ABONNEER NU!

EN KRIJG TOEGANG TOT VAKKENNIS


Probeer de eerste maand GRATIS
Daarna slechts € 240 per jaar (excl. btw)

Rechtbank Rotterdam 28-10-2026, ECLI:NL:RBROT:2026:15211

Essentie (gemaakt door AI)

Kort geding waarin vader schorsing van de executie van een alimentatiebeschikking en opheffing loonbeslag vordert. Vader beroept zich op nieuwe feiten, waaronder een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van zoon wegens aanranding van halfzus en gestelde inkomenswijziging bij zoon. Toets aan misbruik van bevoegdheid art. 3:13 BW faalt; geen noodtoestand en geen klaarblijkelijke misslag. Ook matiging wordt afgewezen. Vorderingen worden afgewezen. Proceskosten gecompenseerd.

Nieuwsitem uit Focus op Familierecht

Aanranding halfzus door zoon geen reden om executie van zijn alimentatie te schorsen
Jongmeerderjarige zoon legt loonbeslag wegens achterstallige alimentatie. Vader vordert schorsing vanwege veroordeling zoon voor aanranding halfzus. Rb: omstandigheden zijn invoelbaar, maar geen misbruik van executiebevoegdheid.

Datum publicatie03-11-2026
ZaaknummerC/10/726619 / KG ZA 26-984
ProcedureKort geding
ZittingsplaatsRotterdam
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenAlimentatie
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie Rechtspraak.nl

Kort geding. Executiegeschil. Afwijzing. Er is geen sprake van misbruik van bevoegdheid.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/726619 / KG ZA 26-984

Vonnis in kort geding van 28 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats],

eisende partij,

advocaat: mr. S. Kara,

tegen

[gedaagde] ,

wonend in [woonplaats],

gedaagde partij,

advocaat: mr. D.S. Lösing.

Partijen worden hierna Vader en Zoon genoemd.

1De zaak in het kort

Deze zaak betreft een executiegeschil. Partijen zijn vader en zoon. Vader is aan Zoon alimentatie verschuldigd. Vader is opgehouden de alimentatie te betalen aan Zoon. Zoon heeft executiemaatregelen getroffen, waaronder loonbeslag. Vader vordert in dit kort geding onder meer schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking totdat in de aanhangige bodemprocedure uitspraak is gedaan. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van Vader af.

2De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 6 oktober 2026, met bijlagen E1 tot en met E9;

- de conclusie van antwoord, met bijlagen G1 en G2;

- de op 13 oktober 2026 nader ingediende bijlagen E10 tot en met E15, inclusief toelichting;
- de mondelinge behandeling van 14 oktober 2026.

3Het geschil

3.1.

Vader vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. de tenuitvoerlegging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 mei 2008, bekend onder zaaknummer C/10/304140, schorst voor zover deze ziet op de vanaf 7 juli 2025 vervallen en nog te vervallen onderhoudstermijnen, totdat in de bij de rechtbank Rotterdam onder zaaknummer C/10/721624 aanhangige bodemprocedure einduitspraak is gedaan;

II. Zoon gebiedt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis het LBIO schriftelijk en ondubbelzinnig te instrueren om alle invordering en executiemaatregelen uit hoofde van de onder punt I. genoemde beschikking op te schorten, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat Zoon hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 15.000,00, althans een bedrag en maximum dat de voorzieningenrechter in goede justitie bepaalt;

III. Zoon gebiedt om binnen dezelfde termijn onder punt II. alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is om te bewerkstelligen dat het ten laste van Vader gelegde loonbeslag wordt opgeheven, althans de werking daarvan wordt geschorst, totdat in de bodemprocedure einduitspraak is gedaan, zulks eveneens op straffe van de onder punt II. genoemde dwangsom;

Subsidiair, voor het geval de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om de executie te schorsen:

IV. De executie van de onder punt I. genoemde beschikking beperkt tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag per maand, althans uitsluitend de vanaf 1 juli 2025 ontstane achterstand, dan wel uitsluitend de na dit vonnis vervallende toekomstige termijnen schorst, totdat in de bodemprocedure einduitspraak is gedaan;

Zowel primair als subsidiair:

V. Zoon veroordeelt in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de advocaat, alsmede de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan.

3.2.

Vader legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. Bij beschikking van 19 mei 2008 is de door hem aan Zoon te betalen alimentatie vastgesteld. Vader stelt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de beschikking van 19 mei 2008. Vader voert in dit kader aan dat zijn minderjarige dochter uit zijn huidige relatie seksueel is misbruikt door Zoon, haar halfbroer. Uit het strafvonnis van 16 juni 2026 blijkt dat Zoon is veroordeeld wegens aanranding van zijn halfzus en dat Zoon een schadevergoedingsmaatregel van € 6.500,00 is opgelegd. De uitspraak is onherroepelijk. Deze gebeurtenissen hebben geleid tot een volledige en duurzame breuk in de vader-zoonrelatie. Sinds 2023 bestaat tussen Vader en Zoon geen contact meer. De halfzus heeft als gevolg van het gebeurde ernstige psychische en emotionele gevolgen ondervonden en professionele hulpverlening ontvangen. Vader ervaart het voortduren van zijn onderhoudsverplichting, terwijl hij tegelijkertijd wordt geconfronteerd met de gevolgen van het handelen van Zoon jegens zijn minderjarige dochter, als zeer ingrijpend. Dit vormt de kern van zijn beroep op artikel 1:399 BW in de reeds aangevangen bodemprocedure, aldus Vader.

