Terug naar de uitspraak

Gerechtshof Amsterdam 13-10-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2959

Datum publicatie19-10-2026
Zaaknummer200.371.348/01
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen. Gezag. Verhuizing met kind
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

‘Hoofdverblijfplaats, vervangende toestemming tot verhuizing, zorgregeling’.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.371.348/01

zaaknummer rechtbank: C/13/777948 / FA RK 25-8337 (CM AS KD TM)

beschikking van de meervoudige kamer van 13 oktober 2026 in de zaak van

[de moeder] ,

ingeschreven te [plaats 1] , Duitsland,

verzoekster in hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. Y.M. van Vliet te Heemstede,

en

[de vader] ,

ingeschreven te [plaats 2] , Zwitserland,

verweerder in hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. M. Holthuis te Amsterdam.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

hierna: de raad.

1De zaak in het kort

De zaak gaat over de plek waar [minderjarige] (ruim 1,5 jaar) verblijft. De rechtbank heeft bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft tenzij zij buiten een straal van 15 kilometer van de buitengrens van de gemeente [plaats 4] gaat wonen, in welk geval de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader zal zijn. Daarnaast heeft de rechtbank een zorgregeling bepaald waarin de omgang met de vader in drie maanden wordt opgebouwd naar een tweewekelijkse weekendregeling van vrijdagmiddag tot zondagavond.

De moeder is het daar niet mee eens en wil vervangende toestemming om met [minderjarige] naar [plaats 1] , Duitsland, te verhuizen, met instandhouding van de zorgregeling maar dan onder begeleiding. De vader is het wel eens met de bestreden beschikking maar wil in aanvulling daarop dat de moeder op straffe van een dwangsom wordt verplicht tot inschrijving van [minderjarige] binnen het door de rechtbank aangewezen gebied.

2De procedure in hoger beroep

2.1

De moeder is op 7 juli 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 26 juni 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). Het hoger beroepschrift bevat tevens een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking en een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen.

2.2

De vader heeft op 13 augustus 2026 een verweerschrift met daarbij aanvullende verzoeken ingediend.

2.3

De moeder heeft op 25 augustus 2026 een verweerschrift tegen de aanvullende verzoeken van de vader ingediend.

2.4

Verder heeft het hof het volgende stuk ontvangen:

- een bericht van de zijde van de vader van 26 augustus 2026 met bijlage.

2.5

De mondelinge behandeling in deze zaak is op 27 augustus 2026 tegelijk plaatsgevonden met de zaken met zaaknummers 200.371.348/02 en 200.371.348/03. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door J. Ibrahim.

Partijen zijn ieder door een tolk in de Engelse taal bijgestaan.

2.6

Het hof heeft ter zitting in hoger beroep in de zaken met zaaknummers 200.371.348/02 en 200.371.348/03 mondeling uitspraak gedaan. Het hof heeft de verzoeken van de moeder tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking van 26 juni 2026 en tot het treffen van voorlopige voorzieningen deels toegewezen. Een uitwerking van deze mondelinge uitspraak is op 10 september 2026 vastgesteld.

3De feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2024 te [plaats 3] , Zwitserland. De ouders hebben tot juli 2025 een relatie met elkaar gehad. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] op 18 maart 2025 naar Zwitsers recht erkend.

3.2

De moeder is burger van de Bondsrepubliek Duitsland. De vader is Brits burger. [minderjarige] is burger van de Bondsrepubliek Duitsland en Brits burger.

3.3

De vader heeft uit een eerder huwelijk nog twee kinderen. Zij hebben hun hoofdverblijfplaats bij hun moeder in Zwitserland. De vader heeft een zorgregeling met deze kinderen. De verdere familie van de vader woont in het Verenigd Koninkrijk. De familie van de moeder woont in Duitsland.

3.4

Partijen hebben elkaar in 2021 leren kennen in [plaats 4] . De moeder studeerde sinds 2019 in [plaats 4] . Vanaf 2021 studeerde zij in [plaats 5] , Italië. Partijen zijn daar gaan samenwonen. In 2023-2024 hebben zij in [plaats 6] , Duitsland gewoond. In maart 2024 zijn partijen in [plaats 3] , Zwitserland gaan wonen. In april 2025 zijn partijen met [minderjarige] in [plaats 4] gaan wonen.

3.5

De moeder heeft zich met [minderjarige] op 24 september 2025 per 10 september 2025 in [plaats 1] , Duitsland ingeschreven.

3.6

De Districtsrechtbank Keulen heeft op 15 april 2026 op het teruggeleidingsverzoek van de vader met betrekking tot [minderjarige] , kort samengevat, beslist dat de moeder [minderjarige] binnen twee weken na de uitspraak naar Nederland diende terug te brengen. Indien de moeder niet aan dit bevel voldoet, dient de moeder, dan wel enig ander persoon die [minderjarige] onder zich heeft, haar aan de vader af te geven. Voor de nakoming van de uitspraak is het de gerechtsdeurwaarder toegestaan om zo nodig onder dwang en doorzoeking van het huis van de moeder (zo nodig met behulp van de politie) [minderjarige] bij de moeder weg te nemen en aan de vader te overhandigen. Voorts bestaat de mogelijkheid van een op te leggen boete, indien de moeder de uitspraak niet nakomt. Tot slot is de moeder in de kosten van die procedure veroordeeld.

3.7

De Districtsrechtbank Keulen heeft aan de beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, het volgende ten grondslag gelegd:

Het Haagse verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 1980 (hierna het HKOV) is van toepassing tussen partijen, nu Nederland en Duitsland beide een verdragsland zijn.

Op grond van het HKOV kan een verzoek tot teruggeleiding worden gedaan indien zonder toestemming van de gezaghebbende ouder de minderjarige wordt verwijderd van zijn gewone verblijfplaats. De Districtsrechtbank heeft geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] voorafgaand aan de overbrenging naar Duitsland in Nederland was gelegen en dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor een permanente wijziging hiervan. De intentie van partijen was om permanent in [plaats 4] te blijven, althans in ieder geval niet voor korte duur. Met de gekozen verhuizing van partijen gezamenlijk naar Nederland is de nieuwe gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland daarmee komen vast te staan en heeft de gewone verblijfplaats van [minderjarige] die van haar ouders hiermee gevolgd, nu zij deze nog niet zelfstandig kon vestigen gezien haar leeftijd. Per 25 april 2025 is daarom Nederland het land van haar gewone verblijfplaats. Verder is niet gebleken van toestemming van de vader tot een permanente wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar [plaats 1] . Sterker, gebleken is uit een e-mail van de moeder aan de vader die in die procedure is ingebracht, dat moeder op 12 september 2025 ook nog uitgaat van een tijdelijk verblijf van haarzelf en [minderjarige] in [plaats 1] , aldus de Duitse rechter. De door de moeder opgeworpen uitzonderingsgronden, die alsnog een terugkeer van [minderjarige] naar Nederland belemmeren omdat met de terugkeer haar veiligheid in het geding zou komen, zijn door de Districtsrechtbank verworpen. Verder is overwogen dat het niet aan de Districtsrechtbank is om te bepalen over de hoofdverblijfplaats, dan wel de zorgregeling, maar dat dit is voorbehouden aan de Nederlandse rechter.

3.8

De moeder is niet in beroep gegaan tegen deze beslissing waarmee die onherroepelijk is geworden.

4De omvang van het hoger beroep

4.1

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder tenzij de moeder buiten een straal van 15 kilometer van de buitengrens van de gemeente [plaats 4] gaat wonen, in welk geval de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader zal zijn.

Daarnaast is een zorgregeling bepaald waarbij:

- [minderjarige] in de eerste maand na de bestreden beschikking om de twee weken op zaterdag van 11.00 uur tot 18.30 uur bij de vader zal zijn;

- [minderjarige] in de tweede maand na de bestreden beschikking om de twee weken op zaterdag en op zondag van 11.00 uur tot 18.30 uur bij de vader zal zijn, zonder overnachting;

- [minderjarige] in de derde maand na de bestreden beschikking om de twee weken bij de vader zal zijn van zaterdag 11.00 uur tot zondag 18.30 uur;

- [minderjarige] daarna eenmaal in de twee weken van vrijdag 15.00 uur, dan wel na haar slaapje, tot zondag 18.30 uur na het avondeten bij de vader zal zijn;

- waarbij de moeder naar de vader brengt en de vader naar de moeder terugbrengt;

de verzoeken van de moeder om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder in [plaats 1] te bepalen en de moeder vervangende toestemming te verlenen om (met terugwerkende kracht) met [minderjarige] naar [plaats 1] te verhuizen, zijn afgewezen.

4.2

De moeder verzoekt de beschikking in eerste aanleg te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de moeder vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar [plaats 1] , Duitsland (adres [Adres] [plaats 1] ), althans een in goede justitie te bepalen adres in [plaats 1] , te verhuizen;

- te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder in [plaats 1] , Duitsland, althans een in goede justitie te bepalen hoofdverblijfplaats bij de moeder in Nederland (als er geen vervangende toestemming voor een verhuizing naar [plaats 1] , Duitsland wordt verleend) met een straal van 50 kilometer rondom de buitengrens van [plaats 4] ;

- een zorgregeling te bepalen, waarbij de vader [minderjarige] twee keer per maand in [plaats 1] (Duitsland), althans in Nederland (als er geen vervangende toestemming voor een verhuizing naar [plaats 1] , Duitsland wordt verleend) onder supervisie kan zien, althans een in goede justitie te bepalen zorgregeling, waarbij de moeder [minderjarige] brengt en de vader [minderjarige] ophaalt, althans de contactmomenten tussen [minderjarige] en de vader plaatsvinden in [plaats 4] en dat de moeder [minderjarige] daarna weer naar [plaats 1] terugneemt, waarbij zo nodig de Raad voor de Kinderbescherming advies kan geven;

- de vader te verplichten stukken te overleggen ter zake van zijn verblijfstatus in Nederland en Zwitserland;

- althans een in goede justitie te bepalen voorziening;

- de vader te veroordelen tot de proceskosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, althans de kosten te compenseren.

