Terug naar de uitspraak

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-07-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1956

Datum publicatie04-09-2026
Zaaknummer200.358.105/01
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen. Gezag. Verhuizing met kind
WetsverwijzingenBurgerlijk Wetboek Boek 1 253a

Inhoudsindicatie

art. 1:253a lid 1 BW; vervangende toestemming verhuizing; hoofdverblijf; zorgregeling; kinderalimentatie.

Volledige uitspraak


GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.358.105/01

zaaknummer rechtbank : C/03/323351/ FA RK 23-3916

beschikking van de meervoudige kamer van 23 juli 2026

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. C.H.C. Houben te Leiden,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. N.V.T. Cremers te Roermond.

De zaak gaat over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 (hierna: [minderjarige] ).

In deze zaak is opgeroepen om het hof advies te geven:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

De zaak in het kort

Deze zaak gaat over:

  • vervangende toestemming voor de verhuizing van de moeder met [minderjarige] naar [woonplaats moeder] ;

  • het hoofdverblijf van [minderjarige] ;

  • het halen en brengen van [minderjarige] in het kader van de zorgregeling;

  • de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tijdens vakanties en feestdagen;

  • kinderalimentatie.

1De procedure bij de rechtbank en de procedure bij het hof

1.1.

Bij de beslissing van 15 mei 2025 heeft de rechtbank Limburg (Roermond):

1. aan de vrouw vervangende toestemming verleend, die in de plaats van de toestemming van de man treedt, om met [minderjarige] te verhuizen naar [woonplaats moeder] ;

2. bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw zal zijn;

3. de vrouw vervangende toestemming verleend om [minderjarige] in te schrijven op haar adres;

4. een zorgregeling vastgesteld tussen de man en [minderjarige] bepaald inhoudende dat:

- [minderjarige] in de even weken bij de man verblijft en in de oneven weken bij de vrouw.

Het wisselmoment vindt plaats op zondag om 17.00 uur. De ouder bij wie [minderjarige] niet verblijft haalt hem bij de andere ouder op;

- vanaf het begin van het schooljaar 2026-2027 verblijft [minderjarige] drie weekenden per vier weken (drie weekenden wel, een weekend niet, etc.) van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 17.00 uur bij de man. De ouder bij wie [minderjarige] niet verblijft haalt hem op bij de andere ouder;

- tot het begin van het schooljaar 2026-2027 loopt de reguliere zorgregeling door tijdens de vakanties en heeft iedere ouder tweemaal per jaar twee weken aaneengesloten de gelegenheid om met [minderjarige] op vakantie gaan.

- tot het begin van het schooljaar 2026-2027 loopt tijdens feestdagen en overige vrije/ bijzondere dagen de reguliere zorgregeling door met uitzondering van het Suikerfeest en het Offerfeest.

Tijdens het Suikerfeest verblijft [minderjarige] in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw. Tijdens het Offerfeest verblijft [minderjarige] in de even jaren bij de vrouw en de oneven jaren bij de man.

[minderjarige] verblijft bij de man op officiële feestdagen die direct aansluiten op de reguliere zorgregeling.

- met ingang van het schooljaar 2026-2027 de vakanties, feestdagen, vrije en bijzondere dagen verdeeld worden op een wijze als door de ouders in onderling overleg te bepalen;

5. bepaald dat de man ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de vrouw dient te betalen:

- met ingang van 15 mei 2025 € 115,- per maand;

- met ingang van 1 september 2026 € 213,- per maand.

1.2.

Voor het verloop van de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de beschikking waartegen dit hoger beroep is ingesteld.

1.3.

De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep (principaal hoger beroep). De vrouw is het deels niet eens met de beslissing van de rechtbank, te weten met de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tijdens de vakanties en feestdagen. Zij komt daarvan in hoger beroep (incidenteel hoger beroep).

1.4.

Het hof neemt de volgende stukken mee in zijn beslissing:

- het beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2025;

- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 20 november 2025;

- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 2 april 2026;

- een V6-formulier van de zijde van de van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 20 november 2025;

- een V8-formulier van de zijde van de man, ingekomen op 25 november 2025;

- een V8-formulier van de zijde van de vrouw, ingekomen op 25 november 2025;

- een brief van de zijde van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 2 december 2025;

- een V6-formlier van de zijde van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 1 juni 2026;

- een V6-formulier van de zijde van de man met bijlagen, ingekomen op 4 juni 2026;

- een V6-formulier van de zijde van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 9 juni 2026.

1.5.

De mondelinge behandeling bij het hof was op 16 juni 2026. Aanwezig waren:

- de man, bijgestaan door mr. Houben;

- de vrouw, bijgestaan door mr. Cremers;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2De feiten

2.1.

Partijen zijn op 26 februari 2019 met elkaar gehuwd. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

Bij beschikking van 28 februari 2025 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 14 maart 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

Partijen zijn de ouders van [minderjarige] . Zij hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] .

3De verzoeken in hoger beroep

3.1.

De man wil dat het hof de bestreden beschikking vernietigt en, opnieuw rechtdoende:

I. het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming om met [minderjarige] te verhuizen naar [woonplaats moeder] , alsnog afwijst;

II. bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man zal zijn, waarbij [minderjarige] drie van de vier weekenden bij de moeder verblijft, van vrijdagmiddag 15:00 uur tot zondag 17:00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;

III. ten aanzien van het halen en brengen primair bepaalt dat dit voor rekening van de vrouw komt;

IV. ten aanzien van het halen en brengen subsidiair bepaalt dat de vrouw [minderjarige] naar [locatie] aan de snelweg van [plaats] brengt en [minderjarige] aldaar overdraagt aan de man en waarbij de man [minderjarige] terugbrengt naar [locatie] aan de snelweg in [plaats] en aldaar overdraagt aan de vrouw;

Ten aanzien van de kinderalimentatie, na wijziging van verzoek bij brief van 4 juni 2026:

In de situatie dat [minderjarige] hoofdverblijfplaats bij de man heeft:

V. bepaalt dat zolang [minderjarige] nog niet naar school gaat de vrouw aan de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] dient te voldoen van € 288,- per maand, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht, en met ingang van 1 september 2026 een bedrag van € 875,- per maand, dan wel een zodanig bedrag als het hof juist acht;

In de situatie dat [minderjarige] hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft:

VI. bepaalt dat zolang [minderjarige] nog niet naar school gaat de vrouw aan de man een bijdrage in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dient te voldoen van € 288,- per maand, dan wel een zodanig bedrag als het hof juist acht en de man met ingang van 1 september 2026 een bedrag van € 171,- per maand aan de vrouw dient te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als het hof juist acht.

3.2.

De vrouw wil dat het hof de man in zijn principaal hoger beroep primair niet-ontvankelijk verklaart, althans subsidiair zijn verzoeken afwijst als ongegrond, althans onbewezen en/of onvoldoende onderbouwd.

In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de vakantie- en feestdagenregeling en, in zoverre opnieuw rechtdoende, te bepalen dat:

I. de feestdagen als volgt worden verdeeld:

- [minderjarige] verblijft tijdens het Suikerfeest in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;

- [minderjarige] verblijft tijdens het Offerfeest in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;

- indien [minderjarige] op basis van de reguliere zorgregeling niet verblijft bij de ouder waar hij in dat betreffende jaar het Suikerfeest of Offerfeest viert zal [minderjarige] de dag voor het Suikerfeest of Offerfeest om 17:00 uur worden opgehaald door de ouder waar [minderjarige] het Suikerfeest of Offerfeest viert. De dag na het Offerfeest of Suikerfeest zal [minderjarige] om 17:00 uur weer worden opgehaald door de andere ouder;

- [minderjarige] verblijft met ingang van schooljaar 2026/2027 bij de man op officiële Nederlandse

feestdagen die direct aansluiten op de reguliere zorgregeling waarbij [minderjarige] bij de man verblijft. [minderjarige] zal op de dag voorafgaande aan de feestdag om 17:00 uur worden opgehaald als de feestdag voor het weekend valt en op de dag van de feestdag om 17:00 uur worden opgehaald als de feestdag na het weekend valt;

- Ten aanzien van verjaardagen van ouders, [minderjarige] of overige familieleden worden geen afwijkende afspraken gemaakt en verblijft [minderjarige] bij de ouder waarbij hij conform de reguliere zorgregeling verblijft.

