Terug naar de uitspraak

Rechtbank Limburg 31-07-2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:8211

Datum publicatie18-08-2026
ZaaknummerC/03/353247 / JE RK 26-1058
RechtsgebiedenCiviel recht
TrefwoordenJeugdbescherming / Jeugdwet. Ondertoezichtstelling 1:254 e.v. BW. 1:263 e.v. BW Aanwijzing GI
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Schriftelijke aanwijzing over contact van GI met kinderen; beslissing op verzoeken vervallenverklaring en bekrachtiging met dwangsom.

Volledige uitspraak


RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Roermond

Zaaknummers: C/03/353247 / JE RK 26-1058

C/03/354061 / JE RK 26/1235

C/03/354062 / JE RK 26-1236

Datum uitspraak: 31 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing

in de zaak met zaaknummer C/03/353247 / JE RK 26-1058

van:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonend in [plaats 1] ,

gemachtigde: de heer [gemachtigde],

over:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] .

en

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, gevestigd in Roermond,

hierna te noemen: de GI,

advocaat: mr. I.J.M. Gelissen, kantoorhoudend in Roermond,

[de vader] ,

wonend in [plaats 2] (België),

hierna te noemen: de vader.

in de zaak met zaaknummers C/03/354061 / JE RK 26/1235 en C/03/354062 / JE RK 26-1236

van:

de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, gevestigd in Roermond,

hierna te noemen: de GI,

advocaat: mr. I.J.M. Gelissen, kantoorhoudend in Roermond,

over:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1]

en

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonend in [plaats 1] ,

gemachtigde: de heer [gemachtigde],

en:

[de vader] ,

wonend in [plaats 2] (België),

hierna te noemen: de vader.

1Het verloop van beide procedures

1.1

Het procesverloop blijkt het uit volgende:

C/03/353247 / JE RK 26-1058

  • het verzoekschrift van de moeder tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing met bijlagen, ontvangen op 12 juni 2026;

  • de e-mail van de vader met bijlagen, ontvangen op 10 juli 2026;

  • het verzoekschrift van de moeder tot een deskundigenonderzoek en akte overlegging producties met bijlagen, ontvangen op 14 juli 2026.

C/03/354061 / JE RK 26/1235 en C/03/354062 / JE RK 26-1236

- de twee verzoekschriften van de GI tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing met bijlagen, ontvangen op 8 juli 2026.

1.2

De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar gemachtigde;

- de vader;

- twee vertegenwoordigers van de GI.

Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.3

Na deze mondelinge behandeling zijn nog de volgende stukken ontvangen:


C/03/353247 / JE RK 26-1058

  • de e-mail van de moeder met bijlagen, ontvangen op 21 juli 2026;

  • de reactie van de moeder op de e-mail van de vader met bijlagen, ontvangen op 21 juli 2026;


C/03/354061 / JE RK 26/1235 en C/03/354062 / JE RK 26-1236

- het verweerschrift van de moeder op de verzoekschriften van de GI met bijlagen, ontvangen op 21 juli 2026.

1.4

De mondelinge behandeling met gesloten deuren is voortgezet op 24 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar gemachtigde;

  • de vader;

  • een vertegenwoordiger van de GI, bijgestaan door zijn advocaat.

Ter zitting heeft de gemachtigde van de moeder spreekaantekeningen overgelegd.

1.5

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben daar geen gebruik van gemaakt. De moeder heeft hen op voorhand gemotiveerd afgemeld.

2De feiten

2.1

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.2

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

2.3

De rechtbank heeft bij uitvoer bij voorraad verklaarde beschikking van 7 oktober 2025 (C/03/345216 / JE RK 25-1540) [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 7 oktober 2026. De moeder is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft de beschikking op 19 maart 2026 bekrachtigd. De moeder is daartegen in cassatie gegaan.

2.4

De GI heeft op 29 mei 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hierin is het volgende opgenomen:

“Op 11 juni 2026 om 11.00 uur komen de beide gezinsvoogden bij de moeder thuis. De gezinsvoogden zullen dan met de moeder aan tafel een gesprek voeren. De gezinsvoogden zullen dan slechts met de kinderen in dezelfde ruimte zijn. Mogelijk zal er ook een gesprek met de kinderen plaatsvinden. De GI zal in dit eerste gesprek geen individuele gesprekken met de kinderen afdwingen. Het is de taak van de moeder om ervoor te zorgen dat de beide kinderen in dezelfde ruimte als de gezinsvoogden aanwezig zijn. Aanvullend dient de moeder medewerking te verlenen aan de te plannen vervolggesprekken met de moeder en de kinderen. De GI verwacht dat bij volgende, nog te plannen huisbezoeken na 11 juni 2026, de moeder de gezinsvoogden binnenlaat, constructief in gesprek gaat met de beide gezinsvoogden en medewerking verleent aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling.”

3De verzoeken

C/03/353247 / JE RK 26-1058

Verzoek van de moeder tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing

3.1

De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren.

3.2

Ter onderbouwing van het verzoek stelt de moeder het volgende. De moeder ontkent dat zij contact tussen de kinderen en de gezinsvoogden weigert. Zij heeft steeds medewerking geboden, onder de voorwaarde dat het contact met de kinderen is afgestemd op de belastbaarheid van de kinderen en therapeutisch is ingebed. Verder is de formulering van de GI niet neutraal. Feiten worden genegeerd en interpretaties worden opgeschreven als de waarheid. Signalen van stress, weerstand en behoefte aan veiligheid bij de kinderen worden onvoldoende gewogen. De depressiescore van [minderjarige 1] wordt verzwegen. Daardoor wordt een vertekend beeld gegeven. Een rechterlijke beslissing die is gebaseerd op een eenzijdig opgesteld GI-dossier, waarin de voorwaardelijke medewerking van de ouder als categorische weigering is geduid en de kindreacties aan de ouder zijn toegeschreven, verdraagt zich niet met de vereisten van artikel 6 EVRM (hoor en wederhoor) en de procedurele dimensie van artikel 8 EVRM. Wanneer de kwalificaties van de GI en/of de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) niet op geverifieerde feiten berusten, maar op interpretaties die de werkelijkheid vertekenen, bestaat het risico dat rechterlijke oordelen worden gebouwd op een ondeugdelijke grondslag. Dat was zowel in de zaak met betrekking tot de ondertoezichtstelling het geval, als ook in de gezag- en omgangzaak waarin de rechtbank heeft bepaald dat beide ouders worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hoewel het hof ’s-Hertogenbosch de beschikking met betrekking tot de ondertoezichtstelling heeft bekrachtigd, rust dit oordeel op foutief overgenomen standpunten uit de brief van de GI aan het hof. Tegen de beschikking van het hof zal de moeder dan ook in cassatie gaan. Verder is in de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2026 geoordeeld dat geen aanwijzingen bestaan voor dwingende controle vanuit de vader. De GI heeft hieruit in haar verdere dossiervorming afgeleid dat er geen aanwijzingen van enige onveiligheid vanuit de vader zijn. Echter, het ontbreken van aanwijzingen voor één specifieke hypothese (intieme terreur/dwingende controle) impliceert niet het ontbreken van signalen voor andere vormen van onveiligheid.

3.3

Verder stelt de moeder dat de schriftelijke aanwijzing van 29 mei 2026 materieel gebrekkig is op grond van de volgende gronden. De moeder heeft op 11 mei 2026 een zienswijze ingediend van elf pagina’s, opgebouwd in zeven inhoudelijke secties, met feitelijke onderbouwing, verwijzingen naar professionele richtlijnen en een beroep op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Er is sprake van een motiveringsgebrek. 1 De zienswijze van de moeder is niet inhoudelijk beoordeeld door de GI. De weging bestaat uitsluitend uit een herhaling van het eigen standpunt. Geen van de zeven categorieën bezwaren van de moeder, zoals omschreven in haar overgelegde zienswijze, is door de GI beantwoord. Ook de afzonderlijke beoordeling per kind ontbreekt volledig. Er is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. 2 De GI heeft bij de voorbereiding niet de nodige

kennis vergaard omtrent de psychische toestand van [minderjarige 1] , de individuele situatie van [minderjarige 2] en de professionele adviezen die door behandelaars over belastbaarheid zijn uitgebracht. De vergewisplicht is niet nageleefd. 3 Er is sprake van détournement de pouvoir. 4 De onbepaalde verplichting tot medewerking die door de GI in de schriftelijke aanwijzing aan de moeder is gesteld aan te plannen vervolgbezoeken overschrijdt de grenzen van de aanwijzingsbevoegdheid van art. 1:263 BW en constitueert een gebruik van de bevoegdheid voor een doel waarvoor zij niet is verleend. Er is sprake van een onjuiste feitenvaststelling. De kwalificatie “blokkering”, zoals de GI stelt, geeft het standpunt van de moeder onvolledig en normatief gekleurd weer, terwijl de moeder conditionele medewerking heeft

geboden. Er bestaat een evenredigheidsrisico. 5 De onbepaalde verplichting tot medewerking aan te plannen vervolgbezoeken in combinatie met de actuele psychische situatie van de kinderen en de lopende hulpverleningsonderhandelingen roept vragen op over de proportionaliteit van de schriftelijke aanwijzing.