4.3

De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep, althans om die verzoeken af te wijzen en de moeder te veroordelen in de kosten van het geding, voor zover rechtens mogelijk. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en met aanvulling daarvan te bepalen dat:

I. [minderjarige] in de Basisregistratie Personen (BRP) wordt ingeschreven op een adres binnen het door de rechtbank aangewezen gebied en dat haar hoofdverblijfplaats zich daadwerkelijk daar bevindt;

II. de moeder wordt verplicht bewijs te overleggen van deze inschrijving en van de feitelijke hoofdverblijfplaats van [minderjarige] .

III. de moeder wordt veroordeeld tot naleving van de zorgregeling, de haal- en brengregeling en de vastgestelde woon- en inschrijvingsverplichtingen en aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden dat de moeder bij niet nakoming van de haal- en brengregeling en de vastgestelde woon- en inschrijvingsverplichtingen een dwangsom verbeurt van € 250,- voor elke dag of een gedeelte daarvan, met een maximum van € 10.000,-.

IV. bij structurele niet-nakoming aanvullende handhavingsmaatregelen kunnen worden getroffen, waaronder inschakeling van de Raad voor de Kinderbescherming of andere passende instanties.

V. te bepalen dat [minderjarige] niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de vader dan wel een rechterlijke beslissing naar [plaats 1] mag worden overgebracht of aldaar mag worden achtergehouden, waarbij toestemming voor een afzonderlijk bezoek niet geldt als toestemming voor wijziging van de hoofdverblijfplaats;

VI. subsidiair: voor het geval het hof de moeder toestemming verleent om met [minderjarige] in [plaats 1] te verblijven, te bepalen dat alle kosten, verplichtingen en logistieke handelingen verbonden aan het halen en brengen van [minderjarige] naar de zorgregeling volledig voor rekening en risico van de moeder komen.

VII. voor zover het hof de Raad voor de Kinderbescherming om advies vraagt, verzoekt de vader te bepalen dat de door de rechtbank vastgestelde gefaseerde zorgregeling gedurende dat onderzoek onverkort wordt voortgezet.

4.4

De moeder verzoekt de aanvullende verzoeken van de vader niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken af te wijzen, althans te matigen, althans de moeder een redelijke termijn te verstrekken als het verzoek tot vervangende toestemming tot verhuizing wordt afgewezen, met veroordeling van de vader in de volledige proceskosten.

5De motivering van de beslissing

Rechtsmacht

5.1

Zoals in de uitwerking van de mondelinge uitspraak van 27 augustus 2026 inzake de verzoeken tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking en de voorlopige voorzieningen reeds beschreven, is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van deze zaak op grond van artikel 7 van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II ter). Het hof zal deze zaak aan de hand van het Nederlandse recht beoordelen.

Het wettelijk kader

5.2

Uit artikel 1:253a, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De rechter dient in geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Overeenkomstig vaste rechtspraak dient het hof bij de beslissing over vervangende toestemming voor verhuizing alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en alle betrokken belangen af te wegen.

5.3

De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan – voor zover hier van belang – omvatten:

a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

De standpunten

5.4

De moeder vindt dat de rechtbank ten onrechte geen vervangende toestemming heeft verleend om met [minderjarige] naar [plaats 1] , Duitsland, te verhuizen. Het verblijf van het gezin in [plaats 4] was tijdelijk en kan niet worden geïnterpreteerd als definitief levenscentrum. Ze waren pas net verhuisd toen de relatie werd verbroken. In die korte periode hebben ze zelfs nog een vakantie doorgebracht in Duitsland. Na het verbreken van de relatie kon de moeder niet anders dan naar haar familie in [plaats 1] . In [plaats 4] had ze geen huis en geen inkomen. Bovendien was er sprake van huiselijk geweld waarvan zij aangifte had gedaan in Zwitserland en Nederland. Daarbij heeft de vader ingestemd met een verblijf van [minderjarige] in Duitsland tot zij in ieder geval twee jaar oud zou zijn. Mocht het hof van oordeel zijn dat de vader hiervoor geen toestemming heeft gegeven, dan stelt de moeder zich op het standpunt dat het in het belang van [minderjarige] is om in [plaats 1] te blijven wonen. In [plaats 4] zit de moeder klem, zonder inkomen kan zij geen huis huren en zich dus niet inschrijven, waardoor zij geen recht heeft op toeslagen. Daarnaast zijn er lange wachtlijsten en hoge kosten voor de kinderopvang. De moeder is altijd de hoofdverzorger geweest van [minderjarige] omdat de vader veel werkt. De moeder was financieel volledig afhankelijk van de vader. De moeder is van mening dat de zorgregeling met de vader ook kan worden uitgevoerd vanuit [plaats 1] . De vader heeft geen probleem met het feit dat zijn andere twee kinderen ver van hem weg wonen. Zij wonen nu in Zwitserland maar mogen van hem ook in [plaats 7] of [plaats 8] wonen. Dat is veel verder van [plaats 4] dan [plaats 1] . Bovendien woont de vader niet echt in [plaats 4] . Hij staat ingeschreven in Zwitserland waar hij de nationaliteit wil verkrijgen. Hij zou zijn Zwitserse C-vergunning verliezen wanneer hij een verblijfsvergunning of visum zou aanvragen om in Nederland te mogen wonen. Het is dan ook niet redelijk om van de moeder te verwachten dat zij zich binnen een straal van 15 kilometer rondom [plaats 4] vestigt met [minderjarige] .