II. met ingang van het schooljaar 2026/2027 de schoolvakanties van [minderjarige] als volgt worden verdeeld:

In de oneven jaren verblijft [minderjarige] :

- in de voorjaarsvakantie de hele week bij moeder;

- in de meivakantie de eerste week van de vakantie bij vader. Als [minderjarige] 2 weken vakantie heeft verblijft hij de tweede week bij moeder;

- in de zomervakantie: week 1 en 2 bij vader, week 3 en 4 bij moeder, week 5 bij vader, week 6 bij moeder;

- in de herfstvakantie de hele week bij moeder;

- in de kerstvakantie de eerste week bij vader en de tweede week bij moeder;

- de wisselmomenten vinden altijd plaats op zondag om 17:00 uur;

In de even jaren verblijft [minderjarige] :

- in de voorjaarsvakantie de hele week bij vader;

- in de meivakantie de eerste week van de vakantie bij moeder. Als [minderjarige] 2 weken vakantie heeft verblijft hij de tweede week bij vader;

- in de zomervakantie: week 1 en 2 bij moeder, week 3 en 4 bij vader, week 5 bij moeder, week 6 bij vader;

- in de herfstvakantie de hele week bij vader;

- In de kerstvakantie de eerste week bij moeder en de tweede week bij vader;

- De wisselmomenten vinden altijd plaats op zondag om 17:00 uur.

III. het als productie 83 overgelegde overzicht integraal onderdeel te laten uitmaken van de beschikking.

4De motivering van de beslissing

Vervangende toestemming verhuizing en hoofdverblijf (grief 1 t/m 4 in principaal hoger beroep)

4.1.

De rechtbank heeft aan de vrouw vervangende toestemming verleend om met [minderjarige] van [woonplaats vader] naar [woonplaats moeder] te verhuizen en heeft het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw bepaald.

4.1.1.

De man is het met deze beslissing niet eens. Hij voert aan dat er geen noodzaak is voor de verhuizing. Deze is enkel ingegeven door de wens van de vrouw om terug te keren naar [woonplaats moeder] , waar zij is opgegroeid en waar haar familie woont. Door de grote afstand tussen [woonplaats vader] en [woonplaats moeder] wordt het contact tussen de man en [minderjarige] bemoeilijkt. Op dit moment is er een co-ouderschap, maar op het moment dat [minderjarige] na de aankomende zomervakantie naar school gaat, zal deze regeling niet meer uitvoerbaar zijn.

4.1.2.

De vrouw voert aan dat er wel een noodzaak was voor de verhuizing naar [woonplaats moeder] . Tijdens het huwelijk werd de vrouw door de man gekleineerd, bedreigd en gecontroleerd. Na een fysieke escalatie tijdens een vakantie in Marokko heeft de vrouw eindelijk de moed gehad de relatie te verbreken en is zij met [minderjarige] gevlucht naar haar familie in [woonplaats moeder] . Haar familie was op dat moment de enige plek waar zij terecht kon, omdat terugkeren naar de echtelijke woning geen optie was en zij in [woonplaats vader] geen netwerk heeft, buiten de familie van de man. De vrouw is direct na de verhuizing in therapie gegaan. Zij heeft EMDR-therapie gehad om haar trauma’s te verwerken en is nog altijd in behandeling voor traumaverwerking en het hervinden van haar zelfvertrouwen. Ook moet ze leren hoe ze het beste met de man om kan gaan om te voorkomen dat hij opnieuw controle over haar kan uitoefenen. Haar therapeut heeft haar geadviseerd om steun te zoeken bij haar familie en vrienden. De vrouw merkt dat zij de vertrouwde omgeving en de steun van familie en vrienden in [woonplaats moeder] nodig heeft tijdens het verwerkingsproces en om haar leven weer op te bouwen. De vrouw is ervan overtuigd dat haar veiligheid niet kan worden gewaarborgd indien zij terug moet verhuizen naar (de omgeving van) de man, wat ook weer gevolgen heeft voor [minderjarige] . De vrouw is enorm bang dat de man ook na de echtscheiding grip op haar zal proberen te houden, dat hij terugvalt in oude patronen van emotioneel geweld en/of dat hij haar fysiek nogmaals mishandelt. De vrouw wil daarom (figuurlijk, maar ook letterlijk) afstand nemen van de man en in een omgeving wonen waar zij steun heeft van mensen die zij kan vertrouwen. Voor [minderjarige] is het belangrijk een stabiele en gezonde opvoeder te hebben, zodat de verhuizing ook tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige] .

4.1.3.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van [minderjarige] toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen.

Bij een dergelijke beslissing dient het hof - conform vaste rechtspraak - alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen.

Het gaat onder meer om: het recht en belang van de verhuizende ouder en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten, de (on)mogelijkheid om op een andere wijze aan dat belang tegemoet te komen, de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid, de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren, de leeftijd van de minderjarige, de te overbruggen afstanden en de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg.

Hoewel het belang van de minderjarige een overweging van de eerste orde dient te zijn bij deze belangenafweging, kunnen andere belangen zwaarder wegen dan het belang van de minderjarige.

4.1.4.

Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank dat aan de vrouw vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige] naar [woonplaats moeder] te verhuizen.

Hoewel vast staat dat de geldende zorgregeling, waarbij [minderjarige] met beide ouders evenveel contact heeft, onmogelijk wordt vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat als de vrouw in [woonplaats moeder] blijft wonen, is het hof van oordeel dat de belangen van de vrouw hierin zwaarder wegen en dat zij deze keuze heeft mogen maken vanwege het gedrag van de man tijdens de relatie en het huwelijk van partijen.

De vrouw heeft door middel van het overleggen van WhatsApp-berichten een beeld geschetst van de wijze waarop de man zich jegens haar gedroeg in de relatie.

Uit de als productie 56 en 57 overgelegde processen-verbaal van bevindingen van de politie blijkt dat de beide telefoonnummers waarmee de WhatsApp-berichten zijn verstuurd op naam stonden van de man.

De stelling van de man dat de vrouw deze berichten jarenlang vanaf zijn telefoon aan zichzelf zou hebben gestuurd om haar verhuizing naar [woonplaats moeder] te rechtvaardigen, acht het hof volkomen ongeloofwaardig. De suggestie dat de vrouw al vóór het huwelijk en vóór de geboorte van [minderjarige] bezig zou zijn met een dergelijke exit-strategie is onnavolgbaar. Bovendien is het zeer onwaarschijnlijk dat de man dit over deze hele periode niet zou hebben gemerkt, aangezien de berichten vanaf zijn telefoon zijn gestuurd. Tijdens de mondelinge behandeling is aan de man meerdere malen de vraag gesteld of hij de WhatsApp-berichten heeft gestuurd. Hij heeft hierop herhaaldelijk geantwoord dat hij de berichten niet herkent. Pas na langdurig doorvragen heeft hij één keer gezegd dat hij ze niet heeft gestuurd.

Op de vraag hoe het kan dat hij nooit heeft gemerkt dat er berichten met deze heftige inhoud op zijn telefoon stonden in een WhatsAppcommunicatie met zijn partner die hij niet heeft gestuurd, heeft de man geen verklaring kunnen geven.

Het hof gaat er gelet op het voorgaande vanuit dat de berichten wel degelijk gestuurd zijn door de man; de berichten staan op de telefoon van de man over een langere periode van meerdere jaren en de man heeft daarvoor geen geloofwaardige verklaring kunnen geven.

4.1.5.

Het hof vindt het van belang een aantal van de berichten die de man – voor en tijdens het huwelijk – aan de vrouw heeft gestuurd te citeren. Deze berichten geven namelijk inzicht in de verhoudingen tussen partijen en in de manier waarop de man zich gedroeg ten opzichte van de vrouw. Uit de berichten komt een beeld naar voren van een relatie waarin de vrouw de man moest gehoorzamen, geen eigen inbreng en mening mocht hebben en zijn toestemming moest vragen. Op het moment dat de man meende dat de vrouw zich niet aan deze regels hield, was dat voor hem reden om haar uit te schelden, te kleineren en belachelijk te maken en zelfs te dreigen met fysiek geweld.

Het hof zal – zonder hierin volledig te zijn – hieronder een aantal voorbeelden geven van de manier waarop de man de vrouw bejegende.

4.1.6.

De vrouw heeft als productie 58 screenshots overgelegd van een WhatsApp-gesprek tussen partijen van voor het huwelijk, over het bruiloftsfeest. In dit gesprek is te lezen dat de man ontzettend boos wordt op de vrouw, omdat zij hem niet eerder op de hoogte zou hebben gesteld van bepaalde details van het aankomende huwelijksfeest. De man stuurt onder andere: De man vraagt: “Hoelaat begint die catering?” De vrouw reageert: “Catering is er al om 11:00.. en begint met koffie te serveren als de meeste mensen er al zijn” De man: “Je verteld mij niks waarom moet ik om alles vragen ?” De vrouw antwoordt: “Ik heb je alles hierover verteld, en ook dit van de tijdstippen. Ik heb je ook verteld wat voor eten en alles er is. En tijdstip wanneer eten wordt neergelegd enzo. Ik heb je ook het tijdstip verteld wanneer wij twee samen de zaal binnen gaan lopen.” De man: “ Wesh ben je serieus?? Of lieg je nu in me gezicht, want ik sta op het punt om te ontploffen!!!!!!! Jij hebt alleen tegen mij gezegd dat er een draaiboek gemaakt moest worden!!!!!!!!!!! Meerrrrr niettttttttt!!!!!!!!!!!!!!!!!! De vrouw: “Nee ik lieg niet tegen je [voornaam man] ”

De man: “A mogool, wanneerrrrr heb je dit gezegd waaaneeerrrr Jij hebt nu de bom laten ontploffen !!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!”

De vrouw: “Weet je nog dat we het erover hadden dat ook met verloving jullie eerder waren. En dat je me vroeg Hoelaat alles begint enzo Toen hadden we het erover [voornaam man] wat is er gebeurd dat je opeens zo doet? Net ook aan de telefoon, ik schrok er wel van wollah”

De man: “ [voornaam vrouw] als je voor me neus stond had ik je echt een paar klappen gegeven

Zonder na te denlen Je liegt nu keihard in me gezicht Wanneeerrrrrrrrr wanneeerrrrrr heb je dit gezegd over de tijd stip en het eten en alles Waarneer a mogool Waar de fuck heb je het over

Had je het in de dromen daar over Of ben je een gestikte psychopaat”

De vrouw: “Ik had je verteld dat we als 2e gerecht vlees gaan deon en toen zei je Neeee ik lieg echt niet wollah”

De man: “Jij maakt me razend wollah Als je voor me neus stond zou je echt plat gaan Wahed leugen is dit, en je blijft nog volhouden dat he alles hebt verteld Je laat de koken!!!!!!!!!!!!! Jij hebt mij letterlijk niets verteld a idioot!!!!! Je zei er moet een draaiboek gemaakt worden En wat de decoratie wordt

Verder nikssss Nikssss Niksssss Wesh begrijp je dat of niet!!!!!!!!!! Wat een gestoorde idioot ben jij

Dat je dit met volle lef durf te typen dat je alles hebt verteld Je liegt keihard in me gezicht en houdt nog vol ook Durf je op de koran te zweren a idioot Zweer op de koran”

De vrouw: “Wollah op Ikoran dit heb ik je verteld we waren samen Ik lieg niet tegen je [voornaam man] ”

De man: “ [voornaam vrouw] nu je hebt gezworen Kan ik je wel door midden scheuren Letterlijk!!!!!!”

De vrouw: “Zullen we bellen? Asjeblieft?”

De man: “Ik ga het jou nog 1x vragen en denk goed na Heb je mij alles verteld over het eten etc etc??

De vrouw: “Ja ik heb het je verteld, ik had je ook verteld dat er een limonadebar komt. En dat we van te voren hapjes gaan doen.. en we hadden het ook erover dat je niet wil dat jullie als eerste er zijn net als op de verloving En ik heb ook verteld Hoelaat het gaat stoppen En over de kleedkamer En de extra kamer voor als de kleine baby’s willen slapen”

De man: “Luister jij bent 1 zieke wijf je bent gestoord Limonadebar??????? Waar de fuck heb je over a zmar

Wesh ben je nuu fucking serieus want je laat me alleen maar door draaien al hmara Wesh ben je fucking serisus”

De vrouw: “Ik stop met praten is beter want ik wil je niet boos maken”

De man: “Je bent walgelijk wollah”

De vrouw: “Ja [naam] vertelde mij dat dat in het pakket erbij zat Ik heb zelfs op Ikoran gezworen en je gelooft me nog steeds niet Laat het asjeblieft”

De man: “Je bent misselijk tfoe alik Wollah jij bent 1 gestoorde tering wijf Dat je alles hebt gezegd over het eten en limonade bar??????? Dit is dus overduidelijk dat ik van niks weet”

De vrouw: “Ik heb je toch ook verteld over de familietafel toch Daar hebben we het toch ook over gehad”

De man: “Maar ik ga jou echt drillen!!!!!!!!! Kowed bek dicht”

De vrouw: “Toen heb ik het ook over het eten gehad”

De man: Je praat als ik wat aan je vraag Je bent een stoorde wijf Wollah ik ga je 1 garantie geven vanuit me hart, als jij dit in de toekomst doet zal je in de intensive care eindigen Wahed zieke tering leugen die verteld Wollah je bent ziek wollah!!!!!”

De vrouw: “Ik snap echt niet waar dit opeens vandaan komt, ik hoorde al aan je stem door de telefoon dat je geïrriteerd was.. maar asjeblieft laat het Die hele stomme feest is het echt niet waard om zo tegen elkaar te doen”

De man: “Veeg je tranen weg a misselijk makend gestoorde wijf Jij brengt allee maar problemen in de familie Door te huilen a fucking schoft dat je bent”

De vrouw: “scheld me asjeblieft niet uit. Dat is de reden waarom ik huil”

De man: “Veeg die hoeren tranen weg a misselijk makend psyvhopaat!!!!! Ziek wijf Ik had je de grond en de muur ingeboord Voor die mashakil die jij mee brengt Tfoe alik Je hebt geluk dat je niet hier bent Wollah op de koran”

De vrouw: “Wat voor problemen breng ik in de familie?”

De man: “Door te huilen a misselijk makend garja Mensen horen jou thuis En dam ga je huilem

Gatverdamme Begin steeds meer te walgen En meer znoen van jij te krijgen”

De vrouw: “Niemand heeft me gehoord”

De man: “Weet je wat jij moet doen misselijk makend garja”

De vrouw: “wat moet ik doen”

De man: “Mij met rust laten a fucking psychopaat voor zeker 1 week En misschien langer Nu weet ik echt dat je een zieke persoon bent die in je eigen verhalen gelooft Wollah je bent niet 100% Ik sta er verteld van, ik hoor nu allemaal dingen die in niet eens weet op een paar dingen na Jij bent ziekkkkk!!!! Limonade bar???”

De vrouw: “Wat is er gebeurd dat je opeens mij zo belde met precies die vraag?”

De man: “Hapjessss??? Vlees en groente ?????

De vrouw: “IK hoorde aan je stem dat je geïrriteerd was. Wat is daarvoor gebeurd?”

De man: “Wat er dus gebeurde a idioot is dat je mij dingen verteld die ik niet weet a kessoullll Misselijk wollah misselijk!!!!!! Tfoee tfoeeeee tfoeeeeeee!!!!!!!”

De vrouw: “we hadden het aan de telefoon over die magnumbar van de bruiloft waar je was geweest en toen zei ik, wij hebben ook een limonadebar Ik zeg je voor de zoveelste keer Ik lieg niet tegen je”

De man: “Laat mij rust”

De vrouw: “En heb nooit tegen je gelogen en zal ook nooit tegen mijn man liegen Is goed”

De man: “ik ben echt serieus, ik wil je eker 1 week niet horen”

De vrouw: “Walakien please dit is het echt niet waard om hier over ruzie te maken. Die hele feest is het het totaal niet waard.”

De man: “Ja gaat gwn nog door”

De vrouw: [voornaam man] Kifash 1 week Over een paar weken ben ik voor altijd met jou samen Deze laatste weken horen niet zo te gaan We gaan binnenkort samen op vakantie Insha’Allah”

De man: “Wollah zelfs daar heb ik geen zin meer in Jij hebt het zo verneukt Ik heb geen woorden meer Hapjes vlees groente limonadebar Dit is echt te ziek!!!!!!!!”

De vrouw: “Heb je er geen zin in om over een paar weken voor altijd samen te zijn?

De man: “Om op vakantie te gaan a garja Gatverdamme wollah”

De vrouw: “Daar heb ik juist het meeste zin in om samen met jou weg te gaan”

De man: “Kowddddd!!!!!! Niet van onderwerp veranderen”

De vrouw: “Het feest is dit echt niet waard”

De man: “Anders zal hemel en aarde bewegen voor jou Pas op en bek dicht!!!!!! Wanneer ik zeg stil is stil Als ik aangeef dat je mag praten dan mag je praten!!!! Is dat duidelijk”

Als productie 60 overlegt de vrouw een WhatsApp gesprek waarin de man stuurt: “Als paardagen terug zon bek had opgezet in mijn gezicht had ik je geplakt aan de muur (…) Let op elke letter die uit je mond komt K blijf dit niet met jou doornemen keer op keer”

Als productie 61 heeft de vrouw een WhatsAppgesprek overgelegd waarin de vraag aan de orde wordt gesteld waarom de vrouw is gestopt met school.

De man stuurt: “Jij hebt mij nooit verteld wat de echte reden was waarom je school hebt gelaten”

De vrouw: “Ja klopt omdat je de eerste keer dat ik het je vertelde daar zo nuchter over deed..”

De man: “Je hebt 1 keer gezegd om je ouders”

De vrouw: “Terwijl ik nachtmerries echt serieus neem

De man: “Dus je ouders hebben jou op deze plek gezet Dat is hoe ik het zie en ook al blijven zien”

De vrouw: “Stop met alles voor mij invullen en laat mij je vraag beantwoorden!”

De man: “Mijn vragen hoef je nu niet te beantwoorden. Dat had je vanaf dat 1 al moeten doen En van alle kinderen ben jij degene die bijna het kortst getrouwd was Niemand heeft omkeer naar jou thuis. Dat is wat ik heb gezien en heb gemerkt Jij moet met het feit leven dat je niks hebt bereikt in al die jaren”

De vrouw: “Dat is grappig dat je dit zegt. De persoon die mij hoort te steunen in alles. En positief hoort te zijn. Mijn ride or die zegt nu dat ik niks heb bereikt. Ik heb heeeeel veel bereikt zonder diploma. Dat jij dit over mij zegt, zegt meer over jou dan over mij! Geld komt en geld gaat. Ja kan geld hebben en heel ongelukkig zijn. En je kan geen geld hebben en zeer gelukkig. Enige wat overblijft is ons geloof. En je imaan. En die heb ik. Waardoor ik veel gelukkiger ben dan ooit. Dus dat jij me zehma pijn probeert te doen met deze woorden. Lukt je niet. Want ik weet wat ik waard ben bij Allah. En mijn familie heeft eker omkeer naar mij. Daar heb jij nog niks over te zeggen. Want je komt net om het hoekje kijken bij ons thuis”

De man: “Herhaal dit wanneer ik die metaal in je mond schuif. Dat je zo tegen mij durft te praten moet je van goeie huizen wezen, en dat ben jij verre van. Stuk vuil komt hier nog denken dat je in je recht staat om nog terug te praten. Ik zal niks van je overlaten als ik je zie. Er is maar 1 de baas en dat ben ik. Niet je moeder of je vader die je redt Jij hebt geen enkele fucking recht om te praten, jij praat pas wanneer ik tegen jou zeg dat je mag praten Maar maak je geen zorgen, kwestie van tijd wanneer ik explodeer. De poorten van de hell heb je bij mij al geopend door dit te typen a stuk vuil”

De vrouw: “Ik kom van zeer goede huize [voornaam man] . En dat onderschat je soms. Jij begint te zeggen dat mijn familie geen omkeer heeft naar mij. Hoe kan je zoiets zeggen terwijl pas een paar maanden met ze te maken hebt? Lees goed wat je zegt. Je hebt het hier over een stuk metaal in mijn mond. Je hebt het over dat je niks van me overlaat. Dat je denkt dat dit de juiste oplossing is is echt verkeerd. Door te denken dat je agressief tegen met moet praten om iets duidelijk te maken. Dat werkt echt averechts bij mij. Het heeft totaal geen zin om op zo’n manier meet me te praten. ‘De poorten van de hel heb je bij mij al geopend’.. dit in woorden die je tegen mannen op straat moet zeggen.. en niet tegen mij.. En de reden waarom je zo dagen met mij praat?! Hou onze families hier buiten en behoud het respect”

De man: “Ik zal je bij deze laten zien wat averechts werkt stuk vuil Ik zal totaal geen respect meer hebben Ik boor je zo hard de grond in je hebt nog nooit op die positie gezeten Ik veeg de vloer met jou aan jij weet niet tegen wie je praat ik asfalteer jou met de grond”

De vrouw: “ [voornaam man] . Je bent geïrriteerd..en agressief nu. Dit is niet het moment om met elkaar te praten. Ik ga verder met Koran lezen. Daar vind ik op dit moment mijn rust in. En die hoor ik ook in jou te vinden”

De man: “Ik laat jou eerst mijn voeten kussen, en daarna maak k je gelijk met de grond voor deze praatjes Ik meen elke woord Totaal geen respect voor jou en je familie”

De vrouw: “En Allah getuigd ook… precies over elk woord wat je tegen mij zegt”

De man: “Denken dat je nog terug kan praten. Jij bent vuil en dat blijf je derest van je leven Je had beter je bek kunnen houden Maar jij denkt dat je stem hebt bij mij Ik boor jou echt de grond in Ik drill jouuu en iedereen die erbij komt Dat is een garantie die je van mij krijgt Vuile Vuile Vuile Vuile schoft dat je bent. Je komt uit de put, en dan nog denken dat je wat kan zeggen Die terug praten van jou, heeft jou niet goed gedaan. Je zocht donker en die krijg je voor altijd. Vuile Vuile schoft, ik heb eerder tegen jou gezegd dat je gif bent en dat ben je ook. Eerst erger maker en terug praten en daarna nog typen dit is niet het moment Om met elkaar te praten Ook jij krijgt een afrekening met mij En nu ben ik klaar met typen”

Als productie 62 legt de vrouw een WhatsAppgesprek over waarin de man stuurt: “Nogmaals Zelf weten Boeit me geen kanker Jij kan makkelijk antwoord geven op de vraag die ik je stelde Dan had me geen hoofdpijn bezorgt Liefst plak ik je weer aan de muur Voor die ezel gedachtes van jou Tfoe”

De vrouw reageert: “ik laat je voor nu.. voordat ik het weer erger maak”

Als productie 63 overlegt de vrouw WhatsApp gesprekken over, waarin zij de man probeert te sussen. De man stuurt: “En nou je bek dicht stuk vuil Begin me nu an jou te irriteren Bek dicht” De vrouw reageert: “Dat doe je al sinds zondag Is goed ik laat je” De man stuurt terug: “Kowed a Izzan Nietsnut ben jij En dat blijf je voor de rest van je leven En nou voor de laatste keer Bek dicht Bij mij zal je nooit een laatste woord hebben A hond Bek dicht” De vrouw reageert: “Je bent nu echt kinderachtig bezig. Nietsnut.. kowed.. bek dicht.. en zelfs hond”