Daarnaast is volgens Vader sprake van een zelfstandige grond, te weten wijziging in de financiële omstandigheden. Zoon zou inmiddels fulltime werkzaam zijn als hovenier en daarom over eigen inkomsten beschikken. Voor zover Vader bekend, volgt Zoon geen opleiding meer, waardoor ook in dat kader geen behoefte bestaat aan de zijde van Zoon. Daarmee is volgens Vader de situatie wezenlijk anders dan ten tijde van de oorspronkelijke vaststelling van de alimentatie.

3.3.

Zoon voert verweer. Zoon concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Het verweer van Zoon komt erop neer dat Vader de gebeurtenissen die hebben geleid tot het strafvonnis niet kan gebruiken om niet langer aan Zoon te hoeven betalen. De onderhoudsverplichting dateert van 2008. Die onderhoudsverplichting ziet op de relatie tussen Vader en Zoon. Het voorval met de halfzus kan daar geen invloed op hebben, aldus Zoon.

4De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat voor het gevorderde slechts plaats is in uitzonderlijke gevallen, te weten in gevallen waarin sprake is van misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW. Als uitgangspunt geldt namelijk dat Zoon, vanaf zijn 18e, op grond van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 mei 2008 beschikt over een executoriale titel voor het innen van de door Vader aan Zoon verschuldigde geldsom. Zoon en het LBIO zijn daardoor in beginsel bevoegd tot het treffen van executiemaatregelen en executoriaal beslag ten laste van Vader te leggen. Deze bevoegdheid als zodanig wordt door Vader ook niet betwist.

4.2.

Van misbruik van bevoegdheid is sprake als de executant – mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Volgens vaste rechtspraak kan daarvan onder meer sprake zijn als het te executeren vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of als de tenuitvoerlegging op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.3.

Vader heeft ter zitting erkend dat de betaling van de alimentatie voor hem financieel geen noodtoestand oplevert, hij heeft voldoende middelen. De vordering van Vader is er enkel op gegrond dat er na de beschikking nieuwe feiten en omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat van de eerdere beschikking wordt afgeweken. Hij heeft het geëigende rechtsmiddel aangewend, namelijk een wijzigingsverzoek, maar daarop zal voorlopig geen uitspraak worden gedaan.

De executie wordt niet geschorst

4.4.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat uitvoering van de beschikking van 19 mei 2008 het uitgangspunt is. De alimentatieverplichting die daarin is vastgelegd vloeit voort uit de wet (artikel 1:392 leden 1 en artikel 1:395a BW) . Elke ouder is onderhoudsplichtig jegens zijn kinderen. Dit geldt zowel tijdens de minderjarigheid als gedurende de eerste jaren van de meerderjarigheid van de kinderen. De onderhoudsverplichting geldt ook als deze kinderen niet behoeftig zijn (artikel 1:392 lid 2 jo. 395a BW) . De wet stelt verder geen andere voorwaarden aan de onderhoudsverplichting; de toestand en het gedrag van de kinderen zijn in dat kader irrelevant.

Dat er nu een strafvonnis is gewezen, dat Zoon een inkomen heeft en dat Zoon niet (meer) zou studeren maken niet dat Vader niet meer onderhoudsplichtig is jegens Zoon. Bovendien speelt het voorval dat heeft geleid tot het strafvonnis niet in de relatie tussen Vader en Zoon, maar tussen Zoon en zijn halfzus. Door de beschikking van 2008 te executeren maakt Zoon geen misbruik van executiebevoegdheid.

4.5.

De voorzieningenrechter begrijpt dat het voor Vader emotioneel zwaar is om in de gegeven omstandigheden nog te moeten bijdragen in het onderhoud van Zoon en dat het van Zoon minst genomen onkies is om op deze wijze de beschikking te executeren. Dat maakt echter nog niet dat de executie misbruik van recht oplevert.

Het alimentatiebedrag wordt niet gematigd

4.6.

Vanwege het voorgaande (zie punt 4.4 en 4.5) is er ook geen aanleiding om vooruitlopend op de ingestelde bodemprocedure, het alimentatiebedrag te matigen. Bij de beslissing in een executiegeschil behoort de kans van slagen van het rechtsmiddel buiten beschouwing te blijven. Ook aan de omstandigheid dat, als de alimentatie wordt gewijzigd, dat niet met terugwerkende kracht zal zijn komt in die context geen betekenis toe. De subsidiaire vordering wordt daarom eveneens afgewezen.

De proceskosten worden gecompenseerd

4.7.

Gelet op de relatie tussen partijen worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen van Vader af,

5.2.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026.

4041/106

meer blogs >> podcasts >>

BLOGS en PODCASTS

Gelijke draagplicht schulden bij gemeenschap van goederen
Mr. dr. Louis Zonnenberg, 29-03-2021
Bij een huwelijk in gemeenschap van goederen moeten de schulden aan het eind van het huwelijk gelijk worden verdeeld tussen de echtgenoten. In welke gevallen kan de rechter daar anders over oordelen?
De verdeling van gemeenschapsschulden bij scheiding
Mr. Hedy Bollen, 29-03-2021
In twee gevallen kan de rechter een uitzondering maken op de hoofdregel dat de echtgenoten de gemeenschapsschulden na een echtscheiding bij helfte moeten dragen. In dit artikel een toelichting en een jurisprudentie-overzicht.
Schuld door beroepsfout advocaat bij echtscheiding niet door beide echtgenoten gedragen
Mr. Catia Luis Fula, 27-03-2021
Na echtscheiding is iedere ex-echtgenoot voor de helft draagplichtig voor de schulden. Vanwege de aard van de schuld en het gebrek aan wetenschap van de vrouw week Hof Amsterdam in een recente uitspraak van die hoofdregel af.
×
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN