Terug naar de uitspraak

Rechtbank Limburg 23-09-2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:10071

Datum publicatie29-09-2026
ZaaknummerC/03/341295 / HA ZA 25-184
RechtsgebiedenCiviel recht; Verbintenissenrecht
TrefwoordenFamilievermogensrecht. Titel 6 Rechten/verplichtingen echtgenoten. Huishoudkosten art. 1:84
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Vermogensrechtelijke afwikkeling geregistreerd partnerschap; bewijsopdrachten en spoorwissel artikel 69 Rv met voornemen de zaak gedeeltelijk te verwijzen naar het team Familie- en Jeugdrecht.

Volledige uitspraak


RECHTBANK Limburg

Civiel recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: C/03/341295 / HA ZA 25-184

Vonnis van 23 september 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [de vrouw] ,

advocaat: mr. J.A. Neslo,

tegen

[de man] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [de man] ,

advocaat: mr. M.H.W. Clijsen.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 12,
- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie met de producties 1 tot en met 3,

- de akte houdende wijziging eis van [de vrouw] ,

- de antwoordakte op wijziging eis in conventie van [de man] ,

- de brief van 27 augustus 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- de conclusie van antwoord in reconventie,

- de brief van 23 december 2025 met de producties 13 tot en met 17 van [de vrouw] ,

- de akte overlegging producties van 9 januari 2026 met de producties 18 tot en met 23 van [de vrouw] ,

- het B3-formulier van 9 januari 2026 met productie 24 van [de vrouw] ,

- de akte overlegging producties, ter griffie ontvangen op 12 januari 2026, met de producties 4 tot en met 8 van [de man] ,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 januari 2026,

- de spreekaantekeningen van mr. Neslo,

- de notities ten behoeve van de mondelinge behandeling van mr. Clijsen,

- de reactie op het proces-verbaal van 6 februari 2026 van mr. Neslo,

- de akte overlegging producties van 18 februari 2016 met productie 9 tot en met 13.2 van [de vrouw] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

Partijen hebben sinds 2009 een affectieve relatie.

2.2.

Bij notariële akte van 15 april 2020 hebben partijen, ten behoeve van hun voorgenomen geregistreerd partnerschap, geregistreerd partnerschapsvoorwaarden (hierna: ‘GP-voorwaarden’) opgesteld. 1 Op grond van deze GP-voorwaarden is tussen partijen met ingang van het sluiten van het geregistreerde partnerschap een beperkte (partnerschapsgoederen)gemeenschap ontstaan, die op dat moment slechts één (onroerende) zaak bevatte, te weten het appartementsrecht voor de flatwoning te [adres 1] (hierna: ‘het appartement in [plaats 1] ’). Partijen zijn hierdoor ieder voor een gelijk aandeel rechthebbende op het appartementsrecht.

2.3.

Artikel 7 van deze GP-voorwaarden luidt, voor zover thans van belang:

“ Kosten huishouding

Artikel 7

1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding in de ruimste zin des woords worden door de man gedragen. (…)

Partijen bepalen daarnaast uitdrukkelijk dat alle kosten behorende tot de door partijen gezamenlijk bewoonde woning zullen worden voldaan door de man en derhalve nimmer zullen behoren tot de kosten van de huishouding.

2. (…)

3. Indien een der geregistreerd partners in een kalenderjaar meer in de kosten der huishouding heeft bijgedragen dan ingevolge het vorenstaande te zijnen/haren laste komt, is de betreffende geregistreerd partner bevoegd daarvan verrekening te vorderen.

Vervaltermijn

Indien tussen de geregistreerd partners een verrekening moet plaatsvinden, zal deze verrekening dienen te geschieden binnen twaalf (12) maanden na het einde van het desbetreffende kalenderjaar, na afloop van welke termijn het recht om verrekening te vorderen vervalt.

Partijen hebben verklaard door de notaris uitdrukkelijk te zijn gewezen op en zich bewust te zijn van de gevolgen en consequenties van deze vervaltermijn.

4. (…)”

2.4.

Op 17 april 2020 is het geregistreerd partnerschap gesloten.

2.5.

Bij notariële akte ‘aanvulling geregistreerde partnerschapsvoorwaarden’ (hierna: ‘de aanvullende GP-voorwaarden’) van 3 januari 2023 hebben partijen de beperkte partnerschapsgoederengemeenschap aangevuld met een tweede appartementsrecht te [adres 2] in Spanje (hierna: ‘het appartement in Spanje’). Met het sluiten van deze aanvullende GP-voorwaarden zijn partijen ieder voor een gelijk aandeel rechthebbende geworden op het appartementsrecht ten aanzien van het appartement in Spanje.

2.6.

Op 22 december 2023 heeft [de man] een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. Op 30 augustus 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken. 2 Deze beschikking is op 7 januari 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3

2.7.

Partijen zijn er niet in geslaagd om in onderling overleg tot afspraken te komen inzake de afwikkeling van het geregistreerd partnerschap.

3Het geschil

In conventie

3.1.

[de vrouw] vordert – na wijziging van eis – dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [de man] veroordeelt tot afgifte aan [de vrouw] van de sieraden en (lijf)goederen zoals omschreven onder punt 23 in de dagvaarding, binnen een door de rechtbank te bepalen verkorte termijn wegens de gezondheidssituatie van [de vrouw] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat [de man] nalaat hieraan te voldoen, met een maximum van € 25.000,-;

II. indien afgifte van de sieraden niet mogelijk is, [de man] veroordeelt tot betaling aan [de vrouw] van de vervangende waarde van de sieraden, zijnde een bedrag van € 30.000,-;

III. [de man] veroordeelt tot betaling van het door [de vrouw] gevorderde bedrag van € 449.260,13, zijnde het totaal van de overige vorderingen uit hoofde van de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden en de door partijen in onderling overleg gemaakte afspraken, zoals gespecificeerd in de dagvaarding onder punt 25;

IV. [de man] veroordeelt (naar de rechtbank begrijpt) de over dit totaal te vorderen bedrag van € 495.260,13 te berekenen beleggingsrente en belastingen te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

V. [de man] veroordeelt om aan [de vrouw] te voldoen de achterstallige bijdrage in haar levensonderhoud, tot op heden begroot op € 46.000,-

VI. [de man] veroordeelt om bij vooruitbetaling aan [de vrouw] te voldoen een bedrag van € 2.500,- per maand al bijdrage in haar levensonderhoud;

VII. [de man] veroordeelt in de kosten van dit geding, waaronder begrepen salaris van de advocaat en de nakosten.

3.2.

[de man] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de vrouw] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de vrouw] , met bepaling dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, aldus dat ieder de eigen kosten draagt.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

In reconventie

3.4.

[de man] vordert dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(1) met betrekking tot het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de flatwoning op de begane grond met garage en kelder in het souterrain, gelegen te [kadastrale aanduiding] :

1) een deskundigenonderzoek beveelt tot vaststelling van de waardering van het appartement(srecht) met een tussen partijen bindende taxatie door een door de rechtbank aan te stellen makelaar-taxateur, waarbij alle omstandigheden die daarbij volgens de taxateur van belang zijn voor de waardering van het appartement(srecht) worden meegenomen;

2) partijen veroordeelt tot betaling van de kosten van de taxatie, ieder voor de helft;

3) het appartement(srecht) toedeelt aan [de vrouw] voor de door de rechtbank aangewezen makelaar getaxeerde waarde, onder de verplichting de helft van de getaxeerde waarde aan [de man] te betalen;

4) partijen veroordeelt tot betaling van de kosten van de toedeling van het appartementsrecht aan [de vrouw] , ieder voor de helft;

5) indien [de vrouw] er niet in slaagt om binnen drie maanden na de bindende taxatie aan te tonen dat zij in staat is de toedeling van het appartement tegen de getaxeerde waarde te financieren, onder de verplichting om een overbedelingsvergoeding aan [de man] te betalen ter grootte van de helft van die getaxeerde waarde, respectievelijk wanneer [de vrouw] ervan afziet het aandeel van [de man] over te nemen, partijen veroordeelt tot medewerking aan de verkoop van het appartement(srecht) via de door de rechtbank voor de taxatie aangewezen makelaar, waarbij de aanwijzingen van deze makelaar leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning;

6) partijen veroordeelt tot betaling van alle verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, als eerste te voldoen van de opbrengst;

7) de netto-opbrengst verdeelt tussen partijen, aldus dat ieder gerechtigd is voor de helft van de resterende waarde;

(2) met betrekking tot het appartementsrecht, staande en gelegen te [adres 2] , Spanje, in Spanje kadastraal bekend onder nummer [nummer] :