En het volgende gesprek, waarin de vrouw stuurt: “Wat is er aan de hand? Waarom reageer je zo naar mij toe? Ik wil alleen die borden en That’s it” De man reageert: “Heb je gelezen wat ik heb getypt of wil je een weerwoord hebben” De vrouw stuurt terug: “Ik heb gelezen wat je hebt getypt Je bent geïrriteerd en je reageert het op mij af” De man stuurt terug: “Dus je wilt een weerwoord hebben?? Wil je ruzie??? Of hou je kankerbek dicht en lees je precies wat ik typee Wat is het van de 2 ??” De vrouw stuurt: “ik wil nooit ruzie” De man antwoord: “Lezen en je bek houden De was straks op het balkon laten drogen”

Als productie 64 legt de vrouw een WhatsApp gesprek over tussen partijen over een aankoop die de vrouw wil doen. De vrouw stuurt een link door aan de man en schrijft daaronder: “Dit is de normale prijs Doen of niet?” De man reageert: “Dus je gaat door met bevelen negeren? Ik had al tegen je gezegd dat nergens meer inbreng of een mening mocht hebben” De vrouw stuurt terug: “En daarom vraag ik jou of ik deze mag kopen Als ik het zou negeren dat had ik die al gekocht Maar ik vraag het netjes aan je” De man reageert: “Je leest niet goed he?” De vrouw: “Jawel ik lees wel goed” De man: “Dit doe je zodat je mij nog bozer maakt” De vrouw: “Nee dat doe ik niet” De man: “Lees nog een keer goed en vertel mij wat je daar PRECIESSSSSSSSS LEEST” De vrouw: “Dat ik nergens meer inbreng of een mening mag hebben” De man: “Dus wat jij doet is, je doet alsof je neus bloedt en geeft antwoord op de eerste vraag alleen. En je negeert de andere 2 zinnen” De vrouw: “Nee ik gaf antwoord op al je 3 zinnen Ik zeg als ik het zou negeren dat had ik het al gekocht. Of te wel dan zou het me niet boeien. Maar het boeit mij dus zeer zeker wel. En daarom vraag ik aan jou Of ik die mag kopen. Maar ik bel al uit de winkel Iemand anders had die al gepakt Dat was de laatste” De man: “Ik ga jou nu blokkeren voor het feit dat je mij hebt geappt om onzin. Terwijl ik hier al duidelijk over was een paardagen geleden en voor jou was het heel duidelijk toen Je deze fatale fout had gemaakt. Dat is dus nr 1 En nr 2 is heel simpel, jij mag van a tot z niks meer kopen. Ik herhaal het voor de laatste keer. Jij hebt geen enkel inbreng of een mening over iets van A tot Z” De vrouw: “je bent ook duidelijk geweest. En dat ben je nog steeds” De man: “ik heb simpele vraag voor jou voordat je op de blok gaat e ezel Waarom zou jij denken, dat je iets mag of kan kopen na deze hele hel die je hebt geopend. Wat voor recht heb jij” De vrouw: “Geen recht toch. Omdat ik ze hel heb veroorzaakt toch.. je wilt in deze hel (hoe jij het noemt) blijven of niet? In plaats van mij eruit te halen.. duw je mij er juist in. Dan heb ik een vraag voor jou. Of nee laat maar” De man: “Zie je dat is nou juist het punt Door jou grote bek nog van eergisteren zal ik 0,0 genade met jou hebben. Mijn woord valt voor niemand, mijn woord is mijn woord. En met geen mening of inbreng of iets kopen bedoel ik ook geen vragen stellen Jij mag precies niks, enige wat jij kan is ademen Na eergister heb jij het zo erg gemaakt Laat mij niet zeggen wat er afspeelt in mijn wereld Jij wou laten zien dat je wat kon zeggen Dan is dit jou resultaat Wat jij hebt gezaaid, zal je oogsten

(…)”

Als productie 67 legt de vrouw screenshots over van een Whatsappgesprek tussen partijen over. De vrouw vraagt aan de man om niet boos op haar te blijven met een verdrietige smiley. De man reageert: “Ik weet niet me wie jij bepaalt om te gaan boeken Als jij nog 1x niet gehoorzaamheid, maak ik je af. Je weet dat bij mij alles kan En ik daar totaal geen moeite mee heb Jij vraagt van a tot z toestemmingen van mij Dit hoef ik normaal gesproken niet te typen, dat hoort van jou te komen. Ik maak geen grapjes met jou, alles is bij mij mogelijk ik waarschuw jou niet meer Jij bespreekt van a tot z met mij en vraagt aan mij toestemming of ik breek elk bot in je lichaam En dit is geen dreigement” De vrouw antwoordt: “Ik weet dat alles mogelijk is bij jou daarom zeg ik blijf niet boos op me” De man: “Dat jij dit nog moet typen Ik weet niet wat er in die hersencellen van jou zit, dit had je eerder moeten bedenken Dit is echt de laatste keer voordat ik je kapot maak Mijn geduld begint op te raken met deze kneuzen acties. Dat ik jou vrijheid geef, betekent niet dat je zelf of mensen van jou thuis voor jou kunnen beslissen Ik maak je echt kapot, en iedereen die er tussen komt ook Alles heeft een keerzijde bij mij” De vrouw antwoordt: “Ik weet dat alles mogelijk is bij jou en dat het kan omkeren bij je. Ik zal jou eerst toestemming vragen voor alles” De man: “Ik maak je echt kapot Letterlijk”

Als productie 68 legt de vrouw een screenshot over van de volgende WhatsApp berichten die de man aan haar heeft gestuurd: “Jij bent degene die mij met rust moet laten. Jij bent degene die mij hebt geappt. Als het aan mij ligt type ik de komende 2/3jaar niet meer met jou Je mag nooit meer eigen inbreng of mening hebben tussen ons wesh is dat duidelijk???? Je bevindt je sinds die dag op glad ijs, ik beloof je echt en het is ramadan als ik 1 keer een zucht hoor of een verkeerde blik zie of een Maar hoor of je mening zegt of eigen inbreng of je moeder dit of dat Dan knal ik uit elkaar En als ik uit elkaar knal Direct een scheiding Ik zal er geen seconde van wakker liggen Is dit duidelijk zwart op wit voor jou? Ik zal geen seconde genade met je hebben of aan je denken wollah. niemand die dit uit me denkwijze kan wissen Dit is een belofte met mij zelf En ik kom mijn woord na bij me zelf”

4.1.7.

De vrouw stelt dat het jarenlang op deze manier behandeld worden door de man een enorme schadelijke impact op haar heeft gehad en dat is voor het hof alleszins voorstelbaar. Zij is nog altijd in behandeling voor traumaverwerking.

Ingevolge artikel 3 onder b van het Verdrag van Istanbul moet onder huiselijk geweld mede worden verstaan psychologisch geweld dat plaatsvindt binnen een gezin. Artikel 33 van het Verdrag van Istanbul omschrijft psychologisch geweld als opzettelijke gedragingen die ernstige schade toebrengen aan iemands geestelijke integriteit, door middel van dwang of bedreiging.

Het hof is van mening dat de manier waarop de man zich tegenover de vrouw heeft gedragen getypeerd kan worden als een vernederende behandeling van de vrouw zonder respect voor haar waardigheid. Deze behandeling heeft bij de vrouw ook gevoelens van angst opgeroepen. Het hof verwijst naar de als productie 64 overgelegde screenshots van het WhatsApp-gesprek tussen partijen waaruit in rov. 4.5.5. al een deel is geciteerd. De vrouw stuurt aan de man dat hij woorden gebruikt die hij niet hoort te gebruiken. Ze geeft aan dat hij haar al zoveel heeft uitgescholden en gekleineerd dat het haar niets meer doet, maar dat zij zich afvraagt wat de man met haar wil. De man reageert hier als volgt op: “Wil je daarmee zeggen dat ik aan jou hang, wil je daarmee zeggen scheiden Wat is jou punt” De vrouw reageert: “Kijk en dat is jou probleem. Je denkt te te te negatief, Mij heb je dat niet horen zeggen. Jij roept hier in 2 weken tijd het woord scheiden vaker dan wie dan ook. [voornaam man] .. je zuigt men energie weg.. heb hier totaal geen energie voor. Het is alsof je gewoon elke keer een reden zoekt om me nog meer uit te schelden als we ruzie hebben. Een vrouw die alleen ademt? Bestaat niet.. je wilt zoveel dingen met me doen.. slaan, de grond in ‘drillen’, een pistool in mijn mond.. zoveel dingen wat jij met me wil doen.. dat ik gewoon letterlijk wollah letterlijk deze 2 weken bang voor jou geworden ben.. dat ik gewoon nachtmerries heb gekregen deze dagen waarin je met echt vermoord.. dat ik slapeloze nachten heb omdat ik niet durf te slapen omdat ik weet dat die nachtmerries weer komen. Je zuigt al men energie” De man reageert: “Wat is jou punt Wil je een scheiding, zeg het maar Ben je bang geworden Mij kan het niks schelen of je nachtmerries hebt Het komt nog uit jou mond, dat jij zegt “wat ik van jou wil” En dit komt nog wel allemaal door mij ???????

De vrouw appt: “Ik ben de afgelopen 2 weken bang geworden voor de man van wie ik zielsveel hou. Ik wil niet scheiden van de [voornaam man] die ik ken. Mijn man met wie ik ben getrouwd omdat ik van hem hou en hij van mij. De [voornaam man] die afgelopen 2 weken met mijn praat ben ik bang voor Ja ik heb een fout gemaakt. Ja het is mijn schuld. Maar dit verdienen we beiden niet.. we hebben kei hard gewerkt ”

De vrouw geeft duidelijk aan dat het gedrag van de man haar bang maakt. De man reageert daarop dat het hem niet kan schelen.

In veel van de andere WhatsApp-gesprekken valt op dat de man wil dat de vrouw hem gehoorzaamt en dat de man heel ver gaat in schelden, dreigen en kleineren. Er is geen enkel voorbeeld te vinden van een bericht waarin de vrouw richting de man verbaal de grens over gaat. De vrouw blijft respectvol en probeert de man tot redelijkheid te bewegen, of zij praat hem naar de mond. De man noemde de relatie van partijen in eerste aanleg “toxisch”. Volgens het hof impliceert dit een bepaalde wederkerigheid in het grensoverschrijdende gedrag, die nergens uit blijkt. Het gedrag gaat één kant op: van de man naar de vrouw. Het hof is van oordeel dat hier sprake is geweest van psychologisch geweld van de man jegens de vrouw.

Dat de vrouw hierdoor bang is voor de man en vreest dat de man weer in deze patronen zal vervallen als zij in zijn buurt zou wonen, zonder de steun en bescherming van haar familie, is begrijpelijk. Dit maakt dat niet van haar gevergd kan worden dat zij met [minderjarige] terugverhuist naar (de omgeving van) [woonplaats vader] . De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij, behalve de familie van de man, geen netwerk heeft in [woonplaats vader] en dat al haar familie en vrienden in [woonplaats moeder] wonen. De vrouw heeft de steun van dit netwerk hard nodig in haar verwerkingsproces en om haar leven weer op te bouwen. De vrouw moet als moeder voor [minderjarige] overeind blijven staan en dat lukt haar nu met behulp van therapie en steun van haar netwerk. Daarom is het ook in het belang van [minderjarige] dat de vrouw in [woonplaats moeder] blijft wonen.

[minderjarige] is weliswaar geboren in [woonplaats vader] , maar was op het moment van de verhuizing nog zo jong (1 jaar oud) dat hij nog niet geworteld was in [woonplaats vader] . De verhuizing naar [woonplaats moeder] heeft tot op heden niet in de weg gestaan aan het contact tussen de man en [minderjarige] .

Na de aankomende zomervakantie zal [minderjarige] echter starten op de basisschool. De week op – week af zorgregeling die partijen tot op heden hadden is vanaf dat moment niet meer uitvoerbaar. Dit heeft impact op het contact tussen [minderjarige] en de vader. Het belang van de man om aan de vrouw geen vervangende toestemming te verlenen zodat de vrouw weer in de buurt komt wonen en de co-ouderschapsregeling met [minderjarige] door kan blijven lopen is vanzelfsprekend ook zwaarwegend. In de gegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat dit belang minder zwaar weegt dan voornoemd belang van de vrouw.

Waar de man aanvoert dat het de keuze van de vrouw is geweest om met [minderjarige] naar [woonplaats moeder] te verhuizen, ziet het hof dat anders. Het is het gedrag van de man geweest, dat ervoor heeft gezorgd dat de vrouw genoodzaakt was te verhuizen naar [woonplaats moeder] en het is dus ook aan zijn gedrag te wijten dat een co-ouderschap niet meer tot de mogelijkheden behoort. In de gegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat de door de vrouw voorgestelde zorgregeling, waarbij [minderjarige] drie van de vier weekenden bij de man verblijft, de man voldoende compensatie biedt.

4.1.8.

Het hof is van oordeel dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder moet zijn. Het door de raad tijdens de mondelinge behandeling voorgestelde raadsonderzoek acht het hof niet nodig voor het nemen van de beslissing over het hoofdverblijf. Het enkele feit dat de man zich op de in voorgaande rechtsoverwegingen beschreven wijze heeft gedragen tegen de moeder van zijn kind, maakt dat het hof van oordeel is dat het in het belang van [minderjarige] is om zijn hoofverblijf bij de moeder te hebben.

Zorgregeling

Tijdstip wisselmomenten

4.2.

De reguliere zorgregeling zoals door de rechtbank bepaald is niet in geschil. Gelet op de beslissing over het hoofdverblijf, blijft de regeling vanaf begin schooljaar 2026/2027 ook ongewijzigd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen wel afwijkende afspraken gemaakt over het wisselmoment op vrijdag vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat. Dit zal om 14:15 uur zijn uit school, waarbij de vader [minderjarige] op school ophaalt. Het hof zal de door de rechtbank vastgestelde regeling op dit punt dus aanpassen.

4.2.1.

Over het wisselmoment op zondag hebben partijen wel gesproken tijdens de mondelinge behandeling, maar het is niet gelukt daarover overeenstemming te bereiken. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht het wisselmoment op zondag te vervroegen. De man heeft ermee ingestemd dat het hof dit verzoek in behandeling neemt, maar hij heeft aangegeven het wisselmoment op zondag te willen handhaven op 17:00 uur.

Het hof ziet aanleiding om het wisselmoment in het kader van de reguliere zorgregeling op zondag een uur te vervroegen. Weliswaar wordt de huidige regeling met het wisselmoment om 17:00 uur al geruime tijd uitgevoerd, maar dit tijdstip laat vanwege de reistijd van twee uur weinig ruimte voor het acclimatiseren in het andere huis, avondeten en een redelijke bedtijd voor een peuter/kleuter. Dit wordt nog belangrijker op het moment dat [minderjarige] na de zomervakantie op maandag vroeg zal moeten opstaan om de hele dag naar school te gaan. Het hof zal daarom het wisselmoment op zondag vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat een uur vervroegen naar 16:00 uur.

Halen en brengen (grief 5)

4.3.

De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de ouder bij wie [minderjarige] niet verblijft, hem bij de andere ouder ophaalt in het kader van de zorgregeling. De rechtbank had rekening moeten houden met de kosten die de man moet maken doordat de vrouw ervoor heeft gekozen op grote afstand te gaan wonen. De vrouw heeft een auto van de zaak en daardoor geen extra (reis)kosten. De man verzoekt daarom primair te bepalen dat het halen en brengen van [minderjarige] in het kader van de zorgregeling voor rekening van de vrouw komt. Subsidiair verzoekt hij te bepalen dat de overdracht bij de [locatie] aan de snelweg in [plaats] zal plaatsvinden.

4.3.1.