Sinds september 2025 heeft [minderjarige] een stabiele basis gekregen in [plaats 1] . Met een eigen woning samen met de moeder, een plek op de kinderopvang en de familie van de moeder in de buurt. De moeder verzoekt het hof dan ook om haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] naar [plaats 1] te verhuizen, in lijn met de adviezen van de bijzondere curator en de Duitse Raad voor de Kinderbescherming.

Indien het hof haar verzoek om vervangende toestemming voor verhuizing met [minderjarige] naar [plaats 1] afwijst, verzoekt de moeder de straal van 15 kilometer op te rekken naar 50 kilometer van de buitengrens van [plaats 4] . De moeder vindt het belangrijk dat [minderjarige] bij haar woont en dus is zij in het geval dat de vervangende toestemming tot verhuizing niet zou worden verleend, genoodzaakt om in de regio [plaats 4] een woning te vinden. Door de straal op te rekken tot 50 kilometer zal de moeder meer kans hebben op het vinden van een betaalbare woning. Bovendien wordt de vader niet beperkt in zijn belang. Hij heeft een beperkte zorgregeling met [minderjarige] . Dat is met een afstand van hoogstens 50 kilometer prima uitvoerbaar.

De moeder verzoekt tot begeleiding van de omgang tussen de vader en [minderjarige] . De moeder is altijd de hoofdverzorger van [minderjarige] geweest. De moeder heeft twijfels bij de zorgtaken van de vader. Hij heeft twee kinderen uit een vorige relatie die hij amper ziet. De moeder wil graag in navolging van het advies van de Duitse Raad voor de Kinderbescherming dat de omgang onder begeleiding wordt opgebouwd. [minderjarige] en de vader hadden elkaar tot de bestreden beschikking vijf maanden lang niet gezien en gesproken, ondanks pogingen van de moeder om het contact te onderhouden. Ook heeft de moeder zorgen over de verdere gesteldheid van de vader, daarom wenst zij dat de raad meekijkt naar een zorgregeling die in het belang van [minderjarige] is. Tot die tijd wenst de moeder het Duitse advies te volgen om het contact onder begeleiding te laten plaatsvinden.

Tegen de aanvullende verzoeken van de vader verweert de moeder zich. Zij verzoekt om een redelijke termijn van zes maanden om de gelegenheid te krijgen tot het vinden van geschikte woonruimte, een baan en kinderopvang in Nederland. Van haar familie kan niet worden verwacht dat zij een woning voor de moeder en [minderjarige] vinden op de krappe [plaats 4] woningmarkt. De verdere verzoeken van de vader leiden tot een controlesysteem waarbij de vader de moeder controleert. Dat gaat verder dan de informatie die nodig is voor de uitoefening van het gezag, noodsituaties en planbare contactmomenten. Bovendien zou het een onevenredige inbreuk zijn op de privacy van de moeder en [minderjarige] die geenszins in verhouding staat tot de nalatige informatieverstrekking vanuit de vader over zijn verblijfsstatus in Nederland. Voor de door de vader verzochte dwangsom bestaat geen aanleiding. De moeder houdt zich aan de uitspraken van de Duitse en de Nederlandse rechtbanken. Een prikkel tot nakoming is dus niet nodig. Net als het door de vader verzochte vergaande reisverbod, aldus de moeder.

5.5

De vader verweert zich als volgt.

De vader heeft niets met [plaats 1] . Hij is voornemens de komende jaren substantieel in [plaats 4] aanwezig te blijven. Zijn huidige functie als Sales Director in de [XX] -regio vereist een aanzienlijke aanwezigheid in [plaats 4] , naast regelmatige regionale reizen. Tegelijkertijd blijft hij woonachtig in Zwitserland en keert hij daar terug in verband met zijn woonplaats, zijn twee oudere kinderen en overige verplichtingen. Hij beschikt sinds 2001 over een Zwitserse C-verblijfsvergunning, die nog steeds van kracht is.