3.4

Daarnaast stelt de moeder dat het participatierecht van de kinderen is geschonden. De schriftelijke aanwijzing verplicht de kinderen aanwezig te zijn bij contactmomenten die zij niet willen, zonder individuele afweging van hun wil en draagkracht. Dat is in strijd met artikel 12 IVRK, artikel 4.2.2 lid 1 Besluit Jeugdwet, artikel 4.1.1 Jeugdwet en NJI Richtlijn § 2.1.3. De schriftelijke aanwijzing voldoet niet aan de noodzaakeis en de redelijkheidstoets van artikel 1:263 lid 1 BW in verbinding met artikel 4.1.1 Jeugdwet, omdat de schriftelijke aanwijzing geen individuele, kindgerichte uitwerking bevat die aansluit op de zorgprofielen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zonder een dergelijke uitwerking kan niet worden vastgesteld dat de schriftelijke aanwijzing in het belang van de kinderen is en dat de GI in redelijkheid tot deze aanwijzing heeft kunnen komen. De door de gedragswetenschapper bepleite bredere analyse en de door de rechtbank vastgestelde pedagogische onmacht bij de vader zijn na de beschikking van het hof ‘s-Hertogenbosch ten onrechte buiten beschouwing gebleven. De schriftelijke aanwijzing mist daarmee een deugdelijke feitelijke grondslag.

Verzoek van de moeder tot het gelasten van een deskundigenonderzoek

3.5

De moeder verzoekt de rechtbank om bij (tussen)beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

- op de voet van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een onderzoek te gelasten door een of meer deskundigen, te weten gekwalificeerde gedragswetenschappers met een specialisatie op het gebied van jeugdtrauma, ter beantwoording van de vragen zoals in het verzoekschrift zijn geformuleerd;

subsidiair

- op de voet van artikel 186 lid 1 Rv een onderzoek te gelasten door een of meer deskundigen als hiervoor bedoeld, ter beantwoording van de in het verzoekschrift geformuleerde vragen;

en in alle gevallen

- de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste van 's-Rijks kas te brengen, althans deze op een door de kinderrechter in goede justitie te bepalen wijze tussen partijen te verdelen;

- een zodanige beslissing te nemen als de kinderrechter in goede justitie juist acht.

3.6

Ter onderbouwing van het verzoek stelt de moeder het volgende. Vanwege de psychische gesteldheid van de kinderen dient contact met de kinderen in een professionele setting te worden georganiseerd door professionals die gespecialiseerd zijn in traumabehandeling. Dat zijn de gezinsvoogden van de GI niet. De standpunten van de moeder en de GI staan lijnrecht tegenover elkaar. Dat maakt dat het geschil, ook na een vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing, niet is opgelost. Na het geven van de bestreden schriftelijke aanwijzing heeft de GI niet alleen de kinderen, maar ook beide ouders opnieuw aangemeld bij de [stichting] /IGB. Van een lopend (deskundigen)onderzoek is geen sprake. Het enige concrete contactmoment met de [stichting] /IGB na de hernieuwde aanmelding door de GI, het klachtverhelderingsgesprek van 23 juni 2026, is vrijwel direct gestrand op het ontbreken van een veilige setting. De oplossing van het geschil tussen de GI en de moeder kan liggen in het gelasten van een onderzoek door deskundigen. Dat onderzoek zou primair gericht kunnen worden op de vraag wat er nodig is om de kinderen een veilige setting te bieden waarin zij gesproken kunnen worden.

3.7

De onderzoeksvragen aan de te benoemen deskundige(n) kunnen als volgt worden

geformuleerd:

  1. In welke setting en onder welke voorwaarden kan naar de huidige stand van de gedragswetenschappelijke kennis op verantwoorde wijze contact tot stand worden gebracht tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de gezinsvoogdijwerkers van de GI, zonder het risico van (verdere) traumatisering?

  2. Is bij [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] sprake van trauma, en zo ja, van welke aard en ernst?

  3. Indien sprake is van trauma: wat is de oorzaak of zijn de oorzaken daarvan?

  4. Welke behandeling is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk of aangewezen, en op welke wijze verhoudt de door de GI voorgestane contactfacilitatie zich tot die behandeling?

  5. Is de door de GI thans voorgeschreven wijze van contactfacilitatie, uitgevoerd door gezinsvoogdijwerkers zonder specifieke traumadeskundigheid, verenigbaar met een verantwoorde uitvoering van de ondertoezichtstelling in de zin van art. 1:263 lid 1 BW, of vergt een verantwoorde uitvoering een andere, meer gespecialiseerde vorm van begeleiding?

3.8

De moeder weet dat ook een onderzoek door deskundigen contactmomenten met de kinderen met zich mee kan brengen, maar daar is geen weerstand tegen. Het bezwaar van de moeder tegen de door de GI voorgeschreven contactfacilitatie is niet gericht tegen contact als zodanig, maar tegen contact dat plaatsvindt zonder specifieke traumadeskundigheid, zonder voorafgaande stabilisatie en zonder afstemming op de belastbaarheid van de kinderen. Een onderzoek uitgevoerd door gekwalificeerde gedragswetenschappers met een specialisatie in jeugdtrauma voldoet naar zijn aard juist aan de voorwaarden die de moeder steeds heeft gesteld: deskundige begeleiding, een op de behandelrelatie gerichte aanpak en een professionele inschatting van wat de kinderen op een bepaald moment kunnen verdragen. Het risico van hertraumatisering is dan ook niet gelegen in het enkele feit van contact, maar in de wijze waarop en door wie dat contact wordt vormgegeven. Om die reden moeten de kinderen, indien nodig, door de te benoemen deskundigen zelf worden gezien, en niet (eerst) door de gezinsvoogdijwerkers.

3.9

Verder onderstreept de moeder de noodzaak van onafhankelijke diagnostiek. Onafhankelijkheid - het ontbreken van een bestaande of aanstaande

behandelrelatie - is een voorwaarde voor het mogen afgeven van een verklaring of oordeel over een patiënt ten behoeve van een derde, zoals een rechterlijke instantie of een GI. Deze norm raakt rechtstreeks aan de positie die de [stichting] in het onderhavige traject wordt toebedeeld. De [stichting] wordt niet alleen verzocht diagnostiek te verrichten, maar is tevens de instelling die naar aanleiding daarvan de behandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en de hulpvraag van de vader naar de gezinssituatie van de moeder zou moeten onderzoeken.

C/03/354061 / JE RK 26/1235 en C/03/354062 / JE RK 26-1236

Verzoek van de GI tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing

3.10

De GI heeft twee aparte schriftelijke aanwijzingen gegeven voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De GI verzoekt bekrachtiging van deze schriftelijke aanwijzingen in twee aparte verzoekschriften. Daarbij wordt tevens in ieder verzoekschrift verzocht een dwangsom op te leggen van € 500,- per dag dat de moeder de schriftelijke aanwijzing niet opvolgt. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.11

Ter onderbouwing van het verzoek stelt de GI het volgende. Sinds de start van de ondertoezichtstelling is er slechts een keer contact geweest tussen de gezinsvoogden en de kinderen. Dit was tijdens een voor moeder en de kinderen onverwacht huisbezoek. De GI heeft op grond van de beschikking van 7 oktober 2025 de regie gekregen over de uitvoering van de ondertoezichtstelling en daarmee de verantwoordelijkheid - in gezamenlijkheid met de ouders - voor het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. De GI heeft momenteel geen zicht op (de ontwikkeling van) de kinderen, omdat de moeder de GI niet toestaat direct contact te hebben met de kinderen. De GI kan dan ook niet beoordelen hoe het met de kinderen gaat en wat zij nodig hebben om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Ook andere professionals zien de kinderen niet, behalve de leerkrachten van [organisatie 1] die [minderjarige 1] twee keer per week zien en de vrijwilliger van [organisatie 2] waar [minderjarige 2] inmiddels twee dagdelen per week naartoe gaat. De GI kan daarom momenteel alleen op aangeven van de moeder een inschatting maken van het welzijn van de kinderen. De zorgen omtrent de kinderen zijn groot. Het lukt de moeder niet om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op school te krijgen. Ook onderschrijft de moeder dat er problemen zijn met betrekking tot agressie. Verder is er al geruime tijd geen contact tussen de vader en de kinderen. Tijdens de start van de ondertoezichtstelling hadden de kinderen wel nog contact met de vader en ging [minderjarige 2] nog naar de reguliere basisschool. De situatie van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is daarmee verslechterd sinds de start van de ondertoezichtstelling. De GI kan - nu contact met de kinderen wordt afgehouden - niet beoordelen wat de kinderen aankunnen wat betreft school, het contact met de vader en hun algemene sociale ontwikkeling. Ondanks de afgegeven schriftelijke aanwijzing staat de moeder nog steeds het contact tussen de GI en de kinderen in de weg. Daarom verzoekt de GI oplegging van een dwangmiddel. Dit verzet zich niet tegen het belang van de kinderen, aangezien de kinderen er recht op hebben om rechtstreeks door de GI gehoord te worden.

Schriftelijk verweer van de moeder tegen het verzoek van de GI

3.12

De moeder voert verweer tegen het verzoek van de GI en verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de GI niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken van de GI af te wijzen.

3.13

Ter onderbouwing van haar verweer stelt de moeder het volgende. Als de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaart, houdt de schriftelijke aanwijzing op te bestaan en is de GI niet-ontvankelijk in haar verzoek tot bekrachtiging. Bovendien heeft de GI op 8 juli 2026 twee afzonderlijke verzoeken tot bekrachtiging ingediend: een voor [minderjarige 1] en een voor [minderjarige 2] , elk met een eigen dwangsomverzoek. Aan beide verzoeken ligt dezelfde aanwijzing van 29 mei 2026 ten grondslag, gericht tot dezelfde gezagsdrager, en betreffende hetzelfde feitelijke verwijt. De verzoeken ontlenen hun grondslag niet aan de aanwijzing, maar aan een eigen, niet nader gemotiveerde keuze van de GI om één materieel verwijt in twee separate verzoeken onder te brengen. Nu de aanwijzing zelf geen aanknopingspunt biedt voor een indeling per kind, ontbreekt een toereikende grondslag.

De vraag of de GI in redelijkheid tot de aanwijzing heeft kunnen komen, wordt in beginsel beoordeeld naar de feiten en omstandigheden zoals die bekend waren of kenbaar hadden moeten zijn op het moment dat de aanwijzing werd gegeven. Een gebrek dat naar het moment van totstandkoming vaststaat, kan niet worden weggenomen door argumenten die pas nadien, in een afzonderlijke procedure met een ander voorwerp, voor het eerst worden aangevoerd. Het gevolg van het voorgaande is dat de gronden die de GI aan de verzoeken tot bekrachtiging met dwangsommen heeft aangevoerd, geen afbreuk doen aan de tekortkomingen van de schriftelijke aanwijzing die ten aanzien van het verzoek tot vervallenverklaring voorliggen en die tekortkomingen ook niet kunnen helen. Ook dit leidt ertoe dat GI niet-ontvankelijk is in haar verzoek.

Ook indien de kinderrechter de aanwijzing van 29 mei 2026 in stand laat en de bekrachtigingsverzoeken ontvankelijk acht, kan het verzochte dwangmiddel niet worden opgelegd. Het dwangmiddel maakt geen onderdeel uit van de aanwijzing zelf. De aanwijzing van 29 mei 2026 zelf legt geen dwangsom op, maar bevat een aangekondigd voornemen: “De gecertificeerde instelling (...) is voornemens aan de kinderrechter te verzoeken een dwangsom op te leggen van € 1.000,- euro per keer (...).” De verzochte dwangmiddelen wijken materieel af van dit aangekondigde voornemen. Verzocht wordt, in twee afzonderlijke verzoeken, een dwangsom van € 500,- per dag dat de aanwijzing niet wordt opgevolgd. Voor deze afwijking heeft de GI geen motivering gegeven. De hoofdregel is dat de GI handelt in overeenstemming met het eigen beleid, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn om daar van af te wijken. Daarnaast vereist artikel 1:263 lid 3 BW een zelfstandige rechterlijke toets: de kinderrechter moet beoordelen of het belang van het kind zich niet verzet tegen oplegging van het dwangmiddel. Nu de GI zelf, zonder motivering, is overgestapt van één aangekondigde modaliteit naar een verdubbelde, dagelijks oplopende modaliteit verdeeld over twee verzoeken, kan de kinderrechter dat gebrek niet passeren door zelf een aangepast dwangmiddel vast te stellen. Bovendien is de verzochte dwangsom niet proportioneel. Hieruit volgt primair dat de dwangsommen moeten worden afgewezen.

Op het moment dat de kinderrechter het verzoek tot vervallenverklaring afwijst, stelt de moeder dat het verzoek tot bekrachtiging prematuur is. De vraag of, en op welke wijze, de kinderen op een veilige wijze contact met de gezinsvoogdijwerkers kunnen hebben, is uitdrukkelijk onderdeel gemaakt van de hulpvragen die aan de [stichting] zijn voorgelegd. De GI heeft zich, zonder enig voorbehoud, aangesloten bij de door beide ouders geformuleerde hulpvragen, waaronder de vraag hoe de GI in contact kan komen met de kinderen. Dat traject is vastgelopen: het enige concrete contactmoment met de [stichting] was het klachtverhelderingsgesprek van 23 juni 2026. Dit gesprek is vrijwel direct beëindigd wegens het ontbreken van een veilige setting. Precies om die reden ligt bij de kinderrechter het verzoek voor om een deskundigenonderzoek te gelasten naar de vraag welke setting en voorwaarden contact toestaan zonder verdere traumatisering.

Meer subsidiair stelt de moeder dat de kinderrechter zelfstandig moet beoordelen of het belang van de kinderen zich tegen het opleggen van een dwangmiddel verzet. Onder verwijzing naar rechtsbronnen en jurisprudentie komt de moeder tot de conclusie dat de GI het risico loopt dat de wijze van uitvoering van de aanwijzing zelf een vorm van schade in de zin van artikel 19 IVRK oplevert. Het belang van de kinderen is niet gediend met een dwangmiddel dat vooruitloopt op de uitkomst van dat onderzoek.

4De (nadere) standpunten ter zitting

4.1

De moeder vult ter zitting het volgende aan. Er is sprake van framing van de moeder door de GI. Zo stelt de GI dat het de moeder niet lukt om de kinderen op school te krijgen, terwijl het de kinderen zijn die niet naar school kunnen. Ook stelt de GI bij herhaling dat de moeder niet wilde meewerken aan hulpverlening door [organisatie 3] , maar er wordt niet vermeld wat de reden daarvoor was. [organisatie 3] is niet gekwalificeerd voor het verlenen van hulpverlening aan [minderjarige 1] . Nu dit wordt verzwegen wordt het beeld gecreëerd dat de moeder non-coöperatief is. Framing van de moeder als zijnde non-coöperatief als basis voor oordeelsvorming werkt door in de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 29 maart 2026, terwijl een feitelijke onderbouwing voor dat oordeel ontbreekt. Verder is de kwalificatie “ouderverstoting”, afkomstig van de vader, door de GI overgenomen. In de beschikking van 7 oktober 2025 overwoog de rechtbank dat bij de moeder geen ruimte lijkt te zijn voor een andere visie dan dwingende controle, terwijl de vader zich niet bewust is van zijn pedagogische onmacht en van de impact daarvan op de moeder en de kinderen. De GI heeft dit vervangen door slechts twee verklaringen: dwingende controle door de vader of ouderverstoting door de moeder. Nu het hof de eerste verklaring van dwingende controle door de vader heeft verworpen, omdat daarvoor in het op dat moment voorliggende dossier geen aanknopingspunten waren te vinden, zou volgens de GI de tweede verklaring van ouderverstoting door de moeder gegeven zijn. Het ontbreken van bewijs voor de eerste verklaring, levert geen bewijs op voor de andere. De derde verklaring, namelijk de pedagogische onmacht van de vader, heeft de GI nooit willen onderzoeken. Verder zijn de gezinsvoogdijwerkers regievoerders en geen gedragswetenschappers. Zij kunnen geen diagnostische basis bieden voor kwalificaties over trauma, contra-indicaties of moeders gedrag, hetgeen ze wel hebben gedaan na het huisbezoek bij de moeder. Daarnaast heeft de GI nagelaten het plan als bedoeld in artikel 4.1.3. lid 1 Jeugdwet aan de kinderrechter toe te zenden. Ook door de rechter is niet aangedrongen tot aanlevering van deze stukken door de GI. Daaruit kan worden geconcludeerd dat de rechtbank deze informatie niet nodig acht voor zijn oordeelsvorming, terwijl dit beoogt bij te dragen aan een processueel evenwicht tussen de GI enerzijds en de ouders anderzijds. Verder miskent de schriftelijke aanwijzing de ernstig verstoorde verhouding tussen de moeder en de GI, zodat op voorhand voorzienbaar is dat een dergelijk huisbezoek spanningen zal veroorzaken. De kinderen zijn hoogsensitief en reageren op spanningen. Onduidelijk is dan ook welk legitiem doel de schriftelijke aanwijzing dient. De kinderen ervaren spanningen als ze moeten praten met hulpverleners die gerelateerd zijn aan de rechtbank of de GI. Er dient eerst zicht te komen op het trauma van de kinderen door externe en onafhankelijke expertise die niet door partijen is te beïnvloeden. Als de deskundige vindt dat de kinderen in staat zijn om met de GI te praten, zal de moeder zich daarbij moeten neerleggen. De moeder ontkent dat de GI weinig zicht heeft op de kinderen. De GI beschikt namelijk over informatie over de kinderen uit de gesprekken bij [organisatie 1] , gesprekken op school en van de Raad. Verder heeft de moeder op 20 januari 2026 een gesprek gehad met de GI over het plan van aanpak. De moeder en GI kwamen overeen dat het Regionaal Expertise Team (RET) zou worden ingeschakeld. Dit is nooit gebeurd en naar dit gesprek is nooit meer gerefereerd.

4.2

De GI vult ter zitting aan dat de moeder in haar verzoekschrift op grond van het IVRK stelt dat het belang van de kinderen bij het nemen van beslissingen de eerste afweging moet zijn. De GI onderstreept dat en juist daarom vindt de GI het van belang zelf kennis te maken met de kinderen, zodat zij voor deze kinderen de juiste hulpverlening kan inzetten om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Dat geldt ook voor het recht van de kinderen om zelf hun mening te uiten. Juist daarom wil de GI rechtstreeks contact met de kinderen en dat kan op een kindvriendelijke manier. Er zal een eerste stap gezet moeten worden naar contact tussen de GI en de kinderen en dat houdt de moeder steeds af. Dat is niet in het belang van de kinderen. Immers iedereen is het erover eens dat het niet goed gaat met de kinderen en dat hulpverlening ingezet dient te worden. Het is de wettelijke taak van de GI om op basis van de ondertoezichtstelling regie te nemen, de ouders en de kinderen te zien en spreken en op basis daarvan en overige door haar ingewonnen informatie, een plan van aanpak op te stellen waarin eventuele hulpverlening wordt beschreven om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen of te doen afnemen. Momenteel beschikt de GI over te weinig informatie om de juiste hulpverlening voor de kinderen in te zetten. De GI ziet de kinderen niet bij de moeder thuis, maar kan ook geen informatie opvragen via de school of hulpverlening van de kinderen. Stap één is contact tussen de kinderen en de GI, zodat er zicht komt op de kinderen en hun eventuele problematiek. De GI beschikt aan de voorkant niet al over dusdanige informatie dat maakt dat een gesprek tussen de kinderen en de GI niet in het belang van de kinderen zou zijn. Bij beschikking van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank overwogen dat de ouders moeten meewerken aan de door de GI noodzakelijk geachte hulpverlening. Hulpverlening is per direct noodzakelijk en dit kan niet worden vormgegeven in het vrijwillige kader. Dat heeft het hof ’s-Hertogenbosch in de beschikking van 19 maart 2026 bevestigd. In de jurisprudentie blijkt dat het niet aan de ouders is om toestemming te onthouden of kaders te scheppen onder welke voorwaarden de GI met de kinderen praat. Een ondertoezichtstelling is geen vrijblijvende maatregel en de ouders moeten aanwijzingen opvolgen. De ouders kunnen de GI niet verplichten dat er een deskundige aanwezig is bij de gesprekken. Bovendien is het door de moeder verzochte deskundigenonderzoek niet in het belang van de kinderen, omdat ze dan weer met een nieuwe deskundige moeten praten. De GI is neutraal. Het inschakelen van een deskundige betekent tijdverlies. Het inzetten van de juiste hulpverlening zal dan nog langer duren, terwijl iedereen het erover eens is dat de kinderen dringend hulp nodig hebben. Door de moeder worden nog tal van wetsartikelen, richtlijnen en biases aangehaald die niet relevant zijn voor de beoordeling van de vraag of de GI de schriftelijke aanwijzing terecht en op goede gronden heeft gegeven en of moeder deze schriftelijke aanwijzing moet opvolgen. De GI heeft de moeder in november 2025 al een vooraankondiging gestuurd van een schriftelijke aanwijzing, omdat de GI in contact wilde komen met de moeder om te kijken naar de doelen van de ondertoezichtstelling en om te komen tot het opstellen van een plan van aanpak. Uiteindelijk is dit gelukt, zodat er geen vervolg is gegeven aan die vooraankondiging. In deze vooraankondiging stond ook al dat de GI de kinderen wilde spreken. Daar is ook hierna door de moeder niet aan meegewerkt, zodat de GI de moeder op 1 mei 2026 opnieuw heeft aangekondigd de kinderen te willen spreken. De GI ontkent dat er aan framing zou worden gedaan. Ook ontkent de GI dat de gezinsvoogden niet in staat zijn kindgesprekken te voeren. Zij zijn daar juist voor opgeleid. Ook bij de GI vindt intern overleg plaats met gedragswetenschappers. Verder gaat de moeder in op de vraag of er sprake is of is geweest van intieme terreur/dwingende controle. Los van het feit dat het hof ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 19 maart 2026 heeft vastgesteld dat zij in het haar bekende dossier geen signalen ziet die daarop wijzen, staat deze discussie los van de vraag of de kinderen door de GI gezien kunnen worden.

4.3

De vader verzoekt de rechtbank de feiten te toetsen aan de hand van de objectieve stukken en de lopende rechterlijke uitspraken, zodat de focus blijft op het welzijn van de kinderen, het uitvoerbaar maken van de ondertoezichtstelling en het zo snel mogelijk herstellen van het contact tussen de kinderen en de vader. De moeder refereert aan (partner)geweld, huiselijk geweld en kindermishandeling. Dat daar sprake van zou zijn geweest betwist de vader. De rechter in eerste aanleg, het hof ‘s-Hertogenbosch en de betrokken hulpverleningsinstanties hebben geconstateerd dat hiervan geen sprake is (geweest). De vader ontkent dat er zorgen zijn rondom zijn opvoedsituatie en dat er sprake is van pedagogische onmacht. Het contact tussen de vader en de kinderen is zonder reden door de moeder verbroken. De vader heeft [minderjarige 1] meer dan anderhalf jaar niet gezien en [minderjarige 2] al acht maanden niet. Hij heeft niet eens een foto van de kinderen van de moeder ontvangen. Er ligt een heldere en concrete opdracht van de rechtbank om het contact te herstellen en de zorgregeling zo snel mogelijk te hervatten. Tot op heden heeft de moeder hieraan geen uitvoering gegeven. Sinds de contactbreuk is de situatie van de kinderen verslechterd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn direct na het stopzetten van het contact uitgevallen op school. De vader vraagt zich af wie er zicht heeft op de interactie tussen de kinderen en de moeder. Op de thuissituatie van de moeder en de kinderen is al anderhalf jaar geen zicht. In dat kader vraagt de vader zich ook af waar de specifieke angst van de kinderen voor de hulpverlening vandaan komt. De kinderen moeten in contact komen met de gezinsvoogden. De vader betwist dat er eerst een deskundigenonderzoek moet komen. Er liggen al stapels rapporten van professionals over de kinderen. De vader hoort bij [organisatie 1] en op school dat zij zich zorgen maken om [minderjarige 1] . [minderjarige 1] toont aanvankelijk weerstand, maar als zij eenmaal bij [organisatie 1] of op school aanwezig is bloeit ze op.

5De beoordeling

Voeging

5.1

Vanwege hun verknochtheid worden de zaken gevoegd behandeld en wordt in beide zaken één beschikking gegeven. 6

Formele aspecten beide procedures

5.2

In artikel 1:265k lid 2 BW is bepaald dat de GI die een verzoek indient of wordt opgeroepen om aanwezig te zijn bij een mondelinge behandeling, bij het verzoekschrift of onverwijld na de oproep het plan, bedoeld in artikel 4.1.3 lid 1 van de Jeugdwet, en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling aan de kinderrechter zendt. De kinderrechter stelt vast dat de GI heeft verzuimd gevolg te geven aan deze bepaling, zoals ook ter zitting is aangegeven. De kinderrechter benadrukt dat partijen zelf verantwoordelijk zijn voor het indienen van de benodigde stukken. Het is niet aan de kinderrechter om partijen daarop te wijzen. Voor zover het ontbreken van het plan de beoordeling van het standpunt van de GI bemoeilijkt, dienen de gevolgen hiervan voor rekening en risico van de GI te blijven.

De schriftelijke aanwijzing

5.3

Op grond van artikel 1:263 BW kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.

5.4

De GI heeft twee, materieel identieke, schriftelijke aanwijzingen gegeven, voor ieder kind afzonderlijk een. Ook heeft de GI twee verzoekschriften ingediend. Ter zitting heeft de GI benoemd dat dit alleen verband houdt met de inrichting van haar administratie. Om de leesbaarheid te bevorderen wordt in deze beschikking gesproken over “de schriftelijke aanwijzing” en “het verzoek van de GI”, waaronder de aanwijzingen en verzoeken ten aanzien van beide kinderen wordt verstaan.

Ontvankelijkheid van de moeder in haar verzoek tot vervallenverklaring

5.5

De gezaghebbende ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder kan op grond van artikel 1:264 BW de kinderrechter verzoeken de schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. De termijn voor het indienen van het verzoek bedraagt twee weken met ingang van de dag na die waarop de aanwijzing is verzonden of uitgereikt.

5.6

Het verzoek tot vervallenverklaring van de moeder is op 12 juni 2026 ontvangen door de rechtbank. Dit is binnen de termijn genoemd in artikel 1:264 BW, omdat de schriftelijke aanwijzing op 29 mei 2026 is uitgereikt. De moeder is dus ontvankelijk in haar verzoek.

Ontvankelijkheid van de GI in haar verzoek tot bekrachtiging

5.7

Op grond van artikel 1:263, derde lid, BW kan de GI verzoeken om een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Tevens kan zij verzoeken om een door de wet toegestaan dwangmiddel op te leggen. Ook de GI kan ontvangen worden in haar verzoek. Het spreekt overigens voor zich dat indien de schriftelijke aanwijzing vervallen wordt verklaard, bekrachtiging en het opleggen van een dwangmiddel niet meer aan de orde zijn, zoals de moeder ook heeft betoogd.

De bevoegdheid van de GI om een schriftelijke aanwijzing te geven

5.8

Naar het oordeel van de kinderrechter gaat het in de schriftelijke aanwijzing om de uitvoering van de taak van de GI. Immers bij beschikking van de rechtbank van 7 oktober 2025 zijn de kinderen, gelet op de ernstige bedreiging in hun ontwikkeling en de noodzaak van het inzetten van hulpverlening die in het vrijwillig kader niet van de grond komt, onder toezicht gesteld, waarbij de uitvoering daarvan in handen van de GI is gelegd. Het hebben van contact met de kinderen behoort tot de basale handelingen die een GI moet uitvoeren om een ondertoezichtstelling goed te kunnen uitvoeren. Het is de wettelijke taak van de GI om op basis van de ondertoezichtstelling regie te nemen, de ouders en de kinderen te zien en te spreken en op basis daarvan en overige door haar ingewonnen informatie, een plan van aanpak op te stellen waarin eventuele hulpverlening wordt beschreven om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen of te doen afnemen. De onderdelen van de schriftelijke aanwijzing zijn dan ook gericht op het doel om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen weg te nemen. De kinderrechter is om die reden van oordeel dat de GI bevoegd is de schriftelijke aanwijzing te geven. Dat er tussen de moeder en de GI discussie bestaat over de vraag of het voeren van gesprekken tussen de GI en de kinderen in het belang van de kinderen is, staat los van de vraag of de GI bevoegd is de schriftelijke aanwijzing te geven. Deze discussie komt aan bod bij de inhoudelijke boordeling.

De aanwending van de bevoegdheid door de GI

5.9

Een schriftelijke aanwijzing is een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. De kinderrechter toetst dan of de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig en onder afweging van alle betrokken belangen tot stand is gekomen en toereikend is gemotiveerd. Bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven komt de GI een zekere beleidsvrijheid toe. Dit betekent dat de kinderrechter, gegeven de taak van de GI, beoordeelt of in de gegeven omstandigheden voldoende grond bestaat om een schriftelijke aanwijzing te geven. Ook beoordeelt de kinderrechter of het in het belang van een minderjarige is om de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Bij die beoordeling gaat de kinderrechter uit van de feiten en omstandigheden zoals die op dit moment zijn.

5.10

De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende toereikend is gemotiveerd. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de GI de moeder tijdig ervan op de hoogte heeft gesteld dat van de moeder wordt verwacht dat zij de GI in staat stelt om met de kinderen te praten. De GI stelt dat zij in de vooraankondiging van een schriftelijke aanwijzing van november 2025 al heeft vermeld dat een gesprek met de kinderen dient plaats te vinden. Dat heeft de moeder niet betwist. Ook in het vervolg werkte de moeder volgens de GI onvoldoende mee aan het faciliteren van contact tussen de gezinsvoogden en de kinderen, zodat de GI de moeder op 1 mei 2026 opnieuw heeft aangekondigd de kinderen te willen spreken. Ook dat heeft de moeder niet betwist. De moeder heeft de gelegenheid gekregen om vóór 11 mei 2026 haar mening met betrekking tot de vooraankondiging kenbaar te maken. Daarvan heeft de moeder gebruik gemaakt door op 11 mei 2026 een zienswijze in te dienen. Op het moment dat de moeder de schriftelijke aanwijzing van de GI ontving op 29 mei 2026 was de inhoud van de schriftelijke aanwijzing dan ook voldoende duidelijk voor de moeder. De verplichting van de moeder om een gesprek tussen de GI en de kinderen te faciliteren is voldoende duidelijk omschreven. Dat de moeder het niet eens is met de wijze waarop de GI is ingegaan op de zienswijze van de moeder, namelijk door niet puntsgewijs in te gaan op haar argumenten, maar een meer generieke conclusie te trekken en een schriftelijke aanwijzing te geven, maakt niet dat de schriftelijke aanwijzing niet op een zorgvuldige manier tot stand is gekomen. Het is voldoende duidelijk dat de GI kennis heeft genomen van de zienswijze van de moeder en die heeft betrokken in haar afwegingen, maar door de argumenten van de moeder niet overtuigd is geraakt.

5.11

De kinderrechter zal hieronder ingaan op de inhoudelijke beoordeling en de vraag of de schriftelijke aanwijzing onder voldoende afweging van alle betrokken belangen tot stand is gekomen. Daarbij zal de kinderrechter een aantal algemene opmerkingen maken.

De kernvraag

5.12

De kernvraag in deze zaak is of al op voorhand moet worden geconcludeerd dat er bij de kinderen sprake is van dusdanige psychische gesteldheid dat terughoudend moet worden omgegaan met contact met of nabijheid van de GI, omdat dit voor hen te belastend zou zijn. Daarbij dient betrokken te worden het belang van de GI om zich een eigen beeld te vormen over de ontwikkeling(sbedreiging) van de kinderen. Ter beantwoording van deze vraag zal de kinderrechter hieronder ingaan op de door partijen aangehaalde stellingen en argumenten.

De benaming van de opstelling van de moeder

5.13

De moeder maakt zich zorgen, gelet op de uitleg die de GI, de Raad of de rechtbank aan bepaalde woorden geven. Zo verwijst zij naar de kwalificatie van de moeder als “weigerende ouder”, terwijl het bezwaar van de moeder niet ziet op het bestaan van contact tussen de kinderen en de GI als zodanig, maar de wijze, timing, setting en professionele onderbouwing daarvan. Ze heeft het contact tussen de kinderen en de GI niet geweigerd. Ze heeft haar medewerking steeds aangeboden, onder de voorwaarden dat het contact is afgestemd op de belastbaarheid van de kinderen en therapeutisch is ingebed. Nu dit wordt verzwegen wordt het beeld gecreëerd dat de moeder non-coöperatief is, terwijl dat onjuist is. De moeder stelt dat rechterlijke beslissingen in kinderbeschermingszaken in hoge mate afhankelijk zijn van de informatie en kwalificaties die door de GI en de Raad worden aangeleverd. Nu deze kwalificaties volgens de moeder niet op feiten berusten, maar op interpretaties, bestaat het risico dat rechterlijke oordelen worden gebouwd op een ondeugdelijke grondslag. Zo vond het hof ’s-Hertogenbosch in zijn beschikking van 19 maart 2026 bewijs in de zogenaamde non-coöperatieve houding van de moeder, dat zij de GI niet zou hebben toegelaten bij een schoolbespreking zoals de GI had gezegd, terwijl is gebleken dat de GI daar wel aan heeft deelgenomen. Dit oordeel van het hof werkt door in het kort geding vonnis van 26 mei 2026, waarin de non-coöperatieve houding van de moeder wordt genoemd, terwijl een feitelijke onderbouwing voor dat oordeel volgens de moeder ontbreekt.

5.14

De kinderrechter ziet dat de moeder sterk stilstaat bij de feitelijke uitleg die aan bepaalde woorden wordt gegeven. De moeder lijkt ervan te zijn overtuigd dat er daardoor een vertekend beeld is ontstaan van de moeder en haar handels- en denkwijze. De kinderrechter stelt voorop dat hij ziet dat ook de moeder, net als de GI en de vader, het enorm belangrijk vindt dat de kinderen hulpverlening krijgen. Dat is dan ook een gemeenschappelijk doel van de GI en de ouders. De kinderrechter denkt dan ook niet zozeer dat de moeder hulp categorisch weigert, maar constateert wel dat de moeder niet meewerkt aan hulp die niet past in haar beeld van de situatie van de kinderen. Zij is niet in algemene zin weigerachtig, maar aan de andere kant werkt de moeder ook niet mee, mogelijk omdat zij zo vasthoudt aan haar eigen overtuigingen dat het voor haar moeilijk is om zich een situatie voor te stellen waarin het anders is en zich daar ook voor open te stellen. Dit is onder andere ook geconstateerd door het hof ’s-Hertogenbosch in de beschikking van 19 maart 2026 en in de beschikking van de meervoudige kamer van 7 oktober 2025. De kinderrechter verwijst naar deze uitspraken, omdat blijkt dat verschillende rechters afzonderlijk tot dit beeld zijn gekomen. Er moet niet te gemakkelijk naar termen als “bias, framing en manifestaties” worden gegrepen, als een ander het niet met je eens is. Een rechter gebruikt bij het vormen van een oordeel de informatie die door alle partijen wordt aangedragen. Aan iedere partij wordt de mogelijkheid geboden die informatie aan te dragen en de informatie van een ander te bespreken. De moeder heeft dat ook gedaan. De kinderrechter is zich terdege bewust van de verplichting alle standpunten objectief te onderzoeken. Daarbij richt de kinderrechter zich niet op de woorden waarmee partijen elkaar beschrijven, maar op de daden die met die woorden worden beschreven.