De vrouw voert aan dat zij naar [woonplaats moeder] is verhuisd om een veilige een stabiele omgeving voor haarzelf en [minderjarige] te creëren. Deze verhuizing was noodzakelijk vanwege de voorgeschiedenis van partijen en de beperkte steunmogelijkheden voor de vrouw in [woonplaats vader] . Naar mening van de vrouw heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat partijen de reistijd en het vervoer in gelijke mate moeten verdelen. Uitgangspunt is namelijk dat ouders gezamenlijk de verantwoordelijkheid dragen voor de praktische uitvoering van de zorgregeling en daarmee ook voor de kosten die daaruit voortvloeien. Zoals reeds benoemd in onderhavig verweerschrift, zijn de extra kosten van de zorgregeling na de verhuizing van de vrouw beperkt. Het gaat enkel om benzinekosten tijdens de wisselmomenten. De vrouw is het er niet mee eens dat zij een groter deel van de reistijd (of zelfs het volledige halen en brengen) voor haar rekening zou moeten nemen. Dit zou een verkeerd signaal afgegeven richting [minderjarige] ; hij moet de emotionele toestemming voelen vanuit beide ouders voor contact met de andere ouder. Dit kan naar mening van de vrouw enkel als beide ouders een gelijk aandeel hebben in de reistijd tijdens de wisselmomenten.

De wisselmoment laten plaatsvinden bij de [locatie] aan de snelweg in [plaats] is naar mening van de vrouw geen optie. [minderjarige] is nog erg jong en het is onwenselijk om de overdracht te laten plaatsvinden op een dergelijke, drukke plek naast de snelweg.

4.3.2.

Het hof ziet geen aanleiding om het halen en brengen voor rekening van de vrouw te laten komen of het wisselmoment te laten plaatsvinden op de parkeerplaats van de [locatie] aan de snelweg bij [plaats] . Zoals het hof in het kader van de vervangende toestemming verhuizing en het hoofdverblijf al heeft geoordeeld, is de verhuizing door de vrouw naar [woonplaats moeder] een gevolg van het gedrag van de man. Er is dus geen reden om af te wijken van het uitgangspunt dat ouders gezamenlijk de verantwoordelijkheid dragen voor de praktische uitvoering van de zorgregeling en de kosten die daaruit voortvloeien.

Verdeling vakanties en feestdagen (grief in incidenteel hoger beroep)

4.4.

De rechtbank heeft bepaald dat met ingang van het schooljaar 2026/2027 de vakanties, feestdagen, vrije en bijzondere dagen verdeeld worden op een wijze als door de ouders in onderling overleg te bepalen. Omdat de communicatie tussen partijen niet altijd goed verloopt, vindt de vrouw het van belang dat vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat een duidelijke regeling geldt ten aanzien van de vakanties en feestdagen, in het bijzonder voor het Suikerfeest en Offerfeest.

Feestdagen

4.4.1.

Over het Suikerfeest en Offerfeest hebben partijen over en weer verzoeken gedaan omdat zij er tegenaan lopen dat de datum van beide feestdagen pas één tot enkele dagen van tevoren bekend wordt. Voor partijen zijn deze feestdagen de belangrijkste feestdagen van het jaar. Met partijen is op de mondelinge behandeling een gesprek gevoerd over wat een werkbare regeling zou zijn voor deze feestdagen. Het hof neemt de volgende beslissing.

[minderjarige] zal het Suikerfeest vieren bij de ouder waar hij op dat moment volgens de reguliere regeling verblijft en zal dan het Offerfeest dat jaar bij de andere ouder vieren.

Als het Suikerfeest op een van de drie vrijdagen valt dat [minderjarige] het weekend bij de vader verblijft, haalt de vader [minderjarige] op donderdag om 17:00 uur op bij de moeder.

Als het Suikerfeest op een zondag valt in een weekend dat [minderjarige] bij de vader verblijft, is het aan de vader om te kiezen of het wisselmoment zondag om 16:00 uur is of de volgende dag om 17:00 uur.

Het Offerfeest viert [minderjarige] dus bij de ouder waar hij dat jaar niet het Suikerfeest heeft gevierd, waarbij de ouder waar [minderjarige] het feest viert, [minderjarige] de dag vóór het feest bij de andere ouder ophaalt om 17:00 uur en de ouder waar [minderjarige] het feest niet viert hem de dag van het feest ophaalt bij de ouder waar [minderjarige] het Offerfeest viert.

4.4.2.

Partijen zijn het eens met de door de rechtbank vastgestelde regeling ten aanzien van de Nederlandse feestdagen, met dien verstande dat zij op de mondelinge behandeling de volgende aanvullende afspraken hebben gemaakt over het moment van het halen en brengen:

- indien er op donderdag en/of vrijdag een feestdag is en [minderjarige] verblijft het aansluitend weekend bij de man dan wordt [minderjarige] de avond voor de feestdag om 17:00 uur bij de vrouw opgehaald.

- als de feestdag op een maandag is en [minderjarige] verblijft het (zo begrijpt het hof) het daaraan voorafgaande weekend bij de man dan is het wisselmoment op de feestdag zelf om 17:00 uur.

- op de verjaardagen van vader, moeder en [minderjarige] verblijft [minderjarige] bij de ouder waar hij conform de reguliere regeling verblijft, zodat hiervoor geen extra wisselingen hoeft te worden afgesproken.

Het hof zal de regeling aldus aanvullen.

Vakanties

4.4.3.

Ook ten aanzien van de vakanties hebben partijen overeenstemming bereikt.

Met ingang van het schooljaar 2026/2027 zal de volgende regeling gelden:

In de oneven jaren verblijft [minderjarige] :

- in de voorjaarsvakantie de hele week bij moeder

- in de meivakantie de eerste week van de vakantie bij vader. Als [minderjarige] 2 weken vakantie heeft verblijft hij de tweede week bij moeder

- in de zomervakantie: de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder

- in de herfstvakantie de hele week bij moeder

- in de kerstvakantie de eerste week bij vader en de tweede week bij moeder

- de wisselmomenten vinden altijd plaats op zondag om 16:00 uur

In de even jaren verblijft [minderjarige] :

- in de voorjaarsvakantie de hele week bij vader

- in de meivakantie de eerste week van de vakantie bij moeder. Als [minderjarige] 2 weken vakantie heeft verblijft hij de tweede week bij vader

- in de zomervakantie: de eerste drie weken bij moeder, de laatste drie weken bij vader

- in de herfstvakantie de hele week bij vader

- in de kerstvakantie de eerste week bij moeder en de tweede week bij vader

- de wisselmomenten vinden altijd plaats op zondag om 17:00 uur

De moeder verzoekt productie 83, waarin een overzicht is opgenomen van de verdeling van de feestdagen en vakanties voor de komende vier jaar, aan de beschikking te hechten. De vader heeft daartegen geen bezwaar. Nu het hof een andersluidende regeling vastlegt voor het Suikerfeest en Offerfeest zal het hof deze productie niet aan de beschikking hechten.

Kinderalimentatie

Ingangsdatum

4.5.

De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum, te weten 15 mei 2025 is in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan uit zal gaan.

Behoefte [minderjarige]

4.6.

Tussen partijen staat in hoger beroep vast dat de behoefte van [minderjarige] € 870,- per maand bedraagt in 2023. Ingevolge de jaarlijkse verhoging analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van [minderjarige] met ingang van 1 januari 2025 € 984,- per maand en met ingang van 1 januari 2026 € 1.029,26 per maand.

Periodes

4.7.

Omdat de zorgregeling wijzigt op het moment dat [minderjarige] naar school gaat en er dan dus met een ander zorgkortingspercentage zal worden gerekend, zal het hof voor twee periodes de draagkracht vaststellen. [minderjarige] gaat met ingang van 24 augustus 2026 naar school, maar uit pragmatische overwegingen zal het hof de volgende periodes hanteren:

- 15 mei 2026 – 1 januari 2026

- 1 januari 2026 – 1 september 2026

- met ingang van 1 september 2026.

Draagkracht vrouw

4.8.

Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat voor de draagkracht van de vrouw in 2025 uitgegaan kan worden van de door de vrouw als productie 91 overgelegde draagkrachtberekening op basis van de jaaropgave 2025. Uit deze berekening volgt een draagkracht van € 1.343,- per maand.