1) een deskundigenonderzoek beveelt tot vaststelling van de waardering van het appartement(srecht) met een tussen partijen bindende taxatie door een door de rechtbank aan te stellen makelaar-taxateur, waarbij alle omstandigheden die daarbij volgens de taxateur van belang zijn voor de waardering van het appartement(srecht) worden meegenomen;

2) partijen veroordeelt tot betaling van de kosten van de taxatie, ieder voor de helft;

3) het appartement(srecht) toedeelt aan [de vrouw] voor de door de rechtbank aangewezen makelaar getaxeerde waarde, onder de verplichting de helft van de getaxeerde waarde aan [de man] te betalen;

4) partijen veroordeelt tot betaling van de kosten van de toedeling van het appartementsrecht aan [de vrouw] , ieder voor de helft;

5) indien [de vrouw] er niet in slaagt om binnen drie maanden na de bindende taxatie aan te tonen dat zij in staat is de toedeling van het appartement tegen de getaxeerde waarde te financieren, onder de verplichting om een overbedelingsvergoeding aan [de man] te betalen ter grootte van de helft van die getaxeerde waarde, respectievelijk wanneer [de vrouw] ervan afziet het aandeel van [de man] over te nemen, partijen veroordeelt tot medewerking aan de verkoop van het appartement(srecht) via de door de rechtbank voor de taxatie aangewezen makelaar, waarbij de aanwijzingen van deze makelaar leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning;

6) partijen veroordeelt tot betaling van alle verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, als eerste te voldoen van de opbrengst;

7) de netto-opbrengst verdeelt tussen partijen, aldus dat ieder gerechtigd is voor de helft van de resterende waarde;

(3) [de vrouw] beveelt aan [de man] te verstrekken alle bewijsstukken met betrekking tot de eigenaarslasten van de onroerende goederen onder (1) en (2) ter vaststelling van zijn vordering op [de vrouw] uit hoofde van artikel 3:172 BW vanaf 22 december 2023, althans 7 januari 2025 tot aan de goederenrechtelijke verdeling ervan;

(4) [de vrouw] veroordeelt tot betaling van alle gebruikerslasten van de onroerende goederen onder (1) en (2) primair vanaf 22 december 2023, althans subsidiair vanaf 7 januari 2025 tot aan de goederenrechtelijke toedeling ervan aan [de vrouw] , althans indien en zolang [de vrouw] daarvan als enige deelgenoot het alleengebruik heeft;

(5) [de vrouw] veroordeelt tot betaling aan [de man] van een gebruiksvergoeding ex artikel 3:169 BW voor het alleengebruik dat [de vrouw] [naar de rechtbank begrijpt: heeft] van de onroerende goederen onder (1) en (2) ter grootte van een rendementspercentage van 2% op jaarbasis van de helft van de door de rechtbank op basis van het gevorderde deskundigenonderzoek vast te stellen marktwaarde primair vanaf 22 december 2023, althans subsidiair vanaf 7 januari 2025 tot aan de goederenrechtelijke toedeling ervan aan [de vrouw] , althans indien en zolang [de vrouw] daarvan als enige deelgenoot het alleengebruik heeft;

(6) de proceskosten tussen partijen compenseert, aldus dat ieder zijn eigen kosten draagt.

3.5.

[de vrouw] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de man] .

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4De beoordeling

In conventie

Vordering I + II: afgifte sieraden en (lijf)goederen dan wel betaling vervangende waarde (€ 30.000,-)

4.1.

[de vrouw] vordert afgifte van de volgende roerende zaken, die volgens haar haar eigendom zijn: (i) een gouden Chopard-armband; (ii) gouden zware bicolor creolen, bezet met een streng briljanten (behorend bij de armband); (iii) 4 gouden ‘Wilhelmina met loshangend haar’; (iv) een zware gouden ‘closed for ever’-armband met vierkante schakels; (v) een enveloppe met € 3.000,-; (vi) twee zijden Hermès sjaals; (vii) drie golftruien; (viii) een set van een paarse trui en een paars/wit golfjack; (ix) een Lenova [de rechtbank begrijpt: ‘Lenovo’] laptop met draadloze muis en (x) een TomTom Go, Zuid Afrika. Ter onderbouwing van haar vordering voert zij aan dat partijen op 16 september 2023 samen naar het appartement in Spanje zouden gaan. Na een conflict is [de vrouw] op die dag alleen vertrokken. Toen zij in Spanje was zag ze op videobeelden van de camera bij de woning in [plaats 1] dat op 17 september 2023 de broer van [de man] met zijn vrouw en kinderen met verhuisdozen naar het appartement zijn gekomen. Deze familieleden hebben toen volgens [de vrouw] alles uit huis gehaald en [de man] meegenomen naar hun woning. [de vrouw] heeft verder een afbeelding overgelegd waarop is te zien dat zij enkele van de sieraden draagt.

4.2.

[de man] betwist de stellingen van [de vrouw] . Nadat [de vrouw] in september 2023 alleen naar Spanje was vertrokken heeft [de man] besloten de samenwoning te beëindigen. Hij heeft daarom op 17 september 2023 zijn spullen uit het appartement in [plaats 1] naar elders verhuisd. Zijn familie heeft hem daarbij geholpen. [de man] betwist dat hij of zijn familie de door [de vrouw] genoemde zaken heeft meegenomen. De spullen die bij de verhuizing uit het appartement in [plaats 1] zijn meegenomen waren en zijn bezit van [de man] ; daartussen zaten geen sieraden, kleding en/of munten of contanten die van [de vrouw] kunnen zijn. [de man] heeft meermaals alle spullen doorzocht die hij destijds heeft meegenomen, maar heeft geen van de door [de vrouw] genoemde zaken teruggevonden. Hij heeft dit tegenover [de vrouw] herhaald toen zij in de Kerstperiode in 2024 bij hem in [plaats 2] op bezoek was en haar aangeboden zijn kasten te doorzoeken. Kortom, hij kan niet aan de vordering tot afgifte voldoen, omdat hij de genoemde goederen eenvoudigweg niet onder zich heeft, aldus [de man] .

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat [de man] niet betwist dat de goederen waarvan afgifte wordt gevorderd aan [de vrouw] in eigendom toebehoren, zodat dit als vaststaand wordt aangenomen. Het is echter aan [de vrouw] , die zich beroept op het rechtsgevolg van haar stellingen, om voldoende gemotiveerd te stellen en zo nodig te bewijzen dat [de man] deze goederen onder zich heeft. De enkele stelling dat zij familie van [de man] met verhuisdozen naar het appartement heeft zien lopen is daarvoor, zeker gelet op de gemotiveerde betwisting van [de man] , niet voldoende. [de vrouw] heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat in die verhuisdozen de nu gevorderde zaken hebben gezeten. De (blote) stellingen van [de vrouw] , die voornamelijk een speculatief karakter hebben, zijn onvoldoende om de vordering van [de vrouw] tot afgifte van de roerende zaken toe te wijzen of haar in de gelegenheid te stellen nader bewijs van haar stellingen te leveren. Deze vordering zal daarom bij eindvonnis worden afgewezen.

4.4.

Op grond van het voorgaande moet (bij eindvonnis) ook de vordering tot betaling van de vervangende waarde van voornoemde zaken worden afgewezen. Nu niet is komen vast te staan dat [de man] de goederen onder zich heeft, valt immers niet in te zien waarom hij zou zijn gehouden tot vergoeding van de waarde daarvan. Overigens heeft [de vrouw] over de grondslag voor deze verplichting tot waardevergoeding niets gesteld, terwijl zij evenmin duidelijk heeft gemaakt hoe zij tot begroting van het bedrag van € 30.000,- is gekomen.

Vordering III: betaling € 449.260,13 inzake de afwikkeling van de GP-voorwaarden en door partijen gemaakte afspraken

4.5.

[de vrouw] stelt dat zij in het kader van de afwikkeling van de GP-voorwaarden een vordering op [de man] heeft ter grootte van € 449.260,13. Dit bedrag is opgebouwd uit diverse posten, die de rechtbank hierna zal beoordelen. [de vrouw] legt aan deze vordering ten grondslag dat zij financieel is benadeeld door [de man] . Het gevorderde bedrag omvat haar rechtmatige aandeel in het gezamenlijke vermogen, misgelopen financiële toezeggingen en schade door onrechtmatige handelingen rondom het vermogen van [de man] , aldus [de vrouw] .

4.6.

[de man] heeft verweer gevoerd met betrekking tot de diverse posten.

4.7.