De belangen van de kinderen

5.15

De moeder vindt dat de belangen van de kinderen uit het oog worden verloren. Zij verwijst naar het recht van de kinderen om vrij van geweld op te groeien.

De moeder blijft, ook in haar schriftelijke reacties in deze procedure, terugkomen op haar beleving dat er in de relatie met de vader dwingende controle/intieme terreur of geweld heeft plaatsgevonden. Bij beschikking van 7 oktober 2025 is in het kader van de ondertoezichtstelling overwogen dat de visies en belevingen van beide ouders over gebeurtenissen uit het verleden lijnrecht tegenover elkaar staan. De moeder is ervan overtuigd dat er sprake is (geweest) van dwingende controle vanuit de vader richting de moeder en de kinderen en dat vanuit die optiek hulpverlening moet worden ingezet. De rechtbank kan, net als de Raad, niet vaststellen of hiervan wel of geen sprake is geweest. De opvattingen van de ouders hierover liggen ver uit elkaar. De moeder heeft een heel sterke opvatting over wat er aan de hand is, terwijl de vader een even sterke andere opvatting heeft. Dat de problematiek bij de kinderen (enkel) zou voortkomen uit hun ervaringen met de vader is niet gebleken en daarvoor zijn ook geen sterke aanwijzingen.

Ook verwijst de moeder in haar argumentatie vaak naar de term “pedagogische onmacht van de vader” die ook in de beschikking van de meervoudige kamer is genoemd. In die procedure is duidelijk geworden dat de vader zich op sommige momenten pedagogisch onmachtig heeft gevoeld. Dat maakt echter niet dat de vader in zijn geheel als “pedagogisch onmachtig” moet worden gekwalificeerd. Voordat ook maar gedacht kan worden aan het trekken van die conclusie, dient er eerst meer zicht te komen op de pedagogische vaardigheden van de vader. Dat is ook benoemd in die beschikking. Dat is nu niet mogelijk, omdat er geen contact is met de kinderen. Natuurlijk zal iedere vorm van pedagogisch onmachtig handelen impact op de kinderen (en de moeder) hebben gehad, maar het is de vraag in welke mate. Er zijn voor de kinderrechter onvoldoende concrete aanwijzingen om nu al te concluderen dat er ten gevolge van het handelen van de vader sprake is van een trauma, daarvoor is te veel onduidelijk. Er lijkt in ieder geval ook sprake te zijn van kindeigen problematiek, zoals mogelijke hoogbegaafdheid bij beide kinderen en er is wellicht ook sprake van hechtingsproblematiek. Daarnaast spelen de spanningen tussen de ouders en de moeder en de GI mogelijk een rol. Wat er speelt bij de kinderen zou nader onderzocht moeten worden, maar een dergelijk onderzoek zou normaal gesproken moeten beginnen met contact tussen de kinderen en de GI, waarin de zorgen van de moeder zorgvuldig zullen worden meegenomen.

5.16

De moeder heeft documentatie overgelegd waaruit volgt hoe belangrijk het is om bij getraumatiseerde kinderen traumasensitief te handelen. Zij heeft vraagtekens gesteld bij hoe de GI daar uitvoering aan geeft. De moeder heeft daarbij een vergelijking gemaakt met het optreden van de raadsmedewerkers. De kinderrechter wijst op het onderscheid in handels- en uitvoeringswijze van de Raad en de GI. Daar waar de Raad moet onderzoeken of er een probleem is, is het de taak van de GI om dit probleem nader te duiden, en te helpen oplossen. Daarmee wordt van de GI gevraagd om verder te gaan nadat door de Raad is vastgesteld dat er een probleem is, omdat ook gekeken moet worden welk specifiek probleem er speelt en welke hulpverlening geïndiceerd is. In de regel is een eigen contact van de GI met de kinderen daarbij essentieel.

5.17

De moeder verwijst in dit kader ook naar artikel 3 IVRK, het recht van het kind als primaire afweging, en artikel 12 IVRK, het recht van het kind om gehoord te worden. Ook de kinderrechter acht het in het belang van de kinderen dat zij hun rechten kunnen effectueren, dat zij worden gehoord en dat zij hun mening en visie aan hulpverlening kenbaar kunnen maken. Dit recht strekt natuurlijk niet zo ver dat kinderen er vrijelijk voor mogen kiezen niet betrokken te worden bij hulpverlening die noodzakelijk is om hen tot ontwikkeling te laten komen. Alle betrokken zijn het erover eens dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dringend hulp nodig hebben. Om te bepalen welke hulp nodig is, zal een goed beeld van de kinderen verkregen moeten worden. De moeder beroept zich er – onder andere – op dat er niet is voldaan aan de processuele waarborgen van artikel 8 EVRM. Het faciliteren van rechtstreeks contact tussen de GI en de kinderen kan er juist aan bijdragen dat wordt voldaan aan de waarborgen van artikel 8 EVRM. De kinderen hebben er immers recht op dat er zo snel mogelijk zicht komt op wat er speelt, zodat passende hulp kan worden ingezet en zij weer aan hun ontwikkeltaken toe kunnen komen.

Materiële aspecten ten aanzien van het verzoek van de moeder tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur

5.18

De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing voldoet aan de eisen die de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaraan stellen.

5.19

Er is geen sprake van een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek. Op de kwalificatie van de moeder als “weigerend” is reeds ingegaan onder 5.13 en 5.14. De moeder stelt verder dat de schriftelijke aanwijzing niet zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat er onvoldoende rekening is gehouden met de psychische toestand van [minderjarige 1] . Zoals onder 5.15 overwogen is kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat sprake is van een trauma bij de kinderen. De GI kan in de motivering van de schriftelijk aanwijzing dan ook niet zo maar uitgaan van een bepaalde psychische toestand van [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ). Om een beeld te krijgen van de psychische toestand van [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) is juist contact tussen de GI en de kinderen nodig. Zodoende kan de GI op dit moment in de schriftelijke aanwijzing nog geen stelling innemen over het zorgbeeld van beide kinderen. Verder concludeert de kinderrechter dat niet is gebleken dat de GI bij haar werkzaamheden de zorg van een goede hulpverlener niet in acht neemt of niet handelt in overeenstemming met de op haar rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die hulpverlener geldende professionele standaard. Aan het argument van de moeder dat de GI niet handelt in lijn met de professionele standaarden en richtlijnen in de zin van artikel 4.1.1. lid 3 Jeugdwet gaat de kinderrechter dan ook voorbij. Het is de kinderrechter verder niet gebleken dat de GI bij de schriftelijke aanwijzing de belangen van het kind onvoldoende heeft meegewogen. De GI geeft een duidelijke en volledige omschrijving van de inhoud van de schriftelijke aanwijzing en de reden waarom zij een gesprek met de kinderen belangrijk vindt. Daarbij houdt de GI ook rekening met de zorgen van de moeder, door het contact met de kinderen zorgvuldig en opbouwend te laten plaatsvinden. Zo zou de GI eerst in de woning van de moeder aanwezig willen zijn, in nabijheid van de kinderen, zonder dat er direct een gesprek tussen de GI en de kinderen dient plaats te vinden.

5.20

Ook van een evenredigheidsrisico of een door de GI verkeerd aanwenden van haar bevoegdheid is niet gebleken. De verplichting tot medewerking van de moeder aan te plannen vervolgbezoeken overschrijdt niet de grenzen van de aanwijzingsbevoegdheid van de GI, omdat de moeder in het kader van de ondertoezichtstelling algemeen verplicht is tot medewerking aan de door de GI noodzakelijk geachte hulpverlening en een duurzame samenwerking met de GI. Bovendien ziet de inhoud van de schriftelijke aanwijzing op een deugdelijke opbouw van de contacten met de kinderen voor zover de GI die noodzakelijk acht, zodat er geen sprake is van een ruime, niet ingevulde, verplichting tot medewerking aan willekeurig te plannen vervolgbezoeken.

Inhoudelijke beoordeling verzoek vervallenverklaring

5.21

Nu de schriftelijke aanwijzing voldoet aan de formele en materiële vereisten, komt de kinderrechter toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot vervallenverklaring. De kinderrechter zal concluderen tot afwijzing van het verzoek van de moeder tot vervallenverklaring, en legt hierna uit waarom hij tot die conclusie komt.

5.22

Met inachtneming van de kernvraag zoals onder 5.12 is omschreven, komt de kinderrechter niet tot de conclusie dat er aan de voorkant kan worden vastgesteld dat er bij de kinderen sprake is van zodanige psychische gesteldheid dat contact met de gezinsvoogden voor hen te belastend zou zijn. De kinderrechter sluit niet uit dat de kinderen mogelijk getraumatiseerd zijn. Het is momenteel niet de vraag of de kinderen een probleem hebben, maar welk probleem en hoe zij hiermee geholpen kunnen worden. Dit dient nader te worden onderzocht en daar zijn alle partijen het over eens. Partijen zijn het oneens over de route die bewandeld dient te worden om te komen tot deze passende hulpverlening. De moeder heeft daartoe gesteld dat de kinderen dusdanig slecht in hun vel zitten dat eigenlijk elk contact met hulpverleners (gerelateerd aan de GI of de rechtbank) op dit moment te belastend is voor de kinderen. De kinderrechter vindt het noodzakelijk dat de GI zelf een beeld krijgt van de gesteldheid van de kinderen. De kinderrechter sluit niet uit dat de gezinsvoogd op enig moment beslist dat er nader onderzoek nodig is naar wat er precies speelt bij de kinderen en hoe zij het beste geholpen kunnen worden. Echter, voordat de GI tot een dergelijk nader onderzoek kan beslissen, is het van belang dat de GI zelf voldoende zicht krijgt op wat er speelt bij de kinderen. Daar hoort ook bij dat de gezinsvoogden contact kunnen hebben met de kinderen en dat de kinderen via hen in de gelegenheid worden gesteld hun eigen visie en mening kenbaar te maken. De kinderrechter twijfelt daarbij niet aan de professionaliteit van de GI bij het voeren van dit soort gesprekken, nu de gezinsvoogden juist zijn opgeleid in het voeren van kindgesprekken en het zorgvuldig laten verlopen van deze eerste contactmomenten. Dat dit contact tussen de GI en de kinderen op de manier waarop de GI dit in de schriftelijke aanwijzing vermeldt, namelijk een gesprek met de moeder in aanwezigheid van de kinderen, al dan niet gevolgd door een gesprek met de kinderen, voor de kinderen op dit moment te belastend zou zijn, is de kinderrechter niet gebleken. Uit de opstelling van de GI blijkt immers juist dat zij dit contact met de nodige zorgvuldigheid en voorzichtigheid wil aanpakken. Het is aan de professionaliteit van de medewerkers van de GI om te zorgen dat de belangen van het kind gewaarborgd blijven. Daarbij zal de GI ongetwijfeld ook oog hebben voor de angsten van de kinderen voor specifieke hulpverleners en hopelijk ook kunnen laten ziet dat deze angsten niet gerechtvaardigd zijn. Het mag in dat kader van de moeder verwacht worden dat zij het gesprek met de gezinsvoogden op een manier voert dat de kinderen door haar houding niet belast worden. Dat de gezinsvoogden in een dergelijke setting niet in staat zouden zijn voldoende in het belang van de kinderen te handelen is de kinderrechter niet gebleken.

5.23

Zoals gesteld hebben alle partijen een gezamenlijk doel: namelijk de inzet van passende hulpverlening voor de kinderen. De wijze waarop de GI beschrijft hoe het contact met de kinderen tot stand moet komen, is minder verstrekkend dan de moeder voor ogen heeft. De moeder benoemt dat er sprake zal zijn van ‘repeated interviewing’ en dat de GI onvoldoende rekening houdt met de problematiek en de kwetsbaarheden van de kinderen. Daarvan is de kinderrechter niet gebleken, te meer nu de GI in de schriftelijke aanwijzing een zorgvuldige aanpak hanteert omtrent het aangaan van gesprekken met de kinderen. De eerste stap zal zijn dat de GI samen met de kinderen in een ruimte verblijft. De GI zal vervolgens bezien of een gesprek met de kinderen mogelijk is en vervolgens of verdere gesprekken noodzakelijk zijn. Zonder een eerste contact met het kind, in de vorm van nabijheid van de kinderen, is een dergelijke afweging niet mogelijk.

5.24

Ter zitting heeft de vader de situatie mooi geïllustreerd door te zeggen dat hij niet weet of er iets aan de hand is met de kinderen, omdat hij lang geen contact meer met hen heeft gehad. Hij kan nu alleen een conclusie trekken op basis van papieren. Dat is voor de GI niet anders. Momenteel neemt de moeder eenzijdige beslissingen over wat er in het belang van de kinderen zou zijn, ook ten aanzien van het contact met de gezinsvoogden. Daarmee zet ze de vader, die gezamenlijk met haar het gezag uitoefent, buiten spel. Dat vindt de kinderrechter niet wenselijk. Ter zitting is ook gebleken dat de vader de afgelopen maanden geen informatie of foto’s van de kinderen heeft ontvangen. De moeder heeft ter zitting toegezegd de vader foto’s van de kinderen te willen sturen als deze niet worden gebruikt ter bevestiging dat het goed zou gaan met de kinderen. De kinderrechter vindt het in het belang van de kinderen dat de vader informatie over hen en foto’s van hen ontvangt, zodat hij zicht krijgt op hun ontwikkeling. De GI dient met de moeder op te pakken hoe de informatievoorziening naar de vader beter kan verlopen.

5.25

De kinderrechter wil benadrukken dat hij ziet dat de moeder oprechte zorgen over de kinderen heeft en neemt deze zorgen ook serieus. Om de zorgen over de kinderen beter in kaart te brengen en passende hulpverlening voor de kinderen in te zetten, acht de kinderrechter het juist nodig dat de kinderen in contact komen met de GI. Alleen op die manier kan de GI bepalen welke hulp nodig is. De kinderrechter begrijpt in deze situatie dat de beslissing voor de moeder lastig kan zijn, maar het is in het belang van de kinderen dat de moeder meewerkt aan de totstandkoming van een eerste contactmoment tussen de GI en de kinderen. De kinderrechter ziet in hetgeen de moeder naar voren heeft gebracht geen aanleiding om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren.

Deskundigenonderzoek

5.26

De moeder heeft om een deskundigenonderzoek verzocht, voor zover hetgeen zij verder heeft aangevoerd al niet tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing moet leiden. De moeder meent dat een deskundigenonderzoek zoals zij dat voorstelt kan bijdragen tot de oplossing van het geschil. Zij heeft bemerkt dat de visie van de GI en de ouders over de problemen van de kinderen en de aanpak daarvan wezenlijk van elkaar verschilt. Deskundigen zouden door middel van het door haar voorgestane onderzoek hier meer duidelijkheid in kunnen brengen.

5.27

De moeder stelt primair dat een verzoek tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing kwalificeert als een zaak betreffende de ondertoezichtstelling in de zin van artikel 810a lid 2 Rv, omdat zonder een ondertoezichtstelling de schriftelijke aanwijzing niet door de GI gegeven kan worden. Zij wijst erop dat in de rechtspraak ook verzoeken betreffende een machtiging tot uithuisplaatsing onder het toepassingsbereik van dit artikel zijn geschaard. De kinderrechter is het op dit punt niet met de moeder eens. Artikel 810a lid 2 Rv beoogt een ‘equality of arms’ te waarborgen. Een ouder heeft op grond van deze bepaling de mogelijkheid om een door de rechter, in overleg met de ouder, te benoemen deskundige de visie van de Raad of de GI over de gronden voor en noodzaak van het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel tegen het licht te laten houden. Het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel vormt een diepe ingreep in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven. Dat is naar het oordeel van de kinderrechter niet vergelijkbaar met de bevoegdheid van de GI om een schriftelijke aanwijzing te geven. Dat is een uitvoeringshandeling, waartoe de GI alleen kan overgaan nadat al is geoordeeld dat er voldoende grond en noodzaak is geweest voor het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel. Tegen deze uitvoeringshandeling biedt de wet rechtsbescherming door middel van een specifieke rechtsgang, die niet valt onder het bereik van artikel 810a lid 2 Rv. Er rust dan ook geen verplichting op de kinderrechter om gelet op het verzoek van de moeder een deskundige te benoemen.

5.28

Subsidiair wijst de moeder op de algemene en discretionaire bevoegdheid van de kinderrechter op grond van artikel 186 lid 1 Rv om een deskundigenonderzoek te gelasten wanneer dat dienstig kan zijn aan de beoordeling van het geschil. De kinderrechter kan zich voorstellen dat het wenselijk is dat deskundigen meer zicht gaan krijgen op de problematiek van de kinderen, zodat ook duidelijk wordt wat nodig is om de kinderen goed te helpen. Dat hoeven niet door de rechter te benoemen deskundigen te zijn, idealiter trekken de GI en de ouders hier samen in op. Echter zover zijn we nog niet. In deze procedure gaat het niet over diagnostiek en behandeling. Het gaat alleen over de vraag of de GI op dit moment de eis mag stellen om zelf in contact te komen met kinderen. Voor de moeder lijkt duidelijk dat elke vorm van contact (verder) traumatiserend kan zijn, maar zoals hiervoor is overwogen ziet de kinderrechter, zeker gelet op de laagdrempelige wijze waarop de GI wil beginnen met het leggen van contact, daarvoor geen aanwijzing. Het belang van de kinderen verzet zich ertegen dat eerst nog moet worden gewacht totdat deskundigen zich hebben uitgelaten over de vraag of de aannames van de moeder juist zijn. De kinderrechter acht het juist in het belang van de kinderen dat de GI zo snel mogelijk een beter eigen beeld kan vormen van wat er bij hen speelt. De kinderrechter acht een deskundigenonderzoek in dit stadium dan ook niet dienstig voor de beoordeling van dit geschil. De rechtbank heeft geoordeeld dat er grond en noodzaak was voor een ondertoezichtstelling, een gezagsbeperkende maatregel, en heeft de GI met de uitvoering daarvan belast. Het is hoog tijd dat de GI ook voldoende kan toekomen aan de uitvoering van haar taak.

