3.1.
Vader vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 mei 2008, bekend onder zaaknummer C/10/304140, schorst voor zover deze ziet op de vanaf 7 juli 2025 vervallen en nog te vervallen onderhoudstermijnen, totdat in de bij de rechtbank Rotterdam onder zaaknummer C/10/721624 aanhangige bodemprocedure einduitspraak is gedaan;
II. Zoon gebiedt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis het LBIO schriftelijk en ondubbelzinnig te instrueren om alle invordering en executiemaatregelen uit hoofde van de onder punt I. genoemde beschikking op te schorten, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat Zoon hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 15.000,00, althans een bedrag en maximum dat de voorzieningenrechter in goede justitie bepaalt;
III. Zoon gebiedt om binnen dezelfde termijn onder punt II. alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is om te bewerkstelligen dat het ten laste van Vader gelegde loonbeslag wordt opgeheven, althans de werking daarvan wordt geschorst, totdat in de bodemprocedure einduitspraak is gedaan, zulks eveneens op straffe van de onder punt II. genoemde dwangsom;
Subsidiair, voor het geval de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om de executie te schorsen:
IV. De executie van de onder punt I. genoemde beschikking beperkt tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag per maand, althans uitsluitend de vanaf 1 juli 2025 ontstane achterstand, dan wel uitsluitend de na dit vonnis vervallende toekomstige termijnen schorst, totdat in de bodemprocedure einduitspraak is gedaan;
Zowel primair als subsidiair:
V. Zoon veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de advocaat, alsmede de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan.
3.2.
Vader legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. Bij beschikking van 19 mei 2008 is de door hem aan Zoon te betalen alimentatie vastgesteld. Vader stelt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de beschikking van 19 mei 2008. Vader voert in dit kader aan dat zijn minderjarige dochter uit zijn huidige relatie seksueel is misbruikt door Zoon, haar halfbroer. Uit het strafvonnis van 16 juni 2026 blijkt dat Zoon is veroordeeld wegens aanranding van zijn halfzus en dat Zoon een schadevergoedingsmaatregel van € 6.500,00 is opgelegd. De uitspraak is onherroepelijk. Deze gebeurtenissen hebben geleid tot een volledige en duurzame breuk in de vader-zoonrelatie. Sinds 2023 bestaat tussen Vader en Zoon geen contact meer. De halfzus heeft als gevolg van het gebeurde ernstige psychische en emotionele gevolgen ondervonden en professionele hulpverlening ontvangen. Vader ervaart het voortduren van zijn onderhoudsverplichting, terwijl hij tegelijkertijd wordt geconfronteerd met de gevolgen van het handelen van Zoon jegens zijn minderjarige dochter, als zeer ingrijpend. Dit vormt de kern van zijn beroep op artikel 1:399 BW in de reeds aangevangen bodemprocedure, aldus Vader.
Daarnaast is volgens Vader sprake van een zelfstandige grond, te weten wijziging in de financiële omstandigheden. Zoon zou inmiddels fulltime werkzaam zijn als hovenier en daarom over eigen inkomsten beschikken. Voor zover Vader bekend, volgt Zoon geen opleiding meer, waardoor ook in dat kader geen behoefte bestaat aan de zijde van Zoon. Daarmee is volgens Vader de situatie wezenlijk anders dan ten tijde van de oorspronkelijke vaststelling van de alimentatie.
3.3.
Zoon voert verweer. Zoon concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Het verweer van Zoon komt erop neer dat Vader de gebeurtenissen die hebben geleid tot het strafvonnis niet kan gebruiken om niet langer aan Zoon te hoeven betalen. De onderhoudsverplichting dateert van 2008. Die onderhoudsverplichting ziet op de relatie tussen Vader en Zoon. Het voorval met de halfzus kan daar geen invloed op hebben, aldus Zoon.