De rechtbank stelt voorop dat bij de gevorderde posten (opnieuw) worden genoemd het bedrag van € 30.000,- inzake ‘de ontvreemde sieraden en lijfgoederen’ en een bedrag van € 3.000,- inzake een ontvreemd bedrag dat in een witte luchtkussentjes-enveloppe zat. Het bedrag van € 30.000,- is niet meegeteld bij de berekening van het totaalbedrag van € 449.260,13, maar het bedrag van € 3.000,- wel. Met laatstgenoemd bedrag wordt, naar de rechtbank begrijpt, bedoeld de enveloppe met € 3.000,- waarvan afgifte dan wel waardevergoeding werd gevorderd onder vordering I en II. Zoals hiervoor reeds overwogen zullen die vorderingen bij eindvonnis worden afgewezen, zodat deze bedragen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betekent dat van de vordering onder III in ieder geval niet meer dan (€ 449.260,13 - € 3.000,- =) € 446.260,13 kan worden toegewezen.

Vergoeding voor bemiddeling bij aankoop van het appartement in [plaats 1] (€ 40.000,-)

4.8.

[de vrouw] stelt dat partijen bij de aankoop van het appartement in [plaats 1] zijn overeengekomen dat zij het verschil van € 40.000,- tussen de vraagprijs en de daadwerkelijke koopprijs zou krijgen, mits dit verschil enkel door haar bemiddeling en volledige inzet zou worden bereikt. Dit is het geval, aldus [de vrouw] , zodat zij recht heeft op nakoming van deze afspraak tussen partijen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de vrouw] toegelicht dat [de man] de aankoop van het appartement snel wilde afhandelen, maar dat zij bij de aankoop van het appartement € 40.000,- minder heeft geboden. [de man] was daar boos over, omdat hij het appartement graag wilde hebben, maar hij heeft volgens [de vrouw] gezegd “alles wat je minder krijgt dan de vraagprijs is voor jou”. Deze afspraken tussen partijen zijn mondeling gemaakt, aldus [de vrouw] .

4.9.

[de man] betwist het bestaan van de door [de vrouw] gestelde afspraak en wijst erop dat daarvan geen bewijs is overgelegd.

4.10.

De rechtbank overweegt als volgt. [de man] heeft niet betwist dat het verschil van € 40.000,- door het handelen van [de vrouw] is bereikt, zodat de rechtbank dat als vaststaand aanneemt. In geschil is echter wel of tussen partijen de door [de vrouw] gestelde afspraak is gemaakt. [de vrouw] heeft dit voldoende gemotiveerd gesteld, maar [de man] heeft dit betwist. [de vrouw] heeft van haar stellingen bewijs aangeboden, zodat de rechtbank [de vrouw] zal toelaten tot het bewijs van haar stelling dat partijen hebben afgesproken dat [de vrouw] het verschil van € 40.000,- tussen de vraagprijs en de daadwerkelijke koopprijs zou verkrijgen, mits dit verschil enkel door haar bemiddeling en volledige inzet zou worden bereikt.

Kosten van de huishouding

4.11.

[de vrouw] stelt dat zij een vergoedingsvordering heeft op [de man] van € 135.128,13 inzake door haar betaalde kosten van de huishouding, na aftrek van betalingen die zij van [de man] heeft ontvangen, over de periode van 31 december 2019 tot en met 4 maart 2025. Ter onderbouwing heeft zij een overzicht van de betalingen ten behoeve van de kosten van de huishouding overgelegd. 4

4.12.

[de man] betwist enig bedrag aan [de vrouw] verschuldigd te zijn met betrekking tot de kosten van de huishouding. Hij wijst er in dat verband op dat in artikel 7 van de GP-voorwaarden, welk artikel ziet op de kosten van de huishouding, een vervaltermijn is opgenomen, die inhoudt dat verrekening van de kosten van de huishouding dient te geschieden binnen twaalf maanden na het einde van het desbetreffende kalenderjaar. Nu [de vrouw] voor het eerst bij brief van 22 november 2024 5 aanspraak heeft gemaakt op verrekening inzake de kosten van de huishouding is haar recht op verrekening van vorderingen die dateren van voor 1 januari 2023 komen te vervallen, aldus [de man] . Voor zover de vordering ziet op de periode voorafgaand aan het sluiten van het geregistreerd partnerschap op 17 april 2020 ontbreekt verder een rechtsgrond. Hetzelfde geldt voor de vordering over de periode na het verbreken van de samenwoning op 17 september 2023, althans de periode na indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap op 22 december 2023. Voor de resterende periode betwist [de man] dat hij [de vrouw] nog een bedrag inzake de kosten van de huishouding verschuldigd is.

4.13.

De rechtbank stelt het volgende voorop. De wettelijke regeling inzake de kosten van de huishouding tussen echtgenoten is neergelegd in artikel 1:84 BW. Op grond van artikel 1:80b BW is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het geregistreerd partnerschap. Op personen die ongehuwd samenleven is artikel 1:84 BW niet van toepassing. Gehuwden of geregistreerd partners kunnen bij schriftelijke overeenkomst van de wettelijke regeling van artikel 1:84 BW afwijken (artikel 1:84 lid 3 BW) .

4.14.

In dit geval zijn partijen met ingang van 17 april 2020 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Zowel voor de periode vóór als na het geregistreerd partnerschap is artikel 1:84 BW niet van toepassing op de onderlinge verhouding tussen partijen, zodat [de vrouw] – voor zover zij dit heeft bedoeld – haar vordering daarop niet kan baseren. Vanaf 17 april 2020 werd de onderlinge verhouding tussen partijen beheerst door de GP-voorwaarden, waarin een afwijkende regeling is opgenomen, zodat ook op dat moment artikel 1:84 BW niet van toepassing is. Dit betekent dat de vordering van [de vrouw] dient te worden beoordeeld op grond van artikel 7 van de GP-voorwaarden. Een andere grondslag is door [de vrouw] niet aangevoerd. Nu deze GP-voorwaarden van kracht zijn met ingang van 17 april 2020 slaagt het verweer van [de man] dat de vordering van [de vrouw] geen betrekking kan hebben op de periode voor die datum.

Ingevolge artikel 1:80e BW komt de ontbinding van een geregistreerd partnerschap tot stand door inschrijving van de desbetreffende gerechtelijke uitspraak in de registers van de burgerlijke stand. In dit geval is de beschikking ingeschreven op 7 januari 2025 (zie rov. 2.6), zodat het geregistreerd partnerschap met ingang van die datum is ontbonden. Voor zover de vordering van [de vrouw] betrekking heeft op de periode na deze datum ontbreekt daarvoor eveneens de grondslag.

4.15.

Het beroep van [de man] op de in artikel 7 van de GP-voorwaarden opgenomen vervaltermijn slaagt eveneens. In artikel 7, lid 3 van de GP-voorwaarden is in duidelijke bewoordingen vermeld dat verrekening van de kosten van de huishouding moet plaatsvinden binnen twaalf maanden na het desbetreffende kalenderjaar. [de man] stelt dat [de vrouw] voor het eerst bij brief van 22 november 2024 6 aanspraak heeft gemaakt op verrekening inzake de kosten van de huishouding. [de vrouw] heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij jaarlijks wilde afrekenen, maar dat [de man] daar niet voor open stond. Naar het oordeel van de rechtbank is deze (blote) betwisting echter niet voldoende om de stelling van [de man] te weerleggen. De rechtbank weegt in dat verband mee dat in de desbetreffende brief van 22 november 2024 (van de advocaat van [de vrouw] ) in het geheel niet wordt gerefereerd aan eerdere (geweigerde) verzoeken om verrekening. Dit betekent dat is het recht van [de vrouw] op verrekening van vorderingen die dateren van voor 1 januari 2023 is komen te vervallen.

4.16.

De rechtbank volgt [de man] niet in zijn stelling dat zijn verplichting tot het dragen van de kosten van de huishouding is geëindigd op 17 september 2023, toen de samenwoning is beëindigd. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de GP-voorwaarden van kracht zijn zolang het geregistreerd partnerschap niet is ontbonden. Naar het oordeel van de rechtbank is [de man] dus tot de datum van ontbinding van het geregistreerd partnerschap gehouden de kosten van de huishouding voor zijn rekening te nemen.

4.17.

