Terug naar de uitspraak

Rechtbank Gelderland 24-07-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6411

Datum publicatie18-08-2026
ZaaknummerC/05/463319 / FA RK 26-631
RechtsgebiedenCiviel recht; Personen- en familierecht
TrefwoordenKinderen. Alimentatie. Familieprocesrecht. Prejudiciële vragen
Wetsverwijzingen

Inhoudsindicatie

Zelfstandig verzoek wijziging zorgregeling in procedure over kinder- en partneralimentatie. Verweer dat het zelfstandig verzoek gaat over een ander onderwerp dan het verzoek (artikel 282 lid 4 Rv) . De rechtbank stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de uitleg van het ‘connexiteitsvereiste’.

Volledige uitspraak


beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Familie- en jeugdrecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/463319 / FA RK 26-631

Datum uitspraak: 24 juli 2026

beschikking alimentatie en zorgregeling

in de zaak van

[naam man] (nader te noemen: de man),

wonend in [woonplaats] ,

advocaat mr. W.P.G.M. Schellens-Stoks uit Nijmegen,

tegen

[naam vrouw] (nader te noemen: de vrouw),

verblijvend op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. M. Koudstaal uit Bloemendaal.

1De procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het verzoekschrift van de man met producties, binnengekomen op 16 februari 2026;

  • het verweerschrift van de vrouw met zelfstandig verzoek en producties, binnengekomen op 13 maart 2026;

  • het verweerschrift van de man op het zelfstandige verzoek van de vrouw, binnengekomen op 8 april 2026;

  • het F9-formulier van de vrouw met producties, binnengekomen op 15 mei 2026;

  • het F9-formulier van de man met producties, binnengekomen op 18 mei 2026;

  • het F9-formulier van de vrouw met productie, binnengekomen op 20 mei 2026;

  • de pleitnota van de man, ter zitting overgelegd;

  • de pleitnota van de vrouw, ter zitting overgelegd;

  • het F9-formulier van de vrouw met producties, na de zitting binnengekomen op 4 juni 2026;

  • het F9-formulier van de vrouw met een brief met reactie op de concept prejudiciële vragen;

  • reactie op de prejudiciële vragen van mr. Koudstaal van 25 juni 2026;

1.2.

De zaak is besproken op de zitting van 29 mei 2026. Daarbij waren aanwezig beide partijen, bijgestaan door hun advocaten.

1.3.

Bij (tussen)beschikking van deze rechtbank van 11 maart 2026 is het verzoek van de man om een provisionele voorziening te treffen afgewezen.

2Feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is op 28 oktober 2020 ontbonden door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (gemeente).

2.2.

Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:

  • [kind 1] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;

  • [kind 2] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ;

  • [kind 3] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .

2.3.

Op 9 september 2020 heeft de rechtbank voor zover relevant beslist dat de man een bedrag van € 430 per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen en daarnaast een bedrag van € 1.945 bruto per maand aan partneralimentatie. Ook is een zorgregeling vastgesteld, waarbij de kinderen bij de man verblijven:

  • één keer per veertien dagen van vrijdagmiddag 17.30 uur tot zondagmiddag 16.00 uur (in de oneven weekenden);

  • in de vakanties in de even jaren:

o de vakanties langer dan een week, de eerste helft;

o de vakantie van een week, de eerste helft, overdracht op woensdag;

o de zomervakantie, de eerste drie weken;

- en in de oneven jaren:

o de vakanties langer dan een week, de tweede helft;

o de vakantie van een week, de tweede helft, overdracht op woensdag;

o de zomervakantie, de eerste drie weken,

waarbij de vrouw de kinderen brengt naar de man en de man de kinderen terugbrengt naar de vrouw op de parkeerplaats bij de Kruidvat ( [adres] ), een en ander onder regie van de gezinsvoogd conform rechtsoverwegingen 3.15, 3.18, 3.20 en 3.24.

2.4.

Beide partijen zijn hiertegen in hoger beroep gegaan. Op 22 juni 2021 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor zover relevant het onderdeel van de beschikking over de kinderalimentatie bekrachtigd en beslist dat de man een bedrag van € 2.783 bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen. Ook is het onderdeel van de beschikking over de zorgregeling door het gerechtshof bekrachtigd.

3De beoordeling

De kinder- en partneralimentatie

3.1.

De man verzoekt de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2026 te wijzigen naar € 159 per kind per maand, althans met ingang van een zodanige datum en een zodanig bedrag als de rechtbank passend oordeelt. De man verzoekt om de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2026 op nihil te stellen. Daarnaast verzoekt de man om de vrouw te veroordelen de door haar te veel ontvangen kinder- en partneralimentatie aan de man terug te betalen vanaf de ingangsdatum die de rechtbank bepaalt. De vrouw voert verweer en verzoekt om de man niet-ontvankelijk te verklaren of om zijn verzoeken af te wijzen.

Conclusie

3.2.

De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 230 per kind per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf 16 februari 2026, namelijk de datum van het verzoekschrift. Daarnaast beslist de rechtbank dat partneralimentatie met ingang van de datum van het verzoekschrift op nihil wordt gesteld. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

Reden voor de wijziging

3.3.

De rechtbank kan de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. 1 Dat is hier het geval, want het inkomen van de man is gedaald.

Ingangsdatum

3.4.

De wet 2 laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.

3.5.

De rechtbank hanteert als ingangsdatum de datum van het verzoekschrift, omdat de vrouw er in ieder geval vanaf dat moment rekening mee kon houden dat de kinder- en partneralimentatie werd gewijzigd.

Kinderalimentatie gaat voor op partneralimentatie

3.6.

De behoefte van de kinderen is belangrijker dan de behoefte van de partner. 3 De rechtbank bepaalt daarom eerst de hoogte van de kinderalimentatie, om daarna te beoordelen in hoeverre er nog ruimte is voor partneralimentatie.

Behoefte van de kinderen

3.7.

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. In de echtscheidingsprocedure heeft deze rechtbank de behoefte van de kinderen in 2020 vastgesteld op € 538 per kind per maand. Deze behoefte is in hoger beroep op hetzelfde bedrag vastgesteld. Partijen zijn het erover eens dat bij de herberekening van de kinderalimentatie van deze behoefte uitgegaan kan worden, geïndexeerd naar nu. De rechtbank sluit hierbij aan. Geïndexeerd bedraagt de behoefte van de kinderen in 2026 afgerond € 691 per kind per maand.

Draagkracht van partijen

3.8.

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien. 4

3.9.

Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit: 70% [NBI -(NBI X 0,3 + 1365)].

Draagkracht van de man

3.10.

De man berekent zijn inkomen op € 52.345,60 in 2026, bestaande uit een inkomen uit persoonsgebonden budget (pgb) voor verleende zorg. De vrouw vindt dat de man de alimentatie moet blijven betalen die het gerechtshof heeft vastgesteld, omdat de man voldoende inkomen heeft of geacht moet worden te kunnen verwerven. Het gerechtshof heeft in zijn beschikking van 22 juni 2021 overwogen dat het inkomen van de man in de laatste jaren van het huwelijk gemiddeld € 150.000 bruto per jaar was. De vrouw gaat ervan uit dat de man dit inkomen kan behouden.

3.11.

Het gerechtshof is bij de vaststelling van het inkomen van de man uitgegaan van de volgende inkomenscomponenten: een bruto jaarsalaris inclusief vakantietoeslag in loondienst bij PsyNovo B.V. (hierna: PsyNovo), een dividenduitkering door PsyNovo en een winst uit onderneming uit de vennootschap onder firma ZonderZorg (hierna: ZonderZorg).

3.12.

De rechtbank constateert dat ZonderZorg in 2023 is uitgeschreven uit het handelsregister. Het is duidelijk dat de man geen inkomen meer haalt uit deze onderneming. Dat blijkt ook uit de aangifte inkomstenbelasting 2024 en 2025 van de man. Uit de aangifte inkomstenbelasting van 2022 tot en met 2025 volgt ook dat het wegvallen van het inkomen uit ZonderZorg ruimschoots is gecompenseerd door een stijging van het inkomen van de man bij PsyNovo en door het inkomen uit pgb. De rechtbank houdt bij de berekening van de draagkracht van de man daarom geen rekening met inkomen uit ZonderZorg.

3.13.

Tussen partijen is verder niet in geschil dat PsyNovo, de onderneming waar de man en zijn zus allebei voor 50% aandeelhouder van zijn, is gestaakt. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of met het inkomensverlies dat de man lijdt door de ontbinding van PsyNovo rekening moet worden gehouden bij de bepaling van zijn draagkracht. De rechtbank kan met het inkomensverlies rekening houden als het inkomensverlies niet verwijtbaar en niet vermijdbaar is.

3.14.

De man heeft toegelicht waarom PsyNovo is gestaakt. PsyNovo hield zich bezig met het leveren van psychiatrische zorg. Zij sloot daarvoor een uitbestedingsovereenkomst met Stichting Psynovo (hierna: de Stichting). Deze Stichting sloot de contracten met zorgverzekeraars en Psynovo leverde de feitelijke zorg. De declaraties aan zorgverzekeraars en de ontvangst van betalingen van zorgverzekeraars verliep via de Stichting. Van de betalingen die door de Stichting werden ontvangen, werd 98% doorbetaald aan PsyNovo en PsyNovo betaalde de kosten en salarissen. In deze constructie was een belangrijke rol weggelegd voor de heer [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ), die zowel bestuurder van de Stichting was (en in die hoedanigheid goede contacten had met de zorgverzekeraars) als psychiater bij PsyNovo.

3.15.

In 2025 ontstond een geschil tussen PsyNovo en de Stichting vanwege openstaande vorderingen over en weer. Daarnaast was [bestuurder] op enig moment langdurig onbereikbaar voor PsyNovo en leek het erop dat hij zijn werkzaamheden had gestaakt. PsyNovo zag zich daarom genoodzaakt de overeenkomst van opdracht met [bestuurder] (voor zijn werkzaamheden als psychiater) te beëindigen en de Stichting te dagvaarden. De Stichting heeft vervolgens de uitbestedingsovereenkomst met PsyNovo opgezegd. Het geschil is uiteindelijk beëindigd met een vaststellingsovereenkomst, waarna de samenwerking tussen PsyNovo en de Stichting per 1 oktober 2025 definitief is geëindigd.

3.16.

Omdat de contracten met de zorgverzekeraars door de Stichting waren gesloten en de samenwerking tussen PsyNovo en de Stichting was geëindigd, kon PsyNovo geen psychiatrische zorg meer leveren. De zorgverzekeraars wilden niet met een B.V. contracteren. Zonder de Stichting was PsyNovo niet levensvatbaar, zodat is besloten tot ontbinding van de onderneming.

3.17.

De man heeft verder toegelicht dat hij zijn oude inkomen niet ergens anders kan verdienen. De man heeft een mbo-opleiding genoten en vervulde een administratieve rol binnen PsyNovo. De man had een brutosalaris van € 4.666,67 bij PsyNovo, wat volgens hem vergelijkbaar is met soortgelijke functies in het bedrijfsleven. De dividenduitkeringen die de man genoot, werden gerealiseerd door de zorgprofessionals die voor PsyNovo werkten. De man heeft toegelicht dat hij in feite heeft meegelift op het succes van PsyNovo. Dat succes was hoofdzakelijk toe te schrijven aan de rol die [bestuurder] als bestuurder van de Stichting en psychiater voor PsyNovo vervulde.

3.18.

De vrouw heeft aangevoerd dat de toedracht zoals geschetst door de man ongeloofwaardig is en dat de ontbinding van PsyNovo vermoedelijk door de man is geconstrueerd om onder zijn alimentatieverplichting uit te komen. De rechtbank volgt de vrouw daar niet in. De man heeft zijn stellingen met diverse bewijsstukken onderbouwd, waaronder brieven van de advocaat van PsyNovo, een dagvaarding (uitgebracht door PsyNovo) van de Stichting in verband met achterstallige betalingen en de vaststellingsovereenkomst tussen PsyNovo en de Stichting. De vrouw heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit een hele andere gang van zaken volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn inkomensverlies niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, zodat de rechtbank met het inkomensverlies rekening houdt bij de bepaling van de draagkracht van de man.

3.19.

De vrouw stelt zich nog op het standpunt dat de man de dividenduitkering van € 170.190 bruto die hij eind 2025 heeft ontvangen moet verspreiden over de komende jaren, zodat de man aan zijn onderhoudsplicht kan blijven voldoen. Ook hier volgt de rechtbank de vrouw niet in. De man heeft uitgelegd dat de dividenduitkering van eind 2025 feitelijk ook ziet op de jaren 2023 en 2024. In die jaren is er namelijk bijna geen dividend uitgekeerd. De dividenduitkering van eind 2025 heeft daardoor volgens de man juist betrekking op het verleden en niet op de toekomst. De man heeft inzichtelijk gemaakt dat hij vanwege de beperkte dividenduitkeringen in 2023 en 2024 in die jaren geen inkomen van € 150.000 bruto heeft genoten, terwijl het gerechtshof zijn draagkracht voor alimentatie wel op een inkomen van € 150.000 bruto heeft berekend. Als de dividenduitkering van € 170.190 bruto wordt verspreid over 2023 tot en met 2025, heeft de man met terugwerkende kracht wel een inkomen van € 150.000 bruto genoten. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om met de dividenduitkering van € 170.190 bruto rekening te houden bij de vaststelling van de huidige draagkracht van de man.

3.20.

De vrouw heeft verder gesteld dat de man moet interen op zijn vermogen om aan zijn onderhoudsplicht te kunnen blijven voldoen. Volgens vaste jurisprudentie blijft het vermogen in beginsel buiten beschouwing bij bepaling van de draagkracht, zodat daarop niet hoeft te worden ingeteerd. Onder omstandigheden kan echter van een alimentatieplichtige worden verlangd dat er wel wordt ingeteerd op het aanwezige vermogen. De vrouw benoemt de woning van de man en de banktegoeden inclusief de dividenduitkering als vermogen waar de man op kan interen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de man moet interen op zijn vermogen. Daarbij neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat er geen sprake is van een verwijtbaar of vermijdbaar inkomensverlies. Verder kan niet van de man worden verwacht dat hij zijn woning verkoopt om op die manier op zijn vermogen in te kunnen teren. Over de dividenduitkering heeft de rechtbank hiervoor al overwogen dat zij geen aanleiding ziet om met de dividenduitkering rekening te houden bij de vaststelling van de draagkracht van de man.

3.21.

De rechtbank berekent het NBI van de man op basis van het inkomen dat de man daadwerkelijk verdient. De man werkt ruim 36 uur als zorgverlener en verdient daarmee € 52.345,60 bruto in 2026. Dit is meer dan het salaris dat volgt uit de salarisstrook van januari 2026 die de man heeft overgelegd, omdat er volgens de man vanaf februari 2026 een correctie wordt toegepast. De vrouw heeft de hoogte van het salaris van de man niet betwist, zodat de rechtbank van het salaris uitgaat dat de man heeft gesteld. De rechtbank houdt verder rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het NBI van de man is dan € 3.359 per maand. 5

3.22.

Op basis van de hiervoor genoemde formule heeft de man een draagkracht van € 690 per maand.

Draagkracht van de vrouw

3.23.

De vrouw stelt dat zij geen inkomen heeft. Zij berekent haar draagkracht op basis van het kindgebonden budget inclusief de alleenstaande ouderkop die zij ontvangt. Volgens de man heeft de vrouw wel een eigen inkomen. Zij zou werken in de onderneming van haar zus en het bedrijf van haar broer. Dat de vrouw een eigen inkomen geniet, volgt volgens de man ook uit het vermogen dat de vrouw heeft opgebouwd. In tegenstelling tot hetgeen de vrouw daarover stelt, komt het vermogen van de vrouw niet hoofdzakelijk voort uit de financiële afwikkeling van de echtscheiding. Volgens de man heeft de vrouw namelijk maar € 65.000 uit de echtscheiding ontvangen.

3.24.

De rechtbank volgt de man niet in zijn stelling dat de vrouw een eigen inkomen heeft. De vrouw heeft haar aangifte inkomstenbelasting 2025 overgelegd waaruit volgt dat de vrouw in 2025 geen inkomen had. De rechtbank acht het aannemelijk dat de vrouw in 2026 ook geen inkomen heeft. Verder heeft de vrouw met stukken onderbouwd dat zij (veel) meer geld uit de echtscheiding heeft ontvangen dan het door de man gestelde bedrag van € 65.000. De rechtbank berekent het NBI van de vrouw daarom op basis van een kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van € 11.880 in 2026. Het NBI van de vrouw is dan € 990 per maand. 6

3.25.

In tegenstelling tot de man rekent de rechtbank de vrouw bij de vaststelling van de kinderalimentatie geen verdiencapaciteit toe. De rechtbank moet namelijk terughoudend zijn met het aannemen van een fictief inkomen bij de ouder die de dagelijkse zorg heeft voor de kinderen voor wie een bijdrage wordt verzocht. Uitgaan van een fictief inkomen en daarmee van een hogere, eveneens fictieve draagkracht, kan er namelijk toe leiden dat niet (geheel) kan worden voorzien in de behoefte van de kinderen als dat hogere inkomen om welke reden dan ook niet wordt verwezenlijkt.

3.26.

Het NBI van de vrouw is lager dan € 2.200 per maand. Bij een NBI dat lager is dan € 2.200 per maand maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachttabel’ waarin vaste bedragen aan draagkracht zijn vermeld. Volgens de draagkrachttabel geldend in 2026 heeft de vrouw een draagkracht van € 50 per maand.

Verdeling van de kosten

3.27.

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

3.28.

Een vergelijking is hier niet nodig omdat de man en de vrouw samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van de kinderen. Hun gezamenlijke draagkracht is € 740 per maand, terwijl de kosten van de kinderen € 2.073 per maand zijn. Zij komen dus samen een bedrag van € 1.333 per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de man met een bedrag van € 690 per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen en de vrouw met een bedrag van € 50 per maand.

Zorgkorting

3.29.

De man maakt op de dagen dat de kinderen bij hem verblijven kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet hij – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van de kinderen staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de man met een percentage van de behoefte van de kinderen: de ‘zorgkorting’.

3.30.

In dit geval zal de rechtbank geen zorgkorting toepassen, omdat er sprake is van een groot tekort aan draagkracht. Als de rechtbank de kosten die de man al voor de kinderen maakt in mindering zou brengen op de alimentatie, zou het hele tekort op de schouders van de vrouw komen te rusten. Daarom past bij de rechtbank bij een groot tekort aan draagkracht geen zorgkorting toe. Dit betekent dat de man een bedrag van € 230 per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen.

Partneralimentatie

3.31.

Omdat nu duidelijk is hoeveel de man voor de kinderen moet betalen, kan de rechtbank berekenen of hij nog ruimte heeft om partneralimentatie te betalen.

Huwelijksgerelateerde behoefte

3.32.

Bij de berekening van de partneralimentatie stelt de rechtbank eerst het bedrag vast dat de vrouw nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen. Dat wordt de ‘behoefte’ genoemd. In de echtscheidingsprocedure heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de behoefte van de vrouw in 2021 vastgesteld op € 2.820 netto per maand. Partijen zijn het erover eens dat bij de herberekening van de partneralimentatie van deze behoefte uitgegaan kan worden, geïndexeerd naar nu. Geïndexeerd bedraagt de behoefte van de vrouw in 2026 afgerond € 3.515 netto per maand. De rechtbank gaat uit van deze behoefte.

Behoeftigheid

3.33.

Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag (€ 3.151 netto) te verdienen. Als de vrouw daar niet toe in staat is, dan is zij ‘behoeftig’.

3.34.

De man vindt dat de vrouw in staat moet worden geacht om een inkomen van € 20.000 bruto per jaar te verdienen, uitgaande van een 24-urige werkweek. De man baseert het inkomen op het perspectief bij een opleiding tot analist (de opleiding die de vrouw heeft gevolgd). Daarbij is volgens de man een startsalaris van € 3.000 bruto per maand passend, naar de rechtbank begrijpt voor een fulltime dienstverband.

3.35.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in het kader van de partneralimentatie zo veel mogelijk in haar eigen behoefte moet kunnen voorzien en dat van haar verwacht mag worden dat zij een eigen inkomen gaat verdienen. In eerdere beschikkingen van de rechtbank (9 september 2020) en het gerechtshof (22 juni 2021) is al overwogen dat van de vrouw verlangd en verwacht mag worden dat zij er alles aan doet om op termijn een baan te vinden waarmee zij zoveel mogelijk in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Dat is inmiddels bijna zes jaar geleden. Niet gebleken is dat de vrouw in de tussentijd stappen heeft gezet om in haar eigen behoefte te voorzien.

3.36.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw binnen afzienbare tijd een eigen inkomen moet kunnen genereren. De vrouw is gezond en heeft ervaring als analist. Zij heeft onvoldoende onderbouwd waarom zij dat werk nu niet zou kunnen verrichten. Dat de vrouw een groot deel van de zorg voor de kinderen heeft, betekent niet dat zij in het geheel niet kan werken. De vrouw kan onder schooltijd werken. Daarnaast kan de vrouw opvang regelen voor de kinderen en daarvoor kinderopvangtoeslag aanvragen. Daar komt bij dat [kind 1] inmiddels 12 jaar is, zodat er voor haar maar beperkt opvang nodig zal zijn.

3.37.

Het bruto jaarinkomen waar de man van uitgaat komt de rechtbank niet onredelijk voor, zodat de rechtbank voor de berekening van de behoeftigheid van de vrouw rekent met een fictief bruto jaarinkomen van € 20.000.

3.38.

De rechtbank houdt daarbij rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De rechtbank rekent niet met een kindgebonden budget, omdat het kindgebonden budget is bedoeld voor de kinderen. Het NBI is dan € 1.667 per maand. 7 Daarop moet het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen van € 50 in mindering worden gebracht. Deze kosten worden echter volledig gedekt door het kindgebonden budget dat de vrouw ontvangt, zodat de rechtbank de kosten van de kinderen niet in mindering brengt. De vrouw kan hierdoor met een bedrag van € 1.667 netto per maand in haar eigen behoefte voorzien.

3.39.

Er resteert een aanvullende behoefte van € 1.848 (3.515 – 1.667) netto per maand. Als de vrouw partneralimentatie ontvangt, dan moet zij daarover nog inkomstenbelasting en een bijdrage voor de Zorgverzekeringswet betalen. Daarom bruteert de rechtbank voormeld nettobedrag tot € 3.287 per maand. 8

Draagkracht van de man

3.40.

Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man die bijdrage kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ genoemd.

3.41.

Daarvoor hanteert de rechtbank dezelfde methode en dezelfde gegevens als bij de kinderalimentatie, alleen wordt een draagkrachtpercentage van 60% gebruikt in plaats van 70%. De formule wordt dan dus: 60% [NBI - (NBI X 0,3 + 1365)].

3.42.

Er is dan een bedrag beschikbaar van € 592 per maand. Omdat kinderalimentatie voorgaat op partneralimentatie 9, komt het hiervoor berekende aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 690 per maand hierop nog in mindering. Er resteert dan geen draagkracht voor partneralimentatie.

Alimentatie vooruitbetalen

3.43.

De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

Alimentatie terugbetalen

3.44.

De rechtbank stelt de kinder- en partneralimentatie lager vast dan de rechtbank en het gerechtshof dat eerder hebben gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat de vrouw niet in staat is om het door de man onverschuldigd betaalde terug te betalen, of dat dit niet van haar gevergd kan worden. De rechtbank bepaalt daarom dat de vrouw de tot op heden te veel ontvangen kinder- en partneralimentatie aan de man moet terugbetalen.

De zorgregeling

3.45.

De vrouw verzoekt bij zelfstandig verzoek de bestaande zorgregeling te wijzigen naar de volgende regeling:

  • de kinderen verblijven in de oneven weken van maandag uit school tot donderdagochtend naar school, waarbij de vrouw de kinderen van en naar school haalt en brengt;

  • de kinderen verblijven in de oneven weken van donderdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de man, waarbij de man de kinderen van en naar school haalt en brengt;

  • de kinderen verblijven in de even weken van maandag uit school tot woensdag naar school en van vrijdag uit school tot maandag uit school bij de vrouw, waarbij de vrouw de kinderen maandag en vrijdag uit school ophaalt en maandag naar school brengt;

  • de kinderen verblijven in de even weken van woensdag uit school tot vrijdag naar school bij de man, waarbij de man de kinderen van en naar school haalt en brengt;

  • als één of meerdere kinderen ziek zijn en niet naar school gaan, blijven zij bij de ouder die hen naar school zou brengen tot het moment dat de andere ouder de kinderen bij school zou ophalen maar haalt dan het kind op bij de ouder waar het kind verblijft.

3.46.

De man voert verweer en stelt primair dat het zelfstandig verzoek van de vrouw tot wijziging van de zorgregeling connexiteit mist in de zin van artikel 282 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met het inleidend verzoek van de man tot wijziging van de alimentatie. Subsidiair stelt de man dat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden en meer subsidiair stelt hij dat een wijziging van de zorgregeling niet gerechtvaardigd en in het belang van de kinderen is. De man verzoekt om de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar zelfstandige verzoek, dan wel het zelfstandige verzoek van de vrouw af te wijzen.

3.47.

Voordat de rechtbank aan het zelfstandig verzoek van de vrouw toekomt, moet de rechtbank beoordelen of de vrouw in dat verzoek ontvankelijk is. Het meest vergaande verweer is dat de vrouw niet ontvankelijk is vanwege artikel 282 lid 4 Rv. Dit verweer bespreekt de rechtbank eerst.

Het juridisch kader en de onduidelijkheden in de rechtspraktijk

3.48.

De man doet zoals gezegd een beroep op artikel 282 lid 4 Rv. Op grond van dit artikel moet een zelfstandig verzoek gaan over hetzelfde onderwerp als het oorspronkelijke verzoek. In de praktijk wordt dit ook het connexiteitsvereiste genoemd, wellicht ten onrechte omdat de tekst van de bepaling verder lijkt te gaan dan enkel ‘samenhang’ maar spreekt van ‘hetzelfde onderwerp’. De rechtbank zal desondanks in het vervolg, omwille van de leesbaarheid, spreken over het connexiteitsvereiste.

3.49.

Een bepaling vergelijkbaar met artikel 282 lid 4 Rv bestaat niet voor de dagvaardingsprocedure. Daar geldt een dergelijke eis dus niet. In een dagvaardingsprocedure kunnen juist over alle onderwerpen die spelen tussen eiser en gedaagde(n) reconventionele vorderingen worden ingesteld. Dit heeft wellicht te maken met de aard van de procedure waarbij de eisende partij in een dagvaardingsprocedure bepaalt wie er in een procedure wordt betrokken en alles wat tussen eiser en gedaagde speelt tegelijkertijd behandeld kan worden. In een verzoekschriftenprocedure roept de rechtbank alle belanghebbenden op over een specifiek onderwerp waarover de verzoeker een oordeel van de rechtbank wenst. Dit kunnen verschillende belanghebbenden zijn afhankelijk van het verzoek. Het betreft hier dus in veel gevallen geen twee-partijengeschil waarbij alle mogelijke juridische discussies tussen die twee partijen in een procedure opgelost kunnen worden, zelfs als dit op het eerste oog misschien het geval lijkt. Immers in een zaak over een zorgregeling over een kind kunnen andere belanghebbenden aanwezig zijn dan in een zaak over de kinderalimentatie voor hetzelfde kind. 10 In veel gevallen zijn er naast de verzoeker meerdere belanghebbenden. Als alle belanghebbenden willekeurig welk mogelijk juridisch geschil als tegenverzoek zouden kunnen indienen (eventueel tegen elkaar en niet tegen verzoeker) kan de procedure uiteindelijk op heel andere onderwerpen zien dan waarvoor de verzoeker de rechtbank heeft benaderd. Ook over onderwerpen waarover deze verzoeker niet wenst te procederen.

3.50.

De rechtbank heeft geprobeerd te achterhalen hoe het connexiteitsvereiste moet worden uitgelegd. Het artikel blijkt bij de wetswijziging op 1 april 1995 overgenomen te zijn uit het oude artikel 429h Rv. In de memorie van toelichting van de wetswijziging in 1995 of bij de behandeling ervan is voor zover wij kunnen nagaan er geen aandacht aan dit artikel geschonken. Ook bij de invoering van artikel 429h Rv lijkt dit niet het geval te zijn geweest. De wetsgeschiedenis levert dus weinig informatie op over de uitleg van het connexiteitsvereiste. In de rechtspraak is artikel 282 lid 4 Rv (en het oude artikel 429h Rv) eveneens onderbelicht gebleven. Er is slechts eenmalig - in 1996 - uitspraak gedaan door de Hoge Raad over dit artikel waarbij maar beperkte handvatten zijn meegegeven. 11

3.51.

De conclusie van de Advocaat-Generaal bij die uitspraak geeft iets meer informatie. 12 In paragraaf 37 geeft de A-G aan dat de eis van samenhang verdedigbaar is omdat het risico op vertraging groter is als het tegenverzoek verder afstaat van het oorspronkelijke verzoek. Voorts zal volgens de A-G mogen meewegen dat het procesrecht in de diverse verzoekschriftprocedures van elkaar kan verschillen, soms zelfs aanmerkelijk. In de zaak die aan de Hoge Raad is voorgelegd, was er een zelfstandig verzoek over partneralimentatie gedaan in een zaak over kinderalimentatie. In dit geval deden zich evenwel geen procesrechtelijke verschillen voor, aldus de A-G.

3.52.

In de praktijk wordt zeer wisselend toepassing gegeven aan het artikel. De rechtbank ziet (vele) uitspraken waarin geen aandacht wordt besteed aan het connexiteitsvereiste en waarbij zelfstandige verzoeken over andere onderwerpen dan het oorspronkelijke verzoek in één procedure worden behandeld. In deze procedures is dan ook niet het verweer gevoerd dat niet is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook in de regieafspraken van deze rechtbank wordt geen aandacht besteed aan het connexiteitsvereiste. Aan de andere kant ziet de rechtbank ook diverse uitspraken van andere rechtbanken waarbij een zelfstandig verzoek wel wordt afgesplitst of waarbij de zelfstandig verzoeker niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek(en) omdat er niet is voldaan aan het connexiteitsvereiste. 13 Argumenten die daarbij een rol spelen zijn (niet uitputtend) dat er sprake is van verschillende rechtsverhoudingen, uiteenlopende procesrechtelijke regels of een gebrek aan samenhang vanwege (bijvoorbeeld) andersoortige juridische beoordelingskaders. Er is kortom behoefte aan duidelijkheid over de uitleg en toepassing van het connexiteitsvereiste van artikel 282 lid 4 BW.

3.53.

De rechtbank stelt op basis van een eigen interne analyse vast dat het gezamenlijk behandelen van verzoeken in het kader van artikel 1:253a BW (en/of andere verzoeken betreffende gezag en omgang 14) met alimentatieverzoeken organisatorische problemen met zich brengt. Omdat de procesrechtelijke regels (termijnen indienen stukken, termijn waarbinnen een zaak op zitting moet staan, wel of geen verweertermijn) van deze procedures verschillen, is er meer regie en afstemming nodig om de beide verzoeken af te handelen. In de praktijk betekent dit dat artikel 1:253a-zaken (die de wetgever gelet op artikel 1:253a lid 6 BW versneld op zitting wil zien) met een zelfstandig verzoek over alimentatie vertraging kunnen oplopen en/of anders worden behandeld dan een ‘zuiver’ G&O-verzoek. Regelmatig komt het voor dat er twee verschillende zittingen gepland moeten worden omdat de verweertermijn voor de alimentatiezaak nog loopt terwijl de G&O-zaak al is gepland.

3.54.

De rechtbank heeft behoefte aan meer duidelijkheid over het door haar in te zetten toetsingskader bij de beoordeling van de vraag of een zelfstandig verzoek betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek.

3.55.

De rechtbank heeft partijen op de zitting voorgehouden dat zij voornemens is om over dit onderwerp prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Partijen hebben daartegen geen bezwaar gemaakt. Na de zitting heeft de rechtbank haar prejudiciële vragen in concept aan partijen gezonden. Partijen hebben hierop kunnen reageren. De vrouw heeft hiervan gebruik gemaakt. Dit heeft niet geleid tot wijzigingen in de vraagstelling.

3.56.

Dit brengt de rechtbank tot de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad:

1. Welke van de hierna genoemde criteria kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of een zelfstandig tegenverzoek over hetzelfde onderwerp gaat in de zin van artikel 282 lid 4 Rv?

- de procesrechtelijke regels die van toepassing zijn op het verzoek, zowel uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als uit de verschillende procesreglementen;

- het wetsartikel waar het verzoek op is gebaseerd;

- of dezelfde partijen zijn betrokken bij zowel het verzoek als het zelfstandig tegenverzoek (waaronder de bewindvoerder of partij zelf);

- het verzoek gaat over hetzelfde gezin/dezelfde kinderen;

- de uitkomst van het verzoek gevolgen heeft voor de beoordeling van het zelfstandige verzoek of andersom;

- eventuele andere criteria.

2. Is een wijziging van de zorgregeling (op grond van 1:253a Burgerlijk Wetboek) te beschouwen als ‘hetzelfde onderwerp’ als een verzoek wijziging kinderalimentatie/partneralimentatie?

3. Moet de rechtbank ambtshalve toetsen of sprake is van hetzelfde onderwerp?

3.57.

De rechtbank zal op grond van artikel 392 e.v. Rv aan de Hoge Raad de in de beslissing vermelde prejudiciële vragen stellen. Iedere verdere beslissing over de zorgregeling zal worden aangehouden.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.58.

De rechtbank verklaart de beslissingen over de alimentatie ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht, wat betekent dat deze beslissingen blijven gelden, ook als er hoger beroep wordt ingesteld, zolang het gerechtshof niet anders beslist.

De proceskosten

3.59.

Omdat de rechtbank de zaak aanhoudt, houdt zij ook aan de beslissing op het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de proceskosten.

4De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in de beschikking van 9 september 2020 van deze rechtbank en bekrachtigd bij beschikking van 22 juni 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, en bepaalt dat deze kinderalimentatie vanaf 16 februari 2026 € 230 per kind per maand bedraagt;

4.2.

wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, zoals die was vastgelegd in de beschikking van 22 juni 2021 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, en bepaalt de partneralimentatie op nihil met ingang van 16 februari 2026;

4.3.

bepaalt dat de man deze kinderalimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;

4.4.

bepaalt dat de vrouw gehouden is tot terugbetaling aan de man van de na 16 februari 2026 te veel ontvangen kinder- en partneralimentatie;

4.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

stelt aan de Hoge Raad de volgende prejudiciële vragen:

1. Welke van de hierna genoemde criteria kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of een zelfstandig tegenverzoek over hetzelfde onderwerp gaat in de zin van artikel 282 lid 4 Rv?

- de procesrechtelijke regels die van toepassing zijn op het verzoek, zowel uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als uit de verschillende procesreglementen;

- het wetsartikel waar het verzoek op is gebaseerd;

- of dezelfde partijen zijn betrokken bij zowel het verzoek als het zelfstandig tegenverzoek (waaronder de bewindvoerder of partij zelf);

- het verzoek gaat over hetzelfde gezin/dezelfde kinderen;

- de uitkomst van het verzoek gevolgen heeft voor de beoordeling van het zelfstandige verzoek of andersom;

- eventuele andere criteria.

2. Is een wijziging van de zorgregeling (op grond van 1:253a Burgerlijk Wetboek) te beschouwen als ‘hetzelfde onderwerp’ als een verzoek wijziging kinderalimentatie/partneralimentatie?

3. Moet de rechtbank ambtshalve toetsen of sprake is van hetzelfde onderwerp?

4.7.

houdt iedere beslissing over de zorgregeling aan tot pro forma 1 februari 2027;

4.8.

wijst af wat meer of anders is verzocht, voor zover niet aangehouden.

Deze beschikking is gegeven door mr. dr. drs. E.L. de Jongh, voorzitter en (kinder)rechter, mr. B. Krijnen en mr. C.H. Kan, ook (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Klinken als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026.

[ Bijlage verwijderd ter anonimisatie. ]

5

Bijlage 1: NBI van de man.

6

Bijlage 2: NBI van de vrouw.

7

Bijlage 3: NBI van de vrouw.

8

Bijlage 4: brutering behoefte.

10

Denk bijvoorbeeld aan de bewindvoerder van een van de ouders die wel een rol heeft bij een alimentatieprocedure en niet bij een procedure over de zorgregeling, terwijl de ouder van wie de goederen onder bewind staan juist geen rol speelt bij een kinderalimentatiezaak.

11

HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1983. In dit arrest werd overwogen dat een redelijke, met de ontwikkeling van de rechtsopvattingen omtrent de verzoekschriftprocedure rekening houdende uitleg van het in artikel 429h lid 4 gestelde vereiste dat het zelfstandig verzoek betrekking moet hebben op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek, meebrengt dat wordt aanvaard dat dit vereiste zich niet ertegen verzet dat een gescheiden echtgenote die verweer voert tegen een door haar voormalige echtgenoot verzochte vermindering van de alimentatie voor een of meer kinderen uit hun ontbonden huwelijk, bij wege van zelfstandig verzoek vaststelling of verhoging van een door de man aan haar te betalen alimentatie vraagt.

12

Concl. A-G Franken, ECLI:NL:PHR:1996:ZC1983, punt 37 e.v.

13

Zie bijvoorbeeld: Rb. Noord-Nederland 4 november 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4485, Rb. Rotterdam 26 juli 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:7118, Rb. Noord-Holland 29 november 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:10031, Rb. Noord-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1883.

14

Hierna: G&O-zaken.

Rechtspraak.nl
×

Rapport alimentatienormen versie 2026

 

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord
1. Inleiding
2. Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen
2.1 Inleiding
2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen
2.3 Verschillende soorten inkomen
2.4 Kindgebonden budget
3. Behoefte
3.1. Algemeen
3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
3.3 Behoefte van de ex-partner
4. Draagkracht
4.1 Algemeen
4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)
4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar
4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie
4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden
4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige
4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn
4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak
4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg
5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden
5.1 Stappenplan kinderalimentatie
5.2 Stappenplan partneralimentatie
5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten
5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

Voorwoord

Wettelijke maatstaven

De hoogte van kinder- en partneralimentatie is afhankelijk van de behoefte van degene die recht heeft op alimentatie en van de draagkracht van degene die de alimentatie moet betalen. Behoefte en draagkracht zijn open normen, dat wil zeggen dat niet in wet- of andere regelgeving is vastgelegd wat daaronder precies moet worden verstaan.

Aanbevelingen en rekenmodellen

In het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) doet de Expertgroep Alimentatie (hierna ook: de expertgroep) aanbevelingen voor het concretiseren en toepassen van deze open normen in het juridische debat en voor het aan de hand van deze wettelijke maatstaven berekenen van de hoogte van kinder- en partneralimentatie.

Met deze aanbevelingen beogen wij de rechtseenheid te bevorderen en bij te dragen aan de voorspelbaarheid van de uitkomst van een alimentatieprocedure. Het rapport is uitdrukkelijk niet bedoeld als handboek voor alles wat met alimentatie te maken heeft. Het rapport bevat ook geen aanbevelingen voor onderwerpen die buiten de reikwijdte van de begrippen behoefte en draagkracht en het aan de hand daarvan berekenen van alimentatie vallen. Die onderwerpen komen daarom in dit rapport niet aan bod. Als een vraag daarover voorligt, zal de rechter een op het geval toegesneden oordeel geven.

Voor het berekenen van alimentatie heeft de expertgroep modellen ontwikkeld (zie bijlage 1). Verschillende uitgevers brengen rekenprogramma’s uit die gebaseerd zijn op deze rekenmodellen. Voor de leesbaarheid is het rapport in de wij-vorm geschreven. Waar staat dat ‘wij’ iets doen mag gelezen worden dat de expertgroep aanbeveelt om dat zo te doen.

In 2026 herschrijven wij de bijlagen bij het rapport. Wij willen ook de bijlagen leesbaarder en toegankelijker maken, nadat we dit in 2023 al deden met het rapport zelf. Omdat veel van de gegevens in de bijlage ook beschikbaar zijn via andere bronnen, zoals websites van de overheid, belastingdienst, sociale verzekeringsbank en UWV, zullen we deze gegevens met ingang van 2027 niet langer in de bijlagen opnemen.

Gebruik van het rapport

De expertgroep beveelt rechters en andere gebruikers aan de aanbevelingen toe te passen bij de beoordeling van en advisering in alimentatiegeschillen.

Rechters kunnen van de aanbevelingen afwijken. Zij zullen dat in de regel alleen doen als er bijzondere omstandigheden zijn. Bij die beoordeling speelt wat partijen stellen en hoe zij dat onderbouwen een belangrijke rol. Een relatief strikte toepassing van de aanbevelingen bevordert de rechtseenheid en de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen.

Advocaten, mediators en anderen maken voor hun advieswerk en (rechts)bijstand gebruik van het rapport. In de meeste gevallen maken partijen zelf afspraken, zonder tussenkomst van een rechter. Dat staat partijen vrij, maar het is wel belangrijk dat zij bij die afspraken binnen de wettelijke kaders blijven.

Gemeenten kunnen de aanbevelingen in dit rapport gebruiken bij verhaal van bijstands- uitkeringen. Bestuursrechtelijke vragen rond bijstandsverhaal vallen buiten het bestek van dit rapport.

Rapport 2026

De tabel Eigen Aandeel in de Kosten van Kinderen zijn in 2025 ingrijpend gewijzigd. In 2026 zijn de tabelbedragen onder andere aangepast aan de ontwikkeling van het loon- en prijspeil en aanpassingen in de hoogte van de kinderbijslag.

De draagkrachtformule is aangepast aan de veranderingen in de hoogte van de bijstands- uitkering, toeslagen en andere samenhangende regelingen. Ook de draagkrachttabel is aangepast.

De verschillende rekenvoorbeelden in het rapport zijn aangepast aan de veranderde tarieven. Ook zijn enkele teksten in het rapport verduidelijkt.

Tot slot

Hoewel de expertgroep het rapport en de bijlagen met grote zorgvuldigheid samenstelt kunnen daar altijd onvolkomenheden ingeslopen zijn.

Den Haag, december 2025

mr. J.B. de Groot, voorzitter

mr. Y. Oosting, secretaris

1. INLEIDING

In artikel 1:392, lid 1, BW staat wie op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud. Dat zijn de ouders, de kinderen en behuwd- kinderen, schoonouders en stiefouders. In deze wetsbepaling staat niet wie de onderhouds- gerechtigden zijn. Dat kunnen we afleiden uit de formulering en uit andere artikelen in Titel 17 van Boek 1, BW.

In dit rapport doet de expertgroep aanbevelingen voor het vaststellen of wijzigen van de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie na het verbreken van de relatie (alleen bij kinderalimentatie), echtscheiding, na het verbreken van een geregistreerd partnerschap en na scheiding van tafel en bed.

Het gaat daarbij om:

  • een bijdrage van de ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn of haar kind(eren) aan de andere ouder  (kinderalimentatie) of direct aan het kind (indien dat 18 jaar of ouder is);
  • een uitkering tot levensonderhoud aan de gewezen echtgeno(o)t(e), de echtgenoot van wie iemand gescheiden is van tafel en bed en de gewezen geregistreerde partner (partneralimentatie). Hierna spreken wij in al deze gevallen van ex-partners.

Op grond van artikel 1:404, lid 1, BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap zijn ook stiefouders onderhoudsplichtig voor de minderjarige kinderen van hun echtgenoot of geregistreerde partner die tot hun gezin behoren (art. 1:395 BW). Ouders, en in voorkomend geval stiefouders, zijn ook onderhoudsplichtig voor hun kinderen van 18 tot 21 jaar (artikel 1:395a BW). Voor kinderen vanaf 21 jaar zijn ouders onderhoudsplichtig op grond van artikel 1:392, lid 1, BW.

Als ouders uit elkaar gaan, moeten zij afspraken maken over de verdeling van de kosten van hun kind of kinderen. In de praktijk betekent dit meestal dat de ene ouder aan de andere (verzorgende) ouder – dat is de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft – of aan het kind zelf als dat 18 jaar of ouder is (kinder)alimentatie moet betalen. Als de ouders er samen niet uitkomen, zal de rechter op verzoek bepalen welk bedrag aan kinderalimentatie een ouder moet betalen.

Als een ex-partner partneralimentatie moet betalen aan de andere partner, kunnen zij daar samen afspraken over maken. Als zij daar met elkaar niet uitkomen, zal de rechter daarover desgevraagd beslissen. 

Of en welke bedrag(en) iemand aan alimentatie moet betalen hangt ervan af: 

  1. of er een onderhoudsverplichting is, en
  2. of sprake is van behoeftigheid (dit geldt niet voor kinderen tot 21 jaar), en
  3. of de onderhoudsgerechtigde behoefte heeft aan een financiële bijdrage, en
  4. of de onderhoudsplichtige draagkracht heeft om de bijdrage te betalen.

ad 1. Rangorde onderhoudsverplichtingen

Kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, hebben voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Deze voorrangsregel is aan de orde als iemand verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, terwijl hij of zij onvoldoende draagkracht heeft om dit levensonderhoud aan alle onderhoudsgerechtigden volledig te verschaffen (art. 1:400, lid 1, BW).

Door deze voorrangsregel moet een onderhoudsplichtige eerst de kinderalimentatie voor kinderen en stiefkinderen tot 21 jaar betalen en pas daarna (als aan de overige voorwaarden is voldaan) de alimentatie voor (stief)kinderen vanaf 21 jaar en de partneralimentatie.

ad 2. Behoeftigheid

Voor het opleggen van een alimentatieverplichting moet bij ex-partners en kinderen vanaf 21 jaar sprake zijn van behoeftigheid. Een onderhoudsgerechtigde is behoeftig:

  • wanneer hij of zij niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien, omdat hij of zij de nodige eigen middelen mist; én
  • hij of zij deze eigen middelen niet in redelijkheid kan verwerven.

Indien de onderhoudsgerechtigde geen of onvoldoende inkomsten heeft om in het levensonderhoud te voorzien, kan er aanleiding zijn om rekening te houden met een bepaalde verdiencapaciteit. Dat wil zeggen de mogelijkheid om in redelijkheid inkomen te verwerven. Of er aanleiding bestaat om met een verdiencapaciteit rekening te houden is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals opleiding, werkervaring, de geboden tijd om werk te zoeken, de gezondheid en de zorg voor kinderen.

Als een onderhoudsgerechtigde over vermogen beschikt, kan het onder omstandigheden redelijk zijn dat we verlangen dat iemand op dit vermogen inteert.

De expertgroep geeft geen richtlijnen over de behoeftigheid.

Ad 3 en 4. Behoefte en draagkracht

Behoefte

Behoefte is – ook bij kinderen – een van de wettelijke maatstaven voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie is behoefte geen absoluut begrip. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten we van geval tot geval bepalen. Allerlei omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen.

In elk geval is behoefte niet beperkt tot het bestaansminimum.

Draagkracht

Of iemand draagkracht heeft om alimentatie te betalen hangt enerzijds af van de inkomsten en het vermogen en anderzijds van de noodzakelijke uitgaven die daarop in mindering komen.

Daarbij gaat het niet alleen om de middelen waarover de onderhoudsplichtige beschikt, maar ook over die waarover hij redelijkerwijze had kunnen beschikken. Bij de uitgaven gaat het niet alleen om de uitgaven voor de onderhoudsplichtige zelf, maar kunnen ook de uitgaven een rol spelen voor anderen van wie het onderhoud voor rekening van de onderhoudsplichtige komt.

De vast te stellen alimentatie mag niet hoger zijn dan enerzijds de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en anderzijds de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

De laagste van die twee vormt de maximale bijdrage. De omstandigheden van partijen kunnen aanleiding geven de alimentatie lager dan dit maximum vast te stellen.

Opbouw van het rapport

In hoofdstuk 2 leggen we de begrippen netto besteedbaar inkomen en netto besteedbaar gezinsinkomen uit en laten we zien hoe we deze berekenen. In hoofdstuk 3 gaan we in op het bepalen van de behoefte voor zowel kinderalimentatie als partneralimentatie. In hoofdstuk 4 staan we stil bij het bepalen van de draagkracht voor kinder- en partneralimentatie. In dat hoofdstuk gaan we ook in op de zorgkorting die een rol speelt bij het bepalen van het bedrag aan kinderalimentatie dat iemand moet betalen. In hoofdstuk 5 zetten we aan de hand van twee stappenplannen met voorbeelden uiteen hoe we de behoefte en de draagkracht en uiteindelijk het bedrag aan kinder- en partneralimentatie bepalen.

Achter het rapport zitten de volgende bijlagen:

  • Bijlage 1 Modellen voor netto- en brutomethode
  • Bijlage 2 Diverse tarieven.
  • Bijlage 3 Tarieven en tabellen
  • Bijlage 4 Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen
  • Bijlage 5 Draagkrachttabel kinderalimentatie

2 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

2.1 Inleiding

Behoefte en draagdracht bepalen we voor kinder- en partneralimentatie op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen respectievelijk het netto besteedbaar inkomen. Bij kinderalimentatie speelt naast het netto besteedbaar (gezins)inkomen het kindgebonden budget een rol.

In dit hoofdstuk bespreken we de begrippen netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen.

Onder netto besteedbaar inkomen verstaan we het bruto inkomen verminderd met de daarover verschuldigde of ingehouden premies sociale verzekeringen (inclusief de inkomens- afhankelijke bijdrage premie zorgverzekeringswet) en loon- en/of inkomstenbelasting. Het netto besteedbaar gezinsinkomen is het gezamenlijke netto besteedbare inkomen van de (ex-)partners toen zij nog een gezin vormden.

2.2 Modellen voor het bepalen van het netto besteedbaar (gezins)inkomen

De expertgroep heeft twee modellen gemaakt waarmee we het netto besteedbaar inkomen berekenen: het netto model en het bruto model. Beide modellen staan in Bijlage 1 bij dit rapport.

In het netto model gebruiken we netto inkomensgegevens om het netto besteedbaar (gezins)inkomen te bepalen. In het bruto model berekenen we het netto besteedbaar inkomen aan de hand van (onder andere) de bruto inkomensgegevens.

2.2.1 Het netto model

We kunnen het netto model gebruiken bij het bepalen van de draagkracht van een onder- houdsplichtige met een inkomen uit dienstbetrekking of een uitkering van minder dan € 2.175 bruto per maand (incl. vakantietoeslag). Het bruto inkomen vinden we in een loon- of salarisspecificatie of in een specificatie van de uitkering. Ook het daarvan resterende netto inkomen blijkt uit die specificaties. De gehele berekening voeren we vervolgens uit met nettobedragen op maandbasis.

Het netto model kunnen we ook gebruiken als het inkomen niet is onderworpen aan de heffing van loon- en inkomstenbelasting in Nederland.

Het netto besteedbaar inkomen vinden we in het netto model bij post 8.

2.2.2 Het bruto model

We gebruiken het bruto model bij bruto inkomens vanaf € 2.175 per maand en bij alle inkomens buiten dienstbetrekking (bijvoorbeeld bij IB-ondernemers). We gebruiken het bruto model ook als er fiscale voordelen zijn (bijvoorbeeld bij uitgaven voor inkomens- voorzieningen), fiscale bijtellingen, bij bezittingen die in box 3 belast zijn of als specifieke heffingskortingen een rol spelen. Het invullen van dit bruto model is in grote lijnen vergelijkbaar met het invullen van een aangifte voor de inkomstenbelasting.

In het bruto model vinden we het netto besteedbaar inkomen bij post 121.

2.3 Verschillende soorten inkomen

2.3.1 Inkomen uit dienstbetrekking of uitkering

Werknemers en uitkeringsgerechtigden kunnen hun inkomen met loonstroken, uitkerings- specificaties en/of één of meer jaaropgaven aantonen.

2.3.2 Winst uit onderneming

Een natuurlijke persoon die een onderneming op eigen naam of in samenwerking met anderen drijft (IB-ondernemer), geniet winst uit onderneming. De ondernemer moet inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betalen over de gerealiseerde winst, na aftrek van ondernemersaftrekken en eventuele andere aftrekposten. Het komt regelmatig voor dat een ondernemer niet de gehele nettowinst (het netto besteedbaar inkomen dat volgt uit de berekening met het bruto model) voor het levensonderhoud gebruikt. Een deel van de winst (waar al inkomstenbelasting over is betaald) blijft dan in de onderneming achter, bijvoorbeeld om daarmee investeringen te doen of om (bedrijfs)schulden af te lossen. Het netto besteedbaar inkomen is dan lager.

Bij het bepalen van de draagkracht van een ondernemer kijken we naar wat deze ondernemer in redelijkheid aan inkomen uit de onderneming kan verwerven zonder de continuïteit van de onderneming in gevaar te brengen. We moeten daarom een schatting makenvan de toekomstige ontwikkelingen in de onderneming (een prognose). In de praktijk lijkt de gedachte te bestaan dat we daarvoor moeten kijken naar het gemiddelde resultaat van de laatste drie jaren. Hoewel dat gemiddelde resultaat helpend kan zijn bij het maken van de prognose (en inzage in recente jaarstukken van de ondernemer daarvoor onmisbaar is), is dat gemiddelde resultaat slechts één van de omstandigheden die bij het maken van de prognose een rol kan spelen.

2.3.3 De directeur-grootaandeelhouder

De directeur-grootaandeelhouder in een vennootschap (meestal een BV) krijgt in de regel salaris, net als een werknemer in een ‘normale’ dienstbetrekking. Daarnaast kan hij winst- uitkeringen (dividend, winst uit aanmerkelijk belang) ontvangen. Wanneer een directeur-grootaandeelhouder privéuitgaven laat voorschieten door of geld leent van de BV die deze schuld in rekening-courant boekt, kan er aanleiding zijn om bij het bepalen van de behoefte en/of draagkracht met deze opnames rekening te houden. 

2.3.4 Inkomen uit vermogen

In bepaalde gevallen kunnen we bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met werkelijke inkomsten uit vermogen, zoals inkomen uit de verhuur van onroerend goed. Dat inkomen moet dan in elk geval bestendig beschikbaar (kunnen) zijn.

2.4 Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een inkomensafhankelijke maandelijkse bijdrage van de overheid die bij alleenstaande ouders wordt verhoogd met een zogeheten ‘alleenstaande ouderkop’.

Het kindgebonden budget is bedoeld als inkomensondersteuning voor (in beginsel) de ouder die kinderbijslag voor het kind ontvangt.

3. BEHOEFTE

3.1 Algemeen

Bij het bepalen van het bedrag dat iemand aan kinder- en/of partneralimentatie moet betalen, houden we rekening met de behoefte van de onderhoudsgerechtigden (volgens art. 1:397, lid 1, BW). De wetgever heeft de betekenis van het begrip behoefte niet nader ingevuld. Het is een zogenoemde open norm. Behoefte kunnen we omschrijven als het bedrag dat nodig is voor de kosten van levensonderhoud en dat aansluit bij de mate van welstand waarin partijen tijdens hun samenleving hebben geleefd. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen dus af van de individuele omstandigheden. Daarbij kunnen algemene ervaringsregels een rol spelen (volgens art. 149, lid 2, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Bij kinderalimentatie houden we er rekening mee dat ouders de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen niet helemaal zelf hoeven te betalen. De kinderbijslag die de ouders (in de regel: de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft) ontvangen dekt een deel van die kosten. Het restant komt voor rekening van de ouders zelf. Dat restant noemen we in dit rapport ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’.

Hierna gebruiken we in het kader van kinderalimentatie daarom niet de term ‘behoefte’, maar spreken we van ‘het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ of kortweg ‘eigen aandeel’.

Bij partneralimentatie beveelt de expertgroep voor het bepalen van de behoefte het gebruik aan van een vuistregel, de zogenoemde hofnorm. Zie voor een uitleg van de hofnorm paragraaf 3.3.1 en 3.3.2.

3.2 Het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

3.2.1 Inleiding

De expertgroep doet in dit rapport een concrete aanbeveling voor het bepalen van het eigen aandeel. Deze aanbeveling berust op de algemene ervaringsregel dat ouders in gezinnen een vast percentage van het beschikbare inkomen besteden aan hun kind(eren).

We bepalen het eigen aandeel aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4). In deze bijlage staat ook een toelichting op hoe de tabel werkt. In de tabel is rekening gehouden met de kinderbijslag. In de regel ontvangt de ouder bij wie een kind het hoofdverblijf heeft de kinderbijslag.

Hierna bespreken we de onderwerpen die van belang zijn bij het bepalen van het eigen aandeel.

3.2.2 De Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

De Tabel eigen aandeel is als volgt tot stand gekomen.

De welstand van het gezin waarin de ouders met de kinderen leven en daarmee de hoogte van de uitgaven voor de kinderen hangt samen met het netto besteedbaar gezinsinkomen.

Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) blijkt dat ouders een bepaald percentage van dat gezinsinkomen aan hun kinderen besteden.

De Tabel eigen aandeel is gebaseerd op dit onderzoek. Het systeem is uitgewerkt in het rapport Kosten van kinderen ten behoeve van vaststelling kinderalimentatie. https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rapport-kosten-kkn-sept-2006.pdf  In 2018 hebben het CBS en het NIBUD voor het laatst onderzoek gedaan naar de percentages van het gezinsinkomen die ouders gemiddeld aan hun kinderen besteden. De bedragen in de Tabel eigen aandeel zijn sinds 2019 gebaseerd op de cijfers uit dit laatste onderzoek. Voor lage inkomens corrigeert het Nibud jaarlijks deze gemiddelde percentages op basis van de minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud. Het Nibud actualiseert de bedragen in de tabel jaarlijks met de meest actuele percentages van de kosten van kinderen en de kinderbijslagbedragen. De bedragen in de tabel worden verder niet geïndexeerd.

We berekenen het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen na scheiding op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in de laatste periode dat de ouders en de kinderen een gezin vormden. Dit omdat de kinderen aan de welstand zoals die aanwezig was toen de ouders met de kinderen nog bij elkaar woonden gewend zijn geraakt en zij door de scheiding van de ouders – in beginsel – niet slechter af zouden moeten zijn.

Het eigen aandeel per kind is lager naarmate er meer kinderen in een gezin leven. Dat komt doordat de gemiddelde kosten per kind (door “schaalvoordelen”) dalen bij meer kinderen.

In de Tabel eigen aandeel houden we geen rekening met de leeftijd(en) van de kinderen.

De tabel is gebaseerd op gemiddelde bedragen aan kinderbijslag. Als er meer kinderen in een gezin zijn, bepalen we het eigen aandeel per kind door het tabelbedrag te delen door het aantal kinderen.

3.2.3 Bepalen eigen aandeel op basis van het laatste gezinsinkomen toen de ouders nog bij elkaar waren

In beginsel bepalen we het eigen aandeel op basis van het gezamenlijke inkomen dat ouders hadden toen zij nog bij elkaar waren, inclusief het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting).

Wanneer we het eigen aandeel vaststellen op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen in een eerder jaar dan het jaar waarin de kinderalimentatie ingaat, indexeren we dat eigen aandeel naar het jaar van ingang. Daarbij maken we gebruik van het indexeringspercentage voor alimentatie (analoog naar/op de voet van artikel 1:402a BW)

3.2.4 Eigen aandeel bij gezinnen met minderjarige kinderen en kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel ziet op kosten van minderjarige kinderen. Bij het gebruik van de tabel gaan we er voor het aantal kinderen van uit dat alle kinderen minderjarig zijn, ook als er naast een minderjarig kind of kinderen één of meer kinderen van 18 tot 21 jaar zijn.

3.2.5 Eigen aandeel bij ouders die nooit met het kind of de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Wanneer ouders nooit in gezinsverband met het betrokken kind of de kinderen hebben samengeleefd, bepalen we het eigen aandeel door het gemiddelde te nemen van het eigen aandeel berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en het eigen aandeel op basis van het inkomen van de andere ouder. Op deze manier beoordelen we de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk ervaart of zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder opgroeit of was opgegroeid. Met (inkomsten van) nieuwe partners houden we geen rekening.

Bij de bepaling van het inkomen van iedere ouder afzonderlijk houden we rekening met het kindgebonden budget en andere (fiscale) aanspraken (zoals de aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting), indien de ouder voldoet aan de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen of zou voldoen als het kind bij hem of haar zou opgroeien (zoals de inkomens- en vermogensgrens). Voor een ouder bij wie het kind niet opgroeit gaat het om een fictief bedrag (alsof het kind alleen bij die ouder zou opgroeien).

3.2.6 Bijzondere kosten

In de tabelbedragen zijn alle gebruikelijke kosten van een kind, zoals voeding, kleding en huisvesting begrepen. Allerlei kosten en activiteiten zijn uitwisselbaar. Zo kunnen ouders het bedrag voor ‘ontspanning’ in het eigen aandeel op verschillende manieren besteden: van voetbal tot paardrijden en van computergame tot vioolles. Uit het CBS-onderzoek blijkt dat hogere uitgaven in een gezin aan de ene post samengaan met lagere uitgaven aan een andere post. Met andere woorden, wanneer een gezin een meer dan gemiddeld bedrag aan bijvoorbeeld kleding besteedt, dan hoeft dat niet te betekenen dat voor de post kleding een correctie moet plaatsvinden. Ouders bezuinigen dan op één of meer andere posten. Vanwege die uitwisselbaarheid kunnen we slechts in globale termen aangeven in welke gevallen naast de tabelbedragen met bijzondere kosten rekening kan worden gehouden.

Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk zijn, dat ouders deze niet kunnen betalen uit de standaardbedragen in de tabel en deze uitgaven daadwerkelijk op het (gezins) inkomen drukken. Voorbeelden zijn de kosten voor:

  • een gehandicapt kind;
  • topsport;
  • privélessen;
  • extra hoge schoolgelden; en
  • kinderopvang of oppaskosten die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag en eeneventuele bijdrage van de werkgever – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten.

[[NOTE: Volgens het rapport Kosten van kinderen behoren ook hoge oppaskosten in verband met de verwerving van inkomsten tot de categorie bijzondere kosten die niet in de tabel verwerkt zijn. Uit onderzoek van het CBS uit de tijd voor de huidige systematiek van financiering van de kinderopvang is echter gebleken dabij een echtpaar oppaskosten niet leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen. Kennelijk worden in die situatie hoge oppaskosten of kosten van kinderopvang gecompenseerd met lagere uitgaven aan een andere post. Hoewel dit onderzoek dateert van de tijd vóór de huidige systematiek van financiering van kinderopvang, acht de expertgroep het aannemelijk dat dit in het merendeel van de gevallen nog steeds zo is. Indien echter sprake is van dermate hoge kosten voor kinderopvang of dermate hoge oppaskosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten, kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag.]]

Bij dergelijke bijzondere extra kosten berekenen we het eigen aandeel als volgt. Als ouders de betreffende extra kosten al voor de scheiding maakten, dan trekken we deze kosten (minus tegemoetkomingen daarop van bijvoorbeeld werkgever of overheid) af van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het eigen aandeel bepalen we vervolgens op basis van het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen. Het nieuwe eigen aandeel bestaat uit het in de tabel gevonden bedrag plus de extra kosten na de scheiding, opnieuw verminderd met de eventuele tegemoetkomingen in die kosten.

Als de kosten pas na de scheiding zijn ontstaan, berekenen we het eigen aandeel op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen zonder correctie en tellen we de bijzondere kosten op bij het gevonden eigen aandeel.

3.2.7 Vermindering of wegvallen van inkomen van één van de ouders na (echt)scheiding

Vermindering of wegvallen van inkomen van een ouder na (echt)scheiding mag geen invloed hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Het welvaartsniveau ten tijde van het uit elkaar gaan blijft in beginsel bepalend. Wel kan dit lagere inkomen tot een lagere draagkracht en dus een lagere bijdrage leiden.

3.2.8 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders

Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen opnieuw en dan op basis van alleen dat hogere inkomen van die ouder.

3.2.9 Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders die nooit met het kind/de kinderen in gezinsverband hebben samengeleefd

Ook voor kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengewoond, vindt de expertgroep dat een aanzienlijke inkomensstijging van één van de ouders invloed moet hebben op de vaststelling van het eigen aandeel. We berekenen het eigen aandeel opnieuw als het netto besteedbaar inkomen van één ouder stijgt tot boven de feitelijke netto besteed- bare inkomens van de ouders samen bij de eerdere vaststelling van het eigen aandeel (de drempel), vermeerderd met het destijds werkelijk genoten kindgebonden budget. Als de inkomensstijging de ouder betreft die voor het betreffende kind of kinderen geen kindge- bonden budget ontvangt, dan verstaan we onder het gestegen netto besteedbaar inkomen dat inkomen zonder bijtelling van een fictief kindgebonden budget.

Als de drempel is gehaald berekenen we het eigen aandeel vervolgens opnieuw op de wijze zoals hiervoor omschreven voor de berekening van het eigen aandeel van ouders die nooit hebben samengewoond, maar dan op basis van de actuele inkomens van de beide ouders.

Daarbij beoordelen we de situatie weer alsof het kind bij die ouder zou wonen, zodat wel met het (fictief) kindgebonden budget waar dan aanspraak op zou bestaan rekening moet worden gehouden én met eventuele heffingskortingen waar in die – fictieve – situatie aanspraak op zou bestaan.

3.2.10 De behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar

De Tabel eigen aandeel kunnen we niet gebruiken voor het bepalen van de behoefte van kinderen van 18 tot 21 jaar.

Studerenden

Voor kinderen van 18 tot 21 jaar die onder de Wet studiefinanciering (Wsf) vallen heeft de expertgroep geen aparte maatstaven ontwikkeld. We nemen voor het bepalen van de behoefte de normen van de Wsf tot uitgangspunt. Volgens de Wsf bestaat het budget voor een student uit een normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, een tegemoetkoming

in de kosten van lesgeld danwel het collegegeldkrediet en de reisvoorziening. Een student die stelt voor één of meer bepaalde posten een hoger budget nodig te hebben, moet dat aannemelijk maken. De aanspraken die een student heeft op studiefinanciering of een andere tegemoetkoming (zoals een bijdrage uit een privaat studiefonds) kunnen de behoefte onder omstandigheden verlagen. In het algemeen zijn de basisbeurs en de aanvullende beurs (een gift) behoefte verlagend, omdat van een student in redelijkheid mag worden verlangd dat hij binnen de genoemde termijn een diploma haalt. De rentedragende lening en het collegegeldkrediet moeten wel altijd worden terugbetaald en verlagen de behoefte in beginsel niet.

Heeft een thuiswonende student geen woonlast, dan kan dat de behoefte verlagen, bijvoorbeeld met een bedrag ter hoogte van de gemiddelde basishuur.

Niet studerenden

Voor niet-studerenden van 18 tot 21 jaar kunnen we bij het bepalen van de behoefte eveneens aansluiten bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de Wsf.

De bedragen voor studiekosten (boeken en leermiddelen) die in de norm zitten, trekken we daar dan van af.

Eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar

Structurele eigen inkomsten van kinderen van 18 tot 21 jaar kunnen de behoefte verlagen.

Kind van 18 tot 21 jaar ontvangt zorgtoeslag

Uit het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud wordt een kind van 18 tot 21 jaar geacht ook de premie voor de zorgverzekering te voldoen. In dat normbedrag is al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag. Een eventuele zorgtoeslag hoeven we dus niet nog afzonderlijk in mindering te brengen.

3.2.11 De behoefte van kinderen vanaf 21 jaar

Ook een kind van 21 jaar en ouder kan behoefte hebben aan een bijdrage in zijn levensonderhoud.

Anders dan kinderen tot 21 jaar, kan een meerderjarig kind in beginsel alleen aanspraak maken op een bijdrage van een (van de) ouder(s) wanneer dat kind behoeftig is. Daarvan is sprake als het niet in staat is om (geheel) in het eigen levensonderhoud te voorzien omdat het:

a. de nodige eigen middelen mist en

b. deze in redelijkheid niet kan verwerven.

De behoefte van een kind vanaf 21 jaar kunnen we vervolgens op dezelfde wijze bepalen als die van kinderen van 18 tot 21 jaar.

3.3 Behoefte van de ex-partner

3.3.1 Inleiding

Voor het bepalen van de netto behoefte in het kader van partneralimentatie heeft de rechtspraak een eenvoudig te hanteren vuistregel ontwikkeld: de zogenoemde hofnorm.

De hofnorm berust op de algemene ervaringsregel dat de kosten van twee afzonderlijke huishoudens (dus na scheiding) hoger zijn dan de helft van de kosten van een gezin.

De hofnorm is volgens de expertgroep een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde na het verbreken van het huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn geen inkomen van de onderhoudsgerechtigde ouder, maar zijn bedoeld voor de kinderen. Deze bedragen maken daarom geen deel uit van het eigen inkomen of de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde.

3.3.2 Toepassing van de hofnorm

Uitgangspunt bij toepassing van de hofnorm is dat het gehele netto besteedbaar gezinsinkomen beschikbaar is geweest voor het levensonderhoud van beide partijen.

Wanneer in het gezin kinderen waren voor wie de ouders onderhoudsplichtig waren, dan verminderen we het netto besteedbaar gezinsinkomen met het eigen aandeel van de ouders in de kosten van die kinderen.

De behoefte op basis van de hofnorm bedraagt dan Netto besteedbaar gezinsinkomen

€ .....

Af: Eigen Aandeel kosten kinderen voor wie ouders onderhoudsplichtig waren

€ ..... -/-

Beschikbaar tijdens huwelijk / geregistreerd partnerschap

 ..... 

Behoefte: 60 %

€ .....

Toepassing van de hofnorm heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook. Indien een partij het niet eens is met de behoefte die is berekend aan de hand van de hofnorm, ligt het op de weg van die partij om toepassing van de hofnorm gemotiveerd te betwisten.

3.3.3 Nieuwe relatie onderhoudsgerechtigde zonder ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1:160 BW

Een nieuwe relatie van de onderhoudsgerechtigde die niet het karakter heeft van ‘samen- leven als waren zij gehuwd’ of ‘als waren zij geregistreerd partner’ kan behoefte verlagend werken.

4. DRAAGKRACHT

4.1 Algemeen

Bij het bepalen van de hoogte van het bedrag van kinder- en partneralimentatie houden we (naast de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, zie hoofdstuk 3) rekening met de draagkracht van de onderhoudsplichtige(n) (vgl. art. 1:397, lid 1, BW). Wij hanteren als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige voor het eigen levensonderhoud naast een bedrag voor wonen en ziektekosten ten minste een bedrag ter grootte van de bijstandsnorm nodig heeft.

Bij kinderalimentatie kunnen we het begrip draagkracht omschrijven als het bedrag dat een ouder kan bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Bij partner­ alimentatie ziet het begrip draagkracht op het bedrag dat de onderhoudsplichtige (maximaal) kan betalen aan partneralimentatie. De expertgroep hanteert bij het bepalen van draagkracht als uitgangspunt dat een onderhoudsplichtige na het betalen van alimen- tatie genoeg geld overhoudt om in het eigen levensonderhoud te voorzien.

In par. 4.2.1. geven wij aan de hand van een kernschema aan hoe we draagkracht voor kinder- en partneralimentatie bepalen. In par. 4.2.2 volgt een toelichting op de begrippen die we daarbij gebruiken.

In par. 4.3 en verder gaan we in op van de verdeling van de kosten van de kinderen over de ouders en de berekening van het bedrag van kinderalimentatie.

In par. 4.4 gaan we in op de berekening van draagkracht voor en het bedrag aan partneralimentatie.

In par. 4.5 en verder staan we stil bij enkele bijzondere situaties.

4.2 Berekening van draagkracht voor kinderalimentatie en partneralimentatie (algemeen)

4.2.1. Kernschema voor het berekenen van draagkracht

Draagkracht voor kinder- en partneralimentatie berekenen we aan de hand van het volgende kernschema:

inkomsten    
  Netto besteedbaar inkomen volgens bruto of netto methode €...  
  (alleen bij kinderalimentatie) kindgebonden budget €... +  
  €...
af: lasten    
  Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € …  
  Woonbudget (30% van het NBI) € …  
  Andere noodzakelijke lasten € … +  
Draagkrachtloos inkomen   €…
Draagkrachtruimte   €...

Draagkracht is een percentage (draagkrachtpercentage) van het bedrag aan draagkrachtruimte.

4.2.2 Toelichting op de begrippen in het kernschema

4.2.2.1 Netto besteedbaar gezinsinkomen en netto besteedbaar inkomen

Zie voor de uitleg van deze begrippen hoofdstuk 2.

4.2.2.2 Draagkrachtloos inkomen

Het bedrag dat de onderhoudsplichtige nodig heeft voor zijn eigen noodzakelijke lasten en dat daarom geen draagkracht voor het betalen van alimentatie oplevert, noemen we het draagkrachtloos inkomen. Het draagkrachtloos inkomen bestaat uit de gecorrigeerde bijstandsnorm, het woonbudget en andere noodzakelijke lasten.

4.2.2.3 (Gecorrigeerde) bijstandsnorm

Bij de bepaling van de draagkracht hanteren we als uitgangspunt dat de onderhoudsplichtige voor zichzelf ten minste het bestaansminimum moet behouden naast een redelijk gedeelte van zijn draagkrachtruimte. Het bestaansminimum bepalen we aan de hand van de bijstandsnorm. Dat is het bedrag dat de onderhoudsplichtige bij afwezigheid van eigen middelen van bestaan als uitkering krachtens de Participatiewet zou ontvangen. Dit bedrag is afhankelijk van de (nieuwe) gezinssituatie. De Participatiewet onderscheidt diverse categorieën. Daarvan zijn er drie voor de draagkrachtberekening van belang: alleenstaanden (daaronder zijn ook alleenstaande ouders –ongeacht het aantal kinderen – begrepen), gehuwden (met of zonder kinderen) en pensioengerechtigden in de zin van art. 7a eerste lid van de Algemene Ouderdomswet. In artikel 22 Participatiewet is de verhoogde norm voor pensioengerechtigden opgenomen. In beginsel rekenen we met de  norm voor een alleenstaande en houden we geen rekening met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet. Wel houden we rekening met de verhoogde norm voor pensioengerechtigden. De jongerennorm passen we niet toe.

Het bedrag van de bijstandsnorm verminderen we met de in de bijstandsnorm begrepen componenten voor wonen en zorgkosten en vermeerderen we met een vast bedrag voor de kosten van de zorgverzekering en – afhankelijk van de hoogte van het netto besteed- baar inkomen – een bedrag voor onvoorziene uitgaven. In het kernschema noemen we de uitkomst daarvan de gecorrigeerde bijstandsnorm.

Aldus bepalen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm (2026, eerste halfjaar) als volgt:

Rekenvoorbeeld alleenstaande tot 67 jaar

Bijstandsnorm tot 67 jaar  € 1.402  
Wooncomponent in bijstandsnorm € 201  
Bijstandsnorm zonder woonkosten   € 1.201
Premie Zvw  € 177  
Normpremie Zvw € 65  
Totaal ziektekosten   € 111
Onvoorzien   € 50 
Gecorrigeerde bijstandsnorm (afgerond op € 5)   € 1.365

Voor AOW-gerechtigden geldt op grond van de Participatiewet een bijstandsnorm van € 1.565 (2026, eerste halfjaar). Voor hen verhogen we het bedrag van de gecorrigeerde bijstandsnorm tot € 1.525.

4.2.2.4 Woonbudget

De onderhoudsplichtige wordt geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij zijn/haar inkomen te kunnen voldoen. Daaronder verstaan we onder meer:

  • voor een huurwoning: de huur (verminderd met eventuele huurtoeslag), verplichte servicekosten en lokale belastingen;
  • voor een koopwoning: de rente over de eigenwoningschuld verminderd met het fiscaal voordeel in verband met de eigen woning, gangbare aflossingen op die schuld, inleg voor spaar- of beleggingspolissen die aan de hypotheek zijn gekoppeld, premie voor de opstalverzekering, lokale belastingen en polder- of waterschapslasten en onderhoudskosten.

Voor zowel huur- als koopwoningen geldt dat de onderhoudsplichtige (redelijke) lasten voor gas, water en licht die meer bedragen dan het bedrag dat hij vanuit de bijstandsnorm kan voldoen ook vanuit het woonbudget moet betalen.

Als een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk hogere woonlasten heeft dan het woonbudget kunnen we met die extra lasten rekening houden als we kunnen vaststellen dat deze lasten niet vermijdbaar zijn en dat het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten (zie 4.6.2).

Indien (mogelijk) sprake is van een tekort aan draagkracht om in de behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duur- zaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, bijvoorbeeld omdat deze samenwoont, kan er reden zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen.(Hoge Raad 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:586.) Het ligt op de weg van de onderhoudsplichtige om in dat geval inzicht te geven in de eigen werkelijke woonlasten. Indien een onderhoudsplichtige samenwoont met een nieuwe partner, is bij de beoordeling of bij de onderhoudsplichtige sprake is van een duurzaam aanmerkelijk lagere werkelijke woonlast het uitgangspunt dat de partner de helft van de gezamenlijke woonlast kan dragen.

Het fiscaal voordeel dat betrekking heeft op de eigen woning tellen we niet bij het netto besteedbaar inkomen. Het fiscaal voordeel met betrekking tot de eigen woning evenals andere fiscale aspecten spelen wel een rol bij de bepaling van het verzamelinkomen, dat relevant is voor (bijvoorbeeld) de berekening van het kindgebonden budget.

4.2.2.5 Andere noodzakelijke lasten

Bij het bepalen van draagkracht kunnen we naast de gecorrigeerde bijstandsnorm en het woonbudget rekening houden met lasten van de onderhoudsplichtige die niet vermijdbaar en ook niet verwijtbaar zijn aangegaan of voortbestaan. We noemen die lasten ‘andere noodzakelijke lasten’. Een voorbeeld van een dergelijke last is de aflossing op schulden waarvoor beide partijen draagplichtig zijn. In par. 4.6.2 gaan we hier dieper op in.

4.2.2.6 Draagkrachtruimte

Het verschil tussen het netto besteedbaar inkomen en het draagkrachtloos inkomen noemen we de draagkrachtruimte. Bij een positieve draagkrachtruimte is de onderhoudsplichtige in staat alimentatie te betalen.

4.2.2.7 Draagkrachtpercentage, draagkracht en vrije ruimte

We hanteren als uitgangspunt dat we vanaf een bepaald inkomen niet de gehele draag- krachtruimte gebruiken voor het opleggen van een onderhoudsverplichting, maar dat we slechts een bepaald percentage daarvan bestempelen als draagkracht. Dit percentage noemen we het draagkrachtpercentage. We verdelen de draagkrachtruimte daardoor over onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde(n) in een verhouding die vastligt in het draagkrachtpercentage. Alle onderhoudsverplichtingen brengen we in beginsel ten laste van de draagkracht.

Voor kinderalimentatie is het beschikbare percentage te vinden in de draagkrachttabel (bijlage 4). Voor partneralimentatie hanteren we 60% procent als draagkrachtpercentage.

De resterende 40% van de draagkrachtruimte noemen we de vrije ruimte. Dit bedrag kan de onderhoudsplichtige gebruiken om vrij te besteden en/of om al dan niet tijdelijk hogere lasten van te betalen.

4.3 Bepalen van draagkracht voor kinderalimentatie voor kinderen tot 21 jaar

4.3.1 Inleiding

Ouders (en in voorkomend geval een stiefouder) zijn verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van hun minderjarige kinderen en hun meerderjarige kinderen tot 21 jaar. In de praktijk komt het er voor minderjarige kinderen op neer dat de ene ouder aan de andere ouder (in de regel de ouder waar het kind het hoofdverblijf heeft) kinderalimentatie betaalt. Die andere ouder betaalt zelf ook mee aan de kosten van de kinderen. Waar wij hierna spreken over het bepalen van de draagkracht voor kinderalimentatie, bedoelen wij tevens het bepalen van de draagkracht van de verzorgende ouder om bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding/de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen.

Kinderalimentatie heeft voorrang op alle andere onderhoudsverplichtingen. Daarom nemen we bij de bepaling van de draagkracht voor kinderalimentatie alleen de financiële situatie van de onderhoudsplichtige(n) in aanmerking. We houden geen rekening met een nieuwe partner/echtgeno(o)t/geregistreerde partner. De gedachte hierachter is dat een nieuwe partner in staat moet worden geacht in het eigen levensonderhoud te voorzien, terwijl we dit van een kind niet verwachten.

4.3.2 De draagkrachttabel (Bijlage 5)

In de draagkrachttabel in bijlage 5 geven we aan hoe we de draagkracht voor kinderalimentatie – uitgaande van het kernschema – bij een bepaald netto besteedbaar inkomen bepalen.

Daarvoor tellen we het na de scheiding (te) ontvangen kindgebonden budget op bij het netto besteedbaar inkomen van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt. (Zie ECLI:NL:HR:2015:3011.)

Vanaf een bepaald netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget (2026: € 2.100) hanteren we een draagkrachtpercentage van 70%. Bij lagere netto besteedbare inkomens is het draagkrachtpercentage hoger. Er resteert dan een lager of geen bedrag aan vrije ruimte.

Zie hiervoor de draagkrachttabel.

Bij de lagere inkomens verlagen we in de gecorrigeerde bijstandsnorm de post ‘onvoorzien’.

Bij een netto besteedbaar inkomen plus kindgebonden budget van € 1.950 (2026) of minder, gaan we uit van een minimumdraagkracht van € 25 voor één kind en € 50 voor twee of meer kinderen.

Vanaf de AOW-leeftijd gelden andere bedragen.

4.3.3 Ouder(s) met een uitkering krachtens de Participatiewet of met een inkomen tot bijstandsniveau

We nemen geen draagkracht aan bij een ouder bij wie een kind het hoofverblijf heeft en die een bijstandsuitkering ontvangt, ook niet als die ouder een kindgebonden budget ontvangt.

Het aannemen van draagkracht in een dergelijk geval leidt er namelijk toe dat het aandeel in de kosten van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft lager wordt. Dat zou de verhaalsmogelijkheid van de bijstand door de gemeente beperken. Daardoor draagt de gemeente (en niet de betreffende ouder) een deel van de kosten van de kinderen.

Bij een niet-verzorgende ouder met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij één of beide ouders met een inkomen tot bijstandsniveau beveelt de expertgroep aan om wel een minimumdraagkracht aan te nemen. De bijdrage kan desondanks lager dan de minimum draagkracht uitvallen, bijvoorbeeld door de zorgkorting of als sprake is van niet vermijdbare

en niet vermijdbare lasten (zie par. 4.6.2 en verder).

Ter verduidelijking dient het volgende schema:

 

Minimale 

Draagkrachtvergelijking?
(par. 4.3.4)
Verzorgende ouder met bijstandsuitkering Nee Nee
Verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met bijstandsuitkering Ja Ja *
Niet-verzorgende ouder met inkomen tot bijstandsniveau Ja Ja *

* Alleen als de gezamenlijke draagkracht van de ouders meer is dan het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen.

4.3.4 Verdelen van het eigen aandeel over de ouders met een draagkrachtvergelijking en toepassen van de zorgkorting

Nadat we het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen hebben bepaald en de draagkracht van de ouders hebben vastgesteld, kunnen we berekenen welk bedrag iedere ouder moet bijdragen in de kosten van de kinderen.

De verplichting tot bijdragen van een onderhoudsplichtige is mede afhankelijk van de draagkracht van andere onderhoudsplichtigen. Indien de ouders na de scheiding samen voldoende draagkracht hebben om volledig in het eigen aandeel te voorzien, berekenen we wie welk deel van dat eigen aandeel moet dragen. Hiervoor maken we een draagkrachtvergelijking.

Het is niet nodig een draagkrachtvergelijking te maken als de gezamenlijke draagkracht van de ouders gelijk is aan of minder is dan het eigen aandeel. Dan beperken we de bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder tot diens draagkracht. We houden bij het bepalen van de draagkracht wel rekening met een extra heffingskorting en/of een kindgebonden budget waarvoor een ouder door aanwezigheid van deze kinderen in aanmerking kan komen.

Bij een gezamenlijke draagkracht die gelijk is aan het eigen aandeel of bij een tekort, verdelen we de beschikbare draagkracht in beginsel gelijk over alle kinderen waarvoor de betrokkene onderhoudsplichtig is, tenzij er een aantoonbaar verschil is in het eigen aandeel voor het ene en het andere kind.

4.3.5 Zorgkorting

Bij een zorg- of omgangsregeling voorziet de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft gedurende de tijd dat het kind bij die ouder verblijft ‘in natura’ in een deel van de kosten van het kind. Om die reden dalen de kosten die de ouder bij wie het kind het hoofverblijf heeft. We bepalen de kosten van de zorgregeling op basis van een percentage van het eigen aandeel. Dit percentage is afhankelijk van het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft.

We berekenen de zorgkorting over het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de betreffende tabel. We houden dus geen rekening met extra kosten.

De zorgkorting is:

  • 5% bij gedeelde zorg gedurende minder dan 1 dag per week;
  • 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
  • 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
  • 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.

De zorgkorting bedraagt in beginsel ten minste 5% van het eigen aandeel (tabelbedrag), omdat ouders onderling en jegens het kind het recht en de verplichting hebben tot omgang.

In ieder geval tot dat bedrag zou de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in de zorg moeten kunnen voorzien.

Verder hanteren we het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de ‘verblijfsoverstijgende kosten’ (zoals schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke) draagt. Daarvoor heeft deze ouder 30% van het eigen aandeel vermeerderd met de kinderbijslag ter beschikking.

Behoefte en draagkracht bepalen de bijdrage per ouder (financieel en in natura). Als de ouders samen voldoende draagkracht hebben en de zorgkorting hoger is dan de draagkracht van de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft, dan kan die ouder verzoeken dat de andere ouder dat verschil betaalt. (Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924)

Uitzonderingen op toepassing van de zorgkorting zijn mogelijk, bijvoorbeeld indien de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft, zijn of haar verplichting tot omgang of verdeling van de zorg niet nakomt.

Zorgkorting bij co-ouderschap

Co-ouderschap is een niet-wettelijke term die in de praktijk gangbaar is voor verschillende varianten van gedeelde zorg. Ook hier is het uitgangspunt dat de ouders naar rato van hun draagkracht in de kosten van een kind bijdragen. De zorgkorting verwerken we op de in hoofdstuk 5 bij stap 6 beschreven wijze in de berekening, waarbij wij geen onderscheid maken tussen ruime zorgregelingen en co-ouderschap.

Het is mogelijk dat de co-ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft voor de inkomstenbelasting voor een kind aanspraak maakt op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Als dat het geval is houden we hier rekening mee bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van die ouder.

4.4 Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

4.4.1 Inleiding

Bij de berekening van draagkracht voor partneralimentatie gelden grotendeels dezelfde uitgangspunten als die wij hiervoor bij de kinderalimentatie hebben uiteengezet. Ook hier is het netto besteedbare inkomen van de onderhoudsplichtige het vertrekpunt.

4.4.2 Afwijkingen in het kernschema

Op grond van artikel 1:400, lid 1, BW heeft kinderalimentatie voorrang boven alle andere onderhoudsverplichtingen. Als de gewezen partner niet alleen aanspraak maakt op partneralimentatie, maar ook op kinderalimentatie, maken we eerst een draagkrachtberekening voor kinderalimentatie. Op basis van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders maken we een draagkrachtvergelijking.

Vervolgens maken we een draagkrachtberekening op de hiervoor onder 4.2.1 omschreven wijze voor de vaststelling van partneralimentatie. Het aandeel van de ouder in de kosten van de kinderen brengen we in mindering op de berekende draagkracht. De resterende draagkracht kunnen we aanwenden voor partneralimentatie.

Anders dan bij kinderalimentatie tellen we bij het berekenen van draagkracht voor partneralimentatie een eventueel (te) ontvangen kindgebonden budget niet op bij het netto besteedbare inkomen.

Fiscale aftrekbaarheid betaalde partneralimentatie

Bij partneralimentatie heeft de onderhoudsplichtige op grond van artikel 6.3, lid 1, Wet IB 2001 recht op een persoonsgebonden aftrekpost voor de betaalde alimentatie.

De onderhoudsplichtige die inkomstenbelasting verschuldigd is, kan in het betreffende jaar in aanmerking komen voor vermindering of teruggaaf van inkomensheffing. Dit noemen we ook wel 'fiscaal voordeel'.

Als de onderhoudsplichtige aanspraak kan maken op een fiscaal voordeel omdat hij/zij partneralimentatie betaalt, is sprake van ‘extra draagkracht’ gelijk aan het voorzienbare fiscaal voordeel. Bij de laagste inkomens laten we deze extra draagkracht buiten beschouwing, omdat door heffingskortingen toch al vrijwel geen inkomsten­ belasting hoeft te worden betaald. Bij hogere inkomens hevelen we het fiscaal voordeel in de bruto methode over naar de onderhoudsgerechtigde(n).

4.5 Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)

Als sprake is van eigen inkomen van een onderhoudsgerechtigde en/of van een relatief hoge behoefte en draagkracht, kan het redelijk zijn dat we de financiële situatie van partijen nader vergelijken. De expertgroep vindt het redelijk dat de onderhoudsgerechtigde inclusief de partneralimentatie niet meer te besteden heeft dan de onderhoudsplichtige. Met andere woorden: de onderhoudsgerechtigde hoeft niet in een betere financiële positie te worden gebracht dan de onderhoudsplichtige. Daarvoor berekenen we bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde nemen we mee in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget door de betreffende partij. Als voor de onderhoudsgerechtigde dan een hoger bedrag resteert dan voor de onderhoudsplichtige vindt een correctie van de hoogte van de alimentatie plaats en verlagen we deze in beginsel tot een zodanige alimentatie waarbij beide partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben. Met behulp van een alimentatierekenprogramma kan dit bedrag eenvoudig worden berekend.

De kinderalimentatie die de onderhoudsgerechtigde ontvangt, rekenen we toe aan de desbetreffende kinderen en geldt voor die ouder niet als inkomen. Wel houden we bij de bepaling van het inkomen van die ouder rekening met de eventuele inkomensafhankelijke combinatiekorting in verband met de aanwezigheid van kinderen in het gezin.

Het schema (in een situatie waarin de onderhoudsplichtige een niet vermijdbare extra last heeft en kinderalimentatie betaalt, terwijl de onderhoudsgerechtigde een kindgebonden budget ontvangt) kan voorgaande beschrijving van een vergelijking verduidelijken.

Onderhoudsplichtige   Onderhoudsgerechtigde    
NBI volgens post 120 € ... NBI volgens post 120   € ...
Af: niet vermijdbare lasten € ...      
Resteert € ...      
Af: aandeel in kosten kinderen € ... Af: aandeel in kosten kinderen € ...  
    Minus ontvangen KGB € ...  
    Totaal kosten kinderen (KGB > aandeel: 0)   € ...
Inkomen voor vergelijking € ... Inkomen voor vergelijking   € ...

De beide inkomens voor de vergelijking tellen we vervolgens bij elkaar op en delen we door twee. Als de onderhoudsgerechtigde na betaling van de berekende partneralimentatie een hoger bedrag overhoudt dan de uitkomst van die som, dan stellen we dat bedrag op verzoek van de alimentatieplichtige naar beneden bij.

4.6 Bijzondere omstandigheden die de draagkracht kunnen beïnvloeden

4.6.1 Inleiding

Een alimentatieverplichting die een rechter heeft opgelegd mag niet tot gevolg hebben dat de onderhoudsplichtige niet meer in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin we met een hoger draagkrachtloos inkomen rekening houden dan enkel de som van de (forfaitaire) woonlast en de gecorri-  geerde bijstandsnorm.

Als een onderhoudsplichtige niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten heeft, kunnen we met die lasten rekening houden bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen.

Zie par. 4.6.2.

Als een onderhoudsplichtige lasten heeft die we als niet-vermijdbaar maar wel als verwijtbaar aanmerken, dan kan dat reden zijn om de aanvaardbaarheidstoets toe te passen.

Die houdt – kort gezegd – in dat we toetsen of een onderhoudsplichtige na aftrek van zijn lasten (waaronder alimentatie) minder dan 95% van de geldende bijstandsnorm overhoudt.

Zie par. 4.6.3.

In par. 4.6.4 beschrijven we hoe we kunnen omgaan met de draagkracht van iemand die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering of in een buitenwettelijk schuldsaneringstraject is opgenomen.

Hoe we omgaan met een inkomensverlies dat een onderhoudsplichtige zelf heeft veroorzaakt behandelen we in par. 4.7.(ECLI:NL:HR:1998:ZC2556)

In par. 4.10 gaan we in op de draagkracht bij verpleging van een onderhoudsplichtige in een instelling voor langdurige zorg.

4.6.2 Lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn

We kunnen het draagkrachtloos inkomen verhogen als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, ongeacht of die lasten voor, tijdens of na het huwelijk zijn ontstaan. Na deze verhoging brengen we het draagkrachtloos inkomen in mindering op het netto besteedbaar inkomen. Wat overblijft is de draagkrachtruimte. Daarvan is in beginsel 70% beschikbaar voor kinderalimentatie en 60% voor partneralimentatie. De resterende 30% respectievelijk 40%: de draagkrachtvrije ruimte, dient -mede- om financiële tegenvallers op te vangen.

Een vermijdbare last is een last waarvan de betaler zich geheel of gedeeltelijk kan bevrijden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de betaler de schuld met spaartegoed kan aflossen. De betaler kan zich dan geheel bevrijden van de last. Als de betaler de hoogte van zijn maandelijkse aflossingen kan verlagen, kan hij zich gedeeltelijk van die last bevrijden: de hogere aflossing is dan vermijdbaar. Ook een last die een betaler ergens anders binnen het budget kan opvangen is vermijdbaar (bijvoorbeeld binnen de post ‘onvoorzien’ in de gecorrigeerde bijstandsnorm of met de draagkrachtvrije ruimte). Omdat een vermijdbare last niet op het inkomen hoeft te drukken, houden we daar geen rekening mee in de draagkrachtberekening.

Een verwijtbare last is een last die de onderhoudsplichtige met het oog op zijn onder- houdsverplichting niet had mogen laten ontstaan of die hij niet mag laten voortbestaan.

Een verwijtbare last drukt wel op het inkomen van de onderhoudsplichtige, maar heeft geen voorrang op de betaling van alimentatie. De onderhoudsplichtige dient deze last in beginsel uit zijn vrije ruimte te voldoen. Indien door het opleggen van een alimentatieverplichting een onaanvaardbare situatie zou ontstaan, kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets (zie hierna par. 4.6.3).

Een last die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is, drukt op het inkomen van de onderhouds­plichtige: hij kan zich niet van die last bevrijden. Een dergelijke last nemen we daarom op in het draagkrachtloos inkomen als deze last voorrang moet hebben op de kosten van ver­ zorging en opvoeding, levensonderhoud en studie van de kinderen en/of de kosten van levensonderhoud van de ex-partner.

Voorbeelden van lasten die op deze wijze in het draagkrachtloos inkomen zouden kunnen worden opgenomen zijn (niet uitputtend):

  • Rente en aflossing van de restschuld van de voormalige gezamenlijke woning;
  • Herinrichtingskosten (voor zover niet te bestrijden uit het woonbudget);
  • Kosten voor (verplichte) bijstand van een advocaat;
  • Reiskosten voor werk.

Woonlasten voormalige echtelijke woning als niet verwijtbare en niet vermijdbare last

Als een onderhoudsplichtigde lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk) betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget voor beiden aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

4.6.3 Verwijtbare lasten: de aanvaardbaarheidstoets

Elke onderhoudsplichtige dient de eigen financiële huishouding en daarmee zijn of haar draagkracht zo goed mogelijk in te richten. Het aangaan van extra lasten kan verwijtbaar zijn als de onderhoudsplichtige die last met het oog op zijn of haar onderhoudsverplichting niet had mogen aangaan of laten voortbestaan. Met een verwijtbare last houden we bij het bepalen van de draagkracht geen rekening.

Als de onderhoudsplichtige zich niet van die verwijtbare last kan bevrijden en na betaling van de op te leggen alimentatie niet meer in staat is om in de eigen noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, dan kan hij of zij een beroep doen op de aanvaardbaarheidstoets.

In het algemeen vinden we dat sprake is van een onaanvaardbare situatie als de onderhoudsplichtige minder dan 95% van het voor hem of haar geldende bedrag van de bijstandsnorm (art. 22a Participatiewet) overhoudt om in de noodzakelijke lasten te voorzien. De onderhoudsplichtige moet – onderbouwd met onderliggende stukken – stellen dat van een dergelijke situatie sprake is door volledig en duidelijk inzicht te geven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen.

4.6.4 Schuldsanering

Een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen. (Zie voor wat betreft de minnelijke schuldsanering ook ECLI:NL:HR:2024:340, Hoge Raad, 08-03-2024, 23/00570.)

Onder omstandigheden mogen we van de onderhoudsplichtige ouder verwachten dat hij van deze mogelijkheid gebruik maakt, bijvoorbeeld indien duidelijk is dat de financiële positie van de ouders gezamenlijk zodanig is dat sprake is van een klemmend tekort om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Als de rechter-commissaris geen rekening houdt met de zorg- of onderhoudsverplichting of als een toegekende correctie onvoldoende is om aan de alimentatieplicht te voldoen, dan beveelt de expertgroep aan de te betalen bijdrage op nihil te bepalen voor de duur van de schuldsanering.

Voor een ouder die een minnelijk schuldsaneringstraject doorloopt, geldt hetzelfde: deze kan de bewindvoerder vragen bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag rekening te houden met de onderhoudsverplichting voor zijn kinderen.

4.7 Inkomensverlies van een onderhoudsplichtige

Nadat partijen de hoogte van kinder- en/of partneralimentatie zijn overeengekomen of de rechter die heeft vastgesteld, kan de hoogte van het inkomen van een onderhoudsplichtige veranderen. Als een onderhoudsplichtige buiten zijn schuld (een deel van) zijn inkomen verliest, houden we in beginsel rekening met het nieuwe (lagere) inkomen. We verwachten van die onderhoudsplichtige dat hij er alles aan doet om snel weer zijn oude inkomen te verwerven. Als dat niet lukt dan ligt het op zijn weg om dit te stellen en te onderbouwen.

Indien een onderhoudsplichtige zelf een inkomensvermindering heeft veroorzaakt, hangt de beslissing om deze vermindering van inkomen bij de bepaling van zijn draagkracht al dan niet buiten beschouwing te laten af van het antwoord op de vraag of:

1. hij redelijkerwijs het oude inkomen weer kan verwerven; en

2. of dit van hem kan worden gevergd.

Is het antwoord op beide vragen positief, dan gaan we uit van het oorspronkelijke inkomen.

Is echter het antwoord op (één van) beide vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of we een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing laten. In het bijzonder moeten we bezien of de onderhoudsplichtige uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde zich met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid. Is dat niet het geval, dan rekenen we met het nieuwe verminderde inkomen.

Is dat wel het geval dan rekenen we met het oude fictieve inkomen. Het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering mag in beginsel niet ertoe leiden dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij de voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt en in ieder geval niet over minder dan 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Hierbij gaan we in beginsel ervan uit dat de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a Participatiewet niet voor hem geldt.

4.8 Uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn

Bij uitgaven die fiscaal aftrekbaar zijn hanteren wij het volgende uitgangspunt: wanneer we die uitgaven als persoonsgebonden aftrekpost meenemen bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen, dan nemen wij die uitgaven ook mee als lasten bij de berekening van de draagkracht en de alimentatie. Als we bepaalde (aftrekbare) uitgaven niet meenemen als lasten bij de berekening van de draagkracht van de onderhoudsplichtige, dan nemen we de fiscale voordelen van deze uitgaven ook niet mee in de berekening. Anders zouden we alleen de ‘lusten’ optellen bij het netto besteedbaar inkomen en de lasten niet meenemen bij het berekenen van het draagkrachtloos inkomen. Op sommige werknemers en op de genieters van resultaat uit overige werkzaamheden, ondernemers en directeuren-grootaandeelhouder zijn de werknemersverzekeringen en/of pensioenvoorzieningen niet van toepassing. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen, bijvoorbeeld in verband met arbeidsongeschiktheid of pensioen, kunnen we, indien deze niet bovenmatig zijn, in aanmerking nemen. Bij de vaststelling van de draagkracht voor partneralimentatie wordt het netto besteedbaar inkomen verminderd met de netto premie, dat wil zeggen de premie verminderd met eventueel fiscaal voordeel.

4.9 Fiscale gevolgen van het hebben van een auto van de zaak

Met de fiscale bijtelling vanwege een auto van de zaak houden we geen rekening.

4.10 Draagkracht bij verpleging in een instelling voor langdurige zorg

Een onderhoudsplichtige die wordt verpleegd in een instelling voor langdurige zorg is daarvoor een eigen bijdrage verschuldigd. Conform de handelwijze van het Centraal Administratie Kantoor (CAK) stellen we deze bijdrage vast op basis van het verzamelinkomen van de onderhoudsplichtige. We kunnen onder omstandigheden rekening houden met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen en kinderen tussen de 18 en 21 jaar. Het verdient aanbeveling de draagkracht zo te berekenen dat we het netto inkomen van de onderhoudsplichtige verminderen met de noodzakelijke lasten (denk aan kleding en ontspanning en de eigen bijdrage.

5. Stappenplannen en rekenvoorbeelden

5.1 Stappenplan kinderalimentatie

We laten hierna in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan kinderalimentatie bepalen. Na het stappenplan geven we enkele rekenvoorbeelden voor bijzondere situaties.

De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken. De bedragen in de rekenvoorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Waar we hierna bij het berekenen van draagkracht ‘ouders’ schrijven, bedoelen we ook onderhoudsplichtige stiefouders.

Stap 1: Vaststellen van het eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen

Voor het vaststellen van het eigen aandeel bepalen we eerst het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving. netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van huwelijk/samenleving.

Rekenvoorbeeld

Besteedbaar inkomen ouder I € 1.800
Besteedbaar inkomen ouder II € 1.150
Aanspraak kindgebonden budget € 50
Totaal besteedbaar gezinsinkomen € 3.000

Aan de hand van de Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen (Bijlage 4) bepalen we op basis van het netto besteedbaar gezinsinkomen inclusief kindgebonden budget het eigen aandeel. Voor een gezin met één kind is dat € 395 per maand.

In de tabellen voor 2026 is rekening gehouden met kinderbijslag vanaf 1 januari 2026. De kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 geïndexeerd. Het eigen aandeel in de kosten van kinderen voor 2026 valt daardoor - bij hetzelfde inkomen als in 2025 - tot € 10 per maand lager uit.

Rekenvoorbeeld berekenen eigen aandeel bij netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee kolombedragen

Ligt het netto besteedbaar gezinsinkomen tussen twee tabelbedragen in, dan verhogen we het eigen aandeel vanaf het laagste tabelbedrag naar rato.

Stap 2: Bepalen van de draagkracht van de ouders

Rekenvoorbeeld bepalen draagkracht ouders

De draagkracht van een ouder berekenen we in beginsel op basis van het eigen netto besteedbaar inkomen en (indien van toepassing) het kindgebonden budget op het moment dat de kinderalimentatie ingaat of wijzigt.

De ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft (in dit voorbeeld: ouder I) heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.000. Deze ouder ontvangt een kindgebonden budget van € 400.

De ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft (ouder II), heeft een netto besteedbaar inkomen van € 2.600. Deze ouder draagt een niet verwijtbare en niet vermijdbare last (dat is een andere noodzakelijke last) van € 200.

De onderstaande berekeningen kunnen we samenvatten in de formule:

Draagkracht = 70%

[NBI -/- (0,3 x NBI + gecorrigeerde bijstandsnorm + overige noodzakelijke lasten)]

Draagkracht Ouder I    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.000  
Kindgebonden Budget € 400  
Totaal   € 2400
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3) € 1.365  
Woonbudget € 720  
Andere noodzakelijke lasten € –  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)    € 2.085
Draagkrachtruimte   € 315
Draagkracht 70% (afgerond)   € 221
     
Draagkracht Ouder II    
Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen € 2.600  
Kindgebonden Budget € –  
Totaal    € 2.600
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.3)  € 1.365  
Woonbudget € 780  
Andere noodzakelijke lasten € 200  
Totaal (= draagkrachtloos inkomen)   € 2.345
Draagkrachtruimte   € 255
Draagkracht 70% (afgerond)   € 179

Stap 3: Draagkrachtvergelijking, zorgkorting en bepalen hoogte van dekinderalimentatie

We verdelen van het eigen aandeel over de ouders door het maken van een draagkrachtvergelijking.

Rekenvoorbeeld draagkrachtvergelijking

De ouders in het rekenvoorbeeld in stap 2 hebben één kind en het eigen aandeel is € 350.