De vader denkt dat de moeder alleen in [plaats 1] wil wonen om een wig te drijven tussen hem en [minderjarige] . Voorheen wilde de moeder namelijk juist altijd in [plaats 4] wonen. Ook vermoedt de vader dat de moeder in Duitsland wil wonen omdat zij daar aanspraak kan maken op een aanzienlijk hogere kinderalimentatie dan in Nederland.

De vader betwist te hebben ingestemd met verblijf van [minderjarige] in [plaats 1] totdat zij twee is of de schoolleeftijd zou hebben. Ook betwist de vader dat het in het belang van [minderjarige] zou zijn om naar [plaats 1] te verhuizen. De vader begrijpt dat het voor [minderjarige] fijn zou zijn om in de buurt van de familie van de moeder te wonen. Het is voor [minderjarige] echter belangrijker om in de buurt van haar beide ouders te wonen. Bovendien heeft de moeder niet aannemelijk gemaakt dat zij genoodzaakt is om naar [plaats 1] te verhuizen. Het is niet in het belang van [minderjarige] om in een ander land te wonen dan haar vader. Niet is gebleken dat de moeder een essentiële binding heeft met [plaats 1] , noch dat zij haar financiële positie daar zal kunnen verbeteren. Ook heeft de moeder geen alternatieven geboden om de verhuizing voor de vader te verzachten. Bovendien is kinderopvang in Nederland ook bijna gratis wanneer je geen inkomen hebt. De moeder wordt op dit moment al jaren financieel onderhouden door haar vader die vermogend is. Hij zou een woonruimte in [plaats 4] kunnen financieren. De moeder heeft niet aangetoond dat zij geen woonruimte kan vinden binnen de straal van 15 kilometer.

Met de beslissing dat [minderjarige] binnen een straal van 15 kilometer van de buitengrenzen van [plaats 4] moet wonen, doet de rechtbank recht aan enerzijds de continuering van de verzorging door de moeder en anderzijds dat [minderjarige] opgroeit in Nederland en een betekenisvolle relatie met beide ouders kan ontwikkelen. Daarvoor is nodig dat beide ouders voldoende positief betrokken zijn in haar leven. Dat kan niet wanneer [minderjarige] in [plaats 1] woont. Ook wanneer de straal wordt opgerekt naar 50 kilometer vanaf [plaats 4] worden deze uitgangspunten losgelaten zonder dat de vader daarvoor compensatie wordt geboden. De moeder stelt haar belang boven dat van [minderjarige] . Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] is frequente omgang nodig om een duurzame hechtingsrelatie te kunnen opbouwen. Wanneer [minderjarige] in [plaats 4] woont zijn er tussentijdse contact- en opvangmomenten mogelijk.

Sinds de bestreden beschikking hebben onbegeleide contactmomenten plaatsgevonden die zonder incidenten zijn verlopen. Begeleiding zou de ontwikkeling van de normale ouder-kindrelatie onnodig belemmeren.

Als de moeder naar [plaats 1] verhuist, verzoekt de vader te bepalen dat de moeder dient te zorgen voor het vervoer van [minderjarige] van en naar de omgang met de vader.

Ten aanzien van het verzoek van de moeder tot veroordeling van de vader in de proceskosten, voert de vader aan dat de moeder dit verzoek niet heeft onderbouwd. Bovendien jaagt de moeder de vader juist op kosten door bij de rechtbank op het laatste moment een verzoek tot vervangende toestemming verhuizing in te dienen, de vader te dwingen tot het starten van een teruggeleidingsprocedure en door in hoger beroep te gaan. De vader verzoekt dan ook om de moeder te veroordelen in de kosten van het geding, aangezien zij hem wederom op kosten jaagt zonder nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren. De moeder had haar verzoek tot vervangende toestemming verhuizing bij de rechtbank al nader kunnen onderbouwen, aldus de vader.

Aanvullend verzoekt de vader om te kunnen waarborgen dat de moeder met [minderjarige] feitelijk naar [plaats 4] verhuist, aanvullend te bepalen dat [minderjarige] in de Basisregistratie Personen (BRP) wordt ingeschreven op een adres binnen het door de rechtbank aangewezen gebied en dat de moeder wordt verplicht bewijs te overleggen van deze inschrijving en van de feitelijke hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . De vader heeft hierbij een gerechtvaardigd belang omdat de moeder anders in [plaats 1] blijft wonen en [minderjarige] heen en weer brengt naar de vader, wat direct invloed heeft op zijn uitvoering van de zorgregeling. Tot nu toe verblijft de moeder met [minderjarige] buiten de door de rechtbank gestelde grenzen.

Voor het geval niet (volledig) aan de beschikking wordt voldaan, verzoekt de vader het hof te bepalen dat passende executie- en/of handhavingsmaatregelen kunnen worden getroffen. De vader acht dit noodzakelijk om te voorkomen dat de door de rechtbank zorgvuldig vastgestelde regeling in de praktijk wordt uitgehold of niet wordt nageleefd.

