtgenoot] zou hebben ingesteld, omdat de opzegging van de huurovereenkomst niet rechtsgeldig is gedaan. De opzegging van de huurovereenkomst is immers (ook) alleen door [verhuurder] gedaan en niet door de deelgenoten gezamenlijk, terwijl dit wel vereist is op grond van artikel 3:170 BW. De opzegging is dus ongeldig. Op grond van artikel 7:272 lid 2 BW is een rechtsgeldige opzegging vereist voor het instellen van een vordering tot huurbeëindiging.
4.8.
Gelet op het voorgaande verklaart de kantonrechter [verhuurder] in haar vorderingen niet-ontvankelijk. Aan de bespreking van de overige stellingen en weren van partijen komt de kantonrechter daarom niet toe.
4.9.
[verhuurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [huurder] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [verhuurder] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten. De proceskosten van [huurder] worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde
|
€
|
434,00
|
(2 punten × € 217,00)
|
|
- nakosten
|
€
|
108,50
|
|
|
Totaal
|
€
|
542,50
|
|
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
5.1.
verklaart [verhuurder] niet-ontvankelijk in haar vorderingen;
5.2.
veroordeelt [verhuurder] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
veroordeelt [verhuurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Duin en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.