Materiële aspecten ten aanzien van het verzoek tot bekrachtiging van de GI

Twee separate verzoekschriften van de GI tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing

5.29

De moeder stelt – kort gezegd – dat de GI niet-ontvankelijk is, omdat de GI twee separate verzoekschriften tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing heeft ingediend: één voor [minderjarige 1] , en één voor [minderjarige 2] . De moeder stelt dat een toereikende grondslag ontbreekt, omdat de aanwijzing zelf geen aanknopingspunt biedt voor een indeling per kind. De verzoeken ontlenen hun grondslag namelijk niet aan de aanwijzing, maar aan een eigen, niet nader gemotiveerde keuze van de GI om één materieel verwijt in twee separate verzoeken onder te brengen.

5.30

De kinderrechter gaat niet mee in deze stelling van de moeder. De GI heeft ter zitting toegelicht dat alleen vanwege administratieve redenen twee dossiers worden aangehouden, zodat de kinderrechter begrijpt dat het feitelijk gaat om één aanwijzing die is gericht op beide kinderen. Dat maakt ook dat hoewel er formeel sprake is van twee verschillende aanwijzingen er materieel sprake is van één aanwijzing die is gericht op beide kinderen. Nu de inhoud van de aanwijzingen gelijk is, afgezien van de namen van de kinderen, heeft de moeder dat naar het oordeel van de kinderrechter ook zo kunnen begrijpen.

Inhoudelijke beoordeling

5.31

Voor de beoordeling van de bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing, verwijst de rechtbank naar de beoordeling en overwegingen van de vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing, met als conclusie dat de kinderrechter het noodzakelijk acht dat de GI in staat wordt gesteld de handelingen zoals omschreven in de schriftelijke aanwijzing uit te voeren. Dit is noodzakelijk om een beeld te krijgen van de ontwikkeling(sbedreiging) van de kinderen en de passende hulpverlening in te zetten. Het is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van dusdanige concrete aanwijzingen dat op grond daarvan op voorhand kan worden gesteld dat de kinderen niet in staat zijn tot contact met de GI. Ook is door de GI de nodige zorgvuldigheid meewogen in het faciliteren van contact met de kinderen.

5.32

Volledigheidshalve merkt de kinderrechter op dat de datum voor het faciliteren van een gesprek met de kinderen die in de schriftelijke aanwijzing is genoemd, namelijk 11 juni 2026, inmiddels is verstreken. Dat maakt dat de schriftelijke aanwijzing op dit punt niet meer uit te voeren is. Echter in de schriftelijke aanwijzing gaat het ook over noodzakelijk geachte vervolggesprekken. Van de moeder wordt op goede gronden verlangd daaraan mee te werken. De kinderrechter zal daarom de schriftelijke aanwijzing bekrachtigen.

Dwangsom

5.33

Hiervoor heeft de kinderrechter overwogen dat de schriftelijke aanwijzing op goede gronden is gegeven en dat er geen aanleiding is deze vervallen te verklaren. Ook heeft de kinderrechter geoordeeld dat de schriftelijke aanwijzing zal worden bekrachtigd.

5.34

De GI heeft verder verzocht een dwangmiddel toe te passen om te bevorderen dat de moeder de op haar rustende verplichtingen op grond van de schriftelijke aanwijzing nakomt. De GI verzoekt een dwangsom te bepalen ter hoogte van € 500,- voor iedere dag dat de moeder de aanwijzing niet opvolgt.

5.35

In de schriftelijke aanwijzing had de GI een dergelijk verzoek al aangekondigd, door de moeder erop te wijzen dat de GI kon verzoeken een door de wet toegelaten dwangmiddel (dwangsom of lijfsdwang) op te leggen en dat zij het voornemen had om aan de kinderrechter te verzoeken een dwangsom op te leggen van € 1.000,- per keer dat de moeder de schriftelijke aanwijzing niet nakomt. Voor zover de moeder zich erop beroept dat zij door deze aankondiging op het verkeerde been is gezet over de hoogte van de dwangsom, gaat de kinderrechter daaraan voorbij. De kinderrechter toetst het voorliggende verzoek, niet de aankondiging daarvan.

5.36

De moeder is het inhoudelijk niet eens met de verzochte dwangsom. Zij stelt dat het niet juist is dat de GI, zonder motivering, per kind een dwangsom verzoekt. Hiervoor heeft de kinderrechter al overwogen dat het feit dat per kind een afzonderlijke schriftelijke aanwijzing is gegeven en een afzonderlijk verzoek is ingediend volgens de GI alleen verband houdt met de inrichting van haar administratie. Er is niet gemotiveerd betoogd waarom een dwangsom per kind zou moeten worden opgelegd. De kinderrechter begrijpt de verzoeken dan ook zo, dat verzocht wordt een dwangsom op te leggen voor iedere dag dat de moeder de aanwijzing ten aanzien van de kinderen niet opvolgt. Naar het oordeel van de kinderrechter heeft de moeder het verzoek, na de toelichting door de GI, zo ook kunnen begrijpen. De kinderrechter betrekt daarbij tevens dat dit niet een verderstrekkend, maar juist een minder verstrekkende uitleg van het verzoek is, dan de uitleg die de moeder hier in eerste instantie aan heeft gegeven.

5.37

Uit de schriftelijke aanwijzingen is ook voldoende duidelijk welke verplichting op de moeder rust en die zij zou moeten nakomen. De moeder dient het mogelijk te maken dat de gezinsvoogden op de door hen aangekondigde momenten zelf en op een door hen te bepalen wijze contact kunnen hebben met de kinderen. De GI heeft daartoe nader gesteld dat, indien de GI dat noodzakelijk acht, de moeder een gesprek met beide gezinsvoogden dient te voeren, waarbij zij ervoor dient te zorgen dat de kinderen in dezelfde ruimte aanwezig zijn, zodat de gezinsvoogden indien zij dat naar hun inschatting wenselijk en mogelijk achten ook een gesprek met de kinderen kunnen voeren.

5.38

Ook is gebleken dat de moeder het nog steeds niet eens is met de aan haar opgelegde verplichting om contacten tussen de kinderen en de gezinsvoogden mogelijk te maken. Zij heeft immers verzocht de daarover gegeven schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en ook in deze procedure heeft zij er geen blijk van gegeven zich neer te willen leggen bij een rechterlijk oordeel over de schriftelijke aanwijzing dat afwijkt van haar eigen mening. De kinderrechter stelt dan ook vast dat de moeder niet voornemens is vrijwillig na te komen. Een prikkel tot nakoming acht de kinderrechter daarom aangewezen. De kinderrechter heeft al overwogen dat het contact met de kinderen juist in het belang van de kinderen wordt geacht, zodat het belang van de kinderen zich ook niet verzet tegen het opleggen van een dwangmiddel.

5.39

De moeder stelt nog dat onvoldoende duidelijk is wanneer en over welke periode zij een dwangsom verschuldigd zou zijn, omdat zij niet bepaalt wanneer de gezinsvoogden gesprekken willen voeren. De kinderrechter begrijpt het verzoek zo, dat is verzocht om een dwangsom op te leggen voor iedere dag waarop de gezinsvoogden een dergelijk thuisbezoek hebben gepland en de moeder haar verplichtingen niet nakomt. Dat vindt de kinderrechter ook voldoende bepaalbaar.

5.40

Gesteld noch gebleken is dat de hoogte van de verzochte dwangsom bovenmatig of niet passend is, gelet op de financiële positie van de moeder.

5.41

Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter voor alle duidelijkheid beslissen op de wijze als in het dictum is bepaald. Daarbij zal de kinderrechter ook een maximum bepalen van te verbeuren dwangsommen. Indien de moeder na 50 dagen nog steeds niet nakomt, moet geconcludeerd worden dat de hierbij op te leggen dwangsom geen probaat middel is om nakoming te bevorderen.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.42

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Tegen deze beslissing staat geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet 7, zodat deze beslissing van rechtswege onmiddellijk geldt. Het verzoek om een uitvoerbaar bij voorraad verklaring wordt daarom afgewezen.

6De beslissing

De kinderrechter:

C/03/353247 / JE RK 26-1058

6.1

wijst de verzoeken af;

C/03/354061 / JE RK 26/1235 en C/03/354062 / JE RK 26-1236

6.2

bekrachtigt de schriftelijke aanwijzingen van 29 mei 2026;

6.3

bepaalt dat de moeder aan de GI een dwangsom dient te betalen van € 500,- per dag waarop de moeder niet voldoet aan de conform de schriftelijke aanwijzingen op haar rustende verplichtingen, in die zin dat de moeder het niet mogelijk heeft gemaakt dat op die dag de gezinsvoogden tijdens een aangekondigd moment zelf en op een door hen te bepalen wijze contact kunnen hebben met de kinderen, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 25.000,-;

6.4

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bregonje, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026, in aanwezigheid van mr. Jacobs als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.

1

Artikel 3:46 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb).

2

Artikel 3:2 Awb.

3

Artikel 3:9 Awb.

4

Artikel 3:3 Awb.

5

Artikel 3:4 lid 2 Awb.

6

Op grond van artikel 285 RV.

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733