Het advies van de raad

5.6

De raad heeft ter zitting in hoger beroep meegedeeld dat er samen met een gedragsdeskundige van de raad naar dit dossier is gekeken. De raad vindt dat er met meer clementie naar de moeder mag worden gekeken met betrekking tot haar keuze om met [minderjarige] naar [plaats 1] te gaan in september 2025. [minderjarige] was pas zeven maanden oud toen de ouders uit elkaar gingen. De moeder was dus nog niet lang geleden bevallen, het is voorstelbaar dat zij in de situatie waarin zij er alleen voor kwam te staan in een vreemd land, de behoefte voelde om naar haar vangnet in [plaats 1] te gaan, in de nabijheid van mensen die haar konden helpen en bij wie zij veiligheid ervaart.

Vaststaat in ieder geval dat de moeder de primaire hechtingsfiguur van [minderjarige] is. Zij moet de kans krijgen om een eigen leven op te bouwen. De raad kan niet beoordelen of de moeder in de omgeving van [plaats 4] een leven kan opbouwen. Wel is de raad van mening dat het onwenselijk zou zijn als de moeder afhankelijk zou worden van de vader voor het betalen van de huur. De raad vindt daarnaast dat de moeder wordt klemgezet doordat zij binnen een straal van 15 kilometer van [plaats 4] moet wonen. Temeer omdat het onduidelijk is hoezeer de vader gebonden is aan [plaats 4] en hij zich buiten de tweewekelijkse weekendregeling wel geheel vrij buiten [plaats 4] kan bewegen.

Ten aanzien van de zorgregeling heeft de raad opgemerkt dat de opbouw zoals die bij de bestreden beschikking is bepaald erg snel gaat voor een kind van de leeftijd van [minderjarige] , nadat zij zo lang geen contact met de vader heeft gehad. Gebruikelijk is dat het contact wordt opgebouwd door middel van korte contactmomenten meerdere keren per week. Met de keuze voor contact om de week is daarbij niet aangesloten. De geplande overnachting gaat dus erg snel voor [minderjarige] . Voor begeleiding van het contact zoals de moeder verzoekt ziet de raad echter geen noodzaak. [minderjarige] moet wennen aan de situatie bij haar vader en de vader mag groeien in zijn rol als opvoeder.

In het belang van [minderjarige] dient er nu duidelijkheid te komen. Ook ten aanzien van de overdrachten. Het is belangrijk dat er duidelijke afspraken op papier worden gezet zodat de locatie en het tijdstip van de overdracht vaststaan. Hun onderlinge communicatie kunnen de ouders bewaren voor de e-mail.

De raad heeft nagedacht over een raadsonderzoek maar acht dat niet noodzakelijk, noch in het belang van [minderjarige] omdat dit lang op zich laat wachten. Dit zou ervoor zorgen dat [minderjarige] nog langer in deze situatie blijft en het risico bestaat dat ouders hierdoor meer naar elkaar gaan verharden. De raad gunt [minderjarige] en de ouders hulp maar ziet dat dit, gelet op de wachttijden, niet mogelijk is in [plaats 4] . Daarvoor vertrouwt de raad erop dat de ouders die hulp zelf inschakelen, mocht dat nodig zijn.

De beoordeling door het hof

Hoofdverblijfplaats

5.7

Vaststaat dat het tussen partijen altijd de intentie is geweest dat de moeder de hoofdverzorger van [minderjarige] zou zijn. Dit is sinds geboorte van [minderjarige] zo geweest en zo gebleven. Uit het standpunt en het handelen van de vader blijkt ook dat dit zijn intentie blijft. Hij heeft nooit extra tijd met [minderjarige] doorgebracht en heeft daar ook niet om verzocht. De in de bestreden beschikking vastgelegde sanctie, dat wanneer de moeder zich met [minderjarige] buiten een straal van 15 kilometer buiten de buitengrens van [plaats 4] zou vestigen, [minderjarige] ’s hoofdverblijfplaats zou verschuiven naar de vader, acht het hof dan ook in strijd met de belangen van [minderjarige] . Alleen al het feit dat op het moment dat de bestreden beschikking werd uitgesproken, de vader en [minderjarige] elkaar al vijf maanden niet hadden gezien, maakt die bepaling in strijd met het belang van [minderjarige] .

Ter zitting in hoger beroep heeft de vader gezegd dat hij zou willen dat hij vanaf het tweede levensjaar de helft van de tijd voor [minderjarige] kan zorgen. Dit is echter niet door hem verzocht. Ook spreekt de feitelijke invulling van zijn dagen de mogelijkheid hiervan tegen. De vader beschikt namelijk over een verblijfsvergunning in Zwitserland op basis waarvan hij slechts 90 van de 180 dagen buiten Zwitserland mag verblijven. Naast het bezoeken van zijn familie in het Verenigd Koninkrijk zou hij daardoor niet in staat zijn om de helft van de tijd in [plaats 4] voor [minderjarige] te zorgen als hij gebruik wil blijven maken van de (fiscale en andere) faciliteiten die deze zogenaamde C-status in Zwitserland hem biedt.

Het hof zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepalen.