Op grond van het voorgaande komen de door [de vrouw] opgevoerde posten over de periode van 1 januari 2023 tot en met 6 januari 2025 voor verdere beoordeling in aanmerking. [de vrouw] heeft ter onderbouwing van haar vorderingen onder meer een overzicht van banktransacties overgelegd. 7 Daaruit volgt dat zij per saldo de volgende bedragen heeft betaald aan kosten voor de huishouding (het saldo in 2025 is negatief, omdat [de vrouw] in die periode meer heeft ontvangen dan dat zij heeft uitgegeven):

2 januari 2023 tot en met 5 januari 2024 : € 16.115,80 8

  • 6 januari 2024 tot en met 31 juli 2024: € 9.671,69

  • 1 augustus 2024 tot en met 14 september 2024: € 7.298,95

  • 15 september 2024 tot en met 31 december 2024 € 20.054,25

  • 1 januari 2025 tot en met 6 januari 2025: - € 1.679,02

In totaal komt dit neer op een bedrag van € 51.461,67.

4.18.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de vrouw] met voornoemd overzicht voldoende onderbouwd dat zij deze kosten heeft gemaakt. De algemene betwisting daarvan van [de man] is onvoldoende. Deze kosten komen dus voor toewijzing in aanmerking.

4.19.

Anders is dat voor de door [de vrouw] gestelde contante uitgaven van in totaal € 13.040,- over de periode van 16 september 2023 tot en met juni 2024. [de vrouw] heeft ter onderbouwing van dit deel van haar vordering volstaan met overlegging van een zelf opgestelde lijst van betalingen. 9 [de man] heeft bij conclusie van antwoord betwist dat zij deze betalingen heeft verricht. Gelet daarop had het op de weg van [de man] gelegen haar stelling inzake de contante uitgaven nader te onderbouwen, bijvoorbeeld met kwitanties of schriftelijke verklaringen van de personen aan wie zij zou hebben betaald. Nu zij dit heeft nagelaten zal dit deel van de vordering bij eindvonnis als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

4.20.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. De rechtbank volgt [de man] niet in zijn stelling dat het op de weg van [de vrouw] zou liggen om aan te tonen dat [de man] niet reeds met [de vrouw] heeft verrekend. Het is, indien hij daartoe aanleiding ziet, aan [de man] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de door [de vrouw] gestelde uitgaven aan kosten voor de huishouding reeds aan haar heeft vergoed dan wel verrekend. De rechtbank leest in de stellingen van [de man] echter niet dat hij zich hierop beroept.

4.21.

De slotsom luidt dat de vordering van [de vrouw] inzake de kosten van de huishouding (bij eindvonnis) toewijsbaar is voor een bedrag van € 51.461,67.

Meerwaarde woning [plaats 3]

4.22.

[de vrouw] vordert een bedrag van € 189.500,- inzake de meerwaarde uit de verkoop van de woning te [plaats 3] aan het adres Herfst 15 in het jaar 2019/2020. Dit zou, aldus [de vrouw] blijken uit een onderhandse akte.

4.23.

[de man] heeft de vordering betwist.

4.24.

Deze vordering van [de vrouw] zal bij eindvonnis worden afgewezen, nu zij haar stellingen op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Het aanbod ter zitting om de onderhandse akte alsnog over te leggen is te laat; er is geen enkele reden waarom [de vrouw] dit niet direct bij dagvaarding, of in ieder geval voorafgaand aan de mondelinge behandeling had kunnen doen. [de vrouw] zal daartoe dus niet meer in de gelegenheid worden gesteld.

Kosten verbouwing appartement in [plaats 1]

4.25.

[de vrouw] stelt dat zij ten behoeve van de verbouwing van het appartement in [plaats 1] in totaal € 68.592,- heeft betaald. [de man] verbleef op dat moment na een val van de trap in het ziekenhuis en een revalidatiecentrum. De grondslag voor deze vordering is terug te vinden in de GP-voorwaarden, aldus [de vrouw] . Ter onderbouwing van haar vordering heeft zij een zelf opgesteld overzicht van de gestelde (naar de rechtbank begrijpt: contante) uitgaven overgelegd en twee e-mails van [de vrouw] en de aannemer van 11 september 2019 en 20 september 2019. 10 Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de vrouw] toegelicht dat de aannemer wilde dat twee derde van de aanneemsom contant zou worden betaald. Afspraak was dat aan de aannemer iedere werkweek op vrijdag € 5.000,- zou worden betaald. Toen [de man] tijdens het werk in het ziekenhuis moest worden opgenomen heeft [de vrouw] de betalingen voortgezet.

4.26.

[de man] betwist dat hij enige vergoeding aan [de vrouw] is verschuldigd inzake de verbouwingskosten van het appartement in [plaats 1] . Alle kosten die verband houden met de verbouwing van dat appartement zijn door hem voldaan; dit is per bank betaald. De vordering van [de vrouw] ziet overigens op de periode van 23 november 2019 tot 31 december 2019. Deze kosten zijn dus gemaakt voordat partijen een geregistreerd partnerschap aangingen. De vordering is bovendien verjaard, aldus [de man] .

4.27.

Het beroep op verjaring van [de man] slaagt niet: zijdens [de vrouw] is er terecht op gewezen dat bij brief van 22 november 2024 namens [de vrouw] aanspraak is gemaakt op vergoeding van deze kosten. Deze brief kan worden aangemerkt als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW. Op dat moment was de termijn van vijf jaren nog niet verstreken, zodat de verjaring tijdig is gestuit.

4.28.

De rechtbank overweegt verder als volgt. [de vrouw] stelt dat zij contante betalingen heeft verricht voor de verbouwing van het appartement in [plaats 1] . [de man] betwist dat hij vanwege de verbouwingskosten van het appartement nog enige vergoeding verschuldigd is. Alles voor de verbouwing van het appartement is per bank betaald, aldus [de man] . De rechtbank begrijpt deze stelling van [de man] aldus dat hij niet betwist dat [de vrouw] de contante uitgaven heeft gedaan, maar stelt dat hij deze al (per bank) aan haar heeft terugbetaald. [de man] beroept zich daarmee op een eigen rechtsgevolg, namelijk dat de vorderingen van [de vrouw] door betaling teniet zijn gegaan, en draagt daarvoor de bewijslast. De rechtbank zal daarom [de man] in de gelegenheid stellen aan te tonen dat hij de door [de vrouw] gestelde uitgaven (weergegeven in productie 11 van [de vrouw] ) aan haar heeft betaald.

4.29.

Ten slotte overweegt de rechtbank in dit verband nog het volgende. Niet in geschil is dat de door [de vrouw] gestelde kosten zijn gemaakt voordat sprake was van een geregistreerd partnerschap tussen partijen. Gelet daarop kan de vordering niet worden gegrond op bepalingen uit de GP-voorwaarden. Op grond van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient de rechter ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. Naar het voorlopige oordeel van de rechtbank lenen de stellingen van [de vrouw] zich voor beoordeling op de voet van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) . De rechtbank is daarom voornemens om – indien en voor zover zal komen vast te staan dat [de vrouw] een vordering heeft op [de man] inzake de verbouwingskosten voor het appartement in [plaats 1] – de vordering op deze grondslag te beoordelen. Omdat dit nog geen onderwerp is geweest in het partijdebat zal de rechtbank partijen, indien daartoe na de fase van bewijslevering aanleiding bestaat, in de gelegenheid stellen zich hierover uit te laten.

Vordering IV: beleggingsrente en belastingen over € 449.260,13

4.30.

[de vrouw] stelt dat over het op grond van de vordering onder III. toe te wijzen bedrag tevens beleggingsrente moet worden vergoed. [de man] heeft de bedragen die hij aan [de vrouw] verschuldigd is namelijk belegd bij Wierda Vermogensbeheer, Today’s Group en Fintessa Vermogensbeheer B.V. [de vrouw] maakt aanspraak op de rente uit deze beleggingen.

4.31.

[de man] betwist dat hij beleggingsrente verschuldigd zou zijn. Deze vordering is niet onderbouwd en bovendien heeft [de vrouw] niet gesteld wat het verschuldigde beleggingsrentepercentage zou moeten bedragen. De eventuele verschuldigdheid van de wettelijke rente wordt niet betwist, maar deze kan niet eerder verschuldigd zijn dan vanaf de datum van het door de rechtbank te wijzen vonnis, aldus [de man] .

4.32.

De rechtbank overweegt als volgt. De schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom is – ter wille van de rechtszekerheid en de hanteerbaarheid van het recht op dit punt – door de wetgever gefixeerd op de wettelijke rente (art. 6:119 BW) . Deze vergoeding is enerzijds verschuldigd zonder dat de schuldeiser enige schade behoeft te bewijzen; anderzijds kan de schuldeiser geen hogere schadevergoeding dan de wettelijke rente vorderen. De hoogte van de wettelijke rente wordt bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Het staat partijen in beginsel vrij een ander rentepercentage af te spreken, maar daarvan is in dit geval geen sprake.

Gelet hierop zal de vordering tot vergoeding van de beleggingsrente en belastingen bij eindvonnis worden afgewezen. De gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag vanaf de dag der dagvaarding is naar het oordeel van de rechtbank (bij eindvonnis) toewijsbaar.