In 2026 is het inkomen van de vrouw gestegen. Tijdens de mondeling behandeling is met partijen besproken dat met ingang van 1 januari 2026 uitgegaan kan worden van de door de vrouw als productie 93 overgelegde draagkrachtberekening, waaruit een draagkracht volgt van € 1.378,- per maand.

Draagkracht van de man (grief 6 in principaal hoger beroep)

4.9.

Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat de draagkracht van de man in 2025 gebaseerd kan worden op de jaaropgaaf van [bedrijf] , geëxtrapoleerd naar een volledig jaar, omdat de man daar niet het volledige jaar werkzaam is geweest. Blijkens de jaaropgaaf heeft de man over grofweg een half jaar een inkomen gehad van € 24.946,- bruto. Het hof zal dit bedrag derhalve verdubbelen en voor 2025 uitgaan van een jaarinkomen van € 49.892,- bruto. Het hof houdt rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en - omdat er totdat [minderjarige] naar school gaat nog sprake is van een co-ouderschap - de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Blijkens de aan deze beschikking gehechte berekening (bijlage I) heeft de man een NBI van € 3.473,- en een draagkracht van € 785,- per maand.

Op de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat met ingang van 1 januari 2026 de door de vrouw als productie 93 overgelegde draagkrachtberekening gehanteerd kan worden. Het hof zal echter totdat [minderjarige] naar school gaat – anders dan in de overgelegde berekening – nog wel rekening houden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting omdat er tot dat moment sprake is van een co-ouderschap. Uit pragmatische overwegingen zal het hof van deze situatie uitgaan tot 1 september 2026. Het hof heeft de berekening van de vrouw op dit punt aangepast en de man heeft dan een NBI van € 3.599,- per maand en een draagkracht van € 808,- per maand (Bijlage II).

Met ingang van 1 september 2026 gaat het hof uit van de als productie 93 overgelegde draagkrachtberekening. Hieruit volgt een NBI van € 3.346,- en een draagkracht van € 684,-.

Draagkrachtvergelijking

4.10.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen voldoende is om volledig in de behoefte van [minderjarige] te voorzien, zal het hof een draagkrachtvergelijking (volgens de formule ‘draagkracht / totale draagkracht x behoefte’) toepassen.

15 mei 2025 – 1 januari 2026

€ 785,- / € 2.128,- x € 984,- = € 363,-

1 januari 2026 - 1 september 2026

€ 808,- / € 2.186,- x € 1.029,26 = € 380,-

Met ingang van 1 september 2026

€ 684,- / € 2.062,- x € 1.029,26 = € 341,-

Zorgkorting

4.11.

Partijen zijn het er over eens dat tot het moment dat [minderjarige] naar school gaat gerekend wordt met een zorgkorting van 35% en daarna, dus met ingang van 1 september 2026 met een zorgkorting van 25%. Dit komt neer op een bedrag van € 344,- per maand in de periode van 15 mei 2025 tot 1 januari 2026, € 360,- per maand met ingang van 1 januari 2026 tot 1 september 2026 en een bedrag van € 257,- per maand.

Conclusie bijdrage man

4.12.

Het voorgaande brengt mee dat de man in de periode van 15 mei 2025 tot 1 januari 2026 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] moet voldoen van € 19,- per maand, met ingang van 1 januari 2026 tot 1 september 2026 een bijdrage van € 123,- per maand en met ingang van 1 september 2026 een bijdrage van € 84,- per maand.

Terugbetaling

4.13.

Het hof is van oordeel dat van de vrouw gevergd kan worden kinderalimentatie die zij over de periode tot datum van de beschikking van het hof teveel heeft ontvangen van de man, aan hem terugbetaald.

Het inkomen van de vrouw is in de betreffende periode hoger geweest dan het inkomen waar de rechtbank van uit is gegaan, terwijl het inkomen van de man in de betreffende periode feitelijk lager is geweest dan het inkomen waar de rechtbank van uit is gegaan. Hierdoor heeft de man een groter aandeel in de kosten van [minderjarige] voor zijn rekening genomen dan hij had moeten doen. De man heeft verder onbetwist gesteld dat hij geld heeft moeten lenen van familie om aan zijn alimentatieverplichting te voldoen. Niet gebleken is dat de vrouw de eventueel teveel ontvangen kinderalimentatie niet aan de man terug zou kunnen betalen.

7De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 15 mei 2025, voor zover het betreft:

- de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;

- het tijdstip van de wisselmomenten in het kader van de reguliere omgangsregeling op vrijdag en zondag;

- de verdeling van feestdagen en vakanties,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal voldoen:

- met ingang van 15 mei 2025 tot 1 januari 2026 € 19,- per maand;

- met ingang van januari 2026 tot 1 september 2026 € 123,- per maand;

- met ingang van 1 september 2026 € 84,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vrouw de over de periode tot de datum van de beschikking van het hof eventueel teveel ontvangen kinderalimentatie aan de man dient terug te betalen;

bepaalt dat het wisselmoment in het kader van de reguliere zorgregeling zal zijn op vrijdag om 14:15 uur uit school en op zondag om 16:00 uur; de vader haalt [minderjarige] op vrijdag op uit school en de moeder haalt [minderjarige] op zondag op bij de vader;

stelt de volgende verdeling van feestdagen en vakanties vast:

- indien er op donderdag en/of vrijdag een feestdag is en [minderjarige] verblijft het aansluitend weekend bij de man dan wordt [minderjarige] de avond voor de feestdag om 17:00 uur bij de vrouw opgehaald.

- als de feestdag op een maandag is en [minderjarige] verblijft het daaraan voorafgaande weekend bij de man dan is het wisselmoment op de feestdag zelf om 17:00 uur.

- op de verjaardagen van vader, moeder en [minderjarige] verblijft [minderjarige] bij de ouder waar hij conform de reguliere regeling verblijft, zodat hiervoor geen extra wisselingen hoeft te worden afgesproken;

- [minderjarige] zal het Suikerfeest vieren bij de ouder waar hij op dat moment volgens de reguliere regeling verblijft en zal het Offerfeest dat jaar bij de andere ouder vieren;

- als het Suikerfeest op een van de drie vrijdagen valt dat [minderjarige] het weekend bij de vader verblijft, haalt de vader [minderjarige] op donderdag om 17:00 uur op bij de moeder;

- als het Suikerfeest op een zondag valt in een weekend dat [minderjarige] bij de vader verblijft, is het aan de vader om te kiezen of het wisselmoment zondag om 16:00 uur is of de volgende dag om 17:00 uur;

- het Offerfeest viert [minderjarige] bij de ouder waar hij dat jaar niet het Suikerfeest heeft gevierd, waarbij de ouder waar [minderjarige] het feest viert, [minderjarige] de dag vóór het feest bij de andere ouder ophaalt om 17:00 uur en de ouder waar [minderjarige] het feest niet viert hem de dag van het feest ophaalt bij de ouder waar [minderjarige] het Offerfeest viert.

stelt met ingang van het schooljaar 2026/2027 de volgende verdeling van de vakanties vast:

In de oneven jaren verblijft [minderjarige] :

- in de voorjaarsvakantie de hele week bij moeder;

- in de meivakantie de eerste week van de vakantie bij vader. Als [minderjarige] 2 weken vakantie heeft verblijft hij de tweede week bij moeder;

- in de zomervakantie: de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder;

- in de herfstvakantie de hele week bij moeder;

- in de kerstvakantie de eerste week bij vader en de tweede week bij moeder;

- de wisselmomenten vinden altijd plaats op zondag om 17:00 uur.

In de even jaren verblijft [minderjarige] :

- in de voorjaarsvakantie de hele week bij vader;

- in de meivakantie de eerste week van de vakantie bij moeder. Als [minderjarige] 2 weken vakantie heeft verblijft hij de tweede week bij vader;

- in de zomervakantie: de eerste drie weken bij moeder, de laatste drie weken bij vader;

- in de herfstvakantie de hele week bij vader;

- in de kerstvakantie de eerste week bij moeder en de tweede week bij vader;

- de wisselmomenten vinden altijd plaats op zondag om 17:00 uur.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, K.J.H. Hoofs en M.A. Ossentjuk, en is op 23 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733