Vervangende toestemming verhuizing

5.8

Het hof is er niet van overtuigd geraakt dat het centrum van het bestaan van de vader zich in [plaats 4] bevindt. Hoewel de vader terecht stelt dat de moeder zich minder dan mogelijk was geweest heeft ingespannen voor het vinden van een baan en een huurwoning in [plaats 4] , is het voor het hof onduidelijk waarom dit van de moeder zou moeten worden verwacht, terwijl de vader als Brits staatsburger en Zwitsers ingezetene niet aannemelijk heeft gemaakt wat hem nu precies aan Nederland bindt. Alles wijst erop dat het voornaamste centrum van het bestaan van de vader zich in Zwitserland bevindt. De vader stelt dat hij in [plaats 4] woont en daar werk heeft. Hij legt echter geen enkel stuk over dat dit feitelijk onderbouwt. Wel staat vast dat hij is ingeschreven in Zwitserland en dat hij om zijn verblijfstatus te behouden minimaal de helft van de tijd in Zwitserland moet doorbrengen. Ook de stelling van de vader dat hij vanuit [plaats 4] zou werken heeft hij niet onderbouwd. De vader stelt te werken in de [XX] -regio. Nederland is weliswaar één van de zes landen waaruit die regio bestaat, maar datzelfde geldt voor Duitsland (waarin [plaats 1] ligt) en Zwitserland. Gelet op zijn Zwitserse verblijfsstatus is niet onaannemelijk dat de vader in Zwitserland voor zijn baan gecontracteerd is en daar krijgt uitbetaald. Nu niet is aangetoond dat [plaats 4] heeft te gelden als het centrum van het bestaan van de vader, is het hof van oordeel dat niet van de moeder en [minderjarige] kan worden gevergd dat zij zich vestigen in [plaats 4] , een plek waar de moeder de taal niet spreekt en waar zij een uiterst beperkt vangnet heeft. De moeder zou klem kunnen raken in [plaats 4] doordat zij door de weeks en om het weekend alleen de zorg heeft voor een jong kind, waardoor het vinden van een baan ernstig wordt bemoeilijkt. Dit geldt temeer door de lange wachtlijsten voor kinderopvang in [plaats 4] , de hoge kosten voor kinderopvang in Nederland en het ontbreken van het recht op kinderopvangtoeslag wanneer je geen werk hebt en geen verblijfplaats hebt om je te kunnen inschrijven. Het standpunt van de vader dat de ouders van de moeder haar financieel kunnen ondersteunen, acht het hof niet redelijk en niet toekomstbestendig. Van de moeder kan niet worden verwacht dat zij volledig afhankelijk zou zijn van de ondersteuning van haar familie. Het aanbod van de vader om de huur voor de moeder in [plaats 4] te betalen resulteert in een onredelijk grote afhankelijkheid van de moeder jegens de vader, wat (gegeven de beëindiging van hun partnerrelatie) onwenselijk is en eveneens niet toekomstbestendig.

In [plaats 1] beschikt de moeder over een volledig ingericht huis dat geschikt is voor bewoning met [minderjarige] , heeft de moeder zicht op een baan en kan zij in de buurt van familie wonen. Het hof is dan ook van oordeel de moeder in [plaats 1] de beste kans heeft om haar leven (ook financieel) vorm te geven. Dat is ook in het belang van [minderjarige] .

Daarnaast is het hof van oordeel dat de omgang die [minderjarige] met de vader heeft door een verhuizing naar [plaats 1] niet negatief wordt beïnvloed. De vader verzoekt namelijk om een zorgregeling waarbij hij [minderjarige] om het weekend ziet. Dat kan zo blijven wanneer [minderjarige] in [plaats 1] woont.

Het hof zal de moeder vervangende toestemming verlenen om met [minderjarige] naar [plaats 1] te verhuizen.

Zorgregeling

5.9

Het hof heeft bij de mondelinge uitspraak op 27 augustus 2026 de uitvoering van de zorgregeling zoals die bij de bestreden beschikking was bepaald, geschorst en bevroren op het tweede gedachtestreepje in die beschikking. Dit heeft tot doel gehad om de vader en [minderjarige] langer de tijd te geven om hun contact op te bouwen voordat [minderjarige] bij de vader zou gaan overnachten. Het hof is van oordeel dat het opbouwen van hun band de komende tijd dient te worden voortgezet op dezelfde voet. Daarbij is begeleiding van de omgang niet nodig, aangezien het contact tussen de vader en [minderjarige] zelf goed lijkt te verlopen. De spanning tussen de ouders tijdens de overdrachtsmomenten staat daar los van en zal het hof zo veel mogelijk ondervangen door duidelijk vast te leggen waar de overdracht plaatsvindt en hoe laat. Van de ouders verwacht het hof dat zij zich ten behoeve van hun dochter zullen inspannen om die overdrachtsmomenten rustig en waardig te laten verlopen, opdat deze spanningen afnemen.