Vordering V + VI: bijdrage levensonderhoud

4.33.

[de vrouw] stelt dat [de man] heeft toegezegd dat hij haar vanaf 2022 maandelijks een bijdrage in haar levensonderhoud van € 1.000,- zou verstrekken. Deze toezegging zou zijn gedaan in het bijzijn van een arts in het AMC Ziekenhuis. Op 16 mei 2024 zouden partijen zijn overeengekomen dat [de man] ‘vanaf de echtscheiding tussen partijen’ inzake de kosten van levensonderhoud een bedrag van € 2.500,- (de rechtbank begrijpt: per maand) aan [de vrouw] zal voldoen. Op grond daarvan vordert [de vrouw] betaling van de achterstallige bijdrage in haar levensonderhoud (€ 46.000,-) en veroordeling van [de man] tot betaling van een bijdrage in haar levensonderhoud van € 2.500,- per maand.

4.34.

De rechtbank is, met [de man] , van oordeel dat dit – gelet op zowel de stellingen van [de vrouw] als de formulering in het petitum – een vordering betreft die betrekking heeft op de (gestelde) verschuldigdheid tot betaling van een bijdrage in het levensonderhoud in de zin van Boek 1 BW. In dergelijke zaken is het volgen van de verzoekschriftprocedure dwingend voorgeschreven, ook indien tussen partijen een alimentatieovereenkomst is gesloten. 11 De rechtbank zal daarom bevelen dat de zaak, voor zover het de vorderingen V. en VI. betreft, dient te worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. Daarbij is de rechtbank voornemens de zaak ten aanzien van deze twee vorderingen in de stand waarin deze zich bevindt te verwijzen naar het Team Familie- en Jeugdrecht van deze rechtbank, zittingslocatie Maastricht. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen zich over dit voornemen tot verwijzing naar het Team Familie- en Jeugdrecht uit te laten.

Proceskosten

4.35.

De rechtbank zal de beslissing inzake de proceskosten aanhouden.

In reconventie

4.36.

[de man] vordert op grond van artikel 3:178 lid 1 BW verdeling van de tussen partijen bestaande ontbonden beperkte gemeenschap, bestaand uit de appartementen in [plaats 1] en Spanje.

Vordering 1 en 2: verdeling van de ontbonden beperkte gemeenschap

Rechtsmacht en toepasselijk recht ten aanzien van het appartement in Spanje

4.37.

De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of zij ten aanzien van het appartement in Spanje rechtsmacht heeft en zo ja, wat het toepasselijke recht is. Deze beide vragen dienen te worden beantwoord aan de hand van de EU-Verordening Partnerschapsvermogensstelsels (2016/114) 12 (hierna: ‘ParVermVo’) Deze verordening is van toepassing, nu het geregistreerd partnerschap tussen partijen is gesloten op 17 april 2020.

4.38.

Nu beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter op basis van artikel 6 ParVermVo bevoegd van dit (deel van het) geschil kennis te nemen. Partijen hebben in hun PG-voorwaarden een rechtskeuze opgenomen waarin is bepaald dat op hun geregistreerd partnerschapsvermogensstelsel het Nederlandse recht van toepassing is. Deze rechtskeuze voldoet aan de vereisten van artikel 23 ParVermVo. Gelet hierop is op grond van artikel 22 ParVermVo Nederlands recht van toepassing.

Ten aanzien van beide appartementen

4.39.

[de man] vordert dat de appartementen worden toebedeeld aan [de vrouw] , onder verplichting om vanwege overbedeling de helft van de waarde van die appartementen aan hem te betalen. Op de appartementen rust geen (hypothecaire) schuld, aldus [de man] . Ter bepaling van de waarde vordert [de man] dat de appartementen voor partijen bindend worden getaxeerd door een door de rechtbank te benoemen makelaar-taxateur. De kosten van taxatie en toedeling dienen door partijen bij helfte te worden gedragen. Indien [de vrouw] er niet in slaagt binnen drie maanden na de bindende taxatie aan te tonen dat zij in staat is de toedeling van (elk van) de appartementen, onder overbedelingsvergoeding aan [de man] , te financieren, of als zij hiervan afziet, dan dienen – kort gezegd – de appartementen aan een derde te worden verkocht.

4.40.

[de vrouw] stelt primair dat de beide appartementen om niet aan haar moeten worden toebedeeld. Volgens [de vrouw] heeft [de man] meermaals ondubbelzinnig toegezegd dat de beide appartementen zonder enige verrekening aan haar moeten worden toebedeeld. Zij waren van plan deze afspraken te formaliseren, maar dat is niet gebeurd. Deze afspraak kan echter wel worden opgemaakt uit de strekking van de aanvullende GP-voorwaarden. Bovendien beschikt [de vrouw] over gespreksopnames tussen partijen waarin [de man] voornoemde toezegging voor beide appartementen ondubbelzinnig doet. Ook blijkt deze bedoeling van [de man] uit zijn concepttestament van september 2023 13.

Subsidiair voert [de vrouw] aan dat het aandeel van [de man] in de waarde van de appartementen moet worden verrekend met de totale kosten die [de vrouw] aan beide appartementen heeft gehad, waaronder de kosten van woningonderhoud en woningverbetering. Volgens [de vrouw] overstijgen deze investeringen het aandeel van [de man] in de waarde van de appartementen.

Tot slot beroept [de vrouw] zich op de – naar de rechtbank begrijpt – derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) . Volgens [de vrouw] verzetten de redelijkheid en billijkheid zich tegen een verdeling waarbij [de man] profiteert van waardestijgingen die uitsluitend door investeringen van [de vrouw] zijn gerealiseerd.

4.41.

[de vrouw] heeft ten aanzien van het appartement in Spanje nog aangevoerd dat partijen voornemens waren de afspraak dat het appartement om niet zou worden toebedeeld aan [de vrouw] vast te leggen bij de notaris in Spanje. Door toedoen van [de man] is dat echter niet geformaliseerd. De notaris heeft wel een akte opgemaakt, maar deze is niet verleden. Wel heeft [de man] aan [de vrouw] een volmacht verleend om alle zaken, in de breedste zin des woords, met betrekking tot het appartement in Spanje te regelen, ook als dat inhoudt toedeling van dat appartement aan haar. Die volmacht moet worden beschouwd als een schenkingscontract, aldus [de vrouw] . Volgens [de vrouw] moeten de toezeggingen van [de man] worden gekwalificeerd als bindende afspraken.

Daarnaast heeft [de man] toegezegd dat hij zijn aandeel in het appartement in Spanje aan [de vrouw] zou leveren onder voorwaarde dat zij haar aangifte jegens hem bij de Spaanse politie zou intrekken. [de vrouw] heeft hieraan voldaan, zodat ook [de man] zijn toezegging moet nakomen, aldus [de vrouw] .

4.42.

De rechtbank volgt [de vrouw] niet in haar primaire verweer dat de appartementen om niet aan haar moeten worden toebedeeld, omdat [de man] dit ondubbelzinnig zou hebben toegezegd. [de man] betwist dat hij deze toezeggingen heeft gedaan. [de vrouw] heeft – daargelaten de vraag in hoeverre het hier bindende toezeggingen betreft – tegenover die betwisting geen concrete onderbouwing van de gestelde toezeggingen overgelegd, terwijl, gelet op de aard en impact van dergelijke toezeggingen, verwacht mag worden dat partijen die formeel schriftelijk (bijvoorbeeld door wijziging van de partnerschapsvoorwaarden) vastleggen. Dit wordt niet anders doordat uit stukken die dateren van vóór de relatiebreuk blijkt dat [de man] [de vrouw] verzorgd wilde achterlaten. Een ondubbelzinnige toezegging dat de beide appartementen na ontbinding van het geregistreerd partnerschap om niet aan haar zouden moeten worden toebedeeld valt daaruit bovendien niet af te leiden. [de vrouw] heeft tot slot aangevoerd dat zij over gespreksopnames beschikt waaruit die toezeggingen zouden blijken, maar zij heeft deze niet overgelegd, zodat de rechtbank aan deze stelling voorbij gaat.

4.43.

[de vrouw] stelt verder dat sprake is van een volmacht, maar iedere onderbouwing van die volmacht ontbreekt. Niet alleen legt [de vrouw] geen volmacht over, maar zij licht ook niet toe welke volmacht (van welke datum) dit zou betreffen en waar deze volmacht uit blijkt. Deze stelling van [de vrouw] wordt reeds daarom gepasseerd. De rechtbank overweegt daarbij ten overvloede dat een volmacht niet zonder meer gelijk is te stellen met een schenkingscontract. Of in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor dat mogelijk wel het geval zou kunnen zijn, kan de rechtbank niet beoordelen, nu de volmacht door [de vrouw] niet is overgelegd.