De gezamenlijke draagkracht van ouder I en ouder II is (€ 221 + € 179 =) € 400.

De kosten verdelen we over beide ouders volgens de formule:

Formule:

eigen draagkracht / gezamenlijke draagkracht x eigen aandeel

Het aandeel van ouder I bedraagt (afgerond):

Formule:

210 / 400 x 350 = 193

Het aandeel van ouder II bedraagt (afgerond):

Formule:

197 / 400 x 350 = 157

Samen € 350

Eigen Aandeel   € 350
Draagkracht Ouder I € 221  
Draagkracht Ouder II € 179  
Totale draagkracht    € 400
Ouder I draagt  € 193  
Ouder II draagt  € 157  

Voor het berekenen van het bedrag aan kinderalimentatie dat de ouder bij wie het kind niet staat ingeschreven moet betalen aan de andere ouder brengen we zorgkorting in mindering op het bedrag dat die ouder draagt.

Rekenvoorbeeld zorgkorting

Ouder II draagt  € 157
Zorgkorting 15%  € 53
Ouder II betaalt  € 104

Bijzondere situaties

Rekenvoorbeeld bepalen eigen aandeel van ouders die nooit in gezinsverband hebbensamengeleefd (par. 3.2.4)

Ouders hebben samen met het kind nooit samengewoond en een gezin gevormd. Het kind heeft het hoofdverblijf bij ouder I. Het eigen aandeel van de ouders is het gemiddelde van het bedrag dat elk van hen aan het kind zou besteden als dit bij hem/haar woont/zou wonen.

Rekenvoorbeeld Eigen Aandeel nooit samengewoond

Besteedbaar inkomen ouder I  € 2.000
Kindergebonden Budget  €  400
Totaal  € 2.400
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
   
Besteedbaar inkomen ouder II  € 2.600
Kindergebonden Budget (fictief)  € 200
Totaal  € 2.800
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
   
Eigen Aandeel ouder I volgens tabel  € 260
Eigen Aandeel ouder II volgens tabel  € 320
Totaal Eigen Aandeel beide ouders  € 580
Waarvan de helft  € 290

Bij een tekort aan gezamenlijk draagkracht van ouders om in het eigen aandeel te voorzien

Als de gezamenlijke draagkracht van ouders onvoldoende is om het eigen aandeel volledig te kunnen bekostigen, moeten zij in elk geval tot de grens van hun draagkracht bijdragen. 

Tekort aan gezamenlijke draagkracht en zorgkorting

Als sprake is van een zorgregeling, maken we een uitzondering op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert. Uitgangspunt is dat de ouders ieder de helft van het tekort dragen.

Als de helft van het tekort minder is dan de zorgkorting, dan brengen we de helft van het tekort in mindering op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting brengen we in mindering op de te betalen bijdrage.

Rekenvoorbeeld

Eigen Aandeel    € 475
Zorgkorting 15%  € 71  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
Draagkrachttekort    € 76
Helft tekort    € 38
     
Draagkracht Ouder II    € 179
Zorgkorting  € 71  
Af: helft tekort  € 38  
In aanmerking te nemen zorgkorting    € 33
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 145

Als de helft van het tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting dan verminderen we de te betalen bijdrage niet met zorgkorting.

Rekenvoorbeeld draagkrachttekort en zorgkorting

Eigen Aandeel    € 775
zorgkorting 15%  € 116  
Draagkracht Ouder I  € 221  
Draagkracht Ouder II  € 179  
Totale draagkracht    € 399
draagkrachttekort    € 376
helft tekort    € 188
     
Draagkracht Ouder II    € 179
zorgkorting  € 116  
af: helft tekort  € 188  
in aanmerking te nemen zorgkorting    €–
Ouder II betaalt aan Ouder I    € 179

5.2 Stappenplan partneralimentatie

Hierna laten we in drie stappen met rekenvoorbeelden zien hoe we het bedrag aan partneralimentatie bepalen. De rekenvoorbeelden laten zien hoe we bepaalde berekeningen maken.

De bedragen in de voorbeelden zijn fictief. Alle bedragen zijn steeds per maand en afgerond op hele euro’s, tenzij anders vermeld.

Ontvangen kinderalimentatie, kinderbijslag en kindgebonden budget zijn bestemd om de kosten van levensonderhoud (verzorging en opvoeding) van de kinderen te bestrijden.

De (resterende) kosten van de kinderen drukken op het inkomen van de ouder(s) en zijn daarom van invloed op de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde en op de draagkracht van de onderhoudsplichtige.

Stap 1: Bepalen van de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde

De resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde bepalen we – kortgezegd – door op de huwelijksgerelateerde behoefte zijn of haar eigen inkomen en/of verdiencapaciteit in mindering te brengen.

We bepalen de huwelijksgerelateerde behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan de hand van de hofnorm.

Volgens de hofnorm is de huwelijksgerelateerde behoefte:

60% [netto besteedbaar gezinsinkomen -/- (indien van toepassing) het (toen de ouders nog in gezinsverband leefden) voor rekening van de ouders komende eigen aandeel in de kosten van de kinderen].

Rekenvoorbeeld bepalen huwelijksgerelateerde behoefte

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige voordat partijen uit elkaar gingen was € 3.500 per maand.

Het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsgerechtigde voordat partijen uit elkaar gingen was € 2.000 per maand.

Tot het gezin behoren twee kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is € 800 per maand.

De behoefte op basis van de hofnorm is dan

Rekenvoorbeeld behoefte volgens hofnorm 60%

Inkomen onderhoudsplichtige  € 4.000  
Inkomen onderhoudsgerechtigde  € 2.000  
Kindgebonden budget  € –  
Netto besteedbaar gezinsinkomen    € 6.000
Af: Eigen Aandeel kosten kinderen    € 1.375
Beschikbaar voor echtgenoten/partners    € 4.625
Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 2.775

Vervolgens stellen we vast of de onderhoudsgerechtigde over de middelen beschikt om in de behoefte van € 2.775 te voorzien of die in redelijkheid kan verwerven (verdiencapaciteit).

De resterende behoefte is de behoefte volgens hofnorm -/- eigen inkomen / redelijkerwijs te verwerven inkomen.

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (met kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%      € 2.775
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000    
Aanvullende verdiencapaciteit  € –    
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.000  
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 350    
Ontvangen KGB  € 250    
Kosten kinderen uit eigen inkomen    € 100  
Voor onderhoudsgerechtigde zelf beschikbaar      € 1.900
Resterende behoefte      € 875

Rekenvoorbeeld bepalen resterende behoefte (zonder kinderen)

Behoefte volgens hofnorm: 60%    € 3.000
Af: eigen inkomen onderhousgerechtigde  € 2.000  
Aanvullende verdiencapaciteit  € 500  
Eigen inkomen inclusief verdiencapaciteit    € 2.500
Resterende behoefte    € 500

Stap 2: Bepalen van draagkracht voor partneralimentatie

De draagkracht voor partneralimentatie bepalen we op basis van het netto besteedbaar inkomen van de onderhoudsplichtige aan de hand van de in par. 4.4 genoemde uitgangspunten.

Rekenvoorbeeld: netto besteedbaar inkomen, draagkrachtloos inkomen,draagkrachtpercentage en draagkracht

Inkomen    
Netto besteedbaar inkomen  € 4.000  
Bij: extra verdiencapaciteit  € –  
Totaal    € 4.000
Lasten    
Gecorrigeerde bijstandsnorm (zie 4.2.2.4)  € 1.365  
Woonbudget  € 1.200  
Andere noodzakelijke lasten  € –  
Totaal (=draagkrachtloos inkomen)    € 2.565
Draagkrachtruimte    € 1.435
Draagkracht 60% (afgerond)    € 861

Voor het bepalen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige is niet alleen diens feitelijke inkomen van belang, maar ook het inkomen dat hij of zij redelijkerwijs kan verwerven.

Bij partneralimentatie hanteren we een draagkrachtpercentage van 60. Op het gevonden bedrag brengen we het aandeel van de onderhoudsplichtige ouder in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en de kosten van levensonderhoud en studie van kinderen tot 21 jaar in mindering. In dit voorbeeld gaan wij ervan uit dat dat aandeel € 450 is.

Rekenvoorbeeld

Draagkracht 60% (afgerond)  € 861
Aandeel in levensonderhoud kinderen  € 450
Resteert voor partneralimentatie  € 411

Omdat betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekbaar is bruteren we dit netto bedrag.

Stap 3: Inkomensvergelijking

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking zonder kinderen

Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner I  € 4.000  
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) Partner II  € 2.000  
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)  € 6.000  
Behoefte volgens Hofnorm € 3.000   € 3.600
af: NBI Partner II   € 2.000
Resterende behoefte Partner II (na aftrek NBI)    € 1.600
Draagrkracht Partner I voor PAL 2026  € 861  
Inkomensvergelijking     
NBGI x 0,5   € 3.000
af: NBI Partner II   € 2.000
bijdrage na inkomensvergelijking   € 1.000
Op te leggen bijdrage € 861  

De draagkracht van de onderhoudsplichtige is minder dan de resterende behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Daarom kan de partneralimentatie niet hoger zijn dan de laagste van deze twee: € 861 (netto).

Als de onderhoudsgerechtigde na ontvangst van partneralimentatie een hoger netto inkomen overhoudt dan de onderhoudsplichtige, dan kan de onderhoudsplichtige een beroep doen op inkomensvergelijking. Na vergelijking blijkt dat beide partijen een gelijk netto inkomen hebben als de partneralimentatie € 605 bedraagt. Onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige hebben dan allebei € 3.102 te besteden.

Rekenvoorbeeld inkomensvergelijking met kinderen

  Patner I Partner II  Totaal
Netto Besteedbaar Inkomen (NBI)    € 5.000 € 2.500 € 7.500
Kindgebonden Budget (KGB) tijdens huwelijk      € -
Netto Besteedbaar Gezinsinkomen (NBGI)      € 7.500
Eigen aandeel ouders      € 1.695
Beschikbaar voor (ex-)partners tijdens huwelijk€ 4.600     € 5.805
Behoefte volgens hofnorm     € 3.483 
KGB na scheiding  € – € 400  
NBI voor kinderalimentatie € 5.000 € 2.900  
Draagkracht KAL 2025  € 1.495 € 466  
Aandeel kosten kinderen  € 1.292 € 403  
Kosten kinderen na aftrek KGB  € - € 3  
       
Resterende behoefte (na aftrek eigen NBI)      € 3.480 
Draagkracht PAL 2026  € 1.281    
Resteert voor PAL na aandeel kosten kinderen      € - 
Inkomen na aftrek kosten kinderen  € 3.708 € 2.479  
Inkomensvergelijking       € 605 
Op te leggen bijdrage € 605    

In dit voorbeeld is de draagkracht van de onderhoudsplichtige (na aftrek van de kinderalimentatie) lager dan de behoefte van de onderhoudsgerechtigde en ook lager dan het bedrag (na inkomensvergelijking) waarbij partijen een gelijk besteedbaar inkomen hebben.

5.3 Rekenvoorbeelden niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

Als een partij stelt en – al dan niet tegenover de betwisting door de wederpartij – voldoende onderbouwt dat sprake is van lasten die niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, dan kunnen we deze lasten opnemen in het draagkrachtloos inkomen.

Rekenvoorbeeld niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten

NBI    € 2.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365  
Woonbudget  € 750  
Aflossing restschuld  € 200  
Draagkrachtloos inkomen    € 2.315
Draagkrachtruimte    € 185
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 130
Draagkracht partneralimentatie (60%)    € 111

Woonlasten voormalige echtelijke woning

Indien een onderhoudsplichtige lasten van de (voormalige) echtelijke woning (gedeeltelijk)betaalt en de onderhoudsgerechtigde in die woning woont, passen we het woonbudget aan door de werkelijke woonlasten in aanmerking te nemen: voor degene die in de voormalige echtelijke woning woont: zijn aandeel in die last; voor degene die de woning heeft verlaten: de eigen werkelijke woonlasten en daarnaast zijn of haar aandeel in de lasten van de (voormalige) echtelijke woning.

Rekenvoorbeeld woonlasten voormalige echtelijke woning

Netto besteedbaar inkomen van de vertrokken ouder/partner is € 3.500 per maand.

Zijn aandeel in de netto woonlast van de (voormalige) echtelijke woning is € 500 maand.

De eigen werkelijke woonlast is € 800 per maand. Het netto besteedbaar inkomen van ouder/partner die is achtergebleven is € 1.500 maand, het kindgebonden budget € 300 per maand en de woonlast € 200 per maand.

  Achterblijvende ouder / partner Vertrokken ouder / partner
NBI achterblijvende ouder/partner   € 1.500   € 3.500  
KGB   € 300   € -  
NBI voor kinderalimentatie    € 1.800   € 3.500
Forfait noodzakelijke lasten  € 1.365   € 1.365  
Werkelijke woonlasten  € 200   € 800  
Lasten echtelijk woning € -   € 500  
Draagkrachtloos inkomen    € 1.565   € 2.665
Draagkrachtruimte    € 235   € 835
Draagkracht kinderalimentatie (70%)    € 165   € 585
         

5.4 Rekenvoorbeeld aanvaardbaarheidstoets

In het onderstaande voorbeeld is sprake van fictieve bedragen!

Een alimentatieplichtige ouder heeft drie verwijtbare maar niet te vermijden lasten in totaal € 325 per maand. Het NBI van die ouder bedraagt € 2.200 en op basis daarvan is de draagkracht voor kinderalimentatie € 50 per maand voor twee kinderen.

De woonlasten bedragen € 500 en de woontoeslag is € 300. De premie zorgverzekering is € 140 per maand en de zorgtoeslag is € 27.

De alimentatieplichtige ouder kan ten hoogste € 483 per maand betalen.

NBI Alimentatieplichtige      €­ 2.200
Bijstandsnorm alleenstaande 2026    € 1.402   
Af: wooncomponent 2026  € 201    
Af: nominale premie ZVW 2026  € 65    
Bijstandsnorm minus woonlasten en ZVW    € 266  
    € 1.136  
95% daarvan    € 1.079  
Woonlasten  € 500    
Af: woontoeslag  € 300    
Werkelijke woonlasten    € 200  
Zorgverzekering  € 140    
Af: zorgtoeslag  € 27    
Overige zorgkosten  € –    
Werkelijke zorgkosten    € 113  
overige last (1)  € 75    
overige last (2)  € 100    
overige last (3)  € 150    
Overige (verwijtbare) lasten    € 325  
Totaal noodzakleijke lasten      € 1.717
Resteert      €­ 483
 
Ga nu naar Overzicht wetten - Ga naar wetsartikel:

Wetten, regelgeving en verdragen

Geen wetnummer opgegeven.

Wetten en regelgeving

Verdragen en uitvoeringswetten

Beschikbare Officiële bekendmakingen in de kennisbank:

Informatie

Wanneer er op een icoon is geklikt in een Artikel, dan kan hier extra informatie komen te staan.
Lexicon
BRONNEN


© Copyright 2009 - 2026 XS2Knowledge b.v. - KVK: 24486465 - Telefoon: 085 744 0 733