Verder zal het hof bepalen dat wanneer [minderjarige] twee wordt in december 2026, haar eerste overnachting bij de vader zal plaatsvinden, een en ander onder de voorwaarde dat tot op dat moment volledig uitvoering is gegeven aan de zorgregeling zoals bij de mondelinge uitspraak ten aanzien van de schorsing is beslist, zodat de vader en [minderjarige] elkaar gedurende de tussenliggende maanden beter hebben kunnen leren kennen. Mocht door overmacht een contactmoment tussen de vader en [minderjarige] voordat zij 2 wordt niet hebben kunnen doorgaan, dan verschuift de zorgregeling mét overnachting met twee weken. Na drie maanden één nachtje per twee weken bij de vader te hebben doorgebracht, kan dit worden uitgebreid naar twee nachten, zoals in de bestreden beschikking beschreven onder het vierde gedachtestreepje.

Het hof zal de moeder in de eerste periode belasten met het vervoer van [minderjarige] van en naar de omgangsmomenten met de vader in [plaats 4] , opdat [minderjarige] langzaam kan wennen aan het doorbrengen van steeds meer tijd met haar vader. Het verzoek van de vader om de moeder in het geval van een verhuizing volledig verantwoordelijk te maken voor het halen en brengen van [minderjarige] naar [plaats 4] , zal dan ook gedeeltelijk worden toegewezen. Na [minderjarige] ’s tweede verjaardag zal de verantwoordelijkheid voor het vervoer van en naar [plaats 1] gelijk verdeeld worden tussen beide ouders: de moeder brengt [minderjarige] naar [plaats 4] , de vader brengt haar terug naar [plaats 1] . Het is belangrijk voor [minderjarige] dat zij ziet dat beide ouders achter de omgang met de andere ouder staan en weet dat beide ouders de huizen waar zij woont kennen.

Aanvullende verzoeken van de vader

5.10

Voor zover de vader aanvullend heeft verzocht om te bepalen dat [minderjarige] in de BRP wordt ingeschreven op een adres binnen het door de rechtbank aangewezen gebied en dat de moeder wordt verplicht bewijs te overleggen van deze inschrijving en van de feitelijke hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , en passende executie- en/of handhavingsmaatregelen te treffen zoals een dwangsom, komt het hof daar niet aan toe gelet op de hiervoor gegeven beoordeling van het hoger beroep.

Proceskostenveroordeling

5.11

Partijen hebben over en weer om veroordeling van de ander in de proceskosten verzocht. Het hof ziet daartoe geen aanleiding omdat zij gewezen partners zijn en samen de ouders van [minderjarige] . Het hof zal deze verzoeken afwijzen en de proceskosten compenseren.

In de uitwerking van de mondelinge uitspraak van 27 augustus 2026 inzake de verzoeken tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking en de voorlopige voorzieningen, heeft het hof de beslissing ten aanzien van de proceskostenveroordeling aangehouden. Ook daarin zal het hof de verzoeken afwijzen en de proceskosten compenseren.

5.12

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.371.348/01:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2026 en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;

verleent de moeder toestemming tot verhuizing met [minderjarige] naar [plaats 1] , Duitsland;

bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat:

- [minderjarige] tot haar tweede verjaardag, [in] 2026, om de twee weken op zaterdag en op zondag van 11.00 uur tot 18.30 uur bij de vader zal zijn, zonder overnachting, waarbij de moeder [minderjarige] op zaterdag en op zondag bij de vader thuis in [plaats 4] moet brengen. Op zaterdag dient de vader [minderjarige] terug te brengen bij het verblijfadres van de moeder op dat moment. Op zondag haalt de moeder [minderjarige] weer op bij de vader;

- [minderjarige] vanaf haar tweede verjaardag, [in] 2026, om de twee weken bij de vader zal zijn van zaterdag 11.00 uur tot zondag 18.30 uur, mits tot dat moment uitvoering is gegeven aan de zorgregeling zoals hierboven beschreven, zodat [minderjarige] en de vader elkaar beter hebben leren kennen, waarbij de moeder [minderjarige] bij de vader thuis in [plaats 4] moet brengen en de vader [minderjarige] bij de moeder thuis in [plaats 1] moet brengen;

- [minderjarige] vanaf 19 maart 2027 eenmaal in de twee weken van vrijdag 15.00 uur, tot zondag 18.30 uur na het avondeten bij de vader zal zijn, mits tot dat moment telkens uitvoering is gegeven aan de zorgregeling zoals hierboven beschreven zodat [minderjarige] en de vader elkaar beter hebben leren kennen, waarbij de moeder [minderjarige] bij de vader thuis in [plaats 4] moet brengen en de vader [minderjarige] bij de moeder thuis in [plaats 1] moet brengen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van de procedure in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af;

in de zaken met zaaknummers 200.371.348/02 en 200.371.348/03:

compenseert de kosten van de procedure in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E Geerlings, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 13 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door mr. F. Kleefmann.

Rechtspraak.nl
×
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733