4.44.

Het (subsidiaire) beroep van [de vrouw] op verrekening van de door haar te betalen vergoeding uit overbedeling met haar vorderingen uit hoofde van de door haar betaalde kosten aan verbouwing en onderhoud voor de beide appartementen is slechts toewijsbaar voor zover komt vast te staan dat zij op dat punt een opeisbare vordering heeft. Nu [de vrouw] geen andere concrete kosten heeft gesteld dan de kosten voor de verbouwing van het appartement in [plaats 1] (van € 68.592,-), waarvoor zij in conventie vergoeding vordert, heeft het verweer enkel kans van slagen voor zover deze vordering in conventie komt vast te staan. Naar de inschatting van de rechtbank zal het aandeel van [de man] in de beide appartementen – mede gelet op de door [de vrouw] overgelegde producties 13 en 14 – het bedrag van € 68.592,- overstijgen. De stelling van [de vrouw] dat taxatie van de appartementen niet nodig is, slaagt daarmee ook niet.

4.45.

Het (meer subsidiaire) beroep van [de vrouw] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid verwerpt de rechtbank. De stelling dat [de man] profiteert van waardestijgingen die uitsluitend door investeringen van [de vrouw] zijn gerealiseerd is op geen enkele manier gemotiveerd, laat staan onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, voor zover [de vrouw] hiermee doelt op de door haar gestelde investeringen inzake de verbouw van het appartement in [plaats 1] , zij daarvoor in conventie een vergoeding vordert, zodat zij – indien daartoe voldoende grond bestaat – daarvoor zal worden gecompenseerd.

4.46.

De rechtbank overweegt tot slot nog het volgende. [de vrouw] heeft als productie 17 een afschrift overgelegd van een Spaanse notariële schenkingsakte. Zij heeft daaraan echter geen concrete stellingen of rechtsgevolg verbonden. Reeds op grond hiervan zal de rechtbank verder aan die akte voorbijgaan. Omdat [de man] ter mondelinge behandeling wel verweer heeft gevoerd tegen deze akte en daarover tijdens de mondelinge behandeling is gesproken, overweegt de rechtbank (ten overvloede) als volgt. Blijkens de akte heeft [de vrouw] , op basis van een algemene volmacht van 6 september 2021 namens [de man] het appartement in Spanje aan zichzelf geschonken. De rechtbank is met [de man] van oordeel dat [de vrouw] op dat moment niet (langer) bevoegd was als zijn gevolmachtigde op te treden. Zoals blijkt uit de door [de man] overgelegde stukken heeft hij op 26 september 2023 (onder meer) de door [de vrouw] bedoelde volmacht herroepen en bij de nieuwe volmacht (aan onder meer [de vrouw] ) het doen van giften of schenkingen uitdrukkelijk uitgezonderd. 14 Vervolgens heeft [de man] bij notariële akte van 23 oktober 2023 de (gewijzigde) volmachten opnieuw herroepen en geen nieuwe volmacht aan [de vrouw] verleend. 15

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat [de vrouw] op het moment dat zij de akte van schenking bij de Spaanse notaris liet verlijden ervan op de hoogte was dat de aan haar in 2021 verleende volmacht was ingetrokken. Voor zover de aangetekende brief en het betekeningsexploit van de deurwaarder haar niet zouden hebben bereikt 16, was zij daarvan in ieder geval op de hoogte door het e-mailbericht van de notaris van 22 november 2023. 17 Dat [de vrouw] dat e-mailbericht heeft ontvangen blijkt uit het feit dat zij hierop heeft gereageerd. Bovendien heeft zij dit e-mailbericht (ook) zelf ingebracht in de procedure (productie 7 van [de vrouw] ). Als gevolg hiervan was [de vrouw] ten tijde van het passeren van de schenkingsakte bij de Spaanse notaris beschikkingsonbevoegd. Levering van een goed door iemand die over dit goed niet kan beschikken, doet – behoudens derdenbescherming, die in dit geval niet van toepassing is – geen recht overgaan op diens wederpartij. Dit betekent dat het appartementsrecht met betrekking tot het appartement in Spanje niet in het vermogen van [de vrouw] is gevallen.

4.47.

Op grond van het voorgaande luidt de tussentijdse conclusie dat de verweren van [de vrouw] falen en dat partijen elk voor een gelijk deel zijn gerechtigd tot de appartementen, die beide tot de ontbonden gemeenschap behoren. Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de vorderingen tot verdeling van [de man] .

4.48.

Op grond van artikel 3:178 BW kan ieder der deelgenoten te allen tijde verdeling van de gemeenschap vorderen. In dit geval vordert [de man] , naar de rechtbank begrijpt, dat de rechtbank op de voet van artikel 3:185 lid 1 BW de wijze van verdeling vaststelt. Tegen de door [de man] voorgestelde wijze van verdeling heeft [de vrouw] – met uitzondering van de kosten van de deskundige – als zodanig geen verweer gevoerd. De door [de man] gevorderde wijze van verdeling zal daarom bij eindvonnis voor beide appartementen worden toegewezen, met inachtneming van het volgende. De rechtbank ziet geen aanleiding een deskundige te benoemen. Een dergelijke deskundigenbenoeming dient immers tot voorlichting van de rechtbank, maar dat is in dit geval niet aan de orde: niet gevorderd wordt (en niet nodig is) immers dat de rechtbank zelf de waarde van de appartementen vaststelt. Wel zal de rechtbank een of twee makelaar-taxateurs aanwijzen die elk der appartementen – voor partijen bindend en zonder nadere tussenkomst van de rechtbank – zal (zullen) waarderen en, indien nodig, de verkoop aan een derde zal (zullen) begeleiden. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat de peildatum voor de waardering van beide appartementen is de datum van het in deze zaak te wijzen vonnis waarbij de wijze van verdeling zal worden gelast (naar verwachting zal dat het eindvonnis zijn). De rechtbank volgt [de vrouw] niet in haar stelling dat de kosten van de makelaar-taxateur(s) voor rekening van [de man] moeten komen en zal bij eindvonnis bepalen, zoals gevorderd, dat deze kosten door partijen gezamenlijk, ieder voor de helft, moeten worden gedragen.

4.49.

Omdat het appartementen in [plaats 1] en Spanje betreft en partijen ter plaatse beter bekend zijn dan de rechtbank zal de rechtbank partijen opdragen op de in de beslissing te bepalen roldatum elk drie Nederlandse en drie Spaanse makelaar-taxateurs (althans makelaar-taxateurs die bevoegd en in staat zijn het appartement in Spanje te taxeren en de eventuele verkoop daarvan te begeleiden) voor te dragen, voorzien van een motivering waarom zij deze makelaars geschikt achten. Daarbij is het uiteraard, indien mogelijk, ook toegelaten makelaar-taxateurs voor te dragen die zowel de woning in [plaats 1] als de woning in Spanje zouden kunnen taxeren (en de eventuele verkoop begeleiden). Indien de voordrachten overlap vertonen zal de rechtbank (een van) die makelaar-taxateur(s) aanwijzen. Indien de voordrachten geen overlap vertonen zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen op elkaars voordracht te reageren en daarbij gemotiveerd hun bezwaren tegen de door de wederpartij genoemde makelaar-taxateurs naar voren te brengen.

4.50.

[de vrouw] heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij de overname van de appartementen niet kan betalen. Indien dit op voorhand duidelijk is kan het onder 1.2-1.3 en 2.2-2.3 door [de man] gevorderde in het eindvonnis achterwege worden gelaten en kan de rechtbank bij eindvonnis direct de verkoop van de appartementen aan een derde bevelen, zoals door [de man] gevorderd onder 1.5 tot en met 1.7 en 2.5 tot en met 2.7. De rechtbank zal [de vrouw] in de gelegenheid stellen zich hierover nader uit te laten. In afwachting van de bewijslevering in conventie – die zal moeten worden afgerond voordat eindvonnis kan worden gewezen – zal de rechtbank verdere beslissingen met betrekking tot de verdeling aanhouden.

Vordering 3: verstrekken stukken met betrekking tot eigenaarslasten

4.51.

[de man] stelt zich op het standpunt dat partijen vanaf de datum van ontbinding van het geregistreerd partnerschap zijn gehouden ieder voor de helft bij te dragen in de eigenaarslasten die zijn verbonden aan de beide appartementen. De bepaling in de (aanvullende) GP-voorwaarden dat [de man] deze lasten geheel op zich zou nemen is met de ontbinding van het geregistreerd partnerschap immers komen te vervallen, aldus [de man] . Volgens [de man] is het geregistreerd partnerschap ontbonden met de indiening van het verzoekschrift tot ontbinding op 22 december 2023, maar in ieder geval op 7 januari 2025. Omdat [de man] niet meer in de appartementen woont heeft hij geen inzage meer in de omvang van de eigenaarslasten. Hij vordert daarom dat [de vrouw] hem inzage en afschrift daarvan verstrekt.

4.52.

[de vrouw] voert aan dat zij steeds voornamelijk de eigenaarslasten heeft voldaan en deze tot op heden zelfstandig voldoet. Het is juist [de man] die zijn aandeel niet betaalt, aldus [de vrouw] .

4.53.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zij met ingang van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap gehouden zijn de eigenaarslasten van de beide appartementen ieder voor de helft te dragen (artikel 3:172 BW) . Zoals reeds overwogen (rov. 4.14) is het geregistreerd partnerschap tussen partijen ontbonden met de inschrijving van de ontbindingsbeschikking op 7 januari 2025. Vanaf die datum dienen partijen dus de eigenaarslasten van de appartementen elk bij helfte te dragen.

4.54.

[de man] vordert, om zijn vordering ter zake te kunnen bepalen, inzage in en afschrift van de eigenaarslasten, waaronder, maar niet uitsluitend, correspondentie over (de hoogte van) de VvE-bijdragen van beide appartementen, WOZ-beschikkingen van de gemeente [plaats 1] en gemeentelijke belastingaanslagen in verband met het appartement in Spanje.

4.55.

[de vrouw] heeft in deze procedure als productie 16 een aantal stukken overgelegd. Dit betreft, blijkens haar toelichting op de mondelinge behandeling:

  • facturen van Iberdrola: dit betreft de kosten voor elektra, aldus [de vrouw] ;

  • ‘Información de la Presentación de la Declaración, model 210’: dit is volgens [de vrouw] de Spaanse belastingaangifte 2023 (Rijksbelasting);

  • ‘Insurance Proposal voor Home (AXA)’: dit betreft een factuur/polis inzake de inboedelverzekering over de periode van 29/08/2024 tot 29/08/2025;

  • factuur Dragonet 02/10/2025: inzake het wifiabonnement;

  • ‘Información de la cuoto a pagar en la CP 32 Finalbir Playa’ (dit betreft volgens [de vrouw] de servicekosten (voor de VvE) per kwartaal). Overgelegd is:

o een onderbouwing van de kwartaalbedragen op basis van de begroting voor het boekjaar 2024

alsmede de kwartaalfacturen over de periode:

o april tot en met juni 2025;

o juli tot en met september 2025;

o oktober tot en met december 2025;

  • e-mail van 11 maart 2024: betreffende de fee die [de vrouw] aan haar boekhouder betaalt;

  • e-mail van 12 augustus 2025: dit betreft volgens [de vrouw] een bericht inzake de belasting. [de vrouw] weet niet zeker of het de Rijksbelasting of de Gemeentebelasting is;

  • Multi Help Spain model 210: dit is de belastingaangifte over het nieuwe jaar, aldus [de vrouw] .

[de vrouw] stelt dat zij geen informatie over de woning in [plaats 1] kan aanleveren. Zij krijgt, ondanks verzoeken daartoe, geen informatie van de VvE en evenmin WOZ-beschikkingen. Omdat het appartement in [plaats 1] in het Kadaster op naam van [de man] staat gaan de WOZ-beschikkingen allemaal naar de broer van [de man] , aldus [de vrouw] .

4.56.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 194 Rv heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft.

4.57.

Op grond van voornoemde wetsbepaling heeft [de man] in beginsel recht op inzage of afschrift van de gegevens inzake de eigenaarslasten van de appartementen. [de vrouw] heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet de beschikking heeft over de gegevens betreffende de VvE en de WOZ-beschikkingen van het appartement in [plaats 1] . Bovendien is uit de naderhand (naar aanleiding van de mondelinge behandeling) door [de man] overgelegde stukken 18 gebleken dat [de man] zelf over deze stukken beschikt. De vordering zal dus in zoverre bij eindvonnis worden afgewezen. Voor zover [de man] met betrekking tot het appartement in [plaats 1] inzage of afschrift van andere stukken wenst is die vordering onvoldoende bepaald. De omschrijving ‘alle bewijsstukken met betrekking tot de eigenaarslasten’ is te vaag om te kunnen bepalen welke stukken [de vrouw] dient over te leggen en wanneer zij daaraan al dan niet heeft voldaan. De vordering zal daarom bij eindvonnis voor dit deel worden afgewezen. De rechtbank merkt in dat verband op dat, voor zover [de vrouw] inderdaad meent dat zij kosten die hieronder vallen ten onrechte zelf heeft gedragen, het haar uiteraard vrij staat de onderliggende stukken met [de man] te delen, zodat hij zijn deel kan bijdragen.

Met betrekking tot het appartement in Spanje heeft [de vrouw] enkele documenten inzake de VvE-bijdragen en (mogelijk) gemeentebelastingen overgelegd, maar deze stukken, waarbij een behoorlijke toelichting ontbreekt, zijn onvoldoende om te voldoen aan de vordering van [de man] . Een groot deel van de stukken ziet niet op eigenaarslasten maar op gebruikerslasten. Voor het overige zijn de stukken incompleet en onvoldoende gestructureerd en toegelicht. [de vrouw] zal in ieder geval aan [de man] stukken moeten overleggen waaruit blijkt wat de hoogte is van de VvE-bijdragen over de periode vanaf 7 januari 2025 (voor zover niet al overgelegd), voorzien van een deugdelijke specificatie per jaar (zoals nu is overgelegd voor het jaar 2024). Daarnaast zal [de vrouw] aan [de man] stukken moeten verstrekken waaruit blijkt welke bedragen aan gemeentelijke belasting zijn opgelegd en betaald over de periode vanaf 7 januari 2025. Voor het overige is de vordering, zoals reeds overwogen voor het appartement in [plaats 1] , onvoldoende bepaald, zodat deze bij eindvonnis zal worden afgewezen. Het staat [de vrouw] echter uiteraard ook met betrekking tot dit appartement vrij om stukken met [de man] te delen, zodat hij zijn deel kan bijdragen.

Vordering 4: betaling gebruikerslasten

4.58.

[de man] vordert dat [de vrouw] wordt veroordeeld om de gebruikerslasten van de beide appartementen geheel voor haar rekening te nemen, nu zij de beide appartementen als enige in gebruik heeft.

4.59.

[de vrouw] beroept zich erop dat [de man] altijd heeft toegezegd de gebruikerslasten voor zijn rekening te nemen, conform de werking die voortvloeide uit de GP-voorwaarden. Deze uitdrukkelijke toezegging vormt volgens [de vrouw] ‘een bevrijdende exceptie’ tegen de vordering tot (naar de rechtbank begrijpt:) betaling van de gebruikerslasten.

4.60.

De rechtbank begrijpt de vordering van [de man] aldus, dat hij vordert dat de rechtbank bepaalt dat [de vrouw] is gehouden alle gebruikerslasten voor de beide appartementen te dragen. De gevorderde veroordeling tot betaling van gebruikerslasten betreft immers geen betaling aan [de man] zelf, zodat hij een dergelijke betaling niet kan vorderen. Nu het partijdebat inhoudelijk reeds is gericht op de vraag of deze verplichting al dan niet op de [de vrouw] rust, zal de rechtbank de vordering op basis van deze uitleg beoordelen. Daarbij stelt de rechtbank voorop, zoals reeds overwogen, dat het geregistreerd partnerschap is ontbonden op 7 januari 2025. Over de periode voorafgaand aan die datum is [de vrouw] – gelet op de inhoud van de GP-voorwaarden – in ieder geval geen gebruikerslasten verschuldigd. Voor de periode na 7 januari 2025 geldt als uitgangspunt dat de gebruikerslasten voor rekening van [de vrouw] komen, die de beide appartementen exclusief gebruikt. Dit betreft immers kosten die direct samenhangen met het feitelijk gebruik van de woning (nutsvoorzieningen, gemeentelijke gebruikersbelastingen en overige verbruikskosten, zoals internet, televisie en telefonie). Een juridische grondslag op basis waarvan [de man] gehouden zou zijn mee te betalen aan dergelijke kosten ten behoeve van [de vrouw] ontbreekt. De door [de vrouw] gestelde toezegging van [de man] betreft een blote stelling, zonder enige nadere motivering of onderbouwing, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat. Ook de stelling dat er nog inboedel van [de man] in de appartementen staat leidt niet tot een ander oordeel. Dit heeft immers in beginsel geen invloed op de hoogte van de gebruikerslasten en [de vrouw] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat dat in dit geval anders zou zijn. De rechtbank zal daarom bij eindvonnis bepalen dat [de vrouw] , zo lang zij als deelgenoot het uitsluitend gebruik van de beide appartementen heeft, de gebruikerslasten daarvan dient te dragen.

Vordering 5: gebruiksvergoeding

4.61.

Tot slot vordert [de man] dat [de vrouw] wordt veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding op grond van artikel 3:169 BW voor het alleengebruik van de appartementen ter grootte van een rendementspercentage van 2% op jaarbasis van de helft van de (volgens [de man] ) door de rechtbank vast te stellen marktwaarde van de appartementen. [de man] vordert deze vergoeding (primair) vanaf 22 december 2023, dan wel (subsidiair) vanaf 7 januari 2025, tot aan de goederenrechtelijke toedeling aan [de vrouw] , althans zolang zij daarvan als enige deelgenoot het alleengebruik heeft.

4.62.

[de vrouw] betwist dat [de man] enige schade lijdt door het alleengebruik van de woningen door [de man] . Hij heeft geen alternatieve huisvesting moeten zoeken of kosten gemaakt voor andere accommodatie en heeft vrijwillig zijn verblijf in beide woningen opgegeven. Zonder aantoonbare schade ontbreekt de rechtvaardiging voor een gebruiksvergoeding. Bovendien heeft [de man] nog eigendommen in de woning die twee derde van de woning in beslag nemen. [de man] gebruikt ‘de woning’ dus nog, aldus [de vrouw] . Daarnaast verzetten volgens [de vrouw] de redelijkheid en billijkheid zich tegen toewijzing van een gebruiksvergoeding, omdat (i) [de man] geen eigen bijdrage heeft geleverd aan onderhoud en verbetering van de woningen; (ii) [de man] uitdrukkelijk heeft toegezegd kosten voor zijn rekening te nemen; (iii) de woningen hun waarde danken aan investeringen van uitsluitend [de vrouw] en (iv) [de man] geen werkelijke schade lijdt. De ongelijke verdeling van investeringen maakt een gebruiksvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Voor zover de rechtbank van oordeel mocht zijn dat [de vrouw] enige gebruiksvergoeding is verschuldigd, betwist zij de door [de man] voorgestelde berekeningswijze van 2% rendement als te hoog in de huidige marktomstandigheden.

4.63.

De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de beide appartementen gemeenschappelijk eigendom zijn van partijen, dat daarop geen (hypothecaire) schulden rusten en dat enkel [de vrouw] de appartementen gebruikt. [de vrouw] is daarom een gebruiksvergoeding aan [de man] verschuldigd. Deze gebruiksvergoeding betreft compensatie voor feit dat [de man] de appartementen niet kan gebruiken en niet kan beschikken over zijn aandeel daarin. Het gaat dus – anders dan [de vrouw] stelt – niet om de vraag of [de man] concrete schade, zoals kosten voor alternatieve huisvesting, heeft geleden. Ook de door [de vrouw] genoemde (maar niet onderbouwde) omstandigheden in het kader van haar beroep op de redelijkheid en billijkheid staan, gelet op die strekking, niet in de weg aan toewijzing van een gebruiksvergoeding.

Op grond van artikel 3:189 lid 1 BW geldt artikel 3:169 BW (de bepaling waarop de gebruiksvergoeding is gebaseerd) vanaf het moment dat de (partnerschaps)gemeenschap is ontbonden. In beginsel zou [de man] dus aanspraak kunnen maken op een gebruiksvergoeding vanaf 22 december 2023 (datum indiening verzoekschrift). De rechtbank ziet echter, mede gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid (die ook de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten beheersen, artikel 3:166 lid 3 BW) aanleiding de verplichting tot betaling van een gebruiksvergoeding te laten ingaan vanaf 7 januari 2025, de datum van ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Tot dat moment waren de GP-voorwaarden – op grond waarvan [de man] alle kosten voor zijn rekening nam – nog van toepassing en hoefde [de vrouw] er niet op bedacht te zijn dat [de man] een gebruiksvergoeding zou vorderen.

4.64.

De rechtbank acht een gebruiksvergoeding van 2% op jaarbasis van het aan [de man] toekomende deel van de waarde van de appartementen reëel. De exacte waarde van de appartementen is op dit moment niet bij de rechtbank bekend. De rechtbank zal daarom de door [de vrouw] aan [de man] te betalen gebruiksvergoeding bij eindvonnis vaststellen op 2% per jaar van het aan [de man] toekomende deel van de waarde, om te rekenen naar een maandelijks bedrag, en daarbij uitgaan van de nog uit te voeren taxatie van de appartementen.

Proceskosten

4.65.

De rechtbank zal de beslissing inzake de proceskosten aanhouden.

5De beslissing

De rechtbank

in conventie

ten aanzien van vordering III:

5.1.

laat [de vrouw] toe om door alle middelen rechtens te bewijzen de feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat partijen hebben afgesproken dat [de vrouw] het verschil van € 40.000,- tussen de vraagprijs en de daadwerkelijke koopprijs zou verkrijgen, mits dit verschil enkel door haar bemiddeling en volledige inzet zou worden bereikt (zie rov. 4.10);

5.2.

laat [de man] toe om te bewijzen dat hij de door [de vrouw] gestelde kosten voor de verbouwing van het appartement in [plaats 1] van in totaal € 68.592,- (zoals vermeld in productie 11 van [de vrouw] ) aan haar heeft (terug)betaald (zie rov. 4.28);

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 oktober 2026 voor uitlating door partijen of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.4.

bepaalt dat partijen, indien zij bewijs willen leveren door middel van schriftelijke stukken, zij deze stukken op de hiervoor vermelde rolzitting dienen over te leggen,

5.5.

bepaalt dat partijen, indien zij bewijs door getuigen willen leveren, de naam en woonplaats van de getuigen moeten opgeven met de verhinderdata over de maanden januari, februari, maart en april 2027 van henzelf, hun advocaat en de getuigen en zo mogelijk van de wederpartij en diens advocaat, waarna een dag voor het getuigenverhoor zal worden vastgesteld,

5.6.

bepaalt dat, als een getuigenverhoor wordt gehouden, dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. drs. Hurkens in het gerechtsgebouw te Maastricht aan Sint Annadal 1 en dat beide partijen daarbij aanwezig moeten zijn om eventueel aansluitend aan het verhoor de zaak te bespreken en om te bekijken of een schikking mogelijk is,

5.7.

bepaalt dat partijen uiterlijk twee weken vóór het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

ten aanzien van vordering V en VI:

5.8.

stelt partijen in de gelegenheid zich op de rol van 28 oktober 2026 bij akte uit te laten over het voornemen van de rechtbank om de zaak ten aanzien van de vorderingen V en VI te verwijzen naar het team Familie- en Jeugdrecht van deze rechtbank, locatie Maastricht (zie rov. 4.34),

in reconventie

5.9.

draagt partijen op bij akte van 28 oktober 2026 elk drie makelaar-taxateurs voor te dragen voor het appartement in [plaats 1] en drie (bevoegde) makelaar-taxateurs voor het appartement in Spanje, voorzien van een motivering waarom zij deze makelaars geschikt achten (zie rov. 4.49);

5.10.

stelt [de vrouw] in de gelegenheid zich nader uit te laten over de vraag of zij de appartementen in [plaats 1] en/of Spanje (financieel) kan en wil overnemen (zie rov. 4.50),

in conventie en in reconventie

5.11.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.

Coll.:

1

Productie 2 van [de vrouw] .

2

Productie 1 van [de vrouw] .

3

Productie 1 van [de man] .

4

Productie 10 van [de vrouw] .

5

Productie 3 van [de vrouw] .

6

Productie 3 van [de vrouw] .

7

Productie 10 van [de vrouw] .

8

€ 23.255,93 - € 7.140,14.

9

Productie 12 van [de vrouw] .

10

Productie 11 van [de vrouw] .

11

Hoge Raad 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8125; Hoge Raad 22 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1718.

12

Verordening (EU) 2016/1104 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van de vermogensrechtelijke gevolgen van geregistreerde partnerschappen.

13

Productie 8 van [de vrouw] .

14

Productie 4.1 van [de man] .

15

Productie 4.2 van [de man] .

16

Productie 4.3 en 4.4 van [de man] .

17

Productie 4.5 van [de man] .

18

Producties 9 tot en met 12 van [de man] .

×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dat bij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